Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans

Stichtingsdatum: 1 februari 2007


"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"

"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.

31 maart 2008

Oostduinkerkse brieven - 7

Beste vriend,

Ik heb (de voorpublicatie van) je essay Zot van boeken - zoals je kon vaststellen – grondig gelezen. Mijn mening blijft onveranderd: interessante kopij voor geïnteresseerden. Normaliter zullen dit verwante boekengekken zijn, soulmates.
Ik bewonder de wijze waarop jij je fascinatie voor het boek verwoordt. Maar - en dit is zo, hoor -: een essay (het woord zegt het zelf) is een poging. En die kun je inwisselen voor andere pogingen.
Dat je vanuit een obsessie schrijft, blijkt uit de vele ietwat pathetische bekentenissen. Je dissecteert je bizarre leeservaring tot een aantal trefwoorden en citaten. En ik voel herkenning, toeval, verbeelding, taal, spanning. Maar vind je ook niet - achteraf en nog te repareren - dat je te veel uitsmijters uit je pen tovert?
Soit, ik wens je een (alternatieve) uitgever! Van harte!

Beste vriend, een mens (en zeker in mijn geval) vraagt zich al eens af wat een “echte” dichter is. Kamp ik met een gigantisch imagoprobleem? Zijn mijn gedichten bestemd voor depressieve neuroten? Pubermeisjes? Naar liefde smachtende vrouwen? Schrikt mijn poëzie de mensen af? Of tout court: leest het volk geen poëzie? Choreografen, muzikanten en theatermakers vind je bij trosjes in culturele centra. Maar een dichter?
Wat is er bijzonder aan poëzie? Aan de dichter? Aan mij? Een eerste opvallend - en eeuwigdurend - schrijnend fenomeen is dat “Gedichtendag” duizenden mensen op de been brengt, maar dat een individuele bundel niet verkocht raakt. Wat hapert er aan de (individuele) dichter? Wanneer hij of zij optreedt als circusartiest en zich clownesk gedraagt, wordt hij geprezen. Ik doe dan ook een oproep tot reflectie!

In “Westkust magazine XL” (duizenden ex.) staat op blz. 42 een gesprek met mij onder de titel “Plezier en geen kwaad geweten. Voilà: da’s de reden waarom ik schrijf” - “Oostduinkerkse auteur Thierry Deleu legt laatste hand aan politieroman”. Ik citeer: “Ik zocht een bezigheid die mij kon plezieren en die mij geen kwaad geweten bezorgde (zegde Thierry Deleu). Schrijven is voor Deleu een levensbehoefte die hem vele aangename uren bezorgt, en die niet in dienst staat van een hogere roeping. ‘Ik ben als schrijver geen wereldverbeteraar!”
Bij het paginagroot artikel staat een foto van mij in een bibliotheek in de Tarn en de cover van Magisch alfabet. Word je niet gelezen, dan ben je toch een BH en een BO! Wanneer word ik een BV?

De begrafenisplechtigheid van Hugo op TV gevolgd, mooi, ingetogen, mooie speeches, jammer dat Mortier het nog eens over Claus’ euthanasie moest hebben en de kardinaal een veeg uit de pan gaf. Och god toch, laat de mensen in vrede leven, heb respect voor andermans mening en schiet niet met los kruid op alles dat beweegt en op iedereen die anders denkt of anders handelt.

Meer en meer ben ik er van overtuigd dat tijdens de oorlogsjaren de moeder van Hugo op de ERLA werkte toen ook mijn vader aldaar aan de slag was.
In Het verdriet van België is Constance Bossuyt de mama van Louis Seynaeve. Constance Bossuyt is volgens mij Germaine Vanderlinden en Louis is Hugo Claus.
Enkele fragmenten uit het boek:
“Als de mis uit is, beginnen ze dan al te werken, aan de overkant, in de ERLA?”
“Dat hangt er van af hoe laat de mis gedaan is. Soms staat er al wat volk aan de poort.”
“Welk volk?”
“Het werkvolk. De bedienden komen later. Zoals Mama. Om halfnegen.”
(blz. 406)
“Dan telefoneert hij (Herr Lausengier) naar de pastoor van het dorp van de betrokkene om te weten te komen of het geen bedriegerij is en of de familie gunstig aangeschreven staat in de parochie, want ge weet nooit, mensen zijn in oorlogstijd slim en slecht. Dan, om elf uur, is er audiëntie en ontvangt hij de meestergasten. Het middagmal wordt in gezelschap van Frau Seynaeve gebruikt, een eitje, vis, vlees, tafelbier en als er geen klachten zijn van de Kommandantur een half flesje Bordeaux…”
(blz. 419)
“Herein,” zei Mama’s opgewekte stem. Zij sprong achter haar schrijfmachine vandaan, in een zelfde warrelende beweging schikte zij haar haar, drukte haar peuk uit en stak haar hand uit alsof zij, voor het eerst in hun leven samen, Louis’ hand wou drukken, maar zij aaide over zijn wang. (Zij speelde voor moeder opdat een witharige dunne dame die met een paperclip tussen de lippen aan een kleiner bureau zat het kon zien.)
(blz. 423)
“Henny,” zei Mama. De Doktor liet het goud in zijn mond zien. Hij had uitzonderlijk brede polsen, met gouden krulletjes…
“Hij zal het wel schaffen,” zei hij alsof Louis er niet bijstond, en groette een smalle jongeman in een gerafeld pak die binnengekomen was zonder kloppen…(blz. 425)
“Goed. Dan zeg ik (Louis): distractie. Het is normaal dat zij wat distractie zoekt, zij moet toch hard werken, of niet soms? Ik ben er geweest en ik heb het gezien, zij is de hele tijd in de weer, facturen hier, correspondentie daar. Zij is daar gaarne gezien, zij noemen haar zelfs de ‘Madonna van de ERLA’. Omdat ze de gekwetste frezers of lassers verzorgt in de infirmerie.”
(blz. 432)
“… Wetens en willens wilt ge niet zien dat uw vrouw op de bureaus van de ERLA…”“Zeg verder, Louis.”
“Dat ze daar het slachtoffer en de slaaf is van haar driften. (Ging hij te ver? Zijn vader knikkebolde maar bleef luisteren.) “Gij kent haar toch beter dan ik, gij weet hoe zij is. En dat ge dat toelaat, dat moet ge zelf weten…”
(blz. 434)
Hij (Louis) kreeg een glas aangeboden door een ERLA-jongmens dat zei dat zijn moeder opbloeide als een bloem…
(blz. 440)
“Ja, trek nog en beetje partij voor haar.’ ...
“Zij wil niet bekennen, maar ze moet niet bekennen, want het is algemeen geweten in de ERLA, in heel Walle! Zij is gezien! Zij is gehoord! Weet gij hoe hij haar noemt?”
“Nee.” (Niet: Wie?)
“Flämmchen, mein Flämmchen. Alstublieft!”
“Mijn kleine Vlaamse?”
“Maar nee, Louis! Madam is een vlam! Alstublieft!”
(blz. 458)

Opgelet, ik lig er niet wakker van, vriend. Maar zoals ik in mijn vorige brief schreef, lees ik Het verdriet van België nu voor de derde keer. Ik heb de lectuur ervan onderbroken voor jouw Zot van boeken. Omdat je een vriend bent.

Ik hoor zo weinig van je vrouw. Is zij goed bezig? Thuis en op het werk? Ik kijk nog altijd uit naar haar eerste kinderboek, maar ja, enkel als je echt gedreven bent (stout woord?), begin je aan zo’n project.Het is misschien beter zo. Toch voor jou, die zo verkrampt, gejaagd, bezeten, gepassioneerd kunt bezig zijn met… de boeken. Zet eens samen een project op waarin jij de underdog bent, het slaafje van de grote schrijfster. Zou het lukken, denk je? Doe haar de groetjes.

Thierry

Geen opmerkingen: