Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans

Stichtingsdatum: 1 februari 2007


"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"

"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.

29 september 2007

Confrontatie – Cultuurcentrum Tielt
















Indien ik beweer dat “kunst iets te betekenen heeft”, dan zeg ik precies het tegengestelde van “kunst heeft niets te betekenen”. Dit laatste is de uitlating van een cultuurbarbaar en ik veronderstel dat er hier vanavond geen specimen van dit soort aanwezig zijn.
In het woord betekenis staat het woord “teken” centraal. Een teken heeft altijd een betekenis, of het nu een verkeersteken is, of een wiskundige formule, of een woord in een of andere taal. Ook een schilderij, een tekening of een ander kunstobject (een beeld b.v.) heeft een betekenis. Indien een tekening of een schilderij, een beeld of keramisch object geen betekenis heeft, is er geen kunst, hoogstens een mooie prent of een imitatie.

Op mijn school (in lang vervlogen dagen) werd een tentoonstelling georganiseerd met als thema: “3 + 3 = 7”. Deze optelsom doet denken aan een synergetische formule die zegt dat de som van twee entiteiten groter is dan drie. Ook in de kunst is dit het geval: indien 1 + 1 = minstens 3, dan hebben wij een meerwaarde en precies daarom is het kunst. Een tekening of schilderij of sculptuur zonder deze meerwaarde is een prent of een imitatie.

Wat kan deze meerwaarde zijn? Dit is de inspiratie, Beste Vrienden, de Muze, de kunstenaar die bevlogen wordt en creëert. Hij kopieert niet, maar hij creëert. Hij observeert niet alleen wat hij ziet, maar hij kijkt indringend in zichzelf en wat hij daar vindt, brengt hij aan de oppervlakte. Een idee, een ontroering, een boodschap.

Een Japanse Zenboedhist zou echter zeggen dat 1 + 1 = 0. Denk aan het Nederlandse woord “volledig”: het is vol maar het is ook ledig. De meerwaarde van deze optelsom is de dualiteit, de gespletenheid, de twee-eenheid waardoor kunst ontstaat.
Kunst is de meest efficiënte drager van de waarheid.
Wij denken te veel dat kunst alleen te maken heeft met schoonheid. Kunst hééft met schoonheid te maken, maar kunst heeft in de eerste plaats te maken met waarheid. De echte kunstenaar probeert iets van dat verborgene uit te drukken. Daarvan iets te onthullen via beelden, via een eigen taal, via een beeldende taal.

3 + 3 = 7 of 1 + 1 = 3 of 1 + 1= 0. De interpretatie van deze cijfers en het resultaat van hun optelling heeft voor een kunstenaar een andere, meerzijdige betekenis dan voor een wetenschapper. Voor deze laatste is 1 + 1 = 2. De filosofie die hier achter zit, is voor de kunstenaar brood en spelen, inspiratie en muze.
Kunst is speciaal.
De mens bestaat uit materie en geest. De menselijke natuur doet naar beide verlangen. Dikwijls wordt het evenwicht tussen beide verstoord. De beeldende kunstenaar bezit de verbazende eigenschap dat hij de menselijke geest kan materialiseren en aanschouwelijk maken, zodat wat aanvankelijk vluchtig en ongrijpbaar was, nu kan worden bekeken en betast.

Kunst moet aanspreekbaar zijn.
Als beschouwer moet je je vragen durven te stellen, moet je durven communiceren met het tentoongestelde werk. Is het representatief voor het huidige plastisch landschap? Het hoeft niet. Is het een strikt persoonlijke expressie, zodat het werk haast samenvalt met het persoonlijk leven van de kunstenaar? Dat maakt kunst zo boeiend om te volgen. Kunstenaars maken van ons voyeurs, stalkers die de kunstenaar op de huid zitten.
De realiteit van het beeld. Dit is bijkomstig. Een kunstenaar moet de realiteit niet klonen. Hij mag ze manipuleren. Hij is vrij. Precies deze uitwisseling tussen de realiteit en het beeld, tussen beeld en verbeelde, tussen “echt” en “schijn”, maakt kunst. En in deze uitwisseling tussen realiteit en beeld speelt niet alleen de techniek een rol, - het métier, maar dit is niet voldoende, - maar ook - en liefst in de eerste plaats - de verbeelding. Een kunstenaar heeft een “geheugen van verbeelding”, een opslagplaats van beelden.
Ik hou niet zo erg van kunst gereduceerd tot vormentaal. Het is kunst op zijn smalst. De vorm mag de inhoud niet verdringen. Het zijn deze kunstvormen die argwaan hebben gewekt bij de mensen. Het zijn deze kunstvormen die de gedachte opwekken dat artistiek talent niet langer vereist is om kunstenaar te worden. De mensen zien de grenzen niet meer duidelijk tussen entertainment en kunst. Die grenzen zijn vervaagd. Er is nivellering.

Het schilderkunstige blijft een voorwaarde sine qua non voor schilderkunst. Het sculpturale blijft een voorwaarde sine qua non voor beeldhouwkunst. Laten wij elkaar goed verstaan: ik ben niet tegen de mix van woord en beeld en anders om. Een tekening of schilderij kan een boodschap brengen. Een tekening of schilderij kan je aanspreken. Een tekening of schilderij kan een verrassende confrontatie zijn tussen begin en einde, leven en dood, groei en vergankelijkheid. En wat geldt voor potlood en penseel, geldt ook voor vormbehandeling en beitel, spatel of raku-tang.

Een ontmoeting waarbij compositie, kleur en vorm belangrijk zijn. Een sculptuur, klein of groot, in welk materiaal ook, is kunst indien het je aanspreekt, zowel door het artistieke talent van de kunstenaar als door de meerwaarde van het kunstwerk.
Waarom zeg ik dat alles? Simpel, om een brug te slaan tussen het tentoongestelde werk en jullie. Ik ben de bruggenbouwer en ik heb een concept. Ik heb een mening over kunst. En die moet je kennen om beter mijn beoordeling te begrijpen.

Zijn de twee exposanten erin geslaagd om ons aan te spreken, ons te bekoren, te verleiden, ons tot een positieve ingesteldheid te brengen? Tonen zij kunst? Worden wij gepakt door hun creatieve geest en de wijze waarop zij ermee omgaan?

Ja, zeker.
Hun werk onthult wat verborgen is, met veel schroom en reserve, hun werk openbaart. Het stuurt signalen uit, tekens - weet je nog? - en wij zijn verbaasd over hun veelbetekenende inhoud.
Hun werk heeft verschillende gedaanten: mooi, echt, verhaal, boodschap, onthullend, zelfontdekkend, aanspreekbaar, verbeeldend.

Mia Haemers is keramist.
Keramiek komt van het Griekse keramos en betekent aardewerk. Traditioneel is keramiekkunst op klei gebaseerd. De voorwerpen worden gemaakt van verschillende kleisoorten en toeslagstoffen waarbij allerlei procédés worden gebruikt (b.v. een verschillende oventemperatuur). Er zijn soorten van keramiek, zoals het gewone aardewerk, terracotta, steengoed en porselein. Bij keramische kunst staan vorm en kleur centraal. Vaak krijgt het voorwerp een glazuurlaag.
Ik noem het “kunst” wanneer de keramist erin slaagt een symbiose te maken van de vorm, het bewerken, de kleur en de technieken. Deze elementen sturen het karakter en de uitstraling van het object.

In het werk van Mia Haemers spelen twee aspecten een belangrijke rol: enerzijds het manuele aspect, de sensualiteit, het tactiele beleven van de materie, het magisch groeien van het object tussen haar vingers, het speelse plezier in het dimensioneel bouwen en de fascinatie die zij opwekt bij het zien van de gedaanteverwisseling en anderzijds het communicatieve aspect.

Haar werk overtuigt in die mate dat je meteen de kriebels in je vingers krijgt. Dit is de meerwaarde waarover ik het in het begin had.

Zij is bijzonder vertrouwd met decoreren en glazuren, met de nadruk op waarnemen en afgeleide vormen. Mia Haemers heeft een eigen stijl, een verrassende inspiratie, waarbij zij zich afzet tegen de commercie en werk creëert selectief en naar eigen smaak en aanvoelen.

Zij maakt reeksen en dit is niet zo verwonderlijk, elke creatie leidt tot een nieuwe creatie, tot een verzameling van verwante objecten. Zij is gefascineerd door de herhaling. Een herhaling van net iets anders maar op een zelfde thema. Hierdoor krijgt haar werk een mystieke dimensie en zet het aan tot contemplatie.

En hier kan ik de link leggen met het werk van Bert Vuylsteke. Beiden creëren datgene dat - volgens hun aanvoelen - op geen andere manier kan worden uitgedrukt; ze maken het ontastbare tastbaar; zij tonen verinnerlijkte eenvoud en een opstoot van gevoelens.

Het werk van Bert Vuylsteke overbluft mij door het multipel gebruik van materialen en achtergronden. Houtschaveling, katoendraad, miniatuursteen, montana, spuitbus, olieverf, acryl, houtlijm en air-brush. Als achtergrond hebben canvas en jute zijn voorkeur. Hij deed mij bij een eerste oogopslag denken aan een duivelskunstenaar. Niet dat hij kan toveren, maar hij beheerst bijna perfect zijn materialen.
Opgelet, Vuylsteke is geen wetenschapper, hij schept met veel fantasie en is niemand verantwoording verschuldigd. Hij kan iets schilderen dat op een paard gelijkt, maar zes poten heeft. Waarom niet? Een bioloog mag geen paard uitvinden met zes poten, een kunstenaar wel. Sommigen denken daarom dat een artiest in één, twéé, drie een werk maakt, het steekt zo nauw niet, ze beseffen niet dat ook hij een lange opleiding achter de rug heeft.
Bert Vuylsteke is in hoofdzaak olieverfschilder. Hij combineert abstracte elementen onderling of hij voegt abstracte elementen toe aan de figuratie. Meestal kiest hij voor aardetinten, zoals rood, oker en bruin, maar dit is geen exclusieve.
Naast olieverfschilderen is hij ook handig met graffiti. Zijn creaties zijn portretten of gebouwen in grijswaarden, fotografisch uitgevoerd.

Het is jullie duidelijk, dat Bert Vuylsteke werkt met veel structuur. Hij zoekt naar orde in de wanorde. Zijn werk is kunst, omdat het zich niet beperkt tot louter reproductieve ambachtelijkheid. Zijn werken zijn relevant en van nature uit experimenteel. Eenduidigheid is geen vereiste, maar je merkt duidelijk de gelijklopendheid en dit is kunst. Bert Vuylsteke creëert een eigen kunstlaboratorium, een soort van vrijplaats, noem het een eiland.
Hij wil zich niet beperken tot een of andere stijl, tot een thema, tot een voor de handliggende herkenbaarheid, neen, hij zoekt geen houvast, maar creëert wel toegankelijkheid.

Mia Haemers en Bert Vuylsteke confronteren ons met hun werk en schuwen ook de confrontatie met elkaar niet. De ontmoeting met hun werk is een belevenis, omdat beiden elkaar completeren: stilte, storm, bezinning, extraversie, sensualiteit, opwinding, eb en vloed.

