Redactie: Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Thierry Deleu (eindredactie), Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Jan Van Loy, Dirk Vekemans
Stichtingsdatum: 1 februari 2007
"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"
"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.
Stichtingsdatum: 1 februari 2007
"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"
"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.
31 juli 2010
SOMS
Soms als de zon in de middag is
en ‘t Blote ligt te apegapen,
- mussen vallen van de hooiberg, -
waad ik door riet en waterwied.
De aarde voelt als een jong gezin.
En de wind heeft blond haar en dijen
zachter dan water vol eendenkroos.
De kikkers voelen hun onrust zwellen
en zwijgen in alle talen.
In hun ogen trilt het dierenrijk.
Bij de kortwoner aan de overkant
krult het vuur zich dubbel van lachen.
Thierry Deleu
Vandaag zag ik een speelse regenboog
Het werd zo stil, er beefden geen mannen
er liepen geen vrouwen,
iemand rustte in een schoot
gehuld in het wit met roerloze handen.
Wonderlijk hoe de natuur kan pronken
nootlot soms dingen kan vertonen
hoe spoedig word je soms van rust beroofd.
Vandaag zag ik een speelse regenboog
zomaar dansen op de wind.
Ik dacht: vreemdeling op weg, wie ben jij?
Annemieke Steenbergen
Het werd zo stil, er beefden geen mannen
er liepen geen vrouwen,
iemand rustte in een schoot
gehuld in het wit met roerloze handen.
Wonderlijk hoe de natuur kan pronken
nootlot soms dingen kan vertonen
hoe spoedig word je soms van rust beroofd.
Vandaag zag ik een speelse regenboog
zomaar dansen op de wind.
Ik dacht: vreemdeling op weg, wie ben jij?
Annemieke Steenbergen
Voor Marlène
Alles bevalt. Wat valt, bevalt met de andere wang terug.
Elk uur bevalt het hier & daar & ginds ons wel: zo maar een ietsjenietsje
of de glimlach van de éne maar niet van de andere, het bevalt ons.
Het bevalt ons: de seizoenen staan er weerloos tegen.
Net zoals de gsm-masten. Of de deflatoire inflatie.
Zo gebeurt het dat wij op dees moment flink ruimte-tijdgekaderd
naar markten trekken. Tapijten, matras & specerijen.
Weer bevalt het ons. Het opgewarmde weer bijvoorbeeld,
de penetrante geur van de bevlagde miskramen.
Ginds ook worden we al overvallen: de Scherpenheuvelse namaak!
G-spots met ingebouwde giftige doornen.
Maar wel altijd op de afspraak. HET wordt daar nooit IK.
Verder bevalt ons ook het wegtrekken van wolken
en een vlucht geslachtsloze engelen, die trekvogels
die het broeden vertikken en in mei een ei te leggen.
Zie daar! De keizers die gesneden worden
tot haaks opgehangen dikbillen. Alles gewikt en gewogen
en nu ook in promotie: een evaluatie door Kind & Gezin.
Ja, het bevalt ons. Het bevalt ons allemaal.
Het is een meester in het bevallen. Het is steeds paraat: paraat
op de voorjaarskasseien, op de flanken van de Tourmalet
en het bevalt in de winter ook nog eens
zesdagenlang in de coulissen van het Gentse Kuipke.
Uitzonderlijk bevalt ook eens een chromosoomgespleten wezen.
Feest dan uiteraard, zelfs daar waar het vuur vaag is:
Feest zeker bij de Y-getekende en -geketende spermaboeren
die betuigen in vespasiennes hoogmoedig en overvloedig eer
aan hun goede intenties gezien de storm die ze hebben geoogst
na meermaals zaaien van dezelfde wind op geduldig braakland.
Zij die hortend en stotend in pijn bevallen zal en de tragische nachtuil
die in het zweet zijns aanschijns haar onder de appelboom in de slangenkuil
via een elegante stoot in de rug tot de fatale onomkeerbare val bracht:
zij zullen haar Marlène noemen. Wat ons zeer bevalt.
Maar voorzichtig natuurlijk:
zo’n naam trekt clerus aan van Brugge tot Hamburg.
Ach onschuld zijn wij niet: wij willen in zo’n bevallige beschavingswieg
best ook wel voor een lente en een nacht bisschop van Zevekote zijn.
Marlène: krullen zal ze hebben!
Maar verdorie:
Dat die X- en Y-gebrandmerkten en hun doorluchtig gevolg
(we huiveren van die Maria die in Lierde woont en droomt
van corridors nu er in het metatraditioneel defilé op 21 juli
geen regiment verreikende schietgebeden meer opstapt) …
Dus: dat die X- en Y-chroomderivaten, we wikken onze woorden:
Marlène geen spiegel voorhouden svp!
Eric Rosseel
Alles bevalt. Wat valt, bevalt met de andere wang terug.
Elk uur bevalt het hier & daar & ginds ons wel: zo maar een ietsjenietsje
of de glimlach van de éne maar niet van de andere, het bevalt ons.
Het bevalt ons: de seizoenen staan er weerloos tegen.
Net zoals de gsm-masten. Of de deflatoire inflatie.
Zo gebeurt het dat wij op dees moment flink ruimte-tijdgekaderd
naar markten trekken. Tapijten, matras & specerijen.
Weer bevalt het ons. Het opgewarmde weer bijvoorbeeld,
de penetrante geur van de bevlagde miskramen.
Ginds ook worden we al overvallen: de Scherpenheuvelse namaak!
G-spots met ingebouwde giftige doornen.
Maar wel altijd op de afspraak. HET wordt daar nooit IK.
Verder bevalt ons ook het wegtrekken van wolken
en een vlucht geslachtsloze engelen, die trekvogels
die het broeden vertikken en in mei een ei te leggen.
Zie daar! De keizers die gesneden worden
tot haaks opgehangen dikbillen. Alles gewikt en gewogen
en nu ook in promotie: een evaluatie door Kind & Gezin.
Ja, het bevalt ons. Het bevalt ons allemaal.
Het is een meester in het bevallen. Het is steeds paraat: paraat
op de voorjaarskasseien, op de flanken van de Tourmalet
en het bevalt in de winter ook nog eens
zesdagenlang in de coulissen van het Gentse Kuipke.
Uitzonderlijk bevalt ook eens een chromosoomgespleten wezen.
Feest dan uiteraard, zelfs daar waar het vuur vaag is:
Feest zeker bij de Y-getekende en -geketende spermaboeren
die betuigen in vespasiennes hoogmoedig en overvloedig eer
aan hun goede intenties gezien de storm die ze hebben geoogst
na meermaals zaaien van dezelfde wind op geduldig braakland.
Zij die hortend en stotend in pijn bevallen zal en de tragische nachtuil
die in het zweet zijns aanschijns haar onder de appelboom in de slangenkuil
via een elegante stoot in de rug tot de fatale onomkeerbare val bracht:
zij zullen haar Marlène noemen. Wat ons zeer bevalt.
Maar voorzichtig natuurlijk:
zo’n naam trekt clerus aan van Brugge tot Hamburg.
Ach onschuld zijn wij niet: wij willen in zo’n bevallige beschavingswieg
best ook wel voor een lente en een nacht bisschop van Zevekote zijn.
Marlène: krullen zal ze hebben!
Maar verdorie:
Dat die X- en Y-gebrandmerkten en hun doorluchtig gevolg
(we huiveren van die Maria die in Lierde woont en droomt
van corridors nu er in het metatraditioneel defilé op 21 juli
geen regiment verreikende schietgebeden meer opstapt) …
Dus: dat die X- en Y-chroomderivaten, we wikken onze woorden:
Marlène geen spiegel voorhouden svp!
Eric Rosseel
30 juli 2010
KNAAPJE
Liep een knaapje, nog een kind
op een weide zonder einde,
speelde mondharmonika
zeven noten in de wind,
blies een wijsje ver en heinde
voor zijn zusje in de wolken.
Op eeen weide zonder einde
liep een zomerknaapje nog een kind.
TWAALF
Op vrijdag moeder bakte,
het deeg rees als dageraad,
vuurvaste stenen en houtskool vurig
straalden verbonden warmte uit.
Ik was zorgloos twaalf.
Moeder deelde de ovenkoeken,
de meelbebloemde weelde ui!t,
o tafel van samen
en dagelijks brood.
Buiten riep de krekel de avond
in het koren.
Fernand Florizoone
Liep een knaapje, nog een kind
op een weide zonder einde,
speelde mondharmonika
zeven noten in de wind,
blies een wijsje ver en heinde
voor zijn zusje in de wolken.
Op eeen weide zonder einde
liep een zomerknaapje nog een kind.
TWAALF
Op vrijdag moeder bakte,
het deeg rees als dageraad,
vuurvaste stenen en houtskool vurig
straalden verbonden warmte uit.
Ik was zorgloos twaalf.
Moeder deelde de ovenkoeken,
de meelbebloemde weelde ui!t,
o tafel van samen
en dagelijks brood.
Buiten riep de krekel de avond
in het koren.
Fernand Florizoone
Aankondiging
Demer Uitgeverij heeft het genoegen een nieuw boek aan te kondigen:
(verschijningsdatum: november 2010)
(paperback, 56 blz)
Het boek bevat 6 gesprekken, interviews, van Guy van Hoof met Vlaams dichter, auteur, literair journalist, die zijn sporen heeft verdiend in de hedendaagse literatuur. Hij neemt hierin een aparte plaats in.
De interviews zijn een terugblik op zijn literair leven, de vele ontmoetingen met dichters en auteurs in België, Nederland en het buitenland.
Zijn grote liefde voor de schilderkunst komt steeds terug in alle gesprekken.
Ook geeft hij een inkijk in zijn opvattingen over de verhoudingen tussen Nederland en België (Vlaanderen).
Zeer veel andere thema’s komen aan bod.
Voor wie geïnteresseerd is in het veelzijdig oeuvre van Willem M. Roggeman, is deze uitgave een aanwinst!
Hoewel Roggeman jarenlang werkte als literair journalist, - dit vak met groot vakmanschap beoefende, - wordt hij nu zelf uitgebreid geïnterviewd. De door Guy van Hoof gestelde vragen zijn helder en scherp geformuleerd, to the point.
Website boek: www.lulu.com/content/9144270
Boekprijs: € 15.
"Een schrijver moet zijn hele leven studeren. Meer nog dan een dokter, een apotheker of een advocaat moet hij de nieuwe ontwikkelingen binnen zijn vak, de evolutie van de wereldliteratuur volgen om hieruit te halen wat voor hem bruikbaar kan zijn om een eigen, strikt persoonlijk, eigenzinnig oeuvre naar een steeds hoger niveau op te voeren.”
Dit is één van de uitspraken van Willem M. Roggeman tijdens de zes gesprekken, die Guy van Hoof met hem heeft gevoerd. Nieuwe aspecten van deze auteur, die blijk geeft van een grote eruditie, vooral in de langere gedichten, die hij onder de titel Geschiedenis heeft gebundeld en waarvan volgend jaar een complete verzameling in Russische vertaling zal verschijnen.
U kunt zich nu alvast laten intekenen bij Demer Uitgeverij.
Het boek is verkrijgbaar vanaf 10 november en zal per post worden verzonden worden voor € 17.
Met vriendelijke groeten,
Hannie Rouweler
Demer Uitgeverij
info@demerpress.be
http://www.demerpress.be/
(verschijningsdatum: november 2010)
Gesprekken met Willem M. Roggeman –
Een schilder met woorden
Guy van Hoof
(paperback, 56 blz)
Het boek bevat 6 gesprekken, interviews, van Guy van Hoof met Vlaams dichter, auteur, literair journalist, die zijn sporen heeft verdiend in de hedendaagse literatuur. Hij neemt hierin een aparte plaats in.
De interviews zijn een terugblik op zijn literair leven, de vele ontmoetingen met dichters en auteurs in België, Nederland en het buitenland.
Zijn grote liefde voor de schilderkunst komt steeds terug in alle gesprekken.
Ook geeft hij een inkijk in zijn opvattingen over de verhoudingen tussen Nederland en België (Vlaanderen).
Zeer veel andere thema’s komen aan bod.
Voor wie geïnteresseerd is in het veelzijdig oeuvre van Willem M. Roggeman, is deze uitgave een aanwinst!
Hoewel Roggeman jarenlang werkte als literair journalist, - dit vak met groot vakmanschap beoefende, - wordt hij nu zelf uitgebreid geïnterviewd. De door Guy van Hoof gestelde vragen zijn helder en scherp geformuleerd, to the point.
Website boek: www.lulu.com/content/9144270
Boekprijs: € 15.
"Een schrijver moet zijn hele leven studeren. Meer nog dan een dokter, een apotheker of een advocaat moet hij de nieuwe ontwikkelingen binnen zijn vak, de evolutie van de wereldliteratuur volgen om hieruit te halen wat voor hem bruikbaar kan zijn om een eigen, strikt persoonlijk, eigenzinnig oeuvre naar een steeds hoger niveau op te voeren.”
Dit is één van de uitspraken van Willem M. Roggeman tijdens de zes gesprekken, die Guy van Hoof met hem heeft gevoerd. Nieuwe aspecten van deze auteur, die blijk geeft van een grote eruditie, vooral in de langere gedichten, die hij onder de titel Geschiedenis heeft gebundeld en waarvan volgend jaar een complete verzameling in Russische vertaling zal verschijnen.
U kunt zich nu alvast laten intekenen bij Demer Uitgeverij.
Het boek is verkrijgbaar vanaf 10 november en zal per post worden verzonden worden voor € 17.
Met vriendelijke groeten,
Hannie Rouweler
Demer Uitgeverij
info@demerpress.be
http://www.demerpress.be/
27 juli 2010
KOKSIJDSE ROOS
Van Baldjes duin tot poldervoor
in 't Blote
zee en meeuw roepen ons toe
een Blekkerhoog geluk,
een kinkhoorn overvloed,
Koksijdse roos
aan Vlaanderens kust
de bronzen danseresjes
dansen
een zachte zeezoen
wijl in schelpen
hun speelsheid ruist.
SPREEUWEN
Twee spreeuwen
schrijven danstekens in het gras
ik lees namen die bewegen,
plots vliegen ze op,
frazelen een vergezicht op de nok
en trekken verder
naar andere tuinen van Vivaldi.
LENTE 2000
zij kleurt de tijd in alle talen,
haar gestalte is als trilwindriet,
haar klaarte voelt viltzacht aan,
ontvouwt eenvoud in abundantia,
zij tilt mij in het crescendo
van de leeuwerik,
zij is
geur van God.
Fernand Florizoone
Van Baldjes duin tot poldervoor
in 't Blote
zee en meeuw roepen ons toe
een Blekkerhoog geluk,
een kinkhoorn overvloed,
Koksijdse roos
aan Vlaanderens kust
de bronzen danseresjes
dansen
een zachte zeezoen
wijl in schelpen
hun speelsheid ruist.
SPREEUWEN
Twee spreeuwen
schrijven danstekens in het gras
ik lees namen die bewegen,
plots vliegen ze op,
frazelen een vergezicht op de nok
en trekken verder
naar andere tuinen van Vivaldi.
LENTE 2000
zij kleurt de tijd in alle talen,
haar gestalte is als trilwindriet,
haar klaarte voelt viltzacht aan,
ontvouwt eenvoud in abundantia,
zij tilt mij in het crescendo
van de leeuwerik,
zij is
geur van God.
Fernand Florizoone
Naschrift op verzoek
Arsène du Frêne, heer van La Vallade
Historische roman van Thierry Deleu
Op vraag van enkele lezers, met bijzondere interesse voor de Middeleeuwen enerzijds en benieuwd in de genese van een historische roman anderzijds, schrijf ik dit naschrift.
Vooreerst wil ik beklemtonen dat Arsène du Frêne, heer van La Vallade het laatste deel is van de Creuse Trilogie. Dit betekent dat dezelfde hoofdpersonages in de drie romans voorkomen: Peter Deforge (in een nabij verleden Pierre Tersmidse; in een ver verleden Arsène du Frêne), Belle (het dochtertje van Peter en Amélie in Amélie Laforêt; in de historische roman is zij de dochter van de poorteres van La Vallade, zij treedt in het huwelijk met Arsène du Frêne) en Arsène du Frêne zelf (die veel gelijkenissen vertoont met Peter Deforge en de auteur).
In de drie romans komt ook de vrouwelijke alterego van Peter Deforge voor: als Sabine du Tertre in Eindterm; als Amélie Laforêt in Amélie Laforêt; als Belle (Isabelle) in Arsène du Frêne, heer van La Vallade. Ook de belangrijkste nevenpersonages spelen een rol in de drie delen. Ik denk hier vooral aan Marc Vanbeselaere (Marcel Warlop van het West-Vlaamse Beselare), een Vlaamse boer die heerst over het Franse Confolent, La Vallade, Sous-la-Faye en Villatte-Billon.
In Arsène du Frêne, heer van La Vallade heb ik twee tijdsblokken verwerkt: enerzijds - en uiteraard - de tijd na de opheffing van de Tempelorde en anderzijds - als literair handigheidje - de huidige tijd (of de tijd waarin Eindterm en Amélie Laforêt zich afspelen).
Jaren naeen hebben mijn vrouw en ik een gerestaureerd landgoed gehuurd op La Vallade, een gehucht van Saint-Victor (in de Creuse). La Vallade ligt ten zuidwesten van Guéret, de hoofdstad van de Creuse. Ten zuiden van de Creuse ligt de Corrèze (begin van het Centraal Massief), ten westen Limoges en ten oosten de Allier en de Puy de Dôme.
Ik werd door boer Warlop van dichtbij betrokken bij de restauratie. Het goed zou worden herbouwd in de authentieke Creuseois stijl, met specifieke verwijzingen naar de Middeleeuwen. Zo zou de grote schuur tot ridderzaal worden omgetoverd, met daar kortbij een vierkantige donjon die onderaan toegang zou verlenen tot de weiden met de paarden. Troon en koorbanken werden grif aangekocht en voorlopig gestockeerd in de garage. Ook wandtapijten met Middeleeuwse taferelen kwamen op de boerderij aan.
Mijn verbeelding heeft het landgoed echter volledig hersteld. In de historische roman, Arsène du Frêne, heer van La Vallade, wordt het goed eigendom van Tempelier Arsène du Frêne, die later Grootmeester zal worden van de Broederschap van de Tempel van Salomo.
Ik beschrijf de route die het hoofdpersonage, Arsène du Frêne, volgt na zijn ontsnapping uit de kerkers van het Louvre. Opgesloten bij zeven Tempeliers wordt hij - bij uitzondering - door hen ingewijd. Hij reist naar Sion waar hij wordt geïnstrueerd in de ware leer van de Tempelorde.
Na zijn instructie reist hij door naar het landgoed “L’Ecurie” op La Vallade, dat hem door de gevangen Tempeliers was geschonken. Opgejaagd door spionnen van Filips de Schone graaft hij met zijn vijf metgezellen een onderaardse gang om te schuilen en de schat van de Tempeliers in veiligheid te brengen.
