Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans

Stichtingsdatum: 1 februari 2007


"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"

"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.

28 juni 2008

Eerst geloven dan zien?

Eerst zien en dan geloven is een foute houding, waarmee de meeste mensen in het leven staan. Hierdoor doen ze zich te kort en missen zij verrijkende ervaringen. Ik draai liever de zaken om: eerst geloven en dan zien.
Indien je zo leeft, ontsluit zich een heel nieuwe wereld, waarin het leven geen strijd meer is, maar waarin een positieve kracht ervoor zorgt dat iedere dag een opwindende gebeurtenis is vol verwondering.

Voor wie het leven letterlijk wil be-leven in plaats van zich te spoeden van het ene denbeeldige doel naar het andere, opent zich een nieuwe horizon. Iedereen kan er immers zelf voor kiezen deze positieve wereld te leren kennen door gevoelens van angst, schuld, rancune, agressie en twijfel achter zich te laten en open te staan voor een nieuwe synthese van harmonie, evenwicht, vrede en liefde.

Ook jij ziet in je eigen leven in essentie wat je gelooft. Als je gelooft in geluk en voorspoed, is de kans groot dat je ziet wat je gelooft. Een mens is veel meer dan een lichaam, hij kan denken en voelen, hij bezit een hoger bewustzijn. Hij kan putten uit dit onzichtbare deel van hem, hij kan zijn geest op zijn manier gebruiken.

Waarom eerst zien en dan geloven? Dit betekent dat je meer belang hecht aan het uiterlijk dan aan kwaliteit, dat je conform de regels leeft, dat je je vasthoudt aan wat bekend is. Uit gemakzucht? Ja, maar vooral uit angst. Je durft je gewone manier van doen niet te veranderen.
Spijtig, want je mist de ervaring van iemand die zijn lichaam voor de deur laat staan, zoals Moslims hun schoenen uittrekken voor ze de moskee binnengaan. Waar ligt de grens van onze verbeeldingskracht? Het deel van jezelf dat door je gedachten wordt gevormd, is zuivere energie die ervoor zorgt dat ideeën in je geest zich tot woorden verenigen en vorm krijgen.

Soms ben ik verbijsterd over de tegenstellingen die ik ontwaar en vaststel in mij en omheen mij. En soms heb ik het gevoel dat ik mij op mijn gemak voel bij een heel ander iemand. In hetzelfde lichaam ben je zowel verlegen als agressief, je bent lui maar je kunt ook hard werken. Je krijgt waardering daar waar je die het minst verwacht. Dualisme is er altijd en overal.

Ik denk soms dat de verste grenzen van mijn leven heel anders zijn dan die van de zichtbare wereld. Moeilijk te verklaren, maar door ermee te leven, door erover te schrijven, ben ik een nieuw mens geworden. Gelukkiger. Energieker. Positiever.

Ik wil immers mijn leven niet laten begrenzen door mijn lichaam. Ik wil verder gaan dan mijn lichaam, verder dan de vorm. Ik ben geen rebel die oppositie voert tegen de vorm van deze wereld (de regels en de wetten), maar ik heb het gevoel dat ik mezelf hervorm door mijn inzicht en onderscheidingsvermogen te vernieuwen.

Sommigen noemen dit fenomeen van grensbeeld, grenslijn, grensuitbreiding, grensverleggend, persoonlijke transformatie. Geen bezwaar, het kind moet een naam hebben. Sedert ik schrijf aan het essay Schoon volk in de hemel, betrap ik mij erop tekens en symptomen van innerlijke verandering te ervaren. Zoals: mijn neiging om spontaan te denken en te handelen, het vermogen om (meer en beter) te genieten, verlies van interesse in conflicten, momenten van dankbaarheid, tevredenheid over relaties met anderen en de natuur, een toegenomen gevoeligheid voor liefde.

Ik merk ook dat ik een nieuwe vorm van intelligentie ontwikkel. Ik geniet ervan te lezen over de kwantumtheorie, de relativiteitstheorie, de metafysica. Ik sta meer open voor alles in het universum. Ik hecht ook (nog) minder waarde aan bezitten en verwerven. Ik leg mezelf geen grenzen meer op. Ik heb geen behoefte meer om mezelf strak te definiëren. Ik zie de wereld niet meer in termen van toeval of ongeluk.

Wil dit nu zeggen dat ik mij uitsluitend laat (bege)leiden door mijn gevoel? Door religie? Door het verhaal? Niet (meer) door (de) feiten? Haalt mijn kosmosgevoeligheid het van de wetenschap? Zijn kennis en wetenschap nu ondergeschikt aan spiritualiteit? Neen, ik argumenteer.

De wetenschap zegt ons hoe de wereld in elkaar zit. Maar om te bepalen wat die ontdekkingen betekenen, hebben we behoefte aan een moreel en filosofisch debat.
Het lijkt alsof wetenschappelijk gezag in de plaats treedt van religieus en moreel gezag, en vervolgens tot dogma wordt getransformeerd. Het lijkt of de wetenschap op ieder terrein de opinie bepaalt. Studies worden gebruikt om mensen te vertellen hoe ze met hun relaties en gezinsleven moeten omgaan, wat ze moeten eten, hoeveel alcohol ze mogen drinken, hoeveel uren ze hun huid aan de zon mogen blootstellen en zelfs hoe ze seks moeten hebben. Bijna ieder aspect van het menselijk bestaan wordt besproken in wetenschappelijke termen en gerechtvaardigd met onderzoek. Dat is te eenzijdig, te beperkend, te eigenwijs, te arrogant.

Ik bekijk de wetenschap kritisch en sceptisch. Ik leg haar autoriteit onder de loep en onderwerp haar aan intens moralistische kritiek. Met velen vraag ik mij af of er achter sommige onderzoeken geheime agenda’s of belangen steken. Ik stel ook vast dat het wetenschappelijk advies van vorig jaar al weer wordt tegengesproken door recentere ontdekkingen.

Mijn houding tegenover de wetenschap is erg tegenstrijdig. Ik wil mij niet verschuilen achter het wetenschappelijk gezag, maar tegelijkertijd geloof ik niet helemaal dat wetenschap altijd oplossingen aanbrengt.
En toch, hoe sceptisch ik ook ben, haar invloed reikt ver. Sommigen gebruiken de wetenschap echter als een dogma. “Zó moet het volgens de wetenschap,” claimen zij nogal eens.

Een groot deel van de samenleving wordt niet meer geïnspireerd door religie en filosofische overtuigingen. Politici vinden het lastig hun werk en opvattingen te rechtvaardigen in het vocabulaire van de ethiek. Ze verdedigen hun beleid met het argument dat het “op bewijs is gebaseerd”, in plaats van dat het “juist” of “goed” is. In de kringen van beleidsmakers is de taal van “goed” en “kwaad” vervangen door de frase: “Uit onderzoek blijkt...”

Ondanks haar ontzagwekkende intellectuele vermogens kan de wetenschap altijd maar een provisorische oplossing bieden. Historisch is de opkomst van de wetenschap te plaatsen vanuit een worsteling met religieuze dogmatiek. Geloof in de macht van de wetenschap om te ontdekken hoe de wereld in elkaar zit, moet niet worden opgevat alsof de wetenschap zelf een geloof is. Integendeel, wetenschap is afhankelijk van een onbevangen oriëntatie op proefneming en het toetsen van ideeën. Sterker nog: wetenschap is een intrinsiek sceptische bezigheid, want een andere autoriteit dan die van het bewijs respecteert zij niet. En dat noem ik arrogantie!

Wetenschap kan feiten leveren over de manier waarop de wereld functioneert, maar kan niet zo veel zeggen over wat dat allemaal betekent en wat we eraan moeten doen. Zeker, het zoeken naar waarheid vereist wetenschappelijke proefneming en de ontdekking van nieuwe feiten, maar het eist ook antwoorden over de betékenis van die feiten, en die antwoorden kunnen alleen helder worden gemaakt door middel van moreel, filosofisch onderzoek en debat.

Zij die in de wetenschap per se een nieuwe vorm van geopenbaarde waarheid willen zien, zouden eens moeten stilstaan bij de woorden van Pascal: “Wij kennen de waarheid, niet alleen door de rede, maar ook door het hart.”

Thierry Deleu

Geestelijke gezondheid en levensbeschouwing

H.C. Rümke over geestelijke gezondheid en levensbeschouwing

Korte bespreking:
Twee godsdienstpsychologen van de K.U.-Nijmegen schenken ruim aandacht aan de plaats die psychiater Rümke (1893-1967) toedenkt aan levensbeschouwingen in de geestelijke gezondheidszorg. In een tijd waarin de mens door de voortschrijdende (medische) technologie voor steeds grotere ethisch-filosofische problemen gesteld wordt, een goed initiatief.
Rümke, in bredere kring bekend met het godsdienstpsychologische Karakter en aanleg houdt een pleidooi tegen de onduidelijkheid en maakt onderscheid tussen "geestelijke hygiëne" (terrein van de medische psychiaterie) en "geestelijke gezondheid" (terrein van de gezonde mens met eventuele psychische problemen).
Eén van de kenmerken van gezondheid is voor Rümke dat het persoonlijk geloof (normen en waarden) een krachtbron voor de mens vormt. Zijn actuele visie op geestelijke gezondheid komt naar voren in zijn meningen over individu en gemeenschap, over het omgaan met schuldgevoel en over de plaats van de psychiater.
Interessant essay, dat een vrij groot appel doet op algemene ontwikkeling en taalbeheersing.

M. Derhaag-van de Weijer
© NBD/Biblion, 2002-2007

24 juni 2008

Gedicht bij zelfportret van Auke van der Heide

















Poppetje gezien

Genadeloos te kijk als een verloochende belofte het gezicht
dat wel op onweer lijkt. Die vreemde stilstand. Hij blijft zich
niet bewegen. Dat hoeft ook niet, want altijd is er de milde
zwaarmoedigheid van het willen huilen. Kijk, de oogleden

weigeren zich te sluiten. Maar dan is er plotsklaps het inzicht,
het besef van confrontatie: dat het wezen van bestaan achter
onze blik ligt. Dat er immer kinderen waren. Dat ochtenden
soms terugkeren als wouden van hout. Dat er mensen zijn die

dingen noteren in schriften met een mahoniekleurige kaft. Aan
de andere kant vermoedt hij vleeskleurige meisjes, mintgeurige
moed. Laten we in onze schuilplaatsen van verdriet onthouden
dat we kunnen vergeten, en onze verdolende compagnons de weg

wijzen. Want weet: wij worden allemaal geroepen met namen
die we kregen. Wat gebeurt: hij kijkt als een man die nu pas snapt
wat hij toen als jongetje had moeten doen. Het gaat om volharden.
Blijf maar weg waar je niets vindt. Beter: dans roerloos aan zee.

Bert Bevers

Nestorprijs 2008

Herentals, postdatum
Betreft: Nestorprijs 2008

Geachte Mevrouw,
Geachte Heer,

Op zaterdag 23 augustus zal voor de tweede maal de Nestorprijs (*) worden uitgereikt. De prijstoekenning, ontstaan op initiatief van de redacteurs van het literaire tijdschrift Heibel, Frans Depeuter en Robin Hannelore, wordt gesteund door de cultuurraad en het stadsbestuur van Herentals, die van oordeel zijn dat het een sterke bijkomende culturele uitstraling is voor de stad Herentals en de Kempen tout court.
De Nestor wordt jaarlijks toegekend aan een of meer personen uit de Vlaamse culturele wereld (schrijver, schilder, beeldhouwer, kalligraaf, musicus, zanger, functionaris, politicus…) met een lange en waardevolle staat van dienst, als erkenning voor zijn/haar/hun globale oeuvre of inzet.
Vorig jaar werden niet minder dan drie nestors gehuldigd, t.w. de auteurs Herman Vos en Jan Veulemans en de troubadour Miel Cools. Het werd een stijlvolle maar toch cordiale bedoening die op een ruime interesse van pers en publiek kon rekenen. Dit jaar zullen de auteur Gaston Durnez en de cabaretier-kleinkunstenaar Will Ferdy worden gehuldigd.
De uitreiking zal plaatshebben op zaterdag 23 augustus om 15.00 uur in CC ’t Schaliken, Grote Markt te Herentals. De nestors ontvangen niet alleen een waardevolle ets van schilder-beeldhouwer Achilles Cools, maar tevens een fraaie eveneens ingelijste oorkonde van de kalligraaf Jos Boeckx en een symbolisch beeldje, de ‘Nestor’, ontworpen door de keramiste Reinhilde Van Grieken.
De plechtigheid zal muzikaal en verbaal worden opgeluisterd door optredens van Will Ferdy, Gaston Durnez en Lieve Steurs. De laudatio zal worden uitgesproken door prof. Rik Van Gorp, emeritus hoogleraar Literatuurwetenschap KULeuven, lid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Schepen van Cultuur Ingrid Ryken zalnamens de stad de plechtigheid inleiden.
Aansluitend op de academische zitting biedt de stad Herentals een receptie aan.
De redactie van Heibel, de cultuurraad en het stadsbestuur van Herentals nodigen graag alle geïnteresseerden uit om dit gebeuren bij te wonen. Wie zeker wil zijn van een plaatsje, raden we aan om zijn/haar deelname te bevestigen door middel van een mailtje naar depeuter.frans@telenet.be of een telefoontje naar het redactieadres van Heibel (014.26.63.39)

Met vriendelijke groeten
Frans Depeuter & Robin Hannelore,
initiatiefnemers
Ingrid Ryken, schepen van cultuur
Paul Snoeys, voorzitter cultuurraad Herentals

(*) Nestor, de koning van Pylus, was een zoon van Neleus, die van Poseidon afstamde. Zijn elf broeders werd door Hercules gedood. Als grijsaard trok hij nog mee naar Troje, waar hij als oudste van alle vorsten de wijze staatsman werd.

Uitreiking van de Nestorprijs
in de CC ‘t Schaliken, Grote Markt te Herentals
op zaterdag 23 augustus 2008 te 15.00 uur

Welkom
Paul Snoeys, voorzitter van de cultuurraad
Inleidend woord
Ingrid Ryken, schepen van cultuur
Muzikaal intermezzo
Lieve Steurs
Toelichting van de Nestor
Robin Hannelore
Laudatio van de gehuldigden
Rik Van Gorp
Muzikaal intermezzo
Lieve Steurs
Lezing
Gaston Durnez
Optreden
Will Ferdy

Uitreiking van de Nestors
Afsluiting
Frans Depeuter

Daarna wordt een receptie
aangeboden door het stadsbestuur van Herentals

12 juni 2008

Een venster op Nelson Mandela

‘Een venster op Nelson Mandela’
Van 13/6 tot 2/8
Chocolaterie Marc Vandenbussche
Dit jaar wordt Nelson Mandela gevierd over de hele wereld. Naast het grote Nelson Mandela concert, op 27/6, in Londen Hyde Park worden er overal activiteiten en tentoonstellingen georganiseerd. Niet alleen in het buitenland maar ook hier in België en zelfs meer bepaald in Diksmuide.
Naar aanleiding van de 90ste verjaardag, op 18 juli, van Nelson Mandela brengt chocolatier Marc Vandenbussche een smakelijke ode aan deze ‘Nobelprijswinnaar voor de Vrede’. De volledige etalage bestaat uit 15 chocoladen creaties, die allemaal te maken hebben met deze bekende strijder tegen de apartheid en later de eerste zwarte Zuid-Afrikaanse president. Deze chocoladen creaties bestaan uit citaten, een portret, symbolen en verschillende andere zaken ivbm Nelson Mandela. Als specialiteit is er ook de ‘Nelson/Graça-praline’, gemaakt op basis van ‘Amarula’, een Zuid-Afrikaanse likeur.
‘Het venster op Nelson Mandela’ kwam er met medewerking van Linx+ en Jan L. Coetzee, Journalist/Media Consultant Zuidelijk Afrika/Bestuurslid van de Afrika Vereniging van UGent.
In de stedelijke bibliotheek van Diksmuide wordt er ook een boekenstandje voorzien ivbm Nelson Mandela.

Org. en info : Chocolaterie Marc Vandenbussche,
Generaal Baron Jacquesstraat 29
8600 Diksmuide
Tel : 051 51 07 27

11 juni 2008

Orgelconcerten in Vlaanderen

Zomeracademie
dinsdag 1 juli 2008

08u30: Aanmelden Station Berchem
09u00: Vertrek
09u30-10u30: Auditie in Vremde
10u30-11u00: Verplaatsing naar Broechem
11u00-12u30: Auditie in Broechem
12u30-13u30: Middagmaal
13u30-14u30: Verplaatsing naar Westmalle
14u30-16u00: Auditie in Westmalle
16u00-17u00: Verplaatsing
17u00-18u30: Avondmaal
18u30-20u00: Auditie in Vosselaar
Audities o.l.v. Luk Bastiaens (laureaat van de Wedstrijd Axion Classics van Dexia Bank)
Tarief:
Actief Leden/ Leerlingen DKO: 25 Euro
Luisteraar Leden/ Leerlingen DKO : 20 Euro
Actief Niet-Leden: 40 Euro
Luisteraar Niet-Leden: 35
Ledenkorting: leden van Het Orgel in Vlaanderen, Orgelkunst, Beiaardvereniging, Kostersbond, VKOCL, De Olijfberg, De Principaal, VTB-VAB, Davidsfonds, Calcant, Orgelcomité Vosselaar, Het Zilveren Orgel, Gezinsbond en Knack
Folder nu verkrijgbaar. Inschrijven of folder opvragen kan door een bericht te sturen naar info@orgelinvlaanderen.be
De Zomeracademie wordt georganiseerd i.s.m. de plaatselijke kerkbesturen en orgelverenigingen, Provincie Antwerpen, Vlaamse Overheid en DEXIA

Wedstrijd Axion Classics

Dexia organiseert de 44ste editie van zijn wedstrijd Axion Classics. De wedstrijd is voorbehouden aan de leerlingen van alle academies voor muziek en woord die erkend zijn door de Vlaamse, Franstalige of Duitstalige Gemeenschap. Inschrijven kan tot 4 juli 2008. Info en reglement : 02/222 46 17 Fax 02/222 25 48
Email mhtml:%7BAB1B2ECB-2F6B-4A5A-B158-12E0DA8E27C9%7Dmid://00000325/!x-usc:mailto:anne.wettinck@dexia.be

Concerten op website SVM

Het studiecentrum voor muziek doet een oproep aan alle organisten, om hun concerten waarop ze Vlaamse muziek uit de periode 1800-1950 spelen, aan het Studiecentrum (mailto:info@svm.be) door te geven. Het concert en een overzicht van de gespeelde Vlaamse werken worden dan op onze website www.svm.be gezet.
Te vermelden: plaats, uur, datum, uitvoerder(s), programma, info en tickets.

Orgeltrip Alkmaar en Haarlem
Maandag 30 juni

Kennismaking met het Van Hagerbeer/Schnitger-orgel en het Van Covelens-orgel (oudste bespeelbare orgel van Nederland) in de Grote of St. Laurenskerk van Alkmaar, en het beroemde Müller-orgel in de Grote of St. Bavokerk van Haarlem. Concerten door Pieter van Dijk en Anton Pauw, workshops voor meereizende organisten op de orgels van Alkmaar.
Vertrek per autocar om 7 u. aan de Watersportbaan te Gent. Extra opstapmogelijkheid om 8 u. aan het Crowne Plaza Hotel, Gerard Le Grellelaan 10, 2020 Antwerpen. Terug te Antwerpen rond 21.15 u. en te Gent tegen 22 u. Deelnemers dienen zich van een broodmaaltijd te voorzien voor de terugreis (kan ook ter plaatse worden aangeschaft). Prijzen (lunch inbegrepen): 55 Euro, 45 Euro (leden van “De Principaal”), 35 Euro (studenten van de Stedelijke Academie voor Muziek, Woord en Dans “Emiel Hullebroeck” te Gentbrugge).
Inschrijven bij: Uitbureau Gent, Kammerstraat 19 - 9000 Gent
09 233 77 88 - mailto: info@uitbureau.be - www.uitbureau.be
Info: tel. 09 232 46 60 en 0496 07 69 08 of mail to: deprincipaal@telenet.be

Cursus Kerkmuziek

Vrijdag 18 tot en met zondag 20 juli in de Musikhochschule in Leipzig.
Individueel en groepsonderricht rond literatuurspel, liturgisch orgelspel en koorleiding. Voor deelnemers vanaf 15 jaar.
Info: www.ORGANpromotion.org

Laus Polyphonia 2008:

Concert Liuwe Tamminga speelt de Lüneburger tabulaturen
Woensdag 20 augustus 12 u Kapel Centrum Elzenveld Lange Gasthuisstraat 45 2000 Antwerpen
De Lüneburger tabulaturen zijn een verzameling van twintig orgel- en klavierhandschriften, die vermoedelijk in de jaren 1650-75 in de streek Lüneburg-Hamburg werd samengesteld. Naast muziek van Samuel Scheidt
en Melchior Schildt vindt men in de collectie ook unica terug van haast alle bewaarde werken van Matthias Weckmann. Een bron van onschatbare waarde, waar men tijdens de editie van Laus Polyphoniae 2008 niet aan voorbij kan gaan. Hoofdthema van het renaissancefestival is dit jaar immers ‘Muziek in de Hanzesteden’.
De Friese organist Liuwe Tamminga is reeds jarenlang de vaste organist van de San Petronio-basiliek in Bologna en treedt geregeld op met het Orkest van de 18de Eeuw en het Concerto Palatino. Hij bespeelt het recent gerestaureerde Bremser-orgel van het Elzenveld. Het instrument werd in 1675 gebouwd door Blasius Bremser en is een barok prachtexemplaar, waarop literatuur uit die periode perfect tot haar recht komt!
Wenst u tickets te bestellen, stuur dan een mail naar info@orgelinvlaanderen.be met uw gegevens en het gewenste aantal tickets en stort het bedrag op rekeningnummer: 779-5929312-27. De kaarten liggen de dag zelf klaar aan de kassa. Enkel zo geniet u van deze korting!

Concertinfo
U kan uw concertinfo zelf invoeren op de website van het Orgeltijdschrift "Orgelkunst" (www.orgelkunst.be). Wenst u ook opgenomen te worden in de concertagenda van het Informatieblad van Het Orgel in Vlaanderen, dan dient u de gegevens door te sturen naar info@orgelinvlaanderen.be. Voor het Informatieblad nr. 29 is de uiterste inzenddatum 15 augustus. LidmaatschapIn 2008 betaalt iedereen 20 euro (storten op 779-5929312-27) van Het Orgel in Vlaanderen vzw, Lange Gasthuisstraat 45, 2000 Antwerpen).
Wil u Het Orgel in Vlaanderen financieel nog meer steunen? Word dan Donateur:
U kan ook in 2008 Donateur worden als u een fiscaal aftrekbare gift vanaf 30 Euro schenkt: u stort dan, apart van uw lidgeld dat u op de andere rekening stort, een bedrag vanaf 30 Euro op rekeningnummer 745-0115663-11 van VCM-contacforum voor Erfgoedverenigingen, Oude Beurs 27, 2000 Antwerpen, met vermelding "Gift Orgel In Vlaanderen". U krijgt dan begin 2009 een fiscaal attest dat u kan bijvoegen bij uw belastingaangifte.
Uw steun is van harte welkom!

Voordelen lidmaatschap.
U ontvangt de Vlaamse Orgelmailkrant en het Informatieblad rond Vlaamse Orgelcultuur. Daarnaast krijgt u ook een persoonlijke uitnodiging voor activiteiten: cursussen, lezing, orgeltrips, zomerhappening, leraarsbijeenkomst, Orgel op Open Monumentendag, Trefconcert voor orgelleerlingen, info over nieuwe publicaties en nieuws uit de orgelwereld. U geniet korting bij alle activiteiten. Ook korting bij activiteiten van Calcant, VKOCL en Protestantse Orgelkring De Olijfberg. U kan terecht met uw vragen over orgelmuziek, orgelspel en orgelbouw op het secretariaat: 03/202 77 06.
Wenst u deze informatie niet meer te ontvangen, stuur dan een bericht met als onderwerp "uitschrijven" naar info@orgelinvlaanderen.be.
Het Orgel in Vlaanderen v.z.w.Centrum ElzenveldLange Gasthuisstraat 452000 Antwerpen tel: ++32 3 202 77 06fax: ++32 3 202 77 00 mailto:mailto:info@orgelinvlaanderen.bewww.orgelinvlaanderen.be

10 juni 2008

Aan mijn grote liefde

LIEFDE

Voorzichtiger dan vlinders strijken
mijn lippen op je schouders neer.
Zo-even weer. Als het sneeuwen
van meeuwen op de wiegende zee.

Liefde is huiver. En gulzigheid.
Van mond en tanden, krauw en beet
en tederheid van vogelveren.
Liefde is ook jagen, prinses,

op de katten in je ogen,
op de welpen in je enkels,
de springgazellen van je geest.
Liefde vernietigt niet, prinses.

Haar prooi wordt meesteres,
mijn roede haar trouw reptiel.
Liefde is elk uur als de duur
van een vlam tussen rook en as.

