Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans

Stichtingsdatum: 1 februari 2007


"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"

"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.

27 februari 2007

Thierry's webcolumn

De leugen regeert de wereld

Reeds jaren loop ik met het idee een essay te schrijven over de leugen, of beter: hoe de leugen overheerst, hoe de leugen de wereld regeert, hoe met andere woorden de waarheid permanent in de verdrukking komt. Bij het schrijven van het essay Schoon volk in de hemel had ik gezworen dat het mijn laatste boek zou zijn (2de helft 2008). Word ik niet te oud om mij nog “halsoverkop” te verdiepen in de roerselen van de menselijke geest? Wordt het niet stilaan tijd dat ik het korte stukje leven dat mij nog rest invul met (nog meer) op reis gaan en (veel meer) lezen? Op die twee vragen antwoordt mijn lief vrouwtje volmondig: “Ja!” Dit doet zij echter al heel “ons” leven: enerzijds stimuleert zij mijn creativiteit en anderzijds tempert zij mijn verstikkende gedrevenheid.
Ik kan het echter niet van mij af zetten: ik moet mijn medemens de ogen openen voor zoveel leugen en roddel, voor zoveel geschiedenisvervalsing, voor dat verzonnen verleden. Eerst dacht ik aan een essay, maar nu heb ik definitief geopteerd voor een artikel. De schrijfdrift blijft groot, maar ik voel de krampen in mijn vingers (ik bedoel: de druk in mijn vingertoppen en de pijn van mijn muistendinitis).
’t Kan mij geen zier schelen, ik ga er voor, - zij het nu met korte ademstoten, - ik wil de slechtzienden met hun neus op de feiten drukken en de slechthorenden aanmoedigen om beter te luisteren.

Vooral de “ontdekking” van de Gentse archeologieprofessor Hugo Thoen heeft mij over de brug gehaald. Ik doe het! In “Het Laatste Nieuws” van 21 februari 2006 las ik de veelzeggende krantentitel: “Julius Caesar is nooit in onze streek geweest”. Met andere woorden: de Belgen verdienen de titel van dappersten onder de Galliërs niet. Want Julius Caesar, de Romein die ons in zijn boek De Gallische Oorlogen zo fijn omschreef, kon dat helemaal niet weten. Hij zette namelijk nooit één voet in onze streek. Hebben we ons dan met een bang hart aan de Romeinen overgegeven? “De verovering van Gallië is véél vredelievender gebeurd dan Caesar schrijft,” zegt de professor. “Via onderhandelingen.” 25 jaar lang woelde de archeoloog de Belgische grond om, op zoek naar resten van “de grote legerkampen” van Caesar. Zonder succes.
Duizenden leerlingen van de Latijnse laten elk jaar bloed, zweet en tranen op de vertaling van De Bello Gallico van Julius Caesar. En nu blijken grote delen rechtstreeks uit de “fabeltjeskrant” te komen. Caesar beschrijft trots hoe hij tussen 57 en 51 voor Christus de tegenspartelende Gallische volkeren één voor één veroverde met een massale troepenmacht. Maar tot op heden vond de professor geen archeologische sporen terug van die Romeinse legerkampen met afvalputten, grachten en potscherven.
Caesar was een politicus en wilde in Rome een goede beurt maken. Bovendien had hij de hoge functie van proconsul en reed nooit zonder militaire bescherming uit. Ja, ook Ambiorix, de aanvoerder van de Eburonen, heeft hij verzonnen. Buiten Caesar heeft niemand ooit over hem geschreven. Caesar zelf is ook nooit in de omgeving van Tongeren geraakt. Van één ding zijn we zeker: de benaming “Belg” komt van hem. Dat was “iemand die zich gemakkelijk kwaad maakte”.

“De leugen regeert” is een uitspraak van de Nederlandse koningin Beatrix. Ze karakteriseerde in november 1999 in een gesprek met het “Genootschap van Hoofdredacteurs” van de belangrijkste Nederlandse media met deze woorden wat ze dacht over de kwaliteit van de Nederlandse journalistiek. Sinds september 2000 gebruikt de omroepzender VARA het citaat als titel voor een televisieprogramma waarin journalistieke uitglijders onder de loep genomen worden. Dit zou in Vlaanderen ook best mogen bestaan, hetzij in de vorm van een tv‑programma, hetzij als website.
Wijst de Nederlandse koningin hier op de tendens naar mis‑ en desinformatie in de media? Of heeft ze het over de angst en krampachtigheid die er heerst in het algemeen en in de media in het bijzonder?
Een tv-programma waarin de kijker simpele vragen kan stellen over het hoe en waarom van bepaalde zaken die hij/zij vernomen of achterhaald heeft en die hij/zij behalve gecontroleerd/bevestigd ook nog toegelicht wil krijgen.
“De leugen regeert,”zei Beatrix en het Nederlandse joumaille schoot onmiddellijk in de verdediging en vanuit de heup terug: “Losse flodder... dit is niet bepaald een diepgaande analyse” (NVJ ‑voorzitter R. Abram); “Mijn eerste reactie was: wat is de koningin op dit punt buitengewoon slecht geinformeerd” (J. de Berg, hoofdredacteur “Trouw”); “Ik vind het buitengewoon zorgelijk als de koningin echt zou vinden dat de leugen regeert in de media” (H. Laroes, adjunct-­hoofdredacteur NOS‑Journaal); “De opleidingen voor de journalistiek zijn sterk verbeterd” (Volkskranthoofdredacteur P. Broertjes). Broertjes betreurt het bovendien dat de koningin geen onderscheid maakt tussen de serieuze pers en de roddelpers.

Maar als we er van uit gaan dat, wie halve waarheden vertelt, liegt, dan heeft Beatrix toch gewoon gelijk? De media vertellen immers halve waarheden als ze hoofdzakelijk over de slechte kanten van het nieuws berichten. Voor de pers is het glas half leeg in plaats van half vol; ze bericht meer over het vallen dan over het opstaan van mensen. De pers richt echter het overgrote deel van haar aandacht op het doorvertellen van de mislukkingen, de ongelukken, de rampen, de crisissen en de fouten. Als dat niet als roddelen mag worden aangemerkt, wat dan wel? En dus liegt en roddelt zelfs de “serieuze” pers.
Hoe kunnen de media ontkennen, dat de leugen regeert, als de cijfers uitwijzen dat er geen toename, maar een afname van misdaad en geweld is, terwijl de meeste Vlamingen door de berichtgeving in de pers zijn gaan geloven, dat het tegendeel het geval is?
Elke misser, misdaad, fout, blunder, crisis, ongeluk, ramp is blijkbaar wel nieuws om in een tv-journaal uit te zenden, of in de krant te zetten, dag in, dag uit. Waarom b.v. is elke moeizame stap in het genezingsproces van mensen, die beschadigd, arm, invalide of gek zijn geworden van al die “missers”, ook geen nieuws? Waarom vertrekken de meeste journalisten nadàt het geweld is geëindigd en zodra mensen proberen om hun wonden te likken en hun leven weer op te nemen? Waarom is Zuid-Afrika nu veel minder in het nieuws dan in de tijd waarin geweld en vernietiging, moord en doodslag, nog voor het oprapen lagen? Waar is de berichtgeving over de wederopbouw na een orkaan, of na een aardbeving, een cycloon?
Waarom vindt de pers afbraak interessanter dan opbouw? Slecht nieuws is snel, niet moeizaam, goedkoop, verwijst naar geen enkel doel of ideaal en dus gemakkelijker (meteen) “objectief” te belichten, gemakkelijk te begrijpen ook zonder achtergronden, junkfood for the mind.
Goed nieuws is niet: de treinen rijden op tijd, het verkeer tussen knooppunten kan ongehinderd doorrijden. Goed nieuws is niet: er verandert niets en het is niet gewelddadig. Goed nieuws vereist meer dan oppervlakkigheid, vereist diep gravende betrokkenheid. Het kost meer uitzendtijd en krantenkolommen om een goed nieuwsitem over te brengen, omdat het niet kan worden beschreven als incident. Goed nieuws kan alleen worden beschreven vanuit de context van de moeizame inspanningen en vanuit verwijzingen naar een doel dat nog moet worden bereikt.
Voor de kritische “objectieve” (lees: onbetrokken) journalist, achter het scherm van zijn tekstverwerker, zijn opschrijfblok of achter de lens van de camera, is het blijkbaar minder gemakkelijk om groei, ontwikkeling, het vallen en opstaan, of het zoeken naar orde in chaos te beschrijven. Oh ja, de pers beschrijft maar al te graag de mislukkingen, de crisissen en de fouten, maar geeft niet thuis als er moet worden bericht over (kleine) stapjes vooruit.
Wat is informatie eigenlijk? Informatie is datgene, dat ons gedrag verandert, de rest is ruis. Alleen datgene dat ons motiveert om iets te doen of te laten, is informatie. De informatie uit televisie en krant geeft ons vooral een gevoel van machteloosheid. Is dat de bedoeling? En zo niet, waarom veranderen de makers van het nieuws dan hun attitude niet?
Wat ons motiveert tot handelen is het vermijden van pijn. Onze eigen pijn, niet de pijn van anderen, pijn waarmee we ons kunnen identificeren, niet de pijn van abstracte massa's ver weg. De pers zou over ver weg dus goed nieuws en successen moeten verhalen, en alleen slecht nieuws moeten brengen over die dingen die we ook kunnen beïnvloeden. Opvallend is, dat pers precies de omgekeerde normen hanteert, die kenmerkend zijn voor propagandadoeleinden: slecht nieuws over de boze wereld buiten ons gelukkig wereldje (den aan de lange rijen voor de winkels in de voormalige Oostbloklanden, maar niet de lange rijen voor de kassa's in onze onderbezette supermarkten) en goed nieuws over de wereld dichtbij: de economie gaat weer vooruit; enkele tienden van procenten beter dan in hetzelfde kwartaal van het vorige jaar!
De wereld, zoals die ons door krant en tv wordt voorgespiegeld, lijkt vooral afbraak, geweld, gruwelijkheden. Niemand, waar ook, durft nog de straat op en blijft daarom maar binnen, veilig bij het slechte nieuws van de krant en de tv, waar wordt bevestigd dat we beter binnen kunnen blijven. Stel dat we zouden proberen om iets op te bouwen, dan wordt het immers toch weer afgebroken, niet? Dus waarom zouden we nog?
Is het misschien informatie voor de nieuwsmakers, dat 85% van de mensen vraagt om meer hoopvol nieuws, en dat slechts 12% dat niet nodig vindt (enquête van Ikon-tv, in 1994)? Hoe gaan de nieuwsmakers hun gedrag veranderen op basis van dit nieuws? Of erkennen ze er de nieuwswaarde niet van? Of blijven ze liever eenzijdig slecht nieuws brengen en dus liegen en roddelen?

26 februari 2007

Wie schrijft die blijft !

Aandacht is iets waar iedereen wel een beetje naar verlangt. Iedere creatie verdient een beetje aandacht maar spijtig genoeg krijgen misdadigers of wereldveroveraars veel meer aandacht dan de creatieve mensen. Personen die er op de één of andere manier toch in slagen om immens veel aandacht te krijgen worden op een bepaald moment onsterfelijk maar velen krijgen nooit de kans om iets te tonen.
Persoonlijk heb ik heel veel respect voor alle mensen die iets proberen te creëren, iets maken waar ze hun volledige ziel inleggen. Veel van die creaties geraken verloren of worden in het beste geval bewaard in familiale kring. De kleinste dingen zijn soms de fijnste dingen.
Zo ook in de literatuur, hoeveel mensen schrijven er niet maar het grootste deel ervan ziet nooit de drukpersen. Ze ontsnappen aan de aandacht, spijtig ! Toch raad ik iedereen aan om verder te doen al was het maar voor je naasten. Er is niets mooier dan literatuur : gevoelig, aangrijpend, sprankelend, betoverend… De kracht van de taal is ongekend. Bovenal is het blijvend, ooit was er zelfs een televisieprogramma met de naam “Wie schrijft die blijft !”.

Het boek “eX” van Thomas Blondeau beschrijft perfect tot wat een zoektocht naar aandacht kan leiden. De personages vinden aandacht, auteur Thomas Blondeau zal blijven !



“Ex” komt uit het Latijn. Volgens Van Dale wordt “ex” gebruikt als voorvoegsel om aan te duiden dat de genoemde zijn hoedanigheid niet meer bezit. Een “ex” wordt ook aanzien als voormalig aanhanger maar vergeet niet dat dit de felste tegenstanders kunnen zijn. In het boek van Thomas Blondeau is de grote vraag : “Wie is de ex en wie de geliefde ?”. Of zou “eX” gewoon de initialen zijn van de schilder die de cover van het boek maakte ? Of van alles een beetje ? Dit kom je te weten als je het volledige boek leest. Gewoon doen !

