Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans
Stichtingsdatum: 1 februari 2007
"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"
"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.
Stichtingsdatum: 1 februari 2007
"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"
"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.
31 maart 2008
Oostduinkerkse brieven - 7
Beste vriend,
Ik heb (de voorpublicatie van) je essay Zot van boeken - zoals je kon vaststellen – grondig gelezen. Mijn mening blijft onveranderd: interessante kopij voor geïnteresseerden. Normaliter zullen dit verwante boekengekken zijn, soulmates.
Ik bewonder de wijze waarop jij je fascinatie voor het boek verwoordt. Maar - en dit is zo, hoor -: een essay (het woord zegt het zelf) is een poging. En die kun je inwisselen voor andere pogingen.
Dat je vanuit een obsessie schrijft, blijkt uit de vele ietwat pathetische bekentenissen. Je dissecteert je bizarre leeservaring tot een aantal trefwoorden en citaten. En ik voel herkenning, toeval, verbeelding, taal, spanning. Maar vind je ook niet - achteraf en nog te repareren - dat je te veel uitsmijters uit je pen tovert?
Soit, ik wens je een (alternatieve) uitgever! Van harte!
Beste vriend, een mens (en zeker in mijn geval) vraagt zich al eens af wat een “echte” dichter is. Kamp ik met een gigantisch imagoprobleem? Zijn mijn gedichten bestemd voor depressieve neuroten? Pubermeisjes? Naar liefde smachtende vrouwen? Schrikt mijn poëzie de mensen af? Of tout court: leest het volk geen poëzie? Choreografen, muzikanten en theatermakers vind je bij trosjes in culturele centra. Maar een dichter?
Wat is er bijzonder aan poëzie? Aan de dichter? Aan mij? Een eerste opvallend - en eeuwigdurend - schrijnend fenomeen is dat “Gedichtendag” duizenden mensen op de been brengt, maar dat een individuele bundel niet verkocht raakt. Wat hapert er aan de (individuele) dichter? Wanneer hij of zij optreedt als circusartiest en zich clownesk gedraagt, wordt hij geprezen. Ik doe dan ook een oproep tot reflectie!
In “Westkust magazine XL” (duizenden ex.) staat op blz. 42 een gesprek met mij onder de titel “Plezier en geen kwaad geweten. Voilà: da’s de reden waarom ik schrijf” - “Oostduinkerkse auteur Thierry Deleu legt laatste hand aan politieroman”. Ik citeer: “Ik zocht een bezigheid die mij kon plezieren en die mij geen kwaad geweten bezorgde (zegde Thierry Deleu). Schrijven is voor Deleu een levensbehoefte die hem vele aangename uren bezorgt, en die niet in dienst staat van een hogere roeping. ‘Ik ben als schrijver geen wereldverbeteraar!”
Bij het paginagroot artikel staat een foto van mij in een bibliotheek in de Tarn en de cover van Magisch alfabet. Word je niet gelezen, dan ben je toch een BH en een BO! Wanneer word ik een BV?
De begrafenisplechtigheid van Hugo op TV gevolgd, mooi, ingetogen, mooie speeches, jammer dat Mortier het nog eens over Claus’ euthanasie moest hebben en de kardinaal een veeg uit de pan gaf. Och god toch, laat de mensen in vrede leven, heb respect voor andermans mening en schiet niet met los kruid op alles dat beweegt en op iedereen die anders denkt of anders handelt.
Meer en meer ben ik er van overtuigd dat tijdens de oorlogsjaren de moeder van Hugo op de ERLA werkte toen ook mijn vader aldaar aan de slag was.
In Het verdriet van België is Constance Bossuyt de mama van Louis Seynaeve. Constance Bossuyt is volgens mij Germaine Vanderlinden en Louis is Hugo Claus.
Enkele fragmenten uit het boek:
“Als de mis uit is, beginnen ze dan al te werken, aan de overkant, in de ERLA?”
“Dat hangt er van af hoe laat de mis gedaan is. Soms staat er al wat volk aan de poort.”
“Welk volk?”
“Het werkvolk. De bedienden komen later. Zoals Mama. Om halfnegen.”
(blz. 406)
“Dan telefoneert hij (Herr Lausengier) naar de pastoor van het dorp van de betrokkene om te weten te komen of het geen bedriegerij is en of de familie gunstig aangeschreven staat in de parochie, want ge weet nooit, mensen zijn in oorlogstijd slim en slecht. Dan, om elf uur, is er audiëntie en ontvangt hij de meestergasten. Het middagmal wordt in gezelschap van Frau Seynaeve gebruikt, een eitje, vis, vlees, tafelbier en als er geen klachten zijn van de Kommandantur een half flesje Bordeaux…”
(blz. 419)
“Herein,” zei Mama’s opgewekte stem. Zij sprong achter haar schrijfmachine vandaan, in een zelfde warrelende beweging schikte zij haar haar, drukte haar peuk uit en stak haar hand uit alsof zij, voor het eerst in hun leven samen, Louis’ hand wou drukken, maar zij aaide over zijn wang. (Zij speelde voor moeder opdat een witharige dunne dame die met een paperclip tussen de lippen aan een kleiner bureau zat het kon zien.)
(blz. 423)
“Henny,” zei Mama. De Doktor liet het goud in zijn mond zien. Hij had uitzonderlijk brede polsen, met gouden krulletjes…
“Hij zal het wel schaffen,” zei hij alsof Louis er niet bijstond, en groette een smalle jongeman in een gerafeld pak die binnengekomen was zonder kloppen…(blz. 425)
“Goed. Dan zeg ik (Louis): distractie. Het is normaal dat zij wat distractie zoekt, zij moet toch hard werken, of niet soms? Ik ben er geweest en ik heb het gezien, zij is de hele tijd in de weer, facturen hier, correspondentie daar. Zij is daar gaarne gezien, zij noemen haar zelfs de ‘Madonna van de ERLA’. Omdat ze de gekwetste frezers of lassers verzorgt in de infirmerie.”
(blz. 432)
“… Wetens en willens wilt ge niet zien dat uw vrouw op de bureaus van de ERLA…”“Zeg verder, Louis.”
“Dat ze daar het slachtoffer en de slaaf is van haar driften. (Ging hij te ver? Zijn vader knikkebolde maar bleef luisteren.) “Gij kent haar toch beter dan ik, gij weet hoe zij is. En dat ge dat toelaat, dat moet ge zelf weten…”
(blz. 434)
Hij (Louis) kreeg een glas aangeboden door een ERLA-jongmens dat zei dat zijn moeder opbloeide als een bloem…
(blz. 440)
“Ja, trek nog en beetje partij voor haar.’ ...
“Zij wil niet bekennen, maar ze moet niet bekennen, want het is algemeen geweten in de ERLA, in heel Walle! Zij is gezien! Zij is gehoord! Weet gij hoe hij haar noemt?”
“Nee.” (Niet: Wie?)
“Flämmchen, mein Flämmchen. Alstublieft!”
“Mijn kleine Vlaamse?”
“Maar nee, Louis! Madam is een vlam! Alstublieft!”
(blz. 458)
Opgelet, ik lig er niet wakker van, vriend. Maar zoals ik in mijn vorige brief schreef, lees ik Het verdriet van België nu voor de derde keer. Ik heb de lectuur ervan onderbroken voor jouw Zot van boeken. Omdat je een vriend bent.
Ik hoor zo weinig van je vrouw. Is zij goed bezig? Thuis en op het werk? Ik kijk nog altijd uit naar haar eerste kinderboek, maar ja, enkel als je echt gedreven bent (stout woord?), begin je aan zo’n project.Het is misschien beter zo. Toch voor jou, die zo verkrampt, gejaagd, bezeten, gepassioneerd kunt bezig zijn met… de boeken. Zet eens samen een project op waarin jij de underdog bent, het slaafje van de grote schrijfster. Zou het lukken, denk je? Doe haar de groetjes.
Thierry
Ik heb (de voorpublicatie van) je essay Zot van boeken - zoals je kon vaststellen – grondig gelezen. Mijn mening blijft onveranderd: interessante kopij voor geïnteresseerden. Normaliter zullen dit verwante boekengekken zijn, soulmates.
Ik bewonder de wijze waarop jij je fascinatie voor het boek verwoordt. Maar - en dit is zo, hoor -: een essay (het woord zegt het zelf) is een poging. En die kun je inwisselen voor andere pogingen.
Dat je vanuit een obsessie schrijft, blijkt uit de vele ietwat pathetische bekentenissen. Je dissecteert je bizarre leeservaring tot een aantal trefwoorden en citaten. En ik voel herkenning, toeval, verbeelding, taal, spanning. Maar vind je ook niet - achteraf en nog te repareren - dat je te veel uitsmijters uit je pen tovert?
Soit, ik wens je een (alternatieve) uitgever! Van harte!
Beste vriend, een mens (en zeker in mijn geval) vraagt zich al eens af wat een “echte” dichter is. Kamp ik met een gigantisch imagoprobleem? Zijn mijn gedichten bestemd voor depressieve neuroten? Pubermeisjes? Naar liefde smachtende vrouwen? Schrikt mijn poëzie de mensen af? Of tout court: leest het volk geen poëzie? Choreografen, muzikanten en theatermakers vind je bij trosjes in culturele centra. Maar een dichter?
Wat is er bijzonder aan poëzie? Aan de dichter? Aan mij? Een eerste opvallend - en eeuwigdurend - schrijnend fenomeen is dat “Gedichtendag” duizenden mensen op de been brengt, maar dat een individuele bundel niet verkocht raakt. Wat hapert er aan de (individuele) dichter? Wanneer hij of zij optreedt als circusartiest en zich clownesk gedraagt, wordt hij geprezen. Ik doe dan ook een oproep tot reflectie!
In “Westkust magazine XL” (duizenden ex.) staat op blz. 42 een gesprek met mij onder de titel “Plezier en geen kwaad geweten. Voilà: da’s de reden waarom ik schrijf” - “Oostduinkerkse auteur Thierry Deleu legt laatste hand aan politieroman”. Ik citeer: “Ik zocht een bezigheid die mij kon plezieren en die mij geen kwaad geweten bezorgde (zegde Thierry Deleu). Schrijven is voor Deleu een levensbehoefte die hem vele aangename uren bezorgt, en die niet in dienst staat van een hogere roeping. ‘Ik ben als schrijver geen wereldverbeteraar!”
Bij het paginagroot artikel staat een foto van mij in een bibliotheek in de Tarn en de cover van Magisch alfabet. Word je niet gelezen, dan ben je toch een BH en een BO! Wanneer word ik een BV?
De begrafenisplechtigheid van Hugo op TV gevolgd, mooi, ingetogen, mooie speeches, jammer dat Mortier het nog eens over Claus’ euthanasie moest hebben en de kardinaal een veeg uit de pan gaf. Och god toch, laat de mensen in vrede leven, heb respect voor andermans mening en schiet niet met los kruid op alles dat beweegt en op iedereen die anders denkt of anders handelt.
Meer en meer ben ik er van overtuigd dat tijdens de oorlogsjaren de moeder van Hugo op de ERLA werkte toen ook mijn vader aldaar aan de slag was.
In Het verdriet van België is Constance Bossuyt de mama van Louis Seynaeve. Constance Bossuyt is volgens mij Germaine Vanderlinden en Louis is Hugo Claus.
Enkele fragmenten uit het boek:
“Als de mis uit is, beginnen ze dan al te werken, aan de overkant, in de ERLA?”
“Dat hangt er van af hoe laat de mis gedaan is. Soms staat er al wat volk aan de poort.”
“Welk volk?”
“Het werkvolk. De bedienden komen later. Zoals Mama. Om halfnegen.”
(blz. 406)
“Dan telefoneert hij (Herr Lausengier) naar de pastoor van het dorp van de betrokkene om te weten te komen of het geen bedriegerij is en of de familie gunstig aangeschreven staat in de parochie, want ge weet nooit, mensen zijn in oorlogstijd slim en slecht. Dan, om elf uur, is er audiëntie en ontvangt hij de meestergasten. Het middagmal wordt in gezelschap van Frau Seynaeve gebruikt, een eitje, vis, vlees, tafelbier en als er geen klachten zijn van de Kommandantur een half flesje Bordeaux…”
(blz. 419)
“Herein,” zei Mama’s opgewekte stem. Zij sprong achter haar schrijfmachine vandaan, in een zelfde warrelende beweging schikte zij haar haar, drukte haar peuk uit en stak haar hand uit alsof zij, voor het eerst in hun leven samen, Louis’ hand wou drukken, maar zij aaide over zijn wang. (Zij speelde voor moeder opdat een witharige dunne dame die met een paperclip tussen de lippen aan een kleiner bureau zat het kon zien.)
(blz. 423)
“Henny,” zei Mama. De Doktor liet het goud in zijn mond zien. Hij had uitzonderlijk brede polsen, met gouden krulletjes…
“Hij zal het wel schaffen,” zei hij alsof Louis er niet bijstond, en groette een smalle jongeman in een gerafeld pak die binnengekomen was zonder kloppen…(blz. 425)
“Goed. Dan zeg ik (Louis): distractie. Het is normaal dat zij wat distractie zoekt, zij moet toch hard werken, of niet soms? Ik ben er geweest en ik heb het gezien, zij is de hele tijd in de weer, facturen hier, correspondentie daar. Zij is daar gaarne gezien, zij noemen haar zelfs de ‘Madonna van de ERLA’. Omdat ze de gekwetste frezers of lassers verzorgt in de infirmerie.”
(blz. 432)
“… Wetens en willens wilt ge niet zien dat uw vrouw op de bureaus van de ERLA…”“Zeg verder, Louis.”
“Dat ze daar het slachtoffer en de slaaf is van haar driften. (Ging hij te ver? Zijn vader knikkebolde maar bleef luisteren.) “Gij kent haar toch beter dan ik, gij weet hoe zij is. En dat ge dat toelaat, dat moet ge zelf weten…”
(blz. 434)
Hij (Louis) kreeg een glas aangeboden door een ERLA-jongmens dat zei dat zijn moeder opbloeide als een bloem…
(blz. 440)
“Ja, trek nog en beetje partij voor haar.’ ...
“Zij wil niet bekennen, maar ze moet niet bekennen, want het is algemeen geweten in de ERLA, in heel Walle! Zij is gezien! Zij is gehoord! Weet gij hoe hij haar noemt?”
“Nee.” (Niet: Wie?)
“Flämmchen, mein Flämmchen. Alstublieft!”
“Mijn kleine Vlaamse?”
“Maar nee, Louis! Madam is een vlam! Alstublieft!”
(blz. 458)
Opgelet, ik lig er niet wakker van, vriend. Maar zoals ik in mijn vorige brief schreef, lees ik Het verdriet van België nu voor de derde keer. Ik heb de lectuur ervan onderbroken voor jouw Zot van boeken. Omdat je een vriend bent.
Ik hoor zo weinig van je vrouw. Is zij goed bezig? Thuis en op het werk? Ik kijk nog altijd uit naar haar eerste kinderboek, maar ja, enkel als je echt gedreven bent (stout woord?), begin je aan zo’n project.Het is misschien beter zo. Toch voor jou, die zo verkrampt, gejaagd, bezeten, gepassioneerd kunt bezig zijn met… de boeken. Zet eens samen een project op waarin jij de underdog bent, het slaafje van de grote schrijfster. Zou het lukken, denk je? Doe haar de groetjes.
Thierry
"OpSpraak magazine" nr. 36 is uit!

Het nieuwste nummer van OpSpraak magazine is uit!
Het literair blad, dat driemaal per jaar uitkomt, richt zich op schrijvers in het Nederlandstalig gebied. Al 12 jaar biedt OpSpraak magazine schrijvers en dichters ruimte om hun werk te publiceren. Daarnaast heeft het blad een aantal vaste rubrieken en is er met OpVolger een steeds wisselende gastcolumnist in huis.
In het laatste nummer van OpSpraak magazine is een interview te lezen met Frans Mouws, die in de voetsporen treedt van Boudewijn Büch. Eric van Loo schrijft over de relatie tussen popmuziek en poëzie. Poëzie en oorlog komt aan bod en Thierry Deleu schrijft in de rubriek OpusFlamingi over het nieuw-realisme in de Vlaamse poëzie.
Losse nummers van OpSpraak magazine zijn te bestellen via internet: info@opspraak.net. Een abonnement is ook mogelijk. OpSpraak magazine is een uitgave van BeeldSpraak. Meer informatie: www.opspraak.net.
(Meegedeeld)
30 maart 2008
Geschikt indien getikt! - 10
De scheiding tussen religie en politiek en het feit dat de politieke krijtlijnen niet meer getrokken worden op basis van een geloofsovertuiging is nu een algemeen aanvaard principe. Het stoelt op de onmogelijkheid de staat tegelijkertijd te doen gehoorzamen aan twee verschillende bronnen van gezag: het wereldlijke en het kerkelijke. De scheiding tussen religie en politiek betekent echter niet dat er geen kerkelijk gezag kan bestaan. Deze scheiding houdt enkel in dat de staat neutraal moet zijn ten opzichte van wie wel en niet gelovig zijn. Deze scheiding tussen religie en politiek houdt geen antiklerikalisme in, m.a.w. geen overdracht aan de staat of aan een ander wereldlijk gezag van het monopolie in het denken. De scheiding tussen religie en politiek houdt integendeel in dat de overheid garant staat voor het pluralisme, zowel op het vlak van de religieuze beleving en het onderwijs als op dat van de benadering van de ethische vraagstukken.
De wetgeving (strafrecht, burgerlijk recht) moet de weerslag of de vertaling zijn van de grote waarden en van de overeenstemmende elementaire rechten en vrijheden zoals die sinds eeuwen zijn geëvolueerd en met onze samenleving vergroeid. De wetgeving moet de langzame ontwikkeling volgen, die zich in de gemeenschap voordoet. Ze mag er niet op vooruit lopen en evenmin nahinken. Een aanpassing van de wetgeving aan de zich wijzigende opvattingen moet steeds behoedzaam gebeuren, m.a.w. slechts nadat men er zich van heeft vergewist dat het overgrote deel van de burgers de nieuwe opvatting beleeft en deelt.
Dit is zeker het geval wanneer het gaat om ethische vraagstukken. Bij de aanpassing van de wetgeving omtrent de ethische kwesties zal elk lid van de wetgevende macht zelf op basis van zijn eigen geweten moeten oordelen in hoeverre de nieuwe wetsbepaling weergeeft wat naar zijn mening in de gemeenschap leeft. Anderzijds mogen ethische vraagstukken, door de staat niet worden bevoordeeld of gepropageerd, in welk onderdeel ook van haar beleid, sociaal of cultureel. De beleving van ethische waarden is dus een strikt persoonlijke zaak, die de overheid in de ene of in de andere richting mag sturen. In zoverre de wetgeving een ethisch of moreel concept behoeft, moet zij altijd zo dicht mogelijk aansluiten bij wat het overgrote deel van de burgers denkt en voelt.
Ook in de opvoeding van onze kinderen, het onderwijs dus, moet de overheid een strikt neutrale houding aannemen. Het hele onderwijs draait vandaag nog altijd rond de belangen van de grote onderwijsnetten. In plaats van deze netten te subsidiëren zou de overheid rechtstreeks de ouders moeten subsidiëren.
Onderwijs is natuurlijk niet “gratis”. Het wordt door iedereen betaald via de belastingen. Het zou veel socialer zijn en heel wat meer kinderen van werklozen en arbeidersgezinnen naar de hogere school of de universiteit halen, indien degenen die over een voldoende inkomen of vermogen beschikken, zelf een deel van de financiële verantwoordelijkheid voor de opleiding van hun kinderen zouden opnemen.
Het beheer over de scholen, vrije of gemeenschapsscholen, moet opnieuw in handen worden gegeven van de inrichtende machten en de ouders. De rol van de onderwijsbureaucratie moet daarbij worden beperkt tot het bepalen en het controleren van de minimale voorwaarden die vereist zijn voor het afleveren van het diploma. Voor het overige moeten de scholen volledig vrij zijn om zelf kunnen beslissen welke types, richtingen of projecten er worden aangeboden.
Joris
De wetgeving (strafrecht, burgerlijk recht) moet de weerslag of de vertaling zijn van de grote waarden en van de overeenstemmende elementaire rechten en vrijheden zoals die sinds eeuwen zijn geëvolueerd en met onze samenleving vergroeid. De wetgeving moet de langzame ontwikkeling volgen, die zich in de gemeenschap voordoet. Ze mag er niet op vooruit lopen en evenmin nahinken. Een aanpassing van de wetgeving aan de zich wijzigende opvattingen moet steeds behoedzaam gebeuren, m.a.w. slechts nadat men er zich van heeft vergewist dat het overgrote deel van de burgers de nieuwe opvatting beleeft en deelt.
Dit is zeker het geval wanneer het gaat om ethische vraagstukken. Bij de aanpassing van de wetgeving omtrent de ethische kwesties zal elk lid van de wetgevende macht zelf op basis van zijn eigen geweten moeten oordelen in hoeverre de nieuwe wetsbepaling weergeeft wat naar zijn mening in de gemeenschap leeft. Anderzijds mogen ethische vraagstukken, door de staat niet worden bevoordeeld of gepropageerd, in welk onderdeel ook van haar beleid, sociaal of cultureel. De beleving van ethische waarden is dus een strikt persoonlijke zaak, die de overheid in de ene of in de andere richting mag sturen. In zoverre de wetgeving een ethisch of moreel concept behoeft, moet zij altijd zo dicht mogelijk aansluiten bij wat het overgrote deel van de burgers denkt en voelt.
Ook in de opvoeding van onze kinderen, het onderwijs dus, moet de overheid een strikt neutrale houding aannemen. Het hele onderwijs draait vandaag nog altijd rond de belangen van de grote onderwijsnetten. In plaats van deze netten te subsidiëren zou de overheid rechtstreeks de ouders moeten subsidiëren.
Onderwijs is natuurlijk niet “gratis”. Het wordt door iedereen betaald via de belastingen. Het zou veel socialer zijn en heel wat meer kinderen van werklozen en arbeidersgezinnen naar de hogere school of de universiteit halen, indien degenen die over een voldoende inkomen of vermogen beschikken, zelf een deel van de financiële verantwoordelijkheid voor de opleiding van hun kinderen zouden opnemen.
Het beheer over de scholen, vrije of gemeenschapsscholen, moet opnieuw in handen worden gegeven van de inrichtende machten en de ouders. De rol van de onderwijsbureaucratie moet daarbij worden beperkt tot het bepalen en het controleren van de minimale voorwaarden die vereist zijn voor het afleveren van het diploma. Voor het overige moeten de scholen volledig vrij zijn om zelf kunnen beslissen welke types, richtingen of projecten er worden aangeboden.
Joris
29 maart 2008
Jan Van Herreweghe, "Zot van boeken!"
De hamvraag:
“Wie is ook zot van boeken? Even gek of gekker?”
Een prachtig essay van een boekengek!
1.
Ben ik Zot van boeken? Lijd ik aan boekengekte, zoals Jan Van Herreweghe? Neen of toch niet op de wijze van de Harelbeekse bibliothecaris. Ik hou op een gezonde manier van boeken. Mijn “gezonde liefde” voor boeken maakt van boeken echter geen boeiende, interessante, intrigerende producten. Ik lees boeken, ik schrijf boeken, ik verzin boeken. Van Herreweghe eet boeken, wat schrijf ik: hij verslindt boeken zowel naar inhoud, vorm, als naar waarde, gewicht, fenomeen. Hij “dissecteert” boeken, hij ruikt boeken om de geur te kunnen beschrijven, hij verkracht boeken om het effect van zijn daad te kunnen omschrijven.
Als sleutel voor zijn essay reikt hij ons dan ook een uitspraak van Max Beerbohn aan: “Ik heb nooit goed begrepen waarom men eerste drukken collectioneert. Het zijn de tweede drukken die zo zeldzaam zijn.”
Het essay is een gewijzigde versie en een selectie uit de brieven die André Vandermoere en Van Herreweghe aan elkaar schreven. Uit hun briefwisseling blijkt ontegensprekelijk dat zij een grote voorliefde koesteren voor het fenomeen “boek” en/of het instituut “literatuur”.
Ongezond? Neen. En toch blijkt dat het overgrote deel van de mensen zonder het lezen van een boek hun leven opsouperen. Voor Van Herreweghe is dat een ontstellende gedachte. “Waarom zet ik mij niet in voor het leed van andere mensen?” vraagt hij zich af. En ik vermoed: velen met hem.
Omdat elke mens natuurlijk anders is. Ondanks alles blijf ik het een vreemde gedachte vinden. De literatuur heeft zich in zijn lijf genesteld. Zij heeft zijn leven geconditioneerd.
De man leest 120 à 150 boeken per jaar. Romans, verhalenbundels, gedichtenbundels, toneelstukken, essays en beschouwingen, biografieën van schrijvers en kunstenaars, prentenboeken, jeugdboeken, brievenboeken, kunstcatalogi, boeken over architectuur, informatieve werken over de Eerste en de Tweede Wereldoorlog... hij leest ze allemaal door elkaar en soms tegelijk. Zot van boeken? Knetterzot! Het is een boekverslaving.
2.
In zijn eerste brief heeft Van Herreweghe het over bibliofilie. Over zijn passie voor boeken. En hij vertelt over zijn leesavonturen: over boekverbranding, een brandende bibliotheek, een brandende boekhandel. Hij vertelt en citeert uit: de romans Balzac en het Chinese naaistertje van Dai Sijie, De schaduw van de wind van Carlos Ruiz Zafón en Het boekenparadijs van Pierre Bourgeade.
Onder alle vormen van boekbedreiging die Büch in Boekenpest opsomt, wordt Van Herreweghe getroffen door een aantal fenomenen, zoals de verschimmelde boeken en het verschijnsel van de sadistische koprofagie en urolagnia. Ook de bibliomanie en de bibliofagie benoemt hij als kwalijke fenomenen. Moeilijke, ongewone termen die om uitleg vragen. En Van Herreweghe verstrekt uitleg, uitgebreid en verhelderend. Maar wie ligt wakker van deze randverschijnselen? De lezer? De recensent? De criticus? De collega-bibliothecaris? Wie is zo prettig gestoord dat hij te weten wil komen welke zwammensoort in boeken huist? Büch? Ja. Van Herreweghe, ja zeker? Wie nog?
Een nevenaspect van de bibliofilie is de bibliomanie of het stelen van boeken. In Een stamboek doet Patrick Modiano het verhaal van het stelen van boeken bij particulieren of uit bibliotheken.
Een bijzondere vorm van bibliomanie betreft koprofagie en urolagnia. Het beschijten en bepissen van boeken is een gangbare methode in bepaalde regimes en doet zich voor ten aanzien van klassenvijandige of reactionaire boekwerken. Tijdens de Culturele Revolutie in China in de jaren zestig werd de methode wel eens toegepast. Het urineren op nazistische geschriften werd in de junidagen van 1945 in Duitsland een aantal keren gerapporteerd. Büch rekent deze voorvallen echter tot de bijzondere psychopathologie.