Thierry Deleu

25 september 2007

Beelden Ron Mueck - Video

Zelfportret, Mask II, 2001
Ron Mueck Australische kunstenaar
, geboren in 1958 te Melbourne, woont en werkt in Londen. Mueck werkt naar levende modellen en anatomieboeken. Na een aantal studies vervaardigt hij een beeld van klei. Lang zoekt hij naar het juiste formaat. Dan maakt hij een gipsen mal, die van binnen met verf wordt bestreken en gevuld met siliconen of fiberglas. Hij gebruikt hierbij veel echt materiaal, bijvoorbeeld kippenvel, adertjes en haartjes. Maandenlang is Mueck bezig om de huid op kleur te brengen en de haren en zelfgemaakte ogen te implanteren. De mens, meestal naakt en alleen, in de beslissende fase van het leven: dat is het thema van Ron Mueck. Zijn 'beelden' zijn introverte, kwetsbare portretten van baby's, een hoogzwangere vrouw, een moeder met kind, van mensen in verschillende stadia van ouderdom en zelfportretten. De van levensecht afwijkende formaten van de beelden, van minuscuul tot supergroot, en de absolute perfectie werken vervreemdend en verontrustend. Exposities o.a. in de National Gallery in Londen en de Nationalgalerie in Berlijn.
Biografie
Ron Mueck is een kind van twee Duitse speelgoedmakers, geëmigreerd naar Australië.
Ron Mueck deed zijn vaardigheden op door te werken als etalagist. Hij werd al snel een bevlogen technicus animatronica, het bewegen van poppen en andere modellen door middel van computers. Hiermee werkte hij mee aan verschillende kindertelevisieprogramma's en films om in 1986
door te breken als ontwerper van de special effects van Labyrinth, de fantasiefilm met David Bowie. In deze film had hij ook een klein bijrolletje. Ruim twintig jaar werkte Ron Mueck als poppenmaker voor televisie en film. In 1990 begon hij een eigen productiehuis om modellen te maken voor de Europese reclamewereld. Na een carrière als reclamemaker wijdde Mueck zich halverwege de jaren '90 aan zijn kunst. Hij maakt sinds 1996 hyperrealistische beelden (zgn. life castings) in moderne materialen, combinaties van siliconen en fiberglas. Sinds zijn debuut in 1997 op de tentoonstelling 'Sensation: Young British Artists from the Saatchi Collection' in de Londense Royal Academy baren Mueck's beelden internationaal veel opzien. Toen zijn beeldje van Pinocchio (1996) werd opgemerkt door verzamelaar Charles Saatchi nodigde deze hem uit voor Sensation, de spraakmakende en inmiddels legendarische tentoonstelling te Londen in 1997 van jonge Britse kunstenaars (de YbA's) als Damien Hirst, Sarah Lucas en Tracey Emin. Het beeld van Mueck's overleden vader, - angstig echt, compleet met lichaamsbeharing - maar met zijn negentig centimeter iets kleiner dan hij was, baarde het meeste opzien. In 2001 was zijn bijna 5 meter hoge hurkende jongen het meest gefotografeerde beeld.
Video: blip.tv

Klik hier om voor Ron Mueck verder te zoeken in de producten, de kunst- en cultuur agenda, de cultuurgids, de citaten, de encyclopedie of het kunstnieuws.
Klik hier voor producten (boeken, cd's of kunstwerken) in onze winkels die met Ron Mueck te maken hebben.

22 september 2007

MARCEL COOLSAET +

22 september 2007

Lionel Deflo en ik richtten in 1966 Kreatief op (eigenlijk kwam het idee van mij). In die dagen vormden wij in West-Vlaanderen een tandem, zoals Depeuter en Hannelore in de Antwerpse Kempen. Ook Marcel Coolsaet maakte deel uit van de redactie. Deflo-Deleu duurde slechts een paar jaar. We gingen niet uiteen in ruzie, - wel met grote schulden, - maar omdat ik de kans greep om voor de Antwerpse uitgeverij De Sikkel een paar taalboeken te schrijven voor jongens en meisjes uit het beroepsonderwijs. Ik nam die opdracht toen zo “plichtsbewust” aan dat ik niet eens heb geprobeerd om toch Kreatief te blijven redigeren.

In 1970 redigeerde ik, samen met kunstschilder Marcel Coolsaet, het tijdschrift Boulevard. Een samenwerking die na tien jaar bruusk eindigde met het ontslag van Coolsaet. In 1981 richtte ik, samen met Guy van Hoof, de uitgeverij Het Schaap op. Onder onze redactie verschenen een 25-tal gedichtenbundels, bloemlezingen en monografieën, onder de reeksnaam Schaap Boeken.

De vele gesprekken over kunst en literatuur met Marcel Coolsaet in de beginjaren ’70 leidden bij de schilder tot het schilderen van “een nieuwe werkelijkheid” (een schilderkunstige zelfstandigheid) en uiteindelijk tot het hyperrealisme (een schilderkunstige duidelijkheid) en bij de dichter tot een verstaanbare nieuw-realistische poëzie, met sloganeske invloeden en inspiratie uit reclameteksten.

De gestencilde Heibel van Depeuter-Hannelore leek wel een vervolg op de revolutie van de gestencilde tijdschriften uit de beginjaren ‘60. Robin en Frans waren de Robin Hoods van Vlaanderen die opkwamen voor integriteit en het bewaren van “de kroon”. “De kroon” van de stabiliteit, de deugdelijkheid, de authenticiteit Kreatief was echter mooi gedrukt, met kleur. Lionel was voor “orde en netheid”.

De tijd heeft ons gelouterd. We zijn minder sarcastisch, ironisch, bijtend geworden. Dit is echter geen oproep tot een terugkeer naar de censuur, de “geestelijke leiders” die uitmaakten wat gezond was en niet gezond (denk aan onze schooltijd). Neen, een drol met een strikje er rond blijft een drol!

Met Kreatief heb ik de jaren ’60 rondgemaakt. En ik kon het niet laten: in 1971 stichtte ik, met Marcel Coolsaet, Boulevard, dat nooit het niveau zou bereiken van ons voorbeeld. Verdienstelijk, dat wel. Boulevard werd het tijdschrift van de “vrijzinnigen”. Ik noemde ze de “humanisten”, want ik ben allergisch voor structuren en instituten (tenzij ze ludiek zijn).

Mijn vriendschap met Marcel kende hoogten en laagten. Ik onthoud echter alleen de eerste. Hij kon sappig vertellen, hij had een bevrijdende wijze om zijn rivalen en critici “onschadelijk” te maken. Hij miste soms “persoonlijke inbreng”, de Muze liet hem dikwijls in de steek, maar zijn métier was quasi volmaakt. De tijd van Boulevard (1970-1980) en de uitgeverij “Het Schaap” (1981-1987) was een leuke periode. Ik kon op veel goodwill rekenen en op de steun van schrijvers en beeldende kunstenaars, onder wie Marcel.

Het pakte mij toen ik het nieuws van zijn dood vernam. Via via.

Thierry Deleu

21 september 2007

Willem en ik - gelegenheidsgedicht - Thierry Deleu

Een eer om hier in Campveerse
Toren het ontbijt met u te
delen, Heer. Och god, zegt de
Zwijger, niets aan hoor, kom hier

vaker een dip verdrinken, de
Van Cranenburghs zijn mes amis,
ze kunnen zwijgen en daar hou ik
van. A propos, zeg maar Willem.

Maakt u zich zorgen, Heer? Ja, je zou
voor minder, waarde Vlaam, Charlotte
heeft mij bedrogen met een Françoos
voor een glas Bourbon. Och, treurt u

niet, Heer, mag ik u mijn nichtje
aan moederskant voorstellen? Louise
is haar naam, zij reist altijd aan
mijn zij. Wil ik haar roepen, Heer?

Wiske, Wiske, viens, tais-toi, wees
lief, Here Willem wilt u spreken.
Louise de Coligny, zestien,
ranke ree bukt zich gedwee.

T.g.v. mijn verblijf in de Campveerse Toren in Veere, einde september 2007.
Willem van Oranje kwam er op 21 juni 1575 dineren met zijn derde bruid, Charlotte de Bourbon.
Louise de Coligny werd zijn vierde vrouw.

19 september 2007

Cursiefje van Freek Neirynck

LEZINGEN

“Meneer, het schijnt dat gij leest...”

“Al sinds vrij jonge leeftijd eigenlijk, mevrouw.”

“Allez, dat gij voorlezingen geeft­.­.. Ik bedoel, uit eigen werk. ‘Kuurziefkes’, staat er hier in ’t boekske van de vrouwenbond.. Zoudt ge dat bij ons in Alvergem ook eens willen komen doen?”

“Waarom niet eigenlijk, mevrouw. Daar zijn we toch voor. En bovendien bestaat er een subsidieregeling. Het hoeft de tegen­partij dus eigenlijk niet eens zoveel te kosten.”

“Doet ge dat ook op een dinsdag? Azoo in de vroege namiddag? Ge moogt gerust uw vrouw meebrengen hoor. Een van onze bestuursleden is ook getrouwd met een patissier. Die is dus eveneens in het meel gedraaid door een zoetbakker! ?”

Een minder gulle dan wellicht.
Alvergem moet wel een suikerzieke gemeente zijn.

“Bedankt voor de uitnodiging, maar de vrouw van een scheefschrijver moet werken, mevrouw... Anders kan hij zich de luxe niet permitteren om de wereld naar zijn hand te zetten. Althans op papier.”

Dat laatste blijft in de telefoonkabels trillen als een bezettoon.

Ik bedenk er ondertussen botweg bij, dat mijn zo vriendelijk meegeïnviteerde aanhangster momenteel waarschijnlijk eerder Gothic Bold staat, en dat ze dus tussen de regels door aan het lijnen is.

“De negentiende januari? ‘t Naaste jaare, natuurlijk,” vraagt de voorzittende vrouw van de zoetbakker me in april.
“Zou dat gepast zijn?”

“Proficiat. U bent er snel bij. Soms bellen ze me voor de week nadien.”

“Da's dus in orde?!”

“Het staat al genoteerd, mevrouw.”

“Ho, mijn bestuur zal content zijn. Ik ga dat ook direct noteren. Hoe is uw naam ook weer?”

Slikken veroorzaakt voorlopig geen kanker en doet niemand blijvende pijn. Bovendien is het niet zeker dat een telefoon­toe­stel dit geluid versterkt.

“Excuseer, voor welk publiek kom ik terecht?”

De vrouw reageert hoorbaar gegeneerd en met een blos in de stem, alsof ik naar de kleur van haar lingerie vraag.

“...Het onze...”

En of het dan misschien alléén pasteibakkerfamilies zijn?

“Nee, nee... er is ook een gepensioneerde loodgieter bij en de meid van de pastoor en de vroegere hoofdonderwijzer. Allez, 't is gemengd hè.”

En of het gemengde publiek misschien al iets gelezen heeft van de uitgenodigde schrijver?

De Bell-lijn met de Far West kraakt.

“Oh, maar ze lezen van alles hoor!”

Het uitroepteken is van een hoog Belgacomgehalte.

“We doen dat al twee jaar... Mensen die in de boekskes staan, laten lezen of klappen. Dinges is hier ook al geweest! Bobbe­jaan Schoepen… en Herman Breugelmans van televisie.”

Dan weet je het wel!

“Wanneer zei u ook alweer, mevrouw?”

“Dinsdag 19 januari om half twee.”

“O maar nu zie ik het, dan zit ik al in Bachte-Maria-Lierde... En een andere dinsdag past mij ook niet in die periode. Ik moet dan voor een reeks lokale massages naar mijn kinesiste.”

“Oh, maar da's spijtig. En we hadden u zo gaarne gehad. Kent ge niemand anders die ook iets kan komen doen... ?”

Gelukkig heeft die exclusieve Lezing mij toch nog dit cursief­je opgebracht.

Freek Neirynck

14 september 2007

Egied Steylaers debuteert in "De Geletterde Mens"

IN DE WIND

De laatste avondzon
sterft in zijn einder.
Het erfdeel
is de rode gloed
in beweging.

Rode wolken
verdwijnen
in de wind,
zij sterven
samen met mijn dag.

Egied Steylaerts

13 september 2007

Bert Bevers

Soms volstaat een worp los zand in het gebinte,
soms. Mannen van wind en weer drinken zwijgend
een kroes, zendelingen zonder woorden. In kil grijs
van de vooravond zijn ze in het wilde weg sprakeloos.
O ja, je kunt ruiken naar boot. En naar schemer.

Zij kennen van branding en stroming de kracht.
Morgen varen zij stilletjes weer uit. Ongehavend.