Lokkertje ! In het eerste deel “Voor het leven interessant werd” beginnen we met de begrafenis van Halcia. Hoe is het zover kunnen komen ? Om dit te ontdekken, maken we eerst uitgebreid kennis met de hoofdpersonages. Halcia Zhuravlyova is geboren in Sint-Petersburg. Nog vóór haar geboorte sterft haar vader in een auto-ongeval en verliest moeder Elena haar been. Later leert Elena een West-Vlaming kennen en verhuist ze naar de Westhoek. Hier begint Halcia te werken op de regionale televisie. De jonge David Quispel moet als zoon van een cafébaas altijd de wc-potten kuisen. Hij put kracht uit de stront, zijn kennis vergaart hij door het lezen van boeken en de rest via kleptomanie. Franky Vandebroele is de zoon van een politiecommissaris. Tijdens zes maanden verplichte therapie in een psychiatrische instelling leert hij in het naburige café David kennen. Xander Eleman is een kunstschilder en heeft een relatie met Halcia. Xander ontmoet Franky en David na het verschaffen van een fictief alibi. In het tweede deel “Het leven wordt interessant” starten de drie vrienden met “Het Esthetisch Affront”. Halcia maakt een opgezette documentaire over hun exploten. Tijdens hun laatste actie loopt alles verkeerd. In het derde deel “Het leven is interessant” krijgen we alles in vorm van persartikelen : de verdwijning van Halcia, het vinden van haar lijk, de begrafenis, de zoektocht naar de waarheid en welke rol de drie vrienden hierin nog spelen.

De auteur ! Thomas Blondeau is geboren op 21 juni 1978 in Poperinge. Hij groeide op in Proven. Later studeerde hij twee jaar Germaanse filologie aan de katholieke universiteit van Leuven. Daarna verkaste hij naar het Nederlandse Leiden waar hij aan de universiteit “Master in Nederlandse Taal & Cultuur” werd. Intussen heeft hij daar een vriendin en blijft er voorlopig wonen. Thomas Blondeau publiceerde al poëzie, proza en journalistiek werk in verschillende tijdschriften zoals : “Awater”, “De Brakke Hond”, “Courrier International”, “Deng”, enz…

Veritas mea ! “eX” is een echte schelmenroman. Alle hoofdrolspelers zijn op zoek naar aandacht en onsterfelijkheid. Ze zijn jong en om hun namen vele jaren later nog te laten herkennen, creëren ze door middel van manipulatie hun eigen verhaal. Bewust of onbewust gebeurt dit ook in het gewone leven. Iedere mens probeert iets te doen dat voor een vorm van onsterfelijkheid zorgt. Dit kan iets bescheidens zijn waardoor hij altijd zal herinnerd worden in familiale kring of iets veel groter dat zorgt voor nationale of internationale herkenning. Het leven is vergankelijk en uiteindelijk is iedereen bang om na zijn dood vlug vergeten te worden. Let tijdens het lezen van “eX” ook op de uitmuntende woordencarrousels van Franky. Het boek leest enorm vlot en je wordt meegesleept in de levens van Halcia, David, Xander en Franky. Als voyeur maak je mee hoe hechte vriendschap volledig uit elkaar spat.

Extraatje ! Alles begint met het vernielen en later ontvoeren van tuinkabouters. In de realiteit zijn er ook “Tuinkabouterbevrijdingsfronten” actief. Zij vinden dat de tuinkabouters recht hebben op vrijheid. De ontvoerde tuinkabouters worden losgelaten in een bos of op wereldreis gestuurd. Dit was ook te zien in de film “Le Fabuleux Destin D’Amélie Poulain”.

De leukste zin ! “Van boter soppende pannenkoeken volgeladen met knetterende basterdsuiker werden met luie slagen opgerold en ongesneden naar binnen geschoven, slagroom lilde over de ruitpatronen van wafels die als papier-maché uit elkaar vielen en brillen en handtassen vielen in dampende kannen chocoladesaus om nooit meer teruggevonden te worden.”

Marc Vandenbussche

25 februari 2007

Mode en kunst: een revival van accessoires



Peter Deleu & Inge de Schuyter
zetten “eigengereid” hun lijnen uit

De relatie tussen kunst en mode heeft verschillende gezichten. Enerzijds beroepen beide zich op het predikaat “kunst” als één van de elementen van de cultuur. Anderzijds drukt de kunstenaar meestal vraagtekens uit, stelt de maatschappij in vraag, terwijl de modeontwerper veeleer één van de makers van deze maatschappij is, hij schikt de maatschappij op, hij bepaalt het gezicht. De eerste zet zich af tegen “commercialisering”, de tweede creëert “exclusiviteit” die trendbepalend is voor het gangbare modebeeld. Hoe zij zich ook profileren, zowel de kunstenaar als de modeontwerper stellen “kunst” te koop.
Wat het laatste decennium vooral opvalt, is de revival van de accessoires, denk aan juwelen, mobiele kunstobjecten, ook kleding als assorterende bijstukken.

Inge de Schuyter (leraar Goudsmeden/Juwelen aan het Koninklijk Technisch Atheneum Heule) brengt in haar recent werk een ode aan de vrouw. Als symbool gebruikt zij vaak het korset, een typisch vrouwelijk attribuut. Het gebruik ervan is 3-ledig. Het staat voor onderdrukking, inperking zoals de oude korsetten vanaf de 16de tot begin 20ste eeuw, erotiek, verleiding en passie, maar ook bescherming, zoals de maliënkolder, het harnas of het schild de bescherming was voor de man. Zij stelt de vrouw voor als een totaliteit, niet fragmentarisch. Wel tegenstrijdig, dualistisch, evenwichtig, labiel, luchtig, maar ook bloedernstig.

Vroeger maakte De Schuyter in hoofdzaak juwelen, maar met dit medium kan zij niet alles uitdrukken wat zij wil. Zij kiest het medium en de kunstvorm in functie van wat zij wenst te vertellen.

Bij deze kunstenares springt de eeuwige zoektocht naar een wankel evenwicht meteen in het oog. In enkele van haar recente objecten speelt de transparantie een dominante rol door het gebruik van metaalgaas. Haar werk wekt een verscheidenheid van gedachten en gevoelens op van waaruit een innerlijke reis naar het binnenste van zowel het onderwerp als het kunstobject mogelijk is. Over het algemeen wordt de tussenruimte als leeg en transparant voorgesteld. Deze tussenruimte verhoudt zich echter niet neutraal tot de omgeving, maar zij is bezield en onderhevig aan stemmingen. In dit “modellenwerk” staat de tijd bijna stil; hij is gecondenseerd, vertraagd aanwezig, als de weergave van de langdurige handeling waardoor het tot stand komt.

In haar delicate, vaak minimalistische oeuvre zijn mode-elementen heel duidelijk terug te vinden. Niettegenstaande zij het monumentale niet schuwt, overheersen eenvoudige, verfijnde vormen en texturen. De weinig opdringerige objecten (als het ware etherische gedaanten die traag hun subtiliteit prijsgeven) nodigen uit om gekoesterd te worden. Dit maakt deze kunstvoorwerpen zo speciaal: in het fijne rag van de vorm vermoedt de beschouwer geen boodschap.
De dialoog inspireert, vernieuwt de manier waarop de beschouwer naar het werk kijkt. De kunstenares wil dat hij over de eigen grenzen heen kijkt. Zij bruuskeert echter niets, integendeel: via de weg van de fijngevoeligheid en de kwetsbaarheid leidt zij de beschouwer binnen in de wereld van de vrouw. Achter dit ragfijne net van metaalgaas vertelt zij een verhaal waarin afhankelijkheid, monddood- en lustobject-zijn de hoofdrol spelen.

Van Gerrit Komrij weten wij dat “de dame maar een schijngestalte is. Als zij wordt uitgekleed, is ze vrouw”. Inge de Schuyter verliest het leven en de dood in de vrouw geen moment uit het oog. Haar figuren zijn niet uitgekleed of aangekleed. Het dierlijke soort-aspect is afwezig. Kleding individualiseert en dit wil de kunstenares niet. Ook het erotische aspect ontbreekt. Een minimum aan beeld voert naar een maximum van verbeelding. De creativiteit van de beschouwer zelf wordt bijzonder geprikkeld.

Eén van de werken noemt de kunstenares: “Monument voor de Onbekende Vrouw. Bloed, zweet en tranen.” Dit ruimtelijke werk is gemaakt uit metaalgaas. Het bloed dat de vrouw uitzweet, wordt voorgesteld door rode glasparels, de tranen zelf door witte parels, het zweet door druppelvormige alu-plaatjes. Het werk getuigt van een vrouwelijke sensualiteit door zijn eenvoud en gecondenseerde vorm. Het lijkt wel het resultaat van een paradox.

De ruimtelijke kunstobjecten van Inge de Schuyter zijn alle zo vrouwelijk en toch zo weerbaar sterk, zo sexy en toch zo uitgesproken anti-lustobject. Het beeld charmeert, het is niet dwingend of opdringerig, niet hardleers feministisch. Toch heeft het korset van metaalgaas iets van een harnas.

Een ander werk heeft als titel: “Slachtoffer van haar eigen succes”. De annotatie - zo kun je de titels maar beter noemen - eert de kracht en de moed van de vrouw. Hier is bovendien het contrast tussen sensualiteit en tekst veel groter. Aan de bustier hangen aluminium plaatjes zoals de franjes aan een echt corsage. Als je dichterbij komt, merk je dat er in de alu-plaatjes ook tekst is gegraveerd. Daar tref je de Engelse woorden aan voor “besnijdenis”, “verstoring”, “verkrachting”, “prostitutie”, “vernedering”, “lustmoord”, “fysiek geweld”, “seksueel misbruik”. Het liefelijke van de voorstelling zorgt ervoor dat deze woorden hard aankomen. De annotaties van de kunstenares stemmen de beschouwer tot nadenken. Ook in dit werk is de tegenstelling tussen vrouwelijke fragiliteit en het metaalgazen harnas schrijnend. Het corsage staat eveneens voor het insnoeren van de talenten van de vrouw en haar mogelijkheden om zich te ontplooien of op zijn minst zichzelf te zijn.

Het schilderij “corps-sage" bestaat uit centraal het silhouet van een vrouw (wit) met lange handschoenen (glanzend bordeaux). Op het schilderij (met rode achtergrond) is een korset (bustier) gemonteerd. Het korset is ruimtelijk uitgewerkt met papier maché. Als je voorbij het schilderij loopt, blijft het korset optimaal bij het silhouet horen uit welke invalshoek je ook kijkt. De woorden “Corps” en “Sage” betekenen letterlijk: braaf lichaam (kuis). In één adem uitgesproken wordt dit “corsage”.Als je onder één bepaalde hoek kijkt, zie je dat er nog twee zelfde armen geschilderd zijn (toon op toon) in een meer open positie. Momenten van beweging in één schilderij. Ook de gemonteerde bustier zorgt ervoor dat je wilt voorbij lopen om te zien of hij bij het lichaam blijft passen. De bevroren beweging komt uit de liefde van de kunstenares voor het bewegende lichaam en de dans.

Een ander werk heet “All in One”. Een reeks van drie slipjes waarvan twee afbeeldingen in een mapje. Hier profileert de kunstenares zich afwisselend als een lief engeltje, een duivel, iemand die leven kan geven maar bij problemen leven wegneemt (doodshoofdje). Broekjes met strikjes. Strikjes werden hier vervangen door een engeltje, een duiveltje, een doodshoofdje. Rood slipje voor leven, bloed, liefde, passie, verleiding. Wit slipje voor rein, puur, zuiver, maagdelijk, naïef. Zwart slipje voor dood, gevaar, doorleefd. De vrouw kan alles zijn. De kunstenares gebruikt hiervoor stof en niet papier (link met mode). Materiaal: ecoline, Oost-Indische inkt op papier.
Het werk van Inge de Schuyter oogt niet maatschappijkritisch, maar is het wel - en dit is haar grote verdienste -, maar de boodschap is duidelijk: geen l’art pour l’art, de kunstenaar heeft een maatschappelijke missie, hij moet deelnemen aan het maatschappelijk debat. Op een kunstzinnige wijze.

Het is duidelijk dat Inge de Schuyter gewonnen is voor een toenadering tussen mode en kunst. In haar beleving ontsnapt de mode uit haar al te nauwe commerciekorset om zich als kunstobject veel vrijer te bewegen.

Bij Peter Deleu (Menen, 3 juli 1972) zijn het vooral de juwelen die zijn actieradius opvullen, zich opdringen, hem bestoken met vergeestelijkte beelden van attributen die zich hebben vastgezet in het lange geheugen.

Deze kunstenaar heeft door zijn extravagante opstelling de aandacht getrokken van binnen- en buitenlandse galerijen en kunstprofeten.

In 2001 maakte hij een reeks van negen juwelen, zoals een relikwiehanger met een splinter (van het kruis van Jezus), een tweede hanger met twee kleine tandjes (van Maria Magdalena en Johannes de Doper). In een interview zei de kunstenaar: “Zijn deze relikwieën echt? Wordt de waarde van een relikwie bepaald door zijn echtheid of door zijn verhaal? Het liefste laat ik het “mysterie” gewoon bestaan. Aan de beschouwer om te oordelen of om zijn eigen mysterie te creëren en misschien tot een “waarheid” te komen.”

“Een juweel dient in onze doorsnee opvatting om het lichaam te versieren, maar naast deze functie kan het véél meer zijn. Een juweel kan ook een boodschap of een diepere achtergrond bevatten, net zoals een schilderij of een beeldhouwwerk dat kan. Een juweel wordt te weinig als kunstwerk bekeken; te veel nadruk wordt gelegd op de draagbaarheid. De draagbaarheid is niet onbelangrijk. Een juweel kan als louter object bekeken worden. Ik geef mijn ontwerpen echter altijd een context mee, een verhaal. Soms vertellen ze verhalen door middel van symbolen of figuratieve elementen. Soms ligt de boodschap dieper en vragen ze enige fantasie en betrokkenheid van de beschouwer. Soms spreekt de vorm voor zich en is verdere toelichting niet nodig. Mijn juwelen ontstaan uit een breed gamma van inspiratiebronnen, zoals oude culturen, legenden, esoterie en initiatieke genootschappen.”