Thierry Deleu

"Eindterm" (2002) - debuutroman Thierry Deleu - hoofdstuk 33-34-35

33

Deforge haalt uit zijn portefeuille twee foto’s van Sabine. Ze zijn aan de bovenrand wat verfrommeld. Hij probeert ze glad te strijken en geeft de eerste foto een kus. Een ritueel dat hij elke dag drie- tot viermaal herhaalt. ’s Morgens bij het wakker worden, in de TV-zaal, zoals nu, en ’s avonds voor het slapengaan.
Sabine staat voor de grote spiegel in de woonkamer in korte satijnen onderjurk, met afgeronde onderkant en zijsplitjes. Deforge maakte die foto omdat hij getroffen was door dit beeld van vrouwelijke elegantie.
Het ochtendlicht valt in een wijde straal naar binnen. Haar benen glinsteren. De rand van haar onderjurk is achteraan een beetje opgeplooid. Deforge bekijkt het grillige spel van de schouderbandjes. Links boven in de spiegel ziet hij een deel van haar naaktportret, in groene en gele tinten. Nooit eerder had Raepzaad dit kleurengamma gebruikt.
Deforge ruikt haar Lavende citronelle van L’Occitane. Hij hoort de geluiden van het wakker wordende Burghgraeveveld: de Henneberts, de paarden in de boxen, een bromfiets die het erf komt opgereden, het slaan van de staande klok, een erfdeel van de Dardennes.
De tweede foto is zwart-wit. Sabine als jonge amazone op een hoog paard. Het haar nonchalant opgestoken.
“Dit was haar lievelingsfoto,” denkt Deforge.
Hij ziet hoe de anderen in zijn richting kijken, de vinger op de mond.
“Ssssst,” sissen zij als een slang met wel dertig scherpe tongen.
“Heb ik luidop gesproken?” vraagt hij. “Sorry.”
“Ik zal vanavond Murray Banks De kunst met jezelf te leven lezen,” besluit hij.
Hij heeft het boekje van Rosette gekregen.
“Het heeft mij ook geholpen,” zei ze.
Op de TV ziet hij een scène met een herdershond. Hij weet meteen waar zijn lotgenoten naar kijken: een film met Lassie! Hij denkt aan Rin Tin Tin, aan Ula, de hond van Greta, aan Eva, zijn trouwe lakelander die hij meenam naar zijn flat in Gavere. Zij was toen reeds twaalf jaar. Op haar dertiende stierf zij aan nierinsufficiëntie.
Hij hoort het geklots van een rivier. De stemmen van kinderen die op de hond roepen. Ze lijken ver weg.
De zuster van dienst komt de zaal binnen, gaat achter de TV-kijkers door tot bij Deforge.
“Peter, zuster Marie vraagt naar jou. Wil je nu tot bij haar gaan?”
Deforge staat op.
Zuster Marie is de bazin van de afdeling psychiatrie. Een klein, mollig zustertje met een Oosterse glimlach. Bijna geruisloos schuift zij door de gangen van de benedenverdieping, haar ondergrondse rijk. Zelden hoor je haar een bevel geven.
Als zij een zuster nodig heeft, zegt ze stil en zangerig: “Anna-Maria, waar ben je?”
Een lief mens.
Deforge klopt aan.
“Binnen.”
“Ga zitten, Peter.”
Na circa één minuut kijkt ze op en glimlacht.
“Wij zijn over jou heel tevreden. Je werkt goed mee. Dokter Van Kante is heel positief over jou en de verpleegsters zeggen mij dat je ze flink helpt. Je bent schrijver. Werk je hier aan een nieuw boek? Lukt dit?”
Zij wacht zijn antwoord niet af en zegt nu iets luider: “Maar, wat ik wou zeggen, Peter, ik zie je nooit in de kapel. Hoe komt dat?”
Peter slikt even. Hij had zich al lang aan die vraag verwacht, maar ze kwam niet. Nu is hij niet voorbereid.
“Och, zuster Marie, ik praktiseer niet, maar ik loop wel af en toe een kerkje binnen om een kaars te branden.”
“Dat is goed,” lacht zij.
Ze legt haar borstkruis op het bureau en vraagt: “Voor wie brand jij dan een kaars?”
“Voor Sint Antonius,” zegt Deforge, “en voor Onze Lieve Vrouw van Altijddurende Bijstand."
“Dat is goed, Peter, en ik die dacht dat jij een heiden was. Kom toch maar eens naar de kapel. Je kunt bij ons ook een kaarsje branden voor Sint Antonius.”

Deforge gaat naar zijn kamer. Hij is pas binnen als de deur opengaat en Ann verschijnt. In nachtjapon.
“Mag ik binnenkomen, Peter?”
“Ja, Ann.”
Hij durft nooit neen te zeggen. Murray Banks zal voor morgen zijn. Ann Vosse is een vrouw van middelbare leeftijd, slank, mager voor zijn smaak, gehuwd met een pater die zijn kap over de haag heeft gegooid, maar blijkbaar ook zijn driften. Zij heeft een relatie met een psychiater achter de rug en Peter voelt aan dat zij verwacht dat hij die leemte opvult. Ook de verpleegsters zijn op de hoogte van haar avances. Als Vosse haar zotte kuren krijgt, roepen ze Deforge om haar te bedaren.
Wanneer het tien uur is, wordt zij van zijn kamer weggeplukt. Peter verwacht dat zij op een nacht aan zijn bed zal staan.

34

De mogelijkheid dat Dekunst op de avond van de feiten pas hulp heeft ingeroepen toen hij zeker wist dat Sabine dood was, had de wetsdokter grondig onderzocht en verworpen. Tussen de doffe klap die Roos had gehoord en het ogenblik waarop Dekunst in paniek bij haar naar binnen stormde, was zeker een kwartier verlopen. De lijkschouwing had uitgewezen dat het hart van Sabine bijna onmiddellijk na de kogelinslag tot stilstand was gekomen.
De studie van het gerechtelijk dossier had bij Pierre Du Tertre meer twijfels opgeroepen dan dat ze opheldering had verschaft over wat er die 22ste september 1992 precies was gebeurd. Dat maakte de afloop van de procedure voor hem bijzonder onvoorspelbaar. Zou de zaak worden verwezen naar een correctionele rechtbank of naar het Hof van Assisen? Ongetwijfeld zou de schadevergoeding voor Alexander Vanthuyne worden berekend op basis van het antwoord op die vragen.
Er was nog een andere reden waarom Pierre du Tertre besloot om het zekere voor het onzekere te nemen. Indien de rechter of de jury tot het besluit zou komen dat Dekunst zijn zus alleen maar had geholpen om zelfmoord te plegen, dan kon Vanthuyne junior geen aanspraak maken op welke schadevergoeding dan ook.
Nadat de familie Du Tertre het voorstel van Dekunst principieel had aanvaard, deden de advocaten er nog maanden over om het bedrag van de schadeloosstelling te bepalen. Het maximale dat Alexander van welke rechtbank ook kon krijgen, was de optelsom van de kosten van het levensonderhoud en de opvoeding tot zijn achttiende verjaardag. De advocaten van Dekunst wisten dat Alexander zijn voordeel deed met elke frank die daar bovenop kwam.

Nauwelijks was de ene burgerlijke partij van het toneel verdwenen, of er kwam al een andere aanzetten. Toen Peter Deforge vernam dat de familie Du Tertre genoegen nam met de schadeloosstelling, beschouwde hij het als zijn plicht om zich dan maar zelf burgerlijke partij te stellen. Hiermee wilde hij bereiken dat de omstandigheden waarin Sabine de dood had gevonden, volledig zouden worden opgehelderd. Hij eiste één frank morele schadevergoeding. Hij wilde niet dat de gerechtelijke molen zou stilvallen.
Dat was niet naar de zin van drie mensen die enig voordeel hadden bij een vrijspraak van Dekunst: zijn zus, de Guimardstraat die vreest dat Dekunst zal worden opgevolgd door een socialist en de schoonmoeder van Sabine du Tertre, Marie l’Escaut. Ze bestookten Peter Deforge met telefoontjes. Dreigtelefoontjes. André Vantorhout zocht hem bovendien twee keer bij zijn ouders op.
“¨Peter, als jij hier mee doorgaat, zal het proces in een schandaalsfeer verlopen. Is het dat wat je wilt?”
Vantorhout suggereerde Deforge dat hij in de laatste maanden van haar leven niet de enige minnaar was geweest.
“Kent hij Piet Tersmidse?” vroeg Deforge zich af.
“Als jij je niet terugtrekt als burgerlijke partij, zullen wij namen moeten onthullen.”
Van Truus Deseure kreeg Peter geen steun. Brusselmans en Vanhove stonden aan zijn kant, maar niet openlijk. Alleen Jitschak Horovitz schaarde zich resoluut aan zijn zijde. Hij moedigde Peter aan om door te gaan.
“Het is een geldkwestie, meneer Deforge. Bestrijd die wolven met hun eigen wapens. Eis geld!”
Het werd een eenzame strijd voor Deforge. Nadat in de pers een foto van hem was verschenen met het naaktportret van Sabine op de achtergrond, was ook de rest van de familie Du Tertre ontstemd. Dat hij zich uitgerekend met dat schilderij - een geschenk van Louis aan Sabine - had laten fotograferen, vonden ze heiligschennis. Deforge had zich door die fotograaf laten verrassen, maar niemand geloofde in zoveel naïveteit. Ook de familie Du Tertre blies alle bruggen op.

Op een dag werden de Henneberts bezocht door een dame die beweerde dat ze de tante van Alexander was van vaderskant. Roos en Frank woonden inmiddels in de buurt van vader Ivo, aan de overzijde van Burghgraeveveld.
“Wat komt die madame hier zoeken?” vroeg Roos zich af.
Ze liet de dame binnen. Op een zangerig toontje vroeg zij of Roos haar wilde vergezellen naar het kerkhof van Kortrijk om bloemen op het graf van Sabine te leggen. Roos durfde niet weigeren. Ze reden met de chauffeur naar het kerkhof.
Onderweg vroeg de dame: “Wat is er volgens u precies gebeurd?”
"Meneer Dekunst heeft madame doodgeschoten,” zegt Roos.
De vrouw schoof zenuwachtig naar links en kwam met haar spitse kin vervaarlijk dicht bij Roos.
“Gelooft u dat nu echt? Ik dacht dat u en uw man meneer Dekunst beter kenden. U gaat toch niet tegen hem getuigen?”
Achteraf bleek die dame de zus van Dekunst te zijn.

Op 8 juni 1994 wordt Joris Dekunst door de Kamer van Inbeschuldigingstelling naar het Assisenhof van West-Vlaanderen verwezen. De beschuldiging luidt: doodslag zonder voorbedachte rade.
Op zekere dag wordt Peter Deforge door de advocaat van Pierre du Tertre uitgenodigd voor een dringend gesprek. Deforge stemt in. Peter is vergezeld van zijn advocaat.
Jean Defrancq kijkt verbaasd op, wanneer zijn confrater nogmaals voorstelt dat Deforge zich in extremis zou terugtrekken als burgerlijke partij. Pierre du Tertre kan zich moeilijk zelf burgerlijke partij stellen, want hij is met handen en voeten gebonden aan het akkoord dat hij met Dekunst heeft gesloten. Maar hij kent wel iemand die de handen nog vrij heeft: zijn tante, Ingrid du Tertre, de zus van zijn vader. Ze is 83, maar nog helder van geest.
Deforge en Defrancq kunnen dit voorstel niet zomaar van tafel vegen en Pierre du Tertre heeft er geen bezwaar tegen dat Defrancq blijft optreden namens de burgerlijke partij.

35

20 maart 1995. Aan het gerechtshof patrouilleren rijkswachters met walkie-talkies. In het gebouw overheerst de weeë geur van een bejaardentehuis. Een kartonnen wegwijzer duidt aan: “Publiek links - Pers rechts”. Ook binnenin veel rijkswachters met witte koorden over de linkerborst, met pistoolholsters en gummiknuppels. De persmensen worden streng gecontroleerd.
In het zaaltje heerst er veel lawaai van bijzonder drukdoende mensen.
“Het Hof!”
De in kardinaalrood gehulde rechters doen hun intrede. Met de beschuldigde Joris Dekunst tussen twee rijkswachters. De fotografen doen hun werk.
De eedaflegging van de juryleden verloopt vlot. In deze jury zit een onderwijzer die tot hoofdgezworene wordt benoemd.
De griffier, in een zwarte toga, leest de akte van beschuldiging voor. Een van de advocaten leest de akte van verdediging voor. De voorzitter ondervraagt de beschuldigde op een koele, bitse toon. Dekunst antwoordt duidelijk en in correct Nederlands op alle vragen. Hij kent het dossier. Aandachtig luistert de jury naar zijn verhaal van het ongeval. Hij brengt hulde aan het slachtoffer, spreekt zacht en maakt afgeronde bewegingen met zijn handen. De eerste getuige is wapendeskundige Paelinck, de tweede de onderzoeksrechter die de eerste verhoren leidde, de derde is de rijkswachtmajoor die de opdrachten van de rechercheurs heeft gecoördineerd.
Na hen getuigt de wetsdokter en de huisdokter. Deze laatste is een bedachtzame man, die traag praat en af en toe toegeeft dat “het hem niet is opgevallen”.
De deskundige verslagen over de moord hebben geen onomstootbaar bewijs geleverd.
Eindelijk komen enkele getuigen à charge of à décharge aan de beurt, zoals de zus van Dekunst en Marie l’Escaut, de moeder van Louis Vanthuyne. De eerste neemt voortdurend de woorden joviaal, gedienstig, werkzaam, discreet in de mond en beklemtoont dat haar broer een goede vader was. Dat hij gescheiden was kon ze niet over haar lippen krijgen. Marie l’Escaut voelde dat ze nu de kans kreeg om haar zoon Louis te rehabiliteren en haar schoondochter voor een tweede maal te vermoorden. Zij had het over een slet, een manziek wijf, een slechte moeder en bovendien zou zij ook de oorzaak zijn van de dood van Louis.
“Hij had alcohol als bondgenoot tot zich genomen om zijn verdriet te verdrinken, mijnheer de voorzitter.”
Zij voegde de daad bij het woord en noemde een paar namen van mannen met wie Sabine ook een relatie had gehad.
“Zij was zot van de mannen, mijnheer de rechter. Ze kwam zelden naar huis en bleef ’s nachts bij haar vrijers slapen.”
De voorzitter krabt in zijn haar

Eindelijk komt Jean Defrancq aan het woord. Hij pleit op de ouderwetse manier, maar zijn pleidooi is duidelijk. Is het verhaal van Dekunst geloofwaardig? Er is geen bewijs van een accidentele dood. Dus is er veel te zeggen voor een criminele oorzaak.

@

Op deze eerste dag van het proces kondigt Jean Defrancq aan: “Peter Deforge heeft de ondervinding opgedaan dat zijn burgerlijke partijstelling tot voor dit Hof een nodeloze verscherping van het debat dreigt teweeg te brengen, weg van de eigenlijke feiten. Daarom zet hij een stap terug en maakt hij plaats voor iemand anders.”
Hij vervolgt: “Ingrid du Tertre die meer getroffen is geweest door de dood van Sabine du Tertre dan wanneer zijzelf zou zijn gestorven aan een ziekte of door een ongeval, stelt zich burgerlijke partij.”
Hij voegt hieraan toe: “Deze wijziging is het rechtstreekse gevolg van een actie die de laatste weken op het getouw werd gezet door drie personen, van wie ik mij afvraag wie of wat hun inspiratie of hun drijfveren zijn geweest.”
Ruim de helft van het betoog van de advocaten van Dekunst is gebaseerd op drie verklaringen, afgelegd tijdens het aanvullend onderzoek dat enkele weken voor het begin van het proces door de voorzitter van het Hof is bevolen.
Zij weiden eindeloos uit over de werking van een Smith & Wesson-revolver en over de vraag of er van zo’n wapen al dan niet per ongeluk een schot kan afgaan. Tussen de bedrijven door laten zij geen gelegenheid onbenut om het imago van Deforge en de nagedachtenis van Sabine te bekladden.
Deforge wordt afgeschilderd als een pathetisch, zweverig persoon, die bovendien de rol die hij in het leven van Sabine heeft gespeeld, domweg overschat.
Wanneer de zus van Dekunst en Marie l’Escaut op de getuigenbank plaatsnemen en de namen van de minnaars onthullen die Sabine er naast Deforge en Dekunst op na hield, blijkt de combine overduidelijk.
Zij vernoemen Thiéry De Haan. Een medestudent van Sabine aan de VUB in de beginjaren ’60, met wie zij één keer per jaar uit ging eten. Willy van ‘t Veld. Een leerkracht houtbewerking, die op vraag van Louis Vanthuyne nieuwe ramen en deuren op Burghgraeveveld heeft geplaatst. Nadien is hij uitgeweken naar Spontin om er met zijn nieuwe vriendin een vakantiehuis uit te baten.
Uit andere getuigenissen blijkt echter dat Sabine niet zó gemakkelijk met iemand aanpapt.
“Ze had haar trots en haar eergevoel. Er waren grenzen die ze niet overschreed.”
Of: “Ze hoefde zich niet te prostitueren om carrière te maken. Daarvoor had ze te veel capaciteiten.”
Of: “Meneer de rechter, hier wordt het slachtoffer veroordeeld!”
Tijdens de getuigenissen van de deze twee vrouwen wordt ineens duidelijk waar de verdediging van Dekunst op aanstuurt: een vermoeden van zelfmoord ingang te doen vinden bij de jury. Vantorhout komt zeggen dat Sabine drie dagen voor haar dood met hem uitgebreid over zelfmoord heeft gefilosofeerd. Ook Brusselmans was bij deze discussie aanwezig. Het gesprek greep plaats in een zaaltje van het kabinet toen zij moesten wachten op de minister en de andere gesprekspartners. Gelukkig komt Brusselmans zijn versie uiteenzetten. Hij is het geweest die de discussie over zelfmoord was begonnen naar aanleiding van een boek dat hij had gelezen over de machtstrijd van de Romeinse senatoren.
“Op geen enkel ogenblik betrok Sabine du Tertre de discussie op zichzelf,” verklaart hij.

Op vrijdag 7 april 1995 wordt Joris Dekunst door het Assisenhof van West-Vlaanderen veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf, waarvan de helft effectief en de rest met uitstel “wegens het toebrengen van slagen en verwondingen met de dood tot gevolg, zonder het oogmerk te doden.” Na zijn straf keert Dekunst niet terug naar Onderwijs. Hij gaat met rust. Karel Pervijze wordt effectief de nieuwe secretaris-generaal.

9 juni 2008

Open brief aan Philip Hoorne

Beste Philip,

Ik heb jouw opiniestuk in Knack, 38ste jaargang, nr. 21, met groeiende aandacht gelezen.Veel maten is een aansprekelijke titel, multi-interpreteerbaar: maten zijn mijn vrienden, of op zijn minst mijn kameraden (we hebben dezelfde belangen, zitten in hetzelfde schuitje), maar we worden gemeten en gewogen met twee maten en twee gewichten.
In november 2002 kon ik genieten van je debuutbundel Niets met jou (als het openingsnummer in de Sandwichreeks onder redactie van Gerrit Komrij). Gesterkt door een nominatie voor de Vlaamse Debuutprijs besloot je voor je tweede gedichtenbundel een stimuleringsbeurs aan te vragen bij het Vlaams Fonds voor de Letteren. (Een stimuleringsbeurs is een werkbeurs, voorbehouden aan auteurs die maar één literair werk hebben uitgebracht, lezer.) Het VFL besloot je echter "neer te sabelen in plaats van aan te moedigen" en weigerde de beurs. Bovendien was het beoordelingsverslag "vernietigend".

Ja, Philip, "iedereen in het literaire wereldje weet dat de toekenning van subsidies aan Vlaamse schrijvers geheel subjectief gebeurt." Inderdaad, Philip, "het VFL bestaat uit zelfverklaarde literatuurpausen." Waarom de portemonnee nu eens openklapt en dan weer op de knip blijft, is ook voor mij onduidelijk. Ik ben het roerend met je eens dat het "een hemeltergende discriminatie is".

Zou het niet beter zijn gewoon een Voorstel tot herschrijven van het decreet van 30 maart 1999 houdende de oprichting van een Vlaams Fonds voor de Letteren te laten indienen?
Art. 5 van Hoofdstuk II. De oprichting van een VFL zegt dat “Het VFL tot doel heeft de Nederlandstalige letteren … in de brede zin van het woord te ondersteunen en de sociaal-economische positie van auteurs … te verbeteren.”
Onder andere door de toekenning van subsidies? Ja, natuurlijk. Maar welke is de positie van de auteur als het decreet stelt
- dat productiesubsidies alleen door uitgevers kunnen worden aangevraagd en verkregen,
- dat stimuleringsbeurzen niet kunnen worden toegekend voor uitgaven “in eigen beheer”?
Voor een gezond letterenbeleid staat het subsidie-instrument centraal. Maar er zijn voorwaarden: het VFL mag zich niet lenen tot het ondersteunen van enkel erkende uitgeverijen door het toekennen van welke subsidievorm ook. Zo verleggen zij het accent van de auteur (die hulpbehoevend is) naar de uitgeverij (die handel drijft en winst op het oog heeft). Niet de uitgever (tenzij die dezelfde persoon als de auteur) moet worden ondersteund maar de individuele auteur (waar en hoe hij ook uitgeeft, indien het professioneel gebeurt). Alleen het criterium “kwaliteit” is de objectieve norm!

Eén criterium zou moeten gelden: “Indien u een boek schrijft of wilt schrijven (poëzie, roman, essay, biografie), dan kunt u in aanmerking komen voor subsidie van het VFL.”
Voorwaarden:
- toegankelijk voor een breed publiek en geschreven in de Nederlandse taal;
- gepubliceerd in boekvorm;
- verkrijgbaar in de boekhandel (de wijze waarop is niet relevant);
- in een redelijke oplage.

Als auteur hebben wij recht op subsidie. Indien het nieuwe decreet zou stellen dat het de auteur is die moet worden ondersteund en niet de uitgever, dan pas zou de decreetgever zich een aureool van rechtvaardigheid kunnen opeisen.
Natuurlijk moet het decreet ook de uitgever helpen, zoals de overheid andere bedrijven in nood helpt. Niemand zal dit betwisten.
Mijn punt is echter: niet uitsluitend en met het accent op de auteur!
De vraag luidt niet: “Is het echt wel de taak van de overheid om schrijvend Vlaanderen financieel te helpen?” Natuurlijk, maar: “Moet de hulpbehoevende auteur niet eerst en méér worden geholpen?” en “Is deze hulp niet groter of kleiner naargelang van zijn hulpbehoevendheid?” In deze vraagstelling zit terecht een vingerwijzing naar de grote bedragen voor “grote” auteurs, de kleine bedragen (indien ze bij een erkende uitgever onderdak vonden) voor de “kleine” auteurs en de non-subsidiëring voor de auteurs die geen uitgeverij vonden en toch aan de kwaliteitseis voldoen.
Literatuur beoordelen is geen sinecure. Heeft het niet alles met smaak te maken? Wie is een goede auteur? Wat is goede literatuur? Het grote probleem blijft dat 90% van de auteurs zich in een grijze zone bevinden. Hoe verklaar je anders dat auteurs na hun dood worden opgehemeld, die tijdens hun leven aan het kruis werden genageld of niet eens aan de bak kwamen (bij het VFL)?

Dit is het gehele probleem in een notendop, Philip! De overheid heeft de dekselse plicht de auteurs te promoten. Wat als er helemaal geen boeken meer verschijnen en de cultuur, zoals de dino’s vroeger, spoorloos verdwijnt? Wat is het resultaat van deze foute subsidiëringpolitiek? Auteurs zoeken ijverig (en soms vergeefs) naar media-impact en sponsoring, nemen ijverig deel aan wedstrijden, creëren een eigen uitgeverij, storten zich vol overgave op het nieuwe fenomeen “print-on-demand”, stampen e-zines uit de grond, prostitueren zich. Zij blijven echter gefrustreerd toekijken hoe de grote uitgevers, met in hun zog de grote auteurs, de VFL-koe leegmelken.

Deze toestanden hebben niets met “kwaliteit” te maken of met “gebrek aan kwaliteit”. Literatuur moet zich niet verstoppen achter intellectueel struikgewas. Af en toe moet er grondig worden gesnoeid, maar zoals de subsidiëring nu werkt, hebben de “kleine” auteurs zelfs geen recht op een snoeibeurt. Zij worden niet au sérieux genomen door de overheid, hun kwaliteit wordt niet eens gemeten, hun groeiproces wordt niet eens begeleid.

Inderdaad, Philip, het VFL bestaat voor 95% uit professoren en assistenten van professoren en hun vrienden. Kun je van deze mensen een redelijkheidsprincipe verwachten? Of zijn ze geneigd aan elitevorming te doen? Of hebben ze geen voeling met de “werkvloer”? Auteurs moet je in het VFL zoeken met een vergrootglas.
Dezelfde problematiek stel je vast in de subsidiëring van tijdschriften. Sedert 1989 zijn er een kleine 20 verdwenen. Als gevolg van het subsidiebeleid van het VFL, waarbij vooral andere belangen speelden dan zuiver literaire en kwalitatieve. Tijdschriften hadden “geen profiel, te weinig kwaliteit, geen schrijvers genoeg uit de eerste linie”.
“Schrijvers uit de eerste linie”? Wie zijn dat? Ja, die!
Een randbemerking is hier wel op zijn plaats. De tijdschriften zijn blijkbaar geen ladder meer om hoger te komen in het wereldje van de literatuur. Met andere woorden: ze zijn geen onontbeerlijke schakel meer in de ketting van het literaire bedrijf. Het probleem is echter dat de literaire tijdschriften niet meer worden gelezen. (Lees: nog minder worden gelezen dan vroeger!) En wie zijn weer de dupe? De “kleine” auteurs, de “kleine” uitgeverijen. Kranten hebben in hun bijlagen deze taak overgenomen? Larie, wie komen er aan bod, denk je? Gelukkig zijn er nog redacteuren voor wie tijdschriften maken een ziekte is, een obsessie.Wat is het VFL van plan? Bibliotheken overtuigen van de noodzaak om een abonnement te nemen (en nu komt het) op de door het VFL gesubsidieerde literaire tijdschriften.

Ik kan het probleem niet oplossen. Wie kan het beter dan de auteur zelf, de uitgever, de redacteurs, de overheid, de adviseurs, bij elkaar in een aantal rondetafelgesprekken?
Op 22 mei was er overleg tussen de Vlaamse Auteursverenigibg en het Vlaams Fonds voor de Letteren over dit onwelriekend potje. Ging het deksel eraf of bleef het erop, Philip?

Thierry Deleu

7 juni 2008

Vlaanderen in de jaren '70 - de nieuw-realistische poëzie

Vlaanderen in de jaren ‘70
de nieuw-realistische poëzie

Dirk de Geest (N.F.W.O./K.U.Leuven) en Stefaan Evenepoel (P.H.V.T./ U.Gent) schreven een belangrijk essay over de nieuw-realistische poëzie in Vlaanderen (*).

Aan het eind van de jaren zestig werd de poëzie in Vlaanderen gedomineerd door enerzijds de gevestigde traditionele dichters en anderzijds de talrijke erfgenamen van de experimentele poëzie, verspreid over tal van kleine - vaak gestencilde - tijdschriften. Daartussen trof men in enkele jongerentijdschriften (Yang, Ruimten, Kreatief) echter ook sporen aan van een nieuw type van poëzie, waarin de nadruk veeleer lag op de directe werkelijkheid en op de geslaagde communicatie met de lezer dan op de subjectiviteit van de dichter en de taal als een autonome structuur.
In hun essay willen Dirk de Geest en Stefaan Evenepoel het ontstaan, de doorbraak en de profilering van die nieuw-realistische poëzie in kaart brengen. Daarbij steunen zij zich niet zozeer op de literaire teksten zelf, maar hoofdzakelijk op de communicatie daarrond, met name het circuit van de tijdschriften, de literaire kritiek, de program-maverklaringen, de polemiek en allerhande literaire manifestaties.
Centraal staat de vraag hoe het concept “nieuw-realisme” is kunnen ontstaan en gaandeweg geassocieerd werd met een cluster van samenhangende kenmerken en met welbepaalde teksten en auteurs. Het betreft hier een uiterst complexe brok geschiedenis, met breukvlakken en onverklaarbare sprongen, die zich maar moeizaam laat registreren. De Geest en Evenepoel reconstrueerden die nieuw-realistische poëtica. Deze reconstructie vormt het eigenlijke onderwerp van hun studie.
In welke mate is hier sprake van een nieuwe literaire beweging, en hoe wordt die gesitueerd en gekarakteriseerd? Na dit kristallisatie-punt zetten de auteurs een stap terug in de geschiedenis en proberen enkele facetten van de voorgeschiedenis te traceren: de gewijzigde literatuuropvatting in enkele tijdschriften, het verband met bepaalde tendensen in de schilderkunst. Zij schetsen het geleidelijke ontstaan van een “nieuw-realistisch” bewustzijn, via enkele aarzelende en deels nog impliciete aanzetten. Vervolgens komen zij bij de eigenlijke uitbouw van een nieuw-realistisch programma en de verdere institutionele inbedding van de nieuw-realistische beweging. Die benadering van binnenuit wordt vervolgens aangevuld met een onderzoek naar de tegenstand die de nieuw-realistische poëtica, vooral in postexperimentele kringen, heeft opgeroepen. Ten slotte gaan zij na op welke wijze het concept “nieuw-realisme” de literatuurgeschiedenis is ingegaan.
Dit essay mag zonder meer worden beschouwd als een geslaagde poging om de discursieve situatie rond het nieuw-realisme in Vlaanderen te reconstrueren. Daarbij gaat het om een extern-poëticaal onderzoek, dat bewust beperkt blijft tot poëticaal-relevante uitspraken en teksten. De poëtische productie zelf blijft systematisch buiten beschouwing. Ook de receptie van de afzonderlijke nieuw-realistische dichters komt bijna niet aan bod. Evenmin wordt de nieuw-realistische beweging kritisch beoordeeld op haar uitgangspunten of haar literaire productie. Een dergelijke evaluerende aanpak strookte blijkbaar niet met hun reconstructieve benadering, die in de eerste plaats waardeoordelen wil beschrijven en verklaren in plaats van zelf dergelijke selectiemechanismen te hanteren.
Met dit essay is het laatste woord over het Vlaamse nieuw-realisme geenszins gezegd. Niettemin hangt het een vrij accuraat beeld op van de wijze waarop het nieuw-realisme als literaire beweging in Vlaanderen stapvoets is ontstaan, vaste voet heeft gekregen in het literaire systeem en zelfs een eigen plaats in de literatuurgeschiedenis heeft verworven.
In feite is in Vlaanderen pas echt sprake van een nieuw-realistische poëzie, wanneer Lionel Deflo in het najaar 1970, als een speciaal themanummer van zijn tijdschrift Kreatief, de documentaire bloemlezing Nieuw-realistische poëzie in Vlaanderen laat verschijnen. Dit dossier heeft tegelijk een anthologische en een programmatische inslag. Aan de ene kant wordt hier het creatief werk van een negental jonge dichters voorgesteld en als “nieuw-realistisch” gekarakteriseerd. Aan de andere kant wil het Kreatief-nummer uitdrukkelijk ook het nieuw-realisme als een literair-poëtische stroming in Vlaanderen propageren en profileren. Daartoe wordt een apologetische inleiding van Deflo ingelast en krijgen alle deelnemende dichters uitvoerig de gelegenheid om hun poëticale uitgangspunten toe te lichten.
Lionel Deflo schrijft in de zomer van 1970 volgende dichters aan voor een themanummer van zijn tijdschrift Kreatief: Roland Jooris, Daniël van Ryssel, Patricia Lasoen, Jan Vanriet (allen Yang), Gerd Segers (Revolver), Luk Wenseleers, Herman de Coninck, Ludo Abicht (Ruimten) en Stefaan van den Bremt (Kreatief). Dit Kreatief-nummer (jrg. 4, nr. 3, oktober 1970), onder de titel Nieuw-realistische poëzie in Vlaanderen, kent meteen een ruime publieke en kritische belangstelling. De tijdschriftaflevering is in een mum van tijd uitverkocht en een uitgave ervan in boekvorm kent zelfs enkele herdrukken (1972, 1976).
Het Vlaamse nieuw-realisme is niet zozeer ontstaan onder invloed van buitenlandse of binnenlandse literaire voorbeelden - al wordt de stimulerende rol daarvan, in wisselende verhouding, wel onderkend -, maar vooral als gevolg van een organische evolutie in de eigen poëtica. Toch lijkt het mij voorbarig om op grond daarvan van een echt homogeen periode- en groepsbewustzijn te gewagen. De aangezochte dichters vormen geen hechte groep, en al evenmin beschouwen zij zichzelf als echte nieuw-realisten. De Coninck bijvoorbeeld twijfelt zowel aan het bestaan als aan het nut van een nieuw-realistische beweging: “Het Vlaamse nieuw-realisme? Vertel me eens wie je bedoelt, ik zie haast niemand.” Ook Deflo moet in de aanvangszinnen van zijn inleiding zijn oorspronkelijke opzet wat relativeren en aanstippen dat het niet gaat om “1 klok, maar 9 klokken met 9 stemmen”, een eenheid in diversiteit.
De nieuw-realistische poëzie in Vlaanderen is geenszins in het luchtledige ontstaan, zij is de voortzetting van een mentaliteit en een poëtica die zich reeds enkele jaren in de marge van het literaire systeem manifesteerden.
Oorsprong, gebruik en betekenis van de term “nieuw-realisme” zorgen voor heel wat verwarring. De term zou zijn overgenomen van de Nederlandse criticus Kees Fens, die hem al gebruikte voor de Nieuwe-Stijlpoëten rondom het tijdschrift Barbarber.
Het zou ons in deze recensie te ver voeren om in te gaan op de concrete herkomst van de term. Blijkbaar gaat het om een vertaling van het Franse “Nouveau Réalisme”, een term van Pierre Restany waarmee een groep van plastische kunstenaars (onder wie Arman, Klein en Tinguely) wordt aangeduid. Voor eind 1969 is de term “nieuw-realisme” in Vlaanderen zeker nog geen vast begrip. Het etiket “nieuw-realisme” duikt slechts sporadisch op naast andere termen, en dan nog met een wisselende betekenisinhoud.
In die periode heb ik, als Kreatief-redacteur, bij de bespreking van Gedichten van Hans Verhagen, Spelen met Jezus van Daniël van Ryssel en Evaporeren van Walter Lotens, mijn voorkeur uitgedrukt voor “neorealistische “poëzie, “althans voor wat ikzelf hieronder versta”: principiële soberheid, betekeniseenheid (zonder absolutering van de gedachte), scherpere concentratie, verstaanbaar (niet begrijpelijker, niet eenvoudiger), tijdgebonden, inhoud (in communicatie met de lezer). Dit type van lyriek stelde ik toen tegenover wat ik de “conventionele, experimentele en totale” poëzie noemde. Ook toen vulde ik het begrip “neo-realisme” nog op een nogal eigengereide en eclectische wijze in.
Uit dit alles spreekt wel degelijk een essentialistisch-personalistische opvatting, waarin belang wordt gehecht aan begrippen als persoonlijkheid, authenticiteit, toegankelijkheid en communicativiteit. Zelfs als je aanneemt dat bepaalde van de hier genoemde kenmerken ook van toepassing zijn op de latere nieuw-realistische poëzie, dan nog staat vast dat ik de term “neo-realisme” niet in de eerste plaats gebruikte ter aanduiding van één specifieke literaire stroming, maar veeleer als een typering van goede poëzie als zodanig.
Dat net de negen door Deflo geselecteerde dichters als officiële vertegenwoordigers van het Vlaamse nieuw-realisme de geschiedenis zijn ingegaan, is vanzelfsprekend ook gedeeltelijk toevallig. Zijn Kreatief-dossier heeft echter - tegen de achtergrond van de eraan voorafgaande profilering - onmiskenbaar een verbreding van het perspectief in de hand gewerkt, vooral door zijn beslissing om ook verwante dichters uit tot dan toe minder als nieuw-realistisch opgevallen tijdschriften (Ruimten en Kreatief) te recruteren. Tegelijk is de door hem verdedigde visie op het nieuw-realisme als specifiek Vlaams fenomeen geleidelijk aan door de literaire kritiek en de literatuurgeschiedenis overgenomen en geconsolideerd.
Na de publicatie van het geruchtmakende Kreatief-dossier werden de (deels al bestaande) banden tussen de betreffende dichters en tijdschriften nauwer aangehaald. Tegelijk werd de term “nieuw-realistische poëzie” ook intern, binnen de beweging, gangbaar en ondernamen de betrokkenen pogingen om de specificiteit en het belang ervan te onderstrepen. Bij de nieuw-realistische tijdschriften vonden redactiewisselingen plaats die de institutionele positie van de nieuwe stroming versterkten.
Aan het slot van hun essay gaan De Geest en Evenepoel in op de wijze waarop het Vlaamse nieuw-realisme de literatuurgeschiedenis is ingegaan. Welke plaats en welk belang wordt in overzichtsartikelen en literatuurgeschiedenissen aan de beweging toegekend? Hoe wordt het nieuw-realisme gekarakteriseerd, en met welke auteurs en teksten wordt het in verband gebracht? Een eerste cruciale vaststelling die ik met de auteurs deel, is wel dat het Vlaamse nieuw-realisme daadwerkelijk als literaire stroming een plaats heeft verworven in nagenoeg alle recente literaire overzichten, meestal zelfs in de vorm van een afzonderlijke paragraaf of een afzonderlijk hoofdstuk(je). Daaruit leid ik af dat het nieuw-realisme wordt beschouwd als een inherent, niet te veronachtzamen bestanddeel van het poëtische landschap.
Toch moet deze literair-historische aandacht bij nader toezien enigszins worden afgezwakt. Veel minder dan bij de behandeling van de experimentele poëzie wordt immers de indruk gewekt dat het nieuw-realisme in de betrokken periode het alleenzaligmakende of zelfs maar het meest prestigieuze poëtische deelsysteem zou zijn. Integendeel, doorgaans wordt gewezen op de belangrijke invloed van de experimentele beweging en haar erfgenamen - ook los van de polemische houding ten opzichte van het nieuw-realisme - enerzijds, en op het belang van de traditionele dichters anderzijds.
Ik durf beweren dat de nieuw-realistische beweging eigenlijk de enige is geweest die de experimentele en romantische stromingen sinds de jaren vijftig voor enige tijd heeft onderbroken, of beter gezegd wat aan het zicht onttrokken heeft. Want in feite zijn deze stromingen nooit afwezig geweest.
De meeste overzichten wijzen uitdrukkelijk op de cruciale rol die het bewuste Kreatief-dossier voor de nieuw-realistische beweging heeft.
Over het einde van de nieuw-realistische hausse zijn de meeste auteurs doorgaans minder duidelijk, al wordt vrij algemeen aangenomen dat de Vlaamse nieuw-realistische poëzie al bij al een kort bestaan beschoren was.
Vreedzame coëxistentie, welvaartsstaat en consumptiemaatschappij verdringen de koude oorlogssfeer en de sociale onrust van de naoorlog. De dichter die in de zestiger jaren aan het woord komt, kent de oorlog nog slechts van-horen-zeggen. Grootgebracht in een klimaat van verhoogde welvaart, democratisering van het onderwijs, de doorbraak van de massa-communicatiemedia, een intenser maatschappelijk bewustzijn, aardt hij niet langer in de sacrale cocon van het ik, maar gaat hij wonen onder de mensen, in de alledaagsheid van de sociale werkelijkheid. Omdat de Westerse welvaart langverwachte perspectieven openstelt op een werkelijke samenleving, wordt zij door enkele dichters hoopvol aanvaard. De meesten gaan zich echter door een acuter kritisch bewustzijn tegen de schijnwelvaart en de technocratenmaatschappij afzetten. Ook de intern-literaire situering van het nieuw-realisme, als een soort van reactie en/of heilzaam tegengewicht tegen het (post)experimentalisme, lijkt mij grotendeels ingegeven door Deflo zelf. Hijzelf spreekt immers in niet mis te verstane woorden over “de baldadige en overwegend esoterische beeldenrage van de experimentele 50’ersgeneratie en de pseudo-diepzinnige acrobatieën van het welig tierende en beuzelkramende epigonendom”.
Ik verkies echter de visie van Van de Perre: “Het nieuw-realisme heeft de verdienste de poëzie inderdaad te bevrijden uit het hermetisme van de vorige generatie, de postexperimentelen, en haar een realiteitsinjectie te geven.”
Een laatste punt dat mijn aandacht trekt, betreft de wijze waarop de nieuw-realistische poëzie in de literaire overzichten wordt beoordeeld. Algemeen kan men stellen dat de waardering voor de beweging en de resultaten ervan gematigd zijn, bijvoorbeeld al in vergelijking met de wijze waarop over de experimentele poëzie wordt geschreven. Weliswaar onderkent men het heilzame en vernieuwende van de nieuw-realistische poëtica tegen de achtergrond van de steriele taalcreaties van heel wat postexperimentelen, maar tegelijkertijd wordt vrijwel steeds het verengende en wat naïeve uitgangspunt ervan bekritiseerd. Het ultieme streven om literatuur te laten opgaan in de dagelijkse werkelijkheid blijkt onmogelijk en daarenboven nogal banaal, en de democratisering heeft weinig concreets opgeleverd.
Het nieuw-realisme is niet in de eerste plaats verdwenen ten gevolge van externe factoren (bijvoorbeeld de tegenkanting van het experimentele kamp), maar veeleer omdat het zich bij de belangrijkste vertegenwoordigers heeft opgelost in andere poëticale verbindingen Op die manier heeft de nieuw-realistische poëtica slechts in zeer beperkte mate toegang, laat staan sympathie, gevonden in de literatuurgeschiedenis.

Thierry Deleu

(*) Dirk de Geest en Stefaan Evenepoel, De nieuw-realistische poëzie in Vlaanderen, dbnl - digitale bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, Leiden, 2005

De "Société Littéraire de Courtrai" (1863-1922)

De “Société Littéraire de Courtrai”:
ongewild voorspel tot de eerste Kortrijkse Loge? (1863-1922)
Arrondissementscommissaris Hendrik Conscience:
“katholieke vrijdenker”?


Kortrijk heeft in het leven van Hendrik Conscience een grote rol gespeeld. Hij verbleef er van 16 januari 1857 tot 11 september 1868 als arrondissementscommissaris.

Een depressieve Conscience
Conscience had een ongelukkige kindertijd. Zijn moeder stierf toen hij acht jaar was. Zijn vader, een ingeweken Fransman, was veel uithuizig. Als opgroeiende jongen was Hendrik dikwijls ziek. De jongen dook onder in zijn verbeelding en schoof de werkelijkheid voor zich uit. Op die manier voelde hij zich minder eenzaam. Hij kon erg neerslachtig zijn, tot op de rand van een zenuwoverspanning en had vaak ups en downs. De minste tegenwind bracht hem uit zijn evenwicht.

Conscience werd op rijpere leeftijd hypochonder. Vooral in zijn Kortrijkse tijd regende het klachten over kwaaltjes en ongemakken.
Iedere keer dat het met hem slecht ging, voelde hij de drang om van huis te vluchten en te gaan zwerven. Hij logeerde toen in afspanningen of bij “goede mensen”. Ook in Kortrijk poetste hij herhaaldelijk de plaat. In 1859 schreef hij: "Mijn zenuwen zijn ontsteld. Dezer dagen ben ik uit Kortrijk gaan loopen en heb mij naer de zee begeven, tusschen Veurne en Duinkerke, waer ik vier dagen in eenzaemheid langs het strand heb gedwaeld".
Bij vrienden kon Conscience wel loskomen en boeiend vertellen. Hij had een grote behoefte aan vriendschap, liefde en geborgenheid. Hoorde hij niet permanent echo's van sympathie, dan voelde hij zich eenzaam in "eene woestijn", zoals te Kortrijk. In 1865 schreef hij aan zijn vriend Van Beers: “In mijne ballingschap worstel ik al voort tegen de uitputting der eenzaamheid".

Conscience hield van de natuur. Zijn liefde voor de natuur was geworteld in zijn diepe behoefte om te genezen van zijn mensenvrees. Hij vond in de planten, bloemen en insecten, partners in eenzaamheid, met wie hij kon spreken. De natuur schonk hem troost, licht en sterkte.

Vanaf 1853 kon hij van zijn pen leven. Hij voelde zich gewaardeerd toen hij in 1856 benoemd werd tot arrondissementscommissaris in Kortrijk. Daar probeerde hij zijn stand op te houden. Hij leidde er een rijkelijk leventje en was een welkome gast op diners, recepties en andere uithuizigheden. Geregeld kwam hij daardoor in geldnood.

Een katholieke liberaal
De invloed van zijn vrome moeder is op de jonge Conscience waarschijnlijk groot geweest. Zijn religieuze aard kwam heel sterk tot uiting in zijn werk. Enkel in Hlodwig en Clothildis (1854) gaf hij kritiek op het geloof. Als liberaliserende mens hield hij niet van een "klerikaal" katholicisme dat macht demonstreerde in de politiek en het openbaar leven. Hij hield zich ver van een demonstratieve katholiciteit. Hij stond op zijn vrijheid en verzette zich tegen de bemoeiingen van de clerus in het openbaar leven. De meeste van zijn vrienden waren liberalen: Gustaaf Wappers, directeur van de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen, Jan van Beers, Emmanuel Hiel, Julius Hoste.

In de typisch burgerlijke geest die hem in zijn hooggeplaatste situatie te Kortrijk kenmerkte, schonk hij veel aandacht aan geldkwesties en status. In De burgers van Darlingen (1861) - waarmee hij de Kortrijkse burgerij bedoelde - zijn geld en kleinburgerlijkheid de rode draad in het verhaal. Conscience was het Kortrijkse milieu blijkbaar niet zó gunstig gezind.

Uit de armoede omhoog gekropen en erg gesteld op materiële en sociale vooruitgang, stelde Conscience zich heel zijn leven conservatief op. Het gezag was onaantastbaar; politiek en godsdienst mochten niet op elkaars terrein komen; onder de standen moest vrede heersen.
Conscience zou levenslang een diepe gehechtheid aan de vrijheid bewaren. Vooral in De Kerels van Vlaenderen (1870) wekte hij de indruk zijn geloof te hebben verloren. Hij was een vurig liberaal katholiek geworden. Hij pleitte voor vrijheid van godsdienst en trok van leer tegen het misbruiken van de geestelijke macht door de hogere geestelijkheid.
Zoals alle liberaalgeïnspireerde van die tijd wilde hij het katholieke wereldbeeld verruimen. Hij was voorstander van de autonome van de kunst: geen dogma’s of klerikale censuur of betutteling.

In 't Wonderjaer
In 't Wonderjaer (1837) verheerlijkte hij de geuzen en als liberaal gelovige had hij weinig sympathie voor het kerkelijk gezag.
In ons land kenden wij onder Willem I een korte, maar vruchtbare samenwerking van liberalen en katholieken, die samen ijverden voor persvrijheid, vrijheid van het individu en voor de scheiding van Kerk en Staat. Maar in 1832 vaardigde Gregorius XVI zijn encycliek "Mirari vos" uit die de aanzet betekende van een heftige antiliberale actie in de Kerk. Vanaf 1832 gingen de politieke conflicten tussen liberalen en katholieken crescendo. De Belgische liberalen werden vrijzinnig en antiklerikaal.

Conscience stemde toe dat zijn In ’t Wonderjaer werd gezuiverd door een paar katholieke geestelijken. Het boek werd omgewerkt tot een verheerlijking van het conservatieve katholicisme. De oorspronkelijke uitgave was niet meer te herkennen.
Die capitulatie voor de dwang van de Kerk viel hem zwaar. Hij had het gedaan om een zo ruim mogelijke verspreiding van zijn werk te bereiken. Het volk was in die jaren immers voor het grootste deel katholiek. De Kerk stond wantrouwig tegenover het literair genre dat hij beoefende. Bovendien was er het strenge antiliberale verzet van de clerus sedert "Mirari vos".

In kleine steden zoals Kortrijk, waar de katholieken heer en meester waren, vergde het heel wat moed om zich nog vrijzinnig te durven noemen. De katholieke militante houding had veel te maken met de stijgende onvrede over Willem I, die weldra zou uitgroeien tot een georganiseerd verzet en een revolutie. In Kortrijk kozen de meeste notabelen voor het nieuwe België.

In zijn historisch verhaal In 't Wonderjaer beschreef Conscience enkele "historische taferelen uit de zestiende eeuw" met de beeldenstorm als middelpunt. De strijd van de geuzen tegen de Spaanse bezetting vormde de hoofdintrige.
Het boek was pro-geus en anti-Spaans, pro-Germaans en antizuiders. Vooral de verheerlijking van de geuzen schokte de katholieke gemoederen. Conscience was gewonnen voor de liberale geest en de vrijheidsroes van de Belgische revolutie. Ook later bleef hij diep gehecht aan die vrijheid. Ook in De Kerels van Vlaenderen getuigde hij van die vrijheidsdrang.

Heeft Conscience in deze periode zijn geloof verloren? Is hij vrijzinnig geworden? In een artikel in de krant “Den Antwerpenaer" (1837) brak Conscience een lans voor het exposeren van vrouwelijk naakt. Hij dreef de spot met de preutsheid en de "belachelijke zondevrees".
Na de publicatie van De Leeuw van Vlaenderen (1838) was Conscience in de toen nog vrij beperkte milieus van de Vlaamsgezinden een belangrijke figuur geworden. In eigen land werd hij leraar Nederlands aan het Hof.
In Antwerpen ging hij aan politiek doen en richtte een onafhankelijke Vlaamse partij op. Die partij wilde een neutrale koers varen tussen de katholieken en de liberalen.
Zijn politiek experiment bekwam hem slecht. In de verhitte strijd tussen de beide partijen kreeg Conscience het van beide zijden hard te verduren. Hij trok zich gedeprimeerd terug en verhuisde spoedig - en opgelucht - naar Kortrijk.

Naar Kortrijk
Zijn ambt als arrondissementscommissaris te Kortrijk verplichtte hem in politiek opzicht tot strikte neutraliteit. Hij was vierenveertig jaar geworden, een man van aanzien, een beroemde schrijver, gerijpt door tegenslagen en desillusies.
Een van de bedoelingen van eerste minister Pierre de Decker was dat Conscience de vrede in dat onrustige arrondissement en in het verscheurde Kortrijk zou herstellen. De streek aan de Franse grens was méér dan een andere aan de Franse invloed blootgesteld.
Na de eedaflegging bij de provinciegouverneur te Brugge arriveerde Conscience op 16 januari in het hotel “De Gouden Leeuw" bij Louis Janssens-Vercruysse te Kortrijk, waarna hij zijn intrek nam bij zijn vriend Pierre Nicolas Croquison in de Jan Palfijnstraat nr. 16. Croquison was hoofdbouwmeester (architect) van de Stad Kortrijk.
Overal was men ingenomen met Conscience. Hij bleek een man van het gezond verstand en de verzoening te zijn. Op 1 april nam het gezin Conscience zijn intrek in een ruim woonhuis in de Rijselsewijkstraat nr. 486 (nu Consciencestraat).
De taak van arrondissementscommissaris bestond o.m. uit de administratieve controle over de gemeenten, over de kiezerslijsten en de buurtwegen, over de rekrutering van dienstplichtigen onder het lotingstelsel.
Conscience vreesde echter dat zijn literaire arbeid door tijdsgebrek lelijk in de verdrukking zou komen. Een vage hoop op overplaatsing naar Gent knapte af met de val van het ministerie-De Decker, dat in oktober 1857 plaats moest maken voor de homogeen liberale regering W. Frère-Orban.
Consciences dochter, Marie-Sébastienne, huwde met de student, dichter en componist Gentil Antheunis. Met de zoon, Hildevert, wilde het maar niet lukken. Hij verkwistte veel geld, zocht het vermaak en bezorgde zijn ouders veel verdriet. Conscience deed al wat in zijn macht lag: hij kocht hem vrij van (militaire) dienst en bezorgde hem een job op het ministerie van Binnenlandse Zaken. Dat liep op niets uit en Conscience liet zijn zoon een wijn- en likeurhandel uitbaten, wat alweer mislukte. In 1866 vertrok Hildevert naar Kentucky. Na drie jaar kwam hij berooid terug.
In april 1887 verhuisde het gezin Conscience naar de O.L.Vrouwestraat nr. 26.

Conscience had later geen goed woord over voor zijn Kortrijkse periode die hij beschreef als een ballingschap in een klein stadje "vol vooroordelen, beheerscht door eene financiële aristocratie, die hare medeburgers minacht, met eene ongeloofelijke verwaandheid bezield is, zich opsluit in woningen somber en naar als kloosters, en treurig als lag in elk huis een doode".
Conscience maakte er nochtans een aantal vaste vrienden, zoals de familie Philippe Janssens, huisarts Edward Tilleux, architect Pierre Nicolas Croquison, de vertrouweling Adolf van den Peereboom en schoolinspecteur Adhemar Camille van der Cruyssen. Die laatste voerde bij Consciences begrafenis, op 16 september 1883 op het Antwerpse Kielkerkhof, het woord namens de persoonlijke vrienden. Hij noemde daarbij de Kortrijkse jaren Consciences wellicht gelukkigste tijd. Wat een contradictio in terminis. Wie had gelijk?

De burgers van Darlingen
Met "Darlingen" in het boek De burgers van Darlingen (1861) is Kortrijk bedoeld. Het verhaal situeert zich in de hongerjaren na 1845. Bonifaas Romijs wil zijn dochter uithuwelijken aan de rijke Francis Pottewal, maar zij kiest voor de niet gefortuneerde ingenieur De Cock. Haar zus “offert zich op” en kiest Pottewal.
De tegenstelling tussen het huwelijk uit liefde en het huwelijk uit berekening wordt levendig uitgewerkt. In het boek wordt ook roddeltante Madame Kwas ten tonele gevoerd.
In de Leiestad herkent iedereen iedereen behalve zichzelf. Het boek is een afrekening met de Kortrijkse burger. Het is een “zedenschildering" met bijbehorende zedenles. Consciences oordeel over de benepen provinciestad Darlingen is echter niet zo vleiend.
Dat de tijd te Kortrijk voor Conscience een moeilijke tijd is geweest, wordt algemeen beweerd. Het ging hem familiaal noch financieel voor de wind. Herhaaldelijk beklaagde hij zich erover dat het ambt van arrondissementscommissaris niet zo goed betaald werd. Hij had er wel enkele hechte vrienden van wie Adolf van den Peereboom zijn vertrouweling was. Die laatste kreeg alle nieuwe manuscripten te lezen.
Gedurende de elf jaar die Conscience te Kortrijk doorbracht, publiceerde hij precies twintig boeken. Een materiële noodzaak: zijn gezin, twee meiden en een knecht inbegrepen, leefde op grote voet.

Erevoorzitter van de “Société litteraire de Courtrai”
In 1812 richtten enkele kunstminnende Kortrijkenaren de “Société des Amis des Beaux-Arts" op. Vanaf 1833 stond de vereniging bekend onder de naam "Société pour l'Encouragement des Beaux-Arts et de l'Industrie". In 1858 ging zij een fusie aan met de concurrerende vereniging “Maetschappij der Minnaers van Schoone Kunsten". Conscience werd de eerste voorzitter.
De (gefuseerde) "Société des Beaux Arts" organiseerde enkele markante kunsttentoonstellingen. Binnen de schoot ervan werd een bibliotheek aangelegd die later de kern zou vormen van de Kortrijkse stadsbibliotheek.
Van een heel andere aard waren de activiteiten van de "Société littéraire de Courtrai", een Franstalige discussiegroep van plaatselijke intellectuelen die samenkwamen in het "Café Belge" op de Grote Markt. Op 16 oktober 1863 ging Conscience en meester Adolf Verriest (de oudere broer van Hugo) over tot de stichting van de nieuwe "Société" die als doel had de belangstelling voor wetenschap, kunst en schone letteren te bevorderen.
Tot de stichters (1863) behoorden: Hendrik Conscience, erevoorzitter; Adolf Verriest, voorzitter; Adhemar Camille van der Cruyssen, ondervoorzitter; August Debedts, beheerder; Néotère Verbeke, beheerder; Hippoliet Van Brabander, schatbewaarder; Hildevert Conscience (zijn zoon), secretaris en de leden: Antoine Classen, Jules Coucke, August Dathis, Emile Debrauwere, Félix Denucé, Edouard Paul Depratere, Victor Gantier, Jean Ghyoot, H.-Jos. Leclercq, Charles Petithan, Gustave Preux, Guillaume Vandenhoek, Adolphe Vanwymelbeke en Charles Weemaes.
Adolf Verriest werd nadien bevriend met Guido Gezelle, zijn klasgenoot in het Klein Seminarie van Roeselare, en vestigde zich als advocaat te Kortrijk. Hij werd de eerste rechter die de eed aflegde in het Nederlands.

De "Société" weerde alle discussies over de lokale politiek uit haar vergaderingen. Ze telde drie soorten leden: de actieve leden, de ereleden en de corresponderende leden. Die laatsten werden gekozen onder de niet-Kortrijkenaren die op een of andere wijze een dienst hadden bewezen aan de vereniging of bijgedragen hadden tot kunst en wetenschap. Een normaal fenomeen. Nieuwaangekomenen in een stedelijke gemeenschap hadden behoefte aan socializing, teneinde zich in te burgeren, relaties te krijgen en een sociale rol te vervullen. Vooral voor ambtenaren die vaak van standplaats veranderden, was het niet onaardig onmiddellijk op een "Société" te kunnen terugvallen.

De "Société" verdween niet met Consciences vertrek, maar zou pas verdwijnen in de beginjaren '20.

Een vrijzinnige Conscience?
Is die "Société littéraire" een verzamelplaats van mannen geweest die niet bepaald tot het gelovigste deel van de Kortrijkse bevolking behoorden? Het type van de "verlichte bourgeois" uit de 19de eeuw, die de intensieve godsdienstige praktijk aan vrouw en kinderen overlaat? Behoorden enkele leden tot de antiklerikale liberalen? Vooral na 1833 was de splitsing klerikaal-liberaal duidelijker geworden.
In Consciences tijd was Kortrijk zonder loge. Op de ledenlijsten van de loges te Gent komen tussen 1833 en 1866 50 namen voor van logebroeders uit Kortrijk, Menen, leper en Roeselare. In 1855 stichtten zij een "Cercle Philantropique de l'Ours" ("De Beeren") en organiseerden muziekconcerten ten voordele van de armen in Kortrijk en Zwevegem. Vanaf 1859 vergaderden zij in "Café du Parnasse" in de Korte Steenstraat. In 1873 vonden wij Honoré Bouvier bij de "membres fondateurs" van de "Société littéraire de Courtrai", maar ook in het archief van de loge "La Liberté" in Gent.
Hield Conscience contact met de leden van deze filantropische vereniging?

De aandacht van Conscience ging vooral uit naar het onderwijs. Toen in 1864 een einde kwam aan het liberale bewind van burgemeester Danneel, die in september werd vervangen door de katholiek Henri Nolf, vreesden de voorstanders van de gemeentelijke scholen tegenwind. Na een uiteenzetting van meester Emile Crouckhants in de "Société littéraire" nam Conscience het initiatief om financiële steun te zoeken bij particulieren. Een "Comiteit ter ondersteuning van het kosteloos onderwijs" kwam tot stand. Spoedig daarop kon het comité overgaan tot de oprichting van een gemeenteschool voor meisjes. Die actie droeg bovendien bij tot de bloei van het rijksonderwijs in Kortrijk. Conscience had daarin - ongewild - een doorslaggevende rol gespeeld.

Na zes jaar inactiviteit - van 1914 tot 1920 - hernam de "Société littéraire" haar activiteiten. Het bestuur koos een nieuw lokaal op de eerste verdieping van café "Excelsior" op de Grote Markt. Het lokaal was elke dag toegankelijk, maar het moest worden gedeeld met "Les Amitiés Françaises", een nieuwe vereniging.
De bibliotheek van de "Littéraire" werd heringericht en de halfmaandelijkse literaire avonden begonnen een nieuw leven.
Joseph Verbeke was de naoorlogse voorzitter, majoor Georges Dobbelaere fungeerde als ondervoorzitter en Paul De Coninck was de nieuwe secretaris. Het lidmaatschapsgeld bedroeg 12,50 fr.; een gezinskaart kostte 15,50 fr. De "Société" telde nog 65 leden.

In "La Liberté" van 4 december 1920 berichtte P.D.C.: “La Société Littéraire s'est bellement vengée, la semaine dernière, des longues années de silence lui imposées par le régime teuton, par l’organe de monsieur Robert de Smet, qui est venu nous entretenir de Bernard Shaw et de son oeuvre".

Louis Crouckhants (zoon van Emile), lid van de "Société" sedert 1898, werd op 28 maart 1903 de eerste voorzitter van de “Cercle Fraternel de Courtrai". Het stichtingsbanket had plaats in “Café Français" op de Grote Markt. Die broederschap zou later uitgroeien tot de loge "L'Amitié”.

In de tweede helft van de 19de eeuw doken in de grotere Vlaamse steden “Sociétés Littéraires” op, onder andere in Brussel, Antwerpen, Gent, Brugge en ook te Kortrijk.

De stichting
In 1858 komt in Kortrijk door een fusie de “Société des Beaux-Arts et de Littérature” tot stand.
De “Société Littéraire” stelde haar reglement op in de zitting van 29 december 1863. Zij had tot doel de wetenschap en de kunst te bevorderen, maar in datzelfde artikel 1 voegden de stichters daaraan toe: “Elle exclut les questions personelles et les discussions de politique purement locale.”
Elke “Société Littéraire”, waar ook in Vlaanderen, telde twee soorten leden: de stichtende leden (in Kortrijk waren dat er twintig) en alle anderen, met name de andere actieve leden, de ereleden én de leden van de correspondentie (les membres correspondants). Deze laatsten werden gekozen onder de niet-Kortrijkenaren die op een of andere wijze een dienst hadden bewezen aan de “Société” of hadden bijgedragen tot kunst en wetenschap. Een normaal fenomeen voor die tijd. Nieuwkomers in een stedelijke gemeenschap hadden behoefte aan verenigingsleven, om zich te kunnen inburgeren, relaties te krijgen en een sociale rol te vervullen. Vooral voor de ambtenaren die vaak van standplaats veranderden, was het mooi meegenomen op een “Société” te kunnen terugvallen.
Om lid te worden moest men zich schriftelijk kandidaat stellen. De kandidatuur werd acht dagen ad valvas in het vergaderlokaal uitgehangen. Bij geheime stemming en met een gewone meerderheid werd de kandidaat aangenomen. Het lidmaatschap bedroeg in 1871 12 frank.

Arrondissementscommissaris Conscience was een gezagvolle en graag geziene gast in dat milieu van Franstalige burgers. Hij hield er enkele voordrachten, haast alle in het Frans, over het verplichtend onderwijs, het tweegevecht, het alcoholisme, de bewaarscholen, de taak van de vrouw, de theogonie, de onaantastbaarheid van het menselijk leven, de christelijke kunst, de spelling, de dichter Emmanuel Hiel.
Op 10 september 1868 werd Conscience benoemd tot conservator van het Wiertzmuseum te Elsene. Een maand later nam de “Société Littéraire” in het “Café Belge” met een banket afscheid van haar erevoorzitter.

De “Société Littéraire de Courtrai” was een verzameling van mannen die niet bepaald tot het gelovigste deel van de Kortrijkse bevolking behoorden. Het type van de “verlichte bourgeois” uit de 19de eeuw, die de intensieve godsdienstige praktijk aan vrouw en kinderen overliet. Enkele leden behoorden tot de antiklerikale liberalen. Vooral na 1833 was de splitsing klerikaal - liberaal zichtbaar geworden.

De eerste Kortrijkse loge
Louis Crouckhants (zoon van Emile), lid van de “Société” sedert 1898, werd op 28 maart 1903 de eerste voorzitter van de “Cercle Fraternel de Courtrai”. Het stichtingsbanket vond plaats in “Café Français” op de Grote Markt. Deze broederschap zou later uitgroeien tot de loge “L’Amitié”.
Van een bijzonder toeval gesproken! Op 14 maart 1803 werd in de Kapittelstraat te Kortrijk de loge "L'Amitié" opgericht. De broeders werden “Les Ours - De Beeren" genoemd. Honderd jaar later, dag op dag, werd de "Cercle Fraternel" erkend door "Het Groot Oosten van België". Hun lokaal "Café Français" had eveneens een uitweg in de Kapittelstraat en hun toenmalige voorzitter heette De Beer!
Verscheidene leden van deze broederschap waren eveneens lid van de “Société Littéraire”: Philippe Baut (1893), Alfred Centner (1893), Charles Verwee (1895), Louis Crouckhants (1898), Gerard Putman (1898), Medard Putman (1898), Prudent Trachet (1899), Adrien Matton ((1900), Hippolite Samoey (1900), Charles Van Eecke (1900), Charles De Beer (1902), Jules Thibau (1903) en Joseph Verbeke (1903).
Hoewel er geen eenstemmigheid werd bereikt in de "Cercle Fraternel" over de wederoprichting van een Kortrijkse loge, kocht Alfred Centner in 1906 een huis op de Houtmarkt, samen met een aanpalende woning die uitgaf op het Plein. Op 26 november 1906 werd de loge "L'Amitié” opnieuw opgericht.

Thierry Deleu

Uit Thierry's archief - 2

Culturele figuur van de Stad Harelbeke (brief aan JVH dd. 22 november 2000)

Ik luister naar het Harp Concerto in a major van Carl Ditters von Dittersdorf. Zalig. Straks hoor ik romantische harpmuziek van Johann Georg Albrechtsberger en Georg Christoph Wagenseil. Deze dubbel CD is bestemd voor La Vallade.

“Culturele figuur van het jaar 2000”. Van figurant word ik figuur, van BS word ik BH. Bekende socialist? Ik ben blij dat dit verleden tijd is, nu vooruit met de Cultuur! André Velghe en ik hoopten dat deze onderscheiding ons bij de eerste editie in de schoot zou vallen. Met enige pretentie waanden wij ons de éminences grises van de Harelbeekse cultuur, hoewel ik beken dat zowel André als ik ons soms uitgeteld voelden – boksers die na de tien tellen niet meer overeind komen -, passé in een cultureel Harelbeke dat resoluut koos voor de Tom Lannoyes en de Brusselmansen van onze tijd. Maar u merkt het: het kan verkeren. Van ontgoocheling is er echter nooit sprake geweest, omdat wij enerzijds alle prijzen en nominaties flink relativeren en anderzijds omdat wij ons perfect konden verzoenen met de keuze van de culturele figuren.
Dat ik in 2000 uitgeroepen word tot culturele figuur van de Stad Harelbeke heeft veel - ik hoop niet alles - te maken met mijn recente publicaties. Op de dag van de voorstelling van mijn essay over André Velghe in maart 1998 was de overweldigende toeloop een spontane uiting van de volkswil: André blijft de culturele figuur primus inter pares van de Stad. Ik draag dan ook deze onderscheiding aan hem op. Postuum en symbolisch. Ik weet dat mijn voorgangers het met mij eens zijn als ik proclameer dat André Velghe de primus omnium is van cultureel Harelbeke. We zullen nog veel culturele prestaties moeten “neerzetten” om deze eretitel even dubbel en dik te verdienen als meester Velghe.
Het wordt hoog tijd dat ik mij opnieuw actiever beweeg in de wereld van de cultuur, een wereld die zich veel dynamischer, genereuzer en inventiever opstelt dan de politiek. Cultuur heeft de mensen ook meer te vertellen. Nu ik uitgeroepen ben tot culturele figuur van het jaar 2000 is deze wending als vanzelfsprekend.

Het Adagio begint. De harp wordt beroerd door Jaria Bouskova. Mooi.

Van de schepen van Cultuur kreeg ik een breed lint omgord. Ik voelde mij onwennig, maar bij nader toezien merkte ik dat het lint vakwerk was. En ik verzoende mij met mijn gedecoreerd lichaam. Bovendien duwde de bibliothecaris mij de kartonnen doos van Pandora in mijn handen. Die man is een bezige bij die overal komt brommen waar culturele imkers zich vertonen in hun kooien van geperst papier in paprikakleur.

Een dag later.
Ik open de doos en bovenop in bedwelmend naakt zij ligt: George Sand. Een onthullende biografie over een dame over wie Victor Hugo bij haar dood in 1876 schreef: “Ik huil om een dode, ik begroet een onsterfelijke”. Inderdaad, George Sand is een naam die nog steeds leeft. Vooral als minnares van Chopin, als boegbeeld van vrouwenemancipatie, als sigarenrokende nymfomane in mannenkleren. Maar zij was ook de stuwende kracht achter de revolutie van 1848, zij inspireerde Balzac, De Musset en Flaubert. Daarnaast was zij een vrouw die overal en iedereen te hulp schoot.
“Bovendien, bovendien,” riep jij in de catacomben van je bibliotheek, “zij woonde in een landhuis te Nohant, ten zuidoosten van Châteauroux, onderweg naar La Châtre en Guéret. Heeft onze “culturele figuur” daar geen stek?” Je nam het boek in je twee handen en legde het behoedzaam op je werktafel. Je hield een wijle je getormenteerd hoofd tussen je handen en riep: “Eureka! Ik bezorg hem ook een detailkaart van de regio Limoges en Guéret. Zo weten wij waar hij zich schuilhoudt.”
Het schoot de publieke bibliothecaris ineens te binnen dat zijn “culturele figuur” ook plannen koestert om naar Portugal op prospectie te gaan. Zijn schoondochter Inge en Peter willen daar een hotel(letje) uitbaten. Boven Lissabon. Hij stopte een mapas van Portugal en van Lissabon in de doos.
Vriend, wij zijn Bourgondiërs, ik wist dat je dit niet zou vergeten, je bent zelf een lekkerbek. Je zocht en je vond dé kookbijbel van de eigen keuken op cd-rom. In een oogwenk meer dan 700 gerechten met ingrediënten van eigen bodem op mijn pc, met extra selectiemogelijkheden: snel, caloriearm, feestelijk, goedkoop.
De poëzie kreeg ook haar (rechtmatig) deel: de mooiste gedichten van Guido Gezelle (een keuze van die andere Deleu, “Jozef van Ons Erfdeel”) en een geweldig interessant boek over Luceberts dichterschap van de Historische Uitgeverij van Den Haag.
Ik luister naar de Finale van Johann Georg Albrechtsberger Partita in F major. Straks leg ik mijn oor te luisteren aan de “the music of the Oriental Gypsy Brass Band from Macedonia”, een mix van brassbandsounds en Turk-Bulgaarse klanken. Vriend, hoe weet jij dat ik van die muziek hou?

Nooit ging ik naar een activiteit van het Festival van Vlaanderen. Vooroordelen? ‘t Zal wel. Te elitair, te Vlaams, te klassiek, te stofferig, te antiek. Maar ik vergiste mij deerlijk. Inmiddels ben ik tot inkeer gekomen: ik hou van fatsoen, van nieuw oud, van Anciaux, niet van Bourgeois. Het Festival is niet meer zo bourgeois, maar meer anciaux. Geen schijnvertoon meer, maar echte tranen. Geen krokodillen meer, maar knuffeldieren. In de Munt hoorde ik werk van Beethoven, Berlioz, Brahms, Glinka, Mahler en Prokofiev en viel achterover in de schoot van een dom blondje. Het Monteverdi Choir zong Chor der Priester O Isis. Vriend, wat een belevenis. Dank zij jou, mijn goede vriend. Met zijn zeven opera’s behoort Prokofiev tot de meest productieve vertegenwoordigers van het genre in de 20ste eeuw.

Terwijl ik netjes alles uitstal, vind ik nog een cd-rommetje: Flexicon 96 voor taalverrijking Nederlands. Groot gelijk, vriend, een schrijver mag nooit zelfgenoegzaam worden, hij moet zich blijven scholen en woordjes als wrevelagent, thuisfluiter, snuffelstage, soepjurk en aaipoes tot de zijne maken.
“Aaipoes”, als kattenmens is dit woord mij bekend. Wie niet van katten houdt, kan geen liefde spinnen.
Via Het mooiste museum van de wereld, een cd-rom met en overzicht van de kunst in een levendige encyclopedie, krijg ik Brigitte Raskins Eigenzinnig alfabet in het oog. Een zelfportret. Ik had aanvankelijk een Bruynooghes boontje voor Brigitte, maar zij werd (te) vlug zelfgenoegzaam, blauwkousig. De liefde is uit. Toch zal ik haar zelfportret kritisch bekijken. In 1989 verruilde zij haar loopbaan als lerares voor het schrijverschap. Dan liep het fout. Een schoolmeester is in zijn klas God de Vader; indien hij dit toepast in de samenleving, wordt hij al snel ongenietbaar betweterig. Ik hou niet van schoolmeesters. Ook niet van onderwijzeressen. Onder-wijzen, met de wijsvinger naar beneden gericht, onder mij, gehoorzaam zijn, volgzaam, geen vragen, ik stel de vragen.

Vriend, ik wist het, ik wist het: er zou een boek bij zijn over de wielersport, over de velo, over Kunst rond koers, naar aanleiding van een tentoonstelling van werk van Erwin De Bie. Een peloton van 62 renners is - in plaats A - op tijd vertrokken. Honderden supporters willen kennis maken met het boek (en de tentoonstelling) van De Bie. Koers is kunst, zoveel is zeker. Denk aan het realisme van de zwoegende, lijdende renner, het impressionisme van een kleurrijk peloton dat zich door het Vlaamse landschap slingert, het expressionisme van de getaande rennerskoppen, het surrealisme van twee benen en twee wielen in een wereld van almachtige computers en bovenaardse ruimtevaart. Wim Van Herreweghe, koersdirecteur in de Ronde van Vlaanderen en de Omloop van Het Volk zegt het heel duidelijk: “Wielrennen behoort tot onze genen.”

Behoort het station van Harelbeke tot onze cultuur? Is het station de Poort van de Stad? Is het station van Harelbeke en kunstwerk? Is er toekomst voor het station? Harelbekes burgervader is er van overtuigd dat "zijn" station een niet onbelangrijke rol speelt. Dit is een relevante opmerking. Hij schrijft: “Is het daar niet dat je afscheid nam van je lief? Waar je je lief opwachtte? De plaats waar heel wat idylles ontsproten zijn?” Juist, meneer de burgemeester. Het kan misschien raar klinken maar ook de wereld van het spoor is mij gaan boeien. Omdat ik vier jaar gespoord heb naar Brussel, samen met mijn spoorvriend Roland De Busschere. Vaak hebben wij arm tegen arm, hoofd aan hoofd, een spoorslaapje gesnurkt tussen Waregem en de Midi. Met dit romantisch tafereeltje neem ik hier en nu afscheid van de trein, van de vroege morgenstond en het late avon(t)uur.
Vriend, ik lees zeker Spa van Elvis Peeters, ook omdat ik het spijtig vind dat ik geen croonervoornaam heb als Bing Deleu, Nat King Deleu, Frank Deleu, Mac The Leu. Spa is zijn debuutroman. Wanneer komt mijn Eindterm uit? Ik werk nog één correctie af en dan gooi ik de kopij in jouw bus. Ik ben het moe.

Hoe mooi klinkt het harpconcerto van George Frederic Handel! Het allegro moderato in 6’02. Ik houd op met schrijven. Ik geniet. Aan de harp zit Maria Grafova, blond, geblond, met een laag uitgesneden décolleté, zij draagt een lange zwarte transparante, met kant belegde, jurk, waaronder haar frêle voetjes naast de stoelpoten roodgelakt de zaal inkijken. Met enige moeite dansen mijn vingers weer op het koude klavier, ik ben de pianist van het Janàcek Philharmony.

Wat vond de “culturele figuur van het jaar 2000” nog in de doos van Pandora? Pandora, de eerste vrouw op aarde, droeg een doos bij zich die ze niet mocht opendoen. Nieuwsgierig als zij was deed zij het toch en terstond verspreidden zich allerlei rampen over de aarde. Beet Eva niet in de appel? En wat deed Xanthippe, vriend? Die vrouwen toch en toch: “Houden wij van alle vrouwen?” zingt Luc Steeno. Dit is een banale outing van Steeno. Dit doet mij denken aan de rijkaards die beweren dat geld niet gelukkig maakt.
Even fronste ik de wenkbrauwen als ik Nachtwerk van David Baldacci uit de doos opdiepte. Een onooglijk klein, goedkoop boekje dat mij deed denken aan pulplectuur en kioskliteratuur. Maar toen ik de achterflap las wist ik beter, veel beter: Baldacci schrijft spannende thrillers en van mij verwacht jij dat Eindterm ook zo’n spannend boek wordt. Vooreerst Eindterm is geen thriller, geen misdaadroman, wel het verhaal van een passioneel drama op Onderwijs.

Beste vriend, Kijk eens naar het vogeltje heb ik voor het laatste genomen. Zoveel dierenliefde had ik van jou niet verwacht. Op de kaft zit een parkietje op de rechterschouder van een lief ogend meisje. Vriend, ik heb nog parkieten gekweekt in mijn jeugdjaren en kort na mijn huwelijk. Toen hadden wij vier katten, 62 parkieten, een Japanse nachtegaal, drie ganzen en een kalkoen. Toch heeft dit huwelijk geen stand gehouden of misschien juist daarom niet. Wie te veel met dieren bezig is, verwaarloost de andere gezinsleden. Grapje. Wat is dierenliefde? Houden wij van dieren of houden wij van wat we met dieren doen? Hoeveel eigenliefde is ermee gemoeid? De auteur Jan Desmet zoekt naar de signaalfunctie achter dieren.

En zo kom ik bij Luka de Confolent, die appaloosa-hengst van mij. Vriend, hij wordt een grote jongen, mooi, zacht, braaf en vurig. Hij herkent reeds mijn stem en ruikt mijn aftershave. Toen wij een paar weken geleden in La Vallade waren, heb ik hem geborsteld en enige lieve woordjes in zijn oor gefluisterd. Hij luisterde of hij deed alsof, in elk geval bleef hij rustig staan en stak op het einde van mijn gefluister zijn hoofd onder mijn arm.
Ons erf zelf vordert traag, maar elke wijziging is een verbetering. Het wordt echt een mooie site. Tussen Kerst en Nieuwjaar gaan wij er nog eens heen. Is een paardengek gek op paarden of verslingerd aan wat hij met paarden kan doen? Ze bezitten en dresseren, rijden en springen. Neen, ik wil een consequente vriend zijn van mijn paard, een vennoot, een stalgenoot als het moet, een verpleger, een verzorger, een stalknecht.
Claudia, mijn Hollandse instructrice, prent mij om de haverklap in: “Zorg dat je paard weet dat jij de baas bent!” Nu zal het wel zo zijn dat ertussen paard en ruiter een perfecte harmonie en verstandhouding kan opbloeien, maar wie een paard zadelt verwacht van zijn dier een werkbaar instrument te maken. Baasje boven baas te worden. Of en paard zich kan vernederd voelen weet ik niet. Maar ik heb er respect voor. Hopelijk is dit wederkerig.

“Culturele Figuur van het jaar 2000”. Eerlijk, ik heb er van genoten. Dat zie je toch aan de foto’s in "Het Nieuwsblad" en "Het Kortrijks Handelsblad"? Ik weet dat jij evenveel genoten hebt. Onder vrienden is dit normaal, onder echte vrienden. Trouwens, als lid van de jury en als mijn uitgever heb jij je schitterend van je taak gekweten. Was dit geen belangenvermenging? Of heb je bij het voordragen van mijn kandidatuur wijselijk gezwegen? Zo ken ik jou niet. “Vrienden, ik weet dat ik niet goed geplaatst ben om deze kandidaat te verdedigen. Maar wees eens eerlijk: kunnen wij hem opnieuw over het hoofd zien? Straks is hij vertrokken naar Portugal of woont hij ergens in een godvergeten deel van Frankrijk of in een paalwoning op een exotisch eiland, aan de rand van de blue lagoon. Neen, ik stel voor hem nu de prijs te geven. Maar jullie doen natuurlijk wat jullie van plan waren.” Wat zij van plan waren weet ik niet. Mij doodzwijgen zeker, mij seniel verklaren, mij zalven en uitroepen tot heilige man? God mag het weten. Je sloeg met je stok op de rots en sprak: "Hij zal het zijn!" En de wolken scheurden open, emmers regen kletsten naar beneden, de bib-in-aanbouw kraakte in haar voegen, een nieuwe zondvloed stak op. ‘s Anderendaags dobberde een papieren scheepje op het water vóór "Het Spoor". Op bakboord lazen de overlevenden: “De A. Velghe”, op stuurboord “De Th. Deleu”. En ze zagen dat het goed was.

Vriend, Sabena vliegt dagelijks naar Toulouse, reken voor een retourtje op minstens 7.740 fr. Carcasonne telt veel hotels. In "Le Donjon" kun je een kamer krijgen vanaf 400 fr. De streek is rijkelijk bezaaid met restaurants. Wijn is er overal. Trek je de ketters niet aan. Ze doen niemand kwaad. Het hoogste dat een mens kan bereiken, vriend, is ontsnappen uit die materiële "gevangenis". Als je mislukt, kun je reïncarneren en alles opnieuw proberen. Ik ben aan mijn derde poging. Derde keer, goede keer. Hoewel, ik ben een man van getreuzel in die zaken.

De harp zwijgt. Na 138 minuten, een dikke 2 uur en een kwart. Tijd om te gaan slapen.

Groetjes,

Thierry