Bert Bevers

uit Lambertus van Sint-Omaars beschrijft de wereld,
volledig te lezen op:
http://www.bertbevers.com/nieuwlambertus.htm

Afgerond staat netjes! Ons cultuurbeleid herdenken

In de loop van een nieuwe legislatuur wordt elke keer verkondigd dat de taak van de overheid op het gebied van de cultuur een zekere afronding heeft bereikt. Een pedante uitspraak, maar het voorval typeert ons cultuurbeleid: het wordt gezien als een verzameling van activiteiten die op zeker ogenblik kunnen worden afgerond.
Niet zozeer de geringe financiële ruimte als wel de bekrompen visie op het cultuurbeleid is de oorzaak van die gedragslijn.
Een vergelijking met het onderwijs levert het volgende beeld: onderwijspolitiek is zo lang een verzameling van reglementen die ons afhouden van een inhoudelijke discussie tot de chaos compleet is en men alweer reglementen (nu structuren genoemd) ontwerpt, die de inhoud van het onderwijs zelf dreigen aan te tasten.
In het cultuurbeleid ontbreken richtlijnen en vaste normen, zodat een wildgroei ontstaat waar de tijdsgeest, de druk van een groep en niet te vergeten de overtuigingskracht van een ambtenaar ten slotte de gestalte van het beleid bepalen; tot ook hier de hamvragen (waarom, waartoe, voor wie?) worden gesteld op een ogenblik dat anderen gereed staan om te snoeien in wat zij dood hout noemen.
Het effect is bij onderwijs en cultuur hetzelfde: pas wanneer het geld dat zij kosten geteld wordt, ontstaan er problemen en die problemen frustreren bij voorbaat het debat over de inhoud van het beleid. Zodat wij gevaar lopen te verzanden in het debat over de vorm.

Hoe heeft het cultuurbeleid zich sinds 1945 ontwikkeld?

De eerste periode die duurde tot het midden van de jaren '50, werd bepaald door dezelfde factoren die ook hun invloed deden gelden op andere gebieden van het openbaar bestuur.
Er was weinig vernieuwing en veel herstel. Er was bovendien weinig geld door de oorlogsschade, de bewapening ten gevolge van de koude oorlog en het besef dat cultuursubsidies een abnormaal, liefst tijdelijk, verschijnsel waren.
Onze cultuur was haar motivatie kwijt. Het ontbrak haar aan datgene wat de mens verheft boven zijn ikkerig bestaan. Er was een geestelijk vacuüm ontstaan. In de kunst openbaarde dit zich in een toenemende steriliteit en oppervlakkigheid, die haar als maatschappelijke functie onvruchtbaar maakte.
Begin van de jaren '50 groeide het besef dat de overheid haar overwegend passieve houding tegenover deze ontwikkeling moest laten varen. Van overheidswege moest bewust leiding worden gegeven aan de culturele ontwikkeling en daartoe was nodig dat er op structureel terrein een aantal vernieuwingen kwamen.
Het verzet tegen een actief beleid van de overheid kwam vooral van liberale zijde. Maar zoals de economische vrijheid van het liberalisme slechts de vrijheid van de weinige bezitters is en de onvrijheid van de economisch zwakken, zo bleek de geestelijke vrijheid die door de neutraliteit van een overheid werd gesymboliseerd, slechts het voorrecht van een geestelijke elite. Vooral de socialistische beweging koos voor een nieuw cultuurbesef, waarin menselijke verhoudingen, cultuuropvoeding en cultuuroverdracht centraal zouden staan.

Reële uitvoering van de taak die de overheid op cultureel gebied diende te aanvaarden was onmogelijk zonder de opbouw van advies- en uitvoeringsorganen zoals die ook op sociaal-economisch terrein bestonden.
Middelpunt van de cultuur, en van het cultuurbeleid, was nu de arbeid waardoor de mens deze wereld tot zijn wereld kon maken. Op de vooravond van de welvaartsstaat kwam men tot de vaststelling dat de cultuur van de toekomst de cultuur van de massa's zou zijn. Politiek had men het stadium van de massademocratie bereikt in het algemeen kiesrecht. Cultureel was een vergelijkbare ontwikkeling begonnen.
Omstreeks 1959 is de welvaartsstaat uitgevonden, die tot in de tweede helft van de jaren '60 overeind is gebleven. Er kon véél op sociaal gebied, voor het onderwijs, ook voor de cultuur. Afgezien van enkele recessies sprong het subsidiebudget omhoog. Het aantal gesubsidieerde objecten, publicaties en verenigingen steeg, bestaande werden uitgebreid; de welvaart van veel kunstenaars nam zienderogen toe; die van de galerijen en het boekbedrijf evenzeer; er was veel glitter bij, maar dat bleek pas later.
Zoals ook pas later duidelijk werd, dat er feitelijk weinig veranderde, noch in het beleid, noch in het cultuurleven. De zogenaamde welvaartsstaat legde een zilveren sluier over alle echte problemen, ook over de vraag: wat moet er met de cultuur gebeuren?
Wat moet er met de cultuur gebeuren? Die vraag kwam pas aan de orde toen er iets met de maatschappij gebeurde. Dat was in de tweede helft van de jaren '60. Sommigen begonnen de balans van de welvaartsstaat op te maken. Ook in het cultuurleven. Ondanks de financiële vooruitgang bleek de participatie van het publiek te stagneren en op enkele gebieden sterk achteruit te gaan.
De derde fase van de beleidsontwikkeling kon beginnen. Nieuwe structuren werden ontworpen, waarvan wij nu moeilijk kunnen volhouden dat zij aan het eindpunt liggen van een gedachtegang over de inhoud van het beleid; ze zijn vaak in grote haast opgetrokken en moeten hun geldigheid, hun openheid en hun flexibiliteit nog bewijzen.
Tussen 1900 en Parijs 1968 ligt het tijdperk van de burgerlijke cultuur die de voedingsbodem was voor het cultuurbeleid en aan dat beleid doel en grenzen stelde. De sociale groepen die in de 19de eeuw de economische en politieke macht in Europa veroverden, lieten geen privilege van de vorige machthebbers ongemoeid. Ook de cultuur werd in de expansie van de burgerlijke macht meegezogen. Kunst werd aangezien als een teken van die macht, als een sieraad dat men koesterde. Waar de kunst op die wijze niet dienstbaar kon zijn, ontstond haar formele vrijheid, haar disfunctioneren ten opzichte van de burgerlijke samenleving. Van de beeldende kunsten vooral was het gezegde gangbaar dat tussen haar en de maatschappij een diepe kloof gaapte.
De wetenschap heeft door haar toepassing op de productiekrachten de samenleving veranderd. Dat kan van de kunst nauwelijks worden gezegd. De kunst bleef een luxe en de cultuurpolitici die het anders zegden, zagen althans op dit punt aan de werkelijkheid voorbij.
Ook de welvaartsstaat (vanaf 1955 tot in de tweede helft van de jaren '60) was een vorm van crisis. Het verschil in inkomen bleef aanzienlijk. Democratisering van het onderwijs - in de moderne samenleving het scharnier van sociale en culturele opleving - verliep traag en groeide krom. Politieke apathie en politiek avonturisme waren elkaars complement. De beslissingsprocessen werden ondanks de beleden openheid niet doorzichtiger. De maatschappelijke doelen werden ongeloofwaardiger. Het smerige water rondom symboliseerde de ellende van de industriële samenleving. Ook de zeer scheve verhouding tussen wat particulieren en het collectief toegestaan wordt te doen met het gezamenlijk inkomen van allen bleef overeind.

De verbeelding aan de macht?

Na Parijs 1968 was ook in de kunstpolitiek en het cultuurbeleid de verbeelding aan de macht. Het betekende dat het beleid zich richtte op het scheppen van ruimte voor allerhande vormen van cultuur en presentatie van die vormen. Het wilde echter meer zijn dan een experimentendepot voor wat avant-garde is en ook meer dan een presentatie van de kunst; het nieuwe cultuurbeleid hield zich ook bezig met het scheppen van nieuwe kanalen van communicatie tussen kunstenaar en publiek.
Kunst werd eindelijk gezien als een mensvormende kracht die een vitale functie vervulde en middenin de samenleving stond. Kunst ontwikkelt de zintuiglijke waarneming, de verbeeldingskracht, de roerselen van het gevoelsleven, de bewegingen van het verstand. Zij kweekt levendigheid van geest, oorspronkelijkheid, spontaniteit, scheppend vermogen, onafhankelijkheid.
Het nieuwe cultuurbeleid zou een afspiegeling zijn van de opvattingen en de stromingen die zich binnen die samenleving lieten gelden. Het beleid moest de hele bevolking dienen en de bevolking diende te worden betrokken bij de opbouw van dit beleid.
De vormgeving van dit beleid gebeurde niet op het gebruikelijke politieke toneel maar in de gemeenten.
Daar vond men de aanknopingspunten voor een nieuw beleid die vroeger nauwelijks of niet gerekend werden tot het terrein van de cultuur. Daar werd in de praxis geleerd dat cultuurbeleid ook sociale politiek is, dat er een samenhang was tussen bibliotheken, speelruimte, saneringsplannen, wijkgebouwen. Want de apartheid van de cultuur was vooral manifest geworden in de mate waarin het beleid was afgehaakt van de andere sectoren: onderwijs, ruimtelijke ordening, volksontwikkeling, Daaruit was niet alleen een fragmentarische beleidsvisie opgerezen, maar vooral een schamel mensbeeld.
Adviesorganen, raden en commissies werden opgericht. Bij de samenstelling ervan werd gelet op de door de leden vertegenwoordigende achterban, politieke partij of belangengroep. Ook specialisten waren hierin vertegenwoordigd, omdat de beheersing van het maatschappelijk leven zonder deze inbreng bijna onmogelijk was geworden.
Een culturele infrastructuur werd opgezet. Cultuurpaleizen werden gebouwd in elke gemeente. De verbeelding bleef een decennium aan de macht. Ook in de kunstpolitiek en het cultuurbeleid. Aan het einde van de jaren '70 werd voor de eerste keer verklaard dat de taak van de overheid op het gebied van de cultuur een zekere afronding had bereikt.

De afronding van het cultuurbeleid: een smakeloze grap?

Een cultuurbeleid is nooit af. Of zien zij die dit beweren cultuurbeleid inderdaad als een verzameling van activiteiten die op zeker ogenblik kunnen worden stopgezet, afgeremd, afgerond? Zij dwalen.
Ook het gemeentelijk cultuurbeleid bereikt nooit een afronding. Ouders spreken nog altijd met enige weemoed over de tijd waarin de mensen in de straat op elkaar aangewezen waren voor hun ontspanning. Terwijl kinderen op straat speelden, zaten de ouders op de stoep te praten, verhalen te vertellen en de actualiteit te bespreken. Nostalgie? Toch moeten we toegeven dat er in een dergelijk straatgebeuren een grote rijkdom aanwezig was.
We hebben steeds meer vrije tijd. Tegelijk springen we steeds meer op een heel individualistische manier om met die vrije tijd. Veel mensen, en vooral veel kinderen, brengen het leeuwendeel van die ontspanningsuren door voor de televisie.
Willen wij deze vervlakking tegengaan, dan moeten wij de cultuur weer dichter bij de mensen brengen. Blijkbaar hebben de cultuurcentra en de participatieraden van de jaren '70, ’80 en ’90 niet het gewenste resultaat bereikt. Adviesorganen, raden en commissies hebben blijkbaar geen blijvende invloed gehad op de betrokkenheid van de mensen bij het cultuurbeleid.
Zij die de cultuurpolitiek beoefenen als hun beroep, dienen werk te maken van de uitbouw van een reeks culturele buurthuizen, eerder dan het bouwen van nog een cultuurpaleis. Die buurthuizen zullen voor iedereen toegankelijk zijn en dienen als ontmoetingsruimte waar cultuur kan worden gemaakt en gesmaakt. De creativiteit die in elk van ons zit, zal zo worden gestimuleerd en de producten van die creativiteit worden voor zoveel mogelijk mensen toegankelijk.
Het gemeentebestuur heeft een belangrijke rol als bemiddelaar. Het zal zich inspannen om een brug te slaan tussen kunstenaars en het publiek. Niet alleen door het organiseren van culturele activiteiten, maar ook, en vooral door het rechtstreeks in contact brengen van die kunstenaars met de bevolking. En waar kan dat beter dan in de buurt, bij de mensen in de straat?

Ook het gemeentelijk cultuurbeleid bereikt nooit een afronding. Ik heb het hier niet alleen over de reglementering, de subsidiëring, maar ook en vooral over de inhoudelijke discussie. Wij mogen ons zelf niet klem rijden in het debat over de vorm. De boodschap en de inhoud zijn even belangrijk.