Bibliofagie is de ergste straf die een boekenmens kan ondergaan. Bibliofagie wordt wel gedefinieerd als “de straf waarbij de auteur van een religieus of politiek verderfelijk geacht boek gedwongen wordt zijn eigen publicatie op te eten, hetgeen vaak de dood tot gevolg heeft”. In zijn opstel Funny Ha-Ha and Funny Peculiar gewaagt Gerrit Komrij van het geval Ernst Toller. Deze toneelauteur werd door de nazi’s verplicht om in gevangenschap één van zijn anti-naziboeken tot de laatste letter op te eten. Tot de bibliofagie worden ook die personen gerekend die echt genieten van een hapklare brok papier.
Bibliolatrie is dan weer “een zodanige voorkeur voor een boek, meestal een religieus of politiek standaardwerk, dat daarnaast geen andere boeken - in ieder geval geen boeken die dat standaardwerk tegenspreken of ter discussie stellen - geduld worden.” Bibliolatrie leidt dan ook tot bibliolythie, de vernietiging van andere boeken en de vervolging van de auteurs daarvan. Een voorbeeld van bibliolatrie ten aanzien van de koran is het vonnis van ayatollah Khomeiny tegen Salman Rushdie, de auteur van De duivelsverzen (1988).
Bibliolythie of biblioklastie is de “zucht tot boekvernietiging buiten de officiële censuur om, betrekking hebbend op staatsgevaarlijk of godsdienstvijandig geachte geschriften.” Gewoonlijk resulteert bibliolythie in georganiseerde boekverbrandingen, zoals in 1933 in nazi-Duitsland, gecombineerd met vervolging en berechting of executie van de auteur.
3.
Het is duidelijk dat Van Herreweghe geobsedeerd is door de bibliofilie en haar nevenaspecten. In zijn tweede brief raast hij verder door over de bibliofilie “en verwante aangelegenheden”. Hij citeert uit Borges’ De muur en de boeken en Het congres.
Ook Fahrenheit 451 van Ray Bradbury kruist het pad van onderzoeker Jan Van Herreweghe. 451° is de ontbrandingstemperatuur van papier, de materie waaruit boeken bestaan. In dit sciencefictionverhaal verbannen de autoriteiten alle boeken, zogezegd om twijfel, onrust of tweedracht in de kiem te smoren. Maar eigenlijk gaat het om een grootschalige hersenspoeling van de bevolking. De brandweerkorpsen rukken niet meer uit om branden te blussen, wel om illegale boekenverzamelingen op te sporen en te verbranden. Waarom? “Daarom! Een boek is een geladen geweer in het huis van je buurman. Verbrand het. Haal de kogels uit het wapen. Sla een bres in de menselijke geest. Wie weet wie niet het doelwit zou kunnen worden van een belezen mens!”
Een verschijnsel in de rand van de bibliofilie die Van Herreweghe nog niet besprak is de bibliotherapie. De verzamelnaam voor allerlei vormen van creatieve therapie waarbij teksten een rol spelen bij de behandeling van psychische of psychosomatische klachten. Bibliotherapie is een interactief proces d.w.z. een proces van wederzijdse beïnvloeding, een dynamische wisselwerking tussen de persoonlijkheid van de lezer en de literatuur die rijk is aan verbeeldingskracht. Zowel individuele als groepsbibliotherapie is mogelijk. Het toepassen van bibliotherapie moet uiteindelijk resulteren in een verbeterd zelfvertrouwen van de patiënt; het helpen doorgronden van de drijfveren van mensen in een gegeven situatie (inclusief de eigen situatie van de patiënt); assimilatie van aangepaste psychologische en sociale waarden zowel in karakter als in gedrag van de deelnemers; een verbeterde en meer spontane dialoog met de hulpverleners.
Terecht merkt de auteur op dat hij als bibliothecaris heeft ervaren dat bibliotherapie vooral door ouders wordt toegepast om hun kinderen doorheen het verdriet te helpen bij het overlijden van een (groot)ouder, de dood van een broer of zus of om het genezingsproces van een ziekte begrijpbaar te maken. Ook het verwerken van een verkeersongeval, angstsyndromen of een traumatisch voorval op school (aanhoudende pesterijen) kunnen bij middel van boeken enig soelaas bieden. Voor volwassenen zou ik veeleer kiezen voor de poëzie.
Ik vraag mij af of er voor de auteur geen therapie bestaat om van boeken te genezen.
Van Herreweghe verheelt het niet dat de boekendood, het weze een dood door boeken, of een dood met een boek in de handen hem bijzonder fascineert. Voor hem schuilt hierin een zekere heroïek, een daad van heldhaftigheid, een vermetele escapade van een jongensachtige baldadigheid.
4.
Klaas Huizing schrijft terecht: “De bibliomanie is de bijzit van de getrouwde boekengek.” Ik noem het een manie met een belachelijke én een gevaarlijke kant.
Wanneer de auteur “uit de biecht” spreekt, is hij uitermate cynisch. Misschien zou dit gevoel meer mogen overheersen in zijn essay. Wanneer hij zijn vrouw meedeelt dat hij op onderzoek wil uitgaan over het “bestaan” van “Verzonnen Bibliotheken” of “Fictieve Boekenkasten”, blijkt zij uitermate geïnteresseerd. Hij bekent oormoedig: “Nooit eerder bleek zij zo geboeid door dit exuberant aspect van bibliofilie. Ik ben getrouwd met een laconieke, cynische en hardvochtige vrouw. En zeggen dat ook zij in een echte bibliotheek werkt!”
Hij overdondert haar met de Stem uit een volk van wilden van de Amerikaanse schrijfster Bette Pesetsky waarin een freelance ghostwriter op bestelling boeken schrijft. Dat levert haar na een tijd een veelzijdig oeuvre op, gaande van romans en autobiografieën tot wetenschappelijke verhandelingen. Weliswaar is haar oeuvre onzichtbaar, vermits de cover van die boeken steeds een andere naam draagt. Voor het publiek blijft zij dus anoniem. Maar op een slinkse wijze weet ze het telkens weer zo te regelen dat ze in elk boek haar moeder en haar tante ten tonele voert. Als een soort eigendomskenmerk.
Wanneer de freelance ghostwriter echter verneemt dat één van haar boeken die zij schreef in opdracht van Dr Quayle, in de running is voor de Nobelprijs, besluit ze dit toonbeeld van mannelijke bluf te chanteren. Op een bepaald moment zoekt de spookschrijfster haar psychiater op en bekent dat ze in staat is om een misdaad te plegen.
Van Herreweghe wijdt zijn vrouw in Die geheime Bibliothek in, een verhaal van nauwelijks twee bladzijden, waarin de Duitse auteur Günter Kunert vertelt over een bibliotheek die bestaat uit niet uitgegeven boeken. Bovendien zijn het absolute meesterwerken. Op een gegeven ogenblik komt de bezoeker tot de vaststelling dat hij niet meer alleen is in zijn eigen bibliotheek. Hij slaat in paniek.
Van Herreweghe noemt nog meer voorbeelden op van “onbestaande” bibliotheken. Als bibliothecaris ervaart hij hoe belangrijk het is dat hij zich kan terugtrekken in zijn eigen zichtbare en tastbare bibliotheek
5.
Eén van de kenmerken van een bibliomaan is het feit dat hij quasi zonder overleg koopt en dat er van keuze soms zo goed als geen sprake is. Bibliomanen vindt men zowel onder de kopers van zeldzame boeken (die dan gekocht worden omwille van hun zeldzaamheid) als onder kopers van het gewone boek.
Van Herreweghe kent meerdere personen die over een bibliotheek beschikken die nijd en afgunst opwekt. Collecties van vijfduizend en meer boeken. Voor de Harelbeekse bibliothecaris is het afbakenen en beheersen van het verzamelgebied is de enige wijze waarop het egocentrische karakter van het verzamelen in overeenstemming gebracht kan worden met het sociale verschijnsel dat literatuur nu eenmaal is en moet zijn. Een nieuw boek betekent in de collectie van de bibliomaan een nieuwe bijdrage aan die sociale functie.
Ook nu weer blijft Van Herreweghe voorbeelden spuwen van boekendood en bibliogafie. De auteur is effenaf bezeten door het onderwerp dat hij opsmukt - of moet ik schrijven: aandikt? - met talloze voorbeelden. Dit is zijn manier om de lezer boven water te houden. Of hij hierin slaagt, is een dubbeltje op zijn kant: enerzijds zal hij de “obsédés” een overweldigend plezier doen (een boost bezorgen of een erectie opwekken) en anderzijds zal hij de gewone lezer - hij of zij die ordinair een boek leest - afschrikken door het superflu en de reflux van informatie.
Het essay leidt tot onverwachte uitwassen. Buitensporigheden en fantasma's. Van Herreweghe is zo verdiept in zijn bezigheid dat hij zich niet meer bekommert om het incasseringsvermogen van zijn lezers. Ik stel vast dat hij zich opboeit en - wat erger is - een deel van zijn lezers verliest. Lezers die afhaken omdat zij op hun honger worden gelaten: “Komt er nog iets anders dan het opnieuw aandraven met voorbeelden uit boeken en andere bronnen? Waar blijven de nieuwe items, de wauws, de surprises?
De talrijke voorbeelden zorgen voor een indigestie. Wat begonnen was als de smaak van zachtzoete drop, wekt op den duur enige walging op.
En ineens - joepie! - vindt de bibliothecaris zijn zin voor realiteit en initiatief weer. Zo heb ik hem jaren geleden leren kennen: een bezige bij zonder zittend gat, altijd aan het gonzen, aan het bevruchten: hij organiseerde Harelbeke vanuit zijn bibliotheek en speelde zelfs mee in een kazoo-ensemble. Toen stak hij zijn neus niet zo diep in de boeken dat hij alleen de geur onthield en de schizofrene wereld achter het boek.
Vandaag wil hij een festival organiseren naar het voorbeeld van het Amerikaanse Edible Books Festival. Hij zal daartoe alle collega’s via een nieuwsbrief of mail op de hoogte brengen.
6.
Tot mijn verbazing lees ik dat hij het “nodiger vindt de mensen te bestuderen dan de boeken." Voldoet dit essay aan deze gedachte? Of interpreteert hij de uitspraak van François La Rochefoucauld op een (dan wel erg) eigen wijze?
Op zijn bizarre reis door Boekenland, Bookanje, Boekanistan, Liberië, Libraritanië en Bibliothekastenije is de hoofdstad Bibliophilia de meest merkwaardige plek die hij heeft bezocht. De stad heeft een statuut van Vrijstaat. De boeken zijn er koning, de verzamelaars keizer, de schrijvers lakeien van het woord, de lezers ordinaire onderdanen. Verder is de stad bevolkt met een amalgaam van mensen die op een of andere manier iets met het boek te maken hebben. En dan is er nog de zonderlinge figuur van een bibliothecaris die in Bibliophilia ronddoolt en daar het grootste genoegen aan beleeft. Dit is een eerlijke bekentenis, dit is - wat men noemt - zich outen zonder schroom en vrees. En meteen geeft hij aan waarin hij zich verder zal verdiepen: “In mijn vorige brieven gaf ik reeds uiting aan een aantal fenomenen: vernieling door brand, doelbewuste vernielingen door oorlogsomstandigheden, ongedierte dat het papier aantast enz. De geschiedenis in het algemeen en de geschiedenis van het boekwezen in het bijzonder, leert ons dat de mens nooit uit zijn fouten heeft geleerd. Van oudsher hebben tirannen en dictators, fascisten, politici, geestelijke en wereldlijke leiders... zich niet onbetuigd gelaten om het vuur aan de lont te steken om kwaadaardige geschriften in vlammen te laten opgaan. Boekverbranding is een door machthebbers ingevoerd ritueel dat perfect inspeelt op de primaire behoeften en onlusten van de mens. Het is koelbloedig gestileerde woede.”
Hier moest de essayist Van Herreweghe stoppen. Dat was een mooi sluitstuk. Wat niet wil zeggen dat hij hier de boeken dicht moet doen, maar wel dat hij met nieuwe dingen op de proppen moet komen. En wat volgt? Nieuwe boekverbrandingen die - inderdaad - appelleren aan botte en primitieve emoties, onderliggende xenofobie, atavistische verlangens en de behoefte aan een uitlaat voor sociale en economische onlusten door het scheppen van zondebokken en hun creaties: de boeken.
7.
In de vijfentwintigste zang van het eerste deel - de hel - van De Goddelijke Komedie van Dante Alighieri staat een merkwaardige passage. Ik citeer: “Zo stijgt er door ’t papier, aleer de hitte/het vlammen doet, een donkere kleur naar boven/(schoon nog geen zwart) terwijl dan ’t wit verdoezelt.”
Tussen het witte blad en de zwarte letters bevindt zich dus een tussengebied, een moment, een plek, een kleur die immer veranderlijk is. In dat intertekstueel tussenvlak moeten schrijvers en lezers verlichting kunnen vinden, net voor de betekenis van de woorden in vlammen opgaat. Ik ben het hier volkomen mee eens.
Wat een “verademing” - al vrees ik dat de lezer weer ritsen voorbeelden zal moeten verorberen - wanneer onze Harelbeekse bibliothecaris verklaart dat hij “inmiddels alweer een aantal andere bijzondere eigenaardigheden in verband met boeken op het spoor is gekomen” en dat hij “nog een aantal vondsten gedaan heeft in verband met eerder besproken thema’s.”
En de lezer wordt niet ontgoocheld: “In zijn standaardwerk The Anatomy of Bibliomania wijdt Holbrook Jackson enkele bladzijden aan een zeer bizarre vorm van bibliomanie, met name het veroveren van een boek dat gebonden is in mensenhuid. In vergelijking met dierenhuiden zou het looien van een mensenhuid geen specifieke problemen opleveren voor de vakman. Het enige ongemak dat vermeld wordt, betreft het verwijderen van de haarstoppels.”
Of het een gewoonte werd om mensenhuid te gebruiken als materiaal om boeken in te binden, blijft een duister verhaal. In theorie mag de mogelijkheid dan wel bestaan, veel van de overgeleverde verhalen berusten op verzinsels en moeten tot het rijk van de boekenmythologie worden gerekend. Ed Schilders wijdt er in zijn boek Vergeten boeken: literaire curiosa en rariora, boekenvrienden en bibliomanen een mooi hoofdstuk aan.
8.
De vrouw van Jan Van Herreweghe - een lieve dame, schroomvallig, gereserveerd, voorzichtig - koestert een grote bewondering voor de Franse schrijver Joseph Joubert (1754-1824). Joubert schreef weinig en publiceerde niets tijdens zijn leven. Het enige wat hij deed was zijn gedachten voor zichzelf neerpennen. Zijn aantekeningen waren vooral reflecties over uiteenlopende zaken zoals de natuur van het menselijk wezen, het literaire bedrijf enz. Ook zijn bibliotheek was een unicum. Joubert bewaarde alleen maar boeken waarvan hij hield. In dat kleine aanbod distilleerde hij dan nog eens de bladzijden die hem het meest dierbaar waren. De nog resterende pagina’s scheurde hij uit de boeken en smeet ze in het vuur.
De Vlaamse schrijver Dimitri Verhulst schreef in 2005 een bijzonder geestig verhaal over bibliokleptomanie. In zijn eigengereide schrijfstijl ironiseert hij in zijn verhaal Boekendiefstal is een zegen voor de middenstand het vak van boekendief.
En onze bibliothecaris heeft zijn huiswerk met uiterste toewijding verricht: hij vond een geval van péladanomanie. Deze terminologie duidt op een overtreffende trap van bibliofilie. Voor een goed begrip: het woord staat in geen enkel woordenboek maar bestaat dus wel degelijk. Deze “ziekte” overvalt een zekere Bo Van Dorselaer, het hoofdpersonage van de roman De veilingmeester van Walter van den Broeck, een ware bibliothriller voor verzamelaars en boekenliefhebbers.
De jonge veilingmeester Bo Van Dorselaer moet het volledige interieur van een Brussels huis veilen. Bij het inventariseren van de inboedel treft hij in een verborgen nis een kast aan met 250 exemplaren van hetzelfde boek, met name De troonopvolgster van Walda Van den Brogel. Hij raakt gefascineerd, beter: geobsedeerd, door het boek en wil koste wat het wil de overige exemplaren in handen krijgen. Aanvankelijk weet hij snel een aantal exemplaren te vinden, maar gaandeweg zijn zoektocht stuit hij op een mysterieuze concurrent die de prijs van de laatst overgebleven exemplaren de hoogte injaagt.
Veilingmeester Albert Van Orshaeghen, de schoonvader van Bo Van Dorselaer, zegt: “Geen grotere kleptomanen dan bibliofielen.” Dat kan tellen!
De verzamelwoede van Van Dorselaer benoemt Van den Broeck met de terminologie péladanomanie, een overtreffende trap van bibliofilie. De bibliofilie is al een beladen woord, wat moet péladanomanie dan wel niet zijn? Na enig onderzoek kwam Van Herreweghe te weten dat péladanomanie een pathologische verzamelwoede is van boeken en parafernalia, en dit met betrekking tot de Péladan-dynastie en dan nog meer specifiek met betrekking tot Joséphin Péladan.
Joséphin Péladan werd op 28 maart 1858 geboren te Lyon als Joseph-Aymé Péladan. Hij was schrijver en profileerde zich als Rozenkruiser. Op jonge leeftijd kiest hij voor het pseudoniem Sâr Merodak Péladan, refererend aan Marduk, de Babylonische oppergod.
De lijst van zijn romans is indrukwekkend. Joséphin Péladan gebruikte doelbewust een moeilijke taal. Enerzijds koketteerde hij met zijn eruditie, anderzijds speelde hij een spel met neologismen. Dit moeilijk taalgebruik is er mede de oorzaak van dat zijn boeken nauwelijks vertaald werden. Hij overleed te Neuilly-sur-Seine op 27 juni 1918 ten gevolge van een vergiftigingsdood.
Eén van zijn biografen, René-Louis Doyon, maakte destijds een inventaris van het Péladanarchief in de Bibliothèque de l’Arsenal te Parijs. Hij trof er 445 onuitgegeven manuscripten, 820 documenten en 26.881 beschreven vellen papier aan.
De Péladancultus ontstond pas na zijn dood en leverde meer verzamelaars dan lezers op. Péladanverzamelaars houden er een privé-museum op na waarbij ze bepaalde titels in alle verschillende edities en op alle verschillende soorten papier verzamelen. Op veilingen worden deze werken en alle bijhorende persoonlijke bezittingen van de schrijver verhandeld voor prijzen die buiten het bereik liggen van de gewone lezer. Typisch is ook dat de boeken van Péladan slechts in een beperkte oplage werden gedrukt. Men spreekt van 300 tot 350 exemplaren. Door die beperkte oplage creëert de verzamelaar zijn eigen schaarste en drijft hij met die schaarste de prijs van de nog resterende exemplaren op.
9.
Van Herreweghe krijgt er maar niet genoeg van: hij brengt nog eens zes (rand)gevallen van bibliofagie aan. De lezer wordt letterlijk bedolven onder de ziekten die van ver en dichterbij iets met boeken te maken hebben.
Neen, ik gooi dit essay niet uit de (uitgevers)markt, helemaal niet, maar ik benadruk nog maar eens dat specialismen ook een speciale en dus heel enge doelgroep aanspreken en/of beroeren.
Verzonnen bibliotheken? Wat de lezer interesseert is de functie van de verzonnen bibliotheek. Ik kom het niet te weten. De correspondentie tussen Van Herreweghe en zijn vriend André vertoont bizarre trekjes. De eerste vraagt zich dan ook terecht af: “In welk stadium van de verslaving ben ik beland?” Hij vindt troost in het feit dat hij zijn “boekengekte met de andere kan delen.” Ik hoop dat beiden hun briefwisseling kunnen delen met nog een paar verslaafden. Indien Van Herreweghe dit kan bewijzen, kan hij misschien een uitgever enthousiasmeren. “Wie is uw doelgroep, mijnheer? Hoeveel exemplaren kunt u zelf afnemen? Tegen kostprijs.” Maar ik heb mijn twijfels. Is het boek niet goed genoeg? Heel zeker, het is goed geschreven, sterk gedocumenteerd, met af en toe verrassende oprispingen en ongekende nieuwtjes, maar het sleept zich te lang over een zelfde draagvlak naar het einde. En Van Herreweghe besefte dit en laste heel wat verhaaltjes in uit evenveel boeken om zo de interesse gaande te houden.
10.
In zijn vijfde lezing omtrent de bibliofilie wordt het mij echt te veel, maar ja, ik ben nu eenmaal niet verslaafd en ik ben nu eenmaal niet geïnteresseerd in boekenziekten. (Ook in andere niet.) En wij delen ook niet dezelfde slechte gewoonten. Ik herlees wel eens een boek. Hij heeft er een absolute hekel aan. Omdat vrienden hem telkens weer op De naam van de roos van Umberto Eco wezen, maakte Van Herreweghe een uitzondering.
Het boek verscheen voor het eerst in Italië, in 1980, onder de titel Il nome della Rosa. Het boek werd vervolgens in 1986 succesvol verfilmd door de Franse regisseur Jean-Jacques Annaud.
De roman speelt zich af in de middeleeuwen. Het boek neemt de vorm aan van een misdaadroman, gesitueerd binnen de muren van een benedictijnenabdij.
Van Herreweghe vertelt het gehele verhaal dag op dag. De naam van de roos is zonder enige twijfel een prachtig boek. In de aanloop naar het eigenlijke verhaal schetst Umberto Eco in Natuurlijk een manuscript de setting waarin het boek zich afspeelt. Op een bepaald moment heeft hij het over een niet nader bij titel genoemd “mooi boekje” van een zekere Abbé de Bucquoy, waarin deze schrijft over zijn visioenen van nog niet geschreven boeken. Dit komt aardig in de buurt van hetgeen Van Herreweghe reeds eerder schreef over “Verzonnen boeken”.
Eco formuleert ook een aantal zienswijzen, zoals: “De bibliotheek is een getuigenis van de waarheid en van de dwaling” of ““De bibliotheek is een groot labyrint, teken van het labyrint van de wereld.”
Wat het boek voor Van Herreweghe zo interessant maakt is het feit dat het vier aspecten van bibliofilie verenigt die hij reeds eerder ter sprake bracht, met name het gegeven van de geheime bibliotheek, de verbeelding van de verzonnen bibliotheek en de passages met betrekking tot bibliofagie en boekverbranding.
11.
Vandaag lopen er op deze aardkloot heel wat boekenfreaks rond met een boekenkast/bibliotheek die meerdere duizenden volumes bevat. Van al die boekengekken zijn er twee verzamelaars die Van Herreweghe zeer nauw aan het hart liggen, met wie hij veel verwantschap voelt, en wel om de eenvoudige reden dat zij behalve de bezetenheid om boeken te bezitten ook nog eens schrijver zijn van een schitterend oeuvre dat alles te maken heeft met boeken bezitten, boeken verzamelen, boeken lezen en het beleven van kunst. Hun namen: Alberto Manguel en Gerrit Komrij.
Dat de Harelbeekse bibliothecaris een boekenfundamentalist is, is algemeen bekend, tot in Spanje en Frankrijk, bij Belgen die daar overleven. Hij schrijft: “De realiteit toont bijzonderheden onder het mom van algemeenheden. Literatuur doet het omgekeerde. Zelfs het slechtst geschreven gedicht kan troost bieden, hoop geven, een openbaring zijn. Zo denk ik er over. Ik zou soms in een muizenhol kruipen omwille van hetgeen mensen elkaar kunnen aandoen, omwille van mijn onvrede met de wereld, omwille van mijn machteloosheid om iets aan de situatie te veranderen, omwille van en omwille van... en dan zoek ik een gezellige plek op in huis, ik nestel mij in mijn cocon, ik trek de stekker van de telefoon uit de muur, ik sluit mij af van de buitenwereld... en lees.” Dit is heerlijke taal, woorden die je raken, die je doen verder lezen, die van alle eruditie zijn ontdaan, taal die een boek dik nazinderen, die mij de kracht geven om door Zot van boeken te laveren.
In het voorwoord tot zijn boek De bibliotheek bij nacht: de liefde voor boeken en de kunst van het verzamelen (2007) schrijft Alberto Manguel: “Ondanks wij alle informatie maar blijven opslaan die ons bereikt, - pijnlijk vastberaden als we zijn om de wereld een schijn van betekenis en orde te geven, - beseffen wij maar al te goed dat alle pogingen daartoe gedoemd zijn om te mislukken. Waarom doen we het dan toch? Deze vraag zal wel voor altijd onbeantwoord blijven, maar niettemin vind ik het de moeite waard om de queeste te ondernemen.” Hij wil vooral een verslag maken van zijn verwondering voor het verschijnsel “bibliotheek”. De bibliotheek is voor hem een mythe, een ordening, een ruimte, een macht, een schaduw, een vorm, een toevalsfactor, een werkplaats, een geest, een eiland, een middel tot overleven, om niet te vergeten, de bibliotheek is een fantasie, een identiteit, een thuis. Een mooie résumé van wat de bibliotheek is. Aan veel uitweiding hierover hebben de “ordinaire” lezers geen nood, geen behoefte.
Conclusie? Alberto Manguel is er zich van bewust dat de toevloed van informatiedragers, naast het boek, niet te stuiten is. Het world wide web is daarbij een niet meer te negeren speler in het informatieveld.
Waarnaar is Jan Van Herreweghe en zijn vele collega’s-boekenverzamelaars op zoek? Manguel: “Naar troost, misschien. Misschien troost.”
Met Gerrit Komrij maakte hij persoonlijk kennis in de nacht van vrijdag 19 oktober op zaterdag 20 oktober 2007 en dit na het literair festival Letterkoorts dat hij in Harelbeke organiseerde.
Komrij schreef verschillende stukken waarin hij zijn liefde voor de boeken betuigt. In 1986 verscheen Verzonken boeken. In het opstel Bibliofilie schrijft hij: “Als ik een boek zie ben ik verloren.” Dat overkomt Van Herreweghe ook. Komrij zegt het op de kop: “De bibliofiel (Van Herreweghe) wordt door velen beschouwd als een fijnproever, een liefhebber van mooie dingen die met zorg een uitgelezen verzameling bijeenbrengt. Niets is minder waar. De bibliofiel (Van Herreweghe) is een veelvraat, een slokop, een ordinaire opstapelaar. Boeken zijn voor hem geen doel, maar een middel. Een middel om zich, in een mantel van beschaving, te gedragen als een wilde die met pijl en boog door het oerwoud rent om alles hitsig neer te leggen wat hem voor de voeten loopt. Zodra zijn prooi terneerligt steekt hij alweer, met atavistische drift, zijn neusvleugels in de richting van ander wild. De bibliofiel (Van Herreweghe) staat nog ’t dichtst bij Tarzan van de apen.
Als hij na lang speuren een vurig gewenst boek heeft gevonden en bijgezet in zijn trofeeënkast, verliest hij er prompt alle interesse in. Hij is al op zoek naar een ander boek. Zolang de bibliofiel (Van Herreweghe) leeft, blijft zijn buit dood liggen, als een gehoorzame hond. Pas na de dood van de jager zelf komt de hond weer tot leven. Wee het boek dat in de handen van een bibliofiel valt! Het blijft dood zolang zijn baas leeft. Alleen bij het overlijden van bibliofielen vinden boeken baat.