Van waar komt de naam Arsène du Frêne? Een fictieve naam? Neen. Boer Warlop erfde het oude, vervallen landhuis met schuur en bijgebouwtjes van Armand Dufrène (21.03.1915 -12.01.1996). Tijdens zijn laatste levensmaanden werd hij toegewijd verzorgd door Christine en Marcel. Uit dank schonk hij hun zijn goed op La Vallade.
Armand was de zoon van Arsène Dufrène (29.00.1882 - 29.10.1970). Beiden landbouwers. Arsène Dufrène behoorde tot de klasse 1902 en verkreeg tweemaal afstel van legerdienst (resp. op 16 oktober 1917 en 21 januari 1920).
Ik koos de naam Arsène du Frêne (vóór zijn inwijding in de Orde van Tempeliers noemde Arsène bij zijn achternaam Dufresne), omdat ik dank zij de zorgvuldigheid van de nieuwe eigenaar, de Vlaming Marcel Warlop, inzage kreeg in enkele documenten die aan vader en zoon Dufrène hadden toebehoord. In het gerestaureerde landhuis zijn in de living twee grafstenen ingemetseld, resp. van Arsène en Armand Dufrène.
In mijn verbeelding was er hier, op La Vallade, in de Middeleeuwen een commanderij van de Tempeliers; later werd het de woonplaats van Arsène du Frêne en vijf ridders (die hem werden toegewezen door de Prior van de Orde van Sion). Arsène du Frêne werd later Grootmeester van de Broederschap van de Tempel van Salomo, een Orde die opgericht werd door gevluchte Tempelridders, met de steun van de Priorij van Sion. De Broederschap was legitiem erfgenaam van de Orde van Tempeliers, naast de filières in Schotland en Portugal.
De Broederschap koos een variante van het Tempelkruis als symbool. Ook in het gerestaureerde landhuis is dit kruis nog overal aanwezig: op de open haard, in de keuken, op de trapreling, onderaan een ingelijste spreuk (veeleer een précepte).
In Arsène du Frêne, heer van La Vallade, onthul ik, nog vóór De Da Vinci Code, de link tussen Tempeliers en Sion. Tijdens een geheim overleg tussen Jacques de Molay en de Prior - kort vóór de opheffing van de Orde - was overeengekomen dat Sion de esoterische kennis van de Tempelorde en het geheim over de descendanten van Jezus zal bewaren.
De inwijdingsrituelen van de Broederschap van de Tempel van Salomo zijn duidelijk geïnspireerd door die van de Priorij van Sion, de Orde van Tempeliers en de Orde van Vrijmetselaren.
Tijdens de vervolging van de Tempeliers zijn velen van hen gevlucht naar veilige oorden. Na verloop van tijd verenigden ingewijde Tempeliers zich opnieuw en stichtten - zoals hierboven aangehaald - nieuwe genootschappen.
De genese van mijn historische roman, Arsène du Frêne, heer van La Vallade, bevat enerzijds talrijke feitelijke gegevens, waaronder autobiografische, en anderzijds fictieve gegevens in een juiste historische context.
De literaire appreciatie van het boek heeft mij bekoord, zeker, maar mijn eerste motief was een ode te brengen aan La Vallade, waar ik op aarde de rust vond die in de hemel werd beloofd, en aan Marcel en Christine Warlop die mij daar hebben onthaald. Spijtig dat het achteraf volledig fake was. De boer bleek een geboren manipulator te zijn.
Thierry Deleu
Arsène du Frêne, heer van La Vallade, De Gebeten Hond, Harelbeke, 2004.
Prijs: 15 euro (over te schrijven op rekening 068-2119994-86 van de Gebeten Hond Harelbeke of te verkrijgen in de Stadsbibliotheek aldaar, Eilandstraat 2).
Te bestellen via e-mailadres harelbeke@bibliotheek.be
Historische roman van Thierry Deleu
Op vraag van enkele lezers, met bijzondere interesse voor de Middeleeuwen enerzijds en benieuwd in de genese van een historische roman anderzijds, schrijf ik dit naschrift.
Vooreerst wil ik beklemtonen dat Arsène du Frêne, heer van La Vallade het laatste deel is van de Creuse Trilogie. Dit betekent dat dezelfde hoofdpersonages in de drie romans voorkomen: Peter Deforge (in een nabij verleden Pierre Tersmidse; in een ver verleden Arsène du Frêne), Belle (het dochtertje van Peter en Amélie in Amélie Laforêt; in de historische roman is zij de dochter van de poorteres van La Vallade, zij treedt in het huwelijk met Arsène du Frêne) en Arsène du Frêne zelf (die veel gelijkenissen vertoont met Peter Deforge en de auteur).
In de drie romans komt ook de vrouwelijke alterego van Peter Deforge voor: als Sabine du Tertre in Eindterm; als Amélie Laforêt in Amélie Laforêt; als Belle (Isabelle) in Arsène du Frêne, heer van La Vallade. Ook de belangrijkste nevenpersonages spelen een rol in de drie delen. Ik denk hier vooral aan Marc Vanbeselaere (Marcel Warlop van het West-Vlaamse Beselare), een Vlaamse boer die heerst over het Franse Confolent, La Vallade, Sous-la-Faye en Villatte-Billon.
In Arsène du Frêne, heer van La Vallade heb ik twee tijdsblokken verwerkt: enerzijds - en uiteraard - de tijd na de opheffing van de Tempelorde en anderzijds - als literair handigheidje - de huidige tijd (of de tijd waarin Eindterm en Amélie Laforêt zich afspelen).
Jaren naeen hebben mijn vrouw en ik een gerestaureerd landgoed gehuurd op La Vallade, een gehucht van Saint-Victor (in de Creuse). La Vallade ligt ten zuidwesten van Guéret, de hoofdstad van de Creuse. Ten zuiden van de Creuse ligt de Corrèze (begin van het Centraal Massief), ten westen Limoges en ten oosten de Allier en de Puy de Dôme.
Ik werd door boer Warlop van dichtbij betrokken bij de restauratie. Het goed zou worden herbouwd in de authentieke Creuseois stijl, met specifieke verwijzingen naar de Middeleeuwen. Zo zou de grote schuur tot ridderzaal worden omgetoverd, met daar kortbij een vierkantige donjon die onderaan toegang zou verlenen tot de weiden met de paarden. Troon en koorbanken werden grif aangekocht en voorlopig gestockeerd in de garage. Ook wandtapijten met Middeleeuwse taferelen kwamen op de boerderij aan.
Mijn verbeelding heeft het landgoed echter volledig hersteld. In de historische roman, Arsène du Frêne, heer van La Vallade, wordt het goed eigendom van Tempelier Arsène du Frêne, die later Grootmeester zal worden van de Broederschap van de Tempel van Salomo.
Ik beschrijf de route die het hoofdpersonage, Arsène du Frêne, volgt na zijn ontsnapping uit de kerkers van het Louvre. Opgesloten bij zeven Tempeliers wordt hij - bij uitzondering - door hen ingewijd. Hij reist naar Sion waar hij wordt geïnstrueerd in de ware leer van de Tempelorde.
Na zijn instructie reist hij door naar het landgoed “L’Ecurie” op La Vallade, dat hem door de gevangen Tempeliers was geschonken. Opgejaagd door spionnen van Filips de Schone graaft hij met zijn vijf metgezellen een onderaardse gang om te schuilen en de schat van de Tempeliers in veiligheid te brengen.
Van waar komt de naam Arsène du Frêne? Een fictieve naam? Neen. Boer Warlop erfde het oude, vervallen landhuis met schuur en bijgebouwtjes van Armand Dufrène (21.03.1915 -12.01.1996). Tijdens zijn laatste levensmaanden werd hij toegewijd verzorgd door Christine en Marcel. Uit dank schonk hij hun zijn goed op La Vallade.
Armand was de zoon van Arsène Dufrène (29.00.1882 - 29.10.1970). Beiden landbouwers. Arsène Dufrène behoorde tot de klasse 1902 en verkreeg tweemaal afstel van legerdienst (resp. op 16 oktober 1917 en 21 januari 1920).
Ik koos de naam Arsène du Frêne (vóór zijn inwijding in de Orde van Tempeliers noemde Arsène bij zijn achternaam Dufresne), omdat ik dank zij de zorgvuldigheid van de nieuwe eigenaar, de Vlaming Marcel Warlop, inzage kreeg in enkele documenten die aan vader en zoon Dufrène hadden toebehoord. In het gerestaureerde landhuis zijn in de living twee grafstenen ingemetseld, resp. van Arsène en Armand Dufrène.
In mijn verbeelding was er hier, op La Vallade, in de Middeleeuwen een commanderij van de Tempeliers; later werd het de woonplaats van Arsène du Frêne en vijf ridders (die hem werden toegewezen door de Prior van de Orde van Sion). Arsène du Frêne werd later Grootmeester van de Broederschap van de Tempel van Salomo, een Orde die opgericht werd door gevluchte Tempelridders, met de steun van de Priorij van Sion. De Broederschap was legitiem erfgenaam van de Orde van Tempeliers, naast de filières in Schotland en Portugal.
De Broederschap koos een variante van het Tempelkruis als symbool. Ook in het gerestaureerde landhuis is dit kruis nog overal aanwezig: op de open haard, in de keuken, op de trapreling, onderaan een ingelijste spreuk (veeleer een précepte).
In Arsène du Frêne, heer van La Vallade, onthul ik, nog vóór De Da Vinci Code, de link tussen Tempeliers en Sion. Tijdens een geheim overleg tussen Jacques de Molay en de Prior - kort vóór de opheffing van de Orde - was overeengekomen dat Sion de esoterische kennis van de Tempelorde en het geheim over de descendanten van Jezus zal bewaren.
De inwijdingsrituelen van de Broederschap van de Tempel van Salomo zijn duidelijk geïnspireerd door die van de Priorij van Sion, de Orde van Tempeliers en de Orde van Vrijmetselaren.
Tijdens de vervolging van de Tempeliers zijn velen van hen gevlucht naar veilige oorden. Na verloop van tijd verenigden ingewijde Tempeliers zich opnieuw en stichtten - zoals hierboven aangehaald - nieuwe genootschappen.
De genese van mijn historische roman, Arsène du Frêne, heer van La Vallade, bevat enerzijds talrijke feitelijke gegevens, waaronder autobiografische, en anderzijds fictieve gegevens in een juiste historische context.
De literaire appreciatie van het boek heeft mij bekoord, zeker, maar mijn eerste motief was een ode te brengen aan La Vallade, waar ik op aarde de rust vond die in de hemel werd beloofd, en aan Marcel en Christine Warlop die mij daar hebben onthaald. Spijtig dat het achteraf volledig fake was. De boer bleek een geboren manipulator te zijn.
Thierry Deleu
Arsène du Frêne, heer van La Vallade, De Gebeten Hond, Harelbeke, 2004.
Prijs: 15 euro (over te schrijven op rekening 068-2119994-86 van de Gebeten Hond Harelbeke of te verkrijgen in de Stadsbibliotheek aldaar, Eilandstraat 2).
Te bestellen via e-mailadres harelbeke@bibliotheek.be
Gedichten van zolder
Sinds 1962 publiceert Thierry Deleu poëzie in Vlaamse en Nederlandse tijdschriften en (later) e-zines. Vele gedichten selecteerde hij voor ettelijke bundels. Enkele werden opgenomen in bloemlezingen.
Hij haalt er een paar van zolder (een bezigheid die hem werd voorgedaan door zijn vriend Fernand Florizoone).
Sommige stijgen misschien niet boven het maaiveld uit. Aan jou te oordelen!
DE HERINNERING
Door de lange gang van haar witte
ogen loopt de maan schoorvoetend
tegen de tijd aan: ik zoek tussen
verloren voorwerpen poppen, pruiken,
strikken, streken van kwajongens,
de maan lacht door het nauwe dakvenster
van haar oranje ogen haar tong
halfstok naar de vermoeide straat.
Zij wenkt mij geen extra kosten,
maar aaiende vingers, vertrouwde
gebaren, kraambedden onder
nieuwsgierige blikken, zij is niemand
iedereen is met haar vertrouwd.
Achter de schermen van haar blauwe
ogen hang ik mijn droom in trage
teugen aan de drank en degenereer.
OP DE HUIVERLIPPEN
Op de huiverlippen van de kindbomen
knippert het ochtendzilver;
de stad slaapt in hun kroonbed.
Het meisje met de zachte streelhanden vraagt:
waar zijn de goudbomen, darling?
Naar ademdeeg ruikend haar jonge borsten.
De straat strekt huiverig het stenen lijf;
de goudzoekers krommen de vingers
in het bloeiende water van de ochtendkom.
DE DAG
De dag, met gulzige mond
vretend aan vroegrijpe
kluiven, ligt snikheet tussen
luie kannibalen.
De dag is als een jager,
met zweetlinten klevend
aan afgereden zebra's,
geurend naar geroost vlees.
En toch, de mensaap staat
flegmatisch op zijn steppe,
redeloos. En rondom hem
eet smakeloos de troep.
Het gezicht van de dag ziet
strogeel, als een luihete
wachter op een spier van zijn
kudde, tegen zon.
MISSCHIEN
Misschien is de morgen een witte deur
die zich langzaam openzet
dit is mijn voorraadkamer
een landschap van bevroren tranen
een huis dat geen huis meer is
maar een witte keel een stollende zee.
Ieder mens hamstert voor een tijd
dat het land naar traag water ademt
een spons lichaam in een lege kamer.
Misschien heb ik mijn voet gezet
tussen de deur van de ochtend
mijn kamer heeft een klam behang.
MIJN HUIS
Mijn huis groen beslagen frêle waterloop
waar kille regen hangt en gras dat beeft
waar leeft met blozende wangen de wind
hoe hij betast onzeglijk geil dit huis
van glas onaanraakbaar broos de gewelven.
Ik droog beschroomd mijn tranen af met gras
op mijn lippen de smaak van wilde vinnen.
Ik hoor de vogels op hun hoge masten
op schrale vingers van een vuist verdriet
windwijzers aan mijn uitgeregend water.
IK LIG IN MEZELF
Ik lig in mezelf te grienen
en droog mijn tranen af met gras.
De rivier mijn bed vredig dier
rekt zich uit tot zacht bespringen.
Mijn droom heeft waterende ogen.
Tussen de berken en het water
wijdbenig de herfst in enge trui.
De rivier strekt haar welsprekende armen.
Mijn droom een vis gelijk met wilde
vinnen snel en breekbaar als geluid.
De vissers aan de overkant klappen
als vleugels de handen tegen elkaar.
LEESWIJZER
Mijn stem fluit een oeroud geluid.
En in mijn bloed is de zachte
booswicht van de angst. Leeswijzer
tussen huid en been. In wedloop
met de tijd één etmaal lang.
Buiten de tijd een nest, een moeder,
in het hart der ruimte een vrouw.
Ik ben ooit nog bang geweest. Toen.
Toen halfstok de zon, stollend,
de wind haar adem weigerde,
en de stilte zo dichtbij was
als een wapen. Een pijlpunt.
Een mijlpaal van stilte. Manshoog.
Ten zuiden lig ik moe gemeerd.
Totdat wij zuiveren tot op het been
het woud van heks en wolf.
HET HUIS VAN JAREN
Binnen de kamer achter het raam,
rijzend in een rag van ruisend licht,
zij wuift - en wuivend verstrooit zij
in reeksen tekens dit ogenblik.
De liefde is een stralend boek zegt zij,
maar eens wordt het gesloten.
Voorbij de ogen der ramen de echo
raapt gehaast haar stappen op,
alsof zij mij staat na te wuiven.
In de wiekslag van een duif wis ik
letter voor letter haar sporen uit.
Schaduw hijst zich aan het lege raam
en traag loopt haar licht verloren.
Dun als het vel van het water
is wat ons scheidt in dit huis van jaren.
En elke dag word ik twee dagen ouder.
Thierry Deleu
Hij haalt er een paar van zolder (een bezigheid die hem werd voorgedaan door zijn vriend Fernand Florizoone).
Sommige stijgen misschien niet boven het maaiveld uit. Aan jou te oordelen!
DE HERINNERING
Door de lange gang van haar witte
ogen loopt de maan schoorvoetend
tegen de tijd aan: ik zoek tussen
verloren voorwerpen poppen, pruiken,
strikken, streken van kwajongens,
de maan lacht door het nauwe dakvenster
van haar oranje ogen haar tong
halfstok naar de vermoeide straat.
Zij wenkt mij geen extra kosten,
maar aaiende vingers, vertrouwde
gebaren, kraambedden onder
nieuwsgierige blikken, zij is niemand
iedereen is met haar vertrouwd.
Achter de schermen van haar blauwe
ogen hang ik mijn droom in trage
teugen aan de drank en degenereer.
OP DE HUIVERLIPPEN
Op de huiverlippen van de kindbomen
knippert het ochtendzilver;
de stad slaapt in hun kroonbed.
Het meisje met de zachte streelhanden vraagt:
waar zijn de goudbomen, darling?
Naar ademdeeg ruikend haar jonge borsten.
De straat strekt huiverig het stenen lijf;
de goudzoekers krommen de vingers
in het bloeiende water van de ochtendkom.
DE DAG
De dag, met gulzige mond
vretend aan vroegrijpe
kluiven, ligt snikheet tussen
luie kannibalen.
De dag is als een jager,
met zweetlinten klevend
aan afgereden zebra's,
geurend naar geroost vlees.
En toch, de mensaap staat
flegmatisch op zijn steppe,
redeloos. En rondom hem
eet smakeloos de troep.
Het gezicht van de dag ziet
strogeel, als een luihete
wachter op een spier van zijn
kudde, tegen zon.
MISSCHIEN
Misschien is de morgen een witte deur
die zich langzaam openzet
dit is mijn voorraadkamer
een landschap van bevroren tranen
een huis dat geen huis meer is
maar een witte keel een stollende zee.
Ieder mens hamstert voor een tijd
dat het land naar traag water ademt
een spons lichaam in een lege kamer.
Misschien heb ik mijn voet gezet
tussen de deur van de ochtend
mijn kamer heeft een klam behang.
MIJN HUIS
Mijn huis groen beslagen frêle waterloop
waar kille regen hangt en gras dat beeft
waar leeft met blozende wangen de wind
hoe hij betast onzeglijk geil dit huis
van glas onaanraakbaar broos de gewelven.
Ik droog beschroomd mijn tranen af met gras
op mijn lippen de smaak van wilde vinnen.
Ik hoor de vogels op hun hoge masten
op schrale vingers van een vuist verdriet
windwijzers aan mijn uitgeregend water.
IK LIG IN MEZELF
Ik lig in mezelf te grienen
en droog mijn tranen af met gras.
De rivier mijn bed vredig dier
rekt zich uit tot zacht bespringen.
Mijn droom heeft waterende ogen.
Tussen de berken en het water
wijdbenig de herfst in enge trui.
De rivier strekt haar welsprekende armen.
Mijn droom een vis gelijk met wilde
vinnen snel en breekbaar als geluid.
De vissers aan de overkant klappen
als vleugels de handen tegen elkaar.
LEESWIJZER
Mijn stem fluit een oeroud geluid.
En in mijn bloed is de zachte
booswicht van de angst. Leeswijzer
tussen huid en been. In wedloop
met de tijd één etmaal lang.
Buiten de tijd een nest, een moeder,
in het hart der ruimte een vrouw.
Ik ben ooit nog bang geweest. Toen.
Toen halfstok de zon, stollend,
de wind haar adem weigerde,
en de stilte zo dichtbij was
als een wapen. Een pijlpunt.
Een mijlpaal van stilte. Manshoog.
Ten zuiden lig ik moe gemeerd.
Totdat wij zuiveren tot op het been
het woud van heks en wolf.
HET HUIS VAN JAREN
Binnen de kamer achter het raam,
rijzend in een rag van ruisend licht,
zij wuift - en wuivend verstrooit zij
in reeksen tekens dit ogenblik.
De liefde is een stralend boek zegt zij,
maar eens wordt het gesloten.
Voorbij de ogen der ramen de echo
raapt gehaast haar stappen op,
alsof zij mij staat na te wuiven.
In de wiekslag van een duif wis ik
letter voor letter haar sporen uit.
Schaduw hijst zich aan het lege raam
en traag loopt haar licht verloren.
Dun als het vel van het water
is wat ons scheidt in dit huis van jaren.
En elke dag word ik twee dagen ouder.
Thierry Deleu
26 juli 2010
AANKOMST IN SENEGAL
Aan een palmtak
hing de maan,
de stilte van Afrika
in de tuin van Eden,
elke ster
leek een zeepbel
als een zucht
van het oneindige.
DE BAOBAB
De mysterieuze reus
hoedt de mensen en de vogels,
de tijd leeft en slaapt in zijn takken,
de wind komt op bezoek
met het aloude verhaal
hij kent de zandkleur van de droogte,
het tjirpen van de krekels
en de groene kleur van de regen,
het wijde land
draagt hem heilig.
De baobab is het alfabet van de savanne,
van morgen tot maan
staat hij in de stilte van Afrika,
hij zwijgt over de doden,
hij kent de grootmoeders en de borelingen
o goddelijke boom
te groot
om in een gedicht te staan.
DE DINGEN EN WIJ
Het stof, de dingen
gisteren, vandaag en morgen,
de mus en de coucal
de grijze hut
en wij
kleven aan
gisteren, vandaag en morgen
opgevangen door de wind
waaien we heen
de savanne door
gisteren, vandaag en morgen
en naderen.
ZWARTE EVA
Wandelende bougainvillea
donker en veerkrachtig
met ogen vurige tuinen
gouden miniaturen
vergulden
haar taal.
DE PRESIDENT
in memoriam Leopold Sedar Senghor
De president
was een dichter,
hij bundelde de stemmen samen van zijn land,
de welige passaatwinden, de regengrassen,
het goud van de zon, het blauw van de oceaan,
de kus van de riviermond, de gelatenheid van de peuldorpen,
de gedreven tocht der nomaden
en vissers van veel einder,
de teruggetrokenheid van het lepradorp
en hij droomde de droom mee
van Martin Luther King.
De president
hij deelde gedichten uit:
elegieën en nocturnes
met het portret van zijn geliefde,
zijn Afrika.
P.S.. De Baobab is een boomachtige plant beschermd en geëerd in Senegal. Nationaal symbool van Senegal.
'De peul': aparte etnische groep.
Fernand Florizoone
Fernand Florizoone 85! Foto's onthaal gemeentehuis en Hotelschool Ter Duinen Koksijde.
U wordt uitgenodigd om het fotoalbum van Gerda Galicia te bekijken:
Fernand Florizoone
Demer Uitgeverij heeft het grote genoegen twee nieuwe gedichtenbundels aan te kondigen, waarvan de eerste in december a.s. officieel zal verschijnen, en de tweede in maart 2011.
Beide uitgaven zijn nu al gereed en kunnen - voor belangstellenden - al gekocht worden via de vermelde boekwebsites.
Bij de uitgeverij bestelbaar:
Alle naden dicht - Julie Goderis - december a.s.
Langs wegen en omwegen - Francis De Preter - maart 2011.
Nu de poëzieplankjes bij boekhandels - ook de grotere boekhandel! - steeds smaller en onzichtbaarder worden (ergens achterin de winkel, soms een zoekplaatje bij “literatuur”) en het erop lijkt dat romans, thrillers, kookboeken, kunstboeken de winkels uitvliegen, zijn wij er als de kippen en hanen bij om u tijdig te laten weten, dat deze bundels HET LEZEN en AANSCHAFFEN dubbel & dwars waard zijn.
Alle naden dicht
Boekwebsite: www.lulu.com/content/8643027
Paperback, 72 p.
€16.00
Julie Goderis (1944) debuteerde in 1989 met de bundel Er kromt een nieuwe klaarte (Dilbeekse Cahiers). Zij publiceerde in verschillende (literaire) tijdschriften (Vlaanderen, Davidsfonds, Letteren Leuven, Dietsche Warande en Belfort, Appel), werd laureate van de Poëzieprijs Tongeren, tweede prijs Blankenberge en Hasselt en kreeg diverse eervolle vermeldingen (o.a. Jules Van Campenhout, Arca en Gaselwest). Haar werk werd geselecteerd voor de nationale bloemlezing vrouwelijke poëzie in Vlaanderen Eigen Wegen (Leuvense Cahiers) en voor Honderd gedichten uit Vlaanderen (Lannoo). Haar betrokkenheid met poëzie uit zich niet alleen in het geschreven woord. In het stemmig kader van "Den Artemeersch" in Kanegem krigen verzen en dichters een podium. Met een uitgebreide inleiding van Thierry Deleu.
Met het woordtheatergezelschap "Antipode" deed Julie Goderis zowat alle theaterzalen in Vlaanderen aan.
Langs wegen en omwegen
(reisgedichten, met enkele pentekeningen)
Boekwebsite www.lulu.com/content/8763319
Paperback, 80 p.
€16.00
Officiële publicatiedatum: maart 2011. Nieuwe gedichten van Francis De Preter. “De Preter mag dan in zekere zin niet echt een onderschat dichter zijn, maar te weinig bekendheid geniet hij alleszins. In 1962 verscheen zijn bundel Stilte rapen, gevolgd door de bundels o.a.: Bitterzoet, Nachtegaalrecht, Gedichten 1980-1992. Voor die laatste kreeg hij de A. Merghelynckprijs van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. De Preter trekt zich terug, en schrijft bovendien op zijn eigen manier, in een volstrekt eigen stijl, over de natuur versus de stad, de verloedering en wat verloren is gegaan. Geen sentimenteel gedoe, helemaal niet, wel degelijk onderschraagde poëzie vol klank en kleur. Een mystiek, of religieus dichter dus? Nee, gewoonweg een schrijver die ver af staat van alle commerciële gewoel en een unieke sfeer weet op te roepen.” (Guy van Hoof)
N.B.: van beide bundels zal t.z.t. een presentatie gehouden worden.
Voor recensie exemplaren en inlichtingen kunt u met mij contact opnemen.
Met vriendelijke groeten,
Demer Uitgeverij, ePublisher
Hannie Rouweler
http://www.demerpress.be/
info@demerpress.be
24 juli 2010
In september weer naar school! Nog een maand te gaan!
NAAR SCHOOL!
1.
Eerste schooldag.
Van mijn eerste schooldag herinner ik mij geen bal meer. Denk erom, dat ik een vooroorlogs kind ben, geboren op 11 februari 1940, enkele maanden vooraleer de Duitsers en masse België bezochten. Toch zijn enkele gebeurtenissen in mijn geheugen vastgeroest.
Als kleuter ging ik naar de Meisjesschool waar de “masoeurs” hun primitieve bezigheidstherapie op ons uitprobeerden. Ik herinner mij de twee zusjes (in mijn ogen toen reeds grote meisjes) met een punaise in hun voorhoofd geduwd. Ze waren stout geweest en stonden te schande op de speelplaats. Pas veel later ben ik te weten gekomen dat die punaises twee ronde plakkertjes waren. Of die keer dat wij met z’n allen moesten toekijken hoe een stout jongetje in de rattenkelder werd opgesloten. Wie van mijn leeftijdsgenoten kan de pijniging met de grote lepel levertraan vergeten. Een echt trauma, maar… werden wij er niet sterker door?
Op zekere dag mochten (?) wij de boot van sinterklaas tekenen op onze lei, op weg naar Vlaanderen. Ik maakte die boot zo mooi (de romp grijs, met mijn vingertje uitgewreven) dat zuster Bergmans met mij in haar spoor alle klassen liet doen. Een mobiele expositie van één kunstwerk. Denk maar niet dat dit mijn enig teken is geweest van intelligentie. O neen, ik kreeg vaak prentjes van heiligen als beloning voor een goed werk of een goed antwoord. Of waren het de briefjes van 20 die mijn moeder de zusters toestak, die mij zo “knap” maakten?
Na dit jaar kleuterschool belandde ik in de Jongensschool, het gemengd onderwijs was voorbij (tot mijn 15de; toen kwam ik in het K.A. van Kortrijk - eindelijk weer - bij meisjes terecht). In de Jongensschool bleef ik twee trimesters. Ik was de eerste van de klas die met inkt mocht schrijven! Ik was de derde van de klas en mijn trotse vader reed met zijn fiets door regen en wind naar Kortrijk om daar een speelgoedsaxofoontje te kopen voor zijn pienter “manneke”. Het derde trimester vonden mijn moeder en een dokter van de mutualiteit het raadzaam om mij naar “Het Rustoord” te sturen aan zee in Westende. Ja, zo noemde dit centrum. Om de gezonde zeelucht in te ademen.
Uit die tijd herinner ik mij het bezoek van meneer en mevrouw Allaert (meneer was handelsvertegenwoordiger en mocht hemden toeleveren voor moeders winkeltje). Ze hadden een grote zak snoep mee. Nog maar pas waren ze deur uit, of de zuster van toezicht nam mij de zak af, met als argument dat ik mij “slecht zou eten”. Als recreatie mochten wij in de lage duinen voor het centrum spelen. De nonnetjes stonden aan elke hoek van het terrein toe te kijken en te speuren naar kindjes die liever wegliepen… uit frustratie voor zoveel kampdiscipline.
Uit die tijd komt ook het verhaal van het gebreide wollen zwempakje dat, wanneer ik uit de zee kwam, veel langer en zwaarder was geworden.
Mijn eerste schooldag? 1945, 1946? Ik weet het niet meer. In het eerste leerjaar kreeg ik les van een “lange” meneer, roodharig, zoon uit een café, hij luisterde naar de naam Soenen. Op school had je de kleine en de grote Soenen. Bij de kleine kwam ik terecht in het tweede leerjaar (“studiejaar” zegde men toen). Een streng ventje dat thuis niets te piepen had en op school rond zijn oren meppen uitdeelde en op onze kneukels trommelde bij het minste vergrijp. Toch hebben mijn neefje en ik het bij hem aangedurfd om te spijbelen (“hagenmuiten” was toen de term). We sloegen halfweg de Moorseelsestraat een zijstraatje in en keerden terug naar huis waar wij ons verstopten in het kippenhok, dicht tegen elkaar, de knieën opgetrokken, in doodse stilte. Maar een oud buurvrouwtje (wat haatte ik dit mormel) had ons die afwijkende beweging zien maken en ons verklikt bij mijn oom. Amai, wat kreeg mijn neefje klop, hij moest bovendien op zijn blote knieën op een tapijt van omgekeerde bierschuitjes zitten. Vader was milder en gaf mij enkel een tik.
Wat ik mij nog goed herinner, zijn de Engelsen op straat en bij ons thuis. Op een dag kwam ik van school en in de Lauwestraat gooiden de Engelsen vanop hun legerauto’s kauwgom uit. Ik wilde ook mijn deel bijeengraaien toen ik door een fietser werd aangereden. Hij bracht zijn wenend slachtoffertje naar huis waar moeder hem bedankte voor de goede zorgen (had hij mij niet omvergereden?). Twee Engelsen kwamen vaak bij ons thuis hun dag doorbrengen. Joe en Harry heetten ze. Brave jonge manen die mij verwenden met snoep en blikken confituur. Daar lag ook de kiem van moeders winkeltje in textiel. Ze kreeg van haar “logeurs” stapels dekens en hiermee startte zij later haar zaakje op. Joe stuurde ons na de oorlog tot halfweg de jaren ’50 elk jaar met nieuwjaar Turks fruit op.
Tijdens de oorlog woonden wij een paar jaar in Rekkem, een grensdorpje. Mijn ouders en mijn oom en tante met mijn neefje en nichtje waren naar ginder gevlucht. Wevelgem was immers te gevaarlijk geworden omdat het vliegveld bijna elke dag werd gebombardeerd. Ik herinner mij van deze korte periode twee dingen. Op zekere dag beet ik in de arm van een buurjongetje en mijn tante bond mij vast aan de “buzestove” (lees: Mechelse kachel). Ik was het ook gewoon om met het licht aan in te slapen, maar tante was daar niet voor. De eerste voornacht weende ik tranen met tuiten, maar tante begaf niet. De volgende nachten gedroeg ik mij als een dappere soldaat.
In die tijd moesten moeder en ik ook vaak (elke week?) naar de dokter om mijn oor te laten onderzoeken. Ik werd geopereerd voor een kwalijke oorontsteking. We reden met de tram of gingen te voet naar Menen. Bij dokter De Backer. Die man vergeet ik van mijn leven niet. Hij was zacht en had begrip voor mijn angsten.
Mijn eerste schooldag kan ik mij niet herinneren, maar hij zal niet zoveel anders zijn geweest dan jouw eerste schooldag, lezer: opgewonden gesnater van de moeders, het gekreis van hun kroost, tranen die worden weggepinkt, rokken die het hard te verduren krijgen, en nog van die “gezellige” toestanden waar je later een opstelletje over schrijft.
2.
Met lei en griffel
Ten jaren 1946 schreef ik met mijn griffel op mijn lei. Velen zullen dit antiek gedoe niet hebben meegemaakt. Spijtig, want nu nog droom ik van die tijd of ruimer: van de tijd van toen. Toen wij levertraan dronken, in sinterklaas geloofden, zilverpapier spaarden voor de zwartjes in Congo, toen nonkel pater elk jaar op bezoek kwam bij mijn vader, zijn klasgenoot (om geld in te zamelen voor zijn weeskindjes in de missie).
Zalig was het de griffel te hanteren als een verlengstuk(je) van je denken. Je kinderlijk denken. Over mama en papa, de Engelsen, de stoute kindjes in de klas die de zonde bedreven, bezeten van duiveltjes en gevallen engeltjes. Ik had geluk: op mijn rechterschouder zat altijd een goede engel, mijn engelbewaarder. Dank zij hem (was het nu een hem of een haar? Ook de meester kon het mij niet zeggen) kon ik mooi griffelen en mocht ik snel met inkt schrijven.
Het gebruik van griffel en lei op school begon al in de 18de eeuw. Een “luxe” uitvoering bestond uit een houten etui met griffel, lei en spons. Ik had alleen een griffel en een lei. In 1917 werd aangedrongen om over te gaan op het gebruik van papier en pen. Maar, zoals je hierboven las, bleef die oproep steken in het lawaai van twee oorlogen. Toen ik als eerste van de klas met inkt mocht schrijven, kon ik op lijntjes schrijven: het was beter te corrigeren en bovendien veel hygiënischer.
Opgelet, denk nu niet dat wij alleen schrijfles kregen,, ach neen, wekelijks kregen wij ook gymnastiek. Mijn eerste meester was een jonge gast (dat snapte ik pas jaren later, hoor), die zijn stage deed en af en toe controle kreeg van de hoofdonderwijzer. Van die laatste hadden wij schrik, ontzag eigenlijk, want hij was het ook die de stoute jongens aan de pomp op de speelplaats zette, handjes op het hoofd, met de rug naar de spelende kindjes. Op de speelplaats werd geknikkerd of aan bokspringen gedaan. Tegen de muur staan was ook een sport. Ook was er af en toe een vechtpartijtje en dan gingen wij er met ons allen omheen staan en jutten de kemphaantjes met luide kreten op tot de meester kwam toegesneld.
’s Winters kwam een conciërge de kachel in de klas aanmaken. Dat stinkend en rookspuwend ding had lange armen die tot aan het plafond reikten. O ja, we zongen ook. Vraag mij niet waarover. Later, op de jongensschool, was Peter Benoit in trek.
Bij griffel en lei behoorde ook een griffeldoos of sponsendoos waar de griffels in bewaard werden en waar ook een sponsje in zat om de lei schoon te vegen. Een aardigheidje bij stoute kindjes was ook om een groene erwt of een bruine boon bij het vochtige sponsje te leggen. Na enige tijd ging die erwt uitlopen en kwam er een groen stengeltje uit.
We zaten met twee op een bank. De in de bank verzonken inktpot werd door beiden gebruikt. Soms staken wij onze pen te diep in het holletje en maakten blad, bank en onze vingers extra blauw.
Ja, nu ben ik opa van drie schattige kleinkindjes en is de tijd van griffels en leien lang voorbij. Een lei was gemaakt van een bepaald soort steen. Er zat een lijst omheen. De griffel was een soort krijtje. In het tweede trimester van het eerste leerjaar schreef ieder kindje al met een kroontjespen in een schriftje. Iedereen had ook een inktlap. Daaraan veegden we de kroontjespen af als we klaar waren. Weet je dat de meisjes in die tijd andere lessen kregen dan de jongens? Zij leerden breien en naaien. Als ze negen was, moest een meisje een sok kunnen breien en gaten kunnen stoppen. Jongens hadden vaker turnles op de speelplaats. Als eentje van ons héél stout was geweest, kreeg het een bord in zijn handen gestopt waarop het woordje “ezel” stond of waarop ezelsoren waren getekend. Lezen gebeurde altijd hardop en klassikaal. Schrijven bleef echter lang het belangrijkste. Iedereen moest zijn pen op dezelfde manier vasthouden. Vaak werd er aan “schoon schrijven” gedaan. Dan moesten we met onze vinger in de lucht gaan schrijven.
Schrijven met griffel en lei of schrijven met een kroontjespen in je schrift, het bleef gelijk: wie het mooiste kon schrijven, werd geacht ook de knapste van de klas te zijn. “Het is een slim kind, kijk eens hoe schoon het al kan schrijven!” zeiden de trotse grootouders toen. Maar ook werd er gerekend, meestal veel rijtjes met geldsommen, en verder moesten we altijd alle tafels uit ons hoofd kennen.
Het schoolgebouw stond halfweg de Hoogstraat, een straat met veel vlaskopers en vlaspieten. Bijna elk huis had een half open deurtje waar je de mannen bezig kon zien. De school had twee toegangen, twee speelplaatsen en een tiental klassen. Te midden van elke speelplaats stond een rij bomen. Elke speelplaats had ook een afdak voor het geval dat het regende. Dat afdak noemden wij “de remise”: we draaiden ons zot rond de ijzeren paaltjes die het geheel stutten. De weg naar school liep voorbij een snoepwinkel. Daar liepen veel kinderen binnen, zowel ’s ochtends of na de middag op weg naar school. De snoepjes die het best verkochten, waren “een scheet op een stok” (een bal op een stokje die bij elke stevige lik van kleur veranderde) en “zwarte slingers van zoethout”. Smakelijk.
Waar de meester zat in ons eerste klasje? Waar hij toen altijd zat, met name vooraan op een verhoog achter een lessenaar. Door deze hoogte kon hij alle kinderen goed zien, want wij waren met dertig. Met zoveel kinderen orde houden was niet altijd gemakkelijk.
Thierry Deleu,
eredirecteur Middenschool GO Tielt
1.
Eerste schooldag.
Van mijn eerste schooldag herinner ik mij geen bal meer. Denk erom, dat ik een vooroorlogs kind ben, geboren op 11 februari 1940, enkele maanden vooraleer de Duitsers en masse België bezochten. Toch zijn enkele gebeurtenissen in mijn geheugen vastgeroest.
Als kleuter ging ik naar de Meisjesschool waar de “masoeurs” hun primitieve bezigheidstherapie op ons uitprobeerden. Ik herinner mij de twee zusjes (in mijn ogen toen reeds grote meisjes) met een punaise in hun voorhoofd geduwd. Ze waren stout geweest en stonden te schande op de speelplaats. Pas veel later ben ik te weten gekomen dat die punaises twee ronde plakkertjes waren. Of die keer dat wij met z’n allen moesten toekijken hoe een stout jongetje in de rattenkelder werd opgesloten. Wie van mijn leeftijdsgenoten kan de pijniging met de grote lepel levertraan vergeten. Een echt trauma, maar… werden wij er niet sterker door?
Op zekere dag mochten (?) wij de boot van sinterklaas tekenen op onze lei, op weg naar Vlaanderen. Ik maakte die boot zo mooi (de romp grijs, met mijn vingertje uitgewreven) dat zuster Bergmans met mij in haar spoor alle klassen liet doen. Een mobiele expositie van één kunstwerk. Denk maar niet dat dit mijn enig teken is geweest van intelligentie. O neen, ik kreeg vaak prentjes van heiligen als beloning voor een goed werk of een goed antwoord. Of waren het de briefjes van 20 die mijn moeder de zusters toestak, die mij zo “knap” maakten?
Na dit jaar kleuterschool belandde ik in de Jongensschool, het gemengd onderwijs was voorbij (tot mijn 15de; toen kwam ik in het K.A. van Kortrijk - eindelijk weer - bij meisjes terecht). In de Jongensschool bleef ik twee trimesters. Ik was de eerste van de klas die met inkt mocht schrijven! Ik was de derde van de klas en mijn trotse vader reed met zijn fiets door regen en wind naar Kortrijk om daar een speelgoedsaxofoontje te kopen voor zijn pienter “manneke”. Het derde trimester vonden mijn moeder en een dokter van de mutualiteit het raadzaam om mij naar “Het Rustoord” te sturen aan zee in Westende. Ja, zo noemde dit centrum. Om de gezonde zeelucht in te ademen.
Uit die tijd herinner ik mij het bezoek van meneer en mevrouw Allaert (meneer was handelsvertegenwoordiger en mocht hemden toeleveren voor moeders winkeltje). Ze hadden een grote zak snoep mee. Nog maar pas waren ze deur uit, of de zuster van toezicht nam mij de zak af, met als argument dat ik mij “slecht zou eten”. Als recreatie mochten wij in de lage duinen voor het centrum spelen. De nonnetjes stonden aan elke hoek van het terrein toe te kijken en te speuren naar kindjes die liever wegliepen… uit frustratie voor zoveel kampdiscipline.
Uit die tijd komt ook het verhaal van het gebreide wollen zwempakje dat, wanneer ik uit de zee kwam, veel langer en zwaarder was geworden.
Mijn eerste schooldag? 1945, 1946? Ik weet het niet meer. In het eerste leerjaar kreeg ik les van een “lange” meneer, roodharig, zoon uit een café, hij luisterde naar de naam Soenen. Op school had je de kleine en de grote Soenen. Bij de kleine kwam ik terecht in het tweede leerjaar (“studiejaar” zegde men toen). Een streng ventje dat thuis niets te piepen had en op school rond zijn oren meppen uitdeelde en op onze kneukels trommelde bij het minste vergrijp. Toch hebben mijn neefje en ik het bij hem aangedurfd om te spijbelen (“hagenmuiten” was toen de term). We sloegen halfweg de Moorseelsestraat een zijstraatje in en keerden terug naar huis waar wij ons verstopten in het kippenhok, dicht tegen elkaar, de knieën opgetrokken, in doodse stilte. Maar een oud buurvrouwtje (wat haatte ik dit mormel) had ons die afwijkende beweging zien maken en ons verklikt bij mijn oom. Amai, wat kreeg mijn neefje klop, hij moest bovendien op zijn blote knieën op een tapijt van omgekeerde bierschuitjes zitten. Vader was milder en gaf mij enkel een tik.
Wat ik mij nog goed herinner, zijn de Engelsen op straat en bij ons thuis. Op een dag kwam ik van school en in de Lauwestraat gooiden de Engelsen vanop hun legerauto’s kauwgom uit. Ik wilde ook mijn deel bijeengraaien toen ik door een fietser werd aangereden. Hij bracht zijn wenend slachtoffertje naar huis waar moeder hem bedankte voor de goede zorgen (had hij mij niet omvergereden?). Twee Engelsen kwamen vaak bij ons thuis hun dag doorbrengen. Joe en Harry heetten ze. Brave jonge manen die mij verwenden met snoep en blikken confituur. Daar lag ook de kiem van moeders winkeltje in textiel. Ze kreeg van haar “logeurs” stapels dekens en hiermee startte zij later haar zaakje op. Joe stuurde ons na de oorlog tot halfweg de jaren ’50 elk jaar met nieuwjaar Turks fruit op.
Tijdens de oorlog woonden wij een paar jaar in Rekkem, een grensdorpje. Mijn ouders en mijn oom en tante met mijn neefje en nichtje waren naar ginder gevlucht. Wevelgem was immers te gevaarlijk geworden omdat het vliegveld bijna elke dag werd gebombardeerd. Ik herinner mij van deze korte periode twee dingen. Op zekere dag beet ik in de arm van een buurjongetje en mijn tante bond mij vast aan de “buzestove” (lees: Mechelse kachel). Ik was het ook gewoon om met het licht aan in te slapen, maar tante was daar niet voor. De eerste voornacht weende ik tranen met tuiten, maar tante begaf niet. De volgende nachten gedroeg ik mij als een dappere soldaat.
In die tijd moesten moeder en ik ook vaak (elke week?) naar de dokter om mijn oor te laten onderzoeken. Ik werd geopereerd voor een kwalijke oorontsteking. We reden met de tram of gingen te voet naar Menen. Bij dokter De Backer. Die man vergeet ik van mijn leven niet. Hij was zacht en had begrip voor mijn angsten.
Mijn eerste schooldag kan ik mij niet herinneren, maar hij zal niet zoveel anders zijn geweest dan jouw eerste schooldag, lezer: opgewonden gesnater van de moeders, het gekreis van hun kroost, tranen die worden weggepinkt, rokken die het hard te verduren krijgen, en nog van die “gezellige” toestanden waar je later een opstelletje over schrijft.
2.
Met lei en griffel
Ten jaren 1946 schreef ik met mijn griffel op mijn lei. Velen zullen dit antiek gedoe niet hebben meegemaakt. Spijtig, want nu nog droom ik van die tijd of ruimer: van de tijd van toen. Toen wij levertraan dronken, in sinterklaas geloofden, zilverpapier spaarden voor de zwartjes in Congo, toen nonkel pater elk jaar op bezoek kwam bij mijn vader, zijn klasgenoot (om geld in te zamelen voor zijn weeskindjes in de missie).
Zalig was het de griffel te hanteren als een verlengstuk(je) van je denken. Je kinderlijk denken. Over mama en papa, de Engelsen, de stoute kindjes in de klas die de zonde bedreven, bezeten van duiveltjes en gevallen engeltjes. Ik had geluk: op mijn rechterschouder zat altijd een goede engel, mijn engelbewaarder. Dank zij hem (was het nu een hem of een haar? Ook de meester kon het mij niet zeggen) kon ik mooi griffelen en mocht ik snel met inkt schrijven.
Het gebruik van griffel en lei op school begon al in de 18de eeuw. Een “luxe” uitvoering bestond uit een houten etui met griffel, lei en spons. Ik had alleen een griffel en een lei. In 1917 werd aangedrongen om over te gaan op het gebruik van papier en pen. Maar, zoals je hierboven las, bleef die oproep steken in het lawaai van twee oorlogen. Toen ik als eerste van de klas met inkt mocht schrijven, kon ik op lijntjes schrijven: het was beter te corrigeren en bovendien veel hygiënischer.
Opgelet, denk nu niet dat wij alleen schrijfles kregen,, ach neen, wekelijks kregen wij ook gymnastiek. Mijn eerste meester was een jonge gast (dat snapte ik pas jaren later, hoor), die zijn stage deed en af en toe controle kreeg van de hoofdonderwijzer. Van die laatste hadden wij schrik, ontzag eigenlijk, want hij was het ook die de stoute jongens aan de pomp op de speelplaats zette, handjes op het hoofd, met de rug naar de spelende kindjes. Op de speelplaats werd geknikkerd of aan bokspringen gedaan. Tegen de muur staan was ook een sport. Ook was er af en toe een vechtpartijtje en dan gingen wij er met ons allen omheen staan en jutten de kemphaantjes met luide kreten op tot de meester kwam toegesneld.
’s Winters kwam een conciërge de kachel in de klas aanmaken. Dat stinkend en rookspuwend ding had lange armen die tot aan het plafond reikten. O ja, we zongen ook. Vraag mij niet waarover. Later, op de jongensschool, was Peter Benoit in trek.
Bij griffel en lei behoorde ook een griffeldoos of sponsendoos waar de griffels in bewaard werden en waar ook een sponsje in zat om de lei schoon te vegen. Een aardigheidje bij stoute kindjes was ook om een groene erwt of een bruine boon bij het vochtige sponsje te leggen. Na enige tijd ging die erwt uitlopen en kwam er een groen stengeltje uit.
We zaten met twee op een bank. De in de bank verzonken inktpot werd door beiden gebruikt. Soms staken wij onze pen te diep in het holletje en maakten blad, bank en onze vingers extra blauw.
Ja, nu ben ik opa van drie schattige kleinkindjes en is de tijd van griffels en leien lang voorbij. Een lei was gemaakt van een bepaald soort steen. Er zat een lijst omheen. De griffel was een soort krijtje. In het tweede trimester van het eerste leerjaar schreef ieder kindje al met een kroontjespen in een schriftje. Iedereen had ook een inktlap. Daaraan veegden we de kroontjespen af als we klaar waren. Weet je dat de meisjes in die tijd andere lessen kregen dan de jongens? Zij leerden breien en naaien. Als ze negen was, moest een meisje een sok kunnen breien en gaten kunnen stoppen. Jongens hadden vaker turnles op de speelplaats. Als eentje van ons héél stout was geweest, kreeg het een bord in zijn handen gestopt waarop het woordje “ezel” stond of waarop ezelsoren waren getekend. Lezen gebeurde altijd hardop en klassikaal. Schrijven bleef echter lang het belangrijkste. Iedereen moest zijn pen op dezelfde manier vasthouden. Vaak werd er aan “schoon schrijven” gedaan. Dan moesten we met onze vinger in de lucht gaan schrijven.
Schrijven met griffel en lei of schrijven met een kroontjespen in je schrift, het bleef gelijk: wie het mooiste kon schrijven, werd geacht ook de knapste van de klas te zijn. “Het is een slim kind, kijk eens hoe schoon het al kan schrijven!” zeiden de trotse grootouders toen. Maar ook werd er gerekend, meestal veel rijtjes met geldsommen, en verder moesten we altijd alle tafels uit ons hoofd kennen.
Het schoolgebouw stond halfweg de Hoogstraat, een straat met veel vlaskopers en vlaspieten. Bijna elk huis had een half open deurtje waar je de mannen bezig kon zien. De school had twee toegangen, twee speelplaatsen en een tiental klassen. Te midden van elke speelplaats stond een rij bomen. Elke speelplaats had ook een afdak voor het geval dat het regende. Dat afdak noemden wij “de remise”: we draaiden ons zot rond de ijzeren paaltjes die het geheel stutten. De weg naar school liep voorbij een snoepwinkel. Daar liepen veel kinderen binnen, zowel ’s ochtends of na de middag op weg naar school. De snoepjes die het best verkochten, waren “een scheet op een stok” (een bal op een stokje die bij elke stevige lik van kleur veranderde) en “zwarte slingers van zoethout”. Smakelijk.
Waar de meester zat in ons eerste klasje? Waar hij toen altijd zat, met name vooraan op een verhoog achter een lessenaar. Door deze hoogte kon hij alle kinderen goed zien, want wij waren met dertig. Met zoveel kinderen orde houden was niet altijd gemakkelijk.
Thierry Deleu,
eredirecteur Middenschool GO Tielt
"The Razor" (gefuseerd met "De Geletterde Mens")
Ben ik een rebelse ridder?
De meeste kunstenaars en schrijvers keren zich vanuit hun eigenzinnigheid tegen de regimes - linkse of rechtse, het speelt geen rol - onder welk juk zij leven. Zij zijn meestal wapens van verzet waarvoor regeringen en dictators beven.
Denk maar - exemplarisch, maar niet uitputtend - aan Boekovski en Solzjenitsin in de vroegere Sovjet-Unie. Of aan Vaclav Havel, wiens pen gevreesd wapen werd in zijn strijd voor mensenrechten in het vroegere Tsjecho-Slowakije. En aan zoveel anderen, overal in Europa, overal ter wereld. De dissidenten, zoals men ze gemeenzaam noemde, hadden geen kogels, maar pennen en creativiteit om in hun literatuur en kunst hun mening te ventileren. De onafhankelijke geesten, de vrijbuiters en de non-conformisten luidden heel vaak het einde van een regime in. Havel werd zelfs president in het land dat hij mee bevrijdde van de dictatuur.
Maar ook in democratieën zijn kunstenaars vaak tegendraadse gasten die er niet naar omzien de draak te steken met de machthebbers en hun lakeien. Ook hier zijn zij de doorn in het oog van hen die het liefst geen kritiek willen en zeker niet belachelijk willen worden gemaakt.
En bij ons? Zelfverklaarde kunstenaars van alle slag haasten zich om het eigen nest te bevuilen en zich af te keren van degenen die zich al te kritisch durven op te stellen tegenover macht en gezag. Zij schurken zich aan tegen de oude machtsstructuren en de vertegenwoordigers ervan. Daarin koesteren zij zich omdat zij weten dat hun haring er beter braadt en hun subsidies niet in vraag worden gesteld door kritische rebellen.
Op deze manier wordt een nieuwe vorm van conservatief en reactionair mecenaat in leven geroepen (of beter: in leven gehouden). Geen kwaad woord over het Fonds, zegt DE Vlaamse schrijver. Het zegt meteen alles over zichzelf en zijn bedoelingen.
Ik verkeer niet graag in hun gezelschap. Daarin zit precies het verschil tussen hen en ik: ik sta aan de kant van de kleine auteur (weet je nog?). Ik bedoel: de (hulpbehoevende) debutant, de niet gesubsidieerde, de eigen beheerder, de POD-fanaat, ja, vaak de gefrustreerde. Het is een wereld van verschil.
Derek van ’t Gulle Zand
De meeste kunstenaars en schrijvers keren zich vanuit hun eigenzinnigheid tegen de regimes - linkse of rechtse, het speelt geen rol - onder welk juk zij leven. Zij zijn meestal wapens van verzet waarvoor regeringen en dictators beven.
Denk maar - exemplarisch, maar niet uitputtend - aan Boekovski en Solzjenitsin in de vroegere Sovjet-Unie. Of aan Vaclav Havel, wiens pen gevreesd wapen werd in zijn strijd voor mensenrechten in het vroegere Tsjecho-Slowakije. En aan zoveel anderen, overal in Europa, overal ter wereld. De dissidenten, zoals men ze gemeenzaam noemde, hadden geen kogels, maar pennen en creativiteit om in hun literatuur en kunst hun mening te ventileren. De onafhankelijke geesten, de vrijbuiters en de non-conformisten luidden heel vaak het einde van een regime in. Havel werd zelfs president in het land dat hij mee bevrijdde van de dictatuur.
Maar ook in democratieën zijn kunstenaars vaak tegendraadse gasten die er niet naar omzien de draak te steken met de machthebbers en hun lakeien. Ook hier zijn zij de doorn in het oog van hen die het liefst geen kritiek willen en zeker niet belachelijk willen worden gemaakt.
En bij ons? Zelfverklaarde kunstenaars van alle slag haasten zich om het eigen nest te bevuilen en zich af te keren van degenen die zich al te kritisch durven op te stellen tegenover macht en gezag. Zij schurken zich aan tegen de oude machtsstructuren en de vertegenwoordigers ervan. Daarin koesteren zij zich omdat zij weten dat hun haring er beter braadt en hun subsidies niet in vraag worden gesteld door kritische rebellen.
Op deze manier wordt een nieuwe vorm van conservatief en reactionair mecenaat in leven geroepen (of beter: in leven gehouden). Geen kwaad woord over het Fonds, zegt DE Vlaamse schrijver. Het zegt meteen alles over zichzelf en zijn bedoelingen.
Ik verkeer niet graag in hun gezelschap. Daarin zit precies het verschil tussen hen en ik: ik sta aan de kant van de kleine auteur (weet je nog?). Ik bedoel: de (hulpbehoevende) debutant, de niet gesubsidieerde, de eigen beheerder, de POD-fanaat, ja, vaak de gefrustreerde. Het is een wereld van verschil.
Derek van ’t Gulle Zand
"The Razor" (gefuseerd met "De Geletterde Mens")
PROTESTSONG
“God, Geld en Gat regeren de wereld,” zei mijn oma,
toen ik tien was, begreep ik niet wat zij bedoelde,
toen ik twaalf werd, sloten mijn ouders mij op
in een bisschoppelijk college,
toen ik veertien werd, verloor ik mijn lief aan mijn beste vriend,
toen ik twintig werd, vond vader mij klaar voor het grote geld,
toen ik achtentwintig werd, brak de meirevolutie uit,
heilige huisjes werden gesloopt, taboes naar af verwezen,
waarden vernauwden, de grens tussen goed en kwaad vervaagde,
“Alles kan nu en met iedereen,” riepen perverse pedofielen,
pederasten, perfide recidivisten, politici op roze balletten,
toen ik vijfendertig werd, gingen mijn ogen open,
mijn haar kwam recht, mijn mond wagenwijd,
ik zag hoe mensen vochten, de Bijbel in de hand,
de Koran in de lucht, Gods kinderen tegen elkaar,
ik zag hoe de kapitalisten zich groepeerden
in horden en orden, in serviceclubs en multinationals,
hoe zij met hun werkvolk omgingen als grof wild
en hun het paradijs op aarde beloofden,
tot zij hen uit het paradijs verdreven
in de richting van het stempellokaal,
toen ik elk jaar één jaar ouder werd en mijn conditie achteruitging,
won ik aan maturiteit en zei aan mijn kleinkinderen:
“God, Geld en Gat regeren de wereld.”
Zij keken mij aan en elkaar en glimlachten.
Derek van ’t Gulle Zand
“God, Geld en Gat regeren de wereld,” zei mijn oma,
toen ik tien was, begreep ik niet wat zij bedoelde,
toen ik twaalf werd, sloten mijn ouders mij op
in een bisschoppelijk college,
toen ik veertien werd, verloor ik mijn lief aan mijn beste vriend,
toen ik twintig werd, vond vader mij klaar voor het grote geld,
toen ik achtentwintig werd, brak de meirevolutie uit,
heilige huisjes werden gesloopt, taboes naar af verwezen,
waarden vernauwden, de grens tussen goed en kwaad vervaagde,
“Alles kan nu en met iedereen,” riepen perverse pedofielen,
pederasten, perfide recidivisten, politici op roze balletten,
toen ik vijfendertig werd, gingen mijn ogen open,
mijn haar kwam recht, mijn mond wagenwijd,
ik zag hoe mensen vochten, de Bijbel in de hand,
de Koran in de lucht, Gods kinderen tegen elkaar,
ik zag hoe de kapitalisten zich groepeerden
in horden en orden, in serviceclubs en multinationals,
hoe zij met hun werkvolk omgingen als grof wild
en hun het paradijs op aarde beloofden,
tot zij hen uit het paradijs verdreven
in de richting van het stempellokaal,
toen ik elk jaar één jaar ouder werd en mijn conditie achteruitging,
won ik aan maturiteit en zei aan mijn kleinkinderen:
“God, Geld en Gat regeren de wereld.”
Zij keken mij aan en elkaar en glimlachten.
Derek van ’t Gulle Zand
SCHELPJES RAPEN … OP DE KUSTTRAM!
“Schelpen oefenen op iedereen een grote aantrekkingskracht uit. Dit is al zo sinds de oudheid. Spijtig dat je er nu niet zóveel meer vindt op onze stranden. Door hun bizarre vorm, schitterende kleuren en prachtige tekening behoren ze tot de meest fascinerende dingen van de natuur, i.c. de zee. Schelpen zijn niet alleen mooi, het is ook prettig om ze vast te houden.”
Dit is een citaat uit een gesprek die ik voerde met een dame op de kusttram van Oostduinkerke tot Oostende. Ze was warm ingeduffeld en haar muts kwam tot over haar voorhoofd. Toch zag ik de schittering in haar bruine ogen.
Ik kon ze geen ongelijk geven.
“Ik rij naar Oostende,” zei ze, met een vragende blik.
“Ik rij iets verder, tot in De Haan, mevrouw.”
En je acht het niet voor mogelijk, maar wij hielden een gesprek dat duurde tot aan het binnenkomen van Oostende.
“Ik ben weduwe, maar elke week, soms tweemaal, ga ik een vriend bezoeken in Oostende, een weduwnaar, een goede man die zijn vrouw verloor aan kanker.”
Ze zweeg een paar seconden, uit respect voor wat voorbij was, en hernam de conversatie, eigenlijk haar monoloog.
Hoe waren wij bij de schelpen gekomen? Simpel, schelpen horen bij onze generatie, de generatie van de zestigers. Veel mensen van onze leeftijd verzamelden schelpen en bewaarden hun collectie in een stalen archiefkast met ondiepe laden.
“Waarom in een gesloten kast, Lutgarde (ik mocht haar bij de voornaam noemen)?”
“De kleuren van de schelpen verbleken snel als ze aan licht worden blootgesteld,” vertelde ze. “Ze blijven mooier als je ze in het donker bewaart.”
“Dat wist ik niet. Mijn oma – ze overleed in 1968 – leerde mij hoe je een schelp aan je oor moest houden om het geruis van de zee te horen. We waren daar als kinderen van betoverd.”
Lutgarde knikte en in haar ogen zag ik een blikje nostalgie, niet voor lang, want ze herpakte zich snel.
“Weet je hoe dat komt?” vroeg ik. “Aangezien schelpen uit de zee komen en zij eenmaal op het strand de zee erg missen, geven zij hun verlangen naar de zee door via het ruisend geluid.”
Ze lachte en verviel in een minutenlange stilte.
“Ik hoor niet meer zo goed,” zei ze ineens.
“De jaren zeker, Lutgarde?”
“Hoor je nog de auto’s in de verte?”
“Ja!”
“En fluitende vogels?”
“Ja!”
“Een tikkende klok?”
“Ik weet het niet, misschien, de horloges tikken niet meer, ze lopen op pillen,” zei ze.
Toen begon ze een betoog over de belangrijkheid van goede oren. Ze zei onder andere dat, als je eenmaal de grens van de 65 voorbij bent, je slechter gaat horen.
“Diep van binnen in onze oren, voorbij ons trommelvlies, zitten duizenden piepkleine haartjes, zo klein dat je ze niet kunt zien. Als er geluid in je oor binnenkomt, ook als het heel zacht is, vegen die haartjes als een soort tandenborstel over een vlies. Het geluid wordt omgezet in een elektrisch stroompje dat naar onze hersenen gaat en die begrijpen het als geluid. Gedurende ons leven gaan er steeds van die haartjes stuk. Ze gaan plat liggen en kunnen niet meer vegen,” debiteerde zij.
“Maar, Lutgarde, hoe weet jij dat allemaal zo goed?” vroeg ik vol verbazing.
“Ik was apothekeres, vriend, in Deurne.”
“Ah zo!”
“En wat deed jij voor de kost?”
“Ik ben een onderwijsmens, Lutgarde.”
“Een schoon beroep.”
“Was, Lutgarde.”
“Ja, ik hoor soms hoe stout jongens kunnen zijn.”
“Meisjes ook. Bovendien hebben ouders nog weinig respect voor de leraar.”
“Daar zeg je het, vriend, respect, dat is er te kort op onze wereld. Respect voor elkaar, verdraagzaamheid. En ’t wordt niet beter.”
Na een korte halte waarbij weer drie passagiers opstappen, twee vrouwen en één man, derde leeftijd, stond Lutgarde op, maar als ze merkte dat ze nog niet in Oostende was aangekomen, ging ze snel weer zitten.
“Pardon, ik dacht dat ik er was, zo zie je maar dat het niet alleen onze oren zijn die het soms laten afweten, maar ook ons gezicht.”
“Maar neen, Lutgarde, dat overkomt mij ook wel eens. Als je ouder wordt, ben je minder zeker van jezelf, je gaat al eens vlugger aarzelen, meer is dat niet.”
Ze glimlachte en kneep in mijn arm.
In Oostende stapte ze af en bleef mij een hele tijd nawuiven. Ik hoop haar nog eens te mogen ontmoeten. Een knappe, oudere vrouw, met gezond verstand en een luciede geest.
De kusttram is zeker voor de minder jonge reizigers onder ons van goud waard. Hij biedt dé vervoersoplossing op maat. Vanuit om het even welke badplaats zorgt hij voor onze verplaatsing. En voor de prijs hoef je het ook niet te laten: gratis voor 65-plussers!
Thierry Deleu
“Schelpen oefenen op iedereen een grote aantrekkingskracht uit. Dit is al zo sinds de oudheid. Spijtig dat je er nu niet zóveel meer vindt op onze stranden. Door hun bizarre vorm, schitterende kleuren en prachtige tekening behoren ze tot de meest fascinerende dingen van de natuur, i.c. de zee. Schelpen zijn niet alleen mooi, het is ook prettig om ze vast te houden.”
Dit is een citaat uit een gesprek die ik voerde met een dame op de kusttram van Oostduinkerke tot Oostende. Ze was warm ingeduffeld en haar muts kwam tot over haar voorhoofd. Toch zag ik de schittering in haar bruine ogen.
Ik kon ze geen ongelijk geven.
“Ik rij naar Oostende,” zei ze, met een vragende blik.
“Ik rij iets verder, tot in De Haan, mevrouw.”
En je acht het niet voor mogelijk, maar wij hielden een gesprek dat duurde tot aan het binnenkomen van Oostende.
“Ik ben weduwe, maar elke week, soms tweemaal, ga ik een vriend bezoeken in Oostende, een weduwnaar, een goede man die zijn vrouw verloor aan kanker.”
Ze zweeg een paar seconden, uit respect voor wat voorbij was, en hernam de conversatie, eigenlijk haar monoloog.
Hoe waren wij bij de schelpen gekomen? Simpel, schelpen horen bij onze generatie, de generatie van de zestigers. Veel mensen van onze leeftijd verzamelden schelpen en bewaarden hun collectie in een stalen archiefkast met ondiepe laden.
“Waarom in een gesloten kast, Lutgarde (ik mocht haar bij de voornaam noemen)?”
“De kleuren van de schelpen verbleken snel als ze aan licht worden blootgesteld,” vertelde ze. “Ze blijven mooier als je ze in het donker bewaart.”
“Dat wist ik niet. Mijn oma – ze overleed in 1968 – leerde mij hoe je een schelp aan je oor moest houden om het geruis van de zee te horen. We waren daar als kinderen van betoverd.”
Lutgarde knikte en in haar ogen zag ik een blikje nostalgie, niet voor lang, want ze herpakte zich snel.
“Weet je hoe dat komt?” vroeg ik. “Aangezien schelpen uit de zee komen en zij eenmaal op het strand de zee erg missen, geven zij hun verlangen naar de zee door via het ruisend geluid.”
Ze lachte en verviel in een minutenlange stilte.
“Ik hoor niet meer zo goed,” zei ze ineens.
“De jaren zeker, Lutgarde?”
“Hoor je nog de auto’s in de verte?”
“Ja!”
“En fluitende vogels?”
“Ja!”
“Een tikkende klok?”
“Ik weet het niet, misschien, de horloges tikken niet meer, ze lopen op pillen,” zei ze.
Toen begon ze een betoog over de belangrijkheid van goede oren. Ze zei onder andere dat, als je eenmaal de grens van de 65 voorbij bent, je slechter gaat horen.
“Diep van binnen in onze oren, voorbij ons trommelvlies, zitten duizenden piepkleine haartjes, zo klein dat je ze niet kunt zien. Als er geluid in je oor binnenkomt, ook als het heel zacht is, vegen die haartjes als een soort tandenborstel over een vlies. Het geluid wordt omgezet in een elektrisch stroompje dat naar onze hersenen gaat en die begrijpen het als geluid. Gedurende ons leven gaan er steeds van die haartjes stuk. Ze gaan plat liggen en kunnen niet meer vegen,” debiteerde zij.
“Maar, Lutgarde, hoe weet jij dat allemaal zo goed?” vroeg ik vol verbazing.
“Ik was apothekeres, vriend, in Deurne.”
“Ah zo!”
“En wat deed jij voor de kost?”
“Ik ben een onderwijsmens, Lutgarde.”
“Een schoon beroep.”
“Was, Lutgarde.”
“Ja, ik hoor soms hoe stout jongens kunnen zijn.”
“Meisjes ook. Bovendien hebben ouders nog weinig respect voor de leraar.”
“Daar zeg je het, vriend, respect, dat is er te kort op onze wereld. Respect voor elkaar, verdraagzaamheid. En ’t wordt niet beter.”
Na een korte halte waarbij weer drie passagiers opstappen, twee vrouwen en één man, derde leeftijd, stond Lutgarde op, maar als ze merkte dat ze nog niet in Oostende was aangekomen, ging ze snel weer zitten.
“Pardon, ik dacht dat ik er was, zo zie je maar dat het niet alleen onze oren zijn die het soms laten afweten, maar ook ons gezicht.”
“Maar neen, Lutgarde, dat overkomt mij ook wel eens. Als je ouder wordt, ben je minder zeker van jezelf, je gaat al eens vlugger aarzelen, meer is dat niet.”
Ze glimlachte en kneep in mijn arm.
In Oostende stapte ze af en bleef mij een hele tijd nawuiven. Ik hoop haar nog eens te mogen ontmoeten. Een knappe, oudere vrouw, met gezond verstand en een luciede geest.
De kusttram is zeker voor de minder jonge reizigers onder ons van goud waard. Hij biedt dé vervoersoplossing op maat. Vanuit om het even welke badplaats zorgt hij voor onze verplaatsing. En voor de prijs hoef je het ook niet te laten: gratis voor 65-plussers!
Thierry Deleu
VLAAMSE ROUTE DU VIN KOMT VOORBIJ HOTELSCHOOL “TER DUINEN” KOKSIJDE
Toen directeur Raf Sonneville enkele jaren geleden de distels welig zag tieren in de schooltuin, ging bij hem een lampje branden: een wijngaard! Het eerste ongeloof bij zijn personeel verdween snel toen bleek dat het menens was. In het verkommerd lapje zandgrond werden 300 druivenstokken gestoken.
Sinds jaren onderhouden de leerlingen het perceel. Voor zijn oppensioenstelling was Kurt Adriaensens de motor van het project; na hem nam zijn collega Ronny Calcoen, adjunct-directeur, de begeleiding op zich.
Wijnen in onze streken? Ja dus, het kan. Maar wist jij, lezer, dat er in de Middeleeuwen in onze contreien reeds wijn werd verbouwd? Door de druivenluis werden echter alle wijnranken vernietigd. Later werd toen ook ijverig gezocht naar een “resistent” tegen deze luis. Met succes!
Vroeger (vóór de eigen wijngaard) gingen de leerlingen druiven plukken bij wijnbouwers op de Monteberg (Westhoek), in de wijngaard van “Het Convent” (Reninge), in Roksem (bij Brugge). Tijdens hun opleiding kregen zij theorie over druivensoorten, over grond, productieprocessen, maar … hoe ging dat in de praktijk? De directeur vond de oplossing: zelf wijn verbouwen! Niet zozeer resultaatgericht, maar veeleer als een didactisch project. Het project werd ondersteund door het RTC: een fonds dat vanuit de bedrijfswereld pedagogische projecten met uitstraling subsidieert. Vanaf 2001 (de aanplant) heeft de school een eigen wijngaard!
De vraag die iedereen zich toen stelde, was: “Kan wijn gedijen in de zandgrond van de schooltuin?” “Ja, zeker,” zegden Adriaensens en Calcoen met overtuiging. Even een beetje uitleg voor de leek. Indien jij een kenner bent, lezer, dan is wat nu volgt voor jou een geheugenoefening.
Het klimaat was niet direct een probleem. Koksijde ligt aan de noordergrens van de wijnregio’s, met Duitsland, Noord-Frankrijk, België tot aan het Engelse Kent. Even iets tussen de haakjes: weet je, lezer, dat de zon de suikerconcentratie in de druiven verhoogt en dat hoe noordelijker de regio hoe minder suikers erin voorkomen? Mijn gesprekspartner zegde mij: “Hoe armer de bodem, hoe beter de wijn.” Ik kon het niet geloven, maar zijn uitleg was overtuigend: “Hoe armer de bodem, hoe dieper de wijnstokken moeten zoeken naar mineralen (voedingsstoffen).”
De bodem? Ja, de (zand)grond moest worden voorbereid. In samenwerking met wijnboer Jan Willekens uit Haspengouw werd kalk toegevoegd en om het jaar wordt de grond bemest.
Het derde belangrijke element in de wijnbouw is de mens. De wijnbouwer moet het rijpingsproces van zijn druiven nauwlettend opvolgen. De leerkrachten en de leerlingen van het 7de specialisatiejaar drankenkennis en -beheer kweten zich voorbeeldig van hun taak. Kortom: dit innoverend project werd met enthousiasme afgewerkt. “Afgewerkt”? Fout woord: nog elke dag wordt de wijngaard met de nodige zorgen onderhouden. De volgende vier fases zijn typisch voor een wijngaard: het uitbotten van de knoppen in de lente, in de late lente/vroege zomer staat de wijngaard in bloei (voor een 10-tal dagen); de vruchtzetting (of de ontwikkeling van de druif) komt daarna en in de hoge zomer gebeurt de rijping van de trossen of de “véraison”.
Bij de eerste druivenpluk in 2003 plukten de leerlingen maar liefst 300 kg druiven. De trossen kwamen terecht in de pers, het sap verdween in de “dame-jeanne” (grote kruiken in glas) met een waterslot afgesloten en het gisten kon beginnen. Die gistcellen, lezer, zetten de suikers om in alcohol en CO². Bij de wijn worden gisten toegevoegd om het gistingsproces te bevorderen.
De school koos voor vier druivensoorten: Chardonnay, Dornfelder, Müller-Thürgau en Siegerrebe. Waarom? Om de simpele reden dat deze druiven het best aarden in zandgrond en dan ook het meest voorkomen in noordelijke regio’s (zoals Duitsland en Noord-Frankrijk).
Kunstenaar Fernand Vanderplancke ontwierp het etiket. Maar welke naam zou de school kiezen voor haar wijn? Na een wedstrijdje voor de meest geschikte naam werd gekozen voor “Crescendo”. Het lag voor de hand: in de wijntuin staat een beeldhouwwerk van Fernand Vanderplancke, met als titel “De stap”. De leerlingen willen “stap voor stap” hun wijn verbeteren. Vandaar!
Opgelet, alles liep niet altijd van een leien dakje. Tijdens het groeiproces bijvoorbeeld zagen de leerlingen met lede ogen hoe vogels aan- en opvlogen met groene en rode vruchtjes in hun bek. In 2004 werd de eerst wijn geproefd.
De wijn wordt niet verkocht. Hij wordt als curiosum gedegusteerd door de gasten bij speciale gelegenheden. De “Crescendo” is een fris aperitiefwijntje van zo’n 11°, lichtgeel van kleur, geurend naar citrusvruchten en lentebloesems, met tonen van groene appel (Grany Smith). “Uiteraard jong te drinken bij b.v. duinasperges en Oostduinkerkse garnalen,” zegt Koen Hardeman.
Dat was toen een regelrechte primeur voor Vlaanderen: de eerste Vlaamse hotelschoolwijn, jaargang 2003. Alweer had Hotelschool “Ter Duinen” de pers gehaald en de aandacht getrokken van ouders en scholieren. Alweer? Ja, niet alleen het fraaie gebouw, gelegen in een zacht glooiend duinenlandschap, met de frisse adem van de zee in het gezicht, is een blikvanger, ook de Europese reputatie van de school als gastronomisch vormingscentrum is een opsteker, maar vooral de titel van “eerste schoolwijngaard van het land” zorgde voor een meerwaarde. Ondertussen verbouwt ook Hotelschool “Tweebruggen” in Gent haar eigen wijn.
De naam en de faam van de hotelschool is natuurlijk ook te danken aan haar oud-leerlingen. Een groot deel van de oud-leerlingen is chef-kok. De sterrenhemel van Hotelschool “Ter Duinen” schittert zo fel, dat je de naam van de school in de sterren kunt lezen. Denk aan Peter Goossens van “Hof van Cleve” (Kruishoutem), Geert van Hecke van “De Karmeliet” (Brugge), Stéphane Buyens van “Le Fox” (De Panne), Krist De Bruyn van “Bistro Novo” (Roeselare), Wim Vandamme van “Maison Vandamme” (Zeebrugge). Ook vele chef-koks in Koksijde-Oostduinkerke zelf zijn “van goeden huize”: Thierry Cornelis van “De Kelle”, Ignace Lootens van “Oxalis”, Iain Wittewrongel van “Ten Bogaerde”, Jean-Marie Ruysschaert van “Pinot Blanc”, Karl Suber van “Apropos”, Wim Slosse van “Peper & Zout” en Hilaire Velghe van “Hotel Ruytingen”.
De wijngaard van Hotelschool “Ter Duinen” intrigeert mij. De voorbije jaren dacht ik dat hij niet veel meer was dan een stunt, een louter promotie-item, maar hij is méér: een volwaardig pedagogisch project “aangeplant” in een school met ambitie!
Thierry Deleu
Toen directeur Raf Sonneville enkele jaren geleden de distels welig zag tieren in de schooltuin, ging bij hem een lampje branden: een wijngaard! Het eerste ongeloof bij zijn personeel verdween snel toen bleek dat het menens was. In het verkommerd lapje zandgrond werden 300 druivenstokken gestoken.
Sinds jaren onderhouden de leerlingen het perceel. Voor zijn oppensioenstelling was Kurt Adriaensens de motor van het project; na hem nam zijn collega Ronny Calcoen, adjunct-directeur, de begeleiding op zich.
Wijnen in onze streken? Ja dus, het kan. Maar wist jij, lezer, dat er in de Middeleeuwen in onze contreien reeds wijn werd verbouwd? Door de druivenluis werden echter alle wijnranken vernietigd. Later werd toen ook ijverig gezocht naar een “resistent” tegen deze luis. Met succes!
Vroeger (vóór de eigen wijngaard) gingen de leerlingen druiven plukken bij wijnbouwers op de Monteberg (Westhoek), in de wijngaard van “Het Convent” (Reninge), in Roksem (bij Brugge). Tijdens hun opleiding kregen zij theorie over druivensoorten, over grond, productieprocessen, maar … hoe ging dat in de praktijk? De directeur vond de oplossing: zelf wijn verbouwen! Niet zozeer resultaatgericht, maar veeleer als een didactisch project. Het project werd ondersteund door het RTC: een fonds dat vanuit de bedrijfswereld pedagogische projecten met uitstraling subsidieert. Vanaf 2001 (de aanplant) heeft de school een eigen wijngaard!
De vraag die iedereen zich toen stelde, was: “Kan wijn gedijen in de zandgrond van de schooltuin?” “Ja, zeker,” zegden Adriaensens en Calcoen met overtuiging. Even een beetje uitleg voor de leek. Indien jij een kenner bent, lezer, dan is wat nu volgt voor jou een geheugenoefening.
Het klimaat was niet direct een probleem. Koksijde ligt aan de noordergrens van de wijnregio’s, met Duitsland, Noord-Frankrijk, België tot aan het Engelse Kent. Even iets tussen de haakjes: weet je, lezer, dat de zon de suikerconcentratie in de druiven verhoogt en dat hoe noordelijker de regio hoe minder suikers erin voorkomen? Mijn gesprekspartner zegde mij: “Hoe armer de bodem, hoe beter de wijn.” Ik kon het niet geloven, maar zijn uitleg was overtuigend: “Hoe armer de bodem, hoe dieper de wijnstokken moeten zoeken naar mineralen (voedingsstoffen).”
De bodem? Ja, de (zand)grond moest worden voorbereid. In samenwerking met wijnboer Jan Willekens uit Haspengouw werd kalk toegevoegd en om het jaar wordt de grond bemest.
Het derde belangrijke element in de wijnbouw is de mens. De wijnbouwer moet het rijpingsproces van zijn druiven nauwlettend opvolgen. De leerkrachten en de leerlingen van het 7de specialisatiejaar drankenkennis en -beheer kweten zich voorbeeldig van hun taak. Kortom: dit innoverend project werd met enthousiasme afgewerkt. “Afgewerkt”? Fout woord: nog elke dag wordt de wijngaard met de nodige zorgen onderhouden. De volgende vier fases zijn typisch voor een wijngaard: het uitbotten van de knoppen in de lente, in de late lente/vroege zomer staat de wijngaard in bloei (voor een 10-tal dagen); de vruchtzetting (of de ontwikkeling van de druif) komt daarna en in de hoge zomer gebeurt de rijping van de trossen of de “véraison”.
Bij de eerste druivenpluk in 2003 plukten de leerlingen maar liefst 300 kg druiven. De trossen kwamen terecht in de pers, het sap verdween in de “dame-jeanne” (grote kruiken in glas) met een waterslot afgesloten en het gisten kon beginnen. Die gistcellen, lezer, zetten de suikers om in alcohol en CO². Bij de wijn worden gisten toegevoegd om het gistingsproces te bevorderen.
De school koos voor vier druivensoorten: Chardonnay, Dornfelder, Müller-Thürgau en Siegerrebe. Waarom? Om de simpele reden dat deze druiven het best aarden in zandgrond en dan ook het meest voorkomen in noordelijke regio’s (zoals Duitsland en Noord-Frankrijk).
Kunstenaar Fernand Vanderplancke ontwierp het etiket. Maar welke naam zou de school kiezen voor haar wijn? Na een wedstrijdje voor de meest geschikte naam werd gekozen voor “Crescendo”. Het lag voor de hand: in de wijntuin staat een beeldhouwwerk van Fernand Vanderplancke, met als titel “De stap”. De leerlingen willen “stap voor stap” hun wijn verbeteren. Vandaar!
Opgelet, alles liep niet altijd van een leien dakje. Tijdens het groeiproces bijvoorbeeld zagen de leerlingen met lede ogen hoe vogels aan- en opvlogen met groene en rode vruchtjes in hun bek. In 2004 werd de eerst wijn geproefd.
De wijn wordt niet verkocht. Hij wordt als curiosum gedegusteerd door de gasten bij speciale gelegenheden. De “Crescendo” is een fris aperitiefwijntje van zo’n 11°, lichtgeel van kleur, geurend naar citrusvruchten en lentebloesems, met tonen van groene appel (Grany Smith). “Uiteraard jong te drinken bij b.v. duinasperges en Oostduinkerkse garnalen,” zegt Koen Hardeman.
Dat was toen een regelrechte primeur voor Vlaanderen: de eerste Vlaamse hotelschoolwijn, jaargang 2003. Alweer had Hotelschool “Ter Duinen” de pers gehaald en de aandacht getrokken van ouders en scholieren. Alweer? Ja, niet alleen het fraaie gebouw, gelegen in een zacht glooiend duinenlandschap, met de frisse adem van de zee in het gezicht, is een blikvanger, ook de Europese reputatie van de school als gastronomisch vormingscentrum is een opsteker, maar vooral de titel van “eerste schoolwijngaard van het land” zorgde voor een meerwaarde. Ondertussen verbouwt ook Hotelschool “Tweebruggen” in Gent haar eigen wijn.
De naam en de faam van de hotelschool is natuurlijk ook te danken aan haar oud-leerlingen. Een groot deel van de oud-leerlingen is chef-kok. De sterrenhemel van Hotelschool “Ter Duinen” schittert zo fel, dat je de naam van de school in de sterren kunt lezen. Denk aan Peter Goossens van “Hof van Cleve” (Kruishoutem), Geert van Hecke van “De Karmeliet” (Brugge), Stéphane Buyens van “Le Fox” (De Panne), Krist De Bruyn van “Bistro Novo” (Roeselare), Wim Vandamme van “Maison Vandamme” (Zeebrugge). Ook vele chef-koks in Koksijde-Oostduinkerke zelf zijn “van goeden huize”: Thierry Cornelis van “De Kelle”, Ignace Lootens van “Oxalis”, Iain Wittewrongel van “Ten Bogaerde”, Jean-Marie Ruysschaert van “Pinot Blanc”, Karl Suber van “Apropos”, Wim Slosse van “Peper & Zout” en Hilaire Velghe van “Hotel Ruytingen”.
De wijngaard van Hotelschool “Ter Duinen” intrigeert mij. De voorbije jaren dacht ik dat hij niet veel meer was dan een stunt, een louter promotie-item, maar hij is méér: een volwaardig pedagogisch project “aangeplant” in een school met ambitie!
Thierry Deleu
EEN ZOMERS VERHAAL
MET UITSLUITEND VRAAGTEKENS
Wat verwachten mannen en vrouwen van elkaar? Valt dat te rijmen? Bestaat er zoiets als een ideale relatie? Heeft een huwelijk iets van een fusie tussen twee bedrijven?
Verkiezen vrouwen een man die een hoger loon heeft dan zijzelf? Voelen ze zich in hun huwelijk beter naarmate hun man wat ouder en hoger opgeleid is? Stijgt de levensvreugde van hun mannen als hun partner wat jonger is?
Gooien mannen met geld hoge ogen? Verlangen mannen met een hoog inkomen meer seks? Hebben zij er ook meer? Komen vrouwen met een hoog inkomen minder aan hun trekken? Verzamelen mannen inkomsten om vrouwen aan te trekken? Zijn na ruim een eeuw van feministische strijd de verwachtingen van man en vrouw nog altijd op elkaar afgestemd: willen mannen de rijkste zijn, willen vrouwen de rijkste hebben?
Willen vrouwen dat hun man gevoel voor humor heeft, dat hij eerlijk is en intelligent? Heeft, hoe hij er uitziet, niet het minste belang? Zijn mannen effectief een stuk eerlijker dan vrouwen? Willen zij hun leven delen met een knappe vrouw, met een mooie gezicht? Verwachten mannen dat ze kunnen trouwen met de meest sexy vrouw op aarde? Willen vrouwen de knapste man van het heelal? Mag hij zich echter van zijn schoonheid bewust zijn?
Zijn de verwachtingen bij vrouwen erg traditioneel? Samengevat: wil hij meer seks, meer partners, minder emotionele toestanden? Wil zij dat niet? Keren de verlangens bij rijpere singles? Kijken vrouwen boven de vijftig vooral uit naar seks en romantiek bij hun partner? Zoeken mannen door hun dalend testosterongehalte veeleer naar germeenschappelijke interesses?
Maken slimme meisjes mannen bang? Hoe slimmer de mannen, hoe groter de kans op een huwelijk? Wenst een vaak uithuizige kerel met een hoog IQ een ouderwetse vrouw die het huishouden bestiert? Waar moeten wij naartoe met die slimme vrouwen? Willen mannen niet alleen een geletterde vrouw, maar ook een vrouw die met hun grapjes kan lachen? Vindt het ideale huwelijk plaats tussen een dappere man (die zijn angst in de ogen kijkt) en een vrouw die haar best doet om met zijn (flauwe) grapjes te lachen?
Bestaat ze nog, de echtgenote, die kwistig strooit met onbaatzuchtige hulp? Verwachten mannen alvast van wel? Of willen vrouwen scheiden als hun man geen poot uitsteekt in het huishouden? Zijn vrouwen die wél willen poetsen erg gegeerd? Is de ideale vrouw een vrouw met poetshulp? Is de ideale man een man die nooit hemden draagt? Of een vrouw die zo groot is dat ze over de rommel heen kan kijken? Of een man die nooit thuis is?
Moet een man aardig zijn? Of moet hij juist stoer doen? Moet een vrouw daar begrip voor opbrengen? Of scoort ze veeleer met sexappeal en pit? Willen vrouwen een man met een minimum aan empathie? Willen vrouwen vooral een stoere man die hen beschermt en zich bezighoudt met klassiek mannelijke taken? Verlangen mannen naar vertrouwen, harmonie en communicatie? Spelen vrouwen in op de jagerskwaliteiten van de mannen? Lopen zij borst vooruit, op hoge hakken, volle lippen om hem uit te dagen? Moet een vrouw verleidelijk en sterk zijn?
Is de ideale man een neanderthaler die wel eens een boek leest? Zijn zowel mannen als vrouwen op zoek naar een betere communicatie?
Trek ik de juiste conclusie als ik schrijf dat mannen de rijkste willen zijn en dat vrouwen de rijkste willen hebben? Willen mannen meer diploma’s dan hun partner? Willen ze ook écht een geliefde die slim genoeg is om hun grapjes te waarderen?
Thierry Deleu
MET UITSLUITEND VRAAGTEKENS
Wat verwachten mannen en vrouwen van elkaar? Valt dat te rijmen? Bestaat er zoiets als een ideale relatie? Heeft een huwelijk iets van een fusie tussen twee bedrijven?
Verkiezen vrouwen een man die een hoger loon heeft dan zijzelf? Voelen ze zich in hun huwelijk beter naarmate hun man wat ouder en hoger opgeleid is? Stijgt de levensvreugde van hun mannen als hun partner wat jonger is?
Gooien mannen met geld hoge ogen? Verlangen mannen met een hoog inkomen meer seks? Hebben zij er ook meer? Komen vrouwen met een hoog inkomen minder aan hun trekken? Verzamelen mannen inkomsten om vrouwen aan te trekken? Zijn na ruim een eeuw van feministische strijd de verwachtingen van man en vrouw nog altijd op elkaar afgestemd: willen mannen de rijkste zijn, willen vrouwen de rijkste hebben?
Willen vrouwen dat hun man gevoel voor humor heeft, dat hij eerlijk is en intelligent? Heeft, hoe hij er uitziet, niet het minste belang? Zijn mannen effectief een stuk eerlijker dan vrouwen? Willen zij hun leven delen met een knappe vrouw, met een mooie gezicht? Verwachten mannen dat ze kunnen trouwen met de meest sexy vrouw op aarde? Willen vrouwen de knapste man van het heelal? Mag hij zich echter van zijn schoonheid bewust zijn?
Zijn de verwachtingen bij vrouwen erg traditioneel? Samengevat: wil hij meer seks, meer partners, minder emotionele toestanden? Wil zij dat niet? Keren de verlangens bij rijpere singles? Kijken vrouwen boven de vijftig vooral uit naar seks en romantiek bij hun partner? Zoeken mannen door hun dalend testosterongehalte veeleer naar germeenschappelijke interesses?
Maken slimme meisjes mannen bang? Hoe slimmer de mannen, hoe groter de kans op een huwelijk? Wenst een vaak uithuizige kerel met een hoog IQ een ouderwetse vrouw die het huishouden bestiert? Waar moeten wij naartoe met die slimme vrouwen? Willen mannen niet alleen een geletterde vrouw, maar ook een vrouw die met hun grapjes kan lachen? Vindt het ideale huwelijk plaats tussen een dappere man (die zijn angst in de ogen kijkt) en een vrouw die haar best doet om met zijn (flauwe) grapjes te lachen?
Bestaat ze nog, de echtgenote, die kwistig strooit met onbaatzuchtige hulp? Verwachten mannen alvast van wel? Of willen vrouwen scheiden als hun man geen poot uitsteekt in het huishouden? Zijn vrouwen die wél willen poetsen erg gegeerd? Is de ideale vrouw een vrouw met poetshulp? Is de ideale man een man die nooit hemden draagt? Of een vrouw die zo groot is dat ze over de rommel heen kan kijken? Of een man die nooit thuis is?
Moet een man aardig zijn? Of moet hij juist stoer doen? Moet een vrouw daar begrip voor opbrengen? Of scoort ze veeleer met sexappeal en pit? Willen vrouwen een man met een minimum aan empathie? Willen vrouwen vooral een stoere man die hen beschermt en zich bezighoudt met klassiek mannelijke taken? Verlangen mannen naar vertrouwen, harmonie en communicatie? Spelen vrouwen in op de jagerskwaliteiten van de mannen? Lopen zij borst vooruit, op hoge hakken, volle lippen om hem uit te dagen? Moet een vrouw verleidelijk en sterk zijn?
Is de ideale man een neanderthaler die wel eens een boek leest? Zijn zowel mannen als vrouwen op zoek naar een betere communicatie?
Trek ik de juiste conclusie als ik schrijf dat mannen de rijkste willen zijn en dat vrouwen de rijkste willen hebben? Willen mannen meer diploma’s dan hun partner? Willen ze ook écht een geliefde die slim genoeg is om hun grapjes te waarderen?
Thierry Deleu
Een bewonderenswaardige vrouw
Irena Sendler
Onlangs stierf deze 98-jarige. Gedurende W.O. II werkte zij in het Warschause ghetto, maar zij had een bijkomend motief. Ze WIST (als Duitse) wat nazi's plannen waren voor de Joden.
Ze smokkelde 2500 kinderen buiten.
Ze had een hond, die getraind was om te blaffen als Duitse soldaten in de omgeving waren, zodat ze het eventueel geluid van de kinderen niet zouden horen.
Ze werd gepakt. Ze braken haar benen, armen en sloegen haar vreselijk.
Zij hield de namen bij van de kinderen die ze buiten smokkelde en stak ze in een glazen pot en begroef die onder een boom in haar tuin.
Na de oorlog probeerde ze de ouders te zoeken en dat lukte enkele keren. De meesten waren door gas omgekomen. De kinderen die ze hielp, werden in pleeggezinnen geplaatst of geadopteerd.
Vorig jaar (2007) werd deze dame voorgedragen voor de Nobelprijs - ze werd niet geselecteerd.
In de Catalaanse Pyreneeën:
documenten met cultuurhistorische waarde
Voltaire zou hebben gezegd: “Geen betere vriend dan het boek!” Deze waarheid (dit citaat) heeft niets van haar (zijn) actualiteit verloren. Ik voeg er echter snel bij: “Niet alle boeken komen hiervoor in aanmerking!” De consumptiemaatschappij heeft haar sporen “gedrukt” en de technologische voortgang slaat zelfs kloven tussen kennis en onwetendheid. Het boek is vandaag verworden (verwoord) tot een druksel van een bedenkelijke en oppervlakkige inhoud. Gedurende de voorbije eeuwen was het boek meestal (bijna altijd) de reflectie van voorafgaand studiewerk met als (goed) doel de mensen te ontvoogden, op te voeden, te doen nadenken. Dat waren referentieboeken, historisch en literair van hoge kwaliteit.
Vandaag is het merendeel van de boeken bullshit, of afgeschreven, of slecht vertaald, niet door de (vermeende) auteur geschreven, zodat het kwaliteitsboek of het boek van “verlichte” auteurs in de verdrukking komt (is geraakt).
Van de duizend(en) boeken (lees druksels) die ieder jaar verschijnen en die gretig worden geconsumeerd, zijn er weinig relevant, en waarom: uitgeverijen zijn louter nog geïnteresseerd in commerciële (d.w.z. financieel-renderende) uitgaven… intellectueel of niet, met referenties of niet, “baanbrekend”, “grensverleggend” of niet.
Uiteraard is het belangrijk dat de uitgever zorgt voor “sensatie”, “vuurwerk”, “BV-commercials”, maar toch mag hij zijn oorspronkelijke opdracht niet verdoezelen of uit het oog verliezen: de lezer “instrueren” en dit kan ook via literaire producten (waarmee ik bedoel dat ik niet alleen oog heb voor wetenschappelijk werk). Uitgevers die met om het even wat en om het even hoe de markt willen veroveren, doen hun eerbare voorgangers onrecht aan.
Voilà, dit is in korte woorden de bedenkingen van uitgever Christian Lacour-Ollé die ik ontmoette in Evole, een bergdorpje in de Catalaanse Pyreneeën. Ik kwam hem tegen tijdens mijn bezoek (ons bezoek: ik ben altijd met mijn vrouw samen!) aan het oude, Romaanse kerkje aldaar. O ja, daar sprak ik ook met kluizenaar Joseph Raaymakers uit Lommel, die reeds dertig jaar daar leeft (of liever kluizend zijn dagen doorspoelt). Straks meer.
Lacour, die een uitgeverij runt in Nîmes (Gard), Place des Carmes - 25 Boulevard Amiral Courbet, biedt weerwerk tegen deze verregaande verloedering en geeft herdrukken uit van boeken (boekjes) die een historische waarde hebben (zouden hebben). Hij heeft een netwerk opgezet om deze belangrijke teksten op te zoeken en te verdelen. Zo draagt hij bij tot het instandhouden van de voorbije cultuur, gebruiken en gewoonten.
Wat mij vooral interesseert, is zijn levende belangstelling voor gesloten genootschappen, zoals de Vrijmetselarij en de Orde van de Tempel. Hij deed mij twee boekjes cadeau: van een zekere Hérédon, Le Régulateur du maçon, en een tekst uit de geschiedenis van de Orde van de Tempel (waarin ik de weergave vond van het verweerschrift van de Orde tegen rebellerende broeders). Vooraan dit tweede boekje drukte Lacour een waarschuwing af: “Dit boek is de herdruk van een tekst die onvindbaar leek. De tekst dateert van 1837. Ik excuseer mij voor de soms moeilijke leesbaarheid, maar om eer te betonen aan de auteurs en de kwaliteit van hun werk niet te schaden, heb ik de herdruk in de originele lettertekens gel aten.”
En nu, aandacht voor kluizenaar Joseph Raaymakers. Een heerlijk man (slordig gekleed, zijn broek stond halfweg open en een vuil wit hemd sierde de opening) die verbazend goed zijn Nederlands met Limburgse tongval had weten te bewaren. Hij leidde ons rond in het kerkje (waar hij ooit herder was geweest, maar door de bisschop “tot kluizenaar werd benoemd” - weg gepromoveerd in gewone mensentaal). Ineens stelde hij mij de vraag of ik geloofde. “Ja, ik voel mij zalig in mijn eigen geloof,” antwoordde ik hem, “maar ik ben niet kerkelijk.” “Ik ook niet meer,” zei hij en hij ledigde het offerblok van de Heilige Antonius van Padua met de profetische woorden: “Ik maak het geld wel over.”
Twee (van de vele) ontmoetingen die ons verblijf in de Catalaanse Pyreneeën hebben gekleurd. Onze gastvrouw en gastheer van chambre d’hôte “Casa del Gat”, Aurélie en Jo, waren lieve mensen. Beiden gepokt en gemazeld in de V.U.B. kozen zij toch voor dit leven. Aurélie (half Frans, half Vlaming) is afkomstig van Menen (het grensstadje waar ik geboren ben), Jo komt uit Lommel. Zijn ouders waren op (werk)bezoek. Vader Rik is beeldend kunstenaar en moeder Ria is de zus van Lisette Pachen, een oud-collega van mijn vrouw en ik op de Middenschool van het Gemeenschapsonderwijs in Harelbeke. Ook de vader van Aurélie was van de partij, een verlegen, dromerige figuur, gek op Willem Vermandere. (Weet je dat Willem van Lauwe is? De andere kant van de brug Lauwe-Wevelgem, we hebben dezelfde leeftijd, met een paar dagen verschil, hij is een paar dagen ouder, onze ouders waren bevriend).
De moeder van Aurélie is verwant aan de familie Vandamme-Vandenbroucke uit Harelbeke. Uiteraard kwam de zelfmoord van Annie ter sprake (zij was een schoolvriendin en werd later ook jeugdvriendin van mijn vrouw).
Die “toevallige” ontmoetingen (in toeval geloof ik echter niet) hebben ons verblijf aldaar een meerwaarde gegeven. Zo zie je nog maar eens hoe klein de wereld is!
Thierry Deleu
documenten met cultuurhistorische waarde
Voltaire zou hebben gezegd: “Geen betere vriend dan het boek!” Deze waarheid (dit citaat) heeft niets van haar (zijn) actualiteit verloren. Ik voeg er echter snel bij: “Niet alle boeken komen hiervoor in aanmerking!” De consumptiemaatschappij heeft haar sporen “gedrukt” en de technologische voortgang slaat zelfs kloven tussen kennis en onwetendheid. Het boek is vandaag verworden (verwoord) tot een druksel van een bedenkelijke en oppervlakkige inhoud. Gedurende de voorbije eeuwen was het boek meestal (bijna altijd) de reflectie van voorafgaand studiewerk met als (goed) doel de mensen te ontvoogden, op te voeden, te doen nadenken. Dat waren referentieboeken, historisch en literair van hoge kwaliteit.
Vandaag is het merendeel van de boeken bullshit, of afgeschreven, of slecht vertaald, niet door de (vermeende) auteur geschreven, zodat het kwaliteitsboek of het boek van “verlichte” auteurs in de verdrukking komt (is geraakt).
Van de duizend(en) boeken (lees druksels) die ieder jaar verschijnen en die gretig worden geconsumeerd, zijn er weinig relevant, en waarom: uitgeverijen zijn louter nog geïnteresseerd in commerciële (d.w.z. financieel-renderende) uitgaven… intellectueel of niet, met referenties of niet, “baanbrekend”, “grensverleggend” of niet.
Uiteraard is het belangrijk dat de uitgever zorgt voor “sensatie”, “vuurwerk”, “BV-commercials”, maar toch mag hij zijn oorspronkelijke opdracht niet verdoezelen of uit het oog verliezen: de lezer “instrueren” en dit kan ook via literaire producten (waarmee ik bedoel dat ik niet alleen oog heb voor wetenschappelijk werk). Uitgevers die met om het even wat en om het even hoe de markt willen veroveren, doen hun eerbare voorgangers onrecht aan.
Voilà, dit is in korte woorden de bedenkingen van uitgever Christian Lacour-Ollé die ik ontmoette in Evole, een bergdorpje in de Catalaanse Pyreneeën. Ik kwam hem tegen tijdens mijn bezoek (ons bezoek: ik ben altijd met mijn vrouw samen!) aan het oude, Romaanse kerkje aldaar. O ja, daar sprak ik ook met kluizenaar Joseph Raaymakers uit Lommel, die reeds dertig jaar daar leeft (of liever kluizend zijn dagen doorspoelt). Straks meer.
Lacour, die een uitgeverij runt in Nîmes (Gard), Place des Carmes - 25 Boulevard Amiral Courbet, biedt weerwerk tegen deze verregaande verloedering en geeft herdrukken uit van boeken (boekjes) die een historische waarde hebben (zouden hebben). Hij heeft een netwerk opgezet om deze belangrijke teksten op te zoeken en te verdelen. Zo draagt hij bij tot het instandhouden van de voorbije cultuur, gebruiken en gewoonten.
Wat mij vooral interesseert, is zijn levende belangstelling voor gesloten genootschappen, zoals de Vrijmetselarij en de Orde van de Tempel. Hij deed mij twee boekjes cadeau: van een zekere Hérédon, Le Régulateur du maçon, en een tekst uit de geschiedenis van de Orde van de Tempel (waarin ik de weergave vond van het verweerschrift van de Orde tegen rebellerende broeders). Vooraan dit tweede boekje drukte Lacour een waarschuwing af: “Dit boek is de herdruk van een tekst die onvindbaar leek. De tekst dateert van 1837. Ik excuseer mij voor de soms moeilijke leesbaarheid, maar om eer te betonen aan de auteurs en de kwaliteit van hun werk niet te schaden, heb ik de herdruk in de originele lettertekens gel aten.”
En nu, aandacht voor kluizenaar Joseph Raaymakers. Een heerlijk man (slordig gekleed, zijn broek stond halfweg open en een vuil wit hemd sierde de opening) die verbazend goed zijn Nederlands met Limburgse tongval had weten te bewaren. Hij leidde ons rond in het kerkje (waar hij ooit herder was geweest, maar door de bisschop “tot kluizenaar werd benoemd” - weg gepromoveerd in gewone mensentaal). Ineens stelde hij mij de vraag of ik geloofde. “Ja, ik voel mij zalig in mijn eigen geloof,” antwoordde ik hem, “maar ik ben niet kerkelijk.” “Ik ook niet meer,” zei hij en hij ledigde het offerblok van de Heilige Antonius van Padua met de profetische woorden: “Ik maak het geld wel over.”
Twee (van de vele) ontmoetingen die ons verblijf in de Catalaanse Pyreneeën hebben gekleurd. Onze gastvrouw en gastheer van chambre d’hôte “Casa del Gat”, Aurélie en Jo, waren lieve mensen. Beiden gepokt en gemazeld in de V.U.B. kozen zij toch voor dit leven. Aurélie (half Frans, half Vlaming) is afkomstig van Menen (het grensstadje waar ik geboren ben), Jo komt uit Lommel. Zijn ouders waren op (werk)bezoek. Vader Rik is beeldend kunstenaar en moeder Ria is de zus van Lisette Pachen, een oud-collega van mijn vrouw en ik op de Middenschool van het Gemeenschapsonderwijs in Harelbeke. Ook de vader van Aurélie was van de partij, een verlegen, dromerige figuur, gek op Willem Vermandere. (Weet je dat Willem van Lauwe is? De andere kant van de brug Lauwe-Wevelgem, we hebben dezelfde leeftijd, met een paar dagen verschil, hij is een paar dagen ouder, onze ouders waren bevriend).
De moeder van Aurélie is verwant aan de familie Vandamme-Vandenbroucke uit Harelbeke. Uiteraard kwam de zelfmoord van Annie ter sprake (zij was een schoolvriendin en werd later ook jeugdvriendin van mijn vrouw).
Die “toevallige” ontmoetingen (in toeval geloof ik echter niet) hebben ons verblijf aldaar een meerwaarde gegeven. Zo zie je nog maar eens hoe klein de wereld is!
Thierry Deleu
23 juli 2010
Bach's "Air on a G String"
als ik dood ga
wees niet bedroefd
ik heb mijn tijd
dan al gehad
pak je strijkstok
en speel nog even...
deze mooie air
van J.S.Bach
sluit je ogen
en laat je drijven
mee met de stroom
van zoetgevooisde kracht
muziek gaf me leven
verstilde mijn gemoed
in momenten dat ik even
niet meer mee kon...
in de stoet
als ik dood zal zijn
en je voelt de pijn
die ik jou onverhoeds
in woorden heb gebracht
zoek dan liefdevolle noten
strijkend vanuit mijn hart...
in deze wondermooie air
die Bach heeft betracht
© 2010 Monique Verplancke
als ik dood ga
wees niet bedroefd
ik heb mijn tijd
dan al gehad
pak je strijkstok
en speel nog even...
deze mooie air
van J.S.Bach
sluit je ogen
en laat je drijven
mee met de stroom
van zoetgevooisde kracht
muziek gaf me leven
verstilde mijn gemoed
in momenten dat ik even
niet meer mee kon...
in de stoet
als ik dood zal zijn
en je voelt de pijn
die ik jou onverhoeds
in woorden heb gebracht
zoek dan liefdevolle noten
strijkend vanuit mijn hart...
in deze wondermooie air
die Bach heeft betracht
© 2010 Monique Verplancke
22 juli 2010
LEVEND IN HET ANATOMISCH THEATER
Op het snijvlak tussen licht en donker en binnen de beslotenheid van het anatomische theater zullen in de nacht van 31 juli op 1 augustus trakteren Bert Lezy en Didi de Paris u met hun alles ontledende blikken op een feeërieke trip door de stad, de straten, de hoofden. Hierbij zullen ze gebruik maken van oude technologie zoals de toverlantaarn en hoog technologische procedés. Tegen een permanente achtergrond van geluid, beeld en live schilderen door Bert Lezy doet Didi de Paris om 22u, om 23 u en om 00u00 drie keer een korte poëtische interventie.
Bert Lezy: www.bertlezy.be Blaastaal.podomatic.com
Didi de Paris http://didideparis.wordpress.com/
zaterdag 31 juli Anatomisch Theater, Minderbroedersstraat 50 (tegenover Kruidtuin), Leuven. Bert Lezy permanent van 22u tot 00u30 : Didi de Paris korte ingrepen van 20 minuten. Om 22u-23u-00u00, Deuren open om 21u. Toegang 3 €.
DE WERELD IS EEN BOEK
ZIJ DIE NIET REIZEN, LEZEN SLECHTS ĖĖN PAGINA!
Het populairste Vlaamse woord is “goesting”. Ik ben er echter zeker van dat het woord “reizen” ook héél hoog scoort op de semantische hitlijst. Weet je, het leven wordt niet afgemeten aan het aantal keren dat je ademhaalt, maar aan de plaatsen en momenten die je de adem benemen. Ken je ook dat gefluister in je oor dat het tijd is om weer eens te vertrekken om te zien wat zich achter de horizon bevindt?
De drang om te reizen is zo oud als de mens. De Romeinen brachten een bezoek aan de Acropolis van Athene. Het was ook die drang die Marco Polo aanzette tot zijn formidabele reis naar het Oosten. Ja, de wereld is een boek, en zij die niet reizen, lezen slechts één pagina.
Ik kan niet voor iedereen spreken, maar ik kan vertellen over mijn eigen reislust en over die van mijn vrouw. Beiden zijn wij gebeten door de reismicrobe. Ja, je moet wel nieuwsgierig zijn, een beetje verslaafd aan alles wat verder af ligt of korterbij. Weet je wat soms het moeilijkste is? Kiezen. Waar gaat de reis naartoe? En welke formule kiezen wij voor het logement? Hotel? Chambre d’hôte? Gîte? Appartement? Chalet? Camping?
Wat ik jou aanraad? Simpel: de planeet Aarde. Die heeft een goede reputatie. Ernstig nu. Elke plaats moet op jou een gevoel overbrengen van de magie, de integriteit en de wonderlijkheid van de aarde. Dit is de maatstaf die je - volgens mij - moet gebruiken zowel bij de keuze van het opvallende en voorspelbare tot het kleine en nietige, van spirituele tot tijdelijke plekken zoals kloosters, winkelstraten en uitgaansbuurten, van natuurwonderen - zoveel mogelijkheden.
Een goeie hulp bij je keuze zijn natuurlijk de honderden reisgidsen en tijdschriften, de reisorganisaties, de pr-agenten, de andere toeristen.
Reizen blijft echter een strikt persoonlijke zaak. Geen twee mensen lopen van dezelfde plek weg met dezelfde herinneringen. Waar het op neerkomt, is dat de plek die je bezoekt of waar je verblijft jou inspireert, of je nu een nieuwsgierige reiziger bent of een dichter, avonturier, schilder, pelgrim, geleerde of reisschrijver.
Reizen verdrijft veel van onze slechte indrukken, bevestigt de goede en belooft ontelbare verrassingen. Door te reizen worden we nieuwsgieriger, sterker en aardiger. En als onze geest eenmaal op dat punt is aanbeland, kan hij nooit meer in zijn oude staat vervallen. Wat ik onder andere wil zeggen is, dat vormen van vooroordelen en racisme verdwijnen als je andere mensen beter leert kennen.
De wereld is een stuk kleiner dan hij twintig jaar geleden was. De meeste plaatsen liggen dankzij de enorme reisindustrie op één, twee dagreizen afstand van elke andere plek. Wat voor invloed heeft dat op ons gevoel voor avontuur, voor het verkennen van het Andere? Veel. Héél veel. Voor mij is het iets dat te maken heeft met je gezichtspunt. Sommigen komen alleen om te kijken, anderen komen om te zien. Snap je? Sommige autorijders rijden en zien niets; anderen lopen het blokje om (waar ze wonen) en komen terug met een volle boodschappentas én een schat aan verhalen. Het aantal afgelegde kilometers heeft niets te maken met het plezier van het reizen. Schoonheid en nieuwe dingen bevinden zich overal om ons heen.
In deze tijd van geweld zal zelfs de dapperste misschien de neiging krijgen om thuis te blijven en ook dat kan leuk zijn. Maar laat je niet afschrikken, kies een veilige streek. Mijn vrouw en ik zijn geen reissnobs, maar wel verwoede reizigers. Pas thuis dromen wij alweer van ons volgende “avontuur”. De aantrekkingskracht van sommige bestemmingen is zo groot dat we niet kunnen weerstaan aan de lokroep van de “reisgids”. Een reis kan echter ook teleurstellend zijn: de verwachtingen zijn hooggespannen en er kan van alles misgaan. Denk erom: belangrijker dan een zak vol geld is een zak vol geduld en nieuwsgierigheid. Vind het niet erg - doe het zelfs bewust - om een zijweg in te slaan en te verdwalen. Er is geen slechte reis, er zijn alleen maar goede reisverhalen om thuis te vertellen. Reis met de glimlach en onthoud dat jij degene bent met rare gebruiken die een ander land bezoekt. Vertrouwen op de vriendelijkheid van vreemden is niet altijd naïef - overal kom je wel goede mensen tegen.
En ten slotte: hoe meer tijd je besteedt aan het proberen te begrijpen van de gebruiken van anderen, hoe meer je te weten komt over jezelf. De reis over de grens is de weerspiegeling van de reis van binnen - het onbekendste en vreemdste landschap dat er is, de ultieme terra incognita. Over twintig jaar zul je meer spijt hebben van de dingen die je niet hebt gedaan dan van de dingen die je wel deed. Verken. Droom. Ontdek.
Zelfs als je op je vakantie vooral zon en ontspanning zoekt, zul je onderweg of in de omgeving van je vakantieadres toch altijd op iets stuiten dat je nieuwsgierigheid wekt: een oude burcht, een fraai kasteel, een merkwaardige kerk, een abdij, een historische plaats. Dan is het goed dat je een reisgids bij de hand hebt. Hij licht je beknopt in over dit soort bezienswaardigheden. Over architectuur en kunst, over musea en verzamelingen, maar ook over een wereld van originele uitjes of andere vakantie-ideetjes.
Weet je wat ons het meeste boeit? Welk ons vakantieland bij uitstek is? Frankrijk! De Franse paradox - zo wordt het gegeven genoemd dat de Fransen onnoemelijk vet kunnen eten (en het ook doen!) en dat toch relatief weinig Fransen gebukt gaan onder hart- en vaatziekten. Een paradox die te maken zou kunnen hebben met de inname van wijn bij en na het eten. Waarmee ik wil zeggen dat de twee grote geneugten van La Douce France, namelijk de keuken en de (wijn)kelder, heilzaam werken. Denk nu niet dat deze twee troeven de enige zijn die ons hebben overtuigd. O neen, het is een mooi land vol afwisseling. Kortbij of verder af.
Terecht merk je op, lezer, dat je niet zo fanatiek pro mag zijn als je het hebt over landen en landstreken, werelddelen, overal ontdek je mooie landschappen, historische gebouwen, romantische stranden en valleien. Ik weet het. Weet je wat reizen zo mooi maakt, zo boeiend, zo verslavend? De natuur, uiteraard, en de cultuur, de mensen, hun zeden en gewoonten, maar ook… de voorbereiding van de reis, het uittekenen van de route, de keuze van het logement, het inventariseren van de bezienswaardigheden, de eerste woordjes in een vreemde taal, en niet te vergeten: het moment dat je vertrekt, wanneer je de stress en de drukte en het werk achter je laat. De rust tegemoet ofwel het avontuur dat je hoofd op andere gedachten brengt. Last but not least wil ik een woordje zeggen over de retour, de weg terug naar huis, de nostalgie naar huis. De mens is toch een raar wezen, nietwaar? Hij vertrekt graag, maar hij keert graag terug. Hij reist graag, maar hij is graag thuis. Dit is héél normaal, lezer, in het andere geval zou het niet logisch zijn, ik zou mezelf vragen stellen: “Ben ik niet graag meer thuis?” “Doe ik niet graag meer mijn job?”. Onlangs zei iemand mij: “Het mooiste van de reis is vaak het terugkeren naar huis.” Toen heb ik eens geglimlacht en geantwoord: “Ja, indien ik binnenkort opnieuw op reis mag.”
Thierry Deleu
Mededeling
Beste allemaal,
Op 22 augustus 2010 lanceren wij ons volgend kunstenevenement onder de titel: Ontmoetingen. Ontmoetingen gaat gepaard met verkoop van persoonlijk kunstmateriaal zoals bv. schilderijen, beeldhouwwerk, boeken, enz. (geen tweedehands, enkel persoonlijk werk!)
Kunstenaars die hierop willen aanwezig zijn dienen zo vlug mogelijk hun naam op te geven aan de organisatie zodat zij voor de nodige infrastructuur kan zorgen. Het wordt dus een soort boeken-kunstenmarkt waarbij kunstenaars ook ter plaatse aan het publiek kunnen tonen hoe zij werken. Tevens zal er een vrij podium worden ingelast voor de auteurs die in de bloemlezing Vlassenbroek 2010 werden opgenomen. Indien u uw gedicht zelf wilt komen voordragen: GRAAG, maar laat het ons weten. Impressiedichtjes ter plaatse op aanvraag KAN. Indien u hiertoe bereid bent, geef uw naam op. Getalenteerde jongeren zullen de namiddag opfrissen met zelf gecomponeerd werk. Wie zich geroepen voelt een beetje als moderator te fungeren, laat dit aan Patricia De Landtsheer weten. Zij coördineert het poëzie-evenement in Vlassenbroek en kan best wat hulp gebruiken van collega-auteurs.
Plaats van het gebeuren: terrein van Kunstentaverne DE KLEINE NOTELAAR, Vlassenbroek 222 te Vlassenbroek/Baasrode (ong. 300 m. voorbij het kerkje. Parking VERPLICHT langs de dijk.) Onze persoonlijke parking wordt gereserveerd voor de tentoonstellende kunstenaars. Elke deelnemer zorgt zelf voor parasol, tentoonstellingsezel of edm. Een stoel kan altijd ter beschikking worden gesteld.
Uur van aanvang: 14 tot 18 u.
Ter plaatse ook:
Tentoonstelling doorlopend in de taverne en bij de buur Paul De Wolf (galerie 't Gepeins).
Verkoop van het restant handdoeken met impressiegedichten in kalligrafie ten voordele van het Hachikoproject (opleiding honden voor mensen met een handicap à 5 €). Steun aub!
Bloemlezing Vlassenbroek 2010, ISBN 9781616278199, 10,00 €. Catalogus Kunstreflectie Dender, 5 € (of bij www.unibook.com)
Alle gelden die voortvloeien uit de verkoop zijn integraal voor de kunstenaar. Onze organisatie neemt geen percenten of wat dan ook! U dient voor de verkoop wel zelf in te staan, want wij zullen onze handen vol hebben met de zaak. U zorgt zelf voor persoonlijk promotiemateriaal dat ter plaatse kan worden aangeboden.
U zult willen begrijpen dat dergelijke evenementen veel energie en tijd kosten aan de organisatoren. Wij vragen van u enkel dat u tijdig verwittigt als u wilt aanwezig zijn met vermelding wat u juist zult doen. Bij dit alles duimen we natuurlijk voor mooi weer.
Dan rest er mij nog enkel u van harte welkom te heten op 22 augustus a.s. We maken een feest van Vlassenbroek Poëziedorp 2010.
P.S.
Om nu al aan te kruisen in uw agenda: Slotevenement op 10 oktober 2010 om 10.30 u (deuren 10 u) APERITIEFCONCERT, Ros Beiaardzaal Dendermonde Stadhuis (markt 1)
Met poëtische groet,
Patricia De Landtsheer
coördinator Vlassenbroek Poëziedorp 2010
Marc Leboeuf
voorzitter vzw Symbiose
Op 22 augustus 2010 lanceren wij ons volgend kunstenevenement onder de titel: Ontmoetingen. Ontmoetingen gaat gepaard met verkoop van persoonlijk kunstmateriaal zoals bv. schilderijen, beeldhouwwerk, boeken, enz. (geen tweedehands, enkel persoonlijk werk!)
Kunstenaars die hierop willen aanwezig zijn dienen zo vlug mogelijk hun naam op te geven aan de organisatie zodat zij voor de nodige infrastructuur kan zorgen. Het wordt dus een soort boeken-kunstenmarkt waarbij kunstenaars ook ter plaatse aan het publiek kunnen tonen hoe zij werken. Tevens zal er een vrij podium worden ingelast voor de auteurs die in de bloemlezing Vlassenbroek 2010 werden opgenomen. Indien u uw gedicht zelf wilt komen voordragen: GRAAG, maar laat het ons weten. Impressiedichtjes ter plaatse op aanvraag KAN. Indien u hiertoe bereid bent, geef uw naam op. Getalenteerde jongeren zullen de namiddag opfrissen met zelf gecomponeerd werk. Wie zich geroepen voelt een beetje als moderator te fungeren, laat dit aan Patricia De Landtsheer weten. Zij coördineert het poëzie-evenement in Vlassenbroek en kan best wat hulp gebruiken van collega-auteurs.
Plaats van het gebeuren: terrein van Kunstentaverne DE KLEINE NOTELAAR, Vlassenbroek 222 te Vlassenbroek/Baasrode (ong. 300 m. voorbij het kerkje. Parking VERPLICHT langs de dijk.) Onze persoonlijke parking wordt gereserveerd voor de tentoonstellende kunstenaars. Elke deelnemer zorgt zelf voor parasol, tentoonstellingsezel of edm. Een stoel kan altijd ter beschikking worden gesteld.
Uur van aanvang: 14 tot 18 u.
Ter plaatse ook:
Tentoonstelling doorlopend in de taverne en bij de buur Paul De Wolf (galerie 't Gepeins).
Verkoop van het restant handdoeken met impressiegedichten in kalligrafie ten voordele van het Hachikoproject (opleiding honden voor mensen met een handicap à 5 €). Steun aub!
Bloemlezing Vlassenbroek 2010, ISBN 9781616278199, 10,00 €. Catalogus Kunstreflectie Dender, 5 € (of bij www.unibook.com)
Alle gelden die voortvloeien uit de verkoop zijn integraal voor de kunstenaar. Onze organisatie neemt geen percenten of wat dan ook! U dient voor de verkoop wel zelf in te staan, want wij zullen onze handen vol hebben met de zaak. U zorgt zelf voor persoonlijk promotiemateriaal dat ter plaatse kan worden aangeboden.
U zult willen begrijpen dat dergelijke evenementen veel energie en tijd kosten aan de organisatoren. Wij vragen van u enkel dat u tijdig verwittigt als u wilt aanwezig zijn met vermelding wat u juist zult doen. Bij dit alles duimen we natuurlijk voor mooi weer.
Dan rest er mij nog enkel u van harte welkom te heten op 22 augustus a.s. We maken een feest van Vlassenbroek Poëziedorp 2010.
P.S.
Om nu al aan te kruisen in uw agenda: Slotevenement op 10 oktober 2010 om 10.30 u (deuren 10 u) APERITIEFCONCERT, Ros Beiaardzaal Dendermonde Stadhuis (markt 1)
Met poëtische groet,
Patricia De Landtsheer
coördinator Vlassenbroek Poëziedorp 2010
Marc Leboeuf
voorzitter vzw Symbiose
21 juli 2010
Harelbeke
Harelbeke, harde bast, stijf van leden,
gouden hart, rood bevlogen, opgetogen,
Benoit, Pevernage, l'âge d'or, verval,
caduc, verrezen, altegaar, uit wolken stof,
kloten aarde, kleien venten, matronen
met grote borsten, Harelbeke verrijst,
Decadt bindt de bel aan, Gistelinck, Couvreur,
Velghe, Deleu, de aangelanden, Wim Opbrouck,
met helm en toebroek, Harelbeke
maçonnieke streke, koket loket, track 75,
werk in stad of buitenshuis,
de vent drinkt, zij staat haar man, de kinderen
in bloot lijf, een zegen te togen in dit
klotenland van gevlij en verzet, muziek
en woord elk banket op tafel gezet.
Harelbeke, verraderlijke vriend,
die vroeg mij kwam behagen, ik hou van je,
geen is meer te duchten, geen van beter
makelij, uitgelaten beest, ingetogen,
volgezopen muze van kleur en klank.
Thierry Deleu
Gedicht Harelbeke prijkt op OCMW-site Harelbeke
en vormt een triptiek met een gedicht van Guido Gezelle en André Velghe
Organisatie: Stad en OCMW-Harelbeke
liguster
geuren van liguster, ze voeren
naar het oude huis waar we
in de schaduw van de tuinen
brieven lazen gevonden
in een kluis
ze spraken van geheimen:
een vrouw begraven in
de koker van een regenput,
we zagen het deksel alsof we
al traden op gewijde aarde
zo hartgrondig heb je ze
lief gehad: de hagen,
de heesters die uitstaken
als bomen over de daken
en de muur van de buren
verborgen zoals je soms
een blinddoek nodig hebt
om in geheimen te geloven
de brieven kwamen uit een lade
met prullaria van een vorige eeuw:
letters van lood, pijpenkoppen
van amber en meerschuim
waarvan de steel was afgebroken
zoveel stemmen die opstonden
uit de dood, het kon niet waar zijn
dat gruwelverhaal dat in je droom
bleef malen: een oude vrouw,
het berouw van een kunstenaar
die haar kunstig liet verdwijnen
geuren van liguster, daar hoort
toch de liefde bij, de voorbode
van een zomer en de hoogmis
van een zomer toen we elkander
celebreerden, opdroegen
als een offergave aan de speelse
goden van de lust
in een tuin van schaduw
onder een koepel van genade
o het zoete van liguster
o het lustige van onze overgave
aan de pas ontdekte geheimen
van een bijna bovenaardse lust
Staf De Wilde
geuren van liguster, ze voeren
naar het oude huis waar we
in de schaduw van de tuinen
brieven lazen gevonden
in een kluis
ze spraken van geheimen:
een vrouw begraven in
de koker van een regenput,
we zagen het deksel alsof we
al traden op gewijde aarde
zo hartgrondig heb je ze
lief gehad: de hagen,
de heesters die uitstaken
als bomen over de daken
en de muur van de buren
verborgen zoals je soms
een blinddoek nodig hebt
om in geheimen te geloven
de brieven kwamen uit een lade
met prullaria van een vorige eeuw:
letters van lood, pijpenkoppen
van amber en meerschuim
waarvan de steel was afgebroken
zoveel stemmen die opstonden
uit de dood, het kon niet waar zijn
dat gruwelverhaal dat in je droom
bleef malen: een oude vrouw,
het berouw van een kunstenaar
die haar kunstig liet verdwijnen
geuren van liguster, daar hoort
toch de liefde bij, de voorbode
van een zomer en de hoogmis
van een zomer toen we elkander
celebreerden, opdroegen
als een offergave aan de speelse
goden van de lust
in een tuin van schaduw
onder een koepel van genade
o het zoete van liguster
o het lustige van onze overgave
aan de pas ontdekte geheimen
van een bijna bovenaardse lust
Staf De Wilde
Voor mijn schoondochter Josephine!
FUIFNUMMER
Zij heeft hoopjes plezier in h'r leven.
Zij kan een straaljager nadoen,
de muziek van Bor de Wolf
en twee sleepboten tegelijk.
Zij kan klimmen en vechten
en rommelebommelen.
Zij kan eigenlijk alles.
Behalve moe worden.
En behalve stil zijn.
Thierry Deleu
Zij heeft hoopjes plezier in h'r leven.
Zij kan een straaljager nadoen,
de muziek van Bor de Wolf
en twee sleepboten tegelijk.
Zij kan klimmen en vechten
en rommelebommelen.
Zij kan eigenlijk alles.
Behalve moe worden.
En behalve stil zijn.
Thierry Deleu
OOIT publiceerde ik de bundel "Staalkaart" (1971), taalgerichte gedichten
LANGSHEEN STAAN
langsheen staan, koeien langs,
wanneer het kind zit achter op de fiets,
het kind zit met in zijn hand de ballon
die op en neer beweegt met de fiets bij elke put,
deze put, gene put, stramme-tweewieler,
ballon, kind, fiets tussen geloei bewegen,
met de fiets tussen koeien die loeien,
beu bulken, en beu opnieuw, meerdere, vele keren
wanneer het kind de ballon heen en weer beweegt
en wuift, wuivend de hand beweegt
tussen loeiende koeien en achterop de fiets beweegt,
stramme-tweewieler, op en neer
bij elke put-put-put-put tussen de vele
die langsheen staan, koeien loeiende, beu-bulkende,
bewegende wanneer het kind de ballon
heen en weer beweegt, en dan opnieuw:
kind, fiets, ballon, op en neer, tussen koeien,
tussen beu-bulkende koeien, tussen, in,
temidden van, verdwenen voor gene koe daar
die langsheen staat en ziet, beweegt,
niet verdwenen voor deze koe hier
die langsheen staat en ziet,
beweegt, koeien bewegen, beu-bulkende bewegen
en langsheen staan en zien, het kind zit
achter op de fiets, met de ballon in de hand
die op en neer beweegt met de fiets
bij elke put-put-put-put, kind-fiets-ballon-put,
en put, put, en langsheen staan,
Thierry Deleu
langsheen staan, koeien langs,
wanneer het kind zit achter op de fiets,
het kind zit met in zijn hand de ballon
die op en neer beweegt met de fiets bij elke put,
deze put, gene put, stramme-tweewieler,
ballon, kind, fiets tussen geloei bewegen,
met de fiets tussen koeien die loeien,
beu bulken, en beu opnieuw, meerdere, vele keren
wanneer het kind de ballon heen en weer beweegt
en wuift, wuivend de hand beweegt
tussen loeiende koeien en achterop de fiets beweegt,
stramme-tweewieler, op en neer
bij elke put-put-put-put tussen de vele
die langsheen staan, koeien loeiende, beu-bulkende,
bewegende wanneer het kind de ballon
heen en weer beweegt, en dan opnieuw:
kind, fiets, ballon, op en neer, tussen koeien,
tussen beu-bulkende koeien, tussen, in,
temidden van, verdwenen voor gene koe daar
die langsheen staat en ziet, beweegt,
niet verdwenen voor deze koe hier
die langsheen staat en ziet,
beweegt, koeien bewegen, beu-bulkende bewegen
en langsheen staan en zien, het kind zit
achter op de fiets, met de ballon in de hand
die op en neer beweegt met de fiets
bij elke put-put-put-put, kind-fiets-ballon-put,
en put, put, en langsheen staan,
Thierry Deleu
Nieuw-realisme?
LANGUIT IN DE WEI
gistermiddag, in de wei
toen ik languit liggen ging,
zag ik negerjongetjes opklimmen
tegen de palmbomen,
vliegtuigen rakelings overvliegen -
- reuzenschermen waren uitgespannen
a1s verhoogde landingsbanen, -
en net boven mij hingen grote klokken,
wijdopen muilen, slangentongen
toen dook, in het oerwoud daar beneden,
een negerkaravaan op,
druk in de weer als wriemelende mieren:
een dode rups moest worden meegesjouwd;
naar alle kanten werd getrokken, geduwd, geschoven,
boomstammen werden omvergelopen
en rotsen moeizaam beklauterd
plots ontdekte ik een oerwoudpad
en volgde dit met, de ogen,
in de verte zag ik toen een Incastad;
dit gaf mij een zelfde gevoel,
als toen ik, voor acht dagen,
vanaf een toren naar de mensen zag
Thierry Deleu
gistermiddag, in de wei
toen ik languit liggen ging,
zag ik negerjongetjes opklimmen
tegen de palmbomen,
vliegtuigen rakelings overvliegen -
- reuzenschermen waren uitgespannen
a1s verhoogde landingsbanen, -
en net boven mij hingen grote klokken,
wijdopen muilen, slangentongen
toen dook, in het oerwoud daar beneden,
een negerkaravaan op,
druk in de weer als wriemelende mieren:
een dode rups moest worden meegesjouwd;
naar alle kanten werd getrokken, geduwd, geschoven,
boomstammen werden omvergelopen
en rotsen moeizaam beklauterd
plots ontdekte ik een oerwoudpad
en volgde dit met, de ogen,
in de verte zag ik toen een Incastad;
dit gaf mij een zelfde gevoel,
als toen ik, voor acht dagen,
vanaf een toren naar de mensen zag
Thierry Deleu
Abonneren op:
Berichten (Atom)
en+normaalschool+kortrijk+1962.jpg)