Cultuur en vrije tijd

"Het volk wil biefstukken,” zou vadertje Anseele ooit hebben gezegd. Ik zou deze uitspraak willen actualiseren. Ik kan genieten van een mals biefstuk, maar biefstukken maken de kwaliteit van ons (cultureel) leven niet uit. Waar ik eveneens mijn twijfels over heb, is over het nut van allerlei serviceclubs die zich organiseren; gelijkgezinden onder elkaar die a.h.w. door bij elkaar te zijn geborgenheid zoeken tegenover de boze buitenwereld. Ik heb niets tegen die mensen, ik vind ze zelfs leuk, maar ik denk niet dat cultuur van die kant veel dynamiek moet verwachten. Wij moeten ons integendeel zonder pleinvrees in het midden van het open plein bewegen. En daar dingen doen.

Het zou fout zijn te denken dat de technologie alle problemen gaat oplossen. We mogen niet over het hoofd zien dat technologie werkloosheid meebrengt, met op langere termijn arbeidsduurverkorting, dat wil zeggen veel vrije tijd. Een blinde ziet dat deze wijzigingen zich voltrekken.
Wat ik wil zeggen is dat technologie bruikbaar is, maar moet dat blijven in de handen van de mens. En daar situeert zich het probleem. Als je gewoon even doordenkt, dan weet je dat meer vrije tijd inhoudt dat de mens zich kan ontpoppen als de "spelende mens". De creatieve, spelende mens. Zonder profijtbeginsel dingen doen die men leuk vindt, dingen uitvinden, inventief leven.
Dat is het uur van de waarheid. Op dat moment zal blijken of wij cultureel inventief genoeg zijn om die vrije tijd op te vullen op een zinvolle manier, en dat is mijn probleem. Ik zie sociale ellende. Ik heb zelf grote kinderen die gelukkig niet werkloos zijn. Maar ik zie de ellende van de kinderen van mijn vrienden en de kinderen in mijn straat die werkloos zijn of het zullen worden. We kunnen niet naast het probleem kijken. We zullen die tijd moeten invullen. We zullen die mensen - ook de ouderen die nog vitaal en creatief zijn - de mogelijkheid moeten geven om hun leven nog een beetje zinvol te maken.
Sommige mensen in de politiek willen die open plek van tijd niet opvullen met zinvolle dingen. Zij hebben veel liever dat hun kiezers uitgezakt in een canapé liggen te kijken naar "Familie", "Wittekerke" en “Thuis”, terwijl zij achter de gordijnen zaken verrichten die het licht niet mogen zien of waar wij geen vat meer ophebben. Als men in de politiek gaat, dan moet men precies weten wat men wil. Ik heb de indruk dat heel veel mensen hals over kop in de politiek terechtkomen, in het beste geval gedreven door een emotionele gedachte. Velen hebben niet eens een kijk op de dingen. Ik wil hiermee niet zeggen dat diploma's alleenzaligmakend zijn en de wereld moet worden bestuurd door hen die de beste papieren hebben. Zeker niet, de intellectuele mens is die mens die nadenkt, die zich ongerust maakt, die ontevreden is over de dingen die wij maar kunnen. Over de culturele dingen die wij maar kunnen. Omdat er geen geld is? Dat is een leugen. Het is niet altijd een kwestie van geld. Het is de politieke wil die ontbreekt.
Ik heb het over de zorgwekkende toestand van de woordcultuur in Vlaanderen. Op radio en TV wordt geen belang meer gehecht aan een beschaafde omgangstaal: schuttingstaal en Antwerps worden er gecultiveerd om de luister- en kijkdichtheid te verhogen. De grondstructuur van onze taal wordt uitgehold en aangetast.
Wij zijn geen soort Bokrijk. Het is de taak van de overheid om op sociaal gebied de zwakke te beschermen. Het is de taak van de overheid om op cultureel gebied het medium taal te beschermen. Het is de taak van de overheid kunst en cultuur te beschermen. Ik pleit voor het herstel van de waarde van de scheppende creatieveling. Geen playbackcultuur, geen sound-mixcultuur, geen retrocultuur, geen decadente cultuur, maar een innovatieve, creatieve cultuur.
Op het uur van de waarheid moeten wij paraat zijn. Wij moeten het niet altijd eens zijn met het gestructureerde gezag. De culturele mens zou hieraan kapotgaan. Dat is de dood in de kop. Daar gaat niets van uit. Er moet een zekere spanning zijn tussen de vrije, rondlopende creatieveling en de verkozen persoon die het gezag incarneert. Ik pleit voor een gezagkritische houding. Gezagkritisch tegenover de politiek. Gezagkritisch tegenover de overheid.
Cultuur heeft een aspect van permanente onrust. Dat moet men niet uit de weg gaan. De intellectuele mens moet de motor zijn van een culturele beweging die onrust zaait, die nieuwe ideeën aanbrengt in de verschillende disciplines van het leven, zoals daar zijn: de politieke, de sociale, de economische, de puur culturele, de artistieke.

Kunst en engagement

Nog altijd is er echter een publiek dat de beeldende kunstenaar wenst te zien als de exponent van de romantiek: de kunstenaar die zich buiten de wet plaatst, die zich niet kan of wil schikken naar de normen die het sociaal verkeer oplegt. Deze opvatting werd door de artiest in de hand gewerkt.
De kunstenaar van vandaag is de sociale gelijke van de mensen die hem omringen: hij staat niet meer buiten de maatschappij maar is er door osmose in opgenomen. Verzamelaars en intellectuelen ervaren het als een voorrecht de kunstenaar te kennen. Niet als een curiosum, zoals vroeger, maar als een "interlocuteur valable".
Een kunstenaar blijft anders dan de gewone mens. Door zijn talent. Het talent dat hem toelaat uit te drukken wat er in zijn hart en geest omgaat. Een hart en een geest die subtieler zijn afgestemd op de gebeurtenissen die in ons leven een diepe indruk nalaten. Weinig mensen leven bewust; op een manier dat ieder ogenblik in hun bestaan een vol ogenblik is. Geladen met vreugde of angst, droefheid of blijdschap, liefde of haat, teleurstelling of hoop. Ieder van ons kent deze gevoelens. Hoeveel zijn er die ze ook bewust beleven? Met al hun zenuwen? En nochtans gaat het hier om persoonlijke ervaringen. Hoe intens-bewust ondergaan wij de gevoelens van anderen? Hoeveel zijn er echt geschokt door de aanslepende oorlog in Irak, om bij een actueel onderwerp te blijven, door de armoede, het vluchtelingenprobleem, de miserie van de verdrukte bevolkingsgroepen?
Wie wordt beroerd door de miserie van anderen? Enkel wanneer wij zelf in verdrukking komen, reageren wij fors en eisen onvoorwaardelijke hulp.
Ik meen dat de kunstenaar - ook voor de situatie waarin anderen verkeren - gevoeliger is dan de meeste mensen. Ik denk aan Goya die kordaat en hartstochtelijk een standpunt kiest in de sociale conflicten van zijn tijd. Ik denk aan Picasso die met zijn “Guernica” het leed van een vrijheidslievend volk vertolkt.
Later zal, onder impuls van de ontvoogding van de arbeider, de kunstenaar zijn zin voor realisme omzetten in taferelen waarin de menselijke nood het altijd terugkomend thema wordt. Ook Permeke heeft op dramatische wijze deze nood in zijn werk binnengeleid. De boer in de tragiek van zijn dagelijkse labeur. Verpauperd, verbitterd, ontdaan van alle menselijke waardigheid.
Bij andere kunstenaars is het de angst waarmee zij afrekenen. De angst om het verlies van het leven.
Het werk van Bacon is een typisch voorbeeld van de probleemkunst van deze tijd. Figuratief en toch zo ver van de fotografische werkelijkheid. Zijn werk onthult een tragische visie op de eenzaamheid en de angst. De mens verschijnt er als een eenling en een gefolterde, doordrongen van wanhoop. Zijn figuren lijden aan een hallucinante incapaciteit om met elkaar in contact te komen of om zich verstaanbaar te maken in de wereld die hen omringt.
Dit zijn voorbeelden van kunstenaars die de menselijke nood in hun werk uitbeelden. Als strijdmiddel tegen de verdrukking van de onmondige. Zij hebben hun ziel of die van anderen willen tonen om de gemeenschap duidelijk te wijzen op de problemen van de tijd. Tot schande van ieder van ons die uit gemakzucht of uit angst deze problemen uit de weg gaan.
Kunst moet een exponent zijn van het vrije denken. Ik ben het er volkomen mee eens. De kunstenaar kan evenwel niet ontsnappen aan de tijdsomstandigheden of het politiek, economisch, filosofisch of godsdienstig systeem waarin hij werkt. Zolang hij zich niet (of zo weinig mogelijk) aan dit systeem verkoopt en "in opdracht" ervan creëert, komt zijn vrije denken niet in de verdrukking.
Kunstenaars kunnen bij uitstek op een geëngageerde en bewustmakende wijze een avant-garde rol spelen: als voorzieners in de maatschappelijke en artistieke wereld.
Kunst is meer dan alleen een verheven smaak van weinigen, meer ook dan alleen versiering, hoe belangrijk en waardevol dat dit op zichzelf ook kan zijn. Kunst is vooral ook een eigen vorm van communicatie met anderen en met de wereld om ons heen, waarin meer en andere ervaringen kunnen worden opgedaan en uitgedrukt dan met intellectuele middelen mogelijk is. "Guernica" laat ons de Spaanse burgeroorlog beter beleven dan drie verhandelingen daarover.

De (beeldende) kunstenaar voelt zich lotsverbonden met de mensheid. Dood, ziekte, honger, ellende, eenzaamheid, verdrukking zijn ook in onze tijd het harde materiaal waarmee de mens zich moet meten. De kunstenaar, vol attentie voor het menselijke, vindt in die situatie zijn inspiratie. Hij vertolkt het wel en wee van die strijd en getuigt.
In zijn werk is de tijdsgeest hoorbaar als één langgerekte zucht, of beter, als een schreeuw. De schreeuw van de verdrukte mens in een wereld die steeds minder menselijk wordt. Kunstenaars geven uitdrukking aan... verdrukking.
Het debat over de verhouding tussen kunst, cultuur, overheid en het bedrijfsleven duurt al bijna tien jaar en het ziet er niet naar uit dat, in deze tijd van teruglopende welvaart en gigantische staatsschuld, de discussie de komende tien jaar uit de lucht zal zijn. “Kan Kunst de wereld redden?" Een vraag die de wenkbrauwen doet fronsen. De vraag kan welbeschouwd beter luiden: “Kan het geld de Kunst redden?" Hierop luidt het antwoord: neen! Geld kan kunst kopen maar niet maken. Geld regeert de wereld, niet de kunst.

Cultuur: een remedie tegen bloedarmoede

Het gaat Vlaanderen materieel voor de wind. De Vlaming is rijk en in een eeuw tijd politiek mondig geworden. Soms lijkt het erop dat Vlaanderen zijn zelfbeschikking uitsluitend dankt aan zijn economische groei en aan de nieuwe technologieën. Dit is maar een halve waarheid. De Vlaamse emancipatie is in beginsel een kwestie van taal geweest, zeg maar van cultuur. Dit vergeten wij maar al te vaak.
In dit verband spreekt Jozef Deleu in zijn cultuur-politiek essay Verzwegen misverstanden van een historisch geheugenverlies dat aan de basis ligt van twee kwalen waaraan het huidige Vlaanderen lijdt: overmoed en zelfgenoegzaamheid. Het Vlaanderen van nu wordt meer bedreigd door zichzelf dan door de machten die het omringen. Wat bedoelt Jozef Deleu hiermee?
Enerzijds zijn er de nieuwe Vlaamse rijken die van geld en bezit hun cultuur hebben gemaakt, anderzijds is er de al even welvarende groep die vasthoudt aan de traditie van het vertrouwde flamingantisme en haar ongewijzigd wil doorgeven aan de jongeren. Daarnaast is er een derde groep die het elementair geloof in zichzelf heeft verloren en alles opoffert aan een verkeerd begrepen internationalisme.
Misschien begrijpen wij elkaar beter wanneer ik deze invloedrijke groepen definieer. Groep één zijn de vele jongelui die wel Nederlands spreken, maar die door hun puur materialistische instelling helemaal geen bijdrage leveren aan de culturele en intellectuele bloei. Zij identificeren cultuur met “geld”.
Daarnaast blijft er een groep Vlamingen actief, die het hart vol hebben van Vlaanderen, wat hen soms hindert in het gebruik van hun verstand. Een derde categorie lijdt onder het trauma van het legendarische jaar 1968, onder het trauma van het Concilie, van de Vietnamese oorlog en andere frustraties. Zij hebben hun land niet zozeer de rug toegekeerd, maar ze kunnen het alleen nog zien als een minuscuul klein deeltje van de grote wereld. We kunnen nog een vierde groep toevoegen, met name zij die anders wil gaan leven, de nieuwe idealisten.
Tussen die groepen in moet de onafhankelijke intellectueel zich staande zien te houden. Geen evidente zaak, want zich kritisch en intellectueel opstellen in Vlaanderen wekt achterdocht. De meesten willen niets liever dan voortboeren op hun verkaveld veldje, afgezoomd met blauwe, gele, groene of rode vlaggen van het eigen clubje. Dat heeft tot gevolg dat intellectuelen in Vlaanderen hun rol te weinig spelen.