De bibliofiel (Van Herreweghe) is een verachtelijk wezen, hij is ernstig ziek. Ik weet het. Maar wat doe je eraan? Gouden appels, snijmessen noch fakkels konden hem genezen. Alleen de dood geneest hij van de kwaal. De dood is zowel voor het boek als voor de verzamelaar (Van Herreweghe) een welkome gast.”
De conclusie is toch duidelijk: “Het verlangen naar Vele Boeken valt nauwelijks aan te leren, het zit in je. Wie de begeerte niet al van jongsaf koestert, zal er nooit iets van begrijpen.”
13.
Wat mij opvalt, - en meer dan mij lief is, - is de linke wijze waarop Jan Van Herreweghe zijn lezers confronteert met zijn opsplitsing in twee categorieën: de geïnteresseerden en de niet-geïnteresseerden. Ik vrees dat de tweede groep veel groter is. Deze schrik heeft alles te maken met de omschrijving van zijn doelgroep. Het wordt een delicate opdracht een essay te schrijven voor de (weinige) geïnteresseerden en te hopen dat het zal worden gelezen door (vele) niet-geïnteresseerden. Is dit een uitgeversbedenking of gewoon een vaststelling van een fenomeen dat ook mij al zo vaak is overkomen?
Van Herreweghe eindigt het essay (waar nog een paar brieven ontbreken) met de verklaring van enkele begrippen. Nodig en heel praktisch. Wat is bibliofagie, bibliofilie, bibliofobie, bibliognosie, bibliografie, biblioklastie, bibliokleptomanie, bibliolatrie, bibliologie, bibliolythie, bibliomanie, bibliometrie, bibliopathie, biblioseksulaliteit, bibliotaaf, bibliothecaris, bibliotheek, bibliotherapie en péladanomanie?
Jan Van Herreweghe is een gepassioneerde boekenverslinder. Een definitie die zo dicht bij passionele moord staat of moord uit passie voor boeken. Letterlijk? Wat een triviale gedachte! Maar figuurlijk? Zeker!
Zoals de meeste van onze attitudes is ook deze “afwijking” ontstaan uit frustratie. Na een herexamen Nederlands op zeventienjarige leeftijd, werd hij in de daaropvolgende grote verlofperiode verplicht om vijf boeken uit de Nederlandse literatuur te lezen, deze samen te vatten en te becommentariëren. De tot dan toe rabiate boekenhater Jan Van Herreweghe raakt geboeid door één boek, dat van dan af zijn leven overhoop gooit. Hij verzeilt in een leeswoede, leest tot op de dag van vandaag 120 à 150 boeken per jaar, studeert aanvankelijk boekhouden, vervolgens bibliotheekwetenschappen en wordt dan bibliothecaris in een openbare bibliotheek in Vlaanderen.
Maar het herexamen Nederlands heeft hem niet alleen tot een verslaafde boekenlezer gemaakt, maar hij wil ook - in de jaren na juni 1976 - aantonen dat “kunnen schrijven” en “zijn gedachten ordenen” weinig te maken heeft met slagen of niet slagen voor een proef. Hij heeft reeds eeuwen gelijk en toch wil hij steeds zijn gelijk halen. Toen hij eind 2004 een boekenfanaat ontmoette die hem introduceerde in de wereld van de bibliofilie, kreeg hij inzicht in zijn ziekte. “Er zijn slechts drie middelen om de ziekte enigszins te lijf te gaan: er over lezen, er over schrijven en… het huis verbouwen.”
14.
Dit essay heeft mij bekoord, verleid, verveeld, verrast, soms leek het wel niet voor mij geschreven, bevreemd, de auteur ervan in vraag gesteld, bij momenten boeiend, sterk onderbouwd, met soms een boek te veel aan informatie, ik heb het essay gesmaakt, partikels uitgespuwd, soms naar een schaft gevraagd, tot het einde uitgelezen.
Het heeft zijn plaats in elke bibliotheek verdiend, zowel hier bij ons als in Nederland. In welke vorm? Dit is niet belangrijk voor dergelijk werk.
Thierry Deleu
Jan Van Herreweghe, Zot van boeken, in voorbereiding.
“Wie is ook zot van boeken? Even gek of gekker?”
Een prachtig essay van een boekengek!
1.
Ben ik Zot van boeken? Lijd ik aan boekengekte, zoals Jan Van Herreweghe? Neen of toch niet op de wijze van de Harelbeekse bibliothecaris. Ik hou op een gezonde manier van boeken. Mijn “gezonde liefde” voor boeken maakt van boeken echter geen boeiende, interessante, intrigerende producten. Ik lees boeken, ik schrijf boeken, ik verzin boeken. Van Herreweghe eet boeken, wat schrijf ik: hij verslindt boeken zowel naar inhoud, vorm, als naar waarde, gewicht, fenomeen. Hij “dissecteert” boeken, hij ruikt boeken om de geur te kunnen beschrijven, hij verkracht boeken om het effect van zijn daad te kunnen omschrijven.
Als sleutel voor zijn essay reikt hij ons dan ook een uitspraak van Max Beerbohn aan: “Ik heb nooit goed begrepen waarom men eerste drukken collectioneert. Het zijn de tweede drukken die zo zeldzaam zijn.”
Het essay is een gewijzigde versie en een selectie uit de brieven die André Vandermoere en Van Herreweghe aan elkaar schreven. Uit hun briefwisseling blijkt ontegensprekelijk dat zij een grote voorliefde koesteren voor het fenomeen “boek” en/of het instituut “literatuur”.
Ongezond? Neen. En toch blijkt dat het overgrote deel van de mensen zonder het lezen van een boek hun leven opsouperen. Voor Van Herreweghe is dat een ontstellende gedachte. “Waarom zet ik mij niet in voor het leed van andere mensen?” vraagt hij zich af. En ik vermoed: velen met hem.
Omdat elke mens natuurlijk anders is. Ondanks alles blijf ik het een vreemde gedachte vinden. De literatuur heeft zich in zijn lijf genesteld. Zij heeft zijn leven geconditioneerd.
De man leest 120 à 150 boeken per jaar. Romans, verhalenbundels, gedichtenbundels, toneelstukken, essays en beschouwingen, biografieën van schrijvers en kunstenaars, prentenboeken, jeugdboeken, brievenboeken, kunstcatalogi, boeken over architectuur, informatieve werken over de Eerste en de Tweede Wereldoorlog... hij leest ze allemaal door elkaar en soms tegelijk. Zot van boeken? Knetterzot! Het is een boekverslaving.
2.
In zijn eerste brief heeft Van Herreweghe het over bibliofilie. Over zijn passie voor boeken. En hij vertelt over zijn leesavonturen: over boekverbranding, een brandende bibliotheek, een brandende boekhandel. Hij vertelt en citeert uit: de romans Balzac en het Chinese naaistertje van Dai Sijie, De schaduw van de wind van Carlos Ruiz Zafón en Het boekenparadijs van Pierre Bourgeade.
Onder alle vormen van boekbedreiging die Büch in Boekenpest opsomt, wordt Van Herreweghe getroffen door een aantal fenomenen, zoals de verschimmelde boeken en het verschijnsel van de sadistische koprofagie en urolagnia. Ook de bibliomanie en de bibliofagie benoemt hij als kwalijke fenomenen. Moeilijke, ongewone termen die om uitleg vragen. En Van Herreweghe verstrekt uitleg, uitgebreid en verhelderend. Maar wie ligt wakker van deze randverschijnselen? De lezer? De recensent? De criticus? De collega-bibliothecaris? Wie is zo prettig gestoord dat hij te weten wil komen welke zwammensoort in boeken huist? Büch? Ja. Van Herreweghe, ja zeker? Wie nog?
Een nevenaspect van de bibliofilie is de bibliomanie of het stelen van boeken. In Een stamboek doet Patrick Modiano het verhaal van het stelen van boeken bij particulieren of uit bibliotheken.
Een bijzondere vorm van bibliomanie betreft koprofagie en urolagnia. Het beschijten en bepissen van boeken is een gangbare methode in bepaalde regimes en doet zich voor ten aanzien van klassenvijandige of reactionaire boekwerken. Tijdens de Culturele Revolutie in China in de jaren zestig werd de methode wel eens toegepast. Het urineren op nazistische geschriften werd in de junidagen van 1945 in Duitsland een aantal keren gerapporteerd. Büch rekent deze voorvallen echter tot de bijzondere psychopathologie.
Bibliofagie is de ergste straf die een boekenmens kan ondergaan. Bibliofagie wordt wel gedefinieerd als “de straf waarbij de auteur van een religieus of politiek verderfelijk geacht boek gedwongen wordt zijn eigen publicatie op te eten, hetgeen vaak de dood tot gevolg heeft”. In zijn opstel Funny Ha-Ha and Funny Peculiar gewaagt Gerrit Komrij van het geval Ernst Toller. Deze toneelauteur werd door de nazi’s verplicht om in gevangenschap één van zijn anti-naziboeken tot de laatste letter op te eten. Tot de bibliofagie worden ook die personen gerekend die echt genieten van een hapklare brok papier.
Bibliolatrie is dan weer “een zodanige voorkeur voor een boek, meestal een religieus of politiek standaardwerk, dat daarnaast geen andere boeken - in ieder geval geen boeken die dat standaardwerk tegenspreken of ter discussie stellen - geduld worden.” Bibliolatrie leidt dan ook tot bibliolythie, de vernietiging van andere boeken en de vervolging van de auteurs daarvan. Een voorbeeld van bibliolatrie ten aanzien van de koran is het vonnis van ayatollah Khomeiny tegen Salman Rushdie, de auteur van De duivelsverzen (1988).
Bibliolythie of biblioklastie is de “zucht tot boekvernietiging buiten de officiële censuur om, betrekking hebbend op staatsgevaarlijk of godsdienstvijandig geachte geschriften.” Gewoonlijk resulteert bibliolythie in georganiseerde boekverbrandingen, zoals in 1933 in nazi-Duitsland, gecombineerd met vervolging en berechting of executie van de auteur.
3.
Het is duidelijk dat Van Herreweghe geobsedeerd is door de bibliofilie en haar nevenaspecten. In zijn tweede brief raast hij verder door over de bibliofilie “en verwante aangelegenheden”. Hij citeert uit Borges’ De muur en de boeken en Het congres.
Ook Fahrenheit 451 van Ray Bradbury kruist het pad van onderzoeker Jan Van Herreweghe. 451° is de ontbrandingstemperatuur van papier, de materie waaruit boeken bestaan. In dit sciencefictionverhaal verbannen de autoriteiten alle boeken, zogezegd om twijfel, onrust of tweedracht in de kiem te smoren. Maar eigenlijk gaat het om een grootschalige hersenspoeling van de bevolking. De brandweerkorpsen rukken niet meer uit om branden te blussen, wel om illegale boekenverzamelingen op te sporen en te verbranden. Waarom? “Daarom! Een boek is een geladen geweer in het huis van je buurman. Verbrand het. Haal de kogels uit het wapen. Sla een bres in de menselijke geest. Wie weet wie niet het doelwit zou kunnen worden van een belezen mens!”
Een verschijnsel in de rand van de bibliofilie die Van Herreweghe nog niet besprak is de bibliotherapie. De verzamelnaam voor allerlei vormen van creatieve therapie waarbij teksten een rol spelen bij de behandeling van psychische of psychosomatische klachten. Bibliotherapie is een interactief proces d.w.z. een proces van wederzijdse beïnvloeding, een dynamische wisselwerking tussen de persoonlijkheid van de lezer en de literatuur die rijk is aan verbeeldingskracht. Zowel individuele als groepsbibliotherapie is mogelijk. Het toepassen van bibliotherapie moet uiteindelijk resulteren in een verbeterd zelfvertrouwen van de patiënt; het helpen doorgronden van de drijfveren van mensen in een gegeven situatie (inclusief de eigen situatie van de patiënt); assimilatie van aangepaste psychologische en sociale waarden zowel in karakter als in gedrag van de deelnemers; een verbeterde en meer spontane dialoog met de hulpverleners.
Terecht merkt de auteur op dat hij als bibliothecaris heeft ervaren dat bibliotherapie vooral door ouders wordt toegepast om hun kinderen doorheen het verdriet te helpen bij het overlijden van een (groot)ouder, de dood van een broer of zus of om het genezingsproces van een ziekte begrijpbaar te maken. Ook het verwerken van een verkeersongeval, angstsyndromen of een traumatisch voorval op school (aanhoudende pesterijen) kunnen bij middel van boeken enig soelaas bieden. Voor volwassenen zou ik veeleer kiezen voor de poëzie.
Ik vraag mij af of er voor de auteur geen therapie bestaat om van boeken te genezen.
Van Herreweghe verheelt het niet dat de boekendood, het weze een dood door boeken, of een dood met een boek in de handen hem bijzonder fascineert. Voor hem schuilt hierin een zekere heroïek, een daad van heldhaftigheid, een vermetele escapade van een jongensachtige baldadigheid.
4.
Klaas Huizing schrijft terecht: “De bibliomanie is de bijzit van de getrouwde boekengek.” Ik noem het een manie met een belachelijke én een gevaarlijke kant.
Wanneer de auteur “uit de biecht” spreekt, is hij uitermate cynisch. Misschien zou dit gevoel meer mogen overheersen in zijn essay. Wanneer hij zijn vrouw meedeelt dat hij op onderzoek wil uitgaan over het “bestaan” van “Verzonnen Bibliotheken” of “Fictieve Boekenkasten”, blijkt zij uitermate geïnteresseerd. Hij bekent oormoedig: “Nooit eerder bleek zij zo geboeid door dit exuberant aspect van bibliofilie. Ik ben getrouwd met een laconieke, cynische en hardvochtige vrouw. En zeggen dat ook zij in een echte bibliotheek werkt!”
Hij overdondert haar met de Stem uit een volk van wilden van de Amerikaanse schrijfster Bette Pesetsky waarin een freelance ghostwriter op bestelling boeken schrijft. Dat levert haar na een tijd een veelzijdig oeuvre op, gaande van romans en autobiografieën tot wetenschappelijke verhandelingen. Weliswaar is haar oeuvre onzichtbaar, vermits de cover van die boeken steeds een andere naam draagt. Voor het publiek blijft zij dus anoniem. Maar op een slinkse wijze weet ze het telkens weer zo te regelen dat ze in elk boek haar moeder en haar tante ten tonele voert. Als een soort eigendomskenmerk.
Wanneer de freelance ghostwriter echter verneemt dat één van haar boeken die zij schreef in opdracht van Dr Quayle, in de running is voor de Nobelprijs, besluit ze dit toonbeeld van mannelijke bluf te chanteren. Op een bepaald moment zoekt de spookschrijfster haar psychiater op en bekent dat ze in staat is om een misdaad te plegen.
Van Herreweghe wijdt zijn vrouw in Die geheime Bibliothek in, een verhaal van nauwelijks twee bladzijden, waarin de Duitse auteur Günter Kunert vertelt over een bibliotheek die bestaat uit niet uitgegeven boeken. Bovendien zijn het absolute meesterwerken. Op een gegeven ogenblik komt de bezoeker tot de vaststelling dat hij niet meer alleen is in zijn eigen bibliotheek. Hij slaat in paniek.
Van Herreweghe noemt nog meer voorbeelden op van “onbestaande” bibliotheken. Als bibliothecaris ervaart hij hoe belangrijk het is dat hij zich kan terugtrekken in zijn eigen zichtbare en tastbare bibliotheek
5.
Eén van de kenmerken van een bibliomaan is het feit dat hij quasi zonder overleg koopt en dat er van keuze soms zo goed als geen sprake is. Bibliomanen vindt men zowel onder de kopers van zeldzame boeken (die dan gekocht worden omwille van hun zeldzaamheid) als onder kopers van het gewone boek.
Van Herreweghe kent meerdere personen die over een bibliotheek beschikken die nijd en afgunst opwekt. Collecties van vijfduizend en meer boeken. Voor de Harelbeekse bibliothecaris is het afbakenen en beheersen van het verzamelgebied is de enige wijze waarop het egocentrische karakter van het verzamelen in overeenstemming gebracht kan worden met het sociale verschijnsel dat literatuur nu eenmaal is en moet zijn. Een nieuw boek betekent in de collectie van de bibliomaan een nieuwe bijdrage aan die sociale functie.
Ook nu weer blijft Van Herreweghe voorbeelden spuwen van boekendood en bibliogafie. De auteur is effenaf bezeten door het onderwerp dat hij opsmukt - of moet ik schrijven: aandikt? - met talloze voorbeelden. Dit is zijn manier om de lezer boven water te houden. Of hij hierin slaagt, is een dubbeltje op zijn kant: enerzijds zal hij de “obsédés” een overweldigend plezier doen (een boost bezorgen of een erectie opwekken) en anderzijds zal hij de gewone lezer - hij of zij die ordinair een boek leest - afschrikken door het superflu en de reflux van informatie.
Het essay leidt tot onverwachte uitwassen. Buitensporigheden en fantasma's. Van Herreweghe is zo verdiept in zijn bezigheid dat hij zich niet meer bekommert om het incasseringsvermogen van zijn lezers. Ik stel vast dat hij zich opboeit en - wat erger is - een deel van zijn lezers verliest. Lezers die afhaken omdat zij op hun honger worden gelaten: “Komt er nog iets anders dan het opnieuw aandraven met voorbeelden uit boeken en andere bronnen? Waar blijven de nieuwe items, de wauws, de surprises?
De talrijke voorbeelden zorgen voor een indigestie. Wat begonnen was als de smaak van zachtzoete drop, wekt op den duur enige walging op.
En ineens - joepie! - vindt de bibliothecaris zijn zin voor realiteit en initiatief weer. Zo heb ik hem jaren geleden leren kennen: een bezige bij zonder zittend gat, altijd aan het gonzen, aan het bevruchten: hij organiseerde Harelbeke vanuit zijn bibliotheek en speelde zelfs mee in een kazoo-ensemble. Toen stak hij zijn neus niet zo diep in de boeken dat hij alleen de geur onthield en de schizofrene wereld achter het boek.
Vandaag wil hij een festival organiseren naar het voorbeeld van het Amerikaanse Edible Books Festival. Hij zal daartoe alle collega’s via een nieuwsbrief of mail op de hoogte brengen.
6.
Tot mijn verbazing lees ik dat hij het “nodiger vindt de mensen te bestuderen dan de boeken." Voldoet dit essay aan deze gedachte? Of interpreteert hij de uitspraak van François La Rochefoucauld op een (dan wel erg) eigen wijze?
Op zijn bizarre reis door Boekenland, Bookanje, Boekanistan, Liberië, Libraritanië en Bibliothekastenije is de hoofdstad Bibliophilia de meest merkwaardige plek die hij heeft bezocht. De stad heeft een statuut van Vrijstaat. De boeken zijn er koning, de verzamelaars keizer, de schrijvers lakeien van het woord, de lezers ordinaire onderdanen. Verder is de stad bevolkt met een amalgaam van mensen die op een of andere manier iets met het boek te maken hebben. En dan is er nog de zonderlinge figuur van een bibliothecaris die in Bibliophilia ronddoolt en daar het grootste genoegen aan beleeft. Dit is een eerlijke bekentenis, dit is - wat men noemt - zich outen zonder schroom en vrees. En meteen geeft hij aan waarin hij zich verder zal verdiepen: “In mijn vorige brieven gaf ik reeds uiting aan een aantal fenomenen: vernieling door brand, doelbewuste vernielingen door oorlogsomstandigheden, ongedierte dat het papier aantast enz. De geschiedenis in het algemeen en de geschiedenis van het boekwezen in het bijzonder, leert ons dat de mens nooit uit zijn fouten heeft geleerd. Van oudsher hebben tirannen en dictators, fascisten, politici, geestelijke en wereldlijke leiders... zich niet onbetuigd gelaten om het vuur aan de lont te steken om kwaadaardige geschriften in vlammen te laten opgaan. Boekverbranding is een door machthebbers ingevoerd ritueel dat perfect inspeelt op de primaire behoeften en onlusten van de mens. Het is koelbloedig gestileerde woede.”
Hier moest de essayist Van Herreweghe stoppen. Dat was een mooi sluitstuk. Wat niet wil zeggen dat hij hier de boeken dicht moet doen, maar wel dat hij met nieuwe dingen op de proppen moet komen. En wat volgt? Nieuwe boekverbrandingen die - inderdaad - appelleren aan botte en primitieve emoties, onderliggende xenofobie, atavistische verlangens en de behoefte aan een uitlaat voor sociale en economische onlusten door het scheppen van zondebokken en hun creaties: de boeken.
7.
In de vijfentwintigste zang van het eerste deel - de hel - van De Goddelijke Komedie van Dante Alighieri staat een merkwaardige passage. Ik citeer: “Zo stijgt er door ’t papier, aleer de hitte/het vlammen doet, een donkere kleur naar boven/(schoon nog geen zwart) terwijl dan ’t wit verdoezelt.”
Tussen het witte blad en de zwarte letters bevindt zich dus een tussengebied, een moment, een plek, een kleur die immer veranderlijk is. In dat intertekstueel tussenvlak moeten schrijvers en lezers verlichting kunnen vinden, net voor de betekenis van de woorden in vlammen opgaat. Ik ben het hier volkomen mee eens.
Wat een “verademing” - al vrees ik dat de lezer weer ritsen voorbeelden zal moeten verorberen - wanneer onze Harelbeekse bibliothecaris verklaart dat hij “inmiddels alweer een aantal andere bijzondere eigenaardigheden in verband met boeken op het spoor is gekomen” en dat hij “nog een aantal vondsten gedaan heeft in verband met eerder besproken thema’s.”
En de lezer wordt niet ontgoocheld: “In zijn standaardwerk The Anatomy of Bibliomania wijdt Holbrook Jackson enkele bladzijden aan een zeer bizarre vorm van bibliomanie, met name het veroveren van een boek dat gebonden is in mensenhuid. In vergelijking met dierenhuiden zou het looien van een mensenhuid geen specifieke problemen opleveren voor de vakman. Het enige ongemak dat vermeld wordt, betreft het verwijderen van de haarstoppels.”
Of het een gewoonte werd om mensenhuid te gebruiken als materiaal om boeken in te binden, blijft een duister verhaal. In theorie mag de mogelijkheid dan wel bestaan, veel van de overgeleverde verhalen berusten op verzinsels en moeten tot het rijk van de boekenmythologie worden gerekend. Ed Schilders wijdt er in zijn boek Vergeten boeken: literaire curiosa en rariora, boekenvrienden en bibliomanen een mooi hoofdstuk aan.
8.
De vrouw van Jan Van Herreweghe - een lieve dame, schroomvallig, gereserveerd, voorzichtig - koestert een grote bewondering voor de Franse schrijver Joseph Joubert (1754-1824). Joubert schreef weinig en publiceerde niets tijdens zijn leven. Het enige wat hij deed was zijn gedachten voor zichzelf neerpennen. Zijn aantekeningen waren vooral reflecties over uiteenlopende zaken zoals de natuur van het menselijk wezen, het literaire bedrijf enz. Ook zijn bibliotheek was een unicum. Joubert bewaarde alleen maar boeken waarvan hij hield. In dat kleine aanbod distilleerde hij dan nog eens de bladzijden die hem het meest dierbaar waren. De nog resterende pagina’s scheurde hij uit de boeken en smeet ze in het vuur.
De Vlaamse schrijver Dimitri Verhulst schreef in 2005 een bijzonder geestig verhaal over bibliokleptomanie. In zijn eigengereide schrijfstijl ironiseert hij in zijn verhaal Boekendiefstal is een zegen voor de middenstand het vak van boekendief.
En onze bibliothecaris heeft zijn huiswerk met uiterste toewijding verricht: hij vond een geval van péladanomanie. Deze terminologie duidt op een overtreffende trap van bibliofilie. Voor een goed begrip: het woord staat in geen enkel woordenboek maar bestaat dus wel degelijk. Deze “ziekte” overvalt een zekere Bo Van Dorselaer, het hoofdpersonage van de roman De veilingmeester van Walter van den Broeck, een ware bibliothriller voor verzamelaars en boekenliefhebbers.
De jonge veilingmeester Bo Van Dorselaer moet het volledige interieur van een Brussels huis veilen. Bij het inventariseren van de inboedel treft hij in een verborgen nis een kast aan met 250 exemplaren van hetzelfde boek, met name De troonopvolgster van Walda Van den Brogel. Hij raakt gefascineerd, beter: geobsedeerd, door het boek en wil koste wat het wil de overige exemplaren in handen krijgen. Aanvankelijk weet hij snel een aantal exemplaren te vinden, maar gaandeweg zijn zoektocht stuit hij op een mysterieuze concurrent die de prijs van de laatst overgebleven exemplaren de hoogte injaagt.
Veilingmeester Albert Van Orshaeghen, de schoonvader van Bo Van Dorselaer, zegt: “Geen grotere kleptomanen dan bibliofielen.” Dat kan tellen!
De verzamelwoede van Van Dorselaer benoemt Van den Broeck met de terminologie péladanomanie, een overtreffende trap van bibliofilie. De bibliofilie is al een beladen woord, wat moet péladanomanie dan wel niet zijn? Na enig onderzoek kwam Van Herreweghe te weten dat péladanomanie een pathologische verzamelwoede is van boeken en parafernalia, en dit met betrekking tot de Péladan-dynastie en dan nog meer specifiek met betrekking tot Joséphin Péladan.
Joséphin Péladan werd op 28 maart 1858 geboren te Lyon als Joseph-Aymé Péladan. Hij was schrijver en profileerde zich als Rozenkruiser. Op jonge leeftijd kiest hij voor het pseudoniem Sâr Merodak Péladan, refererend aan Marduk, de Babylonische oppergod.
De lijst van zijn romans is indrukwekkend. Joséphin Péladan gebruikte doelbewust een moeilijke taal. Enerzijds koketteerde hij met zijn eruditie, anderzijds speelde hij een spel met neologismen. Dit moeilijk taalgebruik is er mede de oorzaak van dat zijn boeken nauwelijks vertaald werden. Hij overleed te Neuilly-sur-Seine op 27 juni 1918 ten gevolge van een vergiftigingsdood.
Eén van zijn biografen, René-Louis Doyon, maakte destijds een inventaris van het Péladanarchief in de Bibliothèque de l’Arsenal te Parijs. Hij trof er 445 onuitgegeven manuscripten, 820 documenten en 26.881 beschreven vellen papier aan.
De Péladancultus ontstond pas na zijn dood en leverde meer verzamelaars dan lezers op. Péladanverzamelaars houden er een privé-museum op na waarbij ze bepaalde titels in alle verschillende edities en op alle verschillende soorten papier verzamelen. Op veilingen worden deze werken en alle bijhorende persoonlijke bezittingen van de schrijver verhandeld voor prijzen die buiten het bereik liggen van de gewone lezer. Typisch is ook dat de boeken van Péladan slechts in een beperkte oplage werden gedrukt. Men spreekt van 300 tot 350 exemplaren. Door die beperkte oplage creëert de verzamelaar zijn eigen schaarste en drijft hij met die schaarste de prijs van de nog resterende exemplaren op.
9.
Van Herreweghe krijgt er maar niet genoeg van: hij brengt nog eens zes (rand)gevallen van bibliofagie aan. De lezer wordt letterlijk bedolven onder de ziekten die van ver en dichterbij iets met boeken te maken hebben.
Neen, ik gooi dit essay niet uit de (uitgevers)markt, helemaal niet, maar ik benadruk nog maar eens dat specialismen ook een speciale en dus heel enge doelgroep aanspreken en/of beroeren.
Verzonnen bibliotheken? Wat de lezer interesseert is de functie van de verzonnen bibliotheek. Ik kom het niet te weten. De correspondentie tussen Van Herreweghe en zijn vriend André vertoont bizarre trekjes. De eerste vraagt zich dan ook terecht af: “In welk stadium van de verslaving ben ik beland?” Hij vindt troost in het feit dat hij zijn “boekengekte met de andere kan delen.” Ik hoop dat beiden hun briefwisseling kunnen delen met nog een paar verslaafden. Indien Van Herreweghe dit kan bewijzen, kan hij misschien een uitgever enthousiasmeren. “Wie is uw doelgroep, mijnheer? Hoeveel exemplaren kunt u zelf afnemen? Tegen kostprijs.” Maar ik heb mijn twijfels. Is het boek niet goed genoeg? Heel zeker, het is goed geschreven, sterk gedocumenteerd, met af en toe verrassende oprispingen en ongekende nieuwtjes, maar het sleept zich te lang over een zelfde draagvlak naar het einde. En Van Herreweghe besefte dit en laste heel wat verhaaltjes in uit evenveel boeken om zo de interesse gaande te houden.
10.
In zijn vijfde lezing omtrent de bibliofilie wordt het mij echt te veel, maar ja, ik ben nu eenmaal niet verslaafd en ik ben nu eenmaal niet geïnteresseerd in boekenziekten. (Ook in andere niet.) En wij delen ook niet dezelfde slechte gewoonten. Ik herlees wel eens een boek. Hij heeft er een absolute hekel aan. Omdat vrienden hem telkens weer op De naam van de roos van Umberto Eco wezen, maakte Van Herreweghe een uitzondering.
Het boek verscheen voor het eerst in Italië, in 1980, onder de titel Il nome della Rosa. Het boek werd vervolgens in 1986 succesvol verfilmd door de Franse regisseur Jean-Jacques Annaud.
De roman speelt zich af in de middeleeuwen. Het boek neemt de vorm aan van een misdaadroman, gesitueerd binnen de muren van een benedictijnenabdij.
Van Herreweghe vertelt het gehele verhaal dag op dag. De naam van de roos is zonder enige twijfel een prachtig boek. In de aanloop naar het eigenlijke verhaal schetst Umberto Eco in Natuurlijk een manuscript de setting waarin het boek zich afspeelt. Op een bepaald moment heeft hij het over een niet nader bij titel genoemd “mooi boekje” van een zekere Abbé de Bucquoy, waarin deze schrijft over zijn visioenen van nog niet geschreven boeken. Dit komt aardig in de buurt van hetgeen Van Herreweghe reeds eerder schreef over “Verzonnen boeken”.
Eco formuleert ook een aantal zienswijzen, zoals: “De bibliotheek is een getuigenis van de waarheid en van de dwaling” of ““De bibliotheek is een groot labyrint, teken van het labyrint van de wereld.”
Wat het boek voor Van Herreweghe zo interessant maakt is het feit dat het vier aspecten van bibliofilie verenigt die hij reeds eerder ter sprake bracht, met name het gegeven van de geheime bibliotheek, de verbeelding van de verzonnen bibliotheek en de passages met betrekking tot bibliofagie en boekverbranding.
11.
Vandaag lopen er op deze aardkloot heel wat boekenfreaks rond met een boekenkast/bibliotheek die meerdere duizenden volumes bevat. Van al die boekengekken zijn er twee verzamelaars die Van Herreweghe zeer nauw aan het hart liggen, met wie hij veel verwantschap voelt, en wel om de eenvoudige reden dat zij behalve de bezetenheid om boeken te bezitten ook nog eens schrijver zijn van een schitterend oeuvre dat alles te maken heeft met boeken bezitten, boeken verzamelen, boeken lezen en het beleven van kunst. Hun namen: Alberto Manguel en Gerrit Komrij.
Dat de Harelbeekse bibliothecaris een boekenfundamentalist is, is algemeen bekend, tot in Spanje en Frankrijk, bij Belgen die daar overleven. Hij schrijft: “De realiteit toont bijzonderheden onder het mom van algemeenheden. Literatuur doet het omgekeerde. Zelfs het slechtst geschreven gedicht kan troost bieden, hoop geven, een openbaring zijn. Zo denk ik er over. Ik zou soms in een muizenhol kruipen omwille van hetgeen mensen elkaar kunnen aandoen, omwille van mijn onvrede met de wereld, omwille van mijn machteloosheid om iets aan de situatie te veranderen, omwille van en omwille van... en dan zoek ik een gezellige plek op in huis, ik nestel mij in mijn cocon, ik trek de stekker van de telefoon uit de muur, ik sluit mij af van de buitenwereld... en lees.” Dit is heerlijke taal, woorden die je raken, die je doen verder lezen, die van alle eruditie zijn ontdaan, taal die een boek dik nazinderen, die mij de kracht geven om door Zot van boeken te laveren.
In het voorwoord tot zijn boek De bibliotheek bij nacht: de liefde voor boeken en de kunst van het verzamelen (2007) schrijft Alberto Manguel: “Ondanks wij alle informatie maar blijven opslaan die ons bereikt, - pijnlijk vastberaden als we zijn om de wereld een schijn van betekenis en orde te geven, - beseffen wij maar al te goed dat alle pogingen daartoe gedoemd zijn om te mislukken. Waarom doen we het dan toch? Deze vraag zal wel voor altijd onbeantwoord blijven, maar niettemin vind ik het de moeite waard om de queeste te ondernemen.” Hij wil vooral een verslag maken van zijn verwondering voor het verschijnsel “bibliotheek”. De bibliotheek is voor hem een mythe, een ordening, een ruimte, een macht, een schaduw, een vorm, een toevalsfactor, een werkplaats, een geest, een eiland, een middel tot overleven, om niet te vergeten, de bibliotheek is een fantasie, een identiteit, een thuis. Een mooie résumé van wat de bibliotheek is. Aan veel uitweiding hierover hebben de “ordinaire” lezers geen nood, geen behoefte.
Conclusie? Alberto Manguel is er zich van bewust dat de toevloed van informatiedragers, naast het boek, niet te stuiten is. Het world wide web is daarbij een niet meer te negeren speler in het informatieveld.
Waarnaar is Jan Van Herreweghe en zijn vele collega’s-boekenverzamelaars op zoek? Manguel: “Naar troost, misschien. Misschien troost.”
Met Gerrit Komrij maakte hij persoonlijk kennis in de nacht van vrijdag 19 oktober op zaterdag 20 oktober 2007 en dit na het literair festival Letterkoorts dat hij in Harelbeke organiseerde.
Komrij schreef verschillende stukken waarin hij zijn liefde voor de boeken betuigt. In 1986 verscheen Verzonken boeken. In het opstel Bibliofilie schrijft hij: “Als ik een boek zie ben ik verloren.” Dat overkomt Van Herreweghe ook. Komrij zegt het op de kop: “De bibliofiel (Van Herreweghe) wordt door velen beschouwd als een fijnproever, een liefhebber van mooie dingen die met zorg een uitgelezen verzameling bijeenbrengt. Niets is minder waar. De bibliofiel (Van Herreweghe) is een veelvraat, een slokop, een ordinaire opstapelaar. Boeken zijn voor hem geen doel, maar een middel. Een middel om zich, in een mantel van beschaving, te gedragen als een wilde die met pijl en boog door het oerwoud rent om alles hitsig neer te leggen wat hem voor de voeten loopt. Zodra zijn prooi terneerligt steekt hij alweer, met atavistische drift, zijn neusvleugels in de richting van ander wild. De bibliofiel (Van Herreweghe) staat nog ’t dichtst bij Tarzan van de apen.
Als hij na lang speuren een vurig gewenst boek heeft gevonden en bijgezet in zijn trofeeënkast, verliest hij er prompt alle interesse in. Hij is al op zoek naar een ander boek. Zolang de bibliofiel (Van Herreweghe) leeft, blijft zijn buit dood liggen, als een gehoorzame hond. Pas na de dood van de jager zelf komt de hond weer tot leven. Wee het boek dat in de handen van een bibliofiel valt! Het blijft dood zolang zijn baas leeft. Alleen bij het overlijden van bibliofielen vinden boeken baat.
De bibliofiel (Van Herreweghe) is een verachtelijk wezen, hij is ernstig ziek. Ik weet het. Maar wat doe je eraan? Gouden appels, snijmessen noch fakkels konden hem genezen. Alleen de dood geneest hij van de kwaal. De dood is zowel voor het boek als voor de verzamelaar (Van Herreweghe) een welkome gast.”
De conclusie is toch duidelijk: “Het verlangen naar Vele Boeken valt nauwelijks aan te leren, het zit in je. Wie de begeerte niet al van jongsaf koestert, zal er nooit iets van begrijpen.”
13.
Wat mij opvalt, - en meer dan mij lief is, - is de linke wijze waarop Jan Van Herreweghe zijn lezers confronteert met zijn opsplitsing in twee categorieën: de geïnteresseerden en de niet-geïnteresseerden. Ik vrees dat de tweede groep veel groter is. Deze schrik heeft alles te maken met de omschrijving van zijn doelgroep. Het wordt een delicate opdracht een essay te schrijven voor de (weinige) geïnteresseerden en te hopen dat het zal worden gelezen door (vele) niet-geïnteresseerden. Is dit een uitgeversbedenking of gewoon een vaststelling van een fenomeen dat ook mij al zo vaak is overkomen?
Van Herreweghe eindigt het essay (waar nog een paar brieven ontbreken) met de verklaring van enkele begrippen. Nodig en heel praktisch. Wat is bibliofagie, bibliofilie, bibliofobie, bibliognosie, bibliografie, biblioklastie, bibliokleptomanie, bibliolatrie, bibliologie, bibliolythie, bibliomanie, bibliometrie, bibliopathie, biblioseksulaliteit, bibliotaaf, bibliothecaris, bibliotheek, bibliotherapie en péladanomanie?
Jan Van Herreweghe is een gepassioneerde boekenverslinder. Een definitie die zo dicht bij passionele moord staat of moord uit passie voor boeken. Letterlijk? Wat een triviale gedachte! Maar figuurlijk? Zeker!
Zoals de meeste van onze attitudes is ook deze “afwijking” ontstaan uit frustratie. Na een herexamen Nederlands op zeventienjarige leeftijd, werd hij in de daaropvolgende grote verlofperiode verplicht om vijf boeken uit de Nederlandse literatuur te lezen, deze samen te vatten en te becommentariëren. De tot dan toe rabiate boekenhater Jan Van Herreweghe raakt geboeid door één boek, dat van dan af zijn leven overhoop gooit. Hij verzeilt in een leeswoede, leest tot op de dag van vandaag 120 à 150 boeken per jaar, studeert aanvankelijk boekhouden, vervolgens bibliotheekwetenschappen en wordt dan bibliothecaris in een openbare bibliotheek in Vlaanderen.
Maar het herexamen Nederlands heeft hem niet alleen tot een verslaafde boekenlezer gemaakt, maar hij wil ook - in de jaren na juni 1976 - aantonen dat “kunnen schrijven” en “zijn gedachten ordenen” weinig te maken heeft met slagen of niet slagen voor een proef. Hij heeft reeds eeuwen gelijk en toch wil hij steeds zijn gelijk halen. Toen hij eind 2004 een boekenfanaat ontmoette die hem introduceerde in de wereld van de bibliofilie, kreeg hij inzicht in zijn ziekte. “Er zijn slechts drie middelen om de ziekte enigszins te lijf te gaan: er over lezen, er over schrijven en… het huis verbouwen.”
14.
Dit essay heeft mij bekoord, verleid, verveeld, verrast, soms leek het wel niet voor mij geschreven, bevreemd, de auteur ervan in vraag gesteld, bij momenten boeiend, sterk onderbouwd, met soms een boek te veel aan informatie, ik heb het essay gesmaakt, partikels uitgespuwd, soms naar een schaft gevraagd, tot het einde uitgelezen.
Het heeft zijn plaats in elke bibliotheek verdiend, zowel hier bij ons als in Nederland. In welke vorm? Dit is niet belangrijk voor dergelijk werk.
Thierry Deleu
Jan Van Herreweghe, Zot van boeken, in voorbereiding.
27 maart 2008
Labyrint van de waan - Mieke de Loof
Met Labyrint van de waan schreef Mieke de Loof een intelligente historische thriller/roman. De feiten spelen zich af rond 1913, maar die feiten en sommige historische personages zet zij moeiteloos naar haar hand, zoals dat in fictie kan. Het is duidelijk dat ze gedegen onderzoek deed ter voorbereiding van deze thriller: de juiste naam voor meubelstukken en voorwerpen, met als detail soms de maker erbij vermeld. Ze kent duidelijk het terrein en de gebouwen, heeft de kerk bezocht waarin een deel van het verhaal zich afspeelt. Het lijkt dus allemaal heel echt en authentiek, ook de verzonnen figuren dank zij haar goede psychologische inzicht. Via die voorwerpen en namen van spijzen en dranken creëert zij vaak de sfeer van verfijning en luxe die in het sanatorium heerst waar de bedienden uiteraard geruisloos hun taak vervullen.
Je zou Labyrint van de waan ook een filosofische spionageroman kunnen noemen waarin niets is wat het lijkt. Haar opleiding sociologie en filosofie dient haar goed in dit boek. Als er grote moeilijkheden opduiken, opent zij een uitweg met mooie levenswijsheden die heel natuurlijk deel van de tekst uitmaken.
Het verhaal is een strijd tussen goed en kwaad, tussen de modernisten en de fundamentalisten uit het katholicisme van die tijd. Je merkt aan de voorwerpen en het gedrag wie in welke categorie thuis hoort. De fundi’s wensen gehoorzaamheid, nederigheid en traditie ten aanzien van de autoriteit van de Kerk. Zij vinden de Wiener Werkstätte en dergelijke maar niets. De modernisten zijn gevoelig en ja ze delen mijn smaak...
Ik hou van haar commentaar op teksten, boeken, schrijvers en taal... en van de wel gekozen citaten van het erudiete gezelschap dat ze ten tonele voert.
Ondanks alles draait deze thriller om macht en geld en loyauteit. Er zijn een aantal leuke parallelle constructies in de verhouding tussen twee verschillende leerlingen en hun meester. De meesters roken havanna’s, de leerlingen zijn niet-rokers...
Wat ik geestig vind, bijna als running gag, is het commentaar op de Belgische figuur Alfons Jonckx. Le petit Belge, die altijd wat wordt onderschat. Hij is verstandig, wil er bij horen, is gretig in het genieten van luxe en het werven van fondsen. Door zijn gebrek aan ‘aristocratie’ valt hij echter geregeld door de mand.
Mieke de Loof maakt met dit boek komaf met het idee dat spannende boeken niet literair kunnen zijn. Je leest er mooie paragrafen in over liefde, eenzaamheid en het verstrijken van de tijd.
Bewust vertel ik niets over de inhoud. Het vernuftige verhaal moeten jullie zelf ontrafelen. Een aanrader waarmee je aangename uurtjes kan doorbrengen.
Annmarie Sauer
Antwerpen
25/3/08
Je zou Labyrint van de waan ook een filosofische spionageroman kunnen noemen waarin niets is wat het lijkt. Haar opleiding sociologie en filosofie dient haar goed in dit boek. Als er grote moeilijkheden opduiken, opent zij een uitweg met mooie levenswijsheden die heel natuurlijk deel van de tekst uitmaken.
Het verhaal is een strijd tussen goed en kwaad, tussen de modernisten en de fundamentalisten uit het katholicisme van die tijd. Je merkt aan de voorwerpen en het gedrag wie in welke categorie thuis hoort. De fundi’s wensen gehoorzaamheid, nederigheid en traditie ten aanzien van de autoriteit van de Kerk. Zij vinden de Wiener Werkstätte en dergelijke maar niets. De modernisten zijn gevoelig en ja ze delen mijn smaak...
Ik hou van haar commentaar op teksten, boeken, schrijvers en taal... en van de wel gekozen citaten van het erudiete gezelschap dat ze ten tonele voert.
Ondanks alles draait deze thriller om macht en geld en loyauteit. Er zijn een aantal leuke parallelle constructies in de verhouding tussen twee verschillende leerlingen en hun meester. De meesters roken havanna’s, de leerlingen zijn niet-rokers...
Wat ik geestig vind, bijna als running gag, is het commentaar op de Belgische figuur Alfons Jonckx. Le petit Belge, die altijd wat wordt onderschat. Hij is verstandig, wil er bij horen, is gretig in het genieten van luxe en het werven van fondsen. Door zijn gebrek aan ‘aristocratie’ valt hij echter geregeld door de mand.
Mieke de Loof maakt met dit boek komaf met het idee dat spannende boeken niet literair kunnen zijn. Je leest er mooie paragrafen in over liefde, eenzaamheid en het verstrijken van de tijd.
Bewust vertel ik niets over de inhoud. Het vernuftige verhaal moeten jullie zelf ontrafelen. Een aanrader waarmee je aangename uurtjes kan doorbrengen.
Annmarie Sauer
Antwerpen
25/3/08
26 maart 2008
Oostduinkerkse brieven - 6
Beste vriend,
Ik word de laatste tijd overdonderd met de vraag of ik wil meewerken aan poëziemanifestaties, maar ik (be)dank voor de eer wegens niet-geïnteresseerd en te oud. Je moet oud worden (lees: zijn) om nog eens mee te mogen doen met de “groten van deze aarde”. Ook de verkoop van mijn recentste boeken gaat beter. Hartverwarmend? Ja, maar ik lig daar niet over te (wens)dromen, hé. Je moet niet wanhopen, vriend, de boeken die jij in je rechtmatig bezit hebt, zul je wel aan de straatstenen kwijt kunnen wanneer ik dood ben. Breng een groot deel ervan naar Oostduinkerke, loop eerst even langs bij de burgemeester en rijd met de rest naar het (gratis) containerpark.
Het overlijden van Hugo Claus is voor mij een welkome gebeurtenis: ik doe aan bodemonderzoek, ik vul enkele e-zines met mijn bevindingen, ik schud mensen wakker die Het verdriet van België niet of niet goed hebben gelezen. Zo zie je maar: iemands dood is andermans brood. Beeld je maar niets in, vriend, ik heb het over een schnabbel. Is Constance Bossuyt de moeder van Hugo? Is zij Germaine Vanderlinden, geboren te Harelbeke? Had zij een relatie met een Duitse officier in de ERLA te Kortrijk (het huidige VTI)? De bronnen die ik hiervoor raadpleeg zijn legio, zoals de vertellingen van mijn vader die in dezelfde periode van Constance in de ERLA werkte, verwijzingen in zijn autobiografisch Verdriet, zowel van personen als van feiten en locaties. Enfin, ik ben weer een tijdje zoet?
Ik lees Het verdriet van België voor de derde keer. Waarom? Goed geschreven, wat geen garantie is voor alle werk van den Hugo. Hij schreef ook veel brol. Maar goed, daar heb ik het een volgende keer over. Waarom Het verdriet? Zelfherkenning, soms lijk ik wel Louis te zijn: pensionaat (internaat), lid van de Jeugdraad voor Vlaamse Actie (Antwerpen), goed bevriend met de latere VU-parlementariër Luc Vansteenkiste, de avontuurtjes met nichtjes en neefjes, ja, vriend, in het college werd ik een echte flamingant en reed met “Daels vrij” op mijn fietsje Wevelgem en omstreken rond, ik trad op als woordvoerder van de KSA, maar speelde meer de opposant omwille van de kruiperigheid voor Kerk en pastoors, verscheen in Wakken, op het kasteel, om mij in te schrijven bij de Dietse Jeugd (Luc deed het, ik aarzelde), … en natuurlijk het feit dat ik mij goed de verhalen van mijn vader herinner uit zijn ERLA-periode, waar hij de rechterhand was van hovenier Leon Vanpoucke, op wiens mooie dochter ik tot over mijn oren verliefd werd.
En dan de Kortrijkse situaties… de burgerij, de (Franstalige) bourgeoisie, de zwarten, de witten (die vroeger zwart waren geweest), de cafés, de schouwburg. Een heerlijk boek!
Ik heb veel werk, vriend. Té veel? Neen zeker, een oude man moet zijn bezigheid hebben.
In “De Verfpot” verscheen een voorpublicatie van De doden zwijgen niet. Ik kreeg goede commentaar, zoals spannend, nieuwsgierig, ongeduldig… Indien de roman wordt voorgesteld, zal het in mei of juni zijn, hier in Oostduinkerke of Koksijde. Wat mij wel opvalt, is dat de dienst Vrije tijd & Cultuur blijkbaar geen kaas heeft gegeten van een duo-presentatie: een beeldende kunstenaar en een schrijver. Maar we geraken er wel uit. Hoop ik. Anders geen voorstelling.
Op stapel staan geen concepten meer, maar wel de afwerking van de lopende projecten, zoals de hierboven genoemde politieroman, het eerste jaarboek van “De 50 Meesterdichters van de Lage Landen bij de zee”, een nieuwe gedichtenbundel met Oostduinkerkse gedichten, een essay over de wetenschap van het spirituele, een biografie en een “politieke ideeënboek”. En dan? Het tweede jaarboek, bij leven en welzijn. En dan? Pauze, bezinning, evaluatie, testamentaire handelingen, uitdoven… Tenzij ik tijd in overvloed krijg toegemeten, dan zou ik, neen, ik zou niets anders doen dan reizen, met de auto (het liefst), met de bus (in select gezelschap), met het vliegtuig (niet met metaalmoeë toestellen), met mijn kinderen…
Is het einde in zicht? Ja, natuurlijk, vriend. Maar ik ben niet bang voor de dood, wel om dood te gaan. ’t Zal toch voor morgen niet zijn? Amai, wat zou ik in dat geval doen? Vlug mijn testament (her)lezen, de kinderen bijeen roepen en hun wijzen op de (mantel)zorg waarmee zij mijn vrouwtje moeten omringen. Zou ik ook denken aan de filosofie die ik in Schoon volk in de hemel heb beschreven, met als cliffhanger de geestelijke wereld? Ik weet het niet, ik doe zo hard mijn best om lang herinnerd te worden, wie schrijft die blijft en ik schrijf mij ten krampen uit.
Ik heb jouw essay Zot van boeken nog niet aandachtig kunnen lezen. De vorm lijkt mij wel goed, toch bij een eerste indruk, maar de inhoud, hoe simpel ook “uit de boeken” gedaan, is voor specialisten. Dit neemt niet weg dat dit essay een héél bruibaar instrument kan zijn voor iedereen die evenveel met boeken is begaan als jij. Maar later geef ik grondiger commentaar. Ik hoop dat je een uitgever vindt. Ook als je geen waardig onderdak vindt, is je tijd goed besteed!
Groetjes,
Thierry
Ik word de laatste tijd overdonderd met de vraag of ik wil meewerken aan poëziemanifestaties, maar ik (be)dank voor de eer wegens niet-geïnteresseerd en te oud. Je moet oud worden (lees: zijn) om nog eens mee te mogen doen met de “groten van deze aarde”. Ook de verkoop van mijn recentste boeken gaat beter. Hartverwarmend? Ja, maar ik lig daar niet over te (wens)dromen, hé. Je moet niet wanhopen, vriend, de boeken die jij in je rechtmatig bezit hebt, zul je wel aan de straatstenen kwijt kunnen wanneer ik dood ben. Breng een groot deel ervan naar Oostduinkerke, loop eerst even langs bij de burgemeester en rijd met de rest naar het (gratis) containerpark.
Het overlijden van Hugo Claus is voor mij een welkome gebeurtenis: ik doe aan bodemonderzoek, ik vul enkele e-zines met mijn bevindingen, ik schud mensen wakker die Het verdriet van België niet of niet goed hebben gelezen. Zo zie je maar: iemands dood is andermans brood. Beeld je maar niets in, vriend, ik heb het over een schnabbel. Is Constance Bossuyt de moeder van Hugo? Is zij Germaine Vanderlinden, geboren te Harelbeke? Had zij een relatie met een Duitse officier in de ERLA te Kortrijk (het huidige VTI)? De bronnen die ik hiervoor raadpleeg zijn legio, zoals de vertellingen van mijn vader die in dezelfde periode van Constance in de ERLA werkte, verwijzingen in zijn autobiografisch Verdriet, zowel van personen als van feiten en locaties. Enfin, ik ben weer een tijdje zoet?
Ik lees Het verdriet van België voor de derde keer. Waarom? Goed geschreven, wat geen garantie is voor alle werk van den Hugo. Hij schreef ook veel brol. Maar goed, daar heb ik het een volgende keer over. Waarom Het verdriet? Zelfherkenning, soms lijk ik wel Louis te zijn: pensionaat (internaat), lid van de Jeugdraad voor Vlaamse Actie (Antwerpen), goed bevriend met de latere VU-parlementariër Luc Vansteenkiste, de avontuurtjes met nichtjes en neefjes, ja, vriend, in het college werd ik een echte flamingant en reed met “Daels vrij” op mijn fietsje Wevelgem en omstreken rond, ik trad op als woordvoerder van de KSA, maar speelde meer de opposant omwille van de kruiperigheid voor Kerk en pastoors, verscheen in Wakken, op het kasteel, om mij in te schrijven bij de Dietse Jeugd (Luc deed het, ik aarzelde), … en natuurlijk het feit dat ik mij goed de verhalen van mijn vader herinner uit zijn ERLA-periode, waar hij de rechterhand was van hovenier Leon Vanpoucke, op wiens mooie dochter ik tot over mijn oren verliefd werd.
En dan de Kortrijkse situaties… de burgerij, de (Franstalige) bourgeoisie, de zwarten, de witten (die vroeger zwart waren geweest), de cafés, de schouwburg. Een heerlijk boek!
Ik heb veel werk, vriend. Té veel? Neen zeker, een oude man moet zijn bezigheid hebben.
In “De Verfpot” verscheen een voorpublicatie van De doden zwijgen niet. Ik kreeg goede commentaar, zoals spannend, nieuwsgierig, ongeduldig… Indien de roman wordt voorgesteld, zal het in mei of juni zijn, hier in Oostduinkerke of Koksijde. Wat mij wel opvalt, is dat de dienst Vrije tijd & Cultuur blijkbaar geen kaas heeft gegeten van een duo-presentatie: een beeldende kunstenaar en een schrijver. Maar we geraken er wel uit. Hoop ik. Anders geen voorstelling.