Zijn werk is het resultaat van een indringende zoektocht naar wijsheid. Een queeste die zich niet alleen laaft aan de klassieke bronnen van de kennis, maar die ook antwoorden zoekt bij initiatieke genootschappen en andere esoterische orden. De kunstenaar wil deelachtig worden aan de kennisoverdracht tussen de oosterse en westerse culturen.

Hij gebruikt dan ook tekens, symbolen en pictogrammen waardoor zijn werk niet voor iedereen in één, twee, drie toegankelijk is. Toch zijn het niet alleen de zogenaamde ingewijden die zijn boodschap kunnen begrijpen, maar ook zij die niet vertrouwd zijn met deze symboliek. Deleu is een fervente voorstander van de vrije interpretatie, toch - als hulpmiddel - reikt hij dikwijls de alerte beschouwer enkele sleutels aan.

Zijn kunstobjecten (een naam die hij verkiest boven juwelen) zijn er om bij te mediteren, om in trance te verwijlen voor het onzegbare dat hij vorm en context probeert te geven. Peter Deleu verlangt dat de beschouwer het beeld ziet, niet beziet, en dat hij het mysterie laat doordingen tot een “eigen geloof”.

Daarnaast maakt Deleu ook kunstobjecten, zoals halskettingen en armbanden, met behulp van scheermesjes. Hij is de enige juwelenontwerper in Vlaanderen die het aandurft deze materie en deze techniek aan te wenden. Wat is zijn boodschap, zijn “ethiek”? Door middel van een alledaags voorwerp – in dit geval een scheermesje – creëert hij een nieuw mysterie. Bovendien bespeelt hij de “geloofwaardigheid” van zijn creatie door na te gaan hoe ver de beschouwer wil meegaan in dit “mysteriespel”.
Wat “wordt” dan het mysterie? Het wordt gemaakt door de beschouwer zelf. De kunstenaar wil hier bewust onderzoeken hoe vlug een “mysterie” kan evolueren tot een algemene hype. Hij laat zich inspireren door de Tempeliers, door de vele verhalen en legenden die met die Orde zijn verweven. Hij gebruikt het scheermes enerzijds als een sieraad bij de creatie van een kunstobject en anderzijds als een expressief attribuut dat in een religieus-historische context wordt geplaatst.

In galerij De Mijlpaal (Heusden-Zolder, 2005) stelde hij zijn laatste ontwerpen tentoon. Enkele titels verwijzen duidelijk naar de inspiratiebron: “Kroon van de Grootmeester”, “Tabernakel van de Waarheid”, “Armband der Ontharing”. In het Archivarishuis en het Erfgoedhuis te Kortrijk (2005) stelde hij zijn project “De engelen verlaten de wereld” voor.

Het resultaat van zijn scheppingsdrift is soms zo wonderlijk en schijnbaar boven het gewone verheven dat de beschouwer in bewondering verstomt. Kunst bij Peter Deleu is meestal zwanger van het onbekende, het geheimzinnige, dat het denken verstilt en het hart zich opent. Het is deze mysterieuze diepte die de ziel van de beschouwer doet resoneren met de ziel van het kunstwerk. In deze zin heeft de kunstenaar een roeping als middelaar tussen geest en materie. Peter Deleu creëert spirituele kunst en dient deze aan als accessoires bij een modebeeld..

De kunstenaar is obsessioneel bezeten door “het licht in de duisternis”; met onverdroten ijver speurt hij naar de diepere betekenis van woorden, tekens en gebaren in een tijd dat de parabel, en daarna de fabel, en kort daarop de anekdote, het communicatiemiddel bij uitstek waren voor gevoelige zielen.

Mode en kunst zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Wellicht trappen we hier een open deur in, maar toch is het niet overbodig aan de hand van twee extreme voorbeelden dit verband aan te tonen. Ik beweer niet dat kunst en mode een Siamese tweeling is, maar zij inspireren elkaar, ook wanneer zij in oppositie tot elkaar worden gecreëerd. Mode en kunst, afzonderlijke disciplines, met een ragfijne grens tussen tussen ambacht en “traditioneel gedefinieerde” kunst


Thierry Deleu

21 februari 2007

Brief bijna twee jaar onderweg

7 juli 2005.

Beste Jan,

Eeuwen zijn verstreken sedert ik jouw eerste brief onbeantwoord liet. Sindsdien zijn er een viertal brieven gevolgd en altijd vertikte ik het jou te antwoorden. Wellicht vond jij dat maar niets, ik bedoel: bullshit, niet fair, onbeleefd, onze vriendschap niet waardig en nog veel meer van dat. Maar als het jou een troost kan zijn en voor mij een excuus: ik ben geen briefschrijver.

Ik ben een auteur die niet altijd kwaliteit levert, maar bezeten is van het woord, als kleinste onderdeel van een gedicht, een verhaal, een roman, een essay. Bovendien is de stempel van onze querelle over de publicatie van à titre Personnel nooit meer uit mijn huid verdwenen, onderhuids voel ik nog altijd aan hoe onze vriendschap toen zwaar op de proef werd gesteld.

Toch bleven wij vrienden en dit getuigt toch van enige verwantschap, maar vooral van onze wederzijdse bereidheid om de boel niet op te blazen voor een misverstand enerzijds en angst anderzijds. Soit, zand erover! Ik probeer ermee te leven. Niet iedereen is zoals ik, hoeft ook niet zoals ik te zijn of te worden. Ik ben uniek, maar de andere ook en dit vergeet ik al eens.

Een volgende brievenboek komt er dus niet. En eerlijk: er was weinig belangstelling voor mijn brieven en je niet gepubliceerde wederwoorden. Misschien heb ik in de propganda te weinig de nadruk gelegd op het sexy gehalte en op de pornografische scènes die de brieven animeerden. Misschien had ik meer de klemtoon moeten leggen op de roddels in de brieven. Wie leest, roddelt graag, wie roddelt, leest niet.

Ondertussen is er heel wat gebeurd aan zee, te lande en in het veld. Ik denk onder andere aan de uitgave van mijn derde roman Arsène du Frêne, heer van La Vallade, als derde deel van de Creuse Trilogie. Deze historische roman kreeg niet de aandacht die hij verdient. Maar ja, ik kan de uitgever niet verplichten werk te maken van en geld te investeren in de propaganda. Ik denk aan recensie-exemplaren, advertenties, het (laten) schrijven van artikels in kranten, weekbladen en tijdschriften. "De Gebeten Hond" hanteert een andere formule: de uitgeverij bestaalt alles maar de nazorg is voor de auteur. Ik blijf echter bereid om bij DGH boeken te publiceren. Ik ben niet (nooit geweest) tuk op gevestigde uitgeverijen die slechts commerciële motieven hebben en bovendien van de auteur een fikse (financiële) tegemoetkoming eisen. Voor poëzie durven zij jou zelfs te vragen de gehele bedoening te financieren!

De Creuse Trilogie heeft - op enkele uitzonderingen na - de landelijke pers niet gehaald, wel en voldoende de regionale, de lokale. En voor mij volstaat dit hoor. Ik kan leven met mijn status van “kermiscoureur”, BH of BO (Bekende Harelbekenaar, Bekende Oostduinkerkenaar). Al wat daar van glorie nog bij komt, is meegenomen. Harelbeke vergeet mij niet. Denk aan de voorstelling van enkele van mijn boeken in de prestigieuze stedelijke bibliotheek, aan de mini-retrospectieve naar aanleiding van mijn 65ste verjaardag, aan het gedicht Harelbeke op de driezijdige woordenzuil op de OCMW-site van de Stad. Oostduinkerke (h)erkent mijn aanwezigheid als nieuwe bewoner. Denk aan de artikels die verschenen in de lokale zeepers, aan de voorstelling van enkele van mijn publicaties in de bibliotheek van Koksijde, aan mijn redactielidmaatschap van “Ambrozijn”, “INtRO”, “De Verfpot”. Ik ben een gelukkige aangespoelde en mijn vrouwtje beleeft haar nieuwe (nu al derde) lente.

Ik blijf echter een ongeduldige, verbeten auteur die zich tot krampen schrijft of typt op zijn pc. Ik moet nog zoveel zeggen, enerzijds wachten nog veel “schone letteren” in mijn streuvelskop op verlossing en anderzijds wellen evenveel “filosofische overpeinzingen” in mijn koker op waardoor die soms fysieke heuveltjes en barstjes vertoont.

In “Ambrozijn” kreeg ik een vaste rubriek: de reeks “Ars longa, vita brevis”: ‘Kunst blijft; het leven zelf is kort’ zou de leuze kunnen (moeten) zijn van de kunstenaar die niet vergeet te leven, die kan relativeren, die afstand kan nemen van succes en tegenslag, die in stilte voortwerkt en zich niet laat ontmoedigen. O wee ’t artiestenleed, indien je dit niet kunt: je wordt depri of waanwijs of wereldvreemd, je raakt het noorden kwijt, en – vlugger dan je denkt – ook je vrouw en je vrienden. In dit rubriekje wil ik de kunst en de kunstenaar hiervoor behoeden door hem/haar te wijzen op excessen, volksverlakkerij, kitsch, ongefundeerde kritiek en misverstanden.’
Voor “INtRO” (wordt verspreid op 40.000 exemplaren) maak ik interviews met creatieve mensen uit de streek, maar ik publiceer ook beschouwingen over mode, carnaval, poëzie, kerkelijke feestdagen, architectuur, interieur e.d.m.
In “De Verfpot”, het tijdschrift van kunsthuis Ex Libris (Oost-Vleteren) publiceer ik teksten van diverse culturele aard.

Wat mij vooral bezighoudt, zijn twee dingen: enerzijds een nieuwe (vijfde roman), een thriller en anderzijds het onderzoek naar publicatiemogelijkheden voor mijn vierde roman, Klamme handen, voor mijn nieuwe gedichtenbundel De kiemjaren en voor het belangrijke essay Schoon volk in de hemel. Ik maak vorderingen in mijn zoektocht en krijg ondertussen goede referenties. Wat het essay betreft, kreeg ik van Mark Van Steenkiste van Uitgeverij Van Halewyck (Leuven) lovende woorden, zoals: “razend interessant”, “boeiende reis”, “uiteenlopende denkwijzen”, “open geest”, “indrukwekkende belezenheid”. Dit zijn serieuze aanmoedigingen voor een auteur. Hij stelt zich echter de vraag: “Is het boek verkoopbaar?” De onderhandelingen zijn nog bezig.

Ook als de besprekingen niet tot een goed einde komen, wordt dit essay uitgegeven in 2007. Momenteel wordt een andere piste afgewogen. “Welke zijn de verplichtingen van beide partijen?” “Dient er een beroep gedaan op sponsoring?” “Moet de uitgave worden beperkt in oplage en in omvang?”
Het essay brengt enige verheldering van “misbruikte” denkbeelden, het “betuttelt” niet of wenst niemand te overtuigen of te bekeren, en vooral: het probeert een verzoening tot stand te brengen tussen geloof en wetenschap, tussen alchemie en wetenschap, tussen godsdiensten, tussen gelovige en andersdenkende, tussen leek en ingewijde, tussen profaan en hij of zij die lid is van een esoterische genootschap, zoals de Tempeliers, de Rozenkruisers, de Vrijmetselaars e.a. orden met een meer religieuze signatuur.

Uitgeverij Jambe Delft (Henriette Faas) is bereid De kiemjaren uit te geven, maar ik aarzel. Ik aarzel sterk.

Mijn vierde roman, Klamme handen, is zeker mijn beste prozawerk sedert ik mij aan dit genre waag. Na de Creuse Trilogie begeef ik mij in de biotoop van de psychiatrie waar ik mij, als Dirk Wolf van Leeuwen, onderdompel in de (waan)werelden van mijn schizofrene patiënten.
In Klamme handen laveert het hoofdpersonage tussen wanhoop en passie, succes en tegenslag. Als psychiater wordt hij geprezen en verguisd, als minnaar wordt hij afgewezen en gesolliciteerd.
Ik heb mij voor dit boek sterk gedocumenteerd, maar nooit wordt deze informatiestroom hinderlijk voor het vlotte verloop van dit passioneel verhaal.

De vijfde roman, waarvoor ik als werktitel de titel De zaak Chambaere koos, is halfweg. Het is het complexe verhaal van corrupte politiemensen die zich met de drugshandel proberen te verrijken. De rechercheurs Johan Dewever en Dirk Soenen zijn de hoofdpersonages.

Bovendien werk ik aan een nieuwe bundel poëzie, met name Wie in de aarde graaft..., met cartoons en/of foto's van Henk. Een leuk tussendoortje met enkele mooie gedichten nieuwe stijl.

Et voilà, copain, un inventaire de mes projets! (Af en toe een woordje Frans maakt het leven hier aan de Westkust best draaglijk.)

Ondertussen werd ik 65 en steven goedgemutst af op 66. Waarom niet? Ik heb een lieve vrouw, gemanierde kinderen en (schoon)kinderen en een schat van een kleindochter. Ik ga regelmatig op reis, naar een tea-room en op restaurant. Wat kan het leven mooi zijn!

Sedert wij met een motorhome in de Provence hebben rondgetoerd (2003), hebben wij deze landstreek opnieuw ontdekt. Sindsdien zijn wij elke zomer terugggekeerd. Vorig jaar naar de Drôme Provençal (rond Grignan en Nyons) en de Côte d’Azur (rond Saint Paul de Vence). Dit jaar waren wij in Montpezat (de Verdon). De Grand Canyon du Verdon is een paradijs van kalkwitte rotsen en turkooisblauw water.
Jan, sluit de ogen en zet je zintuigen op scherp. Luister en je hoort het gesjirp van de krekels. Adem diep in en ruik de zachtpaarse lavendel. Voel je de heerlijke warmte, de verkoelde schaduw van de olijfbomen? Proef je de smaak van de zomergerijpte vruchten en groenten, van de groene en zwarte olijven, de geitenkaas? Doe je ogen weer open en kijk, je bent in de Provence.
Jan, de Provence heeft ons hart gestolen. Wat niet wil zeggen dat de andere delen van Frankrijk ons onberoerd laten. O neen, straks gaan we naar de Creuse, neuze, neuze. Om de recente lotgevallen van de familie Warlop te aanhoren, de spanningen, de onafgewerkte projecten, de aan- en uitvoer van de toeristen (hoewel het aantal bezoekers afneemt), de (gekke) vooruitzichten, het heerlijke eten, de dranktank, de onverwachte wendingen. Uiteraard gaan we eten bij George Sand in “Auberge de la Petite Fadette” in Nohant-Vic.
Begin september reizen wij af naar het Mont Blanc-massief en verblijven aldaar een weekje in Les Gets tussen het meer van Genève en de Mont Blanc..

Terug naar de Provence. Voor mei 2006 hebben wij een appartement gehuurd in Bormes-les-Mimosas. Provence betekent voor mij “savoir-vivre”: kruidige gerechten, pittige wijnen, prachtige landschappen, historische steden en veel cultuur. Romeinse bouwwerken, Romaanse kunst, kloosters en kathedralen, burchten en kastelen, okerkleurige hangdorpen, rozekleurige boerdijen, cipressebomen, lavendelvelden, bonte markten; druivenpluk en oogstfeesten... En Petrarca, Cézanne, Van Gogh, Picasso, Daudet, Pagnol, Giono, Camus, Beckett.... Wat moet een nederig mens als ik nog meer hebben? Geld? Nog meer geld? Misschien. De liefde gaat door de maag. Je hoeft echter niet altijd kreeft en oesters te smullen, ook een “daube de boeuf” smaakt lekker. Of worst uit Arles, schapenkaas, de onmisbare baguette, aromatische wijn. Vorig jaar kwamen wij op een zondag aan in L’Isle-sur-la-Sorgue te midden van antiquiteiten, oude rommel, keramiek, textiel, souvenirs.

En elke keer komen wij graag naar huis. Naar zee, Oostduinkerke. Naar de Westhoek, het hinterland van de kust. We kennen er vele eethuisjes en worden er ook herkend. Vriendelijke mensen, optimisten, geen sjacheraars of farizeeërs, niet wantrouwig, maar open, toegankelijk. Geef ik jou enkele tips of aanraders voor een tête-à-tête? Café “De Leute” in Oeren, “De Geldzak” in Leisele, “’t Groot Moerhof” in Ghyvelde, “De Pastorie” in Diksmuide, “Het kakelend kippensmuseum” in Keiem, ‘”t Scheurvliet” in Beauvoorde, “Grill De Vette Os” in Veurne, “Boikenshoc” in Booitshoeke, “’t Florishof” in Oostduinkerke, “La Péniche” in Oostduinkerke, “Potje Pâté” in Alveringem, “De Peerdevisscher” (bij vissersmuseum) in Oostduinkerke, “Het Vlierhof” (bij museum Delvaux) in Sint-Idesbald, “De Chagall” in Nieuwpoort, “Peper & Zout” in Oostduinkerke. Het rijtje is niet af, maar ’t wordt jou te saai, dus ik stop ermee.

En elke keer zit ik blijgezind achter mijn pc: schrijven dat het een lieve lust is, een mooi schouwspel voor wie van theater houdt. Ik heb teksten opgestuurd naar diverse tijdschriften. Sommige redacties hebben mij reeds geantwoord, andere wachten tot na de zomervakantie. Want zoals je weet: de Vlaamse literatuur is in handen van onderwijsmensen, meer bepaald van de regentjes, de niet-universitairen. Sommige licentiaten zijn zo met zichzelf ingenomen dat ze genoeg hebben aan hun eigen zelfgenoegzaamheid. “Afgerond staat netjes” (over het Vlaamse cultuurbeleid) stuurde ik naar “Ambrozijn” en “Gierik/NVT”; “De malaise in de Vlaamse letterkundige wereld” (een controversieel stuk) stuurde ik naar “Recto-Verso”, “Krakatau”, “De Verfpot”, “De Brakke Hond”, “Ambrozijn””Yang”, “Vlaanderen” en “Pampus”; “Nieuw-realistische poëzie in Vlaanderen” naar “Gierik/NVT”, “Yang”, “Krakatau”.

De internationaal bekende organist Ludo Geloen (Ieper) koos zeven van mijn gedichten om volgend jaar, 18/19/20 augustus, in “De Diligence” in Klijte, ter gelegenheid van “10 jaar Orgelkring”, op muziek te zetten en te laten zingen door de Vlaamse sopraan Barbara Vandendriessche. Thema: de Westhoek.

Zo maak ik de cirkel rond: schrijven, publiceren, uitgeven, reizen, degusteren, schrijven... Ja, ik besef het wel: ik ben niet de gemakkelijkste mens voor mijn vrienden en netwerkers.

Nog een laatste woordje over “Het Verhaal van de socialistische beweging in Harelbeke in de 20ste eeuw”. Netcopx Menen leverde goed werk. Bij de nieuwe ex. corrigeer ik één minder geslaagde bladzijde voor wat de lay-out betreft. Maar ’t mag gezien worden. En gelezen? Het laatste hoofdstuk over “De Erfgenamen” heb ik met de nodige omzichtigheid neergeschreven om niemand tegen de schenen te stoppen. Maar ja, je weet zo dat dit nooit lukt. ’t Is echter mijn zorg niet (meer). Het ei is gelegd, de opdracht volbracht, de eerste steen gelegd. Bij het schrijven viel mij op hoe ik reeds van in 1970 actief betrokken was bij de propaganda, de copywriting, het beleid en de beweging. Ik voel mij vooral gevleid door de waardering van de jongere generatie die de wacht heeft afgelost. De jongeren (?) Filip Kets, Alain Top en Carlo Daelman zijn goede vrienden geworden, vrienden voor het leven. Ook na mijn dood.
Ik wil jou bedanken voor de praktische regeling: boeken op te halen aan de balie, zodat ik geen onnodige verzendkosten moet maken. Met dit werk koester ik geen literaire ambities, zelfs geen aanspraak op volledigheid en correctheid. Met dit bescheiden boek is mijn Harelbeekse politieke periode definitief afgesloten, tenzij, ja tenzij ik enige onrechtvaardigheid bespeur jegens mijn beste vrienden en mezelf. Leuk was het wel, en eveneens hartverwarmend, vast te stellen hoe ik gesolliciteerd werd voor en na de inhuldiging van de OCMW-site en de driezijdige gedichtenzuil op zaterdag 2 juli. Zoals de OCMW-voorzitter onder andere in zijn toespraak zegde: “Thierry Deleu heeft altijd gewogen op het bestuur van onze stad.” Blijkbaar ben ik nog van nut voor advies en arbitraire bemiddeling. De jongeren - en ook degenen van mijn generatie zullen dit beamen - beseffen dat ik nooit de kansen die zich voordeden voor een schepenambt of een ander uitvoerend mandaat heb waargenomen. Ik werkte liever achter de coulissen voor hen die mij ofwel daarvoor vergoedden of voor hen die mijn vrienden waren.

Jan, je brieven hebben mij altijd geboeid. Spijtig dat zij waarschijnlijk nooit boven water zullen komen in boekvorm. Een ambtenaar moet immers voorzichtig zijn en zich niet op de voorgrond willen plaatsen. Anders schept hij jaloezie, wantrouwen, rivaliteit, misverstanden, onenigheid, bestuurszwakte. Allemaal argumenten die mij nooit hebben kunnen verhinderen om de dingen te doen die ik graag deed of de dingen te zeggen die ik dacht.

Al deze overwegingen brengen mij bij de dood, één van mijn geliefkoosde inspiratiebronnen. Opgelet, deze gedachten deprimeren mij niet. Sedert ik gedreven aan mijn essay Schoon volk in de hemel werk, voel ik mij sereen en denk ik veeleer positief over het leven en de dood. Waarschijnlijk wordt dit essay mijn laatst uitgegeven boek, omdat ik het een beetje als mijn filosofisch testament beschouw. Ik heb het boek gededicasseerd “Aan mijn broeders en zusters.”
Ik citeer mezelf: “Voor sommigen ben ik een afvallige. Voor anderen heb ik het lef dingen te zeggen die zij denken. De eersten beweren dat zij atheïst zijn. De anderen wisselen graag van kamp: nu nog agnostisch, straks weer niet of ineens gnostisch.
In een interview voor El Paĩs (24.01.2004) zegt Saul Bellow, Amerikaanse Nobelprijswinnaar literatuur (1976), op de vraag ‘Wat denkt u dat er zal gebeuren na de dood?’: ‘Dat weet ik niet, maar ik geloof niet dat met de vernietiging van het lichaam alles is opgelost. Ik ben van mening dat wat de wetenschap ons zegt, niet voldoet en niet bevredigt.’
In het januari-nummer 2004 van Streven schrijft S.W. Couywenberg, oud-hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Erasmus-Universiteit Rotterdam: ‘Wat stelt het atheïsme als levenbeschouwing voor? De belangrijkste pijler ervan is iets negatiefs, met name de ontkenning van God als grond van ons aller bestaan, wat atheïsten evenmin kunnen bewijzen als gelovigen het bestaan van God.’
Ik wil niets bewijzen en niemand overtuigen. De twijfel is mijn werktuig. ‘Nescio,’ is mijn antwoord. ‘Ik weet het niet.’ Ik vraag mij wel af waar al die kerkse gelovers en stramme atheïsten hun absolute zekerheden vandaan halen.”

Jan, Ik heb met laaiend enthousiasme de column gelezen van Jean-Paul Mulders in “Weekend Knack” van 22 juni ’05. Laaiend omdat mijn vriend daarin de hoofdrol speelt of toebedeeld kreeg. Wat een eer! Wat een promotie! Wat een verhoging van zijn status! De schrijver van het stuk dat hij “Grondplan 449” doopte, kwam op vrijdag 3 juni de voorstelling van de nieuwe misdaadroman van Jonathan Sonnst inleiden.
“Bijzonder aan deze boekvoorstelling was dat er eerst nog een expositie van schilderijen van Rebecca Dufoort werd toegelicht” door de bibliothecaris. Jan, ik ken het werk van Rebecca Dufoort via jou. Mulders is er niet over te spreken en dat is zijn goed recht. Jij had het in je inleiding over “strenge conceptuele opvattingen over beeld en methodiek, over fragmentarische typologieën, over het merg van de kleur en de taal van de gelaagde verf.” Mooi gezegd vriend, en toch gaat ook voor mij dit soort hogere wiskunde boven mijn petje. In “Ambrozijn”, 23ste jaargang, nummer 1, 2005-2006 schreef ik in mijn vaste rubriek “Ars longa, vita brevis”, onder de titel “Denken zij dat ’s keizers kat hun nicht is?” volgende tekst:
“De kunstenmakerij is besmet door de ziekte van de tijd. Op winst beluste handelaars (zeg maar commerçanten) en kunstenaars hebben geen zittend gat. Dat weten we. Zij razen van het ene ‘opvallende’ isme naar het andere. Dit valt te begrijpen. Denk maar even aan de duizendjarige traditie waaruit zij gretig – en bodemloos – kunnen putten voor hun creaties.
Ik neem het hun niet kwalijk. Je moet als beschouwer maar voldoende nieuwsgierig zijn om deze vaart te kunnen bijhouden. En om wie weet elke keer weer warm te lopen voor het laatste wonder. Mij stoort echter de manier waarop zij zich meester maken van een traditie, van een van oudsher erkende taal, om haar op feestelijke manier te verkrachten. Ik ga akkoord dat altijd – en ook nu – ruimte gereserveerd moet worden voor het experiment. De slogan "de verbeelding aan de macht" is niet zo hol als hij wel leek te worden na zijn verrassend debuut in 1968.
Uiteraard hebben de scheppende geesten (de kunstenaars, de cineasten, de fotografen, de schrijvers) meer dan om het even wie (daar horen alle anderen bij) het recht om nieuwe wegen te banen naar de menselijke gevoeligheid, naar de menselijke geest. Je noemt daarom echter een konijn nog geen karper... Dankzij de technologie en de barnumpubliciteit worden her en der (denk aan Kassel) grootse artiestenforen georganiseerd. In naam van de ‘kunst’ zijn daar alle vrijheden toegelaten en alle andere ‘verboden’. Het is de kunstenaar niet meer gegund om academisch te werken, of klassiek, of doodgewoon goed en eerlijk. ‘Alles is kunst’, behalve wat ik hiervóór opnoemde. Zijn eigen penis fotograferen, een kazuifel aantrekken, de warme bloedende inboedel uit de buik van een dier op een liefst naakte vrouw laten neerploffen, stenen mooi in een cirkel schikken, woorden projecteren op een muur, enkele donkere streepjes op een witte wand tekenen, het is allemaal kunst en als je het niet meteen vat, kun je de catalogus raadplegen. De rebelse geest, in de zin van continue opstandigheid en ordinaire acts, vlijen er zich in al hun wulpsheid neer. Om van te watertanden.
Het is inderdaad geen punt of men (nog) schildert zoals Rubens of Picasso, of beeldhouwt zoals Michelangelo of Zadkine. Helemaal niet, je moet in de eerste plaats knutselaar zijn (wat zeker niet fout is, vermits Leonardo da Vinci ook knutselde!), je moet technologische appetijt hebben, spirit en verstand – of voldoende waanwijs zijn, indien je de andere vereisten zou mankeren. Maar... wat je zeker niet mag doen, is blijven luisteren naar je hart, of er traditionele gevoelens op nahouden. Je hoort tout court de voorafbeelding te zijn van een nieuwe mens.
Ik maak deze kritische bedenkingen na inzage van het aanbod op artiestenbeurzen en individuele tentoonstellingen dat ongetwijfeld ook in 2005 aanleiding zal geven tot niet relevante recensies die onze vaderlandse (kunst)markt beïnvloeden, lees bezoedelen. Onze plastische creaties hebben steeds meer woorden nodig om tot hun recht te komen. Wie zich nu als beschouwer laat opnemen in de maalstroom van beelden en ideeën, krijgt meer te verwerken dan een normale maag vermag. Sommige kunstevenementen hebben alles van een artistieke supermarkt. Qui m’aime, me suive!
De meeste kunstmanifestaties zijn een equivalent van het concours "Lepine" en van de uitvindersbeurs in Brussel. Men probeert niet te sensibiliseren, men zoekt enkel te intrigeren, te choqueren, het publiek kippenvel te doen krijgen, de kritiek, de kunstenaars, de politieke wereld op stang te jagen. De drijfveren heten frustratie, nijd en ontgoocheling.
Dit alles is misschien fascinerend, zeker arrogant en hol als het holste vat, want men is heel vlug uitgekeken op dingen die het hart niet raken, op ‘kunstgreepjes’, kneepjes, ja lees maar trucjes, die af en toe ook transcendent blijken te zijn.
In vele galerijen en exporuimtes loop je in veelvoud extravagante stromingen tegen het lijf, snobismen, gebrouwd in een of andere menselijke geest. Ik ontken niet dat kunst uit zieke geesten kan komen, ook bij werken die later tot de klassieke canon zijn gaan horen, maar wel dat de ‘ziekte’ vaak wordt geveinsd! Veel van die dingen verkeren nog in het stadium van het ‘prototype’. Er is praktisch niets dat de naam ‘oeuvre’ verdient, vermits het werk zich nog in zijn experimentele fase bevindt. Het jargon is er de voertaal en je hebt er het raden naar wat er eigenlijk in de geest van deze ‘artiesten’ omgaat. Alles is voor alles en iedereen een ‘alternatief’. De kunstenaar houdt zich voor de redder van de mensheid die zonder hem definitief kapot zou gaan aan banaliteiten en huiselijke flauwekul.
De producten van hen die zich als de vernieuwers aankondigen, zijn echter allerminst passionerend, soms stierlijk vervelend. Je voelt sterk aan dat men de schildersezel wil dynamiseren. Sommige schilders en beeldhouwers verloochenen hun opleiding, hun métier, hun materialen, maken zich los van doek en steen en komen zo gevaarlijk dicht bij het charlatanisme. De charlatan wordt naast de autentieke kunstenaar geplaatst. In plaats daarvan komen de spelletjes van architecten die zich niet langer bekommeren om de praktische uitvoerbaarheid van hun project, van cineasten die niet eens nog publiek nodig hebben, van toneelschrijvers die zich geen vragen stellen over de vertolking van hun stuk (want zij hebben enkel uitstaans met hun unieke gebazel).
Men wil het imago zelf van de schilderkunst en beeldhouwkunst tenietdoen. En na alles, waarom niet? Laten ze dan ophouden met vals spelen. Laten ze nu eens ernstig werk maken om van wat misschien morgen een nieuwe manier van zien, leven en voelen zou kunnen zijn, ingang te doen vinden in de catacomben van de menselijke geest, waar – wie weet het? – een opleving kan ontstaan die even verruimend is als de exploratie van de sterren.
Laten we in godsnaam een kat... een kat noemen.”

Wil dit nu zeggen dat ik Rebecca Dufoort geen kunstenares noem of dat ik haar werk niet kan appreciëren? Neen, een oordeel vellen doe ik pas na grondige kennismaking met haar werk en dit is nog niet gebeurd. In zoverre mijn oordeel enigerlei waarde zou hebben! Neen, ik wil alleen proberen Mulders te begrijpen die “nachtmerries” krijgt van dit soort werk. Misschien is hij wel echt “achterlijk”, zoals hij beweert?

Beste vriend, overmorgen vertrekken wij weer naar de Creuse (of schreef ik dit reeds hierboven?). Ik kijk er naar uit om de lotgevallen te aanhoren van boer Warlop die zijn rijk uitbreidt maar eveneens zijn zorgen aandikt. “Hebben” is zijn devies, maar aan “afwerken” heeft hij een grondige hekel. In zijn directe omgeving werkt dit systeem op de heupen, vandaar her en der gemor en rebelse plannen. Hoe is de situatie nu? Aan Marcel valt er niet meer te veranderen, hij blijft eigenzinnig en eigenwijs, op de grens van eigenwaan en valse bescheidenheid. “Maar hij kan zo lief zijn, meneer!” Zo onschuldig voor wie hem maar één keer meemaakt en slechts voor een paar dagen. Dan heb je hem door: hij gaat over lijken om zich “materieel” te verrijken. Eén voordeel: hij doet het zacht en pijnloos. Toch blijft hij mijn vriend. In tijden van stress was hij mijn rustbrenger (of zingever op dat moment); Confolent en La Vallade waren mijn oorden van verpozing. Ik zal er verder werken aan mijn vijfde roman, een misdaadroman, en misschien komt Jean-Paul Mulders het boek in de bibliotheek inleiden en heeft er op datzelfde ogenblik een tentoonstelling plaats van werk van een wiskundebegaafde artiest(e). Het mag ook een landschapsschilder zijn of een zondagsschilder.

Groetjes,

Thierry

Thierry's webcolumn

Destructie: basisprincipe van de 20ste-eeuwse kunst?

De moderne kunst werd bij het begin van de 20ste eeuw uit een big bang geboren. Een aantrekkelijk uitgangspunt dat recht doet aan de branie waarmee de pioniers een afbraak van de oude waarden en de idee van een maagdelijk nieuw begin propageerden. Destructie, deconstructie en creatie vormden een ijzersterk span. Voor verschillende generaties is het tot over de drempel van de 21ste eeuw de belangrijkste motor van de artistieke schepping gebleven (het postmodernisme inbegrepen).

Een terugblik.
Parijs was vanaf het einde van de 19de eeuw tot aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog de belangrijkste draaischijf van de avant-garde, om het met een vandaag totaal in onbruik geraakte term te zeggen. In mei ’68 was Parijs het centrale epicentrum van een originele revolte die alle macht voor de verbeelding opeiste. Zonder het gedachtegoed van mei ’68 zou een lichtvoetig, transparant, democratisch en vooruitstrevend cultuurcentrum als het ‘Centre Pompidou’ (1977) nooit opgericht zijn.

Destructie en creatie zijn gelden als de basisprincipes van de 20ste-eeuwse kunst. Allerlei stromingen getuigen daarvan. We denken aan: het expressionisme met zijn vervormde figuren, de deconstructie in het kubisme, de dynamitisering van de vorm in de abstracte kunst, de grote schoonmaak in anarchistische zin door dadaïsten, in strikt rationalistische zin bij de geometrisch-abstracten, de automatische schriftuur en de spotgeest van de surrealisten, de verheerlijking van afvalstoffen en van de massacultuur bij de popart, de relativering van de vorm door de conceptuelen en het oneigenlijke gebruik van de massamedia bij actuele kunstenaars.

In de 20ste eeuw volgden nieuwe richtingen elkaar in snel tempo op. Filosofisch zou ik die voorbije tijdsspanne veeleer comprimeren tot een aantal kernbegrippen, zoals destructie, constructie/deconstructie, archaïsme, seks, oorlog, subversie, melancholie, herbetovering (réenchantement).

Neem nu het geval Picasso (1881-1973). Een reus van een kunstenaar, maar ook een onverbeterlijke macho en een vrouwenvernietiger. Ook in zijn werk: de manier waarop hij het vrouwelijke lichaam deerlijk vervormde en aan stukken trok. Op vlak van deconstructie volgde Matisse (1869-1954) veeleer schoorvoetend. Grafisch was hij echter ruim de gelijke van Picasso en puur coloristisch overtrof hij hem zelfs. Eleganter, decoratiever en zachter dan welk werk van Picasso ook. Picasso’s eruptieve kracht lag elders. Hij haalde het lichaam uiteen om het op een goddelijke manier opnieuw in elkaar te zetten (‘Femmes devant la mer’). Overtrad het seksuele taboe met een maximum aan expressie (‘La pisseuse’, 1965). Greep terug naar de primitiefste beeldtaal om er hybridische wezens mee te maken (‘L’acrobate bleu’). Bedreef de subversieve vervorming van de figuur om lucht te geven aan zijn brutale gevoel voor het groteske (‘Le chapeau à fleur’).

Om de onttovering van het lichaam te tonen, heb je niet alleen topwerken nodig, zoals de bevreemdende, ontmenselijkte lijven van Francis Bacon, Willem de Kooning of Thomias Schütte. Die zien er nog overtuigender uit in het gezelschap van de doorschijnende ijlgestalten, zwevend boven de nachtelijke stad op een schilderij van Daniel Richter dat niemand kent (‘Duueh’, 2003).

Aan het eind van de 20ste eeuw valt dan toch het begin van een ‘herbetovering’ (réenchantement) te bespeuren. Zo begon een eeuw, die op 11 september 2001 al een big bang van formaat te verwerken kreeg, toch nog in het teken van de spiritualiteit en de hoop.

Ik stel vast dat de mens in het algemeen en de kunstenaar in het bijzonder zich bewust zijn (worden) van hun aardse opdracht, met name het mensdom te ontvoogden, het te bevrijden van het juk van absolute vorsten, zowel in geestelijke (het verdoezelen of vervormen van waarheid) als in politieke zin (de geproclameerde verknechting). De kunstenaar moet voorgaan in een zachte oorlog tegen veinzerij, kitsch, buitensporigheid en boerenbedrog. Hij is een kruisvaarder die waarheid, kracht en schoonheid uitdraagt. Althans, dit hoop ik.

Thierry Deleu

20 februari 2007

Brief aan Hélène

Hélène hitsige maagd op kousevoetjes
de lange puntstaart van je kornet
krult zich over je rug kwispelt over
de grond gekrulde fallus in erectie

zachte stokebrand zet de tobbe uit
hits het water op prikkel mijn zinnen
schrob mijn knoken hard mijn eikel
kom wijdbeens over dat ik oprollen kan

je kleed tot aan je lenden schouwspel
cinema in geuren en kleuren en
als ik oprijs tsunami zoen ik jou
als een ontdekkingsreiziger

roep america en vaar landinwaarts
voorbij de klippen je baai binnen
de zon steekt het water schuimkopt
jij koert en kirt ik gier van pret.

Thierry Deleu

19 februari 2007

De cirkel is rond !

Openstaan voor inspiratie daar draait het allemaal rond. De mooiste creaties ontspruiten door inspiratie te combineren met allerhande invloeden.
Neem nu bijvoorbeeld de muziek : vroeger had je klassiek, rock, wereldmuziek, blues, rap … Nu combineren de muzikanten dit allemaal en bekomen ze echte muziekpareltjes. Ook in andere kunstvormen komt deze werkwijze voor : theater, beeldende kunst en zelfs literatuur maken gebruik van dit procédé.
Zo bekomt men een rijke meltpot aan kunst met verschillende culturele achtergronden.

Wat mij zelf betreft is de cirkel rond. Beroepshalve ben ik chocolatier en enkele jaren terug begon ik mijn hobby te verwerken in chocolade. Dit ging van boeken, cd’s en theateraffiche's maken in chocolade, teksten schrijven in chocolade tot allerhande andere creaties. Intussen schrijf ikzelf af en toe recensies en artikels voor het maandblad INtRO. In de maand maart kan je lezen hoe de modewereld de chocolade ontdekte. Mode-ontwerpers laten zich inspireren door de combinatie van mode met chocolade. Ikzelf kreeg na het zien van de hoeden van Fabienne Delvigne, hoedenontwerpster voor het koningshuis, inspiratie om zelf een hoed in chocolade te maken. Plots zie ik nu dat deze hoed Ludo Geloen inspireerde om een prachtig bijpassend gedicht te schrijven. Ik word hier toch even stil van, bedankt Ludo !

Eigenlijk had ik “haute couture” in gedachten toen ik mijn hoed maakte maar het is “carnaval” geworden. Dit is ergens normaal want zeg nu zelf : waar ligt de grens tussen “haute couture” en “carnaval” ? Volgens mij is er geen.

Marc Vandenbussche

16 februari 2007

onuitgegeven gedicht

Voor een herinnering

hoor je mij

over de randen
van de daken
jouw naam
haast ongesproken: zacht en traag

ik hoor muziek
ik zeg: ik wens ik wou
- ik weet het niet –
ik wou dat jij nu voelde
mij
dat even maar
je hier zou zijn
ik zou je zien
en zag je
en jij was hier

goed zou 't zijn
en goed zou 't zijn

Cathy Mara

Carnaval


Chocolatier en bibliomaan Marc Vandenbussche maakt hoed in chocolade als bijdrage tot carnaval!

Mijnen hoed en streelt
mijnen haren niet maar
geurend zweeft omhenen
mijnen hersenpan, cacao
bedruipt en mijn grijzen
cellen neer, den lente koert
al om den hoek, ik ruik den
repen goudkusten ende zie de
bruinen hemeltoeren, ik ete
mezelven enen handje doorheen
dezes nietig landje.

Ludo Geloen

14 februari 2007

Valentijn

Naast de vele liefdesbetuigingen die ik de laatste dagen in chocolade moest maken, zaten ook twee pareltjes



Een korte maar krachtige liefdesboodschap met een diepzinnige betekenis!



Bij dit prachtige liefdesgedicht (van Roland Declerck) moet je opletten dat de chocolade niet smelt van de warmte die de woorden uitstralen!

Marc Vandenbussche

8 februari 2007

Auteur Thierry Deleu
biedt zijn lezers gratis en als dank
een bundel Valentijngedichten aan

AMOR
VINCIT OMNIA


Een digitaal netbook van Het Prieeltje Online.
Netbooks is een exclusieve creatie van Het Prieeltje Online. Het zijn E-Books van een speciale soort die daardoor worden gekenmerkt dat ze niet hoeven te worden gedownload of geprint maar uitsluitend op het net kunnen worden gelezen. (Uiteraard kunt u de bundel ook downloaden en printen.)
Dit houdt in dat deze publicaties een aangepaste lay-out en esthetische vormgeving meedragen volledig in harmonie met de mogelijkheden van het net. Maak kennis met deze bundel op http://www.hetprieeltje.net/ (NetBook nr. 54)
De PDF-versie kan worden gelezen, gedownload, geprint, enz. met Acrobat Reader.
*
Dit Valentijngeschenk kun je zo verkrijgen:
1) ofwel surf je naar http://www.hetprieeltje.net/ , je kiest voor Netbooks en je scrolt naar beneden tot nummer 54
2) ofwel klik je rechtstreeks door op de volgende URL:
http://www.hetprieeltje.net/netbook54/index.html
3) ofwel ga je rechtstreeks naar de PDF-versie door te klikken op www.hetprieeltje.net/netbook54.pdf

7 februari 2007

Valentijnsverlangen

Ik wil

met bittere chocolade
de zoetheid van je lippen smaken,

met priemende blik
de kleuren van je ogen raken,

met eeltbeschrevene vingers
de zachtheid van je dijen voelen,

met ijs van duizend winters
de hitte van je liefde koelen,

met zweet van hartstocht
je diepste verlangen ruiken,

met jou, met jou alleen
de nieuwe lente zien ontluiken.

Ik wil.

Roland Declerck

Misverstanden? Lange tenen? Goed bedoeld?

Van: "thierry deleu"
Onderwerp: Fw: [collectie] Was Oproep nu: nieuw voorstel.
Datum: woensdag 7 februari 2007 12:35

Beste bibliothecaris,
Ben ik een auteur in nood? Dit is fel overdreven. Ik voel mij echter wel gediscrimineerd door jou.
Zoals een vriend-bibliothecaris mij schreef: "Ik heb kort na 8 december een mail naar de bibs gedaan i.v.m. aankoop van je nieuwe roman Klamme handen. En inderdaad, ik ontving geen bestelbon. Enerzijds begrijp ik de situatie wel. Ik maak ook niet graag bestelbons voor één boek daar waar je hetzelfde werk moet doen voor een bon van b.v. 2500 euro. Het is een godgeklaagde klaagzang. In die omstandigheden begrijp ik jou en de frustraties van de 'mindere goden'."
Daarom, beste bibliothecaris, bied ik jou nogmaals mijn roman Klamme handen aan voor 14 euro, te verkrijgen bij de auteur Thierry Deleu, Zandzeggelaan 18-102 te 8670 Oostduinkerke of op 058/514120 of 0478/745498 (factuur wordt na bestelbon toegestuurd).

Oprechte dank.
Thierry Deleu


'Ben ik een bibliothecaris in nood? Dit is fel overdreven. Ik voel me echter wel geblameerd door jou.'

Beste auteur Deleu,
Bovenstaande zin is een interpretatie van de startzin uit uw mailbericht.
U laat uitschijnen dat bibliothecarissen te lui zouden zijn om een bestelbon te schrijven. Excuseer, maar dan hebt u het verkeerd voor!
Bibliothecarissen die het goed voorhebben met hun vak baseren zich voor hun collectieaankopen op een aantal criteria, zoals onder meer recensies in vak- of weekbladen en specifieke aanschafinformatie voor bibliotheken. Het is niet de fout van de bibliothecarissen als u daarin niet (of onvoldoende) aan bod komt.
Uw oproep is misschien sympathiek, maar vanuit de wetenschap dat Vlaanderen duizenden auteurs heeft die boeken in eigen beheer of bij kleine lokale uitgeverijen uitgeven, vrees ik voor een tsunami van gelijkaardige aanbieders op dit forum. Sorry, maar ik voel me niet geroepen om op uw oproep in te gaan!
Relinde Raeymaekers
Hoofdstedelijke Openbare Bibliotheek Brussel


Beste auteur,
Als uitgever van ISEL magazine was ik bij de opstart van ons magazine ook ontgoocheld op het uitblijven van reacties.
Maar zoals mevrouw Raeymaekers stelt verschijnen er dagelijks boeken en nieuwe edities.
Mijn raad. Investeer in de promotie en marketing van uw boek en wees geduldig en correct.
Op deze manier kan u een goede basis voor lange termijn samenwerking opbouwen.
En ik kan je verzekeren dat kwaliteit, geduld en een goede communicatie loont.
Mvg,
Peter Cooreman - http://www.isel.be/


Beste Relinde,
Indien ik zou hebben gesuggereerd dat vele (sommige) bibliothecarissen "lui" zijn, dan bedoelde ik dit niet zo pejoratief als het woord daar in zijn blootje zou staan (maar het staat er niet). Excuseer mij.
Het gebruik van het schrijven van bestelbons is mij niet ontgaan, maar hoe het gebeurt en wanneer kan ik even niet weten. Het citaat dat ik aanhaalde, komt dan ook van een vriend-bibliothecaris.
De criteria die jij (en iedere bibliothecaris, vermoed ik dan) aanlegt om een boek aan te kopen, zijn geldige normen waarvoor ik respect kan opbrengen.
Waarom kom ik onvoldoende aan bod in jouw (gefundeerde) zoekopdracht? Omdat ik te weinig publiceerde? Omdat ik een illustere onbekende ben in het literaire landschap? Omdat ik te weinig recensies kreeg? Omdat ik "een slechte schrijver" ben? Omdat ik bij de andere duizenden auteurs behoor?
Om hierop te antwoorden - of toch een poging te doen -, heb ik als bijlage mijn bibliografie en mijn c.v. bijgevoegd.
Ik mail jou afzonderlijk ook enkele recensies door van mijn laatste roman, Klamme handen.
In de hoop dat jij je toch maar geroepen voelt om een boek van mij in de rekken te plaatsen, groet ik je met vriendelijke hoogachting,

Thierry Deleu
058/514120
0478/745498


From: "Relinde Raeymaekers"
Sent: Thursday, February 01, 2007 5:53 PM


Misschien is in Vlaanderen het initiatief van Vlabin/VBC onvoldoende gekend bij auteurs die boeken in eigen beheer uitgeven of bij kleine uitgeverijtjes.
Vlabin/VBC werkt nauw samen met NBD-Biblion en levert recensies van Vlaamse publicaties ten behoeve van de LiteRom databanken en de aanschafinformatie.
Op die manier komen kwaliteitsvolle boeken toch nog onder de aandacht van de bibliotheken. Meer info over Vlabin/VBC op www.vlabinvbc.be
Relinde Raeymaekers
Hoofdstedelijke Openbare Bibliotheek Brussel


Van: Nick Brok [mailto: nick@avboek.nl]
Verzonden: donderdag 1 februari 2007 14:20

On Thu, Feb 01, 2007 at 01:29:55PM +0100, Bibliotheek Arendonk wrote:
Ik heb sinds enkele jaren alle 'doe-het-zelf' auteurs afgewimpeld en bestel hun pennenvruchten niet meer.
Als je éénmaal iets koopt beschouwen ze dat bijna als een 'verworven recht' en loop je nog het risico dat ze kregelig worden ook als je niet direct op hun volgende bedelbrief ingaat. 't Zijn ook doorgaans geen uitleentoppers.
Jan Michielsen (Arendonk)

Nick Brok antwoordt:
Daarom hebben wij, in Nederland, een centraal punt waar ook schrijvers die zelf hun boek uitgeven terechtkunnen. Het heet de Biblion. Daar wordt het kaf van het koren gescheiden en kunnen de bibliotheken via hen de boeken bestellen. Dit mis ik in Belgie.
Ik ben zelf een auteur die zelf uitgeeft, omdat de markt te klein is.
Het loont een reguliere uitgever dan niet om het boek uit te geven.
Ik ben het wel met u allen eens dat er niet op zo'n brutale oproep gereageerd moet worden. Zijn taal kon ook vriendelijker zijn.
Mijn boeken worden 30 maal per jaar uitgeleend, verspreid over 25 bibliotheken in Nederland.
Volgens de Biblion is dit voor een onbekende auteur veel. Maar goed, het is uw goed recht om zelf te kiezen welk boek u aanschaft.
Maar met een organisatie als de Nederlandse Biblion zou u in België ook een ingang creëren voor de amateur-schrijvers. Niet alles wat daar geschreven wordt is rotzooi.

Hopelijk wil een van de Belgische bibliothecarissen het initiatief nemen om zo'n organisatie als de Biblion op te richten, voor zover dat volgens de Vlaamse wetgeving kan.
Vriendelijke groeten,

Nick Brok
nick@avboek.nl
Tel: +31-40-2528917 GSM: +31-614161971


Beste Meneer Deleu,
Wanneer u nieuwe publicaties hebt, kunt u een recensie-exemplaar opsturen naar onderstaand redactieadres. Wij maken een titelbeschrijving voor de centrale catalogus van de openbare bibliotheken en sturen het boek naar een van onze medewerkers. Dan beoordelen we of de recensie in 'De Leeswolf' verschijnt. Mocht dat niet het geval zijn, dan wordt ze elektronisch aangeboden aan de openbare bibliotheken op de cd-rom 'Leesideeën off line' (= cumulatieve database die 1 keer per jaar verschijnt).

Vriendelijke groet,

Jen de Groeve

De Leeswolf - De Leeswelp
Hoofdredacteur Jen de GroeveRedactiesecretaris Kris van Zeghbroeckp/a Vlabin-VBCFrankrijklei 53-55 (bus 4)2000 AntwerpenTel.: 03/226.13.99

6 februari 2007

Mijn vriend de bibliothecaris

Rusteloos zichzelf bekreunende verwarde
en verwarring stichtende bezige bij
mijn vriend chaos creërend orde scheppend
zeven boeken in de hand zeven boeken
aan de rand van zijn tafel hij consumeert
veelvraat onverzadigd onverzadigbaar

wat drijft hem? de levensvragen? indrukwekkend
als hij zich opblaast het uitproest van stil genot
pontificale provocatie met een knipoog
hij weet wat hij niet wil en wat hij niet kan
indien het al mag ambtenaar ambivalente
onruststoker opgejaagd om de eerste te zijn

hij gaat niet op café eet friet met frikadel
hongerstiller kunstobject hij voelt zich beeldend
een wereldverbeteraar rebel without a cause
adviseur voor kunst en vliegwerk in het geweer
voor experiment en tot kunst verheven ambacht
voelt zich als een vis op het droge in de ateliers

de donkere kamers van verwarde geesten
hij spreekt niet hij vertelt een verhaal geen toespraak
veeleer een anekdote hij gooit de kunstenaar
in de arena het volk ziet de waanzin in zijn
ogen de blik van de wijze verwaand gebukt
teneergeslagen door massale barbarij.

Thierry Deleu

3 februari 2007

Geletterde mens

Een mens vol letters
zit aan mijn bureau,
knikt een tierende beeldbuis
vriendelijk de laan uit
en trakteert me op
een koel versje
vol zee en ander schuim.

Ik negeer zijn vragen,
stel zelf antwoorden
die hij vrolijk gedag
zegt en als papieren
ringen aan zijn vingers
schuift, hij leest mijn
palm en lacht me
vol uitroepingstekens
kushandjes toe.

Troefkaarten bevolken
zijn mouwen en vrouwen
drinken zijn gulle
gedachten in uitgepende
blaren, ze vallen
waaiervormig in mijn schoot,
ik raap ze reikhalzend
op en lees ze een kalme
dood.

Ludo Geloen
De Geletterde Mens juicht het initiatief toe.
"De 50 Meesterdichters van de lage landen bij de zee" is een exclusieve club onder het voorzitterschap van onze eindredacteur Thierry Deleu, Meester-Ridder van het Rozenscheermes in "The Order of the Razorblades". Na "De 33 Meesterkoks van België" (met een proefjaar als "Compagnon de la Toque Blanche") bestaat nu ook analoog "De 50 Meesterdichters van de lage landen bij de zee" (met een proefjaar als "solliciterende Meesterdichter").

"De 50 Meesterdichters van Vlaanderen" werd gesticht begin jaren tweeduizend op initiatief van “The Order of the Razorblades”. Het was een idee van enkele dichters, geridderd in de Orde. Thierry Deleu bestuurt met dynamisme en impulsen, nodig bij het opstarten van zo’n initiatief, de club in opdracht van de Grootmeester.
De club beantwoordt aan de wens van talrijke dichters, die de essentiële waarden van hun creativiteit willen veilig stellen: de kwaliteit van de gedichten, het respect voor elkaar en een broodnodige promotie van de Vlaamse poëzie.
Een hele generatie van gelauwerde dichters bracht de Vlaamse poëzie op een nooit bereikt niveau, maar de uitstraling over de grenzen heen bleef schrijnend beperkt. Toch poneren zoveel "buitenlanders" dat de Vlamingen verkeren "in het land waar de dichters wonen".

Toen ook dichters uit Nederland belangstelling toonden voor het initiatief, werden er gesprekken gevoerd over de wenselijkheid van een uitbreiding tot "de lage landen bij de zee". Na overleg werd deze optie genomen. “De 50 Meesterdichters van de lage landen bij de zee” was een feit.

Het oorspronkelijk idee bestond erin een club van Meesterdichters te vormen, die een poëtische doorbraak zouden forceren, in de eerste plaats daar waar het Nederlands werd gesproken, maar ook via vertalingen in het buitenland, er wel over wakend dat de kwaliteit zou blijven primeren op de wet van vraag en aanbod.

1. Het aantal werkende leden "Meesterdichters" wordt vastgesteld op minimum 5 en maximum 50 leden. Om tot "Meesterdichter" te kunnen worden benoemd dient er onherroepelijk een periode als "solliciterende Meesterdichter" te worden doorgemaakt. Deze periode omhelst één jaar.
2. De sollicitant behoort een goede reputatie als dichter te hebben en bekend te staan voor zijn uitmuntende poëtische en morele kwaliteiten.
3. De titel van "solliciterende Meesterdichter" wordt verleend aan dichters die, ofwel minstens één gedichtenbundel hebben gepubliceerd, ofwel in een bloemlezing werden opgenomen, ofwel gelauwerd of geprijsd werden in de Lage Landen. Ze worden geacht de toekomst van het poëtisch patrimonium van de lage landen bij de zee te vormen.
4. De aansluiting tot (eerst) de club van de "solliciterende Meesterdichters" en (daarna) tot de club van de "50 Meesterdichters van de lage landen bij de zee" is relatief eenvoudig:
· worden aangeschreven of aangesproken door de voorzitter (en de eerste leden)
· voldoen aan de voorwaarden zoals hierboven opgesomd (gedichtenbundel, bloemlezing, gelauwerd)
· één (tot drie) gedicht(en) opsturen aan de voorzitter: Zandzeggelaan 18-102 te 8670 Oostduinkerke of doormailen aan thierry.deleu@skynet.be
· bij selectie van het (één) gedicht wordt de sollicitant op de hoogte gebracht. Vanaf dat ogenblik is hij/zij "solliciterende Meesterdichter".
"Razor’s Edge Editions" stelt een bloemlezing in het vooruitzicht, met als ondertitel "De 50 Meesterdichters van de lage landen bij de zee". Vermits de "solliciterende Meesterdichters" pas en precies na één jaar "Meesterdichter" worden, kan deze bundel ten vroegste één jaar na de geselecteerde 50ste "solliciterende Meesterdichter" verschijnen.

1. De "Meesterdichter" verplicht er zich toe drie exemplaren van deze bundel aan te kopen tegen promotieprijs. Dit engagement wordt per e-mail bevestigd.
2. Daar hij/zij vrijwillig zijn gedicht ter selectie opstuurt, ziet hij/zij ook af van welk honorarium ook en van zijn/haar auteursrecht.
3. Deze verklaring wordt hem/haar ter bevestiging doorgemaild bij het verschijnen van de bloemlezing.

Het spreekt vanzelf dat dit ludiek initiatief een evenwicht zoekt tussen ernst en luim (wat geen afbreuk doet aan de waarde ervan).
(persmededeling)

2 februari 2007

Gestuurde (wan)orde of geleide (h)orde?

Deze bijdrage tot bevordering van de Vlaamse literatuur en haar schrijvers is een doordachte adaptatie van een eerder gepubliceerde tekst. De positieve reacties toen enerzijds en anderzijds de actuele “conflictsituatie” tussen de belangengroepen hebben mij doen inzien dat onderstaande essay niets van zijn actualiteit heeft verloren.
(De auteur)

1.
Ik wil voorop zetten dat het literaire product in de eerste plaats een menselijk product is. Het wordt in een bepaalde tijdruimtelijke situatie door een persoon van vlees en bloed op papier gesteld, krijgt door bemiddeling van uitgever en drukker een commerciële vorm, wordt door de boekhandelaar in de handel gebracht, totdat het eindelijk naar de lezer doorgespeeld wordt, die het in een bepaalde tijdruimtelijke en existentiële context ontvangt. (*)
Het fenomeen literatuur is met andere woorden een sociale relatie, een intermenselijk communicatieproces.

Belangrijk in dit communicatieproces zijn de twee polen van de relatie, met name auteur en lezer, en uiteraard het gecommuniceerde, m.a.w. het geheel van woorden. Zowel auteur en lezer als het literaire product zelf zijn in het maatschappelijk proces ingeschakeld. Auteur en lezer als mensen die een bepaalde sociale rol vervullen. Het literaire product als een wereld van woorden, die al maatschappijgebonden zijn doordat ze iets betekenen, d.i. verwijzen naar iets in de buitenliteraire werkelijkheid. Precies deze verhouding tussen het literaire fenomeen en de sociale werkelijkheid is het thema van deze bijdrage.

De auteur is uiteraard de eerste schakel in het interactieproces. Zijn verhouding tot de sociale werkelijkheid is het onderwerp van een lange lijst van publicaties over de sociale positie van de auteur. Of de plaats die de auteur in de maatschappij inneemt. Uit deze publicaties blijkt dat er hoe langer hoe meer een malaise heerst in de literaire - en ook andere artistieke kringen.

Wat is dan de oorzaak van dat onbehagen? Welke zijn de grieven van de schrijvers? Hoe komt het dat auteurs, die zgn. verstokte individualisten, zich groeperen om hun gemeenschappelijke eisen kracht bij te zetten? De schrijvers voelen zich achteruitgeschoven in een maatschappij die op technische prestaties en materiële waarden gesteld is. Aangezien alle activiteiten nu naar hun rendementswaarde gemeten worden en de bezinning voor de daad onderdoet, wordt het schrijfwerk in twijfel getrokken. Men gaat zich afvragen, of de schrijver wel degelijk zijn steentje bijdraagt tot de opbouw van een betere wereld. Is hij niet veeleer een parasiet die het product van zijn fantasie tegen geld verkoopt? Vervult hij eigenlijk nog een positieve functie in een samenleving die zweert bij wetenschap en kennis? In onze neo-modernistische wereld blijft er inderdaad weinig plaats meer over voor fictie, die immers niets leert. De aandacht gaat in onze dagen meer naar wetenschappelijke studies en vulgariserende literatuur dan naar fictionele werken.

Ik kan geen oplossing bieden voor een probleem van dergelijke omvang. Ik stel er mij tevreden mee een röntgenbeeld te geven van de toestand bij ons in Vlaanderen en de vingers te leggen op enkele ziektesymptomen.
De gehele problematiek is in de betrokken kringen voldoende gekend.

2.
De schrijvers vormen samen met de artiesten een aparte categorie van personen die een vrij (bij)beroep uitoefenen. Het schrijverschap wordt wel juridisch of wettelijk erkend, hoewel de schrijvers zelf hun schrijfwerk niet als een beroep, althans hun hoofdberoep, beschouwen.
Deze toestand is aan sociale omstandigheden te wijten. Het schrijversberoep dat voor sommigen gelijk staat met beroepen als architect, ingenieur, arts, advocaat, enz. biedt in feite veel minder materiële voordelen. Het is een vrij beroep, maar met zulke eigenaardigheden dat de assimilatie met andere vrije beroepen mank gaat. Alleen al een bepaling geven van de schrijver is een moeilijke taak. Tot nu toe heeft men geen officiële definitie kunnen geven van de auteur. Heeft hij een specifiek sociaal statuut? Wenst hij het statuut van de zelfstandige?
De meeste schrijvers, op enkele oudere succesrijke auteurs na, kunnen echter als zelfstandigen niet leven. Waar zouden zij overigens van leven? In de eerste plaats van de verkoop van hun werken? De auteursrechten? Wegens de beperktheid van de Nederlandstalige boekenmarkt lopen de oplagen zelden hoog op, zodat de opbrengst in de meeste gevallen niet volstaat om een schrijver fatsoenlijk te laten leven. Dan is er nog af en toe eens een geschenkje van de overheid, een literaire prijs, een reis- of werkbeurs, maar dit zijn slechts geringe bedragen, waarop geen staat te maken is.

Penibel is hier de vaststelling dat debutanten en/of auteurs die niet (kunnen) uitgeven bij erkende uitgeverijen uit de boot vallen. Bovendien ondervinden zij weinig steun van de bibliothecarissen (en hun belangengroepen) die geen of bijna geen boeken van hen aankopen.

De vraag is of aan die wens zou kunnen worden voldaan. De sociaal-liberale schrijverskernen ijveren in de meeste Europese landen voor een functionaliseren van het schrijverschap. Zal de staat in dit geval de beoefening van een vrije literatuur niet belemmeren? Staatsliteratuur of propagandaliteratuur is echt geen nastrevenswaard ideaal. Denk aan de positie van de Oost-Europese auteur van weleer.
Kan de schrijver zijn voordeel halen uit een zekere vorm van functionalisering, met behoud van de individuele en artistieke vrijheid van de kunstenaar?

Komt het huidige Vlaams Fonds voor de Letteren in aanmerking om een loon aan de schrijvers uit te keren? Moet in dit geval het Fonds niet worden beheerd door de auteurs zelf? De moeilijkheid ligt echter in de criteria die moeten gebruikt worden voor de toelating tot een dergelijke regeling. Dit vereist alweer een bepaling van het schrijversberoep in kwantitatief en in kwalitatief opzicht. Wie bezit echter het recht en de bevoegdheid om in deze uiterst delicate aangelegenheid normen vast te leggen?

Het huidige Fonds keert subsidies voor de literatuur uit in de vorm van subsidies, stipendia, werkbeurzen, enz. De vraag is echter of die uitkeringen correct gebeuren en of de adviseurs met kennis van zaken en zonder vooringenomenheid advies verstrekken? Bovendien is de vraag naar een schrijversloon, d.i. een door het Fonds gegarandeerd minimum inkomen, nog altijd niet aan de orde. Ik zoek bovendien vergeefs naar een controlemechanisme waardoor enerzijds adviezen van het Fonds kunnen worden bijgesteld of aangevochten en anderzijds de samenstelling van het adviesorgaan kan worden onderzocht op zijn pariteit en integriteit. Of scherper geformuleerd: zijn er voldoende meetbare garanties ingebouwd om enige vorm van belangenvermenging te voorkomen?

Al die vragen, bemerkingen en eisen wijzen er echter op dat de schrijvers zich bewust worden van hun maatschappelijke functie. Dit socialiseringsproces is zich op alle gebieden aan het voltrekken. De tijd van het romantisch individualisme is voorbij. Sommigen kunnen dat betreuren. Het is echter een feit waar men zich bij moet neerleggen.

3.
Ik leg de vinger op een aantal problemen die inherent zijn aan het schrijversberoep.
Het debuut in de literaire carrière b.v. is bijzonder moeilijk. Een auteur zonder naam of faam moet de gunst van een uitgever en die van een publiek zien te winnen, die verwend zijn door een massa dergelijke producten. Vaak werken auteurs eerst jaren in het donker voordat zij erkend worden. Soms hebben ze het geluk door een collega-schrijver met naam ontdekt en beschermd te worden of door een uitgever opgemerkt te worden, die bereid is hun een kans te geven. Maar dit blijven uitzonderingen. De meeste schrijvers moeten op eigen krachten rekenen om zich een weg te banen naar een eerste succes. En deze weg kan soms vrij lang zijn.
Hier zou een steun van de maatschappij welkom zijn. In feite gebeurt dit in de meeste andere beroepen. Een jong afgestudeerde die ergens een betrekking krijgt, wordt vanaf de eerste werkdag betaald. Ofwel wordt hij voor een proefperiode aangenomen, tijdens dewelke hij een deel van het loon toegewezen krijgt. Een soortgelijke oplossing wordt geambieerd door de overheid, maar de criteria om hiervoor in aanmerking te komen zijn niet ernstig. Willekeurige criteria worden aangewend en het systeem schenkt geen voldoening. Bedoeling zou moeten zijn dat de schrijver zijn talent gedurende een zekere periode zonder al te grote materiële moeilijkheden kan oefenen.

Ik pleit voor een inkomensgarantie van ca. 2 jaar. Tijdens die periode zou de debuterende schrijver zijn inkomsten tot een redelijk bedrag gegarandeerd krijgen.
Hier rijzen natuurlijk een aantal vragen die vooraf geregeld moeten worden, o.a. de hoogte van het bedrag en het verschil dat gemaakt moet worden tussen een auteur die jong debuteert en een debutant die niet meer zo jong is en al een ander beroep heeft uitgeoefend, voordat hij met het schrijven begon.
Ik denk ook aan subsidies in de vorm van mandaten van beperkte duur. Het geld zou komen uit een (nieuw) Vlaams Fonds voor Auteurs, dat voor een deel uit overheidsgelden en voor een deel uit privé-kapitalen en nieuwe heffingen op de verkoop of de uitlening van boeken (het zgn. leengeld) bestaat.

Opvallend is het feit dat vele auteurs gewag maken van uitgaven in eigen beheer. Dit betrekkelijk hoge cijfer wijst op een bepaalde tendens in de verhouding auteur-uitgever. Er zijn inderdaad duidelijke ziektesymptomen, die het lampje op rood zetten. Wij hebben het hier niet alleen over de strijd die marginale, avant-gardistische uitgeverijen tegen de gevestigde huizen moeten voeren. Wij beschouwen de problematiek veeleer vanuit het standpunt van de schrijver. De schrijver kiest zijn uitgever niet, hij wordt door hem gekozen. Zodra het werk geschreven is, verliest de auteur er de heerschappij over. De lezer interpreteert het op zijn eigen manier. De commercie (lees: de uitgever) beslist almachtig over het stoffelijk lot van dat geesteskind.
Hij acht het verkoopbaar, rendabel of totaal waardeloos. Hij behandelt het gewoon als ieder ander commercieel product. Indien het merk al bekend is, zal de verkoop vermoedelijk vlot verlopen. Voor een nieuwigheid is echter voorzichtigheid geboden. De kansen worden gewikt en gewogen en vallen, naar gelang de verwachte afzet, gelukkig of faliekant voor de auteur uit. Deze kan zijn zaak nog bepleiten om zich uiteindelijk toch bij de beslissing van de uitgever neer te leggen. De auteur is dus totaal overgeleverd aan de ijzeren wetten van de boekenmarkt en krijgt al spoedig, terecht of ten onrechte, de indruk dat hij een speelbal is in de handen van kapitaalkrachtige uitgevers die, samen met drukkers en boekhandelaars, hem kleinmaken door hem niet ernstige voorwaarden op te leggen. Dit besef van schreeuwend onrecht groeit vooral bij de jongere schrijvers (en bij de ouderen die aan hun debuut terugdenken), omdat zij er het meeste nadeel van ondervinden. Zij hebben immers meestal nog geen naam en hun werken worden dus niet zonder meer aanvaard.
De uitgevers wijzen op de financiële moeilijkheden waarmee zij hoe langer hoe meer te kampen hebben en die hen bovendien tot fusie met andere bedrijven dwingen. Dergelijke concentraties versterken hun macht en maken rationeler arbeid mogelijk. Zo die formule het uitgeversbedrijf bevoordeelt, baat ze echter niet de schrijvers wier vrijheid steeds meer beknot wordt.
Om aan de greep van het grootkapitalistisch bedrijf te ontsnappen, denken hier en daar schrijvers eraan zelf de touwtjes in handen te nemen en zelf voor hun verspreidingskanalen te zorgen.
De schrijvers die bij ons hun werken zelf uitgeven en meteen ook die van hun collega's-schrijvers zijn wellicht een eerste aanzet tot ontsnapping aan het uitgeversbedrijf. Het zijn meestal jongere schrijvers, wiens manuscript door een uitgever geweigerd werd en die dus door de bestaande kanalen niet kunnen doorbreken.

Hier zou de VVL een belangrijke rol kunnen spelen: duiding geven, ontwerpteksten tot subsidiëring (aan)maken voor de overheid, kansarme auteurs en hun verzuchtingen actualiseren, uitgaven in eigen beheer of bij niet-erkende uitgeverijen collectief aanprijzen bij bibliotheken en in kranten, tijdschriften en e-magazines.
De VVL dient zich te profileren als een “vakbond” die gedreven en bedreven onderhandelt met de overheid, met uitgeverijen, het bibliotheekwezen en de boekhandel.

4.
Welke betrekkingen onderhouden de schrijvers met elkaar of met andere kunstenaars? Vinden die contacten ook in geijkte instituties plaats? In hoeverre hebben de huidige schrijvers contact met het publiek? Welke is de houding van de overheid t.o.v. het schrijverschap? Zijn onze schrijvers als individu in het sociale leven geëngageerd?
Het belang van de persoonlijke banden van de schrijvers onderling wijst op een sterke innerlijke verbondenheid die haar oorsprong vindt in de eigenheid van hun wezen en activiteit. Meer dan andere mensen voelen schrijvers zich tot hun geestverwanten aangetrokken. Waarschijnlijk ligt de oorzaak daarvan in hun diep geworteld afzonderingsbesef tegenover de consumptiemaatschappij. Bovendien kunnen ook zij niet vreemd blijven aan het zich voltrekkende socialiseringsproces, te meer daar materiële belangen hen ertoe bewegen.

De Koepel van de Vlaamse auteursverenigingen (KVA), waaronder zich ook de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen (VVL) bevond, was een stap in de goede richting. Zijn doel: enerzijds de materiële belangen van de schrijvers verdedigen en anderzijds de Vlaamse letteren bevorderen en de morele en materiële belangen van de schrijvers behartigen, kwam niet voldoende uit de verf. Het bestuur moet er stringenter over waken dat er zich in de Koepel geen ideologische polarisering voordoet tussen links en rechts, tussen vrijzinnigen en gelovigen, tussen “denkenden” en “andersdenkenden”. De Koepel kon niet effectief zorgen voor de nodige werkingsmiddelen.
Toen recent de nieuwe Vlaamse Auteursvereniging (VAV) werd opgericht, bleek nogmaals hoe auteurs zich uit eigenbelang (her)groeperen en ongegeneerd de kant kiezen van de grootsubsidies. Met de oprichting van de VAV vrees ik dat ook nu de grote namen eerst aan bod zullen komen bij de behartiging van de auteursbelangen.

5.
Het probleem van de vereenzaming van de schrijver is zich in het begin van de negentiende eeuw gaan stellen, toen, ten gevolge van de industriële revolutie, de boeken in veel grotere oplagen gedrukt werden en het lezerspubliek, mede door de ontwikkeling van het onderwijs, zich geweldig uitbreidde. Alle persoonlijke verhouding tussen de schrijver en zijn lezers verviel. De schrijver kon alleen nog maar naar zijn publiek gissen, terwijl dit zich op zijn beurt een mythe begon te vormen van de auteur.
Dat verloren contact met het publiek is bijna hersteld en de schrijvers willen een meer beslissende culturele rol spelen in de maatschappij. In een klein taalgebied als het onze is dit beslist niet zo moeilijk. Een aantal media ligt voor het grijpen. Ik denk aan interviews met de pers, aan lezingen uit eigen werk, aan literaire cd’s en cd-rom’s, aan radio en televisie.

Ik verheug mij over de nauwere samenwerking tussen de schrijvers en het onderwijs. Ik heb het niet over de participatie van de schrijver aan het onderwijs in zijn tweede-beroepsrol, maar veeleer over een participatie van de schrijver in zijn schrijversrol aan het literatuuronderwijs. Op alle niveaus. Jeugdboekenschrijver als verteller van fabeltjes en sprookjes. Een auteur als inwijder in het literaire fenomeen. Een dichter, romanschrijver, dramaturg of essayist als incidenteel leraar literatuur. Zelfs op universitair of hoger niveau acht ik dergelijke samenwerking vruchtbaar.

In het essay Solitude de l'écrivain legt Escarpit de nadruk op het verschil tussen de morele vrijheid en de materiële zekerheid van de schrijver. Het materieel bestaan van de schrijver zou moeten worden beschermd, zonder dat daarbij iets afgedaan wordt aan zijn intellectuele en morele vrijheid die hij als kunstenaar zo broodnodig heeft.

Aan deze wens tegemoetkomen, veronderstelt alleszins dat de maatschappij - en in haar georganiseerde vorm worden daarmee de bevoegde instanties bedoeld - de sociale functie van de literatuur erkent. Is dat zo? Hoe staat de overheid tegenover de literatuur? Geeft zij aan de producenten van een belangrijk deel van haar cultuur wel inderdaad wat hun toekomt? Maakt zij het scheppen - en overigens ook het genieten - van literatuur voor iedereen toegankelijk? Eerbiedigt zij de artistieke vrijheid? Wendt zij vooroordeelvrije criteria aan om haar gunsten uit te delen? Wat wordt door de overheid ten gunste van de literatuur en van de schrijvers gedaan? Zijn de huidige vormen van overheidssteun aan de schrijvers en aan de literatuur effectief en efficiënt?
Worden er een aantal betrekkingen in de overheidsdiensten aan schrijvers toegekend? Worden er (voldoende) subsidies uitgekeerd aan bibliotheken en letterkundige instellingen? Worden er (toereikende) subsidies verleend voor literaire uitgaven en tijdschriften? Worden er (gespijsde) prijsvragen voor letterkunde en literatuurgeschiedenis uitgeschreven? Worden er (voldoende) literaire werken door de overheid aangekocht? Worden er (gespekte) reis- en werkbeurzen aan letterkundigen toegekend? Worden er staats-, provinciale en gemeentelijke prijzen aan letterkundigen uitgereikt? Ik hoor de minister en de ambtenaren hardop roepen: “JA!”
Toch vrees ik dat de literatuur door de overheid stiefmoederlijk wordt behandeld. Zij is vaak niet erg vrijgevig. Zij stelt auteuronvriendelijke voorwaarden. Zij geeft voorrang aan de uitgever boven de auteur, aan de commercie boven de kunst. Ik durf te schrijven dat de overheid de literatuur veeleer bemoedert dan wel daadwerkelijk helpt.
Zouden de schrijvers niet meer gebaat zijn met een materiële hulp aan het begin van de carrière? De doorbraak naar de bekendheid is immers de moeilijke drempel. Wanneer deze klip overwonnen is, wordt de reis naar het succes - ook het financiële - makkelijker.
Er moeten criteria vastgelegd worden voor de bepaling van het begrip “literaire carrière”. Er moet rekening worden gehouden met schrijvers die spoedig met schrijven ophouden, enz. Het is aan de andere kant ook hoog tijd dat de meeste letterkundigen hun asociale structuren, waarin ze zich opsluiten, doorbreken en dat de literatuur in een veel ruimere zin gaat functioneren.
Het initiatief moet van beide kanten komen. Aan de ene kant moet de overheid die over de financiële middelen beschikt, bijdragen tot een materiële en, bijgevolg, morele revalorisatie van het schrijverschap, mits zij natuurlijk de artistieke vrijheid van de schrijver eerbiedigt. Aan de andere kant moeten de schrijvers hun elitaire houding opgeven. Ligt de oplossing niet in wat J. J. Wesselo noemt: "de woorden hun sociale waarde teruggeven”. Moet het schrijven niet opnieuw een sociale functie krijgen?

6.
Wat is de rol van de schrijver in onze maatschappij? Welke functie vervult de literatuur?
De schrijver is – of hij het wil of niet - van zijn romantisch-goddelijke troon gestoten. Hij is opgenomen door de ruime anonieme democratische massa. Terwijl hij aan huidige of toekomstige roem of genieverering verzaakt heeft, verwacht hij redelijkerwijze van de samenleving materiële compensaties voor de verloren voorrechten. Die vergoeding wordt hem niet altijd gegund, of eerbaar toegezegd, zodat hij terecht de indruk heeft geen identiteit meer te bezitten.
Enkele schrijvers reageren hun verbittering op hun eigen, introverte manier af: zij verwerpen die ondankbare maatschappij door de vormschoonheid te verabsoluteren. Zij getuigen impliciet van hun afwijzende houding tegenover een maatschappij die hun haar gunsten weigert. Anderen - waar ik ook de maatschappijkritische auteur onderbreng die hard werkt om de taal onder de knie te krijgen en in een soms wat weerbarstige stijl inspeelt op fenomenen in onze samenleving - verweren zich tegen de huidige stand van zaken door expliciet deel te nemen aan het overredingsproces of bij te dragen tot een mentaliteitsverandering bij overheid en auteur.
Ik waag mij niet aan het (ver)oordelen of het (op)waarderen van welke houding ook.
Zo kom je toch voor de volgende paradox te staan: terwijl de meeste schrijvers bij het sociale zweren en het bij herhaling hebben over de sociale functie van de literatuur, negeert een (klein) deel van hen dit sociaal karakter door een literatuur te scheppen die weinig toegankelijk is voor de lezer. Hoe meer literatuur vertechniseert, hoe meer het publiek er zich van afkeert. Ik meen bovendien te weten dat het adagium “veel lezers, grote verkoop” een conditio sine qua non voor de uitgever is.

De maatschappij, - in haar georganiseerde vorm is dit de overheid -, moet de schrijver als een volwaardig medeburger erkennen en hem in de gelegenheid stellen zijn schrijfwerk onder de gunstigste materiële omstandigheden te verrichten.
Van de kant van de schrijvers moet ook wat, en zelfs veel gedaan worden. Willen zij met zichzelf eerlijk zijn en de sociale functie van de literatuur daadwerkelijk bekrachtigen, dan moeten zij, om het Hendrik Conscience na te zeggen, “het publiek literatuur leren lezen”. Net zