Beste vriend,
De voorbereiding voor de voorstelling van mijn nieuwe roman, De doden zwijgen niet, zit in een grillige stroomversnelling, soms heb ik de indruk dat het een beetje gelijkt op de processie van Echternach. Maar goed, de pers besteedt reeds aandacht aan de gebeurtenis: Het Wekelijks Nieuws, Westkust XL, Passe-partout… ’t Zou nu voor juni zijn, in de kok-pit van het nieuwe gemeentehuis, met toespraken van de burgemeester en Ilse Chamon, pr van de afdeling vrije tijd & cultuur. Wanneer in juni? Groot vraagteken. Zo kunnen wij onze reis naar Masquières niet boeken. Masquières ligt in de Lot. We vonden daar een gîte van Brusselaars, mooi, ruim, lekker eten (schijnt het). Maar neen dus, uitgesteld tot oktober.
Ik word het soms - nu meer dan vroeger - beu om met mijn werk naar buiten te komen. Al dat gevraag en gezaag, dat beloven en zijn woord niet houden. Die afhankelijkheid van zoveel mensen hangt mij (soms) de keel uit. De drukker doet alsof haar neus bloedt, de uitgever doet verbouwingen, de gemeenteambtenaren rijden in slowmotion… Ja, ik moet erkennen, vriend, dat jij meer gemotiveerd was en beter georganiseerd. Chapeau!
De jaren beginnen te wegen, ik moet dringend op zoek naar een nieuwe levenswijze, naar een nieuw gedragspatroon, naar nieuwe uitdagingen, avonturen, maar dan wel allemaal op mijn maat en naar mijn hand. Dat is het: ik verlies control, man. Ik erger mij op hetzelfde moment aan te veel zaken tegelijk, ik ga er onderuit als ik niet oplet.
De laatste tijd verdeel ik mijn kostbare tijd in de opvang van mijn kleinkinderen, de liefde voor mijn vrouw, de biografie, een nieuwe roman. “Dat zal de laatste zijn!” vermoed ik. “Het zal de laatste zijn!” zegt zij.
Een nieuwe roman? De zesde? Ja, een liefdesroman, twee delen: één Ongeposte brieven en anderzijds De verzoening. Marie verlaat Peter; Peter schrijft haar ongeposte brieven. Marie keert terug, in gewone verhaalvorm. Ik verwacht er veel van. Het eerste deel is bijna af. Dat zou nu echt iets zijn om door jou te worden ingeleid in de Kok-pit van het ultramoderne Koksijdse gemeentehuis. Wat denk je?
“The Order of the Razorblades” ligt stil, muisstil. De Grootmeester zit met verbouwingen en kan voorlopig geen tijd meer maken voor de website, de beweging en de activiteiten. Spijtig, maar ja, wat wil je, het lot van een Orde is altijd precair, kwetsbaar. Maar misschien moet ik geduld leren oefenen, maar ik kan dit nog altijd niet, toch niet naar behoren.
De Orde telt reeds 60 leden, uit Vlaanderen en Nederland. Ik vind het nog altijd spijtig dat een verlichte geest, zoals jij beweert er een te zijn, geen deel uitmaakt van deze groep. Ik zou je toch aanraden nog eens de principeverklaring te lezen. Als je niet kickt op de rituelen, mij geen zorg, laat het over je heengaan, doe je zinnetje en je willetje, dat is toegestaan in onze online ridderorde, hoor. Wij zijn geen kerk, ook geen nieuwe kapel, we zijn geen instituut, geen tastbare doctrine, geen fanatieke beweging, geen fundamentalisten, geen uiterst rechtse of uiterst linkse kwajongens.
Maar ja, je zit vol vooroordelen en voorbarigheden. Ik ken je goed, maar ik wil je als vriend behouden en bewaren tegen overmoed, onvoorzichtigheid, gedrevenheid en goedhartigheid.
Volgende week - of is het nog veertien dagen? - gaan wij naar Cochem, nog maar eens genieten van de Moezelwijn en de boottochtjes naar Koblenz en Trier. Meer moet dat niet zijn, meer kan het ook voorlopig niet zijn. We zijn fervente babysitters geworden, huismussen uit noodzaak.
Tot schrijven!
Thierry
Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans
Stichtingsdatum: 1 februari 2007
"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"
"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.
Stichtingsdatum: 1 februari 2007
"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"
"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.
30 april 2008
Open Podium in Bibliotheek Nieuwegein (N)
En weer is er een Open Podium in Bibliotheek Nieuwegein, gehouden door de stichting BeeldSpraak. Dinsdag 13 mei a.s ontmoet literair en muzikaal talent elkaar in informele sfeer.
De volgende namen staat op het programma:
Quintus Thies, Jordie van den Berg, Hans van den Heuvel, Sytze Schalk, Eric van Loo, Marleen van Geffen, Karel Kortland (Charles Langeveld), Mart Brok, op gitaar begeleid door Harm Bos en Torres en Ivan van den Helder.
Tijdens het Open Podium wordt het aanwezige publiek betrokken. Eenmaal meegesleept, kunnen compleet nieuwe dingen ontstaan. Combinaties van muziek, publiek en dichters halen dit naar boven. Wie weet draag je zelf een mooi gedicht van jezelf voor, of doe je inspiratie op voor nieuwe poëzie.
Nieuwegein ligt centraal ten opzichte van de wereld, de bibliotheek slechts enkele passen van het openbaar vervoer en de parkeerplaats. Daarom: kom langs in de bibliotheek. We kijken er naar uit jou te ontmoeten. De toegang is gratis. Aanvang is 20.00 uur.
De Centrale Bibliotheek is gevestigd aan de Zadelstede 1-10 in Nieuwegein.
OpSpraak Open Podium
Jet van Swieten
Website http://www.opspraak.net
E-mail info@swieten.nl
Weblog http://www.klaverbladouderijn.
web-log.nl
De volgende namen staat op het programma:
Quintus Thies, Jordie van den Berg, Hans van den Heuvel, Sytze Schalk, Eric van Loo, Marleen van Geffen, Karel Kortland (Charles Langeveld), Mart Brok, op gitaar begeleid door Harm Bos en Torres en Ivan van den Helder.
Tijdens het Open Podium wordt het aanwezige publiek betrokken. Eenmaal meegesleept, kunnen compleet nieuwe dingen ontstaan. Combinaties van muziek, publiek en dichters halen dit naar boven. Wie weet draag je zelf een mooi gedicht van jezelf voor, of doe je inspiratie op voor nieuwe poëzie.
Nieuwegein ligt centraal ten opzichte van de wereld, de bibliotheek slechts enkele passen van het openbaar vervoer en de parkeerplaats. Daarom: kom langs in de bibliotheek. We kijken er naar uit jou te ontmoeten. De toegang is gratis. Aanvang is 20.00 uur.
De Centrale Bibliotheek is gevestigd aan de Zadelstede 1-10 in Nieuwegein.
OpSpraak Open Podium
Jet van Swieten
Website http://www.opspraak.net
E-mail info@swieten.nl
Weblog http://www.klaverbladouderijn.
web-log.nl
29 april 2008
Johan Soenen, "Een haard van verzet"
Vermeylenfonds
p/a algemeen secretariaat Vermeylenfonds
Tolhuislaan 88 – 9000 Gent
tel. 09 223 02 88
marie@vermeylenfonds.be – www.vermeylenfonds.be
vrijzinnig
socialistisch
Vlaams
Een haard van verzet
De moderne Turkse roman 1900 - 2000
Johan Soenen
De auteur Johan Soenen, het A. Vermeylenfonds
en Uitgeverij 3C nodigen u van harte uit op de
persvoorstelling van het boek
Een haard van verzet.
De moderne Turkse roman 1900 – 2000
Het boek wordt voorgesteld door Jan Van
Herreweghe, bibliothecaris van Harelbeke en
Dany Vandenbossche, Vlaams volksvertegenwoordiger.
Cem Duman vertelt iets over de doelstellingen
van zijn uitgeverij 3C en auteur Johan Soenen
praat over zijn liefde voor Turkse literatuur.
Receptie
achteraf. Deze bijzondere gebeurtenis
vindt plaats op zondag 18 mei 2008 van
14.30u tot 17u in de kelderzaal van het Intercultureel
Centrum De Centrale, Kraankinderstraat
2 te Gent.
achteraf. Deze bijzondere gebeurtenis
vindt plaats op zondag 18 mei 2008 van
14.30u tot 17u in de kelderzaal van het Intercultureel
Centrum De Centrale, Kraankinderstraat
2 te Gent.
Het geheel wordt omkaderd
met Turkse saz-muziek door Iskender Arici en
poëzie door Lüftiye Carnier.
met Turkse saz-muziek door Iskender Arici en
poëzie door Lüftiye Carnier.
Het boek is ter plaatse te koop en bij het A.
Vermeylenfonds (Tolhuislaan 88 te Gent, tel.
09/223 02 88, e-mail: marie@vermeylenfonds.
be) aan 18 euro (excl. verzendingskosten) en
bij de erkende boekhandel aan 20 euro.
Vermeylenfonds (Tolhuislaan 88 te Gent, tel.
09/223 02 88, e-mail: marie@vermeylenfonds.
be) aan 18 euro (excl. verzendingskosten) en
bij de erkende boekhandel aan 20 euro.
Het merendeel van de vooraanstaande Turkse
romans sinds 1923 zijn de weerspiegeling van
het ethisch verzet van de Turkse auteurs en intellectuelen
tegen o.m. militarisme, politiestaat,
dictatuur, foltering, genocide, vermenging van
godsdienst en staat en culturele achteruitstelling
van minderheidsgroepen.
Deze talrijke romans houden een pleidooi,
direct of indirect, voor democratie, emancipatie
van de vrouw en vrijheid van meningsuiting
in het algemeen. Daarenboven bevatten
vele romans van Turkse migrantenauteurs een
aanklacht tegen de manier waarop ze in de
gastlanden ontvangen worden. Veel van deze
romans werden naar het Nederlands vertaald.
Een lijst hiervan is in annex van het boek
opgenomen.
romans sinds 1923 zijn de weerspiegeling van
het ethisch verzet van de Turkse auteurs en intellectuelen
tegen o.m. militarisme, politiestaat,
dictatuur, foltering, genocide, vermenging van
godsdienst en staat en culturele achteruitstelling
van minderheidsgroepen.
Deze talrijke romans houden een pleidooi,
direct of indirect, voor democratie, emancipatie
van de vrouw en vrijheid van meningsuiting
in het algemeen. Daarenboven bevatten
vele romans van Turkse migrantenauteurs een
aanklacht tegen de manier waarop ze in de
gastlanden ontvangen worden. Veel van deze
romans werden naar het Nederlands vertaald.
Een lijst hiervan is in annex van het boek
opgenomen.
Auteur van het boek is Johan Soenen, doctor
in de Vergelijkende Literatuurwetenschap. Hij
wijdde reeds verscheidene lezingen en publicaties
aan Turkse literatuur.
in de Vergelijkende Literatuurwetenschap. Hij
wijdde reeds verscheidene lezingen en publicaties
aan Turkse literatuur.
25 april 2008
"Eindterm" (2002) - debuutroman Thierry Deleu - hoofdstuk 29-30
29
Sabine du Tertre heeft haar dagboek nagelaten. Haar dagelijkse belevenissen wisselen af met fragmenten van een zelfde verhaal.
De personages in die fictieve passages zijn zo uit Sabines leven gegrepen. De meeste scènes zijn zwaar aangedikte doorslagen van wat ze zelf heeft meegemaakt, van dialogen die ze zelf heeft gevoerd. Het aandeel van de realiteit in die fictie is zo groot, dat ze in het beschrijven van zeer onwaarschijnlijke dromen een paar keer de echte namen van bekende mensen heeft gebruikt.
Zo vertelt ze dat ze op een namiddag samen met de minister en Dekunst een bureaulandschap op de vijfde verdieping binnenging. Dit gebeurde al eens meer. Op vraag van de secretaris-generaal.
“Ik was getuige van belangenvermenging met statutaire consequenties.”
Sabine schreef niet waar het concreet om ging. Ging het om een droom? Of alludeerde zij op de inmenging van de minister bij het overtreden van de voorrangsregeling? Het maakt niets uit, maar zij gebruikt hier dus echte namen.
Het omgekeerde komt ook voor. Als ze opsomt wie haar op de dag van de dood van haar man is komen condoleren, sluipt De Spin, een fictief personage, plotseling de realiteit binnen.
De vier levens van Hélène is de titel die vaak terugkomt boven het fragment. Het is het verhaal van een vrouw die vier liefdes heeft: haar man en drie minnaars. Mon gelijkt in veel opzichten op Joris Dekunst. Is Mon De Spin? Dirk is duidelijk Peter Deforge. Maar wie is Piet? Die laatste komt pas in het verhaal voor als Sabine over Hélènes naaktportret spreekt.
Sabine vertelt in die tijd aan enkele vrienden dat haar relatie met Dekunst spaak is gelopen. Zij vindt hem ineens vervelend ouderwets. Ze mist bij hem romantiek. Zij is “zijn bezit” geworden en wat je bezit moet je niet meer najagen. Ook Mon vertoont toevallig deze trekken.
Over Mon schrijft ze in haar dagboek: “Misschien is onze relatie uniek. Misschien houdt hij zoveel van mij dat hij het niet kan uiten.”
Op woensdag 18 december 1991 schrijft zij: “De relatie tussen Mon en Hélène dooft uit. Hélène wil de relatie verbreken.”
Hélène voelt zich ongelukkig bij de gedachte dat zij zonder Mon verder moet leven en toch is zij ervan overtuigd dat ze zich dan vrijer zal voelen.
“Ik weet het: ik zal hem missen. Maar ik weet ook dat ik zonder hem kan leven, omdat ik dol ben op Dirk.”
Hélène boeit zich bovendien op omdat Mon haar steeds nadrukkelijker vraagt haar man te verlaten. “Hij is getrouwd met zijn werk en ik vraag hem toch ook niet om te scheiden.”
In De vier levens van Hélène verzint Hélène, het alter ego van Sabine, een goede reden om zich van Mon te ontdoen: “Ik kan het niet meer aan mij steeds te moeten schikken in die relatie. Nu eens is hij mijn baas en ik zijn medewerker, dan weer is hij mijn minnaar en ik zijn lief. Mon maakt nog weinig onderscheid: ook in onze liefdesrelatie speelt hij de baas. Morgen, na de briefing, zeg ik hem dat het uit is tussen ons.”
Maar zij kan het dan weer niet.
Vanaf september 1991 duikt De Spin op in het verhaal. Het is geen nieuw personage, hij wordt nergens naast of tegen Mon uitgespeeld. Mon komt na de introductie van De Spin nog maar één keer in het stuk voor: nadat Sabine du Tertre een relatie is begonnen met Peter Deforge, worstelt ook Hélène met het probleem van twee geliefden.
Het fictief verhaal dat Sabine ontwikkelt in haar dagboek krijgt een onrustwekkend en angstaanjagend verloop.
Zij schrijft: “De laatste tijd ga ik door een hel. Vorige vrijdag zei ik eindelijk tegen hem dat alles voorbij was. En sindsdien is de sfeer op het werk bijna onhoudbaar. Mon gedraagt zich de ene keer als een onmenselijk strenge baas en de andere keer komt hij grienen en janken als een hond.”
Twee dagen later wordt Mon opgenomen in het ziekenhuis. Hij heeft hoge koorts. Hij lijkt de pedalen kwijt te zijn.
“Hij is aan rust toe,” oordeelt de neuroloog.
Toch wil hij dat Hélène elke morgen aan zijn ziekbed verslag uitbrengt over de gang van zaken op het werk. Wanneer Hélène ziet dat hij beter wordt, zegt ze hem: “Zou je niet beter een vaste vriendin hebben die vrij is? Ik bezorg jou toch alleen maar last.”
Sabine schrijft: “Ik heb De Spin ook gezegd dat ik jong ben en veeleisend. Van de liefde wil ik de lusten, niet de lasten. Een man heb ik thuis.”
Dit stukje werd geschreven op zaterdag 15 maart 1992. In die periode werd Joris Dekunst kort in het ziekenhuis opgenomen wegens hartritmestoornissen.
Sabine kon geen twee mannen tegelijk beminnen. Zij wilde Joris geen pijn doen, maar zij wist ook dat dit onvermijdelijk zou zijn. Zij hield nog van hem, maar op een andere manier. En ze vond dat ze hem niet mocht voorliegen. Toen Dekunst zijn werk op Onderwijs hervatte, besloot Sabine dan ook hem over Peter te vertellen.
Bij Deforge vond Sabine de passies uit haar jeugd terug: literatuur, muziek, kunst. De tien vorige jaren was ze nauwelijks aan iets cultureels toegekomen, omdat ze altijd in de weer was voor haar carrière. Maar na enkele maanden met Peter kreeg ze de smaak opnieuw te pakken. Ze liet zich gaandeweg minder in beslag nemen door haar werk en trok steeds meer tijd uit voor zichzelf. Ze hield nog wel van haar job, maar ze bleef niet meer dralen na vergaderingen en recepties. Haar werk bleef ze echter graag doen. Dank zij Dekunst had ze zich kunnen omringen door bekwame medewerkers. Christof Dokmans verving haar tijdelijk als afdelingshoofd.
Sabine was van plan te werken tot haar vijfenvijftigste. Daarna zou ze zich toeleggen op het schrijven.
“Ik ga mijn leven vertellen in een boek.”
30
Sabine wilde niet breken met een traditie die haar overleden man had ingevoerd. Op zaterdag 16 augustus ’92 was Burghgraeveveld het decor van het tuinfeest van de vrijmetselaarsloges “Les Ours” en “Hedera Helix”. Peter Deforge ontving de gasten en leidde enkele dames rond in het huis. Toen ze in de slaapkamer annex studeerkamer van Sabine kwamen, nam hij de revolver uit de lade van het nachttafeltje en toonde hem aan de verbouwereerde dames.
“Dat is toch gevaarlijk met kinderen in huis,” zeiden ze. “Je zou dat beter op een veilige plaats wegsluiten.” Peter vertelde later het voorval aan Sabine. Ze liet de revolver echter in het nachttafeltje liggen.
In augustus gaat Sabine in Brussel uit eten met Thiéry De Haan die ze heeft leren kennen aan de universiteit. Ze doen dit ieder jaar. De Haan zorgt ervoor dat die goede gewoonte niet verloren gaat. Op die dag wordt er niet over onderwijs gepraat, maar uitsluitend over “les affaires du coeur”. De Haan is daar goed in, zo’n beetje het type Don Juan die van stamper tot stamper vlindert en zich nergens bindt.
De Haan heeft “On dirait le Sud” gekozen aan de Valkstraat. Met zijn sober en warm decor een plaats om onder vrienden te zijn. Een stek die Brassens zou verleiden tot een lied. Op de tafels tinten van zomers blauw, romantisch licht van kaarsen en kleurrijke boeketten. Hij weet het altijd te kiezen. Sabine vindt dat hij klasse heeft en bovendien een onuitputtelijk savoir-vivre.
“Bestel jij maar,” zegt ze, “jij kent de specialiteiten van het huis en je hebt een goede smaak.”
Meer heeft De Haan niet nodig om zich uit te sloven en haar welgevallig te zijn. Ze eten zalmmoot met een puree van olijven en een flan van aubergines en courgettes.
Sabine is die avond heel opgewekt. Ze zegt dat ze haar relatie met Dekunst aan het afbouwen is. Het valt haar zwaar om er definitief een punt achter te zetten, maar het zal er nu zeker van komen. Want ze is inmiddels goede maatjes geworden met iemand die op het kabinet Onderwijs werkt. Die relatie telt nu voor haar. Ze geeft toe. Ze is zelf een beetje verbaasd over de vlucht die deze verhouding heeft genomen. In het begin had ze er geen goed oog in. Ze had het gevoel dat haar nieuwe geliefde zich aan haar vastklampte, en dat kon ze niet hebben.
Maar de relatie had zich ontwikkeld. Hij bleek een gecultiveerd en gevoelig man te zijn die bovendien ook boeken schreef. Hij was lief, hij bood houvast.
Ze zegt: “Deze relatie heeft toekomst, de andere is uitzichtloos.”
Wanneer ze daaraan toevoegt dat haar nieuwe vriend eist dat ze exclusief van hem is en dat ze het daar mee eens is, weet De Haan niet wat hij hoort. Sabine die zich de wet laat voorschrijven! Ze is een ander mens geworden.
Hij vraagt haar: “Wie is die geluksvogel, Sabine?”
“Peter Deforge.”
“Peter Deforge,” herhaalt hij, “maar ik ken die. Heb je hem niet gezegd dat je met mij uit eten ging?”
Zij heeft het niet gedaan. Ze is het niet gewoon om alles te vertellen.
“Dat moet ik nog leren,” denkt ze.
De Haan en Deforge hebben aan dezelfde school gestudeerd.
Op zaterdag 13 september 1992 doen Sabine du Tertre en Peter Deforge samen boodschappen in Kortrijk. Er heerst een drukte van belang in de Korte Steenstraat en op de Grote Markt. Sabine is moe en nerveus, maar ze moet dringend een kopie van de sleutel van Burghgraeveveld laten maken voor Peter. Ze gaan een koffie drinken in “Capeau’s tea-room” en praten over hun toekomst.
Ineens vliegt ze uit: “Je moet verdragen wat er nog overblijft van mijn relatie met Dekunst! Je kunt niet zeggen dat ik me niet heb ingespannen!”
Deforge schrikt ervan. Maar Sabine komt tot bedaren. Haar furie ebt even snel weg als ze is opgekomen. Sabine weet dat ze onhebbelijk kan zijn als ze moe is. Dan zondert ze zich van iedereen af, om situaties als deze te voorkomen. Nu is het even uit de hand gelopen.
De vrijdag daarop verschijnen Sabine en Peter voor het eerst samen op een publieke activiteit. In een zaal naast de Kortrijkse stadsschouwburg wonen ze een toneelvoorstelling bij van de groep Antigone. Ze spelen Vrijdag van Hugo Claus.
Na de voorstelling gaan ze naar de receptie in café “Brasserie du Théâtre”, daar recht tegenover. Het krioelt er van bekenden en Sabine neemt ostentatief Peters arm.
@
Maandagnamiddag 22 september, kwart voor vijf, haalt Sabine du Tertre Dekunst uit een vergadering op de zevende verdieping. Ze spreekt een tiental minuten met hem. Niet lang daarna verlaat ze haar bureau. Ze neemt de lift, daalt af naar de parkeergarage en stapt in haar Alfa Romeo. Minder dan een uur later glijdt ze door de toegangspoort van Burghgraeveveld.
Kwart vóór zes. Ze is zelden zo vroeg thuis. Meestal is het tegen acht uur aan. Maar ze voelt zich niet lekker. Ze trekt de koelkast open, haalt er wat beleg uit en eet het met brood. Daarna trekt ze nog een karton yoghurt open. Warme maaltijden gebruikt ze 's middags, op Onderwijs. Of zoals het de laatste tijd wel meer gebeurt in “De Markies” bij de Sint-Michielskathedraal.
Na het eten schrijft Sabine in de agenda die ze voor haar huishoudster bijhoudt: “Dinsdag: met Peter, Ivo en Frank het benedenhuis inrichten. Woensdag: de onderlakens verschonen in de slaapkamer. Als je wat tijd hebt voor de schoenen en de handtassen: leather cream Wooly special voor de handtassen. Denk erom woensdag ook de was op te halen.”
Omstreeks halfzeven stuurt Joris Dekunst zijn metalic grijze BMW het erf van Burghgraeveveld op. Hij parkeert zijn wagen zo dicht mogelijk bij de ingang van het huis, stapt uit en loopt zichtbaar gehaast, star voor zich uit kijkend naar de deur. Hij belt aan. Hij wacht. Sabine is al naar boven, naar haar kamer getrokken. Zij komt openmaken. Hij gaat naar binnen.
Sabine du Tertre heeft een afspraak met Rogier Vanderweyden verzonnen om Peter Deforge weg te houden. Er is tijd om in te pakken voor Dworp. Er is tijd voor Joris Dekunst. Ze lopen de trap op, naar de slaapkamer van Sabine. De slaapkamer is ook haar werkkamer.
De kamer waar zij in de lente nog in haar dagboek schreef: “Ik zal Joris over Peter moeten vertellen. Ik wil Joris niet kwetsen. Ik hou nog steeds van hem en zal waarschijnlijk altijd van hem blijven houden, maar vanaf nu op een andere manier. Ik wil hem niet voorliegen.”
Reeds op woensdag 26 maart noteerde ze: “Ik wil Joris geen pijn doen, maar ik ben bang dat het niet anders kan. Ik geloof niet dat ik twee mannen op hetzelfde ogenblik kan liefhebben. Ik wil ook niet dat het zo zou zijn. Hoewel hij mij soms doet afzien, wil ik hem niet doen lijden.”
Sabine du Tertre en Joris Dekunst drinken een wodka. Ze praten over de kansen van Vanderweyden om de vakbonden te overtuigen de samenwerkingsverbanden te “slikken of te stikken”.
“Overtuigen? Overroepen!” zegt Dekunst.
Sabine is daar nauw bij betrokken. Het kabinet van de minister doet op alle mogelijke uren van de dag - en soms ‘s nachts - een beroep op haar om denkpistes te ontwikkelen en scenario’s uit te schrijven, prognoses te maken en grafieken op te stellen.
Sabine en Joris praten ook over de organisatie van haar leven.
Tussen halfacht en twintig voor acht komt Ivo Hennebert het hof opgefietst. Hij merkt de grijze BMW op.
Hij loopt bij zijn zoon Frank aan: “Wie is er?”
“Haar baas”.
Frank Hennebert bewoont met zijn jonge vrouw Roos het conciërgehuisje van Burghgraeveveld. Roos is ook de huishoudster van Sabine. Franks vader is gekomen om samen de paardenboxen schoon te maken. Burghgraeveveld telt nog twee appaloosa’s en een Arabische hengst. Maar Frank heeft het klusje al geklaard.
In de kamer boven toont Sabine du Tertre haar nieuwe juwelen. Sabine en Joris Dekunst delen dezelfde passie. Aan Dekunst had ze voor een maand nog gezegd dat ze enkele schetsen had gemaakt.
“Ik zal het geluk nu dichter bij huis zoeken. We moeten meer aandacht hebben voor eenvoudige dingen, Joris.”
Ze heeft plannen voor een tennisveld en een klein zwembad met stroming. Om tegen de stroom op te kunnen zwemmen.
“Maandag vandaag,” zegt Frank Hennebert tegen zijn vader. “Vreemd. Sedert Deforge hier woont, heb ik Dekunst hier ’s avonds niet meer gezien.”
En normaal gezien belt hij ook niet aan. Sabine staat hem op te wachten op het terras. Marcel, de chauffeur van Dekunst, was het gewend dat de baas ’s avonds al eens alleen uitreed.
Het is vijf voor acht als Ivo Hennebert zijn been over de fiets zwaait en weer wegrijdt.
@
Roos, de vrouw van Frank, komt uit het toilet. Ze blijft even voor het raam van de keukendeur staan. Twaalf meter tussen het conciërgehuis en het grote binnenhuis van mevrouw. De kamer van Sabine du Tertre kijkt uit op het huisje van de conciërge.
Een doffe klap. Roos hoort een doffe klap in de villa. Ze kijkt verbaasd op. De hond springt op en blijft onrustig rondlopen. De hond is altijd waakzaam. Er is nooit veel beweging op het erf.
Roos heeft nog werk. Ze begint haar koperen potten en pannen op te poetsen. Maar ze gebruikt de verkeerde producten en ze maakt de potten nog vuiler dan ze al waren. Ze morst op de koop toe wat van het spul op haar jurk.
Ze denkt: “Wat mag dat geluid geweest zijn?”
Ze wast onmiddellijk haar jurk, hangt die op het droogrek en trekt een andere aan. Dan gaat ze strijken.
Een kwartier, twintig minuten na de klap. Ineens gooit iemand de deur van de conciërgewoning open. Roos schrikt op. Het is Joris Dekunst.
Hij zegt verward: “Er is iets gebeurd met madame, met een kogel. Bel de 100 en een dokter.”
Ivo Hennebert zit thuis TV te kijken, als de telefoon gaat. Frank is aan de lijn.
“Er is iets gebeurd met madame, met een kogel.”
Hij gebruikt de woorden van Joris Dekunst.
“Bel als de bliksem de dokter op,” roept Ivo.
Frank heeft het nummer niet bij de hand. Terwijl Roos het nummer zoekt, zegt Frank ineens: “Ze zal zeker al dood zijn.”
“Maar Frank toch!”
Frank haakt in en draait het nummer van de dokter. Ivo trekt zijn jas aan, rent naar buiten en springt op zijn fiets. Als hij de Doorniksesteenweg aan de Kattenberg oversteekt, ziet hij ze al komen: de MUG, een ziekenwagen en vlak daarachter de dokter. Hij laat ze voorrijden. De inrijpoort - een stenen boog, een ijzeren hek - is een probleem voor de grote reanimatiewagen. Hij komt er moeizaam doorheen.
Als Ivo Hennebert in de kamer komt, begint net de reanimatie. Sabine ligt naast het bed op de vloer, maar ze heeft duidelijk op het bed gelegen. Ze hebben haar blouse losgemaakt en uitgedaan. Ze draagt nog de donkergrijze pantalon waarmee ze 's morgens naar haar werk is vertrokken. Ze heeft zich niet omgekleed. De dokter zit er aan één kant op z'n knieën bij. Ivo Hennebert gaat aan de andere kant zitten. Dekunst bevindt zich ook in de kamer. Hij is redelijk kalm.
Er verschijnt een grafiek op het scherm van de monitor: eerst pieken en dalen, dan een min of meer stabiele horizontale lijn. De dokter schuift een ooglid open. De pupil staat wijd open, het oog is naar boven gericht.
Hartmassage. De eerste elektrische impuls. Het lichaam krijgt een hevige schok, de romp wordt even van de vloer getild. Daarop neemt Joris Dekunst zijn hoofd in zijn handen en prevelt onverstaanbare woorden. Hij lijkt wel hysterisch.
Sabine du Tertre is dood. De revolver ligt boven op de radiator van de verwarming.
Dekunst verlaat de kamer en loopt naar de trap. Ivo Hennebert merkt hoe hij trilt op zijn benen. Hij neemt hem bij de arm. Ze lopen samen de trap af. Dekunst kijkt hem aan.
“Ik heb mijn beste vriendin gedood.”
Hennebert kijkt hem op zijn beurt in de ogen. Vragend. Verbaasd.
“‘t Was een ongeluk”.
Ivo Hennebert gaat er niet op in, hoewel hij die woorden goed heeft verstaan. In de woonkamer gaan ze aan de tafel zitten.
“Waarom kon Dekunst daarstraks geen buitenlijn krijgen? Waarom moest hij eerst naar de conciërgerie lopen? Hij kwam hier zo vaak. Er staan twee telefoontoestellen in het huis. Eén in de kamer van Sabine.”
Een rijkswachter komt binnen en vraagt: “Waar is de betrokkene?”
Hennebert wijst naar Dekunst. De rijkswachter stelt hem enkele vragen volgens het boekje.
Er heerst een drukte van belang in de villa en in het conciërgehuis. Overal opgewonden mensen. Rumoer. Familie en vrienden worden telefonisch op de hoogte gebracht, maar niemand denkt eraan om Peter Deforge op te bellen.
“Peter,” schreeuwt Roos ineens, “we moeten meneer Deforge opbellen.”
Maar niemand weet waar hij uithangt. Rijkswachters lopen af en aan. Het parket is gearriveerd in de persoon van onderzoeksrechter Alain Mirbeau.
Later op de avond, omstreeks elf uur, in het conciërgehuis polst iemand naar de eerste bevindingen van wapendeskundige Yves Paelinck.
“Mogelijk een ongeval,” zegt hij.
Sabine du Tertre heeft haar dagboek nagelaten. Haar dagelijkse belevenissen wisselen af met fragmenten van een zelfde verhaal.
De personages in die fictieve passages zijn zo uit Sabines leven gegrepen. De meeste scènes zijn zwaar aangedikte doorslagen van wat ze zelf heeft meegemaakt, van dialogen die ze zelf heeft gevoerd. Het aandeel van de realiteit in die fictie is zo groot, dat ze in het beschrijven van zeer onwaarschijnlijke dromen een paar keer de echte namen van bekende mensen heeft gebruikt.
Zo vertelt ze dat ze op een namiddag samen met de minister en Dekunst een bureaulandschap op de vijfde verdieping binnenging. Dit gebeurde al eens meer. Op vraag van de secretaris-generaal.
“Ik was getuige van belangenvermenging met statutaire consequenties.”
Sabine schreef niet waar het concreet om ging. Ging het om een droom? Of alludeerde zij op de inmenging van de minister bij het overtreden van de voorrangsregeling? Het maakt niets uit, maar zij gebruikt hier dus echte namen.
Het omgekeerde komt ook voor. Als ze opsomt wie haar op de dag van de dood van haar man is komen condoleren, sluipt De Spin, een fictief personage, plotseling de realiteit binnen.
De vier levens van Hélène is de titel die vaak terugkomt boven het fragment. Het is het verhaal van een vrouw die vier liefdes heeft: haar man en drie minnaars. Mon gelijkt in veel opzichten op Joris Dekunst. Is Mon De Spin? Dirk is duidelijk Peter Deforge. Maar wie is Piet? Die laatste komt pas in het verhaal voor als Sabine over Hélènes naaktportret spreekt.
Sabine vertelt in die tijd aan enkele vrienden dat haar relatie met Dekunst spaak is gelopen. Zij vindt hem ineens vervelend ouderwets. Ze mist bij hem romantiek. Zij is “zijn bezit” geworden en wat je bezit moet je niet meer najagen. Ook Mon vertoont toevallig deze trekken.
Over Mon schrijft ze in haar dagboek: “Misschien is onze relatie uniek. Misschien houdt hij zoveel van mij dat hij het niet kan uiten.”
Op woensdag 18 december 1991 schrijft zij: “De relatie tussen Mon en Hélène dooft uit. Hélène wil de relatie verbreken.”
Hélène voelt zich ongelukkig bij de gedachte dat zij zonder Mon verder moet leven en toch is zij ervan overtuigd dat ze zich dan vrijer zal voelen.
“Ik weet het: ik zal hem missen. Maar ik weet ook dat ik zonder hem kan leven, omdat ik dol ben op Dirk.”
Hélène boeit zich bovendien op omdat Mon haar steeds nadrukkelijker vraagt haar man te verlaten. “Hij is getrouwd met zijn werk en ik vraag hem toch ook niet om te scheiden.”
In De vier levens van Hélène verzint Hélène, het alter ego van Sabine, een goede reden om zich van Mon te ontdoen: “Ik kan het niet meer aan mij steeds te moeten schikken in die relatie. Nu eens is hij mijn baas en ik zijn medewerker, dan weer is hij mijn minnaar en ik zijn lief. Mon maakt nog weinig onderscheid: ook in onze liefdesrelatie speelt hij de baas. Morgen, na de briefing, zeg ik hem dat het uit is tussen ons.”
Maar zij kan het dan weer niet.
Vanaf september 1991 duikt De Spin op in het verhaal. Het is geen nieuw personage, hij wordt nergens naast of tegen Mon uitgespeeld. Mon komt na de introductie van De Spin nog maar één keer in het stuk voor: nadat Sabine du Tertre een relatie is begonnen met Peter Deforge, worstelt ook Hélène met het probleem van twee geliefden.
Het fictief verhaal dat Sabine ontwikkelt in haar dagboek krijgt een onrustwekkend en angstaanjagend verloop.
Zij schrijft: “De laatste tijd ga ik door een hel. Vorige vrijdag zei ik eindelijk tegen hem dat alles voorbij was. En sindsdien is de sfeer op het werk bijna onhoudbaar. Mon gedraagt zich de ene keer als een onmenselijk strenge baas en de andere keer komt hij grienen en janken als een hond.”
Twee dagen later wordt Mon opgenomen in het ziekenhuis. Hij heeft hoge koorts. Hij lijkt de pedalen kwijt te zijn.
“Hij is aan rust toe,” oordeelt de neuroloog.
Toch wil hij dat Hélène elke morgen aan zijn ziekbed verslag uitbrengt over de gang van zaken op het werk. Wanneer Hélène ziet dat hij beter wordt, zegt ze hem: “Zou je niet beter een vaste vriendin hebben die vrij is? Ik bezorg jou toch alleen maar last.”
Sabine schrijft: “Ik heb De Spin ook gezegd dat ik jong ben en veeleisend. Van de liefde wil ik de lusten, niet de lasten. Een man heb ik thuis.”
Dit stukje werd geschreven op zaterdag 15 maart 1992. In die periode werd Joris Dekunst kort in het ziekenhuis opgenomen wegens hartritmestoornissen.
Sabine kon geen twee mannen tegelijk beminnen. Zij wilde Joris geen pijn doen, maar zij wist ook dat dit onvermijdelijk zou zijn. Zij hield nog van hem, maar op een andere manier. En ze vond dat ze hem niet mocht voorliegen. Toen Dekunst zijn werk op Onderwijs hervatte, besloot Sabine dan ook hem over Peter te vertellen.
Bij Deforge vond Sabine de passies uit haar jeugd terug: literatuur, muziek, kunst. De tien vorige jaren was ze nauwelijks aan iets cultureels toegekomen, omdat ze altijd in de weer was voor haar carrière. Maar na enkele maanden met Peter kreeg ze de smaak opnieuw te pakken. Ze liet zich gaandeweg minder in beslag nemen door haar werk en trok steeds meer tijd uit voor zichzelf. Ze hield nog wel van haar job, maar ze bleef niet meer dralen na vergaderingen en recepties. Haar werk bleef ze echter graag doen. Dank zij Dekunst had ze zich kunnen omringen door bekwame medewerkers. Christof Dokmans verving haar tijdelijk als afdelingshoofd.
Sabine was van plan te werken tot haar vijfenvijftigste. Daarna zou ze zich toeleggen op het schrijven.
“Ik ga mijn leven vertellen in een boek.”
30
Sabine wilde niet breken met een traditie die haar overleden man had ingevoerd. Op zaterdag 16 augustus ’92 was Burghgraeveveld het decor van het tuinfeest van de vrijmetselaarsloges “Les Ours” en “Hedera Helix”. Peter Deforge ontving de gasten en leidde enkele dames rond in het huis. Toen ze in de slaapkamer annex studeerkamer van Sabine kwamen, nam hij de revolver uit de lade van het nachttafeltje en toonde hem aan de verbouwereerde dames.
“Dat is toch gevaarlijk met kinderen in huis,” zeiden ze. “Je zou dat beter op een veilige plaats wegsluiten.” Peter vertelde later het voorval aan Sabine. Ze liet de revolver echter in het nachttafeltje liggen.
In augustus gaat Sabine in Brussel uit eten met Thiéry De Haan die ze heeft leren kennen aan de universiteit. Ze doen dit ieder jaar. De Haan zorgt ervoor dat die goede gewoonte niet verloren gaat. Op die dag wordt er niet over onderwijs gepraat, maar uitsluitend over “les affaires du coeur”. De Haan is daar goed in, zo’n beetje het type Don Juan die van stamper tot stamper vlindert en zich nergens bindt.
De Haan heeft “On dirait le Sud” gekozen aan de Valkstraat. Met zijn sober en warm decor een plaats om onder vrienden te zijn. Een stek die Brassens zou verleiden tot een lied. Op de tafels tinten van zomers blauw, romantisch licht van kaarsen en kleurrijke boeketten. Hij weet het altijd te kiezen. Sabine vindt dat hij klasse heeft en bovendien een onuitputtelijk savoir-vivre.
“Bestel jij maar,” zegt ze, “jij kent de specialiteiten van het huis en je hebt een goede smaak.”
Meer heeft De Haan niet nodig om zich uit te sloven en haar welgevallig te zijn. Ze eten zalmmoot met een puree van olijven en een flan van aubergines en courgettes.
Sabine is die avond heel opgewekt. Ze zegt dat ze haar relatie met Dekunst aan het afbouwen is. Het valt haar zwaar om er definitief een punt achter te zetten, maar het zal er nu zeker van komen. Want ze is inmiddels goede maatjes geworden met iemand die op het kabinet Onderwijs werkt. Die relatie telt nu voor haar. Ze geeft toe. Ze is zelf een beetje verbaasd over de vlucht die deze verhouding heeft genomen. In het begin had ze er geen goed oog in. Ze had het gevoel dat haar nieuwe geliefde zich aan haar vastklampte, en dat kon ze niet hebben.
Maar de relatie had zich ontwikkeld. Hij bleek een gecultiveerd en gevoelig man te zijn die bovendien ook boeken schreef. Hij was lief, hij bood houvast.
Ze zegt: “Deze relatie heeft toekomst, de andere is uitzichtloos.”
Wanneer ze daaraan toevoegt dat haar nieuwe vriend eist dat ze exclusief van hem is en dat ze het daar mee eens is, weet De Haan niet wat hij hoort. Sabine die zich de wet laat voorschrijven! Ze is een ander mens geworden.
Hij vraagt haar: “Wie is die geluksvogel, Sabine?”
“Peter Deforge.”
“Peter Deforge,” herhaalt hij, “maar ik ken die. Heb je hem niet gezegd dat je met mij uit eten ging?”
Zij heeft het niet gedaan. Ze is het niet gewoon om alles te vertellen.
“Dat moet ik nog leren,” denkt ze.
De Haan en Deforge hebben aan dezelfde school gestudeerd.
Op zaterdag 13 september 1992 doen Sabine du Tertre en Peter Deforge samen boodschappen in Kortrijk. Er heerst een drukte van belang in de Korte Steenstraat en op de Grote Markt. Sabine is moe en nerveus, maar ze moet dringend een kopie van de sleutel van Burghgraeveveld laten maken voor Peter. Ze gaan een koffie drinken in “Capeau’s tea-room” en praten over hun toekomst.
Ineens vliegt ze uit: “Je moet verdragen wat er nog overblijft van mijn relatie met Dekunst! Je kunt niet zeggen dat ik me niet heb ingespannen!”
Deforge schrikt ervan. Maar Sabine komt tot bedaren. Haar furie ebt even snel weg als ze is opgekomen. Sabine weet dat ze onhebbelijk kan zijn als ze moe is. Dan zondert ze zich van iedereen af, om situaties als deze te voorkomen. Nu is het even uit de hand gelopen.
De vrijdag daarop verschijnen Sabine en Peter voor het eerst samen op een publieke activiteit. In een zaal naast de Kortrijkse stadsschouwburg wonen ze een toneelvoorstelling bij van de groep Antigone. Ze spelen Vrijdag van Hugo Claus.
Na de voorstelling gaan ze naar de receptie in café “Brasserie du Théâtre”, daar recht tegenover. Het krioelt er van bekenden en Sabine neemt ostentatief Peters arm.
@
Maandagnamiddag 22 september, kwart voor vijf, haalt Sabine du Tertre Dekunst uit een vergadering op de zevende verdieping. Ze spreekt een tiental minuten met hem. Niet lang daarna verlaat ze haar bureau. Ze neemt de lift, daalt af naar de parkeergarage en stapt in haar Alfa Romeo. Minder dan een uur later glijdt ze door de toegangspoort van Burghgraeveveld.
Kwart vóór zes. Ze is zelden zo vroeg thuis. Meestal is het tegen acht uur aan. Maar ze voelt zich niet lekker. Ze trekt de koelkast open, haalt er wat beleg uit en eet het met brood. Daarna trekt ze nog een karton yoghurt open. Warme maaltijden gebruikt ze 's middags, op Onderwijs. Of zoals het de laatste tijd wel meer gebeurt in “De Markies” bij de Sint-Michielskathedraal.
Na het eten schrijft Sabine in de agenda die ze voor haar huishoudster bijhoudt: “Dinsdag: met Peter, Ivo en Frank het benedenhuis inrichten. Woensdag: de onderlakens verschonen in de slaapkamer. Als je wat tijd hebt voor de schoenen en de handtassen: leather cream Wooly special voor de handtassen. Denk erom woensdag ook de was op te halen.”
Omstreeks halfzeven stuurt Joris Dekunst zijn metalic grijze BMW het erf van Burghgraeveveld op. Hij parkeert zijn wagen zo dicht mogelijk bij de ingang van het huis, stapt uit en loopt zichtbaar gehaast, star voor zich uit kijkend naar de deur. Hij belt aan. Hij wacht. Sabine is al naar boven, naar haar kamer getrokken. Zij komt openmaken. Hij gaat naar binnen.
Sabine du Tertre heeft een afspraak met Rogier Vanderweyden verzonnen om Peter Deforge weg te houden. Er is tijd om in te pakken voor Dworp. Er is tijd voor Joris Dekunst. Ze lopen de trap op, naar de slaapkamer van Sabine. De slaapkamer is ook haar werkkamer.
De kamer waar zij in de lente nog in haar dagboek schreef: “Ik zal Joris over Peter moeten vertellen. Ik wil Joris niet kwetsen. Ik hou nog steeds van hem en zal waarschijnlijk altijd van hem blijven houden, maar vanaf nu op een andere manier. Ik wil hem niet voorliegen.”
Reeds op woensdag 26 maart noteerde ze: “Ik wil Joris geen pijn doen, maar ik ben bang dat het niet anders kan. Ik geloof niet dat ik twee mannen op hetzelfde ogenblik kan liefhebben. Ik wil ook niet dat het zo zou zijn. Hoewel hij mij soms doet afzien, wil ik hem niet doen lijden.”
Sabine du Tertre en Joris Dekunst drinken een wodka. Ze praten over de kansen van Vanderweyden om de vakbonden te overtuigen de samenwerkingsverbanden te “slikken of te stikken”.
“Overtuigen? Overroepen!” zegt Dekunst.
Sabine is daar nauw bij betrokken. Het kabinet van de minister doet op alle mogelijke uren van de dag - en soms ‘s nachts - een beroep op haar om denkpistes te ontwikkelen en scenario’s uit te schrijven, prognoses te maken en grafieken op te stellen.
Sabine en Joris praten ook over de organisatie van haar leven.
Tussen halfacht en twintig voor acht komt Ivo Hennebert het hof opgefietst. Hij merkt de grijze BMW op.
Hij loopt bij zijn zoon Frank aan: “Wie is er?”
“Haar baas”.
Frank Hennebert bewoont met zijn jonge vrouw Roos het conciërgehuisje van Burghgraeveveld. Roos is ook de huishoudster van Sabine. Franks vader is gekomen om samen de paardenboxen schoon te maken. Burghgraeveveld telt nog twee appaloosa’s en een Arabische hengst. Maar Frank heeft het klusje al geklaard.
In de kamer boven toont Sabine du Tertre haar nieuwe juwelen. Sabine en Joris Dekunst delen dezelfde passie. Aan Dekunst had ze voor een maand nog gezegd dat ze enkele schetsen had gemaakt.
“Ik zal het geluk nu dichter bij huis zoeken. We moeten meer aandacht hebben voor eenvoudige dingen, Joris.”
Ze heeft plannen voor een tennisveld en een klein zwembad met stroming. Om tegen de stroom op te kunnen zwemmen.
“Maandag vandaag,” zegt Frank Hennebert tegen zijn vader. “Vreemd. Sedert Deforge hier woont, heb ik Dekunst hier ’s avonds niet meer gezien.”
En normaal gezien belt hij ook niet aan. Sabine staat hem op te wachten op het terras. Marcel, de chauffeur van Dekunst, was het gewend dat de baas ’s avonds al eens alleen uitreed.
Het is vijf voor acht als Ivo Hennebert zijn been over de fiets zwaait en weer wegrijdt.
@
Roos, de vrouw van Frank, komt uit het toilet. Ze blijft even voor het raam van de keukendeur staan. Twaalf meter tussen het conciërgehuis en het grote binnenhuis van mevrouw. De kamer van Sabine du Tertre kijkt uit op het huisje van de conciërge.
Een doffe klap. Roos hoort een doffe klap in de villa. Ze kijkt verbaasd op. De hond springt op en blijft onrustig rondlopen. De hond is altijd waakzaam. Er is nooit veel beweging op het erf.
Roos heeft nog werk. Ze begint haar koperen potten en pannen op te poetsen. Maar ze gebruikt de verkeerde producten en ze maakt de potten nog vuiler dan ze al waren. Ze morst op de koop toe wat van het spul op haar jurk.
Ze denkt: “Wat mag dat geluid geweest zijn?”
Ze wast onmiddellijk haar jurk, hangt die op het droogrek en trekt een andere aan. Dan gaat ze strijken.
Een kwartier, twintig minuten na de klap. Ineens gooit iemand de deur van de conciërgewoning open. Roos schrikt op. Het is Joris Dekunst.
Hij zegt verward: “Er is iets gebeurd met madame, met een kogel. Bel de 100 en een dokter.”
Ivo Hennebert zit thuis TV te kijken, als de telefoon gaat. Frank is aan de lijn.
“Er is iets gebeurd met madame, met een kogel.”
Hij gebruikt de woorden van Joris Dekunst.
“Bel als de bliksem de dokter op,” roept Ivo.
Frank heeft het nummer niet bij de hand. Terwijl Roos het nummer zoekt, zegt Frank ineens: “Ze zal zeker al dood zijn.”
“Maar Frank toch!”
Frank haakt in en draait het nummer van de dokter. Ivo trekt zijn jas aan, rent naar buiten en springt op zijn fiets. Als hij de Doorniksesteenweg aan de Kattenberg oversteekt, ziet hij ze al komen: de MUG, een ziekenwagen en vlak daarachter de dokter. Hij laat ze voorrijden. De inrijpoort - een stenen boog, een ijzeren hek - is een probleem voor de grote reanimatiewagen. Hij komt er moeizaam doorheen.
Als Ivo Hennebert in de kamer komt, begint net de reanimatie. Sabine ligt naast het bed op de vloer, maar ze heeft duidelijk op het bed gelegen. Ze hebben haar blouse losgemaakt en uitgedaan. Ze draagt nog de donkergrijze pantalon waarmee ze 's morgens naar haar werk is vertrokken. Ze heeft zich niet omgekleed. De dokter zit er aan één kant op z'n knieën bij. Ivo Hennebert gaat aan de andere kant zitten. Dekunst bevindt zich ook in de kamer. Hij is redelijk kalm.
Er verschijnt een grafiek op het scherm van de monitor: eerst pieken en dalen, dan een min of meer stabiele horizontale lijn. De dokter schuift een ooglid open. De pupil staat wijd open, het oog is naar boven gericht.
Hartmassage. De eerste elektrische impuls. Het lichaam krijgt een hevige schok, de romp wordt even van de vloer getild. Daarop neemt Joris Dekunst zijn hoofd in zijn handen en prevelt onverstaanbare woorden. Hij lijkt wel hysterisch.
Sabine du Tertre is dood. De revolver ligt boven op de radiator van de verwarming.
Dekunst verlaat de kamer en loopt naar de trap. Ivo Hennebert merkt hoe hij trilt op zijn benen. Hij neemt hem bij de arm. Ze lopen samen de trap af. Dekunst kijkt hem aan.
“Ik heb mijn beste vriendin gedood.”
Hennebert kijkt hem op zijn beurt in de ogen. Vragend. Verbaasd.
“‘t Was een ongeluk”.
Ivo Hennebert gaat er niet op in, hoewel hij die woorden goed heeft verstaan. In de woonkamer gaan ze aan de tafel zitten.
“Waarom kon Dekunst daarstraks geen buitenlijn krijgen? Waarom moest hij eerst naar de conciërgerie lopen? Hij kwam hier zo vaak. Er staan twee telefoontoestellen in het huis. Eén in de kamer van Sabine.”
Een rijkswachter komt binnen en vraagt: “Waar is de betrokkene?”
Hennebert wijst naar Dekunst. De rijkswachter stelt hem enkele vragen volgens het boekje.
Er heerst een drukte van belang in de villa en in het conciërgehuis. Overal opgewonden mensen. Rumoer. Familie en vrienden worden telefonisch op de hoogte gebracht, maar niemand denkt eraan om Peter Deforge op te bellen.
“Peter,” schreeuwt Roos ineens, “we moeten meneer Deforge opbellen.”
Maar niemand weet waar hij uithangt. Rijkswachters lopen af en aan. Het parket is gearriveerd in de persoon van onderzoeksrechter Alain Mirbeau.
Later op de avond, omstreeks elf uur, in het conciërgehuis polst iemand naar de eerste bevindingen van wapendeskundige Yves Paelinck.
“Mogelijk een ongeval,” zegt hij.
17 april 2008
Poëzieroute van Oostduinkerke
Tentoonstelling
Van 5 april tot 26 oktober loopt in het Provinciaal Museum Emile Verhaeren, Emile Verhaerenstraat, 71 te 2890 Sint-Amands de tentoonstelling:
Zij-aanzicht, fascinerende vrouwen rond Verhaeren
Voor deze zomertentoonstelling en de begeleidende catalogus, vertaalde Christina Guirlande, in opdracht van het Provinciaal Museum Emile Verhaeren 23 nooit eerder naar het Nederlands vertaalde gedichten over dit thema uit het zijn werk.
Poëzieroute van Oostduinkerke
Het gedicht "De wals", uit de dichtbundel De Herders van Arcadia van Christina Guirlande werd op de Poëzieroute van Oostduinkerke geplaatst!
P.S.
Het internationaal dichtersgenootschap "De 50 Meesterdichters van de Lage Landen bij de zee" verwondert er zich over dat haar voorzitter en Oostduinkerkenaar, Thierry Deleu, niet werd aangezocht om deel te nemen aan de route.
Van 5 april tot 26 oktober loopt in het Provinciaal Museum Emile Verhaeren, Emile Verhaerenstraat, 71 te 2890 Sint-Amands de tentoonstelling:
Zij-aanzicht, fascinerende vrouwen rond Verhaeren
Voor deze zomertentoonstelling en de begeleidende catalogus, vertaalde Christina Guirlande, in opdracht van het Provinciaal Museum Emile Verhaeren 23 nooit eerder naar het Nederlands vertaalde gedichten over dit thema uit het zijn werk.
Poëzieroute van Oostduinkerke
Het gedicht "De wals", uit de dichtbundel De Herders van Arcadia van Christina Guirlande werd op de Poëzieroute van Oostduinkerke geplaatst!
P.S.
Het internationaal dichtersgenootschap "De 50 Meesterdichters van de Lage Landen bij de zee" verwondert er zich over dat haar voorzitter en Oostduinkerkenaar, Thierry Deleu, niet werd aangezocht om deel te nemen aan de route.
Kunstgalerij Mens & Natuur nodigt uit...
Kunstgalerij Mens & Natuur
Maenhoutstraat 75a - 9830 Sint-Martens-Latem
nodigt u van harte uit
vrijdag 18 april om 20 uur
lezing met beeldmateriaal door Marcel De Cleene over
De stille kracht van rituele planten
Restanten van het oude natuurgeloof leven op één of andere manier nog verder in onze moderne wereld, maar men beseft het niet altijd omdat ze zo verweven zijn met het dagelijkse leven, dat hun aanwezigheid als vanzelfsprekend overkomt. Men stelt zich inderdaad geen vragen als men kapelletjesbomen en dorpslinden tegenkomt, rijst gooit naar pasgehuwde koppels, (schijn)cipressen, thuya’s of chrysanten aanplant op kerkhoven, gewijde palmtakjes in huis brengt als bescherming, in oude herenhuizen luchters ziet hangen aan plaasteren rozenkransen, of als men uitdrukkingen hoort als: “op zijn/haar lauweren rusten”, “over rozen gaan”, “slapen als een roos”, “voor iemand een boontje hebben”, “van de mare bereden zijn”... Waarom hebben klavertjesvieren de reputatie geluk te brengen? Waar komt de "kerststronk" vandaan? Waarom “houdt men hout vast” of “klopt men af” op hout, uit schrik te worden afgestraft voor (al te stoutmoedige) beweringen die men ervoor gedaan heeft? Waarom is de rode roos het embleem van alle socialistische partijen in Europa?
Deze met dia’s rijkelijk geïllustreerde voordracht beoogt meer aandacht te schenken aan de symbolische rijkdom van ons rijke Europese religieuze en culturele verleden, en meer in het bijzonder aan de belangrijke rol die het plantenrijk hierin speelde.
Marcel De Cleene, bioloog en etnobotanist, is ereprofessor UGent (doceerde o.a. volkskunde en was wetenschapsvoorlichter van de universiteit). Hij schreef verschillende boeken over planten (o.a. over giftige / risicoplanten, eetbare bloemen) en samen met Marie Claire Lejeune het magistrale referentiewerk Compendium van Rituele Planten in Europa dat ook in het Engels is vertaald.
Toegang: 5.00 euro.
Kunstgalerij Mens & Natuur
nodigt U ook van harte uit tot een bezoek aan de
TENTOONSTELLING
(15 maart – 27 april 2008)
Bedreigde natuur – Endangered nature
door GEORGE HEZEMANS
Kunstenaar George Hezemans uit Tilburg (°1950 Bergen-op-Zoom) heeft een geheel eigen stijl ontwikkeld en verwerkt ongebruikelijke materialen in zijn schilderijen. Hij schildert zowel mensen (koppen) in existentiële situaties (bijvoorbeeld een serie vluchtelingen), als landschappen - werk waar hij in deze tentoonstelling bijzonder aandacht aan besteedt.
De natuur in zijn schilderijen zindert, laat als ’t ware haar vormen los in een nevel van trillende componenten (zoals tarmac door een snikhete zon tot een fata morgana kan verdampen). Doorheen die zindering sluipt ook het gevoel van dreigend teloorgaan van de natuur. George Hezemans is daar bijzonder door geraakt, want hij maakte van nabij het oprukken van de stad in de natuur mee. Zijn bekommernis vibreert voelbaar mee in zijn natuurbeleving. De magie van de natuur vernevelt tot een onvatbare maar sterke stille aanwezigheid, soms bijna tot een abstract vergeestelijken van de natuur.
Zondag 20 april is de kunstenaar aanwezig van 14.30 tot 17 uur
Openingsuren Galerie:
donderdag-, vrijdag-, zaterdag- en zondagnamiddag
14:00 t.e.m. 18:00 uur en op afspraak
www.mens-en-natuur.com - www.man-and-nature.com
In de Galerie permanent werk van:
Miejef Callaert, van Chapman, Isolda Hermes da Fonseca, Hilde Geelen,
Myriam Vandenberghe
Organisatie: Arnold Eloy, Maenhoutstraat 75a, 9830 Sint-Martens-Latem
Tel. 0496-80.57.99 - E-mail: arnold.eloy@skynet.be
Maenhoutstraat 75a - 9830 Sint-Martens-Latem
nodigt u van harte uit
vrijdag 18 april om 20 uur
lezing met beeldmateriaal door Marcel De Cleene over
De stille kracht van rituele planten
Restanten van het oude natuurgeloof leven op één of andere manier nog verder in onze moderne wereld, maar men beseft het niet altijd omdat ze zo verweven zijn met het dagelijkse leven, dat hun aanwezigheid als vanzelfsprekend overkomt. Men stelt zich inderdaad geen vragen als men kapelletjesbomen en dorpslinden tegenkomt, rijst gooit naar pasgehuwde koppels, (schijn)cipressen, thuya’s of chrysanten aanplant op kerkhoven, gewijde palmtakjes in huis brengt als bescherming, in oude herenhuizen luchters ziet hangen aan plaasteren rozenkransen, of als men uitdrukkingen hoort als: “op zijn/haar lauweren rusten”, “over rozen gaan”, “slapen als een roos”, “voor iemand een boontje hebben”, “van de mare bereden zijn”... Waarom hebben klavertjesvieren de reputatie geluk te brengen? Waar komt de "kerststronk" vandaan? Waarom “houdt men hout vast” of “klopt men af” op hout, uit schrik te worden afgestraft voor (al te stoutmoedige) beweringen die men ervoor gedaan heeft? Waarom is de rode roos het embleem van alle socialistische partijen in Europa?
Deze met dia’s rijkelijk geïllustreerde voordracht beoogt meer aandacht te schenken aan de symbolische rijkdom van ons rijke Europese religieuze en culturele verleden, en meer in het bijzonder aan de belangrijke rol die het plantenrijk hierin speelde.
Marcel De Cleene, bioloog en etnobotanist, is ereprofessor UGent (doceerde o.a. volkskunde en was wetenschapsvoorlichter van de universiteit). Hij schreef verschillende boeken over planten (o.a. over giftige / risicoplanten, eetbare bloemen) en samen met Marie Claire Lejeune het magistrale referentiewerk Compendium van Rituele Planten in Europa dat ook in het Engels is vertaald.
Toegang: 5.00 euro.
Kunstgalerij Mens & Natuur
nodigt U ook van harte uit tot een bezoek aan de
TENTOONSTELLING
(15 maart – 27 april 2008)
Bedreigde natuur – Endangered nature
door GEORGE HEZEMANS
Kunstenaar George Hezemans uit Tilburg (°1950 Bergen-op-Zoom) heeft een geheel eigen stijl ontwikkeld en verwerkt ongebruikelijke materialen in zijn schilderijen. Hij schildert zowel mensen (koppen) in existentiële situaties (bijvoorbeeld een serie vluchtelingen), als landschappen - werk waar hij in deze tentoonstelling bijzonder aandacht aan besteedt.
De natuur in zijn schilderijen zindert, laat als ’t ware haar vormen los in een nevel van trillende componenten (zoals tarmac door een snikhete zon tot een fata morgana kan verdampen). Doorheen die zindering sluipt ook het gevoel van dreigend teloorgaan van de natuur. George Hezemans is daar bijzonder door geraakt, want hij maakte van nabij het oprukken van de stad in de natuur mee. Zijn bekommernis vibreert voelbaar mee in zijn natuurbeleving. De magie van de natuur vernevelt tot een onvatbare maar sterke stille aanwezigheid, soms bijna tot een abstract vergeestelijken van de natuur.
Zondag 20 april is de kunstenaar aanwezig van 14.30 tot 17 uur
Openingsuren Galerie:
donderdag-, vrijdag-, zaterdag- en zondagnamiddag
14:00 t.e.m. 18:00 uur en op afspraak
www.mens-en-natuur.com - www.man-and-nature.com
In de Galerie permanent werk van:
Miejef Callaert, van Chapman, Isolda Hermes da Fonseca, Hilde Geelen,
Myriam Vandenberghe
Organisatie: Arnold Eloy, Maenhoutstraat 75a, 9830 Sint-Martens-Latem
Tel. 0496-80.57.99 - E-mail: arnold.eloy@skynet.be
Geschikt indien getikt! - 12
RESPECT!
Een nieuwe wetenschap van de politiek
Respect voor jezelf wensen betekent dat je ook de ander respecteert! Dit is pure logica en toch zijn er zoveel mensen die dit niet (willen) begrijpen. Cultuur is dynamisch en wie met zijn tijd mee wil, moet zich voortdurend heroriënteren en heraanpassen. Wat wil ik hiermee zeggen? Simpel: wie niet bereid is om te evolueren, stelt zich nooit vragen en blijft op zijn standpunt. Stilstand is achteruitgang!
Het scheppingsverhaal vormt de basis van de Bijbel. Het (natuur)wetenschappelijke denken vormt de basis voor de rest van de wetenschap. Het idee van hoe de wereld tot stand kwam en in elkaar zit, is bepalend voor de culturele bovenbouw. Aan het scheppingsverhaal heb ik - als intellectueel van vandaag - geen boodschap.
Velen hebben schrik voor verandering of zijn “gehecht” aan de vertrouwde verklaringen. Deze twee categorieën zijn niet zo interessant, soms wel gevaarlijk wanneer zij fundamentalistische trekjes vertonen. Zonder opwaarderen, zonder aanpassing aan plaats, cultuur, persoon en tijd geraakt men de weg kwijt of verbijsterd in gehechtheid. Het resultaat is voorspelbaar: geen tolerantie, theologische verdeeldheid over een levende persoonlijke God, geen eenheid in verscheidenheid, wel fundamentalisme, heerszucht, minachting voor de ander.
Boeiend zijn alle groepen van mensen die er tussenin liggen.
Opvallend is dat deze boeiende categorieën van mensen minder (of geen) vriendjespolitiek kennen (nepotisme), niet (of bijna) nooit vervallen in een foute combinatie van verbondenheid, rijkdom en democratie (oligarchie).
Ik hoor bij een tussencategorie van mensen die geen behoefte heeft aan een kapitalistische dictatuur. Ik hou niet van een foute samengaan van kapitalisme en filosofie enerzijds en van een fout idee van politieke macht anderzijds.
Zij die dit aankleven zijn niet alleen zelfgenoegzaam en daardoor ook geneigd om minderheden te verdrukken en geweld aan te doen, maar de rest van de wereld ook onrechtvaardig te behandelen op basis van hun foute denken.
Ik pleit voor een nieuwe wetenschap van de politiek. Op deze wijze kunnen wij een nieuwe wereld creëren. Mensen moeten worden heropgevoed. Door filosofen, door leerkrachten die filosofisch zijn ingesteld en geschoold, door geestelijke leraars. Dit zijn heel andere typen leraars dan theologen, veeleer psychologen/psychotherapeuten die de studenten verlichting in filosofische zelfverwerkelijking bijbrengen. De wedijver die door de leraars van inwijding en instructie wordt onderwezen, moet worden omgebogen in respect door de leraars die (persoonlijke) beleving en introspectie bijbrengen.
Geloof en ongeloof zijn verouderde begrippen. Religie, hypocrisie, ethiek, relatie zijn de nieuwe deugden en ondeugden. Geloof is enkel nog reëel in seksgeloof en geldgeloof. Wie zich niet aanpast aan deze nieuwe werkelijkheid, wordt depressief en een depressieve mens is in drievoud gestoord in de tijd: het verleden ziet zwart, de toekomst is onzichtbaar en het heden is onaangenaam.
Wetenschappelijke verklaringen - hoe juist die ook kunnen zijn - ontsnappen niet aan deze nieuwe werkelijkheid. De tijd is niet absoluut in de snelheid van veranderen met het licht, maar de tijd is wel absoluut in de kwaliteit van het veranderen zelf. Alles is in beweging. Het heeft geen zin ons te hechten aan een theorie in weerwil van die verandering, in weerwil van het absolute gezag van de tijd. Dit betekent dat God - zoals die werd geopenbaard - dood is en dat de gemiddelde, mechanische tijd hopeloos is verouderd. Dat wil bovendien zeggen dat wie het geloof bestrijdt met bijtende spot en cynisme, zich niet kan losmaken van dit geloof. Dat wil bovendien zeggen dat wie zich in zijn geloof consolideert, sociopathisch reageert, als een stekelige cactus.
In mijn essay Schoon volk in de hemel dat verschijnt in het najaar van 2010, na zes jaar onderzoek en literatuur, houd ik niet langer de schijn op van gezag, vooruitgang en beschaving. Ik maak mij los uit mijn “persoonlijk, intellectueel en sociaal failliet” om een nieuw pad te bewandelen. De weg van de kennis, de analyse, de discipline, het respect. Het mag duidelijk zijn dat je met een egobehoefte, met economisch/juridische argumenten, met een conservatieve ethiek, met begrip voor zwakte de wereld niet zult verbeteren. Bouwen aan de Tempel van de Mensheid is “drie-wervig” (drie werven): een omslag in ons denken en handelen vanuit substantieel onderzoek, wetenschappelijke nuchterheid en principiële spiritualiteit.
Zij die de Opperbouwmeester van het Heelal vrezen en zij die Hem afvallen zullen nooit uit hun narcofiele en angst-neurotische obsessieve depressie en cynisme geraken. Laten wij bouwen aan een wereld waarin een rationeel/democratisch evenwicht heerst tussen het menslievende verlicht humanisme en het materieel gemotiveerde, traditioneel moralistisch/pragmatisme. Theologie en wetenschap zijn niet persoonlijk genoeg. Het is - voor mij - duidelijk dat wij, van de wetenschap via de spiritualiteit en de religie van persoonlijke bekentenissen en bekeringen, moeten evolueren tot een samenleving die deze planeet bij elkaar houdt.
Joris
Een nieuwe wetenschap van de politiek
Respect voor jezelf wensen betekent dat je ook de ander respecteert! Dit is pure logica en toch zijn er zoveel mensen die dit niet (willen) begrijpen. Cultuur is dynamisch en wie met zijn tijd mee wil, moet zich voortdurend heroriënteren en heraanpassen. Wat wil ik hiermee zeggen? Simpel: wie niet bereid is om te evolueren, stelt zich nooit vragen en blijft op zijn standpunt. Stilstand is achteruitgang!
Het scheppingsverhaal vormt de basis van de Bijbel. Het (natuur)wetenschappelijke denken vormt de basis voor de rest van de wetenschap. Het idee van hoe de wereld tot stand kwam en in elkaar zit, is bepalend voor de culturele bovenbouw. Aan het scheppingsverhaal heb ik - als intellectueel van vandaag - geen boodschap.
Velen hebben schrik voor verandering of zijn “gehecht” aan de vertrouwde verklaringen. Deze twee categorieën zijn niet zo interessant, soms wel gevaarlijk wanneer zij fundamentalistische trekjes vertonen. Zonder opwaarderen, zonder aanpassing aan plaats, cultuur, persoon en tijd geraakt men de weg kwijt of verbijsterd in gehechtheid. Het resultaat is voorspelbaar: geen tolerantie, theologische verdeeldheid over een levende persoonlijke God, geen eenheid in verscheidenheid, wel fundamentalisme, heerszucht, minachting voor de ander.
Boeiend zijn alle groepen van mensen die er tussenin liggen.
Opvallend is dat deze boeiende categorieën van mensen minder (of geen) vriendjespolitiek kennen (nepotisme), niet (of bijna) nooit vervallen in een foute combinatie van verbondenheid, rijkdom en democratie (oligarchie).
Ik hoor bij een tussencategorie van mensen die geen behoefte heeft aan een kapitalistische dictatuur. Ik hou niet van een foute samengaan van kapitalisme en filosofie enerzijds en van een fout idee van politieke macht anderzijds.
Zij die dit aankleven zijn niet alleen zelfgenoegzaam en daardoor ook geneigd om minderheden te verdrukken en geweld aan te doen, maar de rest van de wereld ook onrechtvaardig te behandelen op basis van hun foute denken.
Ik pleit voor een nieuwe wetenschap van de politiek. Op deze wijze kunnen wij een nieuwe wereld creëren. Mensen moeten worden heropgevoed. Door filosofen, door leerkrachten die filosofisch zijn ingesteld en geschoold, door geestelijke leraars. Dit zijn heel andere typen leraars dan theologen, veeleer psychologen/psychotherapeuten die de studenten verlichting in filosofische zelfverwerkelijking bijbrengen. De wedijver die door de leraars van inwijding en instructie wordt onderwezen, moet worden omgebogen in respect door de leraars die (persoonlijke) beleving en introspectie bijbrengen.
Geloof en ongeloof zijn verouderde begrippen. Religie, hypocrisie, ethiek, relatie zijn de nieuwe deugden en ondeugden. Geloof is enkel nog reëel in seksgeloof en geldgeloof. Wie zich niet aanpast aan deze nieuwe werkelijkheid, wordt depressief en een depressieve mens is in drievoud gestoord in de tijd: het verleden ziet zwart, de toekomst is onzichtbaar en het heden is onaangenaam.
Wetenschappelijke verklaringen - hoe juist die ook kunnen zijn - ontsnappen niet aan deze nieuwe werkelijkheid. De tijd is niet absoluut in de snelheid van veranderen met het licht, maar de tijd is wel absoluut in de kwaliteit van het veranderen zelf. Alles is in beweging. Het heeft geen zin ons te hechten aan een theorie in weerwil van die verandering, in weerwil van het absolute gezag van de tijd. Dit betekent dat God - zoals die werd geopenbaard - dood is en dat de gemiddelde, mechanische tijd hopeloos is verouderd. Dat wil bovendien zeggen dat wie het geloof bestrijdt met bijtende spot en cynisme, zich niet kan losmaken van dit geloof. Dat wil bovendien zeggen dat wie zich in zijn geloof consolideert, sociopathisch reageert, als een stekelige cactus.
In mijn essay Schoon volk in de hemel dat verschijnt in het najaar van 2010, na zes jaar onderzoek en literatuur, houd ik niet langer de schijn op van gezag, vooruitgang en beschaving. Ik maak mij los uit mijn “persoonlijk, intellectueel en sociaal failliet” om een nieuw pad te bewandelen. De weg van de kennis, de analyse, de discipline, het respect. Het mag duidelijk zijn dat je met een egobehoefte, met economisch/juridische argumenten, met een conservatieve ethiek, met begrip voor zwakte de wereld niet zult verbeteren. Bouwen aan de Tempel van de Mensheid is “drie-wervig” (drie werven): een omslag in ons denken en handelen vanuit substantieel onderzoek, wetenschappelijke nuchterheid en principiële spiritualiteit.
Zij die de Opperbouwmeester van het Heelal vrezen en zij die Hem afvallen zullen nooit uit hun narcofiele en angst-neurotische obsessieve depressie en cynisme geraken. Laten wij bouwen aan een wereld waarin een rationeel/democratisch evenwicht heerst tussen het menslievende verlicht humanisme en het materieel gemotiveerde, traditioneel moralistisch/pragmatisme. Theologie en wetenschap zijn niet persoonlijk genoeg. Het is - voor mij - duidelijk dat wij, van de wetenschap via de spiritualiteit en de religie van persoonlijke bekentenissen en bekeringen, moeten evolueren tot een samenleving die deze planeet bij elkaar houdt.
Joris
16 april 2008
"Eindterm" (2002) - debuutroman Thierry Deleu - hoofdstuk 26-27-28
26
Peter wordt wakker. Hij trekt zijn pyjamabroek aan die naast het bed ligt en daalt stil de trap af naar de woonkamer. Sabine gaat altijd in pyjama slapen en Peter volgt haar voorbeeld, of toch voor de helft: alleen de broek. De woonkamer is chaotisch. De weinige zaken die hij uit Gavere heeft meegebracht, staan door elkaar: tekeningen en schilderijen tegen de wand, allerlei spullen in kartonnen dozen, of in plastic zakken en wasmanden. Over een stoel hangen twee hemden op een kapstok, een broek en zijn blauwe Fred Perry-trui met het lauwerkransje.
Sabine heeft geen geduld voor die zaken. “Wegwezen,” porde ze hem aan op zijn flat in Gavere.
“Neem het hoogstnodige mee, Peter, we kopen allemaal nieuw spul,” zei ze kordaat.
Hij loopt naar de keuken en zet water op. In de spiegel ziet hij zijn streuvelhaar, zijn baard staat lang, hij wast zijn gezicht en spuugt wat taai slijm in de afvoer. Het is halfzeven.
In de kamer maakt hij Sabine wakker. Ze trekt het dekbed over haar hoofd en mort. Zij heeft ochtendhumeur.
“Ik zet koffie, schat, en binnen het halfuur wil ik je buiten hebben.”
Ze moet met de auto naar Brussel.
“Je weet toch dat ik naar Zeebrugge moet voor de ondertekening van het maritiem convenant?”
“Geen zin,” gromt zij van onder de dekens, als antwoord op zijn eerste opmerking.
“Ik heb koffie en croissants voor je, je komt uit bed, anders draag ik je met deken en al onder de douche,” dreigt hij.
Zijn stem slaat over. Gisteren hebben ze twee flessen Château Margaux opgedronken. Sabine komt met een frons op haar voorhoofd overeind. Ze kijkt op de wekradio en valt terug in bed.
“Even,” zegt hij.
Vijf minuutjes later hoort hij haar opstaan en een douche nemen.
Het voorhof ligt nat. Peter ziet Frank Hennebert bezig aan de stal.
Ze drinken samen koffie. Ze zegt niets. Af en toe glimlacht zij. Ze bijt de helft van een croissant af en staat op. Het haar heeft zij met een donkerbruine kam opgestoken, kastanjebruin tegen diepbruin.
Als hij zegt dat ze op een schooljuffrouw gelijkt, kijkt ze hem vragend aan.
“Een schooljuf met klasse dan, mijnheer de directeur!”
Hij spreekt haar niet tegen.
In een van de kartonnen dozen springt de wekker aan. Volgens het journaal heeft een spookrijder op de E40 een accident met twee doden veroorzaakt. Peter zoekt de onruststoker en duwt hem plat.
“Ik heb het heel leuk gehad, gisteren,” zegt ze half lachend.
“Ik ook,” zegt hij.
“Ik moet gaan.”
“Ik bel je als ik in Zeebrugge aankom,” zegt hij.
“Ik kom naar Burghgraeveveld tegen 7 uur. Eerst ga ik in Gavere wat verder inpakken.”
“Kom iets vroeger, tegen 6 uur, Peter,” vraagt ze.
“Ik kom na de vergadering met professor Vandamme onmiddellijk naar huis.”
“En Dekunst dan?” wil hij weten.
“Ik zoek wel een excuus.”
Als zij het erf uitrijdt, trompt ze even en steekt haar rechterhand omhoog.
Als hij aan het Maritiem Centrum komt, staat een man met kalend hoofd en molenwiekende armen hem op te wachten. Hij verplaatst de paaltjes met ketting en laat Deforge zijn auto stationeren.
In de voorhal komen Etienne Claes en zijn lieve secretaresse op hem af. Door de talrijke voorbereidende gesprekken zijn ze hechte vrienden geworden. Deforge heeft het klaargespeeld dat zijn minister voor miljoenen investeert in het project met de Provincie, de VDAB en de reders.
Als Deforge om vier uur het gebouwtje aan de dokken verlaat, waaien vuile kranten langs zijn benen. In de verte loeit een scheepssirene. Hij zet zijn clip op en haalt diep adem. Hij heeft een mooie toespraak gehouden en de aanwezigen een hart onder de riem gestoken.
Claes glundert.
“Opdracht vervuld.”
Het is kwart over vier. Binnen driekwartier is hij op zijn flat en tegen zes uur op Burghgraeveveld.
27
Wanneer Dekunst achteraan rechts in de wagen plaatsneemt, weet Marcel dat zijn baas zich ergens zorgen over maakt of zich heeft opgewonden. Als hij hem ’s avonds laat naar huis rijdt, komt Dekunst gewoonlijk naast zijn chauffeur zitten en zij overlopen dan de agenda van de dag daarop. Of Dekunst informeert naar zijn gezin, naar de kinderen, naar hun resultaten op school. Of hij vertelt Marcel de laatste aangebrande moppen van de minister. Nooit spreekt hij van Sabine du Tertre tenzij in termen van werk en afspraken.
Vannacht gaat Dekunst achteraan zitten. Hij heeft tot laat met de minister gepraat over de reorganisatie van de administratie en over de nieuwe evaluatie van de ambtenaren. De besprekingen verliepen zeer vlot. Beiden kunnen het met elkaar zeer goed vinden. Zij vormen gewoonlijk één front tegen de vakbonden. Ze kiezen voor overleg met deskundigen en voor het gunnen van onderzoeksopdrachten aan studiebureaus. Vooral als het om materies gaat die zeer gevoelig liggen en ook heel complex zijn, kiezen zij voor onderzoek. Het valt de onderwijswereld op dat zij hierbij geen partijpolitieke of ideologische gronden aanwenden bij de bestelling van een studie.
Marcel kijkt door het achteruitkijkspiegeltje naar zijn baas en merkt dat hij zijn handen gevouwen voor zijn mond houdt. Hij kijkt niet op en lijkt reeds na vijf minuten in gepeins verzonken. Plotseling zucht hij diep en diept uit zijn aktentas een dossier op dat hij op zijn knieën legt. Wanneer de chauffeur iets later nog eens naar zijn baas loert, ziet hij dat het dossier nog onaangeroerd is.
“Serieuze troubles,” denkt hij.
Gewoonlijk weet de chauffeur van een minister of van een topambtenaar meer dan de kabinetsmedewerkers of de ambtenaren zelf. Hij is bijna altijd de eerste die “het” verneemt. Ook de privé zaken van zijn baas. Is zijn baas zelf niet zo communicatief, dan luistert hij mee als er gebeld wordt in de auto.
Marcel kent de relatie van zijn baas met Du Tertre, hun afspraken, hun zorgen, hun momenten van grote liefde en de momenten van afkoeling. Hij weet ook dat de minister soms grappen maakt over die relatie en dat Dekunst altijd op zijn qui-vive is. De laatste tijd gaat het niet meer zo goed tussen Dekunst en Du Tertre. Van de telefonisten en de kuisploeg heeft hij gehoord dat Du Tertre en Deforge vaak samen in stad te zien zijn.
Anita Delchambre heeft het hun voor waar gezegd: “Deforge is de nieuwe amant van Du Tertre.”
Zij weet het van Lynn, de secretaresse op secundair. Deforge komt goed over bij de dames van de kuisploeg. Hij is altijd vriendelijk en hij maakt tijd voor een babbel met hen.
“West-Vlamingen en Limburgers zijn de vriendelijkste,” zegt Marie-Paule, “die van Antwerpen zijn dikke nekken.”
Dekunst kijkt door het raampje, het is nacht, de eentonigheid van de lichtjes maken hem melancholisch. Hij begrijpt Sabine niet.
“Wat heb ik misdaan? Waarom is zij ondankbaar? Ik heb al haar verlangens ingewilligd, haar gesteund, haar getroost. Ik weet het: de laatste tijd vlieg ik al eens uit.”
Vooral haar plannen om Burghgraeveveld opnieuw in te richten, verontrusten hem.
“Ze wil meer tijd thuis doorbrengen, bij Alexander, bij haar familie, zegt ze. Ze wil een zwembad. Hoe zei ze dat ook weer? Aandacht hebben voor de kleine dingen, Joris? Opnieuw schetsen, juwelen ontwerpen. Leren paardrijden.”
“Ben ik daar te oud voor, Joris?”
Dekunst herinnert zich de eerste keer dat hij Sabine zag. Ze zat in de wachtzaal en praatte daar ongedwongen met een van zijn medewerksters. Een brunette met mooie benen. Toen hij ze binnenriep, ging ze op zijn teken neerzitten en schommelde met haar rechterbeen. Haar voeten waren afgewerkt met felrode nagels.
Op slag was hij voor haar gewonnen. Ze kwam van de juridische dienst over om zijn nieuwe directeur secundair te worden. Hoewel hij geen inspraak had gekregen in deze aanstelling, was hij niet ontevreden. Du Tertre beviel hem.
Ver weg slaat een torenklok twee slagen. Dekunst herinnert zich de eerste keer dat hij haar aanraakte. Ze kwam zijn bureau binnen met het rapport van haar studieopdracht in Haarlem. Haar rok had aan de zijkant drie knoopjes die hij even later los zou maken, zodat het rokje voor zijn ogen op de grond gleed. Zij was overrompelend mooi in haar zwarte zijden onderjurk. Haastig trok ze haar rok op. Om haar mond verscheen een spottende glimlach. Dekunst vreesde haar reactie, maar zij zette haar rapportering voort.
Dekunst begreep dat er iets was veranderd. Wanneer? Dit kon hij niet achterhalen. Ze hadden vier mooie jaren achter de rug en nu bedroog ze hem. Hij was het zeker. En hij wist ook met wie. Met Deforge. Wat had Deforge meer dan hij?
Neen, hij verbeeldde het zich, het kon niet waar zijn. Sabine wilde niet van haar man scheiden, dat was zeker. Hij zou het haar niet meer vragen. Maar hem bedriegen, neen, dat zou ze niet doen.
“Ik heb haar gemaakt,” denkt Dekunst, “nu is ze van mij!”
Hij schrikt op van die gedachte en kijkt naar zijn chauffeur. Hun blikken kruisen elkaar in de spiegel. Dekunst zegt: “Marcel, ik ben doodvermoeid, man, zijn we nog ver van huis?”
“Nog een kwartiertje, mijnheer Dekunst.”
Ik heb haar anders gekend, denkt Dekunst. Gereserveerd en hartstochtelijk, verlegen en ondernemend. Zij kroop soms tegen hem aan in de wagen en legde haar hoofd op zijn schouder. Nu is dit nog slechts een herinnering.
“Wat wil je van me?” had ze een keer geroepen, als hij haar vroeg van haar man te scheiden.
In haar ogen had hij toen een mengeling van verdriet en wanhoop gezien.
“Heb ik soms niet gedaan wat ik kon?”
“Ja, ik weet het, ik ben soms over mijn toeren. Ik kan soms grof zijn, een beetje brutaal, bezitterig.”
Onlangs had hij haar in zijn bureau stevig vastgepakt en zijn tong ver in haar mond geduwd en met één hand zijn rits proberen open te maken. Hij had zijn vingers in haar rug gedrukt. Dat was een blunder van formaat. Toegegeven, daar had hij zich vergrepen. Dat was zijn stijl niet en Sabine wist dat. Voelde zij dat hij de wanhoop nabij was?
“Ik begrijp er geen barst van,” zegt hij ineens luid. Marcel kijkt in zijn spiegeltje, maar zwijgt. Zijn baas ziet er bleekjes uit. Gewoonlijk zit hij trots rechtop, als een veldheer, nu laat hij zijn schouders hangen en lijkt hij meer op een vermoeide soldaat.
Dekunst ziet het gezicht van Sabine die hem toelacht, hij ruikt het parfum in haar hals, hij ziet het gezicht van Marcel die hem verwonderd aankijkt. Zijn ogen worden vochtig. Hij krijgt het warm, de voorbode van een depressieve opstoot, hij moet zich herpakken.
“Wie denkt ze dat ze is?”
Hij boeit zich op.
“Ik laat het hier niet bij,” denkt hij driest.
“Wie denkt ze wel dat ze is?” herhaalt hij.
Hij neemt het dossier en noteert op de kaft: OVERLEG. Dit is al jaren zijn toverwoord, vooral als hij iets wil verkrijgen dat enige moeite zal kosten. Overleg.
“Ik nodig haar uit voor een gesprek, voor een etentje, een wandeling aan zee, een nachtje in de Ardennen, of bij mij thuis.”
Dit laatste wijst zij meestal af. De laatste tijd gaat zij ’s avonds vroeg naar huis.
“Voor Alexander,” zegt ze dan.
Maar Alexander is toch intern? Of zij moet naar de kinesist of naar de podologe.
“We hebben al eens gepraat en wat heeft het bijgebracht?”
Ze zei: “Wat moet ik zeggen, Joris?”
Ze zocht toen naar woorden en sloeg de ogen neer. Ineens stond ze op.
“Even mijn neus poederen.”
Toen ze hem dat de eerste keer zei, viel Dekunst uit de lucht.
“Wat is er met je neus?” vroeg hij verwonderd.
Zijn ex had daar nooit enige last van ondervonden.
Nu wist hij het weer. Sabine had zich toen met een flauw excuus uit de voeten gemaakt. Zij wilde niet praten of beter ze verkoos te zwijgen.
Hij zou het haar toch nog eens voorstellen. Misschien was ze nu wel bereid. Het kon zo niet blijven duren, het liep uit de hand, hij kon niet meer slapen. Hij voelde zich verongelijkt, vernederd.
Twee weken geleden hadden ze voor de laatste keer gevrijd. Bij hem thuis. Ze was dezelfde niet meer. Zelf ondernam ze niets. Toen hij klaarkwam, draaide ze zich op haar zij en stapte het bed uit. Ze nam een douche, ging voor de spiegel zitten en inspecteerde haar gezicht.
“Het wordt laat, ik moet nu gaan, Joris.”
Vroeger bleef zij bij hem slapen tot de morgen. Dekunst had de indruk dat hij met een callgirl had gevrijd.
“Zo kan het niet verder,” denkt hij. “Ik kan mijn gedachten niet meer bij mijn werk houden.”
Ook Vanderweyden had het gemerkt.
“Joris, is er iets? Wil je gaan slapen? Kom, one for the road?”
Marcel rijdt het erf op, houdt achteraan de villa halt en laat zijn baas uitstappen.
“Morgen, om zeven uur.”
“Slaap wel, mijnheer Dekunst.”
De chauffeur rijdt de oprit af. Huiswaarts.
28
Vrijdag 20 juni 1992. Sabine schrijft in haar dagboek: “Is gelukkig zijn mogelijk? Ik ben graag bij Peter. Ik kan vrijuit met hem praten. Ik kan opnieuw praten zonder elk woord te moeten afwegen. Ik voel dat ik weer vrij ben. Er gaat een kracht van hem uit die fel contrasteert met zijn gevoeligheid. Hij is een sterke man, en hij wéét het. Ik hoop dat het een blijvende kracht is, die ons helpt om samen te blijven."
Ze kan Peter nagenoeg alles vertellen. Ook hoe moeilijk zij het heeft om de relatie met Dekunst af te bouwen.
“Hoe raak ik van De Spin af?” schrijft zij.
De woensdag daarop komt Sabine wat later thuis van haar werk.
“Sorry,” zegt ze tegen Deforge, “maar ik kon het echt niet helpen. Net op het ogenblik dat ik mijn bureau wilde verlaten, kwam Dekunst binnen. Hij riep me ter verantwoording. Hij vroeg mij waarom ik de jongste tijd zo afstandelijk deed.”
Ze weent.
Peter Deforge maakt hieruit op dat Dekunst haar tot seks heeft gedwongen.
@
De eerste maandag van juli vertrekt Sabine om zeven uur naar Gent. De chauffeur zal haar daar ophalen voor een vergadering van de Nederlandse Taalunie in Breda. Ruim een half uur later, tussen halfacht en kwart voor acht, gaat de telefoon in Burghgraeveveld tweemaal. Deforge, die tegen negen in de showbizzschool van Oostende wordt verwacht, neemt niet op. Met Sabine heeft hij afgesproken dat hij enkel een oproep zal beantwoorden die volgt op een eerste telefoontje van drie signalen.
Nauwelijks vijf minuten later wordt er aangeklopt. Deforge is zich net aan het wassen. Wanneer hij de deur opent, draagt hij alleen een groot, wit badlaken om zijn middel. Hij ziet een lichtgrijze BMW. Naast de wagen staat Joris Dekunst, de secretaris-generaal. Hij kijkt niet op. Geen begroeting, geen woord, geen beweging met het hoofd, niets. Het is de chauffeur die heeft aangeklopt. Hij vraagt aan Deforge, of madame klaar is om te vertrekken. Deforge zegt hem dat ze reeds vertrokken is. Daarop stappen de twee mannen weer in de wagen en rijden het erf af.
Omstreeks vier uur belt Sabine Peter op in Oostende. Ze is helemaal overstuur. Ze is boos omdat hij ’s morgens de telefoon niet heeft opgenomen.
“Maar toen je de eerste keer opbelde, waren het geen drie signalen,” protesteert hij.
Later proberen ze het uit: het aantal signalen dat de oproeper hoort, komt niet altijd overeen met het aantal keren dat de telefoon rinkelt.
Sabine heeft die ochtend met Dekunst afgesproken in Gent. Wanneer hij daar om halfacht nog niet is, realiseert ze zich dat hij waarschijnlijk op weg is naar Burghgraeveveld. Daar pikt hij haar gewoonlijk op. Ze heeft nog willen vermijden dat Dekunst oog in oog zou staan met Peter.
“Maak voor niemand open,” had ze hem willen zeggen over de telefoon.
Maar alles is mislukt.
“Veel zal niet meer mogelijk zijn tussen ons,” zegt ze nog tegen Peter. “Misschien hangt zelfs mijn job aan een zijden draadje.”
Onderweg naar Breda repte Dekunst geen woord over het voorval.
Peter wordt wakker. Hij trekt zijn pyjamabroek aan die naast het bed ligt en daalt stil de trap af naar de woonkamer. Sabine gaat altijd in pyjama slapen en Peter volgt haar voorbeeld, of toch voor de helft: alleen de broek. De woonkamer is chaotisch. De weinige zaken die hij uit Gavere heeft meegebracht, staan door elkaar: tekeningen en schilderijen tegen de wand, allerlei spullen in kartonnen dozen, of in plastic zakken en wasmanden. Over een stoel hangen twee hemden op een kapstok, een broek en zijn blauwe Fred Perry-trui met het lauwerkransje.
Sabine heeft geen geduld voor die zaken. “Wegwezen,” porde ze hem aan op zijn flat in Gavere.
“Neem het hoogstnodige mee, Peter, we kopen allemaal nieuw spul,” zei ze kordaat.
Hij loopt naar de keuken en zet water op. In de spiegel ziet hij zijn streuvelhaar, zijn baard staat lang, hij wast zijn gezicht en spuugt wat taai slijm in de afvoer. Het is halfzeven.
In de kamer maakt hij Sabine wakker. Ze trekt het dekbed over haar hoofd en mort. Zij heeft ochtendhumeur.
“Ik zet koffie, schat, en binnen het halfuur wil ik je buiten hebben.”
Ze moet met de auto naar Brussel.
“Je weet toch dat ik naar Zeebrugge moet voor de ondertekening van het maritiem convenant?”
“Geen zin,” gromt zij van onder de dekens, als antwoord op zijn eerste opmerking.
“Ik heb koffie en croissants voor je, je komt uit bed, anders draag ik je met deken en al onder de douche,” dreigt hij.
Zijn stem slaat over. Gisteren hebben ze twee flessen Château Margaux opgedronken. Sabine komt met een frons op haar voorhoofd overeind. Ze kijkt op de wekradio en valt terug in bed.
“Even,” zegt hij.
Vijf minuutjes later hoort hij haar opstaan en een douche nemen.
Het voorhof ligt nat. Peter ziet Frank Hennebert bezig aan de stal.
Ze drinken samen koffie. Ze zegt niets. Af en toe glimlacht zij. Ze bijt de helft van een croissant af en staat op. Het haar heeft zij met een donkerbruine kam opgestoken, kastanjebruin tegen diepbruin.
Als hij zegt dat ze op een schooljuffrouw gelijkt, kijkt ze hem vragend aan.
“Een schooljuf met klasse dan, mijnheer de directeur!”
Hij spreekt haar niet tegen.
In een van de kartonnen dozen springt de wekker aan. Volgens het journaal heeft een spookrijder op de E40 een accident met twee doden veroorzaakt. Peter zoekt de onruststoker en duwt hem plat.
“Ik heb het heel leuk gehad, gisteren,” zegt ze half lachend.
“Ik ook,” zegt hij.
“Ik moet gaan.”
“Ik bel je als ik in Zeebrugge aankom,” zegt hij.
“Ik kom naar Burghgraeveveld tegen 7 uur. Eerst ga ik in Gavere wat verder inpakken.”
“Kom iets vroeger, tegen 6 uur, Peter,” vraagt ze.
“Ik kom na de vergadering met professor Vandamme onmiddellijk naar huis.”
“En Dekunst dan?” wil hij weten.
“Ik zoek wel een excuus.”
Als zij het erf uitrijdt, trompt ze even en steekt haar rechterhand omhoog.
Als hij aan het Maritiem Centrum komt, staat een man met kalend hoofd en molenwiekende armen hem op te wachten. Hij verplaatst de paaltjes met ketting en laat Deforge zijn auto stationeren.
In de voorhal komen Etienne Claes en zijn lieve secretaresse op hem af. Door de talrijke voorbereidende gesprekken zijn ze hechte vrienden geworden. Deforge heeft het klaargespeeld dat zijn minister voor miljoenen investeert in het project met de Provincie, de VDAB en de reders.
Als Deforge om vier uur het gebouwtje aan de dokken verlaat, waaien vuile kranten langs zijn benen. In de verte loeit een scheepssirene. Hij zet zijn clip op en haalt diep adem. Hij heeft een mooie toespraak gehouden en de aanwezigen een hart onder de riem gestoken.
Claes glundert.
“Opdracht vervuld.”
Het is kwart over vier. Binnen driekwartier is hij op zijn flat en tegen zes uur op Burghgraeveveld.
27
Wanneer Dekunst achteraan rechts in de wagen plaatsneemt, weet Marcel dat zijn baas zich ergens zorgen over maakt of zich heeft opgewonden. Als hij hem ’s avonds laat naar huis rijdt, komt Dekunst gewoonlijk naast zijn chauffeur zitten en zij overlopen dan de agenda van de dag daarop. Of Dekunst informeert naar zijn gezin, naar de kinderen, naar hun resultaten op school. Of hij vertelt Marcel de laatste aangebrande moppen van de minister. Nooit spreekt hij van Sabine du Tertre tenzij in termen van werk en afspraken.
Vannacht gaat Dekunst achteraan zitten. Hij heeft tot laat met de minister gepraat over de reorganisatie van de administratie en over de nieuwe evaluatie van de ambtenaren. De besprekingen verliepen zeer vlot. Beiden kunnen het met elkaar zeer goed vinden. Zij vormen gewoonlijk één front tegen de vakbonden. Ze kiezen voor overleg met deskundigen en voor het gunnen van onderzoeksopdrachten aan studiebureaus. Vooral als het om materies gaat die zeer gevoelig liggen en ook heel complex zijn, kiezen zij voor onderzoek. Het valt de onderwijswereld op dat zij hierbij geen partijpolitieke of ideologische gronden aanwenden bij de bestelling van een studie.
Marcel kijkt door het achteruitkijkspiegeltje naar zijn baas en merkt dat hij zijn handen gevouwen voor zijn mond houdt. Hij kijkt niet op en lijkt reeds na vijf minuten in gepeins verzonken. Plotseling zucht hij diep en diept uit zijn aktentas een dossier op dat hij op zijn knieën legt. Wanneer de chauffeur iets later nog eens naar zijn baas loert, ziet hij dat het dossier nog onaangeroerd is.
“Serieuze troubles,” denkt hij.
Gewoonlijk weet de chauffeur van een minister of van een topambtenaar meer dan de kabinetsmedewerkers of de ambtenaren zelf. Hij is bijna altijd de eerste die “het” verneemt. Ook de privé zaken van zijn baas. Is zijn baas zelf niet zo communicatief, dan luistert hij mee als er gebeld wordt in de auto.
Marcel kent de relatie van zijn baas met Du Tertre, hun afspraken, hun zorgen, hun momenten van grote liefde en de momenten van afkoeling. Hij weet ook dat de minister soms grappen maakt over die relatie en dat Dekunst altijd op zijn qui-vive is. De laatste tijd gaat het niet meer zo goed tussen Dekunst en Du Tertre. Van de telefonisten en de kuisploeg heeft hij gehoord dat Du Tertre en Deforge vaak samen in stad te zien zijn.
Anita Delchambre heeft het hun voor waar gezegd: “Deforge is de nieuwe amant van Du Tertre.”
Zij weet het van Lynn, de secretaresse op secundair. Deforge komt goed over bij de dames van de kuisploeg. Hij is altijd vriendelijk en hij maakt tijd voor een babbel met hen.
“West-Vlamingen en Limburgers zijn de vriendelijkste,” zegt Marie-Paule, “die van Antwerpen zijn dikke nekken.”
Dekunst kijkt door het raampje, het is nacht, de eentonigheid van de lichtjes maken hem melancholisch. Hij begrijpt Sabine niet.
“Wat heb ik misdaan? Waarom is zij ondankbaar? Ik heb al haar verlangens ingewilligd, haar gesteund, haar getroost. Ik weet het: de laatste tijd vlieg ik al eens uit.”
Vooral haar plannen om Burghgraeveveld opnieuw in te richten, verontrusten hem.
“Ze wil meer tijd thuis doorbrengen, bij Alexander, bij haar familie, zegt ze. Ze wil een zwembad. Hoe zei ze dat ook weer? Aandacht hebben voor de kleine dingen, Joris? Opnieuw schetsen, juwelen ontwerpen. Leren paardrijden.”
“Ben ik daar te oud voor, Joris?”
Dekunst herinnert zich de eerste keer dat hij Sabine zag. Ze zat in de wachtzaal en praatte daar ongedwongen met een van zijn medewerksters. Een brunette met mooie benen. Toen hij ze binnenriep, ging ze op zijn teken neerzitten en schommelde met haar rechterbeen. Haar voeten waren afgewerkt met felrode nagels.
Op slag was hij voor haar gewonnen. Ze kwam van de juridische dienst over om zijn nieuwe directeur secundair te worden. Hoewel hij geen inspraak had gekregen in deze aanstelling, was hij niet ontevreden. Du Tertre beviel hem.
Ver weg slaat een torenklok twee slagen. Dekunst herinnert zich de eerste keer dat hij haar aanraakte. Ze kwam zijn bureau binnen met het rapport van haar studieopdracht in Haarlem. Haar rok had aan de zijkant drie knoopjes die hij even later los zou maken, zodat het rokje voor zijn ogen op de grond gleed. Zij was overrompelend mooi in haar zwarte zijden onderjurk. Haastig trok ze haar rok op. Om haar mond verscheen een spottende glimlach. Dekunst vreesde haar reactie, maar zij zette haar rapportering voort.
Dekunst begreep dat er iets was veranderd. Wanneer? Dit kon hij niet achterhalen. Ze hadden vier mooie jaren achter de rug en nu bedroog ze hem. Hij was het zeker. En hij wist ook met wie. Met Deforge. Wat had Deforge meer dan hij?
Neen, hij verbeeldde het zich, het kon niet waar zijn. Sabine wilde niet van haar man scheiden, dat was zeker. Hij zou het haar niet meer vragen. Maar hem bedriegen, neen, dat zou ze niet doen.
“Ik heb haar gemaakt,” denkt Dekunst, “nu is ze van mij!”
Hij schrikt op van die gedachte en kijkt naar zijn chauffeur. Hun blikken kruisen elkaar in de spiegel. Dekunst zegt: “Marcel, ik ben doodvermoeid, man, zijn we nog ver van huis?”
“Nog een kwartiertje, mijnheer Dekunst.”
Ik heb haar anders gekend, denkt Dekunst. Gereserveerd en hartstochtelijk, verlegen en ondernemend. Zij kroop soms tegen hem aan in de wagen en legde haar hoofd op zijn schouder. Nu is dit nog slechts een herinnering.
“Wat wil je van me?” had ze een keer geroepen, als hij haar vroeg van haar man te scheiden.
In haar ogen had hij toen een mengeling van verdriet en wanhoop gezien.
“Heb ik soms niet gedaan wat ik kon?”
“Ja, ik weet het, ik ben soms over mijn toeren. Ik kan soms grof zijn, een beetje brutaal, bezitterig.”
Onlangs had hij haar in zijn bureau stevig vastgepakt en zijn tong ver in haar mond geduwd en met één hand zijn rits proberen open te maken. Hij had zijn vingers in haar rug gedrukt. Dat was een blunder van formaat. Toegegeven, daar had hij zich vergrepen. Dat was zijn stijl niet en Sabine wist dat. Voelde zij dat hij de wanhoop nabij was?
“Ik begrijp er geen barst van,” zegt hij ineens luid. Marcel kijkt in zijn spiegeltje, maar zwijgt. Zijn baas ziet er bleekjes uit. Gewoonlijk zit hij trots rechtop, als een veldheer, nu laat hij zijn schouders hangen en lijkt hij meer op een vermoeide soldaat.
Dekunst ziet het gezicht van Sabine die hem toelacht, hij ruikt het parfum in haar hals, hij ziet het gezicht van Marcel die hem verwonderd aankijkt. Zijn ogen worden vochtig. Hij krijgt het warm, de voorbode van een depressieve opstoot, hij moet zich herpakken.
“Wie denkt ze dat ze is?”
Hij boeit zich op.
“Ik laat het hier niet bij,” denkt hij driest.
“Wie denkt ze wel dat ze is?” herhaalt hij.
Hij neemt het dossier en noteert op de kaft: OVERLEG. Dit is al jaren zijn toverwoord, vooral als hij iets wil verkrijgen dat enige moeite zal kosten. Overleg.
“Ik nodig haar uit voor een gesprek, voor een etentje, een wandeling aan zee, een nachtje in de Ardennen, of bij mij thuis.”
Dit laatste wijst zij meestal af. De laatste tijd gaat zij ’s avonds vroeg naar huis.
“Voor Alexander,” zegt ze dan.
Maar Alexander is toch intern? Of zij moet naar de kinesist of naar de podologe.
“We hebben al eens gepraat en wat heeft het bijgebracht?”
Ze zei: “Wat moet ik zeggen, Joris?”
Ze zocht toen naar woorden en sloeg de ogen neer. Ineens stond ze op.
“Even mijn neus poederen.”
Toen ze hem dat de eerste keer zei, viel Dekunst uit de lucht.
“Wat is er met je neus?” vroeg hij verwonderd.
Zijn ex had daar nooit enige last van ondervonden.
Nu wist hij het weer. Sabine had zich toen met een flauw excuus uit de voeten gemaakt. Zij wilde niet praten of beter ze verkoos te zwijgen.
Hij zou het haar toch nog eens voorstellen. Misschien was ze nu wel bereid. Het kon zo niet blijven duren, het liep uit de hand, hij kon niet meer slapen. Hij voelde zich verongelijkt, vernederd.
Twee weken geleden hadden ze voor de laatste keer gevrijd. Bij hem thuis. Ze was dezelfde niet meer. Zelf ondernam ze niets. Toen hij klaarkwam, draaide ze zich op haar zij en stapte het bed uit. Ze nam een douche, ging voor de spiegel zitten en inspecteerde haar gezicht.
“Het wordt laat, ik moet nu gaan, Joris.”
Vroeger bleef zij bij hem slapen tot de morgen. Dekunst had de indruk dat hij met een callgirl had gevrijd.
“Zo kan het niet verder,” denkt hij. “Ik kan mijn gedachten niet meer bij mijn werk houden.”
Ook Vanderweyden had het gemerkt.
“Joris, is er iets? Wil je gaan slapen? Kom, one for the road?”
Marcel rijdt het erf op, houdt achteraan de villa halt en laat zijn baas uitstappen.
“Morgen, om zeven uur.”
“Slaap wel, mijnheer Dekunst.”
De chauffeur rijdt de oprit af. Huiswaarts.
28
Vrijdag 20 juni 1992. Sabine schrijft in haar dagboek: “Is gelukkig zijn mogelijk? Ik ben graag bij Peter. Ik kan vrijuit met hem praten. Ik kan opnieuw praten zonder elk woord te moeten afwegen. Ik voel dat ik weer vrij ben. Er gaat een kracht van hem uit die fel contrasteert met zijn gevoeligheid. Hij is een sterke man, en hij wéét het. Ik hoop dat het een blijvende kracht is, die ons helpt om samen te blijven."
Ze kan Peter nagenoeg alles vertellen. Ook hoe moeilijk zij het heeft om de relatie met Dekunst af te bouwen.
“Hoe raak ik van De Spin af?” schrijft zij.
De woensdag daarop komt Sabine wat later thuis van haar werk.
“Sorry,” zegt ze tegen Deforge, “maar ik kon het echt niet helpen. Net op het ogenblik dat ik mijn bureau wilde verlaten, kwam Dekunst binnen. Hij riep me ter verantwoording. Hij vroeg mij waarom ik de jongste tijd zo afstandelijk deed.”
Ze weent.
Peter Deforge maakt hieruit op dat Dekunst haar tot seks heeft gedwongen.
@
De eerste maandag van juli vertrekt Sabine om zeven uur naar Gent. De chauffeur zal haar daar ophalen voor een vergadering van de Nederlandse Taalunie in Breda. Ruim een half uur later, tussen halfacht en kwart voor acht, gaat de telefoon in Burghgraeveveld tweemaal. Deforge, die tegen negen in de showbizzschool van Oostende wordt verwacht, neemt niet op. Met Sabine heeft hij afgesproken dat hij enkel een oproep zal beantwoorden die volgt op een eerste telefoontje van drie signalen.
Nauwelijks vijf minuten later wordt er aangeklopt. Deforge is zich net aan het wassen. Wanneer hij de deur opent, draagt hij alleen een groot, wit badlaken om zijn middel. Hij ziet een lichtgrijze BMW. Naast de wagen staat Joris Dekunst, de secretaris-generaal. Hij kijkt niet op. Geen begroeting, geen woord, geen beweging met het hoofd, niets. Het is de chauffeur die heeft aangeklopt. Hij vraagt aan Deforge, of madame klaar is om te vertrekken. Deforge zegt hem dat ze reeds vertrokken is. Daarop stappen de twee mannen weer in de wagen en rijden het erf af.
Omstreeks vier uur belt Sabine Peter op in Oostende. Ze is helemaal overstuur. Ze is boos omdat hij ’s morgens de telefoon niet heeft opgenomen.
“Maar toen je de eerste keer opbelde, waren het geen drie signalen,” protesteert hij.
Later proberen ze het uit: het aantal signalen dat de oproeper hoort, komt niet altijd overeen met het aantal keren dat de telefoon rinkelt.
Sabine heeft die ochtend met Dekunst afgesproken in Gent. Wanneer hij daar om halfacht nog niet is, realiseert ze zich dat hij waarschijnlijk op weg is naar Burghgraeveveld. Daar pikt hij haar gewoonlijk op. Ze heeft nog willen vermijden dat Dekunst oog in oog zou staan met Peter.
“Maak voor niemand open,” had ze hem willen zeggen over de telefoon.
Maar alles is mislukt.
“Veel zal niet meer mogelijk zijn tussen ons,” zegt ze nog tegen Peter. “Misschien hangt zelfs mijn job aan een zijden draadje.”
Onderweg naar Breda repte Dekunst geen woord over het voorval.
14 april 2008
Het "Hubert Lampo Genootschap" meldt...
Het Hubert Lampo Genootschap vertoont op zaterdag 26 april 2008 de film
Kasper in de onderwereld (1977)
van Jef van der Heijden
naar de gelijknamige roman van Hubert Lampo.
Deze roman verscheen in 1969 onder de titel De goden moeten hun getal hebben als boekenweekgeschenk.
De film wordt ingeleid door de erevoorzitter van het Hubert Lampo Genootschap prof. dr. Hubert Dethier, filosoof en filmkenner.
Aanvang: zaterdag 26 april 2008 om 14:00 uur
Plaats: AMVC-Letterenhuis, Minderbroedersstraat 22 te Antwerpen
Toegang: Gratis voor leden van het Hubert Lampo Genootschap;
€ 5,00 voor niet-leden.
Aanmelden:
Ilse Neuenkirch
Generaal Pershingstraat 8
B 9700 Oudenaarde
telefoon 055/31 38 85 - GSM 04722704476
i.neuenkirch@skynet.be
Jef van der Heijden schreef en regisseerde in de jaren vijftig en zestig films en tv-spelen, toen beide genres nog in de kinderschoenen stonden. Hij werkte onder meer voor NCRV, KRO en VPRO, hij maakte kinder- en opdrachtfilms en hij debuteerde in 1963 als speelfilmmaker voor volwassenen met de komedie Fietsen naar de maan. Hoogtepunt van Van der Heijdens bescheiden speelfilmoeuvre is Blauw licht (1966), een korte, autobiografische speelfilm over een familie in het verzet. Van der Heijdens Ongewijde aarde uit 1967 werd door de toenmalige filmkeuring verboden voor openbare vertoning. Het onderwerp (de stiekeme herbegrafenis van een lijk) was “zedenkwetsend” en bovendien had de regisseur om budgettaire redenen opnamen van een èchte begrafenis verwerkt in zijn fictieverhaal. Toen Ongewijde aarde na een herkeuring alsnog werd toegelaten, wisten de nabestaanden van de èchte overledene via de rechter toch nog een vertoningsverbod af te dwingen
Kasper in de onderwereld (1977)
van Jef van der Heijden
naar de gelijknamige roman van Hubert Lampo.
Deze roman verscheen in 1969 onder de titel De goden moeten hun getal hebben als boekenweekgeschenk.
De film wordt ingeleid door de erevoorzitter van het Hubert Lampo Genootschap prof. dr. Hubert Dethier, filosoof en filmkenner.
Aanvang: zaterdag 26 april 2008 om 14:00 uur
Plaats: AMVC-Letterenhuis, Minderbroedersstraat 22 te Antwerpen
Toegang: Gratis voor leden van het Hubert Lampo Genootschap;
€ 5,00 voor niet-leden.
Aanmelden:
Ilse Neuenkirch
Generaal Pershingstraat 8
B 9700 Oudenaarde
telefoon 055/31 38 85 - GSM 04722704476
i.neuenkirch@skynet.be
Jef van der Heijden schreef en regisseerde in de jaren vijftig en zestig films en tv-spelen, toen beide genres nog in de kinderschoenen stonden. Hij werkte onder meer voor NCRV, KRO en VPRO, hij maakte kinder- en opdrachtfilms en hij debuteerde in 1963 als speelfilmmaker voor volwassenen met de komedie Fietsen naar de maan. Hoogtepunt van Van der Heijdens bescheiden speelfilmoeuvre is Blauw licht (1966), een korte, autobiografische speelfilm over een familie in het verzet. Van der Heijdens Ongewijde aarde uit 1967 werd door de toenmalige filmkeuring verboden voor openbare vertoning. Het onderwerp (de stiekeme herbegrafenis van een lijk) was “zedenkwetsend” en bovendien had de regisseur om budgettaire redenen opnamen van een èchte begrafenis verwerkt in zijn fictieverhaal. Toen Ongewijde aarde na een herkeuring alsnog werd toegelaten, wisten de nabestaanden van de èchte overledene via de rechter toch nog een vertoningsverbod af te dwingen
12 april 2008
"Dali & I" - Stan Lauryssens
Het boek Dalí & I: het ware verhaal ligt in Vlaanderen en Nederland in de boekhandel. Vanavond (12 april) komt om 22.15 uur een heruitzending van het aangrijpende eerste deel van De wortels van het kwaad: Stan Lauryssens op Vitaya.
In een persmededeling schrijft Vitaya: "Stan Lauryssens is een geboren acteur... en een geniale verhalenverteller. Spijtig genoeg was hij in een vorig leven een van de spilfiguren van een schimmige organisatie die valse beleggingen (van Salvador Dalí) voor hallucinante bedragen verkocht aan nietsvermoedende (Vlaamse en Nederlandse) middenstanders en kleinhandelaars."
Volgende week zaterdag, 19 april, zendt Vitaya het spannende tweede deel uit. Wil je niet wachten op de ontknoping, surf dan naar www.stanlauryssens.be of, beter nog, rep je naar de boekhandel voor een exemplaar van Dalí & I: het ware verhaal (Manteau/Standaard Uitgeverij).
Stan Lauryssens
http://www.stanlauryssens.comhttp://www.dali-and-i.com
In een persmededeling schrijft Vitaya: "Stan Lauryssens is een geboren acteur... en een geniale verhalenverteller. Spijtig genoeg was hij in een vorig leven een van de spilfiguren van een schimmige organisatie die valse beleggingen (van Salvador Dalí) voor hallucinante bedragen verkocht aan nietsvermoedende (Vlaamse en Nederlandse) middenstanders en kleinhandelaars."
Volgende week zaterdag, 19 april, zendt Vitaya het spannende tweede deel uit. Wil je niet wachten op de ontknoping, surf dan naar www.stanlauryssens.be of, beter nog, rep je naar de boekhandel voor een exemplaar van Dalí & I: het ware verhaal (Manteau/Standaard Uitgeverij).
Stan Lauryssens
http://www.stanlauryssens.comhttp://www.dali-and-i.com
10 april 2008
Debuutbundel van Martijn Benders
De debuutbundel Karavanserai ligt komende donderdag bij de betere boekhandel, zoals dat heet.
Uitgegeven door Nieuw Amsterdam. Het is een bundel met 66 gedichten in 4 delen. Bijna alle gedichten zijn ofwel nieuw ofwel herschreven versies van oudere werken. Er komt helaas geen publieke presentatie, omdat ik momenteel geen tijd heb om naar Nederland te komen, maar mensen die mij graag eens met de bundel om de oren willen slaan zijn uitgenodigd naar Istanboel te komen.
Karavanserai is m.i. een geslaagd project waar ik erg trots op ben. De bundeldirect bij de uitgever bestellen kan ook, ga daarvoor naar:
http://www.nieuwamsterdam.nl/karavanserai
Dit is een eenmalige mail in het kader van de inktbesparing. Wist u dat u bijde bundel gratis een kilometer opgedroogde inkt ontvangt? Alleen voorde snelle beslissers.
Met vriendelijke groet,
Martijn Benders
Uitgegeven door Nieuw Amsterdam. Het is een bundel met 66 gedichten in 4 delen. Bijna alle gedichten zijn ofwel nieuw ofwel herschreven versies van oudere werken. Er komt helaas geen publieke presentatie, omdat ik momenteel geen tijd heb om naar Nederland te komen, maar mensen die mij graag eens met de bundel om de oren willen slaan zijn uitgenodigd naar Istanboel te komen.
Karavanserai is m.i. een geslaagd project waar ik erg trots op ben. De bundeldirect bij de uitgever bestellen kan ook, ga daarvoor naar:
http://www.nieuwamsterdam.nl/karavanserai
Dit is een eenmalige mail in het kader van de inktbesparing. Wist u dat u bijde bundel gratis een kilometer opgedroogde inkt ontvangt? Alleen voorde snelle beslissers.
Met vriendelijke groet,
Martijn Benders
thierry's webcolumn
EERST GELOVEN EN DAN ZIEN!
Eerst zien en dan geloven is een foute houding, waarmee de meeste mensen in het leven staan. Hierdoor doen ze zich te kort en missen zij verrijkende ervaringen. Ik draai liever de zaken om: eerst geloven en dan zien.
Indien je zo leeft, ontsluit zich een heel nieuwe wereld, waarin het leven geen strijd meer is, maar waarin een positieve kracht ervoor zorgt dat iedere dag een opwindende gebeurtenis is vol verwondering.
Voor wie het leven letterlijk wil be-leven in plaats van zich te spoeden van het ene denbeeldige doel naar het andere, opent zich een nieuwe horizon. Iedereen kan er immers zelf voor kiezen die positieve wereld te leren kennen door gevoelens van angst, schuld, rancune, agressie en twijfel achter zich te laten en open te staan voor een nieuwe synthese van harmonie, evenwicht, vrede en liefde.
Ook jij ziet in je eigen leven in essentie wat je gelooft. Als je gelooft in geluk en voorspoed, alleen daarover denkt, is de kans heel groot dat je ziet wat je gelooft. Een mens is veel meer dan een lichaam, hij kan denken en voelen, een hoger bewustzijn bezitten. Hij kan putten uit dat onzichtbare deel van hem, hij kan zijn geest op zijn manier gebruiken. Dat mens-zijn heeft geen vorm of lichaam.
Waarom eerst zien en dan geloven? Dit betekent dat je meer belang hecht aan het uiterlijk dan aan kwaliteit, dat je conform de regels leeft, dat je je vasthoudt aan wat bekend is. Uit gemakzucht? Ja, maar vooral uit angst. Je wilt je gewone manier van doen niet veranderen.
Spijtig, want je mist de ervaring van iemand die zijn lichaam voor de deur laat staan, zoals Moslims hun schoenen uittrekken voor ze de moskee binnengaan. Waar ligt de grens van onze verbeeldingskracht? Het deel dan jezelf dat door je gedachten wordt gevormd, is zuivere energie die ervoor zorgt dat ideeën in je geest zich tot woorden verenigen en daarna vorm krijgen op je pc.
Soms ben ik verbijsterd over de tegenstellingen die ik ontwaar en vaststel in mij en omheen mij. En soms heb ik het gevoel dat ik mij op mijn gemak voel bij een tegengesteld iemand of bij een tegenstelling. Twee voorbeelden. Een (staats)vorm heeft regels en wetten en een andere (staats)vorm heeft volledig tegengestelde regels en wetten. In hetzelfde lichaam ben je zowel verlegen als agressief, je bent lui maar je kunt ook hard werken. Je krijgt waardering daar waar je die minst zou verwachten. Dualisme is er altijd en overal. Verstand en intuïtie.
Ik denk soms dat de verste grenzen van mijn leven heel anders zijn dan die van de zichtbare wereld. Moeilijk te verklaren, maar door ermee te leven, door erover te schrijven, ben ik een nieuw mens geworden. Gelukkiger. Energieker. Positiever.
Ik wil immers mijn leven niet laten begrenzen door mijn lichaam. Ik wil verder gaan dan mijn lichaam, verder dan mijn vorm. Ik ben geen rebel die oppositie voert tegen de vorm van deze wereld (de regels en de wetten), maar ik heb het gevoel dat ik mezelf hervorm door vernieuwing van inzicht en onderscheidingsvermogen.
Sommigen noemen dit fenomeen van grensbeeld, grenslijn, grensuitbreiding, grensverleggend, persoonlijke transformatie. Geen bezwaar, het kind moet een naam hebben. Sedert ik schrijf aan het essay Schoon volk in de hemel, betrap ik mij erop tekens en symptomen van innerlijke verandering te ervaren. Zoals: mijn neiging om spontaan te denken en te handelen, het vermogen om (meer en beter) te genieten, verlies van interesse in conflicten, momenten van dankbaarheid, tevredenheid over relaties met anderen en de natuur, een toegenomen gevoeligheid voor liefde.
Ik merk ook dat ik een nieuwe vorm van intelligentie ontwikkel. Ik geniet ervan te lezen over de kwantumtheorie, de relativiteitstheorie, de metafysica. Ik sta meer open voor alles in het universum. Ik hecht ook (nog) minder waarde aan bezitten en verwerven. Ik lijk aan mezelf geen grenzen meer op te leggen. Ik heb geen behoefte meer om mezelf strak te definiëren. Ik zie de wereld niet meer in termen van toeval of ongeluk. Ik heb respect voor de andersdenkende.
Wil dit nu zeggen dat ik mij uitsluitend laat (bege)leiden door mijn gevoel? Door religie? Door het verhaal? Niet (meer) door (de) feiten? Haalt mijn kosmosgevoeligheid het van de wetenschap? Zijn kennis en wetenschap nu ondergeschikt aan spiritualiteit? Neen, ik argumenteer.
De wetenschap zegt ons hoe de wereld in elkaar zit. Maar om te bepalen wat die ontdekkingen betekenen, hebben we behoefte aan een moreel en filosofisch debat.
Het lijkt alsof wetenschappelijk gezag in de plaats treedt van religieus en moreel gezag, en vervolgens tot dogma wordt getransformeerd. Het lijkt of de wetenschap op ieder terrein de opinie bepaalt. Studies worden gebruikt om mensen te vertellen hoe ze met hun relaties en gezinsleven moeten omgaan, wat ze moeten eten, hoeveel alcohol ze mogen drinken, hoeveel uren ze hun huid aan de zon mogen blootstellen en zelfs hoe ze seks moeten hebben. Bijna ieder aspect van het menselijk bestaan wordt besproken in wetenschappelijke termen en gerechtvaardigd met onderzoek. Dat is te eenzijdig, te beperkend, te eigenwijs, te arrogant.
Ik bekijk de wetenschap kritisch en sceptisch. Ik leg haar autoriteit onder de loep en onderwerp haar aan intens moralistische kritiek. Met velen vraag ik mij af of er achter sommige onderzoeken geheime agenda’s of belangen steken. Ik stel ook vast dat het wetenschappelijk advies van vorig jaar al weer wordt tegengesproken door recentere ontdekkingen.
Mijn houding tegenover de wetenschap is erg tegenstrijdig. Ik wil mij niet verschuilen achter het wetenschappelijk gezag, maar tegelijkertijd geloof ik niet helemaal dat wetenschap altijd oplossingen aanbrengt.
En toch, hoe sceptisch ik ook ben, haar invloed reikt ver. Sommigen gebruiken de wetenschap echter als een dogma. “Zó moet het volgens de wetenschap,” claimen zij nogal eens.
Een groot deel van de samenleving wordt niet meer geïnspireerd door religie en overtuigingen. Politici vinden het lastig hun werk en opvattingen te rechtvaardigen in het vocabulaire van de ethiek. Ze verdedigen hun beleid met het argument dat het “op bewijs is gebaseerd”, in plaats van dat het “juist” of “goed” is. In de kringen van beleidsmakers is de taal van “goed” en “kwaad” vervangen door de frase: “Uit onderzoek blijkt...”
Ondanks haar ontzagwekkende intellectuele vermogens kan de wetenschap altijd maar een provisorische oplossing bieden. Historisch is de opkomst van de wetenschap te plaatsen vanuit een worsteling met religieuze dogmatiek. Geloof in de macht van de wetenschap om te ontdekken hoe de wereld in elkaar zit, moet niet worden opgevat alsof de wetenschap zelf een geloof is. Integendeel, wetenschap is afhankelijk van een onbevangen oriëntatie op proefneming en het toetsen van ideeën. Sterker nog: wetenschap is een intrinsiek sceptische bezigheid, want een andere autoriteit dan die van het bewijs respecteert zij niet. En dat noem ik arrogantie!
Wetenschap kan feiten leveren over de manier waarop de wereld functioneert, maar kan niet zo veel zeggen over wat dat allemaal betekent en wat we eraan moeten doen. Zeker, het zoeken naar waarheid vereist wetenschappelijke proefneming en de ontdekking van nieuwe feiten, maar het eist ook antwoorden over de betékenis van die feiten, en die antwoorden kunnen alleen helder worden gemaakt door middel van moreel, filosofisch onderzoek en debat.
Zij die in de wetenschap per se een nieuwe vorm van geopenbaarde waarheid willen zien, zouden eens moeten stilstaan bij de woorden van Pascal: “Wij kennen de waarheid, niet alleen door de rede, maar ook door het hart.”
Thierry Deleu
Eerst zien en dan geloven is een foute houding, waarmee de meeste mensen in het leven staan. Hierdoor doen ze zich te kort en missen zij verrijkende ervaringen. Ik draai liever de zaken om: eerst geloven en dan zien.
Indien je zo leeft, ontsluit zich een heel nieuwe wereld, waarin het leven geen strijd meer is, maar waarin een positieve kracht ervoor zorgt dat iedere dag een opwindende gebeurtenis is vol verwondering.
Voor wie het leven letterlijk wil be-leven in plaats van zich te spoeden van het ene denbeeldige doel naar het andere, opent zich een nieuwe horizon. Iedereen kan er immers zelf voor kiezen die positieve wereld te leren kennen door gevoelens van angst, schuld, rancune, agressie en twijfel achter zich te laten en open te staan voor een nieuwe synthese van harmonie, evenwicht, vrede en liefde.
Ook jij ziet in je eigen leven in essentie wat je gelooft. Als je gelooft in geluk en voorspoed, alleen daarover denkt, is de kans heel groot dat je ziet wat je gelooft. Een mens is veel meer dan een lichaam, hij kan denken en voelen, een hoger bewustzijn bezitten. Hij kan putten uit dat onzichtbare deel van hem, hij kan zijn geest op zijn manier gebruiken. Dat mens-zijn heeft geen vorm of lichaam.
Waarom eerst zien en dan geloven? Dit betekent dat je meer belang hecht aan het uiterlijk dan aan kwaliteit, dat je conform de regels leeft, dat je je vasthoudt aan wat bekend is. Uit gemakzucht? Ja, maar vooral uit angst. Je wilt je gewone manier van doen niet veranderen.
Spijtig, want je mist de ervaring van iemand die zijn lichaam voor de deur laat staan, zoals Moslims hun schoenen uittrekken voor ze de moskee binnengaan. Waar ligt de grens van onze verbeeldingskracht? Het deel dan jezelf dat door je gedachten wordt gevormd, is zuivere energie die ervoor zorgt dat ideeën in je geest zich tot woorden verenigen en daarna vorm krijgen op je pc.
Soms ben ik verbijsterd over de tegenstellingen die ik ontwaar en vaststel in mij en omheen mij. En soms heb ik het gevoel dat ik mij op mijn gemak voel bij een tegengesteld iemand of bij een tegenstelling. Twee voorbeelden. Een (staats)vorm heeft regels en wetten en een andere (staats)vorm heeft volledig tegengestelde regels en wetten. In hetzelfde lichaam ben je zowel verlegen als agressief, je bent lui maar je kunt ook hard werken. Je krijgt waardering daar waar je die minst zou verwachten. Dualisme is er altijd en overal. Verstand en intuïtie.
Ik denk soms dat de verste grenzen van mijn leven heel anders zijn dan die van de zichtbare wereld. Moeilijk te verklaren, maar door ermee te leven, door erover te schrijven, ben ik een nieuw mens geworden. Gelukkiger. Energieker. Positiever.
Ik wil immers mijn leven niet laten begrenzen door mijn lichaam. Ik wil verder gaan dan mijn lichaam, verder dan mijn vorm. Ik ben geen rebel die oppositie voert tegen de vorm van deze wereld (de regels en de wetten), maar ik heb het gevoel dat ik mezelf hervorm door vernieuwing van inzicht en onderscheidingsvermogen.
Sommigen noemen dit fenomeen van grensbeeld, grenslijn, grensuitbreiding, grensverleggend, persoonlijke transformatie. Geen bezwaar, het kind moet een naam hebben. Sedert ik schrijf aan het essay Schoon volk in de hemel, betrap ik mij erop tekens en symptomen van innerlijke verandering te ervaren. Zoals: mijn neiging om spontaan te denken en te handelen, het vermogen om (meer en beter) te genieten, verlies van interesse in conflicten, momenten van dankbaarheid, tevredenheid over relaties met anderen en de natuur, een toegenomen gevoeligheid voor liefde.
Ik merk ook dat ik een nieuwe vorm van intelligentie ontwikkel. Ik geniet ervan te lezen over de kwantumtheorie, de relativiteitstheorie, de metafysica. Ik sta meer open voor alles in het universum. Ik hecht ook (nog) minder waarde aan bezitten en verwerven. Ik lijk aan mezelf geen grenzen meer op te leggen. Ik heb geen behoefte meer om mezelf strak te definiëren. Ik zie de wereld niet meer in termen van toeval of ongeluk. Ik heb respect voor de andersdenkende.
Wil dit nu zeggen dat ik mij uitsluitend laat (bege)leiden door mijn gevoel? Door religie? Door het verhaal? Niet (meer) door (de) feiten? Haalt mijn kosmosgevoeligheid het van de wetenschap? Zijn kennis en wetenschap nu ondergeschikt aan spiritualiteit? Neen, ik argumenteer.
De wetenschap zegt ons hoe de wereld in elkaar zit. Maar om te bepalen wat die ontdekkingen betekenen, hebben we behoefte aan een moreel en filosofisch debat.
Het lijkt alsof wetenschappelijk gezag in de plaats treedt van religieus en moreel gezag, en vervolgens tot dogma wordt getransformeerd. Het lijkt of de wetenschap op ieder terrein de opinie bepaalt. Studies worden gebruikt om mensen te vertellen hoe ze met hun relaties en gezinsleven moeten omgaan, wat ze moeten eten, hoeveel alcohol ze mogen drinken, hoeveel uren ze hun huid aan de zon mogen blootstellen en zelfs hoe ze seks moeten hebben. Bijna ieder aspect van het menselijk bestaan wordt besproken in wetenschappelijke termen en gerechtvaardigd met onderzoek. Dat is te eenzijdig, te beperkend, te eigenwijs, te arrogant.
Ik bekijk de wetenschap kritisch en sceptisch. Ik leg haar autoriteit onder de loep en onderwerp haar aan intens moralistische kritiek. Met velen vraag ik mij af of er achter sommige onderzoeken geheime agenda’s of belangen steken. Ik stel ook vast dat het wetenschappelijk advies van vorig jaar al weer wordt tegengesproken door recentere ontdekkingen.
Mijn houding tegenover de wetenschap is erg tegenstrijdig. Ik wil mij niet verschuilen achter het wetenschappelijk gezag, maar tegelijkertijd geloof ik niet helemaal dat wetenschap altijd oplossingen aanbrengt.
En toch, hoe sceptisch ik ook ben, haar invloed reikt ver. Sommigen gebruiken de wetenschap echter als een dogma. “Zó moet het volgens de wetenschap,” claimen zij nogal eens.
Een groot deel van de samenleving wordt niet meer geïnspireerd door religie en overtuigingen. Politici vinden het lastig hun werk en opvattingen te rechtvaardigen in het vocabulaire van de ethiek. Ze verdedigen hun beleid met het argument dat het “op bewijs is gebaseerd”, in plaats van dat het “juist” of “goed” is. In de kringen van beleidsmakers is de taal van “goed” en “kwaad” vervangen door de frase: “Uit onderzoek blijkt...”
Ondanks haar ontzagwekkende intellectuele vermogens kan de wetenschap altijd maar een provisorische oplossing bieden. Historisch is de opkomst van de wetenschap te plaatsen vanuit een worsteling met religieuze dogmatiek. Geloof in de macht van de wetenschap om te ontdekken hoe de wereld in elkaar zit, moet niet worden opgevat alsof de wetenschap zelf een geloof is. Integendeel, wetenschap is afhankelijk van een onbevangen oriëntatie op proefneming en het toetsen van ideeën. Sterker nog: wetenschap is een intrinsiek sceptische bezigheid, want een andere autoriteit dan die van het bewijs respecteert zij niet. En dat noem ik arrogantie!
Wetenschap kan feiten leveren over de manier waarop de wereld functioneert, maar kan niet zo veel zeggen over wat dat allemaal betekent en wat we eraan moeten doen. Zeker, het zoeken naar waarheid vereist wetenschappelijke proefneming en de ontdekking van nieuwe feiten, maar het eist ook antwoorden over de betékenis van die feiten, en die antwoorden kunnen alleen helder worden gemaakt door middel van moreel, filosofisch onderzoek en debat.
Zij die in de wetenschap per se een nieuwe vorm van geopenbaarde waarheid willen zien, zouden eens moeten stilstaan bij de woorden van Pascal: “Wij kennen de waarheid, niet alleen door de rede, maar ook door het hart.”
Thierry Deleu
7 Koerdische auteurs!
De literaire vereniging "Het beschrijf" en het "Koerdisch Instituut Brussel" nodigen u van harte uit om kennis te maken met zeven Koerdische auteurs uit verschillende windstreken,
in Passa Porta, op vrijdag 18 april om 20 uur.
Wat is Koerdische Literatuur? De schrijvers praten over de grenzen van de Koerdische letteren en lezen voor uit hun werk. Erwin Jans praat met Sahînê Bekirê Soreklî, Helim Yusiv, Konê Resh en Hêvi Berwari over het emancipatieproces van de Koerdische literatuur. Ibrahim Selman, Hasan Kaya en Ferhad Pirbal lezen voor uit hun werk.
Muzikanten Dilovan & Hekim zorgen voor muzikale intermezzo’s.
Diezelfde avond wordt het themanummer van het literaire tijdschrift "Deus ex Machina" over de Koerdische letteren voorgesteld.
Na afloop bieden we u een feestelijke receptie aan, in Koerdische traditie, met muziek en specialiteiten.
Op zaterdag 19 april om 20u presenteren de auteurs een brief aan Europa uit Koerdistan, die ze samen schreven. Deze brief vormt het uitgangspunt van een gespreksavond over de rol die de EU kan spelen in de Koerdische kwestie. Dirk Tieleman leidt het gesprek tussen Ibrahim Selman, Hasan Kaya en Ferhad Pirbal in goede banen.
Gedichten en kortverhalen van Sahînê Bekirê Soreklî, Konê Resh, Hêlim Yûsiv en Hêvi Berwari illustreren het thema. Met muzikale adempauzes van muzikanten Dilovan & Hekim.
Passa Porta, Internationaal Literatuurhuis, Dansaertstraat 46, 1000 Brussel
Simultaanvertaling naar het Nederlands en het Frans is voorzien.
Wij hopen u te kunnen verwelkomen bij deze bijzondere ontmoetingen.
Met vriendelijke groet,
Sigrid Bousset
Derwich Ferho
Gelieve uw aanwezigheid te bevestigen voor donderdag 17 april : fax 02 217 26 08 of info@beschrijf.be
in Passa Porta, op vrijdag 18 april om 20 uur.
Wat is Koerdische Literatuur? De schrijvers praten over de grenzen van de Koerdische letteren en lezen voor uit hun werk. Erwin Jans praat met Sahînê Bekirê Soreklî, Helim Yusiv, Konê Resh en Hêvi Berwari over het emancipatieproces van de Koerdische literatuur. Ibrahim Selman, Hasan Kaya en Ferhad Pirbal lezen voor uit hun werk.
Muzikanten Dilovan & Hekim zorgen voor muzikale intermezzo’s.
Diezelfde avond wordt het themanummer van het literaire tijdschrift "Deus ex Machina" over de Koerdische letteren voorgesteld.
Na afloop bieden we u een feestelijke receptie aan, in Koerdische traditie, met muziek en specialiteiten.
Op zaterdag 19 april om 20u presenteren de auteurs een brief aan Europa uit Koerdistan, die ze samen schreven. Deze brief vormt het uitgangspunt van een gespreksavond over de rol die de EU kan spelen in de Koerdische kwestie. Dirk Tieleman leidt het gesprek tussen Ibrahim Selman, Hasan Kaya en Ferhad Pirbal in goede banen.
Gedichten en kortverhalen van Sahînê Bekirê Soreklî, Konê Resh, Hêlim Yûsiv en Hêvi Berwari illustreren het thema. Met muzikale adempauzes van muzikanten Dilovan & Hekim.
Passa Porta, Internationaal Literatuurhuis, Dansaertstraat 46, 1000 Brussel
Simultaanvertaling naar het Nederlands en het Frans is voorzien.
Wij hopen u te kunnen verwelkomen bij deze bijzondere ontmoetingen.
Met vriendelijke groet,
Sigrid Bousset
Derwich Ferho
Gelieve uw aanwezigheid te bevestigen voor donderdag 17 april : fax 02 217 26 08 of info@beschrijf.be
Schilderijen Luk Van Holen - Keramiek van Jean Szostek
Graag nodigen we u vriendelijk uit op de vernissage zondag 20 april 2008
van onze volgende tentoonstelling :
'Schilderijen' Luk Van Holen
'Keramiek' Jean Szostek
Tentoonstelling van 20 april t.e.m. 25 mei 2008
Open op zondag van 14u tot 18u - anders altijd vrijblijvend na afspraak.
In bijlage kunt U de uitnodiging vinden.
Gelieve deze mail eventueel door te sturen a.u.b. aan kunstminnenden u bekend.
Wenst u in de toekomst geen e-mails met uitnodiging meer te ontvangen of ontvangt u ze dubbel, stuur dan een mailtje terug info@hartistic.com met de vermelding schrappen of de soort wijziging.
Vriendelijke groeten,
Stefaan GoethalsVooruitgangsstraat 8B-8900 Ieper
Tel / Fax : +32 (0)57 209333
E-mail : info@hartistic.com
Web-site : http://www.geocities.com/galerij_hartistic
van onze volgende tentoonstelling :
'Schilderijen' Luk Van Holen
'Keramiek' Jean Szostek
Tentoonstelling van 20 april t.e.m. 25 mei 2008
Open op zondag van 14u tot 18u - anders altijd vrijblijvend na afspraak.
In bijlage kunt U de uitnodiging vinden.
Gelieve deze mail eventueel door te sturen a.u.b. aan kunstminnenden u bekend.
Wenst u in de toekomst geen e-mails met uitnodiging meer te ontvangen of ontvangt u ze dubbel, stuur dan een mailtje terug info@hartistic.com met de vermelding schrappen of de soort wijziging.
Vriendelijke groeten,
Stefaan GoethalsVooruitgangsstraat 8B-8900 Ieper
Tel / Fax : +32 (0)57 209333
E-mail : info@hartistic.com
Web-site : http://www.geocities.com/galerij_hartistic
9 april 2008
Lambertus van Sint-Omaars beschrijft de wereld - Bert Bevers
As van hout is taal hier, geen lucht.
Lambertus van Sint-Omaars beschrijft de wereld. Door Bert Bevers.
Je laat me binnen. Wat een entree. Met deze eerste woorden voelt de lezer zich meteen aangesproken, wel wetend dat de 30 x 7 regels een dialoog door de tijd heen vormen tussen Bert Bevers en Lambertus. Het is genoegzaam bekend dat Bevers van encyclopedieën houdt en ook van vogel- en plantenboeken met het juiste woord voor elke soort. Als zijn naamgenoot dan blijkt de eerste encyclopedie te hebben samengesteld, kon een reactie moeilijk uitblijven.
In het eerste gedicht stelt Bert zich niet alleen aan Lambertus maar ook aan ons voor en deelt zijn verbazing over wat Lambertus nog niet kon weten. Zo sluipt de tijd in de bundel binnen. Meteen vanaf het begin wordt de "vooruitgang" geschetst maar begint ook de inleving en het samenvallen. In het tweede gedicht kijkt BB al door de ogen van de ander. Hier komen de zintuigen sterk aan bod, zoals trouwens in de hele bundel. Het is een leuke verrassing bij zo’n erudiete bundel dat de taal ervan zo lichamelijk is. Hierdoor wordt het verstrijken van de tijd opgeschort, de zintuigen zijn immers des mensen. De eruditie schemert van bij het begin door, handig verpakt in de verzen. Het is zeker nuttig ook de noten achteraan te raadplegen. Achteraf, want het leesplezier is er niet minder om als je, bij de citaten uit de middeleeuwen en de psalmen, dit niet meteen door hebt. Met het katholicisme als achtergrond krijg je de lectuurlijst van Lambertus die dan blijkt niet van de wereld los te zijn maar onthecht in kennis. In het tweede gedicht staat meteen het eerste "weten" van de bundel. In een aanzienlijk aantal gedichten kent of weet "men", "hij" of "wij", vaak gevolgd door een spreuk of levenswijsheid zonder ooit te vervallen in clichés. Een voorbeeld en let op de mooie alliteratie:
X
Vissers knopen hun netten met zekere hand.
Zij weten dat je troebel water niet klaart
door het terug te voeren naar de bron. Zij
danken hun vrouwe voor haar golven van
gratie in glazen woorden, gesuikerde blik.
Etudes voor het zoekende hart. In verre,
verre steden zijn reeds fresco’s in verval.
Je vindt veel taaloverwegingen in de bundel, met mooie nieuwvormingen en geredde oude taal die een nieuw leven krijgt in het springlevende heden van deze bundel. Bert verplaatst zich zeer bewust in de tijd en de ander door het bedenken van beelden en sensaties tijdens het schrijven. Je vindt geen rijm, wel verrassende enjambementen, stafrijm en een opvallend ritme van een groot aantal jambische verzen zonder ooit in een dreunende cadans te vervallen. Dit komt mede door het gebruik van vele lange woorden, een typisch kenmerk van een oudere preciezere taal. Een scherp kontrast met de sms-taal van vandaag en het onverdraaglijke blitse gebabbel van de TV.
Gedicht XV ontdubbelt. Wie Bert Bevers een beetje kent, herkent zijn rosse kater en voorliefde voor bier, het lekker water. De innerlijke mens wordt in deze bundel niet enkel verheven door geloof en kennis, maar er wordt ook gefeest, gelaafd en gespijsd: brood en spek voor de rauwe honger, pens, specerij en gestoofde kool, in een synesthesie beschreven in ambergrijze geuren...
Een ander boeiend aspect is dat er geen kaart mag zijn van dat verleden, alsof de schat die daar verborgen ligt dan geroofd zou worden. Hij gebruikt de woorden verstrooid/ onbruikbaar als reepjes plattegrond. Zo mooi en integer hoorde ik nooit iemand de benadering omschrijven van wat was. Bevers gebruikt daarvoor ook oude teksten en oude in vergetelheid geraakte woorden en de precisie van de taal, het nooit eindigende wonder.
XVII
Hij benadert perkament voorzichtig, de lippen
argeloos gespannen als bij een kind dat lezen leert.
Dat hij zonder moeite begrijpen kan wat eerdere
geleerden noteerden blijft een wonder zonder kop
of staart. Hij geniet bij zwoelten van eigen haard.
Een amerij lang ziet hij sprenkelingen van ranonkels,
Zilverkruid en gentiaanblauw. Alles luistert nauw.
De opbouw van de bundel en de strakke vorm van gedichten van vijf regels plus twee werkt. Zo wordt het verband niet alleen inhoudelijk. Ook het visuele van de bundel geeft rust en in de vorm is het bondgenootschap tussen de verschillende gedichten erg hecht. XXIX is een actueel gedicht, een vredesgedicht, verzet tegen een door een imperium gevoerde oorlog waarvoor de soldaten altijd de prijs betalen.
Titaanzwart geweld slaat in gindse gewesten
vrede aan gruzelementen. Verspreide slagordes
in flou licht. Hier weten wij gelukkig al lang
dat op de zomers van generaals de winters
van soldaten volgen, hoe we de dingen begrijpen
die we niet gezegd kunnen krijgen. Vergeet
de echo’s niet en maak van galgen hutten.
Een mooie, sterke, intrigerende, geraffineerde bundel, geheel naar het evenbeeld van Bert Bevers.
Lambertus van Sint-Omaars beschrijft de wereld, Bert Bevers
2007/ Een Eigen-zinnige uitgave
verantwoordelijk uitgever: François Vermeulen.
Annmarie Sauer
Antwerpen
7 april 2008
Lambertus van Sint-Omaars beschrijft de wereld. Door Bert Bevers.
Je laat me binnen. Wat een entree. Met deze eerste woorden voelt de lezer zich meteen aangesproken, wel wetend dat de 30 x 7 regels een dialoog door de tijd heen vormen tussen Bert Bevers en Lambertus. Het is genoegzaam bekend dat Bevers van encyclopedieën houdt en ook van vogel- en plantenboeken met het juiste woord voor elke soort. Als zijn naamgenoot dan blijkt de eerste encyclopedie te hebben samengesteld, kon een reactie moeilijk uitblijven.
In het eerste gedicht stelt Bert zich niet alleen aan Lambertus maar ook aan ons voor en deelt zijn verbazing over wat Lambertus nog niet kon weten. Zo sluipt de tijd in de bundel binnen. Meteen vanaf het begin wordt de "vooruitgang" geschetst maar begint ook de inleving en het samenvallen. In het tweede gedicht kijkt BB al door de ogen van de ander. Hier komen de zintuigen sterk aan bod, zoals trouwens in de hele bundel. Het is een leuke verrassing bij zo’n erudiete bundel dat de taal ervan zo lichamelijk is. Hierdoor wordt het verstrijken van de tijd opgeschort, de zintuigen zijn immers des mensen. De eruditie schemert van bij het begin door, handig verpakt in de verzen. Het is zeker nuttig ook de noten achteraan te raadplegen. Achteraf, want het leesplezier is er niet minder om als je, bij de citaten uit de middeleeuwen en de psalmen, dit niet meteen door hebt. Met het katholicisme als achtergrond krijg je de lectuurlijst van Lambertus die dan blijkt niet van de wereld los te zijn maar onthecht in kennis. In het tweede gedicht staat meteen het eerste "weten" van de bundel. In een aanzienlijk aantal gedichten kent of weet "men", "hij" of "wij", vaak gevolgd door een spreuk of levenswijsheid zonder ooit te vervallen in clichés. Een voorbeeld en let op de mooie alliteratie:
X
Vissers knopen hun netten met zekere hand.
Zij weten dat je troebel water niet klaart
door het terug te voeren naar de bron. Zij
danken hun vrouwe voor haar golven van
gratie in glazen woorden, gesuikerde blik.
Etudes voor het zoekende hart. In verre,
verre steden zijn reeds fresco’s in verval.
Je vindt veel taaloverwegingen in de bundel, met mooie nieuwvormingen en geredde oude taal die een nieuw leven krijgt in het springlevende heden van deze bundel. Bert verplaatst zich zeer bewust in de tijd en de ander door het bedenken van beelden en sensaties tijdens het schrijven. Je vindt geen rijm, wel verrassende enjambementen, stafrijm en een opvallend ritme van een groot aantal jambische verzen zonder ooit in een dreunende cadans te vervallen. Dit komt mede door het gebruik van vele lange woorden, een typisch kenmerk van een oudere preciezere taal. Een scherp kontrast met de sms-taal van vandaag en het onverdraaglijke blitse gebabbel van de TV.
Gedicht XV ontdubbelt. Wie Bert Bevers een beetje kent, herkent zijn rosse kater en voorliefde voor bier, het lekker water. De innerlijke mens wordt in deze bundel niet enkel verheven door geloof en kennis, maar er wordt ook gefeest, gelaafd en gespijsd: brood en spek voor de rauwe honger, pens, specerij en gestoofde kool, in een synesthesie beschreven in ambergrijze geuren...
Een ander boeiend aspect is dat er geen kaart mag zijn van dat verleden, alsof de schat die daar verborgen ligt dan geroofd zou worden. Hij gebruikt de woorden verstrooid/ onbruikbaar als reepjes plattegrond. Zo mooi en integer hoorde ik nooit iemand de benadering omschrijven van wat was. Bevers gebruikt daarvoor ook oude teksten en oude in vergetelheid geraakte woorden en de precisie van de taal, het nooit eindigende wonder.
XVII
Hij benadert perkament voorzichtig, de lippen
argeloos gespannen als bij een kind dat lezen leert.
Dat hij zonder moeite begrijpen kan wat eerdere
geleerden noteerden blijft een wonder zonder kop
of staart. Hij geniet bij zwoelten van eigen haard.
Een amerij lang ziet hij sprenkelingen van ranonkels,
Zilverkruid en gentiaanblauw. Alles luistert nauw.
De opbouw van de bundel en de strakke vorm van gedichten van vijf regels plus twee werkt. Zo wordt het verband niet alleen inhoudelijk. Ook het visuele van de bundel geeft rust en in de vorm is het bondgenootschap tussen de verschillende gedichten erg hecht. XXIX is een actueel gedicht, een vredesgedicht, verzet tegen een door een imperium gevoerde oorlog waarvoor de soldaten altijd de prijs betalen.
Titaanzwart geweld slaat in gindse gewesten
vrede aan gruzelementen. Verspreide slagordes
in flou licht. Hier weten wij gelukkig al lang
dat op de zomers van generaals de winters
van soldaten volgen, hoe we de dingen begrijpen
die we niet gezegd kunnen krijgen. Vergeet
de echo’s niet en maak van galgen hutten.
Een mooie, sterke, intrigerende, geraffineerde bundel, geheel naar het evenbeeld van Bert Bevers.
Lambertus van Sint-Omaars beschrijft de wereld, Bert Bevers
2007/ Een Eigen-zinnige uitgave
verantwoordelijk uitgever: François Vermeulen.
Annmarie Sauer
Antwerpen
7 april 2008
8 april 2008
Dany Vandenbossche nodigt uit!
Beste
Het concert van de vzw De Verenigde Muze in Muziekcentrum De Bijloke op 11 mei met Dirk Blanchaert en Manfred Mann's Earthband is nu zichtbaar in de stad en de kaarten zijn te koop in FNAC en FREETIME.
De kaartenverkoop geraakt stilletjes aan op kruissnelheid. Kaarten zijn nog steeds bij mij te verkrijgen aan 20 euro of VIP kaarten aan 50 euro door overschrijving op het nummer 063-8842280-86 t.n.v. Dany Vandenbossche of in De Muze, Rekelingestraat 3 te Gent. Kaarten zijn verkrijgbaar zolang de voorraad strekt. We stevenen opnieuw op een uitverkoop af!
Ik nodig u ook graag uit op het 157e. Stationsaperitief in het station van Gentbrugge "de Statie".
Deze keer zit het jonge filmtalent Christophe Van Rompaey, regisseur van "Aanrijding in Moskou" aan tafel, Roel Van Bambost stelt de vragen.
Dit alles op zondag 20 april om 11u00, toegang is gratis.
Tenslotte nodig ik u graag uit voor de laatste voorstellingen van Vlernica in de Vooruit op vrijdag 18 en 19 april in de theaterzaal.
Tickets kosten 16 euro bij www.vooruit.be.
Het gaat om het multimediale project rond de Baskische kinderen die tijdens de Spaanse burgeroorlog in Gent werden opgevangen door families. Sommigen bouwden hier verder hun leven op.
Niet te missen!!
Mvg
Dany Vandenbossche
Het concert van de vzw De Verenigde Muze in Muziekcentrum De Bijloke op 11 mei met Dirk Blanchaert en Manfred Mann's Earthband is nu zichtbaar in de stad en de kaarten zijn te koop in FNAC en FREETIME.
De kaartenverkoop geraakt stilletjes aan op kruissnelheid. Kaarten zijn nog steeds bij mij te verkrijgen aan 20 euro of VIP kaarten aan 50 euro door overschrijving op het nummer 063-8842280-86 t.n.v. Dany Vandenbossche of in De Muze, Rekelingestraat 3 te Gent. Kaarten zijn verkrijgbaar zolang de voorraad strekt. We stevenen opnieuw op een uitverkoop af!
Ik nodig u ook graag uit op het 157e. Stationsaperitief in het station van Gentbrugge "de Statie".
Deze keer zit het jonge filmtalent Christophe Van Rompaey, regisseur van "Aanrijding in Moskou" aan tafel, Roel Van Bambost stelt de vragen.
Dit alles op zondag 20 april om 11u00, toegang is gratis.
Tenslotte nodig ik u graag uit voor de laatste voorstellingen van Vlernica in de Vooruit op vrijdag 18 en 19 april in de theaterzaal.
Tickets kosten 16 euro bij www.vooruit.be.
Het gaat om het multimediale project rond de Baskische kinderen die tijdens de Spaanse burgeroorlog in Gent werden opgevangen door families. Sommigen bouwden hier verder hun leven op.
Niet te missen!!
Mvg
Dany Vandenbossche
Oostduinkerkse brieven - 8
Beste vriend,
Straks komen journalist Dany Van Loo en fotograaf Fernand Schreel voor een interview in “Het Wekelijks Nieuws” - editie Kust, voor de reeks “Op de stoel”. Veertig jaar geleden had ik de bibber, nu ontvang ik de mensen met koffie en een stukje taart. Om op ons gemak te kunnen babbelen over koetjes en kalfjes en af en toe eens over mijn boeken. Ik vind het fijn als de journalist mij ook iets vraagt over mijn werk en mijn overtuiging, kortom: over “mijn gedacht”. En je weet het: ik heb een gedacht! Het keyword hier is respect en toch maak ik vijanden en doe ik vrienden twijfelen. Hoe kan het?
Misschien ben ik te individualistisch? Of te tolerant voor de andersdenkende? Of wil ik mij niet laten inpakken? Of ben ik niet “fundamentalistisch” genoeg in (wat anderen) “mijn” overtuiging noemen? Of ben ik niet duidelijk genoeg? Of kunnen zij mijn nieuwzucht niet aan? Of stel ik mij te veel vragen? Of creëer ik bij hen twijfels en zij twijfelen niet graag? Of ben ik gewoon onuitstaanbaar knap? Of vervelend? Of eigenwijs? Of te weinig wetenschappelijk en te veel spiritueel? Of kunnen zij mij niet “vangen” in de netten van hun “waarheid”?
Ik weet het niet, ik weet het wel, maar ik wil het ook van hen horen. Wat wil die mens nu eigenlijk? Is hij een atheïst? Is hij een agnost? Is hij een gnosticus? Is hij een vrijdenker? Is hij een humanist? Is hij een gelovige? Is hij een bekeerde? Ik ben wie ik ben! Een zoekende in de woestijn? Een schakel tussen oud en nieuw, tussen geloof en wetenschap? Tussen aards en kosmosgevoelig?
Opgelet, ik maak mij daar geen zorgen over. Ik ben altijd bereid tot een gesprek, maar dan met gelijke wapens, evenveel goede wil, respect, geen bekeringszucht of sloganeske taal. En dat lukt blijkbaar niet. Wie is bang van wie? Of stel ik de foute vraag: wie is jaloers van wie? Wie is nijdig van wie? Wie kan zich niet neerleggen, bij het (relatief) succes van wie?
Het tweemaandelijks onafhankelijk vrijzinnig tijdschrift "Zoeklicht" (met afzendredactie Marksesteenweg 47 - 8500 Kortrijk) weigert ineens mijn bijdragen, omdat “de redactieraad van 'Zoeklicht' van mening is dat mijn bijdragen te weinig geargumenteerd en te weinig gefundeerd zijn om ze (nog verder) op te nemen."
Is dit de echte reden? Of is het veeleer omdat “ook niemand bereid bleek om op mijn meningen te repliceren, bij gebrek aan duidelijke stellingen en beweringen waarop men kan repliceren of omdat vele van mijn stellingen en beweringen al talloze keren ten gronde werden weerlegd in andere publicaties?"
Over welke meningen, stellingen en beweringen gaat het? Wat betekent exact “ten gronde weerlegd”? Wie bepaalt “de grond van de zaak”?
De belangrijkste vraag is echter: “Wat bedoelt 'Zoeklicht' met vrije meningsuiting?” Is dat het negeren van andermans (afwijkende) mening en/of overtuiging om niet aan “nestbevuiling” te doen? Zijn vrijzinnigheid en vrijdenkerij het alleenrecht van “ongelovigen” en “atheïsten”? Hoe kun je nu opkomen voor vrijheid van mening en handelen als je dit recht uitsluitend toekent aan de “eigen groep”?
Ben ik nu een afvallige, een ketter, één door de inquisitie vervolgde? Ben ik het paard van Troje?
Soit, ik ben wie ik ben. En dat is: zoekende, onderzoekende, vrij onderzoekende, die tijd maakt om te lezen, om zich te documenteren, om “zijn gedachten” op papier te zetten. Zijn vele van mijn vrienden enkel “clubfanaten”, die niet graag nadenken over mensen en dingen, over wat hen overkomt en wat hen drijft (ik lijk wel Jambers!), “gezelligheidsmensen” die het liefst zich gesetteld voelen in één waarheid en met een gerust (?) geweten genieten van de groep waar zij bijhoren? Ik weet het niet. Wat ik wel weet, is dat ik een hekel heb aan “absolute” waarheden, aan fundamentalistisch denken en handelen van mensen die hokken in de uiterste hoek van onze samenleving - rechts of links, kop of staart - waar je godsdienstfanatici en atheïsten aantreft.
Straks komen dus Dany Van Loo en Fernand Schreel…
De fotograaf is geweest, freelancer, en gepensioneerde gemeenteambtenaar, een beminnelijk man en goede vriend van José Chamon. Hij vertelde mij over het wel en wee van een freelance fotograaf. Dit verhaal ken ik echter al jaren van mijn zoon Henk. De (beroeps)fotografen hebben het moeilijk om de touwtjes (stevig) in handen te houden. Nu Henk werkt als ingeschreven fotograaf voor het persagentschap Jan Verbeke verdient hij weer goed zijn boterham. En het moet, want hij heeft vele grilletjes en doet graag een folietje (zoals zijn vader, zegt Ginette).
Zo de vader, zo de zoon past wonderwel voor Henk en ik: beiden hebben wij een (farmaceutisch) steuntje nodig om sociaal over te komen (daarom zijn wij het nog niet), we hebben al eens last van een deprietje, kunnen ons ergeren aan onkunde en domheid, hebben graag iets nieuws, durven meer uitgeven dan er binnenkomt (inkomt, eigenlijk), tonen ons stoerder dan we zijn…
Van Loo komt pas morgenvroeg om 8.30 u. Amai zeg, een vroege vogel.
Een vlotte man, een vlotte pen, een ervaren rot in het vak (hij maakte reportages in Afghanistan, de V.S., India, enz. voor “Het Nieuwsblad” en “Het Wekelijks Nieuws”). Ik zou gerust met hem bevriend kunnen zijn. Het klikte. Ook Ginette vond hem een toffe gast. En dat spreekt boekdelen!
Wij spraken over mijn drie carrières: het onderwijs, de literatuur en de politiek. Uitgebreid. Soms een beetje verwarrend voor hem: al die uitdagingen, prestaties, ervaringen, functies, boeken, overtuigingen… Ik vraag mij af wat dit alles overzichtelijk aan het papier kan worden toevertrouwd. Maar ja, dit het is misschien de bedoeling niet. Soit, Dany zal het wel weten effen te boksen.
Ik was vanmorgen dus vroeg uit de veren. Te vroeg: ik word moe. Ik ben nu eenmaal geen genieter van de morgenstond.
Slaap wel!
Thierry
Straks komen journalist Dany Van Loo en fotograaf Fernand Schreel voor een interview in “Het Wekelijks Nieuws” - editie Kust, voor de reeks “Op de stoel”. Veertig jaar geleden had ik de bibber, nu ontvang ik de mensen met koffie en een stukje taart. Om op ons gemak te kunnen babbelen over koetjes en kalfjes en af en toe eens over mijn boeken. Ik vind het fijn als de journalist mij ook iets vraagt over mijn werk en mijn overtuiging, kortom: over “mijn gedacht”. En je weet het: ik heb een gedacht! Het keyword hier is respect en toch maak ik vijanden en doe ik vrienden twijfelen. Hoe kan het?
Misschien ben ik te individualistisch? Of te tolerant voor de andersdenkende? Of wil ik mij niet laten inpakken? Of ben ik niet “fundamentalistisch” genoeg in (wat anderen) “mijn” overtuiging noemen? Of ben ik niet duidelijk genoeg? Of kunnen zij mijn nieuwzucht niet aan? Of stel ik mij te veel vragen? Of creëer ik bij hen twijfels en zij twijfelen niet graag? Of ben ik gewoon onuitstaanbaar knap? Of vervelend? Of eigenwijs? Of te weinig wetenschappelijk en te veel spiritueel? Of kunnen zij mij niet “vangen” in de netten van hun “waarheid”?
Ik weet het niet, ik weet het wel, maar ik wil het ook van hen horen. Wat wil die mens nu eigenlijk? Is hij een atheïst? Is hij een agnost? Is hij een gnosticus? Is hij een vrijdenker? Is hij een humanist? Is hij een gelovige? Is hij een bekeerde? Ik ben wie ik ben! Een zoekende in de woestijn? Een schakel tussen oud en nieuw, tussen geloof en wetenschap? Tussen aards en kosmosgevoelig?
Opgelet, ik maak mij daar geen zorgen over. Ik ben altijd bereid tot een gesprek, maar dan met gelijke wapens, evenveel goede wil, respect, geen bekeringszucht of sloganeske taal. En dat lukt blijkbaar niet. Wie is bang van wie? Of stel ik de foute vraag: wie is jaloers van wie? Wie is nijdig van wie? Wie kan zich niet neerleggen, bij het (relatief) succes van wie?
Het tweemaandelijks onafhankelijk vrijzinnig tijdschrift "Zoeklicht" (met afzendredactie Marksesteenweg 47 - 8500 Kortrijk) weigert ineens mijn bijdragen, omdat “de redactieraad van 'Zoeklicht' van mening is dat mijn bijdragen te weinig geargumenteerd en te weinig gefundeerd zijn om ze (nog verder) op te nemen."
Is dit de echte reden? Of is het veeleer omdat “ook niemand bereid bleek om op mijn meningen te repliceren, bij gebrek aan duidelijke stellingen en beweringen waarop men kan repliceren of omdat vele van mijn stellingen en beweringen al talloze keren ten gronde werden weerlegd in andere publicaties?"
Over welke meningen, stellingen en beweringen gaat het? Wat betekent exact “ten gronde weerlegd”? Wie bepaalt “de grond van de zaak”?
De belangrijkste vraag is echter: “Wat bedoelt 'Zoeklicht' met vrije meningsuiting?” Is dat het negeren van andermans (afwijkende) mening en/of overtuiging om niet aan “nestbevuiling” te doen? Zijn vrijzinnigheid en vrijdenkerij het alleenrecht van “ongelovigen” en “atheïsten”? Hoe kun je nu opkomen voor vrijheid van mening en handelen als je dit recht uitsluitend toekent aan de “eigen groep”?
Ben ik nu een afvallige, een ketter, één door de inquisitie vervolgde? Ben ik het paard van Troje?
Soit, ik ben wie ik ben. En dat is: zoekende, onderzoekende, vrij onderzoekende, die tijd maakt om te lezen, om zich te documenteren, om “zijn gedachten” op papier te zetten. Zijn vele van mijn vrienden enkel “clubfanaten”, die niet graag nadenken over mensen en dingen, over wat hen overkomt en wat hen drijft (ik lijk wel Jambers!), “gezelligheidsmensen” die het liefst zich gesetteld voelen in één waarheid en met een gerust (?) geweten genieten van de groep waar zij bijhoren? Ik weet het niet. Wat ik wel weet, is dat ik een hekel heb aan “absolute” waarheden, aan fundamentalistisch denken en handelen van mensen die hokken in de uiterste hoek van onze samenleving - rechts of links, kop of staart - waar je godsdienstfanatici en atheïsten aantreft.
Straks komen dus Dany Van Loo en Fernand Schreel…
De fotograaf is geweest, freelancer, en gepensioneerde gemeenteambtenaar, een beminnelijk man en goede vriend van José Chamon. Hij vertelde mij over het wel en wee van een freelance fotograaf. Dit verhaal ken ik echter al jaren van mijn zoon Henk. De (beroeps)fotografen hebben het moeilijk om de touwtjes (stevig) in handen te houden. Nu Henk werkt als ingeschreven fotograaf voor het persagentschap Jan Verbeke verdient hij weer goed zijn boterham. En het moet, want hij heeft vele grilletjes en doet graag een folietje (zoals zijn vader, zegt Ginette).
Zo de vader, zo de zoon past wonderwel voor Henk en ik: beiden hebben wij een (farmaceutisch) steuntje nodig om sociaal over te komen (daarom zijn wij het nog niet), we hebben al eens last van een deprietje, kunnen ons ergeren aan onkunde en domheid, hebben graag iets nieuws, durven meer uitgeven dan er binnenkomt (inkomt, eigenlijk), tonen ons stoerder dan we zijn…
Van Loo komt pas morgenvroeg om 8.30 u. Amai zeg, een vroege vogel.
Een vlotte man, een vlotte pen, een ervaren rot in het vak (hij maakte reportages in Afghanistan, de V.S., India, enz. voor “Het Nieuwsblad” en “Het Wekelijks Nieuws”). Ik zou gerust met hem bevriend kunnen zijn. Het klikte. Ook Ginette vond hem een toffe gast. En dat spreekt boekdelen!
Wij spraken over mijn drie carrières: het onderwijs, de literatuur en de politiek. Uitgebreid. Soms een beetje verwarrend voor hem: al die uitdagingen, prestaties, ervaringen, functies, boeken, overtuigingen… Ik vraag mij af wat dit alles overzichtelijk aan het papier kan worden toevertrouwd. Maar ja, dit het is misschien de bedoeling niet. Soit, Dany zal het wel weten effen te boksen.
Ik was vanmorgen dus vroeg uit de veren. Te vroeg: ik word moe. Ik ben nu eenmaal geen genieter van de morgenstond.
Slaap wel!
Thierry
Nieuw netbook nr. 57
NANCY A. HENRY (USA) - INTIMATE THORN / INTIEME DOORN - 70 pagina's, vertaling : Henri Thijs
url: http://www.hetprieeltje.net/netbook57/index.html
De virtuele bibliotheek van Het Prieeltje Online groeit zienderogen. Zowel nationale als (vooral) internationale poëzie vindt er een plaats op het digitaal boekenrek. Zopas werd bovenstaand nieuw nummer toegevoegd. Het betreft Noord-Amerikaanse poëzie van een relatief jonge auteur die in onze contreien bij ons weten nog nooit vertaald werd. Weer een nieuwe primeur dus waarop 't Prieeltje regelmatig een patent heeft. De dichteres in kwestie is adjunct-professor van English Composition and Literature aan het Southern Main Community-College in South-Portland en heeft reeds een indrukwekkend oeuvre op haar naam staan. Zij publiceerde gedichten in niet minder dan 200 befaamde literaire periodieken in haar land alsook in Groot-Brittanië, Ierland en Australië. Zij schrijft haar boodschap uit in een verstaanbare taal die echter uitblinkt in een doorgedreven metaforiek die de uiterste grenzen aftast van het medium. Zij doet dit middels een onafgebroken stroom van zinnen en woorden die als de schakels van een wondermooie lange ketting naar een verrassende ontknoping leiden. Alhoewel haar onderwerp hoofdzakelijk betrekking heeft op de liefde (alsook de algemene klassieke thema's van het leven zoals ziekte, dood, religie, maatschappij) is er hoegenaamd geen sprake van een soort belijdenispoëzie. Integendeel haar taal is universeel en kosmisch getint en hoedt zich voor al te felle lapidaire onthullingen die in dit soort poëzie wel eens aan de orde zijn. De "intieme doorn" is het begrip dat in haar poëzie concreet en abstract gestalte krijgt. Het is geen enkelvoudig begrip dat zomaar simpelweg kan worden geduid, maar herbergt een amalgaam van stemmingen, emoties en maatschappijkritische referenties. Het is zowel de tedere liefde als de gemene dood, de kosmische verhevenheid als de aardse verloedering; de doorn als mes van de dood maar ook als steek van verlangen; de doorn als de stille en eeuwig aanwezige verwekker van het bestaan, maar ook als angel van gehechtheid, samenleven en hoop op betere tijden. Het kerngedicht van de bundel drukt het als volgt uit:
LUISTER
De ziel woont in de mond van de duisternis,
zingend in gebroken talen.
Er bestaat geen geheime wijsheid.
De ziel kan anders haar ervaring hier niet verklaren;
zo vele verschrikkingen en illusies.
Er is slechts de intieme doorn.
Het voedsel van de ziel: praal, onkruid,Birmaanse Jezabel,glasvleugel.
Bruuske vervoering in een asiel van kraaien.
Er bestaat geen geheime wijsheid.
Er is slechts de intieme doorn.
Graag nodigen wij onze surfers uit kennis te nemen van deze prachtige, originele poëzie door te klikken op bovenstaande URL. Het werk kan ook in het bekende PDF-formaat worden gelezen door te klikken op: http://www.hetprieeltje.net/netbook57
url: http://www.hetprieeltje.net/netbook57/index.html
De virtuele bibliotheek van Het Prieeltje Online groeit zienderogen. Zowel nationale als (vooral) internationale poëzie vindt er een plaats op het digitaal boekenrek. Zopas werd bovenstaand nieuw nummer toegevoegd. Het betreft Noord-Amerikaanse poëzie van een relatief jonge auteur die in onze contreien bij ons weten nog nooit vertaald werd. Weer een nieuwe primeur dus waarop 't Prieeltje regelmatig een patent heeft. De dichteres in kwestie is adjunct-professor van English Composition and Literature aan het Southern Main Community-College in South-Portland en heeft reeds een indrukwekkend oeuvre op haar naam staan. Zij publiceerde gedichten in niet minder dan 200 befaamde literaire periodieken in haar land alsook in Groot-Brittanië, Ierland en Australië. Zij schrijft haar boodschap uit in een verstaanbare taal die echter uitblinkt in een doorgedreven metaforiek die de uiterste grenzen aftast van het medium. Zij doet dit middels een onafgebroken stroom van zinnen en woorden die als de schakels van een wondermooie lange ketting naar een verrassende ontknoping leiden. Alhoewel haar onderwerp hoofdzakelijk betrekking heeft op de liefde (alsook de algemene klassieke thema's van het leven zoals ziekte, dood, religie, maatschappij) is er hoegenaamd geen sprake van een soort belijdenispoëzie. Integendeel haar taal is universeel en kosmisch getint en hoedt zich voor al te felle lapidaire onthullingen die in dit soort poëzie wel eens aan de orde zijn. De "intieme doorn" is het begrip dat in haar poëzie concreet en abstract gestalte krijgt. Het is geen enkelvoudig begrip dat zomaar simpelweg kan worden geduid, maar herbergt een amalgaam van stemmingen, emoties en maatschappijkritische referenties. Het is zowel de tedere liefde als de gemene dood, de kosmische verhevenheid als de aardse verloedering; de doorn als mes van de dood maar ook als steek van verlangen; de doorn als de stille en eeuwig aanwezige verwekker van het bestaan, maar ook als angel van gehechtheid, samenleven en hoop op betere tijden. Het kerngedicht van de bundel drukt het als volgt uit:
LUISTER
De ziel woont in de mond van de duisternis,
zingend in gebroken talen.
Er bestaat geen geheime wijsheid.
De ziel kan anders haar ervaring hier niet verklaren;
zo vele verschrikkingen en illusies.
Er is slechts de intieme doorn.
Het voedsel van de ziel: praal, onkruid,Birmaanse Jezabel,glasvleugel.
Bruuske vervoering in een asiel van kraaien.
Er bestaat geen geheime wijsheid.
Er is slechts de intieme doorn.
Graag nodigen wij onze surfers uit kennis te nemen van deze prachtige, originele poëzie door te klikken op bovenstaande URL. Het werk kan ook in het bekende PDF-formaat worden gelezen door te klikken op: http://www.hetprieeltje.net/netbook57
7 april 2008
Prettige verjaardag!
In de maand april verjaren o.a.:
03 Peter Aspe
05 Hugo Claus (+)
08 Julien Van Remoortere
10 Leo Vroman
11 Leonard Nolens
12 Peter Holvoet-Hanssen
16 Patricia De Martelaere
17 Daniël Billiet en Gerd De Ley
20 Jan Cremer en Jozef Deleu
03 Peter Aspe
05 Hugo Claus (+)
08 Julien Van Remoortere
10 Leo Vroman
11 Leonard Nolens
12 Peter Holvoet-Hanssen
16 Patricia De Martelaere
17 Daniël Billiet en Gerd De Ley
20 Jan Cremer en Jozef Deleu
"Eindterm" (2002) - debuutroman Thierry Deleu - hoofdstuk 25
25
Op een dag in april bezoeken Sabine en Peter het schildersatelier van Cello Raepzaad. Op aandringen van Peter koopt Sabine Het danseresje, 1983, tempera op papier. Een figuurtje dat danst, zweeft, zich sierlijk beweegt in een irreële omgeving, niet bepaald door kleren en haartooi.
“Kijk, Sabine, hoe mooi,” zegt Peter.
“Het is niet eenvoudig het figuurtje te definiëren.” “Onstoffelijkheid?”
“Transparantie,” verbetert Sabine.
Cello Raepzaad die Sabine du Tertre altijd een mooie vrouw heeft gevonden, geeft het haar cadeau. Hij belooft dat het naaktportret van Sabine, dat wijlen haar man bij hem had besteld, in de maand april klaar zal zijn. Hij zegt er niet bij dat Tersmidse het werk van de meester heeft vertraagd. Peter Deforge zal het later ophangen in de woonkamer van Burghgraeveveld, precies op de plaats waar Louis het had willen hebben.
In mei gaan Sabine en Peter voor het werk elk hun eigen weg. Sabine moet de Ronde van Vlaanderen “rijden” met haar ploeg en aan het veld de gevolgen uitleggen van de nakende hervormingen. Dekunst zal af en toe op een locatie verschijnen. Met Du Tertre gaan ook Truus Deseure en Christof Dokmans mee en nog enkele medewerkers. Peter gaat, samen met zijn baas Jacques Brusselmans en zijn collega Wim Woutmans, op studiereis naar Nederland. Ook Lynn Vanhove is van de partij.
Voor Peter afreist, steekt Sabine hem twee boeken toe voor eenzame avonden: Amazone met het blauwe voorhoofd van Monika van Paemel en A un diner d’athées van J. Barbey d’Aurevilly. In het eerste boek heeft zij geschreven: “Jij bent mijn rijkdom!”, in het tweede leest Peter een dedicatie van Tersmidse: “Jij bent mijn Waterloo. Van je kleine Napoleon.”
In A un diner d’athées komen ex-officieren van Napoleon samen in het huis van hun commandant. In het gezelschap van atheïsten en revolutionairen gaan ze zich te buiten aan braspartijen. Tijdens een van deze diners wordt het verhaal verteld van een tragische liefde, waarvan het afschuwelijke einde de loutering van de aanzittenden tot gevolg heeft. Deforge kent het werk niet, maar snapt vlug dat het met Zwarte Romantiek te maken heeft.
Na het lezen van het boek, met de dedicatie van Piet Tersmidse, gaat bij Deforge een lichtje branden. Zij heeft inderdaad Tersmidse gekend. En hoe! Hij zal er haar niet over spreken. Hij laat haar het initiatief.
Hij weet dat Sabine graag Van Paemel leest en in haar een zielsverwant vindt. Zij kent de schrijfster niet persoonlijk. Ze zijn even oud. Ook Sabine kent een sterke drang naar vrijheid. Ook zij heeft een hekel aan de conventies van een burgerlijk leven. Ook zij zoekt warmte en geborgenheid.
Peter en Sabine zien elkaar terug in Antwerpen. Peter komt uit Nederland en houdt daar halt. Sabine is voor de Ronde op dat ogenblik in Antwerpen. Ze hebben om zeven uur afgesproken in het nieuwe restaurant “De 3 Fluwelen”. Een romantisch kader, vlak in de buurt van de Grote Markt, achter een reusachtige poort aan de Hofstraat. Zij komt anderhalf uur te laat het restaurant binnen en vindt Peter in de bar. Ze denkt dat hij ontstemd zal zijn of veel erger: vertrokken. Maar neen, Peter heeft onraad geroken en terecht. Dekunst is in Antwerpen verschenen en Sabine heeft alle moeite van de wereld moeten doen om hem van haar af te schudden.
Ze gaan hand in hand naar de kleine bibliotheek en Sabine zoent hem uitbundig. Eerst bestellen ze nog een aperitief: voor haar een sherry en voor Peter zijn derde campari orange.
Sabine vertelt honderduit over haar Ronde en over Dekunst die haar maar twee keer achterna is gekomen. Hij had het druk met de organisatie van de Vlaamse administratie. Sabine heeft het over de toewijding van Christof en over Truus die in Deinze met een leraar van het VTI aanpapte.
“Een grote vergissing,” biecht ze Sabine “the morning after” op.
“Hoe verliep de studiereis, Peter? Veel bijgeleerd?”
“Mooi gezelschap,” zegt hij, “die meiden zijn geëmancipeerd, zeg.”
Hij ziet dat Sabine onderzoekend luistert.
“Spijtig dat de meesten zo’n opdringerig gebit hebben,” lacht hij.
“Je zwanst, Peter.”
Op een van de gespreksnamiddagen had een Nederlandse leerkracht verwezen naar een onderzoek van een zekere Sabine du Tertre die parallellen had getrokken tussen het Nederlandse en het Vlaamse onderwijssysteem.
Wanneer Peter het voorval vertelt, bloost zij van voldoening.
“Wij lopen altijd ietsje voor,” zei de leraar in kwestie, “maar we durven ons al eens vergalopperen. Gelukkig dat jullie, Vlamingen, er dan zijn om eventjes bij te sturen? En dat deed die dame, zoveel was duidelijk.”
“En wat heb jij dan gezegd,” wil Sabine weten.
“Niets,” zegt Peter, “niets, ik was sprakeloos. En nadat een eeuwigheid was voorbijgevlogen, kon ik toch moeilijk uitroepen: ‘Ik ken die mevrouw, zij is mijn vriendin, collega’s, mijn lief, mijn steun en toeverlaat, mijn Sabine!’ Dus ik zweeg. Maar toen jouw naam werd geciteerd, keken alle Vlaamse kopjes in mijn richting. Geloof je dat?”
Sabine is blij en trots. Ze staat graag in de belangstelling. Ze is graag iemand. Iemand? De beste, ja!
Toch had zij geen te beste verstandhouding met de pers. Ze lokte het ook zelf uit.
“Kun je de antwoorden niet zelf verzinnen?” zei ze. “Dit doen jullie meestal toch. Of niet?”
Maar de persjongens wisten haar intelligentie en haar dossierkennis te appreciëren en namen er graag de grilletjes bij. Zelfs de onderwijsspecialist van De Standaard was altijd mild in zijn kritiek. Minister Vanderweyden en secretaris-generaal Dekunst werden minder gespaard. Toen diezelfde journalist een verzoek richtte tot het kabinet om een interview te hebben met de minister over de objectiveerbare verschillen in het onderwijs, werd hij door Du Tertre ontvangen. Het onderwerp was zo delicaat en politiek gevoelig dat enkel Sabine die vuurproef kon doorstaan. Jacques Brusselmans voelde zich gepasseerd en maakte hierover - zonder succes overigens - zijn beklag bij de kabinetschef. Het kwam toch het kabinet toe de minister te vervangen in zo’n situaties. Sabine vond dat hij gelijk had, maar zij was natuurlijk apetrots dat zij die opdracht had gekregen. Zij was toch de superwoman van Onderwijs.
Na het weekend blokletterde De Standaard op de bladzijde waar traditioneel ook “Standpunt” verscheen: “Gebrek aan transparantie bemoeilijkt discussie over de financiële middelen voor het onderwijs” en in kleinere letters eronder: “Directeur-generaal Du Tertre is formeel: de inrichtende machten hebben niets te vrezen!” In het artikel zelf had Du Tertre verklaard dat “de inrichtende machten die hun werk ernstig doen niets te vrezen hebben.” Een kleine, maar belangrijke nuance. Wat echter van belang was voor de coalitie: er waren geen potten gebroken, er moesten geen scherven worden gelijmd. Du Tertre had haar opdracht uitstekend vervuld. De minister belde haar persoonlijk op om ze te feliciteren en haar uit te nodigen voor een drink. Dekunst zei dat hij wist dat zij de juiste vrouw op de juiste plaats was.
Het kabinet ademde opgelucht. De dreiging was geluwd. De regering hield stand.
@
Het pinksterweekend brengen Sabine en Peter door in de Eifel. Zij logeren, weg van de drukte, in een vakantieboerderij in Nuszbaum, een twintigtal km over de grens, bij Echternach. De boerin verwent de gasten, haar man is zwaar mentaal gehandicapt en haar jongste zoon zet het boerenleven van zijn vader voort. Ze kent Sabine nog van toen zij als puber op vakantie kwam. Haar moeder had die stek gekozen om Sabine in een taalbad onder te dompelen.
Boerin Ahler is in haar nopjes. Ze overlaadt Sabine met complimentjes: “Du sehst so schön aus, Sabine, und ihr habt einen groszen, schönen Auto.”
Ze kijkt over haar bril heen naar Peter, vriendelijk onderzoekend, tot Sabine zegt: “Peter is mijn vriend, mevrouw Ahler!”
“Herzlichen wilkommen,” zegt ze en ze schudt Peter voor de tweede keer de hand.
Sabine en Peter maken lange wandelingen door de bossen en bezoeken een paar restaurantjes in Echternach en in het Müllerthal.
Het valt op dat Sabine, die tot voor kort zelden vrijaf nam, haar vakantiedagen nu ineens wel opgebruikt.
Einde juni neemt Peter Deforge zijn intrek bij Sabine op Burghgraeveveld. Hij maakt kennis met de conciërge, zijn vrouw en vader Hennebert.
Vader Hennebert, die aan de overkant van de grote weg woont, komt het erf opgefietst en ziet dat er bezoek is.
“Wie is er?”
“Meneer Deforge, haar nieuwe vriend.”
“Ik wist niet dat ze een nieuwe vriend had.”
Wanneer hij wegrijdt, tikt Sabine tegen het raam en roept hem binnen. Ze stelt hem aan Deforge voor.
“Dit is de papa van de conciërge, hij is mijn duivel-doet-al.”
“Dit is meneer Deforge. Hij schrijft boeken.”
Hennebert denkt bij zichzelf: “Alweer een geleerde. Een intellectueel.”
Aan zijn vrienden op café vertelt hij af en toe over de mensen die op Burghgraeveveld komen.
“Ik zeg u: het is een speciaal ras en ik kan het weten. Hoe je ze ook benadert, er blijft altijd een barrière. Ze spreken mooi Vlaams en ze hebben veel maniertjes.”
Hennebert ziet dat Sabine verliefd is. Peter is lief en zorgzaam en daaraan heeft Sabine grote behoefte. Ze heeft alles wat een hartje begeert: carrière, geld, comfort, maar door het overlijden van Louis is er toch een leemte in haar leven. Sabine steekt haar gevoelens voor Peter niet weg.
Ivo Hennebert ziet dat het goed is en fietst welgemoed naar huis.
Op een dag in april bezoeken Sabine en Peter het schildersatelier van Cello Raepzaad. Op aandringen van Peter koopt Sabine Het danseresje, 1983, tempera op papier. Een figuurtje dat danst, zweeft, zich sierlijk beweegt in een irreële omgeving, niet bepaald door kleren en haartooi.
“Kijk, Sabine, hoe mooi,” zegt Peter.
“Het is niet eenvoudig het figuurtje te definiëren.” “Onstoffelijkheid?”
“Transparantie,” verbetert Sabine.
Cello Raepzaad die Sabine du Tertre altijd een mooie vrouw heeft gevonden, geeft het haar cadeau. Hij belooft dat het naaktportret van Sabine, dat wijlen haar man bij hem had besteld, in de maand april klaar zal zijn. Hij zegt er niet bij dat Tersmidse het werk van de meester heeft vertraagd. Peter Deforge zal het later ophangen in de woonkamer van Burghgraeveveld, precies op de plaats waar Louis het had willen hebben.
In mei gaan Sabine en Peter voor het werk elk hun eigen weg. Sabine moet de Ronde van Vlaanderen “rijden” met haar ploeg en aan het veld de gevolgen uitleggen van de nakende hervormingen. Dekunst zal af en toe op een locatie verschijnen. Met Du Tertre gaan ook Truus Deseure en Christof Dokmans mee en nog enkele medewerkers. Peter gaat, samen met zijn baas Jacques Brusselmans en zijn collega Wim Woutmans, op studiereis naar Nederland. Ook Lynn Vanhove is van de partij.
Voor Peter afreist, steekt Sabine hem twee boeken toe voor eenzame avonden: Amazone met het blauwe voorhoofd van Monika van Paemel en A un diner d’athées van J. Barbey d’Aurevilly. In het eerste boek heeft zij geschreven: “Jij bent mijn rijkdom!”, in het tweede leest Peter een dedicatie van Tersmidse: “Jij bent mijn Waterloo. Van je kleine Napoleon.”
In A un diner d’athées komen ex-officieren van Napoleon samen in het huis van hun commandant. In het gezelschap van atheïsten en revolutionairen gaan ze zich te buiten aan braspartijen. Tijdens een van deze diners wordt het verhaal verteld van een tragische liefde, waarvan het afschuwelijke einde de loutering van de aanzittenden tot gevolg heeft. Deforge kent het werk niet, maar snapt vlug dat het met Zwarte Romantiek te maken heeft.
Na het lezen van het boek, met de dedicatie van Piet Tersmidse, gaat bij Deforge een lichtje branden. Zij heeft inderdaad Tersmidse gekend. En hoe! Hij zal er haar niet over spreken. Hij laat haar het initiatief.
Hij weet dat Sabine graag Van Paemel leest en in haar een zielsverwant vindt. Zij kent de schrijfster niet persoonlijk. Ze zijn even oud. Ook Sabine kent een sterke drang naar vrijheid. Ook zij heeft een hekel aan de conventies van een burgerlijk leven. Ook zij zoekt warmte en geborgenheid.
Peter en Sabine zien elkaar terug in Antwerpen. Peter komt uit Nederland en houdt daar halt. Sabine is voor de Ronde op dat ogenblik in Antwerpen. Ze hebben om zeven uur afgesproken in het nieuwe restaurant “De 3 Fluwelen”. Een romantisch kader, vlak in de buurt van de Grote Markt, achter een reusachtige poort aan de Hofstraat. Zij komt anderhalf uur te laat het restaurant binnen en vindt Peter in de bar. Ze denkt dat hij ontstemd zal zijn of veel erger: vertrokken. Maar neen, Peter heeft onraad geroken en terecht. Dekunst is in Antwerpen verschenen en Sabine heeft alle moeite van de wereld moeten doen om hem van haar af te schudden.
Ze gaan hand in hand naar de kleine bibliotheek en Sabine zoent hem uitbundig. Eerst bestellen ze nog een aperitief: voor haar een sherry en voor Peter zijn derde campari orange.
Sabine vertelt honderduit over haar Ronde en over Dekunst die haar maar twee keer achterna is gekomen. Hij had het druk met de organisatie van de Vlaamse administratie. Sabine heeft het over de toewijding van Christof en over Truus die in Deinze met een leraar van het VTI aanpapte.
“Een grote vergissing,” biecht ze Sabine “the morning after” op.
“Hoe verliep de studiereis, Peter? Veel bijgeleerd?”
“Mooi gezelschap,” zegt hij, “die meiden zijn geëmancipeerd, zeg.”
Hij ziet dat Sabine onderzoekend luistert.
“Spijtig dat de meesten zo’n opdringerig gebit hebben,” lacht hij.
“Je zwanst, Peter.”
Op een van de gespreksnamiddagen had een Nederlandse leerkracht verwezen naar een onderzoek van een zekere Sabine du Tertre die parallellen had getrokken tussen het Nederlandse en het Vlaamse onderwijssysteem.
Wanneer Peter het voorval vertelt, bloost zij van voldoening.
“Wij lopen altijd ietsje voor,” zei de leraar in kwestie, “maar we durven ons al eens vergalopperen. Gelukkig dat jullie, Vlamingen, er dan zijn om eventjes bij te sturen? En dat deed die dame, zoveel was duidelijk.”
“En wat heb jij dan gezegd,” wil Sabine weten.
“Niets,” zegt Peter, “niets, ik was sprakeloos. En nadat een eeuwigheid was voorbijgevlogen, kon ik toch moeilijk uitroepen: ‘Ik ken die mevrouw, zij is mijn vriendin, collega’s, mijn lief, mijn steun en toeverlaat, mijn Sabine!’ Dus ik zweeg. Maar toen jouw naam werd geciteerd, keken alle Vlaamse kopjes in mijn richting. Geloof je dat?”
Sabine is blij en trots. Ze staat graag in de belangstelling. Ze is graag iemand. Iemand? De beste, ja!
Toch had zij geen te beste verstandhouding met de pers. Ze lokte het ook zelf uit.
“Kun je de antwoorden niet zelf verzinnen?” zei ze. “Dit doen jullie meestal toch. Of niet?”
Maar de persjongens wisten haar intelligentie en haar dossierkennis te appreciëren en namen er graag de grilletjes bij. Zelfs de onderwijsspecialist van De Standaard was altijd mild in zijn kritiek. Minister Vanderweyden en secretaris-generaal Dekunst werden minder gespaard. Toen diezelfde journalist een verzoek richtte tot het kabinet om een interview te hebben met de minister over de objectiveerbare verschillen in het onderwijs, werd hij door Du Tertre ontvangen. Het onderwerp was zo delicaat en politiek gevoelig dat enkel Sabine die vuurproef kon doorstaan. Jacques Brusselmans voelde zich gepasseerd en maakte hierover - zonder succes overigens - zijn beklag bij de kabinetschef. Het kwam toch het kabinet toe de minister te vervangen in zo’n situaties. Sabine vond dat hij gelijk had, maar zij was natuurlijk apetrots dat zij die opdracht had gekregen. Zij was toch de superwoman van Onderwijs.
Na het weekend blokletterde De Standaard op de bladzijde waar traditioneel ook “Standpunt” verscheen: “Gebrek aan transparantie bemoeilijkt discussie over de financiële middelen voor het onderwijs” en in kleinere letters eronder: “Directeur-generaal Du Tertre is formeel: de inrichtende machten hebben niets te vrezen!” In het artikel zelf had Du Tertre verklaard dat “de inrichtende machten die hun werk ernstig doen niets te vrezen hebben.” Een kleine, maar belangrijke nuance. Wat echter van belang was voor de coalitie: er waren geen potten gebroken, er moesten geen scherven worden gelijmd. Du Tertre had haar opdracht uitstekend vervuld. De minister belde haar persoonlijk op om ze te feliciteren en haar uit te nodigen voor een drink. Dekunst zei dat hij wist dat zij de juiste vrouw op de juiste plaats was.
Het kabinet ademde opgelucht. De dreiging was geluwd. De regering hield stand.
@
Het pinksterweekend brengen Sabine en Peter door in de Eifel. Zij logeren, weg van de drukte, in een vakantieboerderij in Nuszbaum, een twintigtal km over de grens, bij Echternach. De boerin verwent de gasten, haar man is zwaar mentaal gehandicapt en haar jongste zoon zet het boerenleven van zijn vader voort. Ze kent Sabine nog van toen zij als puber op vakantie kwam. Haar moeder had die stek gekozen om Sabine in een taalbad onder te dompelen.
Boerin Ahler is in haar nopjes. Ze overlaadt Sabine met complimentjes: “Du sehst so schön aus, Sabine, und ihr habt einen groszen, schönen Auto.”
Ze kijkt over haar bril heen naar Peter, vriendelijk onderzoekend, tot Sabine zegt: “Peter is mijn vriend, mevrouw Ahler!”
“Herzlichen wilkommen,” zegt ze en ze schudt Peter voor de tweede keer de hand.
Sabine en Peter maken lange wandelingen door de bossen en bezoeken een paar restaurantjes in Echternach en in het Müllerthal.
Het valt op dat Sabine, die tot voor kort zelden vrijaf nam, haar vakantiedagen nu ineens wel opgebruikt.
Einde juni neemt Peter Deforge zijn intrek bij Sabine op Burghgraeveveld. Hij maakt kennis met de conciërge, zijn vrouw en vader Hennebert.
Vader Hennebert, die aan de overkant van de grote weg woont, komt het erf opgefietst en ziet dat er bezoek is.
“Wie is er?”
“Meneer Deforge, haar nieuwe vriend.”
“Ik wist niet dat ze een nieuwe vriend had.”
Wanneer hij wegrijdt, tikt Sabine tegen het raam en roept hem binnen. Ze stelt hem aan Deforge voor.
“Dit is de papa van de conciërge, hij is mijn duivel-doet-al.”
“Dit is meneer Deforge. Hij schrijft boeken.”
Hennebert denkt bij zichzelf: “Alweer een geleerde. Een intellectueel.”
Aan zijn vrienden op café vertelt hij af en toe over de mensen die op Burghgraeveveld komen.
“Ik zeg u: het is een speciaal ras en ik kan het weten. Hoe je ze ook benadert, er blijft altijd een barrière. Ze spreken mooi Vlaams en ze hebben veel maniertjes.”
Hennebert ziet dat Sabine verliefd is. Peter is lief en zorgzaam en daaraan heeft Sabine grote behoefte. Ze heeft alles wat een hartje begeert: carrière, geld, comfort, maar door het overlijden van Louis is er toch een leemte in haar leven. Sabine steekt haar gevoelens voor Peter niet weg.
Ivo Hennebert ziet dat het goed is en fietst welgemoed naar huis.
Geschikt indien getikt! - 11
De nieuwe breuklijn dwingt tot een hergroepering van de politieke krachten in Vlaanderen. Tenzij wij ons neerleggen bij het extremisme en de antipolitiek, is er een wisseloplossing nodig voor de klassieke machts- en standenpartijen. Het moet een opbouwend en begeesterend alternatief worden. Een hergroepering van al diegenen, binnen of buiten de politiek, die opnieuw voorrang willen geven aan de mensen, is onafwendbaar. Vrij denkende democraten in dit land, verspreid over verschillende politieke partijen of gewoon buiten de politieke arena blijven staan, moeten zich (her)groeperen.
Een partij die opnieuw echt aandacht wil besteden aan en oplossingen wil zoeken voor de verzuchtingen en de verwachtingen van de mensen.
Welke klassieke partij komt hiervoor in aanmerking? Dit is niet de juiste vraag? Welke partij kan met de zuilen en hun organisaties, die aan haar worden gelinkt, nieuwe afspraken maken, met als principe: geen inmenging in of vermenging met de politiek? Wat niet betekent dat de zuilen (zoals hierboven opgesomd) monddood worden gemaakt. Hun standpunten, ideeën en voorstellen blijven discussiestof.
Joris
Een partij die opnieuw echt aandacht wil besteden aan en oplossingen wil zoeken voor de verzuchtingen en de verwachtingen van de mensen.
Welke klassieke partij komt hiervoor in aanmerking? Dit is niet de juiste vraag? Welke partij kan met de zuilen en hun organisaties, die aan haar worden gelinkt, nieuwe afspraken maken, met als principe: geen inmenging in of vermenging met de politiek? Wat niet betekent dat de zuilen (zoals hierboven opgesomd) monddood worden gemaakt. Hun standpunten, ideeën en voorstellen blijven discussiestof.
Joris
4 april 2008
www.loewak.nl
Ik had het vermoed. Ik voel het wanneer een meesterwerk op me afkomt. Ik heb gelijk gekregen. Er zijn weinig cd’s die bij een eerste luisterbeurt onmiddellijk zo met je aan de haal gaan als de nieuwe cd van de Franse minnestreel Jean-Louis Murat. Een eerste blik op de hoes, de beginklanken van La légende dorée en je weet meteen dat je goed zit voor iets meer dan een half uur en dat je hier met een kanjer van formaat te maken hebt. Oh, je zult hem misschien niet op de radio horen, daarvoor is hij gewoon té goed, maar Tristan werkt bijna verslavend en doet verlangen naar meer.
Uit: De vergulde legende volgens Murat, nu te lezen op www.loewak.nl
Peter Wullen
co-hoofdredacteur Loewak (www.loewak.nl)
email: peter.w@tele2allin.be; peter.w@mail.ru
weblog: www.loewak.nl; http://peterwullen.blogspot.com/
Uit: De vergulde legende volgens Murat, nu te lezen op www.loewak.nl
Peter Wullen
co-hoofdredacteur Loewak (www.loewak.nl)
email: peter.w@tele2allin.be; peter.w@mail.ru
weblog: www.loewak.nl; http://peterwullen.blogspot.com/
3 april 2008
Jan Cox, a painter's odyssey
In 1988 maakten filmmakers Bert Beyens en Pierre De Clercq de lange documentaire JAN COX, A PAINTER’S ODYSSEY.
Naar aanleiding van de 20ste verjaardag van de film en de tentoonstelling "Jan Cox: Profiel van een kunstenaarschap" wordt deze bekroonde film, digitaal geremasterd, op dvd uitgebracht.
“De makers hebben hun film, die gebruik maakt van archiefbeelden, doeken, foto’s, herinneringen en geschriften, opgebouwd als een odyssee in 24 zangen, elk met een eigen stijl, en schetsen op die manier een intrigerend portret van zowel de artistieke gedrevenheid als de tragische dualiteit tussen droom en leven die Cox uiteindelijk tot zelfdestructie zou drijven.
De schilderijen functioneren daarbij als een weerspiegeling van de getoonde of geëvoceerde gebeurtenissen. De 24 zangen werden opgebouwd volgens de drie periodes in het leven van Cox: 1994-1949 (Telemacheia), 1949-1969 (Odysseia)
en 1969-1980 (Nostos).
Toen hij uitkwam, genoot de film veel waardering, als een uitstekend opgebouwde documentaire die tegelijk meer was, namelijk een geslaagde poging om “het gevoel Cox” bij de toeschouwer over te brengen.”
(Michel Apers, De Belgische Film, Koninklijk Belgisch Filmarchief)
Op het 7de Festival International du Film sur l’Art Montréal werd de film bekroond met de Prijs voor de Beste Biografie en door de jury geprezen als “a
moving film about the tragic destiny of a little-known painter, for its dramatic
structure in 24 cantos and its discretion”.
Bij de release schreef de pers over JAN COX, A PAINTER’S ODYSSEY:
“Een doorbraak op het gebied van de biografische documentaire. Nauwgezet,
geïnspireerd en discreet.” - Kunsr & Cultuur
“Jan Cox, A Painter’s Odyssey is zonder enige twijfel het mooiste eerbetoon
dat Jan Cox post mortem te beurt kon vallen. Kunst heeft in dit geval duidelijk
kunst veroorzaakt.” - Humo
“Een exemplarische kunstfilm. Jan Cox, a painter's odyssey heeft iets sacraals
én iets ondeugends.” - Film & Televisie
“Een resultaat dat ontroert.” - De Morgen
“Geen doordeweekse documentaire. Bert Beyens en Pierre De Clercq hebben
een gave, intelligente foto in elkaar gepuzzeld.” - Het Belang van Limburg
“Een ontroerende film over de schipbreuk tussen klassiek en modern schilderen,
tussen mythe en werkelijkheid (ondanks de vele vervalste documentaire
beelden is het effect verbazingwekkend authentiek).” - Andere Sinema
“Het is een film waarvan je het gevoel hebt dat je hem twee keer moet zien,
omdat er van een strenge filmesthetiek een kracht en schoonheid uitgaat, die
maakt dat je niet snel uitgekeken bent. Een gebeurtenis in de Vlaamse filmwereld.”- Knack
“Gevoelig en gaaf.” - Het Volk
“De film overstijgt de conventionele biografisch documentaire. Sereen, met
zekere afstandelijkheid en toch indringend, wordt de schilder benaderd.” - De
Nieuwe Gazet
“Een mozaïek, dat van begin tot einde boeit, en je steeds dieper in de belevingswereld van Jan Cox binnenvoert. Over Jan Cox is duidelijk lang en goed nagedacht vanuit een filmische invalshoek, waarmee de film voor zowel leken als kenners van de schilder tot een verrassende kijkervaring is geworden.” - De Filmkrant Nederland
“Zonder een spoor van gekunsteldheid verdraagt de reconstructie van Cox’
leven in deze film de door de makers gekozen structuur. Een heldere introductie
op de motieven, het werk en de betekenis van een voor velen onbekende
schilder.” - De Volkskrant
“In filmisch opzicht is Jan Cox, a painter’s odyssey een verademing.” - NRC
Handelsblad
“Een boeiend filmisch portret, dat een geheel eigen waarde heeft als kunstwerk.”
- Nederlands Jaarboek Film '88
Voor de publicatie Jan Cox: Profiel van een kunstenaarschap (Stichting
Kunstboek) schreven Bert Beyens en Pierre De Clercq een meer uitgebreide
bijdrage over het maken van de film, 20 jaar later.
Op 24 maart 2008 zendt Canvas de film JAN COX, A PAINTER’S ODYSSEY uit in de reeks "Belgische documentaires op maandag".
Tijdens de duur van de tentoonstelling "Jan Cox: Profiel van een kunstenaarschap" wordt de film elke zondag (behalve op 13/04 en 20/04) om 15.00 uur vertoond in het auditorium van het KMSKA!
Op 15 mei 2008 is er een voorstelling in de Academia Belgica te Rome n.a.v.
de tentoonstelling "Jan Cox (1919-1980) Petite Histoire Italienne:! Cobra e le
peregrinazioni tra Roma, Boston ed Anversa."
CREDITS
scenario en regie ............................................. Bert Beyens & Pierre De Clercq
stem............................................................................................. Jeroen Krabbé
fotografie ...................................................................................Remon Fromont
muziek ..........................................................................................Walter Heynen
geluid .............................................................................................. Miguel Rejas
montage........................................................................................ Ann Van Aken
executive Producer.....................................................................Willem Thijssen
met ondermeer Pierre Alechinsky, Gerrit Kouwenaar, Hugo Claus, Marc
Mendelson, Yvonne Van Ginneken, Thomas M. Messer, Fred Bervoets,
Adriaan Raemdonck, Harry Cox.
productie ..........................................................CinéTé Antwerpen-Amsterdam
B – NL - USA
duur .......................................................................................................... 75 min.
dvd.......................................................... Nederlandse en Engelse audioversie
Nederlandse – Engelse – Franse ondertiteling
www.jancox.be
Naar aanleiding van de 20ste verjaardag van de film en de tentoonstelling "Jan Cox: Profiel van een kunstenaarschap" wordt deze bekroonde film, digitaal geremasterd, op dvd uitgebracht.
“De makers hebben hun film, die gebruik maakt van archiefbeelden, doeken, foto’s, herinneringen en geschriften, opgebouwd als een odyssee in 24 zangen, elk met een eigen stijl, en schetsen op die manier een intrigerend portret van zowel de artistieke gedrevenheid als de tragische dualiteit tussen droom en leven die Cox uiteindelijk tot zelfdestructie zou drijven.
De schilderijen functioneren daarbij als een weerspiegeling van de getoonde of geëvoceerde gebeurtenissen. De 24 zangen werden opgebouwd volgens de drie periodes in het leven van Cox: 1994-1949 (Telemacheia), 1949-1969 (Odysseia)
en 1969-1980 (Nostos).
Toen hij uitkwam, genoot de film veel waardering, als een uitstekend opgebouwde documentaire die tegelijk meer was, namelijk een geslaagde poging om “het gevoel Cox” bij de toeschouwer over te brengen.”
(Michel Apers, De Belgische Film, Koninklijk Belgisch Filmarchief)
Op het 7de Festival International du Film sur l’Art Montréal werd de film bekroond met de Prijs voor de Beste Biografie en door de jury geprezen als “a
moving film about the tragic destiny of a little-known painter, for its dramatic
structure in 24 cantos and its discretion”.
Bij de release schreef de pers over JAN COX, A PAINTER’S ODYSSEY:
“Een doorbraak op het gebied van de biografische documentaire. Nauwgezet,
geïnspireerd en discreet.” - Kunsr & Cultuur
“Jan Cox, A Painter’s Odyssey is zonder enige twijfel het mooiste eerbetoon
dat Jan Cox post mortem te beurt kon vallen. Kunst heeft in dit geval duidelijk
kunst veroorzaakt.” - Humo
“Een exemplarische kunstfilm. Jan Cox, a painter's odyssey heeft iets sacraals
én iets ondeugends.” - Film & Televisie
“Een resultaat dat ontroert.” - De Morgen
“Geen doordeweekse documentaire. Bert Beyens en Pierre De Clercq hebben
een gave, intelligente foto in elkaar gepuzzeld.” - Het Belang van Limburg
“Een ontroerende film over de schipbreuk tussen klassiek en modern schilderen,
tussen mythe en werkelijkheid (ondanks de vele vervalste documentaire
beelden is het effect verbazingwekkend authentiek).” - Andere Sinema
“Het is een film waarvan je het gevoel hebt dat je hem twee keer moet zien,
omdat er van een strenge filmesthetiek een kracht en schoonheid uitgaat, die
maakt dat je niet snel uitgekeken bent. Een gebeurtenis in de Vlaamse filmwereld.”- Knack
“Gevoelig en gaaf.” - Het Volk
“De film overstijgt de conventionele biografisch documentaire. Sereen, met
zekere afstandelijkheid en toch indringend, wordt de schilder benaderd.” - De
Nieuwe Gazet
“Een mozaïek, dat van begin tot einde boeit, en je steeds dieper in de belevingswereld van Jan Cox binnenvoert. Over Jan Cox is duidelijk lang en goed nagedacht vanuit een filmische invalshoek, waarmee de film voor zowel leken als kenners van de schilder tot een verrassende kijkervaring is geworden.” - De Filmkrant Nederland
“Zonder een spoor van gekunsteldheid verdraagt de reconstructie van Cox’
leven in deze film de door de makers gekozen structuur. Een heldere introductie
op de motieven, het werk en de betekenis van een voor velen onbekende
schilder.” - De Volkskrant
“In filmisch opzicht is Jan Cox, a painter’s odyssey een verademing.” - NRC
Handelsblad
“Een boeiend filmisch portret, dat een geheel eigen waarde heeft als kunstwerk.”
- Nederlands Jaarboek Film '88
Voor de publicatie Jan Cox: Profiel van een kunstenaarschap (Stichting
Kunstboek) schreven Bert Beyens en Pierre De Clercq een meer uitgebreide
bijdrage over het maken van de film, 20 jaar later.
Op 24 maart 2008 zendt Canvas de film JAN COX, A PAINTER’S ODYSSEY uit in de reeks "Belgische documentaires op maandag".
Tijdens de duur van de tentoonstelling "Jan Cox: Profiel van een kunstenaarschap" wordt de film elke zondag (behalve op 13/04 en 20/04) om 15.00 uur vertoond in het auditorium van het KMSKA!
Op 15 mei 2008 is er een voorstelling in de Academia Belgica te Rome n.a.v.
de tentoonstelling "Jan Cox (1919-1980) Petite Histoire Italienne:! Cobra e le
peregrinazioni tra Roma, Boston ed Anversa."
CREDITS
scenario en regie ............................................. Bert Beyens & Pierre De Clercq
stem............................................................................................. Jeroen Krabbé
fotografie ...................................................................................Remon Fromont
muziek ..........................................................................................Walter Heynen
geluid .............................................................................................. Miguel Rejas
montage........................................................................................ Ann Van Aken
executive Producer.....................................................................Willem Thijssen
met ondermeer Pierre Alechinsky, Gerrit Kouwenaar, Hugo Claus, Marc
Mendelson, Yvonne Van Ginneken, Thomas M. Messer, Fred Bervoets,
Adriaan Raemdonck, Harry Cox.
productie ..........................................................CinéTé Antwerpen-Amsterdam
B – NL - USA
duur .......................................................................................................... 75 min.
dvd.......................................................... Nederlandse en Engelse audioversie
Nederlandse – Engelse – Franse ondertiteling
www.jancox.be
Abonneren op:
Posts (Atom)