Op stapel staan geen concepten meer, maar wel de afwerking van de lopende projecten, zoals de hierboven genoemde politieroman, het eerste jaarboek van “De 50 Meesterdichters van de Lage Landen bij de zee”, een nieuwe gedichtenbundel met Oostduinkerkse gedichten, een essay over de wetenschap van het spirituele, een biografie en een “politieke ideeënboek”. En dan? Het tweede jaarboek, bij leven en welzijn. En dan? Pauze, bezinning, evaluatie, testamentaire handelingen, uitdoven… Tenzij ik tijd in overvloed krijg toegemeten, dan zou ik, neen, ik zou niets anders doen dan reizen, met de auto (het liefst), met de bus (in select gezelschap), met het vliegtuig (niet met metaalmoeë toestellen), met mijn kinderen…
Is het einde in zicht? Ja, natuurlijk, vriend. Maar ik ben niet bang voor de dood, wel om dood te gaan. ’t Zal toch voor morgen niet zijn? Amai, wat zou ik in dat geval doen? Vlug mijn testament (her)lezen, de kinderen bijeen roepen en hun wijzen op de (mantel)zorg waarmee zij mijn vrouwtje moeten omringen. Zou ik ook denken aan de filosofie die ik in Schoon volk in de hemel heb beschreven, met als cliffhanger de geestelijke wereld? Ik weet het niet, ik doe zo hard mijn best om lang herinnerd te worden, wie schrijft die blijft en ik schrijf mij ten krampen uit.
Ik heb jouw essay Zot van boeken nog niet aandachtig kunnen lezen. De vorm lijkt mij wel goed, toch bij een eerste indruk, maar de inhoud, hoe simpel ook “uit de boeken” gedaan, is voor specialisten. Dit neemt niet weg dat dit essay een héél bruibaar instrument kan zijn voor iedereen die evenveel met boeken is begaan als jij. Maar later geef ik grondiger commentaar. Ik hoop dat je een uitgever vindt. Ook als je geen waardig onderdak vindt, is je tijd goed besteed!
Groetjes,
Thierry
25 maart 2008
Geschikt indien getikt! - 8+9
De feiten kunnen niet geloochend worden. Van een werkelijk sociaal beleid, van echte solidariteit kan vandaag nauwelijks sprake zijn. Het is veeleer een valse solidariteit. Nog steeds leven tienduizenden mensen in mensonwaardige omstandigheden, in verkrotte woningen, met schamele bestaansminima, zonder scholing, zonder opleiding.
Hoe kan het dat wij ieder jaar meer dan duizend miljard aan sociale zekerheid besteden, zonder dat zij die het meest hulpbehoevend zijn daadwerkelijk geholpen worden? Waar ligt de oorzaak voor dit falen? De oorzaak ligt in het feit dat er veel te weinig overblijft om de echte behoeftigen, de zogenaamde vierde wereld, daadwerkelijk ter hulp te komen. Bovendien raken de echte behoeftigen niet over de bureaucratische en reglementaire hindernissen die de toegang tot de sociale voorzieningen versperren. Uiteindelijk zijn de enige winnaars de zuilen die in het systeem optreden als verdelingsfondsen. Hun macht en hun invloed op het leven van de mensen is hierdoor zo mogelijk nog groter geworden dan deze van de staat en de administratie. Met solidariteit heeft dit alles niets meer te maken, hoewel het nog zo wordt verkocht. De mensen hebben het echter stilaan door. Zij zien ook de verpaupering en de verkrotting. Zij kennen zelf in hun buurt of in hun straat mensen die in nood leven, die het met minder dan niets moeten stellen, terwijl anderen, die het niet nodig hebben, royaal van de sociale zekerheid of van de werkloosheidsuitkeringen genieten.
Aan de zwakste mensen moet, in plaats van een aalmoes zoals dat nu het geval is, een volwaardig inkomen ter hand worden gesteld. Dit inkomen moet voldoende hoog zijn om in menswaardige omstandigheden te kunnen leven. Aan hen die een onvoldoende inkomen hebben, moet de overheid een woon-, gezondheids- of pensioenkrediet toekennen. Een reëel sociaal beleid voeren en de armoede bannen uit onze samenleving, vergt dus niet dat de overheid zelf de sociale voorzieningen organiseert of sociale kazernes bouwt, maar wel dat de overheid erover waakt en er zorg voor draagt dat de zwaksten de middelen in handen krijgen om zelf de elementaire voorzieningen te kunnen aanschaffen. Een reëel sociaal beleid voeren, betekent ook dat het gebrek aan verantwoordelijkheid van sommigen niet zomaar op de gemeenschap kan worden afgewenteld.
Dat de gemeenschap een sociaal beleid voert, houdt geenszins in dat men zijn eigen verantwoordelijkheid kan ontvluchten of zijn plicht kan afkopen. Een echt sociaal beleid zal ook meer oog moeten hebben voor de alsmaar groter wordende groep van ouderen, bejaarden, de hulpbehoevende gepensioneerden, verspreid over honderden rust- en verzorgingsinstellingen. Net zoals er ook meer aandacht zal moeten besteed worden aan hen die zich, dag in dag uit, met de zieken, de bejaarden, de mentaal en fysiek gehandicapten bezighouden. De lonen die vandaag worden uitbetaald aan mensen die hun leven wijden aan het bijstaan en verzorgen van vooral ouderen waar nog nauwelijks door het gezin of de familie naar omgekeken wordt, moeten drastisch worden verhoogd.
Verdraagzaamheid! Neen aan het racisme! Stop het fascisme! Dit zijn slogans die dateren uit een ander tijdperk en nu voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog opnieuw massaal worden gescandeerd. Zij zijn gericht tegen de opkomst van het nieuwe extremisme. Wat gaat er mis? Vanwaar dit nieuwe extremisme? Hoe het te stoppen? Want één zaak is zeker, deze kanker moet worden gestopt.
In een wereld die razendsnel evolueert en waar de zekerheden van gisteren wegsmelten, voelen velen zich verloren en vertwijfeld. Ze hebben de veranderingen niet verteerd, hun horizon wankelt.
Het vijandbeeld dat het Westen er gisteren nog op nahield, “het rode gevaar”, is omgeslagen in samenwerking en een begin van vriendschap. België is grondwettelijk en economisch in crisis geraakt. Onze steden zijn na de fusies van de jaren zeventig, groter en killer geworden. Ook de buurt, de wijk, de straat waarin we leven, hebben een ander gezicht gekregen.
Wie slaagde in het leven is vertrokken, gaan wonen buiten de stad. Wie minder geluk had, bleef in de stadskern: soms in grauwe wijken met veel verkrotte huizen en omgeven door vreemdelingen die we migranten zijn gaan noemen. In zo'n wereld overleven vergt een sterk bewustzijn, een diep besef van de eigen identiteit. En velen bezitten die niet. Het zijn zij die ten prooi vallen aan het nieuwe extremisme, het nieuwe “houvast” tegenover de onzekere toekomst. Het houvast te behoren tot een groep, een volk of een ras. Wat er fout gaat, is de schuld van de andere groep, de rivaliserende clan, het ingeweken volk. Wie nog het vertrouwde uiterlijk en gedrag vertoont van de eigen groep, wordt getolereerd, de rest niet.
De vraag is natuurlijk: hoe deze toestand verhelpen? Volstaat het de bevolking in te delen in een goede en een kwade helft, racisten en niet-racisten, verdraagzamen en intoleranten? Komen we er zo uit? Of bereiken we hierdoor niet net het tegenovergestelde? Het antwoord is niet eenvoudig.
Op het eerste zicht is de keuze die men ons vandaag voorhoudt, erg simpel. Het is een keuze pro of contra de zogenaamde multiculturele samenleving. Het rechtse extremisme stelt dat zo'n samenleving niet mogelijk is en dat de vreemdelingen uitgeprocedeerd moeten worden. Anderen vinden het tegendeel. Uiteenlopende culturen kunnen ook in één samenleving vreedzaam naast elkaar bestaan. Het is puur een kwestie van ingesteldheid en van opvoeding.
Is het ook de juiste keuze? Bestaat er ergens ter wereld één zogenaamde multiculturele samenleving? En bestaat er ergens op deze aardbol één moderne samenleving die geen etnische invloeden van buitenaf heeft ondergaan? Neen, het ene noch het andere bestaat. Er zijn wel landen waar verschillende volkeren of meerdere religies naast elkaar gedijen, maar iedere keer is er een gemeenschappelijke band, één cultuur, één gemeenschappelijk verleden dat geschiedenis heet. Het is echter dwaas te beweren dat een moderne samenleving kan overleven zonder invloeden van buitenaf. De keuze tussen een multicultureel samenlevingsmodel of een massale terugkeer van vreemdelingen naar hun land van herkomst is een simplisme.
Is er echter een andere keuze? Is er een derde weg? Ja. Het is de moeilijke, de aartsmoeilijke weg van de “inburgering” om het met een eenvoudig woord te zeggen. Het gaat erom, dat de - overwegend islamitische migranten - de bij ons geldende levenswijze en waarden aanvaarden.
Het naast elkaar leven van culturen en godsdiensten in West-Europa kan natuurlijk, maar dan wel met eerbiediging van de waarden die ten grondslag liggen aan onze beschaving en die hun uitdrukking vinden in de elementaire rechten en vrijheden die in onze grondwet opgenomen en gewaarborgd zijn.
De vrijheid van godsdienstbeleving is een van de fundamentele vrijheden in de vrije democratie. Van zodra de islam echter de staat en de samenleving wil ordenen overeenkomstig haar morele beginselen en haar opvatting over wat goed en kwaad is, wordt de grens van de verdraagzaamheid overschreden. Wij moeten onze waarden intact houden: de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van godsdienstbeleving, de gelijke behandeling van man en vrouw, het pluralisme, de scheiding van Kerk en Staat. Deze waarden doen aanvaarden en er naar laten leven ook is de weg van de “inburgering” die moet worden bewandeld.
Zij die desondanks bij het integrisme en fundamentalisme willen blijven, moeten de kans krijgen terug te keren naar hun land van herkomst. Tegelijkertijd onderstelt de “inburgering” ook een onverbiddelijke houding tegenover de illegale migratie en een snellere afhandeling van de aanvragen van vreemdelingen die Belg willen worden of van asielzoekers.
Omdat onze samenleving ook niet alle vluchtelingen, politieke en economische, een onderdak kan verschaffen, moeten wij ons concentreren op die mensen uit andere continenten, die wegens hun politieke overtuiging worden vervolgd en voor wie het Westen het enige toevluchtsoord is. Uiteindelijk zullen de migratiestromen tot stilstand komen wanneer daar ter plaatse welvaart tot stand komt. Dit veronderstelt de verbanning van het protectionisme en het opzetten van een echte vrije wereldhandel.
Joris
Hoe kan het dat wij ieder jaar meer dan duizend miljard aan sociale zekerheid besteden, zonder dat zij die het meest hulpbehoevend zijn daadwerkelijk geholpen worden? Waar ligt de oorzaak voor dit falen? De oorzaak ligt in het feit dat er veel te weinig overblijft om de echte behoeftigen, de zogenaamde vierde wereld, daadwerkelijk ter hulp te komen. Bovendien raken de echte behoeftigen niet over de bureaucratische en reglementaire hindernissen die de toegang tot de sociale voorzieningen versperren. Uiteindelijk zijn de enige winnaars de zuilen die in het systeem optreden als verdelingsfondsen. Hun macht en hun invloed op het leven van de mensen is hierdoor zo mogelijk nog groter geworden dan deze van de staat en de administratie. Met solidariteit heeft dit alles niets meer te maken, hoewel het nog zo wordt verkocht. De mensen hebben het echter stilaan door. Zij zien ook de verpaupering en de verkrotting. Zij kennen zelf in hun buurt of in hun straat mensen die in nood leven, die het met minder dan niets moeten stellen, terwijl anderen, die het niet nodig hebben, royaal van de sociale zekerheid of van de werkloosheidsuitkeringen genieten.
Aan de zwakste mensen moet, in plaats van een aalmoes zoals dat nu het geval is, een volwaardig inkomen ter hand worden gesteld. Dit inkomen moet voldoende hoog zijn om in menswaardige omstandigheden te kunnen leven. Aan hen die een onvoldoende inkomen hebben, moet de overheid een woon-, gezondheids- of pensioenkrediet toekennen. Een reëel sociaal beleid voeren en de armoede bannen uit onze samenleving, vergt dus niet dat de overheid zelf de sociale voorzieningen organiseert of sociale kazernes bouwt, maar wel dat de overheid erover waakt en er zorg voor draagt dat de zwaksten de middelen in handen krijgen om zelf de elementaire voorzieningen te kunnen aanschaffen. Een reëel sociaal beleid voeren, betekent ook dat het gebrek aan verantwoordelijkheid van sommigen niet zomaar op de gemeenschap kan worden afgewenteld.
Dat de gemeenschap een sociaal beleid voert, houdt geenszins in dat men zijn eigen verantwoordelijkheid kan ontvluchten of zijn plicht kan afkopen. Een echt sociaal beleid zal ook meer oog moeten hebben voor de alsmaar groter wordende groep van ouderen, bejaarden, de hulpbehoevende gepensioneerden, verspreid over honderden rust- en verzorgingsinstellingen. Net zoals er ook meer aandacht zal moeten besteed worden aan hen die zich, dag in dag uit, met de zieken, de bejaarden, de mentaal en fysiek gehandicapten bezighouden. De lonen die vandaag worden uitbetaald aan mensen die hun leven wijden aan het bijstaan en verzorgen van vooral ouderen waar nog nauwelijks door het gezin of de familie naar omgekeken wordt, moeten drastisch worden verhoogd.
Verdraagzaamheid! Neen aan het racisme! Stop het fascisme! Dit zijn slogans die dateren uit een ander tijdperk en nu voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog opnieuw massaal worden gescandeerd. Zij zijn gericht tegen de opkomst van het nieuwe extremisme. Wat gaat er mis? Vanwaar dit nieuwe extremisme? Hoe het te stoppen? Want één zaak is zeker, deze kanker moet worden gestopt.
In een wereld die razendsnel evolueert en waar de zekerheden van gisteren wegsmelten, voelen velen zich verloren en vertwijfeld. Ze hebben de veranderingen niet verteerd, hun horizon wankelt.
Het vijandbeeld dat het Westen er gisteren nog op nahield, “het rode gevaar”, is omgeslagen in samenwerking en een begin van vriendschap. België is grondwettelijk en economisch in crisis geraakt. Onze steden zijn na de fusies van de jaren zeventig, groter en killer geworden. Ook de buurt, de wijk, de straat waarin we leven, hebben een ander gezicht gekregen.
Wie slaagde in het leven is vertrokken, gaan wonen buiten de stad. Wie minder geluk had, bleef in de stadskern: soms in grauwe wijken met veel verkrotte huizen en omgeven door vreemdelingen die we migranten zijn gaan noemen. In zo'n wereld overleven vergt een sterk bewustzijn, een diep besef van de eigen identiteit. En velen bezitten die niet. Het zijn zij die ten prooi vallen aan het nieuwe extremisme, het nieuwe “houvast” tegenover de onzekere toekomst. Het houvast te behoren tot een groep, een volk of een ras. Wat er fout gaat, is de schuld van de andere groep, de rivaliserende clan, het ingeweken volk. Wie nog het vertrouwde uiterlijk en gedrag vertoont van de eigen groep, wordt getolereerd, de rest niet.
De vraag is natuurlijk: hoe deze toestand verhelpen? Volstaat het de bevolking in te delen in een goede en een kwade helft, racisten en niet-racisten, verdraagzamen en intoleranten? Komen we er zo uit? Of bereiken we hierdoor niet net het tegenovergestelde? Het antwoord is niet eenvoudig.
Op het eerste zicht is de keuze die men ons vandaag voorhoudt, erg simpel. Het is een keuze pro of contra de zogenaamde multiculturele samenleving. Het rechtse extremisme stelt dat zo'n samenleving niet mogelijk is en dat de vreemdelingen uitgeprocedeerd moeten worden. Anderen vinden het tegendeel. Uiteenlopende culturen kunnen ook in één samenleving vreedzaam naast elkaar bestaan. Het is puur een kwestie van ingesteldheid en van opvoeding.
Is het ook de juiste keuze? Bestaat er ergens ter wereld één zogenaamde multiculturele samenleving? En bestaat er ergens op deze aardbol één moderne samenleving die geen etnische invloeden van buitenaf heeft ondergaan? Neen, het ene noch het andere bestaat. Er zijn wel landen waar verschillende volkeren of meerdere religies naast elkaar gedijen, maar iedere keer is er een gemeenschappelijke band, één cultuur, één gemeenschappelijk verleden dat geschiedenis heet. Het is echter dwaas te beweren dat een moderne samenleving kan overleven zonder invloeden van buitenaf. De keuze tussen een multicultureel samenlevingsmodel of een massale terugkeer van vreemdelingen naar hun land van herkomst is een simplisme.
Is er echter een andere keuze? Is er een derde weg? Ja. Het is de moeilijke, de aartsmoeilijke weg van de “inburgering” om het met een eenvoudig woord te zeggen. Het gaat erom, dat de - overwegend islamitische migranten - de bij ons geldende levenswijze en waarden aanvaarden.
Het naast elkaar leven van culturen en godsdiensten in West-Europa kan natuurlijk, maar dan wel met eerbiediging van de waarden die ten grondslag liggen aan onze beschaving en die hun uitdrukking vinden in de elementaire rechten en vrijheden die in onze grondwet opgenomen en gewaarborgd zijn.
De vrijheid van godsdienstbeleving is een van de fundamentele vrijheden in de vrije democratie. Van zodra de islam echter de staat en de samenleving wil ordenen overeenkomstig haar morele beginselen en haar opvatting over wat goed en kwaad is, wordt de grens van de verdraagzaamheid overschreden. Wij moeten onze waarden intact houden: de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van godsdienstbeleving, de gelijke behandeling van man en vrouw, het pluralisme, de scheiding van Kerk en Staat. Deze waarden doen aanvaarden en er naar laten leven ook is de weg van de “inburgering” die moet worden bewandeld.
Zij die desondanks bij het integrisme en fundamentalisme willen blijven, moeten de kans krijgen terug te keren naar hun land van herkomst. Tegelijkertijd onderstelt de “inburgering” ook een onverbiddelijke houding tegenover de illegale migratie en een snellere afhandeling van de aanvragen van vreemdelingen die Belg willen worden of van asielzoekers.
Omdat onze samenleving ook niet alle vluchtelingen, politieke en economische, een onderdak kan verschaffen, moeten wij ons concentreren op die mensen uit andere continenten, die wegens hun politieke overtuiging worden vervolgd en voor wie het Westen het enige toevluchtsoord is. Uiteindelijk zullen de migratiestromen tot stilstand komen wanneer daar ter plaatse welvaart tot stand komt. Dit veronderstelt de verbanning van het protectionisme en het opzetten van een echte vrije wereldhandel.
Joris
Voor wie "Het Verdriet van België" (nog) niet heeft gelezen!
Hugo Claus – Het verdriet van België
De Bezige Bij, Amsterdam (1983)
Titelverklaring:
Louis wordt door zijn oma betrapt als hij geld steelt van tante Violet. Zij zegt daarop: “Het verdriet van België, dat zijt gij.”. Louis schrijft een novelle genaamd “Het verdriet”. Op advies van de jury (die de novelle beoordeelt) wordt deze titel veranderd in “Het verdriet van België”.
De auteur:
Hugo Maurice Julien Claus wordt geboren op 5 april 1929 in Brugge, België. Al kort na zijn geboorte raakt zijn moeder opnieuw in verwachting. Om haar rust te geven wordt hij, als hij 1 ½ jaar is, opgenomen in een pensionaat. Vanaf zijn vierde levensjaar verblijft hij bij de Zusters van Liefde in Aalbeke. In 1940 keert hij weer terug naar zijn ouderlijk huis, maar zes jaar later vertrekt hij weer. Claus verblijft enige tijd in Parijs, waar hij kennis maakt met het surrealisme en het existentialisme. In 1947 debuteert hij met de gedichtenbundel Kleine reeks. Terug in Vlaanderen ontmoet hij Elly Overzier, met wie hij in 1950 weer naar Parijs vertrekt. In datzelfde jaar wordt hij lid van Cobra en wijdt hij zich aan literatuur, schilderkunst en toneel. Zijn roman De Metsiers wordt zijn eerste echte succes. Van 1953 tot 1955 verblijft hij in Italië, waar Elly in enkele films acteert. In 1955 trouwen zij. In de jaren die daarop volgen laat de veelzijdige Claus veel van zich horen. Hij schrijft romans, verhalen, gedichten en toneelstukken. Ook geniet hij bekendheid als filmregisseur, scenarioschrijver en beeldend kunstenaar. In 1970 krijgt hij een relatie met de Nederlandse actrice Kitty Courbois. Drie jaar later gaat hij met de actrice Sylvia Kristel samenwonen in Parijs. De relatie wordt in 1978 beëindigd en Claus keert terug naar Gent. In 1983 schrijft hij de populaire roman Het verdriet van België, dat in 1994 verfilmd wordt door Claude Goretta. Op 12 juni 1993 trouwt hij met Veerle de Wit. In zijn carrière ontvangt hij meer dan 40 literaire prijzen, waaronder de Vlaamse Staatsprijs voor Toneel & Letterkunde, de Constantijn Huygensprijs en de Prijs der Nederlandse Letteren.
Selectie van zijn werk:
Kleine reeks (1947), De Metsiers (1950), De koele minnaar (1956), Suiker (1958), De dans van de reiger (1962, verfilmd in 1996), De vijanden (1967), Vrijdag - in vijf scènes (1969, verfilming in 1981 met Claus zelf als regisseur), Het graf van Pernath (1978), Het verdriet van België (1983, verfilmd in 1994), Serenade (1984), Sonnetten (1988), Een zachte vernieling (1988), Belladonna (1994), De Geruchten (1996).
Literaire stroming:
De roman behoort tot de stroming van de experimentele proza.
Genre:
Het verdriet van België is een veelzijdige roman. Deze roman bevat namelijk elementen uit verschillende soorten romans.
Ontwikkelingsroman:
Het behandelt de persoonlijke ontwikkeling van de hoofdfiguur Louis.
Sociale roman:
De roman gaat daarnaast in op het uiteenvallen van het gezin en de invloed van de katholieke kerk op het dagelijkse leven van de Vlamingen.
Oorlogsroman:
De oorlog speelt een grote rol in de belevingswereld van de verhaalfiguren. Iedereen ervaart de oorlog op een andere manier.
Samenvatting:
Louis Seynaeve is een jongen van elf jaar. Hij groeit op in het nonneninternaat te Haarbeke, genaamd het Gesticht. Samen met Dondeyne, Byttebier en Vlieghe vormt hij de vier apostelen. Later wordt de club versterkt met Goossens. De club beheert een aantal ‘verboden boeken’. Vader en opa Seynaeve komen Louis bezoeken. Ze vertellen hem dat zijn moeder van de trap gevallen is. Ze blijkt echter zwanger te zijn en is naar het ziekenhuis gebracht om daar te bevallen.
De paasvakantie mag Louis thuis, bij zijn familie in Walle, doorbrengen. Louis wordt ontvangen met een beeldje van een Duitse jongen met een hakenkruis. Samen met zijn vader brengt hij een bezoek aan Bomama, de moeder van zijn vader. Op zondag gaan ze naar een voetbalwedstrijd om te kijken naar Nonkel Florent, die reservekeeper is van Walle Sport. Hij blijkt vertrokken te zijn naar een andere club, genaamd Walle Stade. Vader is teleurgesteld, omdat hij Walle Stade een club vindt voor armoedzaaiers. Louis bezoekt met zijn moeder een voorstelling, "het pakket van de soldaat" geheten. De moraal "toujours sourire" (altijd blijven lachen) spreekt hem bijzonder aan.
Als Louis terug is in het Gesticht, geeft hij te kennen dat hij de leider van de vijf apostelen wil worden. Hij krijgt echter niet de steun van de anderen. Louis brengt een bezoek aan Zuster Sint Gerolf. Ze zit vastgebonden op een stoel en Louis steelt één van haar loden bikkels. De volgende dag vertelt hij Vlieghe een verhaal over de "gouden" bikkel. De bikkel is een gewricht van het gestorven kind van de Zuster. Vlieghe gelooft hem niet. Opa en Tante Nora komen in het Gesticht langs om te vertellen dat Louis’ broertje dood geboren is. Daarop nemen ze hem mee naar de familie van zijn moeder in Bastegem.
Louis maakt kennis met Raf de Bock, die zijn vakantievriend wordt. Samen besluipen ze het kasteel van madame Laura, een hoer. Oma Meerke vertelt over haar overleden man, opa Basiel. Nonkel Omer komt thuis en neemt Louis mee naar Holst. Daar treffen zij madame Laura, op wie Holst al vanaf zijn veertiende verliefd is. Louis moet weer terug naar het Gesticht en krijgt van Raf een herinnering mee: een slip van madame Laura. Nonkel Armand geeft deze echter aan Louis’ moeder.
Terug in het Gesticht gedraagt Louis zich erg opstandig. Hij voelt zich door zijn moeder verlaten en vertelt Vlieghe dat hij meer om hem geeft, dan om zijn moeder. Vlieghe vindt het maar onzin. Louis zegt aan Dondeyne dat Vlieghe maar beter niet geboren had kunnen worden. Vlieghe is boos en beledigt Louis’ moeder. Louis weet de anderen te overtuigen dat Vlieghe een spion is. Hij wordt met zijn blote billen in een mand gedrukt, waarop Louis hem een bikkel tussen zijn billen stopt. Louis gaat met zijn moeder weer mee naar huis, omdat de oorlog steeds dichterbij komt.
Louis’ familie is grotendeels Duitsgezind. Als vader zijn auto kwijtraakt, kan zelfs de politieman - en grote vriend - Theo van Paemel, hem niet helpen. Er is namelijk een groot dossier van vader waarin vermeld staat dat hij Duitse sympathieën koestert. Nonkel Firmin en Tante Berenice nemen afscheid van de familie, omdat ze willen vluchten naar Frankrijk. Zodra de oorlog uitbreekt, vlucht Louis’ vader in een brandweerauto richting Frankrijk. Louis is opgelucht dat de Duitsers België binnenvallen. Hij heeft het gevoel dat hij nu ècht onder de Germanen is en denkt dat de oorlog zelfs goed is voor Vlaanderen.
Louis bezoekt het college Flandria en maakt daar kennis met priester De Kei. De priester schenkt bijzonder veel aandacht aan Louis. Louis en Maurice de Potter worden boezemvrienden. Samen bezoeken ze de "Vlaamse Kop" Marnix de Puydt. Louis besluit dat hij ook schrijver wil worden. Na drie weken keert vader weer terug. Zijn drukkerij loopt slecht en hij kan niet meer aan papier komen. Moeder gaat, als secretaresse van Herr Lausengier, werken in de ERLA-fabriek. Maurice krijgt intussen een onfortuinlijk ongeluk. Hij valt met zijn oog op de punt van een hek en overlijdt. Bij zijn begrafenis scheldt Louis de priester uit. Hij riskeert daarmee een schorsing. Samen met vader bezoekt hij het hoofd van de school. De schorsing gaat echter niet door, omdat Louis’ moeder kan voorkomen dat de neef van de priester in Duitsland te werk wordt gesteld.
Louis besluit zich aan te melden bij de NSJV (Nationaal Socialistische Jeugd Vlaanderen), de jeugdafdeling van het fascistische Vlaamsch Nationaal Verbond. Hij leest veel en schrijft bestaande teksten over. Als hij op een dag op wacht staat voor de Flandria, ziet hij zijn moeder lopen met haar baas. Ze doet net alsof ze haar zoon niet ziet. Later wordt hun geheime verhouding steeds duidelijker. Vader en de Kei zijn boos op Louis’ lidmaatschap van de NSJV. Tijdens een uitstapje van de NSJV ontmoet Louis de dochter van de apotheker, Simone Paelinck. Na een schermwedstrijdje van de NSJV wordt Louis onder de douche geplaagd. Hij bezoekt de vergaderingen niet meer en een tijdje later valt hij flauw. In de ERLA-fabriek wordt hij onderzocht door een dokter. Als deze hem vraagt zijn broek naar beneden te doen, voelt hij zich vernederd. Hij besluit wraak te nemen. Hij onthult thuis alles over de verhouding van moeder met Lausengier, waarop zijn ouders grote ruzie krijgen.
Het Gesticht is vernield door een bombardement. Veel zusters en kinderen komen om het leven. Zuster Sint Gerolf heeft de aanval overleefd en wordt ondergebracht bij Bomama. Ze snoept van Nonkel Roberts gehakt en sterft aan een voedselvergiftiging. Louis wordt met de Kinderlandverschickung een maand naar Duitsland gestuurd. Hij verblijft daar in een gastgezin en houdt iedere dag in zijn dagboek bij. Bij terugkomst wordt hij door zijn moeder afgehaald. Lausengier blijkt overgeplaatst te zijn naar het Oostfront en moeder is ontroostbaar.
Het gaat steeds slechter met Louis. Hij haalt slechte cijfers op school en moet het schooljaar over doen. In de liefde zit het ook niet mee. Simone Paelinck, de apothekersdochter blijkt verliefd te zijn op een ander. Louis zet zijn vriendschap met Raf de Bock, Holst, Jules Verdonk en Konrad voort. Hij steelt geld van tante Violet en een boek van Holst.
Louis keert terug naar zijn familie in Walle. Hij bezoekt een Franse film in de bioscoop. Daar treft hij tevens zijn vader aan - en dat terwijl hij de film afkeurde! Holst komt langs en belooft Louis dat hij voor meer boeken zal zorgen. Louis en zijn vader gaan naar Madame Laura, in Brussel. Ze vertelt dat ze met Holst gaat trouwen en geeft hun stiekem een grote hoeveelheid boeken mee. Louis verslindt het ene boek na het andere. Na het lezen van deze expressionistische en joodse boeken, stelt Louis langzaam maar zeker zijn mening over de Duitsers bij. Hij brengt ook een aantal van zijn boeken naar tante Nora, die hem verleidt en inwijdt in de liefde.
De opa van Louis trekt in bij zijn dochter, tante Mona. Hij heeft een schuldbekentenis van 100.000 frank getekend op naam van Louis’ vader. Het huis van Louis’ familie moet echter verkocht worden. Louis ontmoet plotseling Vlieghe weer, die lid is geworden van de NSJV. De oorlog loopt ten einde en de geallieerden komen steeds dichterbij. Louis’ familie wordt door Theo van Paemel geadviseerd onder te duiken. Louis neemt afscheid van Bekka (een vriendin van hem) en gaat met haar naar bed. Vader duikt onder en moeder gaat naar villa "Kernamout". Louis duikt onder in het Gesticht in Waffelgem. Na een bezoek van de Witte Brigade (=het verzet) vlucht hij naar zijn opa en tante Mona. Later vertrekt hij met zijn moeder naar oma Meerke in Bastegem. De villa staat echter bekend als Duitsgezind en om de Poolse invasie te voorkomen, barricadeert Nonkel Armand het huis. Louis en Raf gaan langs bij Holst. Madame Laura is verdwenen. Later blijkt dat ze door haar man Holst is vermoord. In die tijd trekt Louis veel op met de Amerikanen en schrijft hij een verhaal voor "Het Laatste Nieuws", genaamd Het Verdriet. Zijn vader wordt opgepakt en gevangen gezet. Als de vader van Louis’ vader overlijdt, weigert hij als gevangene naar de begrafenis te komen.
Louis wordt verleid door Michèle, weduwe van de dokter. Bij zijn thuiskomst hoort hij zijn moeder voorlezen uit zijn verhalenschrift. Louis begint te huilen bij deze belachelijke voordracht, verscheurt het schrift en begint opnieuw. Hij schrijft over zijn verblijf in het Gesticht van Haarbeke. Louis’ moeder weet haar man weer vrij te krijgen. Vader betuigt spijt over zijn jodenhaat. Hij wil naar Argentinië, want in België kan hij alleen maar met meer verdriet te maken krijgen. Louis verneemt van Vlieghes vader, dat Vlieghe zelfmoord heeft gepleegd. Hij had bij een hoer een geslachtsziekte opgelopen en geprobeerd zichzelf te opereren. Louis krijgt een afscheidsbrief van Vlieghe, waarin deze schrijft dat hij altijd van Louis heeft gehouden.
De novelle Het Verdriet wordt door "Het Laatste Nieuws" afgewezen, maar wordt doorgespeeld aan het tijdschrift "Mercurius". Zij nemen het werk wel op. Louis is nu eindelijk ook de Vlaamse kop geworden, die hij altijd al wilde zijn.
Tijd en tijdvolgorde:
De gebeurtenissen vinden plaats in de periode 1938-1947. Ze worden chronologisch verteld, waarbij hoofdzakelijk gebruik is gemaakt van de verleden tijd. Af en toe zijn passages in de tegenwoordige tijd geschreven. De chronologie wordt afgewisseld door enkele flash-backs.
Deel 1 begint in april 1938 en eindigt eind 1939. De vertelde tijd in deel 1 is dus ongeveer 1 ½ jaar. Deel 2 begint half maart 1940. Het verhaal eindigt ongeveer aan het eind van 1947. De vertelde tijd in deel 2 is dus ruim 7 ½ jaar. De totale vertelde tijd komt daarmee op zo’n 9 jaar.
Plaats/ruimte:
De gebeurtenissen vinden plaats in Zuid-West-Vlaanderen. Dit zijn de plaatsen Haarbeke (nonnenklooster), Walle (ouderlijk huis, college Flandria, café Groeninghe en drukkersbedrijf vader) en Bastegem (villa ‘Zonnewende’, woonplaats van Raf de Bock en Jules en kasteel van Madame Laura).
Karakterbeschrijving en -ontwikkeling:
In het verhaal komen ruim vijftig verhaalfiguren voor. Ze worden niet allemaal even duidelijk beschreven en in dit onderdeel beperken we ons tot een beschrijving van de drie belangrijkste personages.
Louis Seynaeve:
Louis is de hoofdfiguur in deze roman. Het verhaal begint als hij elf jaar is. Hij is op zoek naar zijn eigen identiteit en het duurt een aantal jaren voordat hij deze vindt. Zijn besluit om schrijver te worden, zorgt ervoor dat hij iedere gewenste identiteit aan kan nemen. Hij is een leugenaar en gedraagt zich arrogant. Zijn sexuele gevoelens heeft hij altijd moeten onderdrukken, maar uiteindelijk gaat hij zich zekerder voelen bij een vrouw. Louis is een rond karakter.
Staf Seynaeve:
Staf is de vader van Louis. Hij is getrouwd met Constance Bossuyt en heeft een eigen drukkerij. Staf heeft fascistische ideeën en is sterk Duitsgezind. Later krijgt hij spijt van zijn anti-joodse gevoelens. Evenals zijn zoon is Staf een grote leugenaar. Problemen worden op een ander afgewenteld of weggegeten. Hij is een rond karakter.
Constance Seynaeve-Bossuyt:
Constance is getrouwd met Staf en samen hebben zij één zoon, Louis. Ze is een mooie vrouw, die een verhouding krijgt met haar baas, Herr Lausengier, en later met de apotheker Paelinck. Als haar man gevangen genomen wordt, doet ze alles wat ze kan om hem weer vrij te krijgen. Ze is een rond karakter.
Geloofwaardigheid van het verhaal:
Thematiek:
In Het verdriet van België komen een groot aantal thema’s en motieven aan de orde. Hieronder zullen de belangrijkste behandeld worden:
Identiteit:
Louis’ leven bestaat voor een groot deel uit leugens en fantasieën. Alleen door te fantaseren en te liegen kan Louis zich thuis en in het Gesticht staande houden. Hij twijfelt over zijn plaats in het leven. Heeft hij die wel? In het klooster meet hij zich de identiteit van apostel aan en als lid van de NSJV is hij soldaat. Louis besluit schrijver te worden. Als schrijver kan hij zich iedere gewenste identiteit aanmeten en de werkelijkheid naar zijn hand zetten.
Katholicisme:
Louis groeit op in het nonnenklooster. De invloed van het katholieke geloof op zijn verdere ontwikkeling is enorm. Hij wordt in het ongewisse gelaten over sexualiteit en groeit op in grote verwarring. Als hij bij een medisch onderzoek zijn geslachtsdelen moet ontbloten, voelt hij zich vernederd omdat zijn "grote geheim" nu ontdekt is. Homo-gevoelens zijn eveneens taboe.
Oorlog:
De invloed van de oorlog wordt met name beschreven aan de hand van persoonlijke ervaringen. Zo is de landing van de geallieerden in Normandië slecht voor de vleeshandel van Nonkel Robert.
Familie:
Louis heeft een grote familie. Van vaders kant zijn er vijf ooms en tantes met enkele aangetrouwde familieleden. Moeder heeft nog vier broers en zussen en een aantal aangetrouwde familieleden. De familie heeft geen hechte band en veel huwelijken stranden. Eigenlijk zijn ze allemaal individuen, die alleen maar aan zichzelf denken en geen rekening houden met anderen.
Taalgebruik:
Claus is een Vlaamse schrijver. In zijn verhalen komen dan ook regelmatig Vlaamse woorden en uitdrukkingen voor, zoals “Zo noemt ge mij niet als ge onder uw kameraden zijt.”
Vertelsituatie:
Claus combineert in Het verdriet van België meerdere vertelsituaties. In de roman vinden we hoofdzakelijk de personale vertelsituatie, waarbij Louis het personaal medium is. Af en toe wordt gebruik gemaakt van de ik-vertelsituatie. Dat blijkt o.a. uit zinnen waarin zowel in de hij-vorm als in de ik-vorm gesproken wordt. Ook kan de auctoriale verteller en de auctoriale vertelinstantie herkend worden.
Perspectief:
Hij-perspectief en ik-perspectief.
Verhaalopbouw:
De roman is opgesplitst in twee delen.
Deel 1 (Het verdriet) bevat 27 genummerde hoofdstukken, ieder met een titelnaam.
Deel 2 (Van België) is niet in hoofdstukken opgedeeld. De teksten worden hier gescheiden door regels wit.
(Overgenomen van www.verdec.com)
De Bezige Bij, Amsterdam (1983)
Titelverklaring:
Louis wordt door zijn oma betrapt als hij geld steelt van tante Violet. Zij zegt daarop: “Het verdriet van België, dat zijt gij.”. Louis schrijft een novelle genaamd “Het verdriet”. Op advies van de jury (die de novelle beoordeelt) wordt deze titel veranderd in “Het verdriet van België”.
De auteur:
Hugo Maurice Julien Claus wordt geboren op 5 april 1929 in Brugge, België. Al kort na zijn geboorte raakt zijn moeder opnieuw in verwachting. Om haar rust te geven wordt hij, als hij 1 ½ jaar is, opgenomen in een pensionaat. Vanaf zijn vierde levensjaar verblijft hij bij de Zusters van Liefde in Aalbeke. In 1940 keert hij weer terug naar zijn ouderlijk huis, maar zes jaar later vertrekt hij weer. Claus verblijft enige tijd in Parijs, waar hij kennis maakt met het surrealisme en het existentialisme. In 1947 debuteert hij met de gedichtenbundel Kleine reeks. Terug in Vlaanderen ontmoet hij Elly Overzier, met wie hij in 1950 weer naar Parijs vertrekt. In datzelfde jaar wordt hij lid van Cobra en wijdt hij zich aan literatuur, schilderkunst en toneel. Zijn roman De Metsiers wordt zijn eerste echte succes. Van 1953 tot 1955 verblijft hij in Italië, waar Elly in enkele films acteert. In 1955 trouwen zij. In de jaren die daarop volgen laat de veelzijdige Claus veel van zich horen. Hij schrijft romans, verhalen, gedichten en toneelstukken. Ook geniet hij bekendheid als filmregisseur, scenarioschrijver en beeldend kunstenaar. In 1970 krijgt hij een relatie met de Nederlandse actrice Kitty Courbois. Drie jaar later gaat hij met de actrice Sylvia Kristel samenwonen in Parijs. De relatie wordt in 1978 beëindigd en Claus keert terug naar Gent. In 1983 schrijft hij de populaire roman Het verdriet van België, dat in 1994 verfilmd wordt door Claude Goretta. Op 12 juni 1993 trouwt hij met Veerle de Wit. In zijn carrière ontvangt hij meer dan 40 literaire prijzen, waaronder de Vlaamse Staatsprijs voor Toneel & Letterkunde, de Constantijn Huygensprijs en de Prijs der Nederlandse Letteren.
Selectie van zijn werk:
Kleine reeks (1947), De Metsiers (1950), De koele minnaar (1956), Suiker (1958), De dans van de reiger (1962, verfilmd in 1996), De vijanden (1967), Vrijdag - in vijf scènes (1969, verfilming in 1981 met Claus zelf als regisseur), Het graf van Pernath (1978), Het verdriet van België (1983, verfilmd in 1994), Serenade (1984), Sonnetten (1988), Een zachte vernieling (1988), Belladonna (1994), De Geruchten (1996).
Literaire stroming:
De roman behoort tot de stroming van de experimentele proza.
Genre:
Het verdriet van België is een veelzijdige roman. Deze roman bevat namelijk elementen uit verschillende soorten romans.
Ontwikkelingsroman:
Het behandelt de persoonlijke ontwikkeling van de hoofdfiguur Louis.
Sociale roman:
De roman gaat daarnaast in op het uiteenvallen van het gezin en de invloed van de katholieke kerk op het dagelijkse leven van de Vlamingen.
Oorlogsroman:
De oorlog speelt een grote rol in de belevingswereld van de verhaalfiguren. Iedereen ervaart de oorlog op een andere manier.
Samenvatting:
Louis Seynaeve is een jongen van elf jaar. Hij groeit op in het nonneninternaat te Haarbeke, genaamd het Gesticht. Samen met Dondeyne, Byttebier en Vlieghe vormt hij de vier apostelen. Later wordt de club versterkt met Goossens. De club beheert een aantal ‘verboden boeken’. Vader en opa Seynaeve komen Louis bezoeken. Ze vertellen hem dat zijn moeder van de trap gevallen is. Ze blijkt echter zwanger te zijn en is naar het ziekenhuis gebracht om daar te bevallen.
De paasvakantie mag Louis thuis, bij zijn familie in Walle, doorbrengen. Louis wordt ontvangen met een beeldje van een Duitse jongen met een hakenkruis. Samen met zijn vader brengt hij een bezoek aan Bomama, de moeder van zijn vader. Op zondag gaan ze naar een voetbalwedstrijd om te kijken naar Nonkel Florent, die reservekeeper is van Walle Sport. Hij blijkt vertrokken te zijn naar een andere club, genaamd Walle Stade. Vader is teleurgesteld, omdat hij Walle Stade een club vindt voor armoedzaaiers. Louis bezoekt met zijn moeder een voorstelling, "het pakket van de soldaat" geheten. De moraal "toujours sourire" (altijd blijven lachen) spreekt hem bijzonder aan.
Als Louis terug is in het Gesticht, geeft hij te kennen dat hij de leider van de vijf apostelen wil worden. Hij krijgt echter niet de steun van de anderen. Louis brengt een bezoek aan Zuster Sint Gerolf. Ze zit vastgebonden op een stoel en Louis steelt één van haar loden bikkels. De volgende dag vertelt hij Vlieghe een verhaal over de "gouden" bikkel. De bikkel is een gewricht van het gestorven kind van de Zuster. Vlieghe gelooft hem niet. Opa en Tante Nora komen in het Gesticht langs om te vertellen dat Louis’ broertje dood geboren is. Daarop nemen ze hem mee naar de familie van zijn moeder in Bastegem.
Louis maakt kennis met Raf de Bock, die zijn vakantievriend wordt. Samen besluipen ze het kasteel van madame Laura, een hoer. Oma Meerke vertelt over haar overleden man, opa Basiel. Nonkel Omer komt thuis en neemt Louis mee naar Holst. Daar treffen zij madame Laura, op wie Holst al vanaf zijn veertiende verliefd is. Louis moet weer terug naar het Gesticht en krijgt van Raf een herinnering mee: een slip van madame Laura. Nonkel Armand geeft deze echter aan Louis’ moeder.
Terug in het Gesticht gedraagt Louis zich erg opstandig. Hij voelt zich door zijn moeder verlaten en vertelt Vlieghe dat hij meer om hem geeft, dan om zijn moeder. Vlieghe vindt het maar onzin. Louis zegt aan Dondeyne dat Vlieghe maar beter niet geboren had kunnen worden. Vlieghe is boos en beledigt Louis’ moeder. Louis weet de anderen te overtuigen dat Vlieghe een spion is. Hij wordt met zijn blote billen in een mand gedrukt, waarop Louis hem een bikkel tussen zijn billen stopt. Louis gaat met zijn moeder weer mee naar huis, omdat de oorlog steeds dichterbij komt.
Louis’ familie is grotendeels Duitsgezind. Als vader zijn auto kwijtraakt, kan zelfs de politieman - en grote vriend - Theo van Paemel, hem niet helpen. Er is namelijk een groot dossier van vader waarin vermeld staat dat hij Duitse sympathieën koestert. Nonkel Firmin en Tante Berenice nemen afscheid van de familie, omdat ze willen vluchten naar Frankrijk. Zodra de oorlog uitbreekt, vlucht Louis’ vader in een brandweerauto richting Frankrijk. Louis is opgelucht dat de Duitsers België binnenvallen. Hij heeft het gevoel dat hij nu ècht onder de Germanen is en denkt dat de oorlog zelfs goed is voor Vlaanderen.
Louis bezoekt het college Flandria en maakt daar kennis met priester De Kei. De priester schenkt bijzonder veel aandacht aan Louis. Louis en Maurice de Potter worden boezemvrienden. Samen bezoeken ze de "Vlaamse Kop" Marnix de Puydt. Louis besluit dat hij ook schrijver wil worden. Na drie weken keert vader weer terug. Zijn drukkerij loopt slecht en hij kan niet meer aan papier komen. Moeder gaat, als secretaresse van Herr Lausengier, werken in de ERLA-fabriek. Maurice krijgt intussen een onfortuinlijk ongeluk. Hij valt met zijn oog op de punt van een hek en overlijdt. Bij zijn begrafenis scheldt Louis de priester uit. Hij riskeert daarmee een schorsing. Samen met vader bezoekt hij het hoofd van de school. De schorsing gaat echter niet door, omdat Louis’ moeder kan voorkomen dat de neef van de priester in Duitsland te werk wordt gesteld.
Louis besluit zich aan te melden bij de NSJV (Nationaal Socialistische Jeugd Vlaanderen), de jeugdafdeling van het fascistische Vlaamsch Nationaal Verbond. Hij leest veel en schrijft bestaande teksten over. Als hij op een dag op wacht staat voor de Flandria, ziet hij zijn moeder lopen met haar baas. Ze doet net alsof ze haar zoon niet ziet. Later wordt hun geheime verhouding steeds duidelijker. Vader en de Kei zijn boos op Louis’ lidmaatschap van de NSJV. Tijdens een uitstapje van de NSJV ontmoet Louis de dochter van de apotheker, Simone Paelinck. Na een schermwedstrijdje van de NSJV wordt Louis onder de douche geplaagd. Hij bezoekt de vergaderingen niet meer en een tijdje later valt hij flauw. In de ERLA-fabriek wordt hij onderzocht door een dokter. Als deze hem vraagt zijn broek naar beneden te doen, voelt hij zich vernederd. Hij besluit wraak te nemen. Hij onthult thuis alles over de verhouding van moeder met Lausengier, waarop zijn ouders grote ruzie krijgen.
Het Gesticht is vernield door een bombardement. Veel zusters en kinderen komen om het leven. Zuster Sint Gerolf heeft de aanval overleefd en wordt ondergebracht bij Bomama. Ze snoept van Nonkel Roberts gehakt en sterft aan een voedselvergiftiging. Louis wordt met de Kinderlandverschickung een maand naar Duitsland gestuurd. Hij verblijft daar in een gastgezin en houdt iedere dag in zijn dagboek bij. Bij terugkomst wordt hij door zijn moeder afgehaald. Lausengier blijkt overgeplaatst te zijn naar het Oostfront en moeder is ontroostbaar.
Het gaat steeds slechter met Louis. Hij haalt slechte cijfers op school en moet het schooljaar over doen. In de liefde zit het ook niet mee. Simone Paelinck, de apothekersdochter blijkt verliefd te zijn op een ander. Louis zet zijn vriendschap met Raf de Bock, Holst, Jules Verdonk en Konrad voort. Hij steelt geld van tante Violet en een boek van Holst.
Louis keert terug naar zijn familie in Walle. Hij bezoekt een Franse film in de bioscoop. Daar treft hij tevens zijn vader aan - en dat terwijl hij de film afkeurde! Holst komt langs en belooft Louis dat hij voor meer boeken zal zorgen. Louis en zijn vader gaan naar Madame Laura, in Brussel. Ze vertelt dat ze met Holst gaat trouwen en geeft hun stiekem een grote hoeveelheid boeken mee. Louis verslindt het ene boek na het andere. Na het lezen van deze expressionistische en joodse boeken, stelt Louis langzaam maar zeker zijn mening over de Duitsers bij. Hij brengt ook een aantal van zijn boeken naar tante Nora, die hem verleidt en inwijdt in de liefde.
De opa van Louis trekt in bij zijn dochter, tante Mona. Hij heeft een schuldbekentenis van 100.000 frank getekend op naam van Louis’ vader. Het huis van Louis’ familie moet echter verkocht worden. Louis ontmoet plotseling Vlieghe weer, die lid is geworden van de NSJV. De oorlog loopt ten einde en de geallieerden komen steeds dichterbij. Louis’ familie wordt door Theo van Paemel geadviseerd onder te duiken. Louis neemt afscheid van Bekka (een vriendin van hem) en gaat met haar naar bed. Vader duikt onder en moeder gaat naar villa "Kernamout". Louis duikt onder in het Gesticht in Waffelgem. Na een bezoek van de Witte Brigade (=het verzet) vlucht hij naar zijn opa en tante Mona. Later vertrekt hij met zijn moeder naar oma Meerke in Bastegem. De villa staat echter bekend als Duitsgezind en om de Poolse invasie te voorkomen, barricadeert Nonkel Armand het huis. Louis en Raf gaan langs bij Holst. Madame Laura is verdwenen. Later blijkt dat ze door haar man Holst is vermoord. In die tijd trekt Louis veel op met de Amerikanen en schrijft hij een verhaal voor "Het Laatste Nieuws", genaamd Het Verdriet. Zijn vader wordt opgepakt en gevangen gezet. Als de vader van Louis’ vader overlijdt, weigert hij als gevangene naar de begrafenis te komen.
Louis wordt verleid door Michèle, weduwe van de dokter. Bij zijn thuiskomst hoort hij zijn moeder voorlezen uit zijn verhalenschrift. Louis begint te huilen bij deze belachelijke voordracht, verscheurt het schrift en begint opnieuw. Hij schrijft over zijn verblijf in het Gesticht van Haarbeke. Louis’ moeder weet haar man weer vrij te krijgen. Vader betuigt spijt over zijn jodenhaat. Hij wil naar Argentinië, want in België kan hij alleen maar met meer verdriet te maken krijgen. Louis verneemt van Vlieghes vader, dat Vlieghe zelfmoord heeft gepleegd. Hij had bij een hoer een geslachtsziekte opgelopen en geprobeerd zichzelf te opereren. Louis krijgt een afscheidsbrief van Vlieghe, waarin deze schrijft dat hij altijd van Louis heeft gehouden.
De novelle Het Verdriet wordt door "Het Laatste Nieuws" afgewezen, maar wordt doorgespeeld aan het tijdschrift "Mercurius". Zij nemen het werk wel op. Louis is nu eindelijk ook de Vlaamse kop geworden, die hij altijd al wilde zijn.
Tijd en tijdvolgorde:
De gebeurtenissen vinden plaats in de periode 1938-1947. Ze worden chronologisch verteld, waarbij hoofdzakelijk gebruik is gemaakt van de verleden tijd. Af en toe zijn passages in de tegenwoordige tijd geschreven. De chronologie wordt afgewisseld door enkele flash-backs.
Deel 1 begint in april 1938 en eindigt eind 1939. De vertelde tijd in deel 1 is dus ongeveer 1 ½ jaar. Deel 2 begint half maart 1940. Het verhaal eindigt ongeveer aan het eind van 1947. De vertelde tijd in deel 2 is dus ruim 7 ½ jaar. De totale vertelde tijd komt daarmee op zo’n 9 jaar.
Plaats/ruimte:
De gebeurtenissen vinden plaats in Zuid-West-Vlaanderen. Dit zijn de plaatsen Haarbeke (nonnenklooster), Walle (ouderlijk huis, college Flandria, café Groeninghe en drukkersbedrijf vader) en Bastegem (villa ‘Zonnewende’, woonplaats van Raf de Bock en Jules en kasteel van Madame Laura).
Karakterbeschrijving en -ontwikkeling:
In het verhaal komen ruim vijftig verhaalfiguren voor. Ze worden niet allemaal even duidelijk beschreven en in dit onderdeel beperken we ons tot een beschrijving van de drie belangrijkste personages.
Louis Seynaeve:
Louis is de hoofdfiguur in deze roman. Het verhaal begint als hij elf jaar is. Hij is op zoek naar zijn eigen identiteit en het duurt een aantal jaren voordat hij deze vindt. Zijn besluit om schrijver te worden, zorgt ervoor dat hij iedere gewenste identiteit aan kan nemen. Hij is een leugenaar en gedraagt zich arrogant. Zijn sexuele gevoelens heeft hij altijd moeten onderdrukken, maar uiteindelijk gaat hij zich zekerder voelen bij een vrouw. Louis is een rond karakter.
Staf Seynaeve:
Staf is de vader van Louis. Hij is getrouwd met Constance Bossuyt en heeft een eigen drukkerij. Staf heeft fascistische ideeën en is sterk Duitsgezind. Later krijgt hij spijt van zijn anti-joodse gevoelens. Evenals zijn zoon is Staf een grote leugenaar. Problemen worden op een ander afgewenteld of weggegeten. Hij is een rond karakter.
Constance Seynaeve-Bossuyt:
Constance is getrouwd met Staf en samen hebben zij één zoon, Louis. Ze is een mooie vrouw, die een verhouding krijgt met haar baas, Herr Lausengier, en later met de apotheker Paelinck. Als haar man gevangen genomen wordt, doet ze alles wat ze kan om hem weer vrij te krijgen. Ze is een rond karakter.
Geloofwaardigheid van het verhaal:
Thematiek:
In Het verdriet van België komen een groot aantal thema’s en motieven aan de orde. Hieronder zullen de belangrijkste behandeld worden:
Identiteit:
Louis’ leven bestaat voor een groot deel uit leugens en fantasieën. Alleen door te fantaseren en te liegen kan Louis zich thuis en in het Gesticht staande houden. Hij twijfelt over zijn plaats in het leven. Heeft hij die wel? In het klooster meet hij zich de identiteit van apostel aan en als lid van de NSJV is hij soldaat. Louis besluit schrijver te worden. Als schrijver kan hij zich iedere gewenste identiteit aanmeten en de werkelijkheid naar zijn hand zetten.
Katholicisme:
Louis groeit op in het nonnenklooster. De invloed van het katholieke geloof op zijn verdere ontwikkeling is enorm. Hij wordt in het ongewisse gelaten over sexualiteit en groeit op in grote verwarring. Als hij bij een medisch onderzoek zijn geslachtsdelen moet ontbloten, voelt hij zich vernederd omdat zijn "grote geheim" nu ontdekt is. Homo-gevoelens zijn eveneens taboe.
Oorlog:
De invloed van de oorlog wordt met name beschreven aan de hand van persoonlijke ervaringen. Zo is de landing van de geallieerden in Normandië slecht voor de vleeshandel van Nonkel Robert.
Familie:
Louis heeft een grote familie. Van vaders kant zijn er vijf ooms en tantes met enkele aangetrouwde familieleden. Moeder heeft nog vier broers en zussen en een aantal aangetrouwde familieleden. De familie heeft geen hechte band en veel huwelijken stranden. Eigenlijk zijn ze allemaal individuen, die alleen maar aan zichzelf denken en geen rekening houden met anderen.
Taalgebruik:
Claus is een Vlaamse schrijver. In zijn verhalen komen dan ook regelmatig Vlaamse woorden en uitdrukkingen voor, zoals “Zo noemt ge mij niet als ge onder uw kameraden zijt.”
Vertelsituatie:
Claus combineert in Het verdriet van België meerdere vertelsituaties. In de roman vinden we hoofdzakelijk de personale vertelsituatie, waarbij Louis het personaal medium is. Af en toe wordt gebruik gemaakt van de ik-vertelsituatie. Dat blijkt o.a. uit zinnen waarin zowel in de hij-vorm als in de ik-vorm gesproken wordt. Ook kan de auctoriale verteller en de auctoriale vertelinstantie herkend worden.
Perspectief:
Hij-perspectief en ik-perspectief.
Verhaalopbouw:
De roman is opgesplitst in twee delen.
Deel 1 (Het verdriet) bevat 27 genummerde hoofdstukken, ieder met een titelnaam.
Deel 2 (Van België) is niet in hoofdstukken opgedeeld. De teksten worden hier gescheiden door regels wit.
(Overgenomen van www.verdec.com)
WIE IS CONSTANCE UIT "HET VERDRIET VAN BELGIË"?
In het boek is Constance de mama van Louis Seynaeve. Louis is Hugo Claus.
Enkele fragmenten uit het boek:
“Als de mis uit is, beginnen ze dan al te werken, aan de overkant, in de ERLA?”
“Dat hangt er van af hoe laat de mis gedaan is. Soms staat er al wat volk aan de poort.”
“Welk volk?”
“Het werkvolk. De bedienden komen later. Zoals Mama. Om halfnegen.”
(blz. 406)
“Dan telefoneert hij (Herr Lausengier) naar de pastoor van het dorp van de betrokkene om te weten te komen of het geen bedriegerij is en of de familie gunstig aangeschreven staat in de parochie, want ge weet nooit, mensen zijn in oorlogstijd slim en slecht. Dan, om elf uur, is er audiëntie en ontvangt hij de meestergasten. Het middagmal wordt in gezelschap van Frau Seynaeve gebruikt, een eitje, vis, vlees, tafelbier en als er geen klachten zijn van de Kommandantur een half flesje Bordeaux…”
(blz. 419)
“Herein,” zei Mama’s opgewekte stem. Zij sprong achter haar schrijfmachine vandaan, in een zelfde warrelende beweging schikte zij haar haar, drukte haar peuk uit en stak haar hand uit alsof zij, voor het eerst in hun leven samen, Louis’ hand wou drukken, maar zij aaide over zijn wang. (Zij speelde voor moeder opdat een witharige dunne dame die met een paperclip tussen de lippen aan een kleiner bureau zat het kon zien.)
(blz. 423)
“Henny,” zei Mama. De Doktor liet het goud in zijn mond zien. Hij had uitzonderlijk brede polsen, met gouden krulletjes…
“Hij zal het wel schaffen,” zei hij alsof Louis er niet bijstond, en groette een smalle jongeman in een gerafeld pak die binnengekomen was zonder kloppen…
(blz. 425)
“Goed. Dan zeg ik (Louis): distractie. Het is normaal dat zij wat distractie zoekt, zij moet toch hard werken, of niet soms? Ik ben er geweest en ik heb het gezien, zij is de hele tijd in de weer, facturen hier, correspondentie daar. Zij is daar gaarne gezien, zij noemen haar zelfs de ‘Madonna van de ERLA’. Omdat ze de gekwetste frezers of lassers verzorgt in de infirmerie.”
(blz. 432)
“… Wetens en willens wilt ge niet zien dat uw vrouw op de bureaus van de ERLA…”
“Zeg verder, Louis.”
“Dat ze daar het slachtoffer en de slaaf is van haar driften. (Ging hij te ver? Zijn vader knikkebolde maar bleef luisteren.) “Gij kent haar toch beter dan ik, gij weet hoe zij is. En dat ge dat toelaat, dat moet ge zelf weten…”
(blz. 434)
Hij (Louis) kreeg een glas aangeboden door een ERLA-jongmens dat zei dat zijn moeder opbloeide als een bloem…
(blz. 440)
“Ja, trek nog en beetje partij voor haar.’ ... “Zij wil niet bekennen, maar ze moet niet bekennen, want het is algemeen geweten in de ERLA, in heel Walle! Zij is gezien! Zij is gehoord! Weet gij hoe hij haar noemt?”
“Nee.” (Niet: Wie?)
“Flämmchen, mein Flämmchen. Alstublieft!”
“Mijn kleine Vlaamse?”
“Maar nee, Louis! Madam is een vlam! Alstublieft!”
(blz. 458)
T.D.
Enkele fragmenten uit het boek:
“Als de mis uit is, beginnen ze dan al te werken, aan de overkant, in de ERLA?”
“Dat hangt er van af hoe laat de mis gedaan is. Soms staat er al wat volk aan de poort.”
“Welk volk?”
“Het werkvolk. De bedienden komen later. Zoals Mama. Om halfnegen.”
(blz. 406)
“Dan telefoneert hij (Herr Lausengier) naar de pastoor van het dorp van de betrokkene om te weten te komen of het geen bedriegerij is en of de familie gunstig aangeschreven staat in de parochie, want ge weet nooit, mensen zijn in oorlogstijd slim en slecht. Dan, om elf uur, is er audiëntie en ontvangt hij de meestergasten. Het middagmal wordt in gezelschap van Frau Seynaeve gebruikt, een eitje, vis, vlees, tafelbier en als er geen klachten zijn van de Kommandantur een half flesje Bordeaux…”
(blz. 419)
“Herein,” zei Mama’s opgewekte stem. Zij sprong achter haar schrijfmachine vandaan, in een zelfde warrelende beweging schikte zij haar haar, drukte haar peuk uit en stak haar hand uit alsof zij, voor het eerst in hun leven samen, Louis’ hand wou drukken, maar zij aaide over zijn wang. (Zij speelde voor moeder opdat een witharige dunne dame die met een paperclip tussen de lippen aan een kleiner bureau zat het kon zien.)
(blz. 423)
“Henny,” zei Mama. De Doktor liet het goud in zijn mond zien. Hij had uitzonderlijk brede polsen, met gouden krulletjes…
“Hij zal het wel schaffen,” zei hij alsof Louis er niet bijstond, en groette een smalle jongeman in een gerafeld pak die binnengekomen was zonder kloppen…
(blz. 425)
“Goed. Dan zeg ik (Louis): distractie. Het is normaal dat zij wat distractie zoekt, zij moet toch hard werken, of niet soms? Ik ben er geweest en ik heb het gezien, zij is de hele tijd in de weer, facturen hier, correspondentie daar. Zij is daar gaarne gezien, zij noemen haar zelfs de ‘Madonna van de ERLA’. Omdat ze de gekwetste frezers of lassers verzorgt in de infirmerie.”
(blz. 432)
“… Wetens en willens wilt ge niet zien dat uw vrouw op de bureaus van de ERLA…”
“Zeg verder, Louis.”
“Dat ze daar het slachtoffer en de slaaf is van haar driften. (Ging hij te ver? Zijn vader knikkebolde maar bleef luisteren.) “Gij kent haar toch beter dan ik, gij weet hoe zij is. En dat ge dat toelaat, dat moet ge zelf weten…”
(blz. 434)
Hij (Louis) kreeg een glas aangeboden door een ERLA-jongmens dat zei dat zijn moeder opbloeide als een bloem…
(blz. 440)
“Ja, trek nog en beetje partij voor haar.’ ... “Zij wil niet bekennen, maar ze moet niet bekennen, want het is algemeen geweten in de ERLA, in heel Walle! Zij is gezien! Zij is gehoord! Weet gij hoe hij haar noemt?”
“Nee.” (Niet: Wie?)
“Flämmchen, mein Flämmchen. Alstublieft!”
“Mijn kleine Vlaamse?”
“Maar nee, Louis! Madam is een vlam! Alstublieft!”
(blz. 458)
T.D.
24 maart 2008
Ronny De Schepper in "Dagelijks iets degelijks" (weblog)
“Maar ik wil helemaal niet geboren worden!”
Hugo Claus is de zoon van Jozef Claus en Germaine Virginie Vanderlinden, die beiden uit een kroostrijk gezin stammen. Zijn ouders woonden in Kortrijk, maar omdat een van pa’s nichten, zuster Alphonse, in Brugge tewerkgesteld was in het Sint‑Jans‑hospitaal, gebeurde de bevalling daar op 5 april 1929 om 21.00 uur. Hugo Maurice Julien Claus werd dus geboren in het Teken van de Ram.
Tegen zijn zin weliswaar, want hij wilde er bij wijze van spreken niet uit. Er kwam, zoals het iemand met zijn Romeins profiel past, een keizersnede aan te pas! Dat is niet alleen symbolisch voor een moederbinding, het zou hem ook nog van pas komen, later als de Vijftigers hem kennis willen laten maken met drugs. Daaraan deed Claus immers niet mee. Simon Vinkenoog trachtte hem nog te overhalen door te zeggen: “Je krijgt de sensatie van geboren te worden.” “Maar dat wil ik helemaal niet!” antwoordde Claus. Naar verluidt zou de geneesheer, Dr.Verstraete, zijn studenten hebben gevraagd de toepassing van de keizersnede bij te wonen, maar vader Claus zou de aandacht hebben afgeleid door luid toeterend met zijn Chenal‑Walker, een sportwagen, de binnenplaats op te rijden. (Symbolisch een vader die reeds de aandacht op zichzelf wil vestigen of meer nog: van zijn zoon afleiden.) Het ziekenhuis in kwestie werd gekozen omwille van een tante nonneke dat daar werkte. Deze tante mag dus vanzelfsprekend niet worden verward die andere tante die hem later in de geneugten des vlezes zal inwijden.
De kleine Hugo groeit eenzaam op, want reeds van 29 september 1933 zou hij naar het Pensionnat Saint‑Joseph van de Zusters van Liefde in Aalbeke, nabij Moeskroen, worden gebracht, waar hij zou verblijven tot augustus 1939. Aangezien het pensionaat vlakbij de Franse grens was gevestigd, spraken de kinderen afwisselend een dag Frans en een dag Nederlands (of eerder Vlaams). In een brief aan de eerste biograaf van Claus, Johan De Roey, schrijft de 75‑jarige zuster Gabrielle‑Marie: “Hij was uitstekend in taalkunde en opstellen. Hij verstond en sprak goed de Franse taal. Hij had een zeer getrouw geheugen en kon zijn handboek van geschiedenis in het zesde leerjaar bijna letterlijk opzeggen. Hij kende en begreep zeer goed de formules over de oppervlakte en het volume van de meetkundige lichamen en kon ze ook goed vervormen en toepassen. Er zat ook reeds een tekenaar in hem. (Hij was populair en) op een St.Jozefsfeest hebben ze hem als hun burgemeester gehuldigd en rondgevoerd.” In werkelijkheid kwam Hugo in de finale uit tegen de zoon van de burgemeester van Aalbeke. Hij werd echter toch verkozen, kreeg een lauwerkrans om en werd in een geitekar rondgereden. Op vierjarige leeftijd zou hij, met bijzondere toestemming van Mgr.Lamiroy, bisschop van Brugge, reeds zijn Eerste Communie doen (de normale leeftijd hiervoor is zeven jaar). Hugo Claus meent dat hij omwille van de komst van Guido in het eerste pensionaat belandde en dat hij daarna in Aalbeke op kostschool werd geplaatst omwille van de positie van zijn grootvader, die inspecteur was van de katholieke scholen. “Altijd gebeurde iets met mij om redenen van practische aard.”
Bij het begin van het schooljaar 1939 mag hij naar het Sint‑Amandscollege in Kortrijk (zevende studiejaar). Een jaar later beseft hij naar eigen zeggen reeds dat hij niet in God gelooft.
Vanaf september 1941 verhuist hij naar het Koninklijk Atheneum van Kortrijk. Wegens problemen, gekoppeld aan zijn opkomende puberteit zakt hij voor wiskunde en natuurkunde. Hij valt ook herhaaldelijk flauw.
In 1944 herbegint hij de vierde (= derde klas gymnasium) in het Sint-Hendrikscollege van Deinze, waarna hij bij wijze van spreken sneller van school verwisselt dan van onderbroek. Eerst is er het Koninklijk Atheneum van Gent, daarna het Provinciaal Taal- en Handelsinstituut, eveneens in Gent, net als een kortstondig verblijf aan de toneelschool (”in een krampachtige poging om bemind te worden”) om uiteindelijk te eindigen aan om uiteindelijk te eindigen aan de Koninklijke Academie eveneens van Gent.
(Overgenomen)
Hugo Claus is de zoon van Jozef Claus en Germaine Virginie Vanderlinden, die beiden uit een kroostrijk gezin stammen. Zijn ouders woonden in Kortrijk, maar omdat een van pa’s nichten, zuster Alphonse, in Brugge tewerkgesteld was in het Sint‑Jans‑hospitaal, gebeurde de bevalling daar op 5 april 1929 om 21.00 uur. Hugo Maurice Julien Claus werd dus geboren in het Teken van de Ram.
Tegen zijn zin weliswaar, want hij wilde er bij wijze van spreken niet uit. Er kwam, zoals het iemand met zijn Romeins profiel past, een keizersnede aan te pas! Dat is niet alleen symbolisch voor een moederbinding, het zou hem ook nog van pas komen, later als de Vijftigers hem kennis willen laten maken met drugs. Daaraan deed Claus immers niet mee. Simon Vinkenoog trachtte hem nog te overhalen door te zeggen: “Je krijgt de sensatie van geboren te worden.” “Maar dat wil ik helemaal niet!” antwoordde Claus. Naar verluidt zou de geneesheer, Dr.Verstraete, zijn studenten hebben gevraagd de toepassing van de keizersnede bij te wonen, maar vader Claus zou de aandacht hebben afgeleid door luid toeterend met zijn Chenal‑Walker, een sportwagen, de binnenplaats op te rijden. (Symbolisch een vader die reeds de aandacht op zichzelf wil vestigen of meer nog: van zijn zoon afleiden.) Het ziekenhuis in kwestie werd gekozen omwille van een tante nonneke dat daar werkte. Deze tante mag dus vanzelfsprekend niet worden verward die andere tante die hem later in de geneugten des vlezes zal inwijden.
De kleine Hugo groeit eenzaam op, want reeds van 29 september 1933 zou hij naar het Pensionnat Saint‑Joseph van de Zusters van Liefde in Aalbeke, nabij Moeskroen, worden gebracht, waar hij zou verblijven tot augustus 1939. Aangezien het pensionaat vlakbij de Franse grens was gevestigd, spraken de kinderen afwisselend een dag Frans en een dag Nederlands (of eerder Vlaams). In een brief aan de eerste biograaf van Claus, Johan De Roey, schrijft de 75‑jarige zuster Gabrielle‑Marie: “Hij was uitstekend in taalkunde en opstellen. Hij verstond en sprak goed de Franse taal. Hij had een zeer getrouw geheugen en kon zijn handboek van geschiedenis in het zesde leerjaar bijna letterlijk opzeggen. Hij kende en begreep zeer goed de formules over de oppervlakte en het volume van de meetkundige lichamen en kon ze ook goed vervormen en toepassen. Er zat ook reeds een tekenaar in hem. (Hij was populair en) op een St.Jozefsfeest hebben ze hem als hun burgemeester gehuldigd en rondgevoerd.” In werkelijkheid kwam Hugo in de finale uit tegen de zoon van de burgemeester van Aalbeke. Hij werd echter toch verkozen, kreeg een lauwerkrans om en werd in een geitekar rondgereden. Op vierjarige leeftijd zou hij, met bijzondere toestemming van Mgr.Lamiroy, bisschop van Brugge, reeds zijn Eerste Communie doen (de normale leeftijd hiervoor is zeven jaar). Hugo Claus meent dat hij omwille van de komst van Guido in het eerste pensionaat belandde en dat hij daarna in Aalbeke op kostschool werd geplaatst omwille van de positie van zijn grootvader, die inspecteur was van de katholieke scholen. “Altijd gebeurde iets met mij om redenen van practische aard.”
Bij het begin van het schooljaar 1939 mag hij naar het Sint‑Amandscollege in Kortrijk (zevende studiejaar). Een jaar later beseft hij naar eigen zeggen reeds dat hij niet in God gelooft.
Vanaf september 1941 verhuist hij naar het Koninklijk Atheneum van Kortrijk. Wegens problemen, gekoppeld aan zijn opkomende puberteit zakt hij voor wiskunde en natuurkunde. Hij valt ook herhaaldelijk flauw.
In 1944 herbegint hij de vierde (= derde klas gymnasium) in het Sint-Hendrikscollege van Deinze, waarna hij bij wijze van spreken sneller van school verwisselt dan van onderbroek. Eerst is er het Koninklijk Atheneum van Gent, daarna het Provinciaal Taal- en Handelsinstituut, eveneens in Gent, net als een kortstondig verblijf aan de toneelschool (”in een krampachtige poging om bemind te worden”) om uiteindelijk te eindigen aan om uiteindelijk te eindigen aan de Koninklijke Academie eveneens van Gent.
(Overgenomen)
Hugo Claus te Astene
Toen zijn vader Jozef werd opgepakt bij de bevrijding in september 1944, wegens lidmaatschap van het VNV, trok moeder Germaine Vanderlinden samen met de kinderen in bij haar moeder in Astene in de Nieuwstraat. Zij was weduwe en haar echtgenoot was in de jaren twintig sluiswachter aan Astene-sas geweest.
De jongens gingen naar het Sint-Hendrikscollege. De armoede bij het gezin was enorm. Op een bepaald ogenblik werd het schoolgeld betaald met aardappelen. Hugo zat in de Latijnse richting, maar zou uiteindelijk in 1946 de school verlaten, vooral onder impuls van de beeldende kunstenaars Roger Raveel en Antoon De Clerck. Deze laatste had van hem een gedicht gelezen dat hij geschreven had voor Hilda Danneels, de dochter van de hoofdonderwijzer van Astene. Hij gebruikte op dat ogenblik het pseudoniem Hugo C. van Astene.
In eerste instantie ging hij samen met Antoon De Clerck op een hoevetje wonen in de Damstraat in Sint-Martens-Leerne. Hij voorzag in zijn levensonderhoud als boekillustrator en met het schilderen van landschapjes en gevels. Dit hoevetje werd jammer genoeg enkele jaren geleden afgebroken.
In 1948 verhuisde hij definitief naar Oostende.
Bepaalde contacten blijven echter behouden, vooral zijn levenslange vriendschap met Roger Raveel. Zijn eerste dichtwerk en proza kreeg vorm in die "Deinse" periode en verwijst regelmatig naar familieleden en toestanden in zijn nabije omgeving.
Zijn moeder, Germaine Vanderlinden, overleed te Gent op 14 oktober 1984.
Het hele verhaal kan worden nagelezen in een artikel van mij dat werd opgenomen in het jaarboek 1995 van de Kunst- en Geschiedkundige Kring van Deinze en de Leiestreek.
20 maart 2008, geschreven door Stefaan.
(Overgenomen)
De jongens gingen naar het Sint-Hendrikscollege. De armoede bij het gezin was enorm. Op een bepaald ogenblik werd het schoolgeld betaald met aardappelen. Hugo zat in de Latijnse richting, maar zou uiteindelijk in 1946 de school verlaten, vooral onder impuls van de beeldende kunstenaars Roger Raveel en Antoon De Clerck. Deze laatste had van hem een gedicht gelezen dat hij geschreven had voor Hilda Danneels, de dochter van de hoofdonderwijzer van Astene. Hij gebruikte op dat ogenblik het pseudoniem Hugo C. van Astene.
In eerste instantie ging hij samen met Antoon De Clerck op een hoevetje wonen in de Damstraat in Sint-Martens-Leerne. Hij voorzag in zijn levensonderhoud als boekillustrator en met het schilderen van landschapjes en gevels. Dit hoevetje werd jammer genoeg enkele jaren geleden afgebroken.
In 1948 verhuisde hij definitief naar Oostende.
Bepaalde contacten blijven echter behouden, vooral zijn levenslange vriendschap met Roger Raveel. Zijn eerste dichtwerk en proza kreeg vorm in die "Deinse" periode en verwijst regelmatig naar familieleden en toestanden in zijn nabije omgeving.
Zijn moeder, Germaine Vanderlinden, overleed te Gent op 14 oktober 1984.
Het hele verhaal kan worden nagelezen in een artikel van mij dat werd opgenomen in het jaarboek 1995 van de Kunst- en Geschiedkundige Kring van Deinze en de Leiestreek.
20 maart 2008, geschreven door Stefaan.
(Overgenomen)
www.moonartgallery.be
BIJ DE DOOD VAN HUGO CLAUS - door Julien
Geplaatst door Moon Art Gallery op 21 maart 2008
Ik heb Hugo Claus weten geboren worden. Op 5 april 1929 zag ik het leven in het Sint-Janshospitaal. Enkele uren later werd Hugo Maurice Julien Claus geboren. Mijn moeder lag op dezelfde afdeling als Germaine Vanderlinden, Hugo's moeder. Haar broer was een bekende in het Kortrijkse, waar de familie Claus woonde. Ze noemden hem de Schele. Van hem werd gezegd dat hij naar God ging en van de hemel een hoerenkot maakte. De kleine Hugo huilde veel meer dan ik. De verpleegsters noemden hem het Verdriet van België. Hij wilde eigenlijk niet op de wereld gebracht worden. Hij had zich in de baarmoeder gekeerd om de bevalling te boycotten. Wist hij veel dat er zoiets als een keizersnede bestond. Hij vervloekte dr.Verstraete die hem dat gelapt had. En zijn tante nonneke, dat daar werkte, Zuster Alphonse. Door haar toedoen werd Germaine naar Brugge gebracht voor de bevalling. Hugo's vader was een drukker. Dat was wel handig voor mijn moeder om geboortekaartjes te bestellen. Ik herinner me nog dat hij tijdens Hugo's geboorte zoveel lawaai maakte op het binnenplein van Sint-Jan dat de studenten die dr. Verstraete moesten helpen erdoor afgeleid werden. Vaders werden in die tijd nog niet toegelaten bij een bevalling. Hij raasde toeterend rond met zijn wagen. De zenuwen wellicht. Een week na de geboorte keerde Germaine Vanderlinden terug naar huis, in Kortrijk. Het Brugse luik van het levensverhaal van Hugo Claus was afgelopen. Later heeft hij nooit enige affiniteit met de stad getoond. Hij heeft nooit over Brugge gescheven. Laten we dus maar ophouden met Hugo Claus met Brugge te associëren. Ook al is hij hier geboren. Meer is er niet gebeurd. (Julien)
Bronnen : Johan De Roey & Freddy De Vree
Geplaatst door Moon Art Gallery op 21 maart 2008
Ik heb Hugo Claus weten geboren worden. Op 5 april 1929 zag ik het leven in het Sint-Janshospitaal. Enkele uren later werd Hugo Maurice Julien Claus geboren. Mijn moeder lag op dezelfde afdeling als Germaine Vanderlinden, Hugo's moeder. Haar broer was een bekende in het Kortrijkse, waar de familie Claus woonde. Ze noemden hem de Schele. Van hem werd gezegd dat hij naar God ging en van de hemel een hoerenkot maakte. De kleine Hugo huilde veel meer dan ik. De verpleegsters noemden hem het Verdriet van België. Hij wilde eigenlijk niet op de wereld gebracht worden. Hij had zich in de baarmoeder gekeerd om de bevalling te boycotten. Wist hij veel dat er zoiets als een keizersnede bestond. Hij vervloekte dr.Verstraete die hem dat gelapt had. En zijn tante nonneke, dat daar werkte, Zuster Alphonse. Door haar toedoen werd Germaine naar Brugge gebracht voor de bevalling. Hugo's vader was een drukker. Dat was wel handig voor mijn moeder om geboortekaartjes te bestellen. Ik herinner me nog dat hij tijdens Hugo's geboorte zoveel lawaai maakte op het binnenplein van Sint-Jan dat de studenten die dr. Verstraete moesten helpen erdoor afgeleid werden. Vaders werden in die tijd nog niet toegelaten bij een bevalling. Hij raasde toeterend rond met zijn wagen. De zenuwen wellicht. Een week na de geboorte keerde Germaine Vanderlinden terug naar huis, in Kortrijk. Het Brugse luik van het levensverhaal van Hugo Claus was afgelopen. Later heeft hij nooit enige affiniteit met de stad getoond. Hij heeft nooit over Brugge gescheven. Laten we dus maar ophouden met Hugo Claus met Brugge te associëren. Ook al is hij hier geboren. Meer is er niet gebeurd. (Julien)
Bronnen : Johan De Roey & Freddy De Vree
De E.R.L.A. te Kortrijk
Uit:
Jasper Geryl: De verplichte tewerkstelling in Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog - De inzet van arbeiders uit Groot-Roeselare
Scriptie voorgelegd aan de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, voor het behalen van de graad vanLicentiaat in de Geschiedenis. - Academiejaar: 2002-2003, Universiteit Gent - Promotor: prof. Dr. De Wever.
Hoofdstuk 7.
De Umschulingswerkstatt van de Firma ERLA in Kortrijk
Ook voor jongeren onder de 18 jaar, personen die dus normaal gezien niet in aanmerking kwamen om gedeporteerd te worden was de kans reëel slachtoffer te worden van razzia’s. Iemand vertelde me dat zijn identiteitskaart tijdens een razzia van de Feldgendarmerie in dancing “de Beurs” afgenomen werd. Een drietal weken later ontving hij een oproepingsbevel, in de Werbestelle kreeg hij te horen naar Kiel te moeten vertrekken. De geïnterviewde die op dat moment pas 17 was studeerde nog en legde een klacht neer bij de Kreiskommandantur in Roeselare. Daar werd beslist hem in het VTI van Kortrijk om te scholen tot metaalarbeider. Vanaf het moment dat hij meerderjarig was geworden, werd hij naar Duitsland gedeporteerd. Eén van de 8 “Umschulungswerkstätten” bevond zich in het VTI van Kortrijk. Vier van de door mij geïnterviewde verplicht tewerkgestelden werden op een bepaald moment naar de Umschulungswerkstatt in Kortrijk verwezen, ze werden allen tewerkgesteld in de ERLA-fabriek in Leipzig waar de Messerschmidt 109 gemaakt werd. Dit waren jagers met een maximale capaciteit van 2 personen. De bedoeling was om personen om te scholen tot metaalarbeiders. Rond november ’40 werd de oprichting beslist van dergelijke scholen in Brussel, Luik, Antwerpen, Gent, Brugge, Moeskroen, Charleroi en Kortrijk. Elk van deze scholen had een contract afgesloten met Duitse firma’s met de bedoeling geschoolde arbeiders te leveren. Deze scholen dienden om “de arbeidskracht van werkloze jongeren efficiënt te benutten”. Per werkplaats konden 200 personen in een periode van 8 tot 12 weken omgeschoold worden. De omscholingswerkplaats van de Firma Erla in Kortrijk werd midden april ’42 opgericht. De arbeiders werden er opgeleid om te werken in de luchtvaartindustrie, meer bepaald de bouw van de cockpits van vliegtuigen. De jonge arbeiders reisden elke dag heen en terug naar Kortrijk. In deze school leerden ze eenvoudige metaalbewerkingen aan. Zo vertelde iemand me dat hij zich verveelde en alleen kleine metalen 8-figuren moest maken, anderen die de techniek onder de knie hadden sprongen creatiever om met de tijd en maakten na enkele weken opleiding zelfs miniatuurvliegtuigjes of spelden met de Belgische vlag erop.
(Overgenomen)
Jasper Geryl: De verplichte tewerkstelling in Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog - De inzet van arbeiders uit Groot-Roeselare
Scriptie voorgelegd aan de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, voor het behalen van de graad vanLicentiaat in de Geschiedenis. - Academiejaar: 2002-2003, Universiteit Gent - Promotor: prof. Dr. De Wever.
Hoofdstuk 7.
De Umschulingswerkstatt van de Firma ERLA in Kortrijk
Ook voor jongeren onder de 18 jaar, personen die dus normaal gezien niet in aanmerking kwamen om gedeporteerd te worden was de kans reëel slachtoffer te worden van razzia’s. Iemand vertelde me dat zijn identiteitskaart tijdens een razzia van de Feldgendarmerie in dancing “de Beurs” afgenomen werd. Een drietal weken later ontving hij een oproepingsbevel, in de Werbestelle kreeg hij te horen naar Kiel te moeten vertrekken. De geïnterviewde die op dat moment pas 17 was studeerde nog en legde een klacht neer bij de Kreiskommandantur in Roeselare. Daar werd beslist hem in het VTI van Kortrijk om te scholen tot metaalarbeider. Vanaf het moment dat hij meerderjarig was geworden, werd hij naar Duitsland gedeporteerd. Eén van de 8 “Umschulungswerkstätten” bevond zich in het VTI van Kortrijk. Vier van de door mij geïnterviewde verplicht tewerkgestelden werden op een bepaald moment naar de Umschulungswerkstatt in Kortrijk verwezen, ze werden allen tewerkgesteld in de ERLA-fabriek in Leipzig waar de Messerschmidt 109 gemaakt werd. Dit waren jagers met een maximale capaciteit van 2 personen. De bedoeling was om personen om te scholen tot metaalarbeiders. Rond november ’40 werd de oprichting beslist van dergelijke scholen in Brussel, Luik, Antwerpen, Gent, Brugge, Moeskroen, Charleroi en Kortrijk. Elk van deze scholen had een contract afgesloten met Duitse firma’s met de bedoeling geschoolde arbeiders te leveren. Deze scholen dienden om “de arbeidskracht van werkloze jongeren efficiënt te benutten”. Per werkplaats konden 200 personen in een periode van 8 tot 12 weken omgeschoold worden. De omscholingswerkplaats van de Firma Erla in Kortrijk werd midden april ’42 opgericht. De arbeiders werden er opgeleid om te werken in de luchtvaartindustrie, meer bepaald de bouw van de cockpits van vliegtuigen. De jonge arbeiders reisden elke dag heen en terug naar Kortrijk. In deze school leerden ze eenvoudige metaalbewerkingen aan. Zo vertelde iemand me dat hij zich verveelde en alleen kleine metalen 8-figuren moest maken, anderen die de techniek onder de knie hadden sprongen creatiever om met de tijd en maakten na enkele weken opleiding zelfs miniatuurvliegtuigjes of spelden met de Belgische vlag erop.
(Overgenomen)
Clauskenner Georges Wildemeersch betwist "moeder van Hugo Claus op foto E.R.L.A."
Verteldichten (1982) - Thierry Deleu - Periode 1945-1962
VADER (1)
Vader, nu je nog in leven bent
in de focus van vandaag herinneringen schoffelen
aan die jaren na Lichtmismaand
in eenvoudige woorden, en vader
om bestwil geen leugen,
fijn dat je nog 'ns genieten kunt
of ook 'n keer een wrange nasmaak proeft
Ik wil geen leemten opvullen, vader
enkel herstellen wat wij toen ongemaakt
achter ons lieten, met het excuus
dat we later wel 'ns tijd zouden maken
Als ik mensen hoor praten over herinneringen
dan lijkt het wel of zij zich zonder meer
weer te binnen kunnen brengen wat geweest is
Ik kan dat niet, vader, ik weet nooit
het verschil tussen wat nu echt is
en de vele verhalen die zich
daaroverheen hebben neergevlijd
De tijd van toen, vader
toen de Engelsen kwamen als engelen
in kaki gehuld met bruine dekens en
confituur van appelsien in blikken dozen
Bill noemden zij jou
WALVISTRAAN
Na de oorlog in het eerste bewaar
bij zuster B., een duim groot, stokoud
nog niet bij de Heer ontboden
Elke morgen, na de bel van tien
netjes op een rij, in de grote zaal
voor de beproeving van de dag:
het doorslikken van een walvistraan
(En als ik thuis kwam, vader
kreeg ik van moeder een tweede walvis ingekapt
Omdat het gezond was)
Ik herinner mij nog levendig
hoe ik op mijn lei een boot in krijt
had getekend, uit Spanje weerom
Ik mocht mijn boot in alle klassen tonen
de zuster liep voorop, ik erachteraan
met de lei horizontaal voor mij
als een ondiepe schaal vol toverwater
(Later heb ik vernomen dat die rondgang
een compensatie was voor de fooien
die ze van moeder had)
NAAR ZEE
Ik herinner mij nog levendig, vader
alsof het gisteren was
hoe je in de gutsende regen
met je gammele fiets naar Kortrijk reed
Om een saxofoon
Voor die knappe zoon van jou
Ik was toen zeven en de derde van de klas
de eerste die met pen en inkt mocht schrijven
de eerste die, zes maand later
op kosten van het ziekenfonds
naar zon en zee mocht
omdat ie een zwakke gezondheid had
Moeder werd er stil van
haar gemoed schoot vol,
bij de deur bestak zij de dokter van dienst
alsof ie jarig was
jij keek over mijn linkerschouder
in de richting Dover
toen wij afscheid namen
ginderver, een busreis van huis
waar het een privilege was te mogen blijven
Bij de Zusters van Liefde
ASWOENSDAG
Eén dag in het jaar, een woensdag
liep de meester ernstiger,
ik zou beter schrijven:
met het heilig vuur in zijn broek,
tussen de banken door,
mijn klasgenootjes en ik
hielden met één hand
het haar op boven ons voorhoofd
De meester wou zien
of er daar een kruisje stond
een kruisje van as,
en wee wie geen kruisje had
die kreeg een klap om de oren
die er dagen rood van stonden
Ik had altijd het grootste
op het kruisje van de meester na,
maar dat baarde mij zorgen,
telkens hield ik mij gedeisd
en keek onschuldiger
dan de vroomste kwezel uit de klas,
niet één keer in die zes jaar
heb ik het geheim van de koterhaak
moeten prijsgeven, vader
godzijdank
COWBOY EN BANDIET
Wij speelden cowboy en bandiet
met vijf revolvers en een schietgeweer,
en kwart over zes lag ik in mijn brits
te luisteren naar mijn collega's
hoe zij, luidruchtiger dan daarnet
het scenario van de dag afwerkten
Kinderen die willen studeren
moeten vroeger naar bed, zei je altijd,
en moeder, zonder meelij
bracht die wijsheid in de praktijk
't Was flink frustrerend vader
te horen hoe mijn vriendjes
verder mochten spelen
met mijn revolvers, mijn speelgoed,
al moet ik toegeven
dat dit hun voorwaarde (sine qua non) was
om met jouw overbeschermd kind
te willen acteren in dezelfde film
MARIE
Marie naaide voor moeder
toen ik 10 was en zij over de veertig
Vaak mocht ik naar haar toe,
het vaakst op zaterdag,
welkom op wasdag zei ze toen
en klapte haar naaimachine toe
Zij had een zoon, een Algerijns type
die het huis rondliep in blauwe slip,
hij kon vlinders toveren uit dooie vliegen
grote vlinders uit grote vliegen,
wij maakten vaker jacht op dikke rosse
Marie waste mij vaak op zaterdag
in mijn nakie bovenop een rieten stoel,
het handje hield zich op tussen mijn dijen
en toen mijn wijzertje klom naar kwart
gierde Marietje het uit
en riep er het buurmeisje bij
van net over de twintig
Blozend als een kriek keek ze toe
hoe ik mij ietwat schaamde
en naar de badhanddoek vroeg
DE HETAEREN
't Was al herfst of eind van de zomer
een zondagavond, toen je uit Menen terugkeerde
en je fiets stalde tegen de gevel van het café,
moeder krijste dat je laat was, te laat
en het koor zong van de hetaeren
de meisjes van plezier
je had een stap in de wereld gezet, vader
en je zou die duur betalen,
er werden namen gelispeld
één naam ligt nog op mijn lippen
maar ook nu verraad ik jou niet
Toen zijn wij gaan wandelen
op aandringen van 't mansvolk
tot aan de hoek van de rijksweg,
ik liep erbij voor spek en bonen
een paar meter achterop
en dacht aan de waterval van Coo
die met de twee gulpen,
immers jullie hadden zóveel te zeggen
zo haastig tegen elkaar op
als een cascade van woorden
Bij het terugkeren
daar waar de rooilijn een paar meter inspringt
plaste moeder gehurkt in de aarde
en de ruzie was ermee bijgelegd
VADER (2)
Minder en minder kan ik afstand nemen
van wat voorbij is,
figuren maken zich los en treden naar voren
Als een archeoloog graaf ik naar sporen
diep in mij bewaard gebleven,
elke laag is een periode
in elke periode vind ik tekens van herkenning
schilderingen, wachtwoorden
Het verblijf op de lagere school is een periode,
maar over eerder, nog vroeger terug
wil ik jou schrijven,
over mensen en dingen van toen
over de puberteit, terugzien zonder schroom
op een tijd van onzekerheid en onzekerheden
In die periode ontmoette ik N.
het eerste meisje dat ik kuste
met wie ik heb gevrijd, al heeft dat woord niet de inhoud
die je er later aan geeft
Dit her-denken loopt mij soms uit de hand,
het wordt meer en meer een terugreis
naar mijn eigen begin, naar mijn eerste eind,
ik voel onrust, angstzweet breekt mij uit
VERLIEFD
Ik vroeg mij af waarom God
zo'n vieze manier van vermenigvuldigen
had bedacht,
toen een jongen, iets ouder dan ik
al zat ie in dezelfde klas
zei dat je vast kon komen te zitten
Ik geloofde het, ik had het zelf gezien
bij honden; buren hadden er toen
een emmer water overheen gegooid
Rond die tijd ook ontdekte ik
de meisjes. Biologisch. Op afstand
De rondingen van hun heupen
de welvingen van de borst
Eens had ik een jongen uit de buurt
met een meisje zoenend aangetroffen
Lekker, vond hij. Het leek mij niets
Misschien moest je het leren
net als het eten van oesters en tomaten
Toen werd ik verliefd, op het eerste gezicht
Een nieuwe wereld ging voor mij open
L. als stralend middelpunt
Tot moeder in mijn jas haar foto vond
en er te vierklauw mee naar háár moeder liep
Vanuit de straat parallel met hun tuin
kon ik ze zien, vader
klapwiekend met hun armen
als legkippen in de ren
JAN CARREER
Een zondag, in de Mariamaand
werd ik uit het lof gehaald
om te verschijnen voor Jan Carreer
klein, met fijn zwart haar, op zijn spitse
neus glom een brilletje van zilver
gladde wangen, een gladde kin
(hij schoor zich om het uur, zei men)
zijn boord ivoorwit, zonder kreuk
Hij wou weten wat ik had gedaan
(doen is vuil, de spreuk van de week)
met enkelen samen, op een kamertje
een paar nachten eerder,
(de namen heb ik nooit gekend)
Ik zei dat ik nergens van wist,
(fout, vader, beter schuld te bekennen
en saam met je rechter boete doen),
hij trok letterlijk van leer
met de ceintuur van zijn soutane,
hoe heviger ik de feiten ontkende
hoe striemender hij kletste
op mijn blote dijen,
(eerst mocht ik mij wel neervlijen
over de leuning van zijn club)
Dat is een waar verhaal, vader
jou wel bekend, mij bij gebleven
NI DIEU NI MAITRE
Met de fiets naar school, elke dag,
(ik kon het mij amper voorstellen)
de eerste week was ik ook
zes maal het eerst op de afspraak
café Memlinc, kwart over zeven
Stel je mijn verbazing voor, vader
toen ook meisjes mee opstapten
naar drie hoog, klas 3E, lokaal 2
Ik ging rechts achter zitten
(veilig weg in een hoekje),
in de tweede bank middenrij
zat een meisje met pikzwart haar
dat in twee vlechtjes, met een
elastiekje was vastgestrikt,
zij had haar vulpen losgeschroefd
en schreef op de klep van haar boekentas
(Later mocht ik het lezen,
ni dieu, ni maître, stond er,
wat zij ermee wou zeggen, wist ik niet
dat het zware koffie was
kon ik aan de schampere taal
van meneer Buelens wel horen)
VADER (3)
Dat je wantrouwig bent
als ik over mijn eerste liefde schrijf
dat is jou geraden, vader
ik heb niet een eerste liefde gekend
(nou ja, ontelbare ook niet),
wat ik zeggen wil is
dat je van je eerste liefde niet wist
dat zij de eerste was
of dat je ten onrechte meende
dat je het liefde kon noemen,
nu ik dat schrijf, zit ik vragend
tegen die liefdes aan te kijken:
wat was nu de eerste, de hevigste,
wat bleek de sterkste, de mooiste?
Ligt het geheim van de liefde
niet in haar samenstelling
dit en dat en dat en dat?
Het eerste vriendinnetje, de eerste
vriend, het meisje dat net begon
de mensen die ik mij herinner
zijn misschien nooit geweest
zoals ik wil dat ze waren, vader
MULTATULI
Ik stond vóór links, achter de lessenaar,
dank voor uw aandacht, had ik net gezegd
zij hadden ademloos geluisterd
de meisjes, de jongens van mijn klas
hoe ik over Multatuli sprak,
in hun ogen verwondering
over wat ik wist te zeggen
controversiële dingen
waar meneer nooit over sprak,
drie kolommen vijftig lijnen
uit de krant geleerd
en voor de spiegel gerepeteerd
Hij zei dat hij niet akkoord kon gaan
met mijn stelling, mijn visie, mijn standpunt
en gebruikte argumenten
die ik tot mijn scha en schande
niet kon weerleggen
Zo ging ik af als een hond
het hoofd tussen de schouders
de ogen in een waterplas
naar mijn hoek, achteraan de klas
Thierry Deleu
Vader, nu je nog in leven bent
in de focus van vandaag herinneringen schoffelen
aan die jaren na Lichtmismaand
in eenvoudige woorden, en vader
om bestwil geen leugen,
fijn dat je nog 'ns genieten kunt
of ook 'n keer een wrange nasmaak proeft
Ik wil geen leemten opvullen, vader
enkel herstellen wat wij toen ongemaakt
achter ons lieten, met het excuus
dat we later wel 'ns tijd zouden maken
Als ik mensen hoor praten over herinneringen
dan lijkt het wel of zij zich zonder meer
weer te binnen kunnen brengen wat geweest is
Ik kan dat niet, vader, ik weet nooit
het verschil tussen wat nu echt is
en de vele verhalen die zich
daaroverheen hebben neergevlijd
De tijd van toen, vader
toen de Engelsen kwamen als engelen
in kaki gehuld met bruine dekens en
confituur van appelsien in blikken dozen
Bill noemden zij jou
WALVISTRAAN
Na de oorlog in het eerste bewaar
bij zuster B., een duim groot, stokoud
nog niet bij de Heer ontboden
Elke morgen, na de bel van tien
netjes op een rij, in de grote zaal
voor de beproeving van de dag:
het doorslikken van een walvistraan
(En als ik thuis kwam, vader
kreeg ik van moeder een tweede walvis ingekapt
Omdat het gezond was)
Ik herinner mij nog levendig
hoe ik op mijn lei een boot in krijt
had getekend, uit Spanje weerom
Ik mocht mijn boot in alle klassen tonen
de zuster liep voorop, ik erachteraan
met de lei horizontaal voor mij
als een ondiepe schaal vol toverwater
(Later heb ik vernomen dat die rondgang
een compensatie was voor de fooien
die ze van moeder had)
NAAR ZEE
Ik herinner mij nog levendig, vader
alsof het gisteren was
hoe je in de gutsende regen
met je gammele fiets naar Kortrijk reed
Om een saxofoon
Voor die knappe zoon van jou
Ik was toen zeven en de derde van de klas
de eerste die met pen en inkt mocht schrijven
de eerste die, zes maand later
op kosten van het ziekenfonds
naar zon en zee mocht
omdat ie een zwakke gezondheid had
Moeder werd er stil van
haar gemoed schoot vol,
bij de deur bestak zij de dokter van dienst
alsof ie jarig was
jij keek over mijn linkerschouder
in de richting Dover
toen wij afscheid namen
ginderver, een busreis van huis
waar het een privilege was te mogen blijven
Bij de Zusters van Liefde
ASWOENSDAG
Eén dag in het jaar, een woensdag
liep de meester ernstiger,
ik zou beter schrijven:
met het heilig vuur in zijn broek,
tussen de banken door,
mijn klasgenootjes en ik
hielden met één hand
het haar op boven ons voorhoofd
De meester wou zien
of er daar een kruisje stond
een kruisje van as,
en wee wie geen kruisje had
die kreeg een klap om de oren
die er dagen rood van stonden
Ik had altijd het grootste
op het kruisje van de meester na,
maar dat baarde mij zorgen,
telkens hield ik mij gedeisd
en keek onschuldiger
dan de vroomste kwezel uit de klas,
niet één keer in die zes jaar
heb ik het geheim van de koterhaak
moeten prijsgeven, vader
godzijdank
COWBOY EN BANDIET
Wij speelden cowboy en bandiet
met vijf revolvers en een schietgeweer,
en kwart over zes lag ik in mijn brits
te luisteren naar mijn collega's
hoe zij, luidruchtiger dan daarnet
het scenario van de dag afwerkten
Kinderen die willen studeren
moeten vroeger naar bed, zei je altijd,
en moeder, zonder meelij
bracht die wijsheid in de praktijk
't Was flink frustrerend vader
te horen hoe mijn vriendjes
verder mochten spelen
met mijn revolvers, mijn speelgoed,
al moet ik toegeven
dat dit hun voorwaarde (sine qua non) was
om met jouw overbeschermd kind
te willen acteren in dezelfde film
MARIE
Marie naaide voor moeder
toen ik 10 was en zij over de veertig
Vaak mocht ik naar haar toe,
het vaakst op zaterdag,
welkom op wasdag zei ze toen
en klapte haar naaimachine toe
Zij had een zoon, een Algerijns type
die het huis rondliep in blauwe slip,
hij kon vlinders toveren uit dooie vliegen
grote vlinders uit grote vliegen,
wij maakten vaker jacht op dikke rosse
Marie waste mij vaak op zaterdag
in mijn nakie bovenop een rieten stoel,
het handje hield zich op tussen mijn dijen
en toen mijn wijzertje klom naar kwart
gierde Marietje het uit
en riep er het buurmeisje bij
van net over de twintig
Blozend als een kriek keek ze toe
hoe ik mij ietwat schaamde
en naar de badhanddoek vroeg
DE HETAEREN
't Was al herfst of eind van de zomer
een zondagavond, toen je uit Menen terugkeerde
en je fiets stalde tegen de gevel van het café,
moeder krijste dat je laat was, te laat
en het koor zong van de hetaeren
de meisjes van plezier
je had een stap in de wereld gezet, vader
en je zou die duur betalen,
er werden namen gelispeld
één naam ligt nog op mijn lippen
maar ook nu verraad ik jou niet
Toen zijn wij gaan wandelen
op aandringen van 't mansvolk
tot aan de hoek van de rijksweg,
ik liep erbij voor spek en bonen
een paar meter achterop
en dacht aan de waterval van Coo
die met de twee gulpen,
immers jullie hadden zóveel te zeggen
zo haastig tegen elkaar op
als een cascade van woorden
Bij het terugkeren
daar waar de rooilijn een paar meter inspringt
plaste moeder gehurkt in de aarde
en de ruzie was ermee bijgelegd
VADER (2)
Minder en minder kan ik afstand nemen
van wat voorbij is,
figuren maken zich los en treden naar voren
Als een archeoloog graaf ik naar sporen
diep in mij bewaard gebleven,
elke laag is een periode
in elke periode vind ik tekens van herkenning
schilderingen, wachtwoorden
Het verblijf op de lagere school is een periode,
maar over eerder, nog vroeger terug
wil ik jou schrijven,
over mensen en dingen van toen
over de puberteit, terugzien zonder schroom
op een tijd van onzekerheid en onzekerheden
In die periode ontmoette ik N.
het eerste meisje dat ik kuste
met wie ik heb gevrijd, al heeft dat woord niet de inhoud
die je er later aan geeft
Dit her-denken loopt mij soms uit de hand,
het wordt meer en meer een terugreis
naar mijn eigen begin, naar mijn eerste eind,
ik voel onrust, angstzweet breekt mij uit
VERLIEFD
Ik vroeg mij af waarom God
zo'n vieze manier van vermenigvuldigen
had bedacht,
toen een jongen, iets ouder dan ik
al zat ie in dezelfde klas
zei dat je vast kon komen te zitten
Ik geloofde het, ik had het zelf gezien
bij honden; buren hadden er toen
een emmer water overheen gegooid
Rond die tijd ook ontdekte ik
de meisjes. Biologisch. Op afstand
De rondingen van hun heupen
de welvingen van de borst
Eens had ik een jongen uit de buurt
met een meisje zoenend aangetroffen
Lekker, vond hij. Het leek mij niets
Misschien moest je het leren
net als het eten van oesters en tomaten
Toen werd ik verliefd, op het eerste gezicht
Een nieuwe wereld ging voor mij open
L. als stralend middelpunt
Tot moeder in mijn jas haar foto vond
en er te vierklauw mee naar háár moeder liep
Vanuit de straat parallel met hun tuin
kon ik ze zien, vader
klapwiekend met hun armen
als legkippen in de ren
JAN CARREER
Een zondag, in de Mariamaand
werd ik uit het lof gehaald
om te verschijnen voor Jan Carreer
klein, met fijn zwart haar, op zijn spitse
neus glom een brilletje van zilver
gladde wangen, een gladde kin
(hij schoor zich om het uur, zei men)
zijn boord ivoorwit, zonder kreuk
Hij wou weten wat ik had gedaan
(doen is vuil, de spreuk van de week)
met enkelen samen, op een kamertje
een paar nachten eerder,
(de namen heb ik nooit gekend)
Ik zei dat ik nergens van wist,
(fout, vader, beter schuld te bekennen
en saam met je rechter boete doen),
hij trok letterlijk van leer
met de ceintuur van zijn soutane,
hoe heviger ik de feiten ontkende
hoe striemender hij kletste
op mijn blote dijen,
(eerst mocht ik mij wel neervlijen
over de leuning van zijn club)
Dat is een waar verhaal, vader
jou wel bekend, mij bij gebleven
NI DIEU NI MAITRE
Met de fiets naar school, elke dag,
(ik kon het mij amper voorstellen)
de eerste week was ik ook
zes maal het eerst op de afspraak
café Memlinc, kwart over zeven
Stel je mijn verbazing voor, vader
toen ook meisjes mee opstapten
naar drie hoog, klas 3E, lokaal 2
Ik ging rechts achter zitten
(veilig weg in een hoekje),
in de tweede bank middenrij
zat een meisje met pikzwart haar
dat in twee vlechtjes, met een
elastiekje was vastgestrikt,
zij had haar vulpen losgeschroefd
en schreef op de klep van haar boekentas
(Later mocht ik het lezen,
ni dieu, ni maître, stond er,
wat zij ermee wou zeggen, wist ik niet
dat het zware koffie was
kon ik aan de schampere taal
van meneer Buelens wel horen)
VADER (3)
Dat je wantrouwig bent
als ik over mijn eerste liefde schrijf
dat is jou geraden, vader
ik heb niet een eerste liefde gekend
(nou ja, ontelbare ook niet),
wat ik zeggen wil is
dat je van je eerste liefde niet wist
dat zij de eerste was
of dat je ten onrechte meende
dat je het liefde kon noemen,
nu ik dat schrijf, zit ik vragend
tegen die liefdes aan te kijken:
wat was nu de eerste, de hevigste,
wat bleek de sterkste, de mooiste?
Ligt het geheim van de liefde
niet in haar samenstelling
dit en dat en dat en dat?
Het eerste vriendinnetje, de eerste
vriend, het meisje dat net begon
de mensen die ik mij herinner
zijn misschien nooit geweest
zoals ik wil dat ze waren, vader
MULTATULI
Ik stond vóór links, achter de lessenaar,
dank voor uw aandacht, had ik net gezegd
zij hadden ademloos geluisterd
de meisjes, de jongens van mijn klas
hoe ik over Multatuli sprak,
in hun ogen verwondering
over wat ik wist te zeggen
controversiële dingen
waar meneer nooit over sprak,
drie kolommen vijftig lijnen
uit de krant geleerd
en voor de spiegel gerepeteerd
Hij zei dat hij niet akkoord kon gaan
met mijn stelling, mijn visie, mijn standpunt
en gebruikte argumenten
die ik tot mijn scha en schande
niet kon weerleggen
Zo ging ik af als een hond
het hoofd tussen de schouders
de ogen in een waterplas
naar mijn hoek, achteraan de klas
Thierry Deleu
Abonneren op:
Posts (Atom)