Vlaanderen is slechts de moeite waard in de mate dat wij erin slagen een fijnmazig netwerk van contacten en betrekkingen op te bouwen tussen de culturele en de intellectuele wereld.
Zolang wij daar niet in slagen, geven wij steeds opnieuw sjoemelruimte aan kleine potentaten, die vanuit hun “zuilgevers” de ware emancipatie van ons volk belemmeren.
Bovendien wordt de greep van de reclame op het openbare leven steviger en gretiger. Vooral de invloed van de commerciële televisie is nefast en brengt een machine van verdomming op gang.
“Door dit zorgwekkend tekort aan contact tussen de academische en de culturele wereld is de cultuur in Vlaanderen al te veel een schouwtoneel van middelmatigheid,” merkt Jozef Deleu op.

Het is niet zozeer het onderwijs of de politieke apathie of het gebrek aan financiële middelen die aan de basis liggen van de verpaupering van het culturele leven, maar het gebrek aan intellectuele voeding. De artistieke en culturele wereld heeft door een jarenlange horigheid aan de zuilen enorme behoefte aan intellectuele injecties.

Deze bedenkingen zijn uiteraard niet relevant, indien wij er vanuit gaan dat er geen Vlaamse intelligentsia bestaat. Het is niet omdat het aantal gediplomeerden toeneemt, dus ook het aantal academici en universiteiten, dat ook de voorwaarden voor het ontstaan van een intelligentsia vervuld zouden zijn. (Paul Goossens in “De Morgen” van 8 juni 1991.) Maar we zouden blijk geven van een pijnlijke onderschatting van onze Vlaamse intellectuelen, indien wij het bestaan van een Vlaamse intelligentsia betwijfelen. Of er een klimaat heerst van vrijmoedigheid, grote onafhankelijkheid en wederzijdse waardering is een andere zaak.
Of Vlaanderen in dit open en openhartig klimaat groot wordt, kunnen wij betwijfelen. De vele Vlaamse “geletterden” zijn in de gouden kooien van de zuilen getemd en bestaan nauwelijks als autonome kracht. Een kritische intelligentsia bestaat nauwelijks. En naar enkele witte raven luistert Brussel niet. In het Vlaanderen van VTM is de intellectueel al een veroordeeld beroep. Zoals de douanier, maar zoveel, zoveel machtelozer. Als de intelligentsia een stiptheidsactie zou houden, zou niemand het merken en zou de “machine van verdomming” niet stilvallen.

De enige remedie tegen die bloedarmoede in ons cultureel leven is de ongegeneerde en vrijmoedige inbreng van de intelligentsia. Op dit vlak heeft de vrijzinnigheid een grote rol te vervullen.
De intelligentsia zou in samenspraak met de kunstenaars de democratie moeten behoeden voor spirituele armoede. Maar vaak worden ook zij door de geur van de vleespotten van hun wezenlijke opdracht afgeleid.
De discrepantie tussen onze welvaart en de intensiteit van ons intellectuele en culturele leven is vaak schrijnend. Het weegt zwaar op ons maatschappelijk leven. Wij mogen onze emancipatie niet uitsluitend meten aan de verworven welvaart en aan de nieuwe of nog te realiseren politieke structuren. De Vlaamse identiteit wordt bijna uitsluitend gewaarborgd door de kwaliteit en de creativiteit van onze kunstenaars en onze intelligentsia.
De Vlaamse identiteit kan echter maar gedijen in een open, pluralistisch en verdraagzaam Vlaanderen.

Onze cultuurfondsen moeten bijdragen tot de vorming van kritische mensen die zelfstandig en vrij hun eigen weg kiezen en gaan. Het stond bij hun stichters als een paal boven water dat bij dat proces de eigen taal en cultuur een belangrijke rol te spelen hadden. De Vlamingen zijn niet sterk door hun cultuur, maar door de cultuur waarvan zij drager zijn. En die hun, precies daardoor, de mogelijkheid biedt Europeaan en wereldburger te worden.
Onze cultuurfondsen hebben altijd gewezen op het grote belang en de rol van de cultuur. Ze heeft immers een viervoudige functie: een maatschappelijke, een creatieve, een bevrijdende en een kritische functie. Zo blijft haar engagement onveranderlijk gericht op de ontvoogding van de Vlaming inzake mondigheid, vrijheid, gelijkwaardigheid en een kritische instelling.
Uitdagend zou ik durven te vragen, of het de kaders heeft om de waarden van 1968 te actualiseren. Kunnen zij deze waarden inpassen in het pragmatisch realisme van onze tijd? Aan de arbeidersbeweging moet haar “cultureel gezicht" worden teruggegeven. De arbeider moet zich “cultureel kapitaal” kunnen verwerven. Daartoe is een lange-termijn-visie nodig.

Ik ben het eens met Jozef Deleu als hij oproept tot grote verantwoordelijkheid over onze identiteit. Uiteindelijk staan wij voor dezelfde uitdaging. Willen wij nog iets uitdragen, verdedigen? Zien de cultuurfondsen zichzelf nog als leidinggevend of zijn zij enkel op zoek naar nieuwe leden? Leiding geven, een richting aangeven, dat lijkt mij de historische opdracht van onze Vlaamse cultuurfondsen. Indien dat niet meer kan, onder druk van allerlei marktmechanismen, zal Vlaanderen zijn identiteit zien verschralen.


Thierry Deleu

"Het bizarre van dichters is dat ze echt bestaan.'

I

er wandelen sprookjes door de straten

dromenvangers palmen mussen in
krullen razend staarten om
tot vuurspugende draken
blazend braaksel achterlaten
in wandelpaden
van vrienden
waait het universum rond

in de bezieling van werelden
waar vingervlugge figuren
niet mogen arriveren
breekt het feest los van losgeslagene
gewoon voor de show bungelen
bungelen ze aan galgen
tot de volgende blikkenvanger
met scherpe zinsneden
leven brult

de vuile was laat
schavuiten van zombies
ingewikkeld
de keel uithangend
vallen door het oog van de naald

in de afgrond
van het zinloze lot

© Amanda Visch

10 september 2007

Het vlees is haar - Philip Hoorne

Uitgeverij Liverse en het Cultuurcentrum van de gemeente Wevelgem
nodigen u uit voor de feestelijke presentatie van het boek
----------------------------------------
HET VLEES IS HAAR
van
Philip Hoorne
--------------------------

Philip Hoorne (1964) publiceerde de dichtbundels Niets met jou, Inbreng nihil en Het ei in mezelf. Hij is de poëzierecensent van Knack en medewerker van Awater, Poëziekrant en wielertijdschrift De Muur. Ook is hij de oprichter en hoofdredacteur van Poëzierapport, het eerste gesubsidieerde literaire e-zine in Vlaanderen.

In Het vlees is haar overheersen kolder, gekte en branie.
Dit is een ronduit hilarisch en politiek incorrect boek. Maar is humor niet de overtreffende trap van ernst?


Datum & Uur: vrijdag 28 september 2007 om 20u.
Plaats: CC Guldenberg, Acacialaan 1, 8560 Wevelgem


PROGRAMMA:

Welkom
De Plebejers lichten Het vlees is haar toe en interviewen de auteur
Uitgever Henk Verweerd overhandigt Het vlees is haar aan Mevrouw Lobke Maes, Schepen van Cultuur
Philip Hoorne praat over zijn proza(c)debuut en leest enige fragmenten.
De auteur signeert zijn werk.
Receptie aangeboden door het gemeentebestuur.

8 september 2007

Ludo Geloen, een muzikale en literaire duizendpoot! Een interview.

Ludo Geloen (°1962, Dikkebus) is leraar orgel en nevenvakken aan de muziekacademies van Ieper, Diksmuide en Poperinge, tevens bespeelt hij het orgel van de O.- L.- V.- Middelareskerk te Ieper. Hij is beiaardier van de stad Ieper, componist en improvisator.
Hij studeerde aan de SAMW te Ieper en aan de Rijksacademie van Gent waar hij zijn einddiploma orgel behaalde met grootste onderscheiding. Hij voltooide zijn muzikale studies aan het Koninklijk Conservatorium te Gent waar hij verscheidene eerste prijzen behaalde. Aan de Koninklijke Beiaardschool “Jef Denyn” te Mechelen behaalde hij in 1998 het laureaatdiploma voor beiaardspel.


Ludo, je bent een bezige bij, een rusteloze zoeker naar het “opus magister”, zoals een alchemist zocht naar goud.
(Ludo glimlacht en in zijn minnelijkheid lees je af dat ik overdrijf en dat het voor niets nodig is.)
En toch meen ik wat ik zeg voor 120%! Als componist valt hij geregeld in de prijzen en werken van hem worden in binnen- en buitenland uitgevoerd en gepubliceerd. Zijn opuslijst beslaat reeds méér dan 90 nummers. Als organist en beiaardier concerteert hij overal in Europa. Ik denk aan Nederland, Frankrijk, Duitsland, Italië, Noorwegen, Rusland.

Heb jij nog tijd om je hier ter plaatse “verdienstelijk” te maken? Vooral het Heuvelland en Ieper blijven jouw favoriete inspiratiebronnen. Blijkbaar ontmoet je daar om de haverklap muzen en muizenissen. Je bent er ook geboren en getogen, in the city of Dikkebus.

Ik weet niet of alles wat ik doe zo verschrikkelijk verdienstelijk is, zoals jij beweert. En indien het zo is, dan ben jij een even grote “onruststoker” in het literaire wereldje.
In 1997 stichtte ik de Orgelkring Organum Yprense vzw. Sedert 2001 ben ik artistiek leider van de Diksmuidse Orgelkring vzw. Met Koen Cosaert vorm ik het beiaardduo “Four Fists”.

Juist, maar je geheugen laat je vaker in de steek, Ludo. Of ben je zo bescheiden dat je liever niet aan enumeratie van je prestaties doet? Ik denk dat het het laatste is. Ik doe het dan maar in jouw plaats.

In 1999 realiseerde je een CD-opname op drie orgels van de stad Ieper en won je de B.A.P.-Sabamprijs met het werk Tension and Relief. Je werd respectievelijk laureaat orgel en compositie in wedstrijden te Terneuzen en Utrecht. In 2006 werd je laureaat in de Compositiewedstrijd van de Provincie West-Vlaanderen.
In 2002 nam je een 2de CD In Flanders op i.s.m. sopraan Barbara Vandendriessche. Met haar stichtte je in 2003 het Duo Calliope.


Ludo, je bent ook hoofdredacteur van het culturele e-zine van de Westhoek, Het HemelBed, en redacteur van het e-zine De Geletterde Mens. In beide tijdschriften publiceer je met de regelmaat van een klok prachtige gedichten. Wanneer ontdekte je dat je literair talent had?

Het geloof in mijn poëtisch “kunnen” nam vaste vorm aan toen ik jou leerde kennen en ridder werd van “The Order of the Razorblades”. Ik vond daar de stimuli die mij literair over de brug haalden. Sindsdien durf ik al eens gedichten plaatsen in andere tijdschriften.

Ja, en je krijgt goede kritiek! Maar toch blijf je in de eerste plaats componist en improvisator. Je kunt ook goed over weg met de pc (of krijg je véél support van je zoon?). Je bent webmaster van de Vlaamse Componistenvereniging ComAV en van het geciteerde e-zine De Geletterde Mens.

Ik kan zo moeilijk neen zeggen. Ik ben zo weinig assertief. Ik koester mij zo graag in literaire en muzikale watertjes dat ik erin zou verdrinken indien mijn vrouwtje mij af en toe niet tot de orde zou roepen. Of misschien ben ik dan toch een beetje ijdel (een beetje veel?). Of - en dit primeert in mijn introspectie - ben ik, zoals jij beweert, een “goudzoeker” die naar het ultieme meesterwerk zoekt. Maakt niets uit, ik doe mijn ding en ga mijn gang!

Je valt opmerkelijk veel in de prijzen. Dit moet toch je ego strelen en je zelfvertrouwen opkrikken? Ik denk nu aan je finaleplaats in de Hinsz-Orgelcompostitewedstrijd 2007 te Kampen en aan je laureaatschap van de Nationale Koorcompositiewedstrijd 2007 Capella di Voce - uitgeverij Euprint.

Ja, maar ik ben niet anders dan de doorsnee artiest, hoor. Ik kan blij zijn om een prijs, maar dit gevoel gaat vlug over en ik begin (of was ik al begonnen?) aan nieuw werk en nieuwe uitdagingen. Ik wil mijn talenten zo goed als mogelijk laten groeien en ze in een symbiose in mijn leven in elkaar laten vervloeien. Mooi gezegd, hé? Ik ben organist, beiaardier, componist, dichter, pedagoog, echtgenoot en vader. Veel, maar ik geniet van alles met grote teugen.

Wat is jouw ambitie, Ludo? Zeg het eens vlakaf, zonder schroom en ingehouden adem?

Het is mijn ambitie om steeds hoger op de muzikale ladder te klimmen. Voor mezelf wil ik een steeds betere techniek ontwikkelen én gespeeld worden. Componeren is voor mij de ultiemste vorm van creatief zijn. Als dichter komt de filosoof in mij naar boven. Ik probeer de kronkels van het leven in verbogen woorden uit te drukken. Het is mijn meest subjectieve manier om alles een plaats te geven. Als pedagoog kan ik via het lesgeven in de drie academies uit mijn streek (Ieper, Poperinge, Diksmuide) alle geciteerde talenten doorgeven.

Dank voor het gesprek, Ludo.

Thierry Deleu

* Ludo Geloen, Capucienenstraat 97, 8900 Ieper http://www.westhoek.be/geloen

5 september 2007

Initiatieven voor debutanten

De Geletterde Mens wil beginnende dichters en schrijvers een stem geven.
Misschien goed om hier te vermelden dat ook andere sites op het net hieraan aandacht besteden, o.a. Leestafel, een site met forum.
Hier wordt niet alleen aandacht besteed aan de gevestigde schrijvers, maar ook aan beginners.

Initiatieven daaromtrent zijn:
- Dichter van de maand, vaak debuterende dichters (binnenkort een nieuwe reeks).
- De debutantenpagina.
- De debutantendag (volgend jaar opnieuw).
- Columns op de site.
- In 2008 een debuterende-dichters-dag.
- Kleinere uitgeverijen onder de aandacht brengen.
-
Meer hierover op:
http://www.leestafel.info/

en op het bijbehorende forum:
http://oscar.messageboard.nl/7067/index.php

(Info)

Hemelse modder

Hemelse modder (2)
voor Marc Vandenbussche,
meester-chocolatier


Ik vraag mij af: rotzooit hij er maar wat aan?
Is Appel zijn naam?

Uit de hemel laddert een regenboog uit
op de onderste tree onzichtbaar
is hij de moddervent?

Wanneer hij grote ogen zet
het ooglid samentrekt
weet ik: hij heeft
een modderman verwekt

die nu blijkt een smaakmaker
een kunstenmaker
een langharige met een staart
die met scalpel penseel en mes
de hemel klaart.

De hemelse modder heeft een chocoladesmaak.


Thierry Deleu
(2) nieuwe en definitieve versie

3 september 2007

Poëzie van Cathy Mara

Onzeggelijk zitten we aan
de symboliek van de volle
tafel

te berekenen:
afzetmarkt, afnamecijfer
te vinden:
afleidingsmanoeuvre
tegenstelling
te ruilen:
u en ik
in voorbereiding:
opvulling van de leegte

Cathy Mara
11-02-07

LEESTAFEL waar dichters en schrijvers welkom zijn!

Welkom bij Leestafel
Lees je graag en wil je je mening delen met anderen, dan ben je hier aan het goede adres. Op deze (niet commerciële) site is veel informatie te vinden over schrijvers, boeken, poëzie, taal, enz.

Wie zijn wij?
We zijn een enthousiaste groep lezers die met een klein groepje op 21 april 2004 gestart zijn met deze site. Inmiddels is de site uitgegroeid tot wat het nu is met ca. 500-600 bezoekers per dag. We plaatsen verslagen van de door ons gelezen boeken en bespreken dit op het forum.Verder lezen we elke maand gezamenlijk een boek. Deze wordt door de leden uitgekozen en we discussiëren er uitgebreid op het forum .
Ook kiezen we elke maand een thema. Dat houdt in dat iedere dag, een maand lang, een boek geplaatst wordt dat betrekking heeft op het thema. Tevens bespreken we poëzie en proberen schoolkinderen (en volwassenen) te helpen gedichten te begrijpen.
Onze poëzieafdeling ontwikkelde zich langzamerhand tot iets waar we trots op mogen zijn. Veel dichters gaven Leestafel toestemming om hun gedichten te plaatsen en te bespreken.
En zo gebeurt er nog veel meer.
Onze doelstelling is: in gewone taal mensen kennis te laten maken met literatuur en poëzie zodat zij kunnen zien dat literatuur en poëzie niet moeilijk of loodzwaar hoeft te zijn. We proberen een zo goed en informatief mogelijke site te maken waarop voor elk wat wils te vinden is.
Onze speciale aandacht gaat uit naar debutanten en de auteurs die minder bekend zijn (maar toch prachtige boeken schrijven).
Kijk eens rond en heb je vragen, ideeën, suggesties enz. neem dan contact met mij op.
Wil je mee discussiëren over een boek of poëzie? Ga dan naar het forum en schrijf je gratis in.

Groetjes,
Dettie
Neem contact op, klik hier!

Patchwork van Mieke Houthaeve




1 september 2007

Aan de redactie van "Ambrozijn"

Neem mij de informele toon niet kwalijk, hoewel ik tot voor kort nog een medewerker was. Ik hoop dat mijn evaluatie niet overkomt als een bemoeienis. Dit is helemaal de bedoeling niet. Het is zeker geen natrapperij of zo. “Ambrozijn” heeft mij altijd correct behandeld. Het is precies wat ik het noem: een belangeloos voorstel. Ik ben niet uit op een zitje in de vaste redactie (of hoe jullie de “zaakvoerders” ook mogen noemen). Ik heb niemand van jullie “wat te zeggen”. Ik ben bovendien niet gekwalificeerd om advies te verstrekken over jullie tijdschrift. Ik herhaal: het is een voorstel, meer niet.

Waar jullie voor staan.
Het gaat goed met “Ambrozijn”. Ja toch? Misschien zijn er (door uitdovende subsidiëring) financiële moeilijkheden geweest. Ik weet het niet. Is het tijdschrift (nog) in moeilijkheden? Drukkosten, kwijnende subsidie, minder sponsors? De eenvoudige waarheid is dat een (literair) tijdschrift dat voor zijn overleven afhankelijk is van goodwill, indien die wegvalt, meteen in zuurstofnood komt.

Rekenend op een blijkbaar emotioneel met het tijdschrift verbonden grote achterban, blijft “Ambrozijn” verschijnen. Dit is, natuurlijk, erg motiverend: voor schier alles wat je doet, kunnen rekenen op de goodwill van mensen, op mecenaat, of op een andere vorm van vrijwilligerswerk. Dat kun je - als redactie - waarderen, maar dan belaad je jezelf wel supplementair nog eens met een ereschuld de situatie recht te trekken: mensen die er geld of energie in steken doen dat niet omdat het tijdschrift dan uiteindelijk toch ten onder zou gaan. Voor zover ik als outsider kan zien, hebben jullie geen keus: jullie moeten doorgaan!

Nu, al deze argumenten schijnen te wijzen op de behoefte aan een herprofilering, waar “Ambrozijn”, me dunkt, wel aan toe is. Laat me toe jullie te vervelen met wat ik weet van zo’n “herprofilering”.

Herprofileren.
Om te weten waarover ik praat, heb ik de afgelopen dagen mijn ervaring met het uitgeven van tijdschriften opgefrist en geactiveerd (ik was stichter en/of hoofdredacteur van “Kreatief” en “Boulevard” en uitgever van de “Schaap Boeken”). Ik heb ook rustig alle recente(re) “Ambrozijn(s)” doorgenomen. Op het net heb ik een aantal (literaire) sites bezocht en die van “Ambrozijn” in het bijzonder.

Ik heb een paar dingen onthouden. Vooreerst zou het fout zijn naar de pijpen van de “financiers” te dansen. Ik denk dat er in totaal drie dingen zijn waar jullie rekening mee moeten houden:
- Wat willen zij (die door hun mecenaat de overlevingskansen vergroten)?
- Waar staan jullie voor?
- Wat is de tijdsgeest?

“Wat willen zij?”
Een herprofilering betekent concreet dat het geheel van het blad (inhoud en vorm) zich richt tot een (nieuwe of dezelfde) doelgroep.
- Dit kan staan voor een globale aanpak, waarin alle vormen en soorten van kunst(en) worden toegelaten. Volgens mij hangt de kwaliteit, zelfs van een “globaal” blad, af van de selectiemacht en de intelligentie van de redactie.
- De profilering kan slechts een (weliswaar groot) gebied omhelzen (b.v. alle postmodernisme of alle avant-garde) of juist een heel klein (b.v. uitsluitend Chinese literatuur).
- Het tijdschrift kan zich expliciet richten tot gevestigde waarden of er zich expliciet van afkeren. Een redactie mag kiezen wat ze wil, maar ze moét bakenen (bakens afzetten, afbakenen).

Is “Ambrozijn” globaal? Neen. Wil het tijdschrift globaal zijn?
“Ambrozijn” is traditioneel, dit is zeker. Wat de redactie verantwoord vindt, brengt ze, om reden dat het goed is - maar dat alleen gaat niet meer. Moet de focus niet vernauwd worden teneinde (nog) meer diepte te krijgen? Indien de redactie kiest voor begrenzing, dan moet dit duidelijk blijken uit elk nummer. Indien de redactie eenmaal per jaar kiest voor een themanummer b.v., dan moet zij ervoor zorgen dat de lezer iets achter de kiezen heeft. (Bij een slecht geconcipieerd themanummer leest de lezer slechts wat hem/haar zelf een beetje schikt.) De lezer kan zich ook laten leiden door de vorm.

“Waar staan jullie voor?"
Nu, om zo’n profiel op te bouwen moeten jullie rekening houden met bepaalde eisen, of beter: richtlijnen. Geen veronachtzaming, dit is duidelijk. “Ambrozijn” hééft zaken waarvoor het staat en het heeft geen zin dat die zaken de dieperik zouden ingaan: zij moeten zeker blijven. Mijns inziens - maar de redactie kan daarover eens een boom opzetten, als zij wil – zijn dit vooral de volgende:
- een goede begeleiding, met opvolging;
- een gepaste schroom voor taalzuiverheid (taalzorg + herhaalde aandacht voor taal).

Het zijn in elk geval deze twee die opnieuw zullen opduiken bij het hiernavolgende voorstel voor een herprofilering.

“Wat is de tijdsgeest?"
Wat ik wel vind is dat het de lezer stoort, indien met specifiek hedendaagse tendensen die aanvaard zijn geen rekening wordt gehouden. Ik heb het hier in eerste instantie over een onvoldoende doordringing van wat ik voor het gemak maar “postmodern denken” zal noemen. “Ambrozijn” is soms en te veel conservatief, i.c. behoudsgezind, voorzichtig, beschroomd, te afwachtend, risicovrezend, niet baanbrekend.

“Postmodern” is een spectaculair onduidelijk woord, maar neem even van mij aan dat er hier mee wordt bedoeld een bepaalde houding tegenover literatuur (en andere kunsten), met volgende kenmerken:
- pluriform: accepteren dat de redactie uit individuen bestaat en dat twee leden tegengestelde opinies kunnen hebben, waarvan akte wordt genomen in het tijdschrift;
- tegemoetkomen aan een behoefte tot sturing van de lezer, informatie over randaspecten van het kunstbedrijf (en het literaire in het bijzonder), uitgeverijen, recensies, enz;
- informatie, of in elk geval acceptatie, van nieuwe schriftuur, nieuwe stijlen, nieuwe trends en tendensen of wat daarmee geassocieerd wordt. Zelfs indien een tijdschrift zich niet “postmodern” profileert, is er altijd een aanvaarding ervan en komen deze “producenten” ook aan het woord. (Denk hier aan “onvoldoende doordringing” waarvan sprake hierboven.)

Of het door de collectieve redactievorm komt, of door het gebruik van ad hoc redacties, het is niet duidelijk, maar in “Ambrozijn” komen pluriformiteit, sturing (trendsetting b.v.) en informatie te weinig aan bod. Het aanvoelen van de tijdsgeest is voor elk tijdschrift een hoofdbreken en soms is het de reden waarom een medewerker niet lang aanblijft.

Enkele opties.
- Een eerste mogelijkheid: de voorkeur wordt gegeven aan essayistisch werk (artikels worden, zo nodig, ingekort en geplaatst). Geweigerde kopij wordt met een argumentering aan de “producent” teruggestuurd.
- Een tweede mogelijkheid: de redactie streeft naar een “wankel” (spanning creëert betrokkenheid) evenwicht tussen creatief en essayistisch werk.
* Met in elk nummer een kaderartikel (met informatie en grondmateriaal over het thema).
* Indien een themanummer wordt dit het sturend artikel.
* Essays (integraal, ingekort of opgesplitst) en recensies zijn een vast gedeelte.
* Gedichten, korte prozastukken (verhalen) komen in het variabele deel van het nummer voor.

Ik denk met andere woorden dat jullie de herprofilering van het tijdschrift moeten ophangen aan twee kapstokken: enerzijds het essay (incluis interview, gesprek), en anderzijds de (pure) creatie.

Naar de vorm zou ik “Ambrozijn” fysiek een beetje vergroten (een paar centimeter maar), elk nummer een beetje inkleuren (foto auteur, werk, sfeer). Het tijdschrift zou m.i. vooral moeten opgaan in het literaire landschap (de behoeften aan ondersteuning, informatie, begeleiding, kansen, zijn daar het grootst): publicatiemogelijkheid, behoorlijk recensiewerk, info over de betere boekhandel, schrijfbijscholing, af en toe een paar opiniestukken en heel af en toe een inhoudelijk katern over één auteur.

Maar laat ons even de strengen aanhalen en samen nemen wat van een profiel gevraagd wordt:
- herprofilering met specificatie; ook lay-out;
- debutantenbegeleiding, poëzie;
- pluriform, behoeftedeling, modern.

“Ambrozijn” zou kunnen afstappen van zijn “grote bekommernis tot polyvalent aanbod”, niet alleen omdat een andere koers zich opdringt, maar ook omdat het tijdschrift aan die doelstelling niet kan voldoen (gezien de beperkte middelen).
De redactie zou kunnen kiezen voor een specifieke herprofilering zoals hierboven omschreven.
Het uittekenen van een omlijnde (begrensde) context waarbinnen het tijdschrift opereert, zou het niet alleen “moderner” maken, maar ook dynamischer. Dynamiek is bovendien een eerste vereiste voor een driemaandelijks tijdschrift. De vraag stelt zich toch altijd: “Kan een 3-maandelijks tijdschrift zijn tijd schrijven?”
Het toeleggen op essayistiek (naast het creatieve gedeelte) sluit absoluut niet uit dat herhalende bijdragen (zoals columns, fotoreeksen van schrijvers) geen plaats meer krijgen.

Deze nieuwe koers zou “Ambrozijn” een groter leespubliek geven, vertrekkend van de aandacht die er nu al is.

Maar een aantal zaken kunnen niet anders dan door de redactie worden aangemoedigd:
- Het aanmoedigen van creatief en recensiewerk.
- Het faceliften van lay-out en lettertypes.
- De eigenlijke vorming van een focus (wat is de algemene boodschap en welke is de specifieke boodschap van dit nummer?).
- Het weigeren van artikels die buiten de omschrijving van de (algemene of specifieke) focus vallen.
- Ik vind dat occasioneel ook een artikel over een theaterauteur moet kunnen (theater deelt veel kenmerken met literatuur).
- De redactie moet er op toezien dat er steeds bijdragen zijn die het profiel van het tijdschrift (en zeker bij een themanummer) bevestigen (korte stukken die inspelen op de actualiteit, recensies, mededelingen).

De Ambrozijnprijzen.
De “Internationale Ambrozijnwedstrijden voor poëzie en kortverhaal” krijgen niet de aandacht die ze verdienen. Waarom niet? Enerzijds lijden zij onder hun “aanspreekbaarheid” (schoolgaande kinderen, alle graden, én volwassenen, (te) veel genres, zoals poëzie en kortverhaal) en anderzijds worden zij niet voldoende “opgedrongen” aan de media en de “specifieke pers” (boekenrubrieken, tijdschriften, e-magazines). Ook de proclamatie lijdt onder een “oerdegelijkheid”. Wordt hierdoor saai, voorspelbaar, “een kransje voor hen die zich zedelijk verplicht voelen tot”. Er is - mijns inziens - nood aan entertainment en risicogedrag.

Achteraf.
Ik wil er op de valreep nog aan toevoegen dat indien een herprofilering plaatsvindt (= een aanpassing van koers), die ook wordt gemeld aan de lezer in een kaderstuk.


Thierry Deleu

"Ambrozijn" - 3-maandelijks artistiek tijdschrift - Edgard Storme, Sint-Jacobsstraat 75, B-8900 Ieper

De reeks "Pamflet" bij Querido

Van ongelijke kwaliteit, maar altijd lezenswaard!

De reeks Pamflet*Querido biedt een mooi alternatief voor overhaaste intellectuelen die hun carrière plannen via het devies “time is money”. Voor hen dus op wie een auteur vergeefs rekent om gelezen te worden. Lezen is voor vele carrièristen echter tijdverlies. “Wanneer wij met pensioen zijn, gaan we die tijd wel inhalen,” zeggen ze dan verontschuldigend uit schrik uit de “intellectuele” boot te vallen. Welnu, de Pamflet reeks van Querido geeft die “careermakers” de kans om mee te zijn, om mee te kunnen praten over de dingen des levens, over filosofie, over politiek, over engagement, over dingen die hen niet direct aanbelangen omdat ze er geen winst in zien.

De Vlaamse auteur Monika van Paemel, opgehemeld door de zich opgeilende collega’s als schaamlapje voor hun afkeer van emancipatie en girlpower, zegt het zonder omwegen: “Het is te zot of te bot!” Als het goed gaat in Nederland en Vlaanderen, dan moet alles kunnen, maar zit het ons even wat tegen, dan mag opeens niets meer. Nu de angst regeert, gaan we dus terug naar af: “Weg met dat multiculturele gedoe! Weg met de hoofddoeken!” roepen sommigen. “Het Westen heeft het terrorisme over zichzelf afgeroepen,” schreeuwen anderen.
In Te zot of te bot (1) vraagt Monika van Paemel zich af of we niet eens gewoon met elkaar kunnen omgaan en formuleert ze een etiquette voor de multiculturele samenleving. “Komaan, Lage Landers, waar is het gezonde verstand gebleven?”

Joost Zwagerman (1963) schreef al 25 boeken, waaronder gedichtenbundels, romans en essays. “Ik ben van de leeftijd om veel herinneringen te hebben aan de hoogtijjaren van wat je het linkse chauvinisme kunt noemen,” schrijft hij in De schaamte voor links (2). “In die jaren stond je je erop voor dat je links stemde.” Maar tegenwoordig heerst grote verwarring aan de linkerzijde van het politieke spectrum. Die verwarring komt het pijnlijkst aan het licht bij drie wezenlijke kwesties: het normen-en-waarden-debat, de multicultuur en de uitholling van het onderwijs. In alle drie gevallen heeft links het initiatief voor het debat uit handen gegeven en wordt de agenda bepaald door een gelegenheidsalliantie tussen christenen en neoconservatisten.
Hoe ontstond precies die leegte op links? En: is er een oplossing voor de morele en ideologische crisis en kan links zijn geloofwaardigheid en urgentie herwinnen?
Joost Zwagerman besluit De schaamte voor links met een concrete aanbeveling.

In De afwezigheid van het verleden (3) stelt Marita Mathijsen (hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam) zich de vraag: “Bloeit de belangstelling voor de geschiedenis weer op?” Haar antwoord is kort: “Integendeel!”
De discussie over de canon en het pleidooi voor een nationaal geschiedenismuseum in Nederland zou kunnen wijzen op hernieuwde interesse. Mathijsen constateert dat dit maar valse schijn is. “Onze eigen geschiedenis laat ons Siberisch, hetzelfde geldt voor die van ons landschap en onze gebouwen. De overheid kijkt met een onverschillig mombakkes toe hoe historische straten veranderen in reclamegalerijen. Vlooienmarkten zijn de stille getuigen van onze desinteresse: voor een appel en een ei verpasten we zelfs de fotoalbums van onze grootouders.”

De bekende H. Brandt Corstius schrijft onder verschillende pseudoniemen in kranten en tijdschriften.
De echte vegetariër is niet een idealist die anderen met woord of daad wil overhalen om ook vegetariër te worden. Hij is iemand die geen vlees eet en het niet nodig vindt om dat te verdedigen, te propageren of er trots op te zijn. Geen dier of mens hoeft hem dankbaar te zijn. Hij eet geen vlees omdat hij niet wil dat er een dier vermoord wordt.
Alle redeneringen waarom vlees eten nodig, nuttig of heerlijk is, zijn onzin. H. Brandt (Eetgeenvlees) Corstius hoort de mensen kletsen en slikt hun praatjes net zomin als hij kip of koe slikt.

Tot mijn (aangename) verbazing kom ik Mabel van Oranje tegen in deze reeks. Zij is niet de eerste de beste. En dat ze persoonlijkheid heeft, straalt er zo van af. In 1994 richtte ze in 1994 de “European Action Council for Peace in the Balkans” op. Zij was medeoprichter van War Child Nederland en werd in 1997 directeur van het “Open Society Institute” in Brussel, een organisatie die zich inzet voor democratisering, mensenrechten, onderwijs en vrije media in meer dan zestig landen. Zij is nu International Advocacy Director van dit instituut en woont in Londen.
Het is nog maar enkele decennia geleden dat grote delen van Europa gebukt gingen onder een totalitair regime. Toch lijken we alweer zo gewend aan onze vrijheid dat we ons nauwelijks meer bewust zijn van de waarde en de kwetsbaarheid ervan.
“Het behoud van vrijheid en democratie verdient onze voortdurende aandacht, ook in het vrije Westen,” betoogt Mabel van Oranje, in In vrijheid blijven geloven. “Juist nu populisme en onverdraagzaamheid de politieke agenda in toenemende mate bepalen, is onverschilligheid uit den boze.”

“Het idee van een revolutie is weer bespreekbaar, maar oplossingen voor de wereldproblematiek worden niet overwogen, zelfs niet in de literatuur. Het is de hoogste tijd onze schroom te overwinnen en de schitterende vorm van kritiek, die de utopie is, weer te gaan bedrijven,” betoogt Josien Laurier (1967) in het pamflet Onze stralende toekomst.
Met een aantal onalledaagse voorstellen om de wereld te herscheppen geeft ze een voorzet.

Querido breekt met de Pamfletreeks geen potten, maar het initiatief is lovenswaardig. Het geeft aan de uitgeverij een blijk van visie, durf, een zweem van degelijkheid, verantwoordelijkheid, je zou bijna denken dat Querido nog andere intenties heeft dan louter commerciële. Chapeau!


Thierry Deleu

Monika van Paemel, Te zot of te bot, Querido, 2006, ISBN 90 214 7632 0
Joost Zwagerman, De schaamte voor links, Querido, 2007, ISBN 978 90 214 3340 0
Marita Mathijsen, De afwezigheid van het verleden, Querido, 2007, ISBN 978 90 214 3326 4
H. Brandt Corstius, Eetgeenvlees, Querido, 2006, ISBN 90 214 6355 5
Mabel van Oranje, In vrijheid blijven geloven, Querido, 2007, ISBN 978 90 214 7653 7
Josien Laurier, Onze stralende toekomst, Querido, 2006, ISBN 90 214 7307 9

Thierry's webcolumn

DE EMANCIPATIE VAN DE MAN… NU EVA IS GEËMANCIPEERD?
OF BEN JE HET NOORDEN KWIJT, ADAM?

“Ik weet het niet meer, ik kan er niet meer aan uit, ik ben in de war… wie zegt mij hoe de vork in de steel zit?”
Ik zit bij het ziekbed van “de man”. Hij is niet fysisch ziek, maar het zit tussen zijn oren. Indien de vrouw nog moest worden geëmancipeerd, decennia geleden, ging “de man” er van uit dat hij al geëmancipeerd was. Nu hoort en leest hij overal over “de emancipatie van de man”.
“Bedoelen zij dan de tweede golf, vriend?”
Je zou kunnen stellen dat de vrouw zich heeft ontplooid en dat ze zich opdringt aan de maatschappij. Waarom niet? Wij zijn voor gelijkwaardigheid. Maar de hamvraag luidt: wat betekent deze tweede golf van emancipatie van de man? Waarom nu ineens al die aandacht voor de zorgende en opvoedende man? Is hij nu nog de kostwinner? Is hij nu nog de regelgever? Is hij nu nog de emanatie van het gezag? Of wil de tweede golf gewoon zeggen dat “de nieuwe man” een afspiegeling wordt van de vrouw vooraleer zij werd geëmancipeerd? Ik weet het, het zijn moeilijke vragen, maar onze “zieke man” laat mij niet los. Hij wil genezen en hij wil een antwoord.
Als toegewijde seksegenoot ben ik op zoek gegaan naar een antwoord.
Ook de politiek stelt zich vragen en veel vragen. Het is 25 jaar geleden dat de overheid de emancipatie van de vrouw serieus begon te nemen. In die tijd een belangrijk en nuttig streven. In de loop van de tijd heeft de overheid veel gedaan om de positie van de vrouw te verbeteren. Door scholing en allerlei regelingen kon zij zich maatschappelijk ontplooien. Nu plaatst de politiek ineens de man in de hoofdrol. Of toch de zorgende en opvoedende man. Denk aan de man in het huishouden, de werkende partner, lees de huisman.
Opgelet, maatschappelijk is de huisman nog geen veel voorkomend verschijnsel. De politiek wil daar nu verandering in brengen.
“Wat wil dat zeggen?” vraagt de zieke man bij mijn tweede bezoek.
“Wil dat zeggen dat de man zijn hoge positie in het bedrijfsleven verliest? Wil dat zeggen dat de vrouw bij gelijkwaardig werk nu even veel zal verdienen? Wil dat zeggen dat de man nu korter moet werken? Krijgt hij nu even veel ouderschapsverlof als de moeder?”
Ik moet viermaal met een ja antwoorden. Hij draait zich op zijn zij en wil niet meer praten.
We leven in een tijd dat beide partners werken. In kinderopvang wordt veel geld gestopt. De overheid vindt dat haar bijdrage voldoende groot is. Het gevolg is dat één van de partners volledig de zorg en de opvoeding voor zijn of haar rekening zal moeten nemen.
“Dat was in mijn tijd toch ook zo!” zegt de zieke man bij mijn derde bezoek.
En gelijk heeft hij. Maar nu wil men dat ook de man op dit vlak zijn verantwoordelijkheid neemt. “’t Is toch simpel op te lossen,” zegt de zieke man, “laat de vrouwen thuis en geef hun een flinke haardtoelage en hoog kindergeld.”
Nu begrijp ik welk vlees ik in de kuip heb of beter: aan welke ziekte de zieke man lijdt. Hij lijdt aan een gevaarlijk isme, genaamd “terug naar de vrouw bij de haard”, terug naar de tijd van toen, toen de mannen werkten en cafébezoek tot hobby hadden en de vrouw de baby’s zogen en probeerden rond te komen met wat de man binnenbracht. Onze “zieke man” is gewonnen voor de traditionele rollenverdeling. Hij vergeet daarbij dat daardoor de vrouw op financieel en sociaal gebied erg kwetsbaar was en volledig afhankelijk van de man.
Anderzijds heeft een “gelijke rolverdeling” veel gevolgen. Twee voorbeelden. Enerzijds de “ongelijke” rolverdeling, waarbij de vrouw een 150% fulltime baan heeft (werk en 50% thuis) en anderzijds de “traditionele rolverdeling” waarbij zij ook een parttime baan heeft (thuis 100% en deeltijds werk). Is dat de emancipatie van de vrouw? Ben je pas een geëmancipeerde vrouw als je dubbel hard werkt?
“Wat willen die vrouwen toch?” vraagt de zieke man.
“Zieke man, met alle respect voor je ongemak en je psychisch ziektesymptoom, maar je begrijpt het niet. Emancipatie betekent niets anders dan zich los maken van ongelijke rechten en staat los van de traditionele rolpatronen.”
“Jij bent een fervente feminist, jij!” verwijt mij de zieke man.
“Toch niet, zieke man, ik wil niet per se de traditionele rolpatronen doorbreken. Ik heb het niet over de rol van de vrouw, maar over haar recht!”

Ja, lieve dichteresjes, ik streef met jullie mee voor gelijkgerechtigheid, zelfstandigheid, eerlijker maatschappelijke verhoudingen, maar de vrouw moet vrouw (kunnen) blijven en een goede moeder zijn. Moet zij nu per se streven naar een succesvolle carrière? Moet de man nu per se een huisman worden? Is dat niet een klein beetje te gewaagd feminisme? ’t Is maar een vraagje, hoor!

Thierry Deleu

Christine D’haen bevestigt met "Innisfree"

Christine D’haen bevestigt met Innisfree
haar ongewoon vormbesef!

Christine D’haen (1923) debuteerde als dichter in 1948 en werd bekroond met onder andere de “Anna Bijnsprijs” en de “Prijs der Nederlandse Letteren”. Haar gedichten werden in 2002 verzameld in Miroirs. Daarna verscheen nog de veelgeprezen bundel Mirabilia. Ze schreef een biografie over Guido Gezelle en bundelde 500 gedichten over de vrouw uit de Nederlandstalige literatuur.

Haar werk gaat over Eros en Thanatos, over strijd, geboorte, eeuwigheid, kunst. Ze doet dat in een taal die van lust getuigt, lust tot poëzie. Haar beginwerk deed, naast het barokke van Van de Woestijne, denken aan de moderne dichters Aafjes en Achterberg. Met haar latere werk sluit ze meer aan bij Milton, Vondel en Rilke.

Door haar sterk gemaniëreerde verzen neemt zij een vrij geïsoleerde plaats in bij de Nederlandse poëzie. Zij staat daar tussen neoclassicisme en experiment. Bovendien onderscheidt ze zich van de meeste andere dichters door de intellectuele en culturele achtergrond van haar werk.

D’haen geeft blijk van een ongewoon vormbesef. Of zij nu korte haiku-achtige maangedichten schrijft of in lange ademloze regels een tuin tot leven wekt, haar beheersing van vrije en gebonden verzen, van ritme en metriek, van rijmschema en strofebouw is weergaloos. In een tijd waarin de vormeloosheid van vele experimentele gedichten of van veel parlando poëzie, is het haar verdienste geweest een dichtkunst van verheven formaat weer in ere te hebben hersteld.

In Bérénice (25 grafgedichten – Brokaat, 1998) schrijft ze: “Wij schrijven gedichten omdat we in gedichten dezelfde liefdesverenigingen kunnen bewerken als met ons lichaam: paringen van klanken, versmeltingen, verleidingen, distanties en hevige toenaderingen, terughouding en overgave, geheime uitstallingen van verboden objecten: la poésie fait tout et plus que tout.”

Proza en poëzie liggen bij Christine D’haen in elkaars verlengde. Haar proza verheldert haar poëzie door commentaar en achtergrond die het levert, terwijl haar poëzie de stijl van haar proza benadert. Beide zijn tegelijk argeloos en verheven, banaal en bizar, lyrisch en zakelijk, open en gesloten, hommage en afrekening, lofdicht en elegie.

“I will arise and go now, and go to Innisfree”, dichtte W.B. Yeats in 1892. Christine D’haen gebruikt de naam van het Ierse eilandje voor een bundel vol klassieke poëzie. Zij liet zich inspireren door Ezra Pound, James Joyce, Geoffrey Chaucer, William Wordsworth, Dylan Thomas en John Donne.

In Innisfree schetst D’haen opnieuw een complete denk- en gevoelswereld. Haar - soms irreële - beelden geven vorm aan de diepste menselijke verlangens. Religie en verbeelding zijn daarbij haar favoriete werktuigen. Ook in het gedicht “De weg”. De juiste weg is Boeddha, de verlichting, het zich wenden tot de wereld om hulp. Het tweede wordt uitgedrukt in Genesis, de schepping.

De weg

Onder de Boom van de verlichting zat
Siddhărta, toen de schande ontsluierd was
van ouderdom, van ziekte, en van dood.

Ătman zag hij, elk mens voorbij; het Licht
ging schemeren in een ledig vergezicht,
een glimlach lichaamloos achter het Rad.

Maar daar zij licht, daar weze hemel, zee,
licht dag, nacht duister, aarde, spruitend gras,
bomen met zaad, tot bakens lichten groot
en kleine, wemelende zielen, paarsgewijs,
vogels gevleugeld, kruipend dier, wild, vee.
En al het kruid zij man en vrouw tot spijs.
In ’t zweet uws aanschijns eet gij brood.

(p. 8)

Ook in Innisfree getuigt haar poëzie van een ongewone eruditie, een groot poëzietechnisch vernuft, een enorme taalrijkdom en een vrouwelijke verbeeldingskracht van een ongeziene zinnelijke en zintuiglijke geladenheid.

Soms stoort mij de koppigheid waarmee zij sterk afwijkt van het gewone taalgebruik. Haar cerebrale poëzie maakt het lezen niet gemakkelijker. Vandaar dat haar bundels aantekeningen bevatten die een toelichting geven op de inhoud van de gedichten. Ik bedoel hier niets negatief. Bovendien: indien je haar echt wilt begrijpen, dan ontvouwt zich zeker de sterke geladenheid van haar poëzie.

Opvallend is ook de inbreng van andere teksten, van schrijvers en andere personages. In Innisfree zijn dit onder andere Ezra Pound, James Thomson, Ariosto, Edmund Spenser, Geoffrey Chaucer, Robert Browning, James Joyce, John Donne, Thomas Gray, William Blake, Edward FitzGerald. Haar poëzie gedijt - soms tot ergeren toe - in de stroom van de klassieke literatuur, haar gedichten lijken soms te veel op poëtische cultuurgeschiedenis.

Eén van de mooiste gedichten lijkt mij toch het vierde gedicht van “Out of key”:


De roos ontplooit haar onvolprezenheid,
geniet zich spiegelend, zij ziet haar tijd.
Haar matte schoonheid schouwt smetloos de maan.
Het water maakt zijn rimpel langzaam, klaar.
De zon zijn vlam verzacht, zijn macht is mild.
De regen trilt aan ’t oor bij drop op drop.
Ademt de mens vervoerd in prachtige storm,
hij begeleidt de reis met schuchtere moed,
de dichter zeilt Atlantis tegemoet.

(p. 15)

Met Innisfree schreef Christine D’haen opnieuw knappe, met uiterste zorg geformuleerde gedichten, heel compacte poëzie, met veel informatie.

Thierry Deleu

Christine D’haen, Innisfree, Amsterdam/Antwerpen, Em. Querido’s Uitgeverij BV, 2007, ISBN 978 90 214 5656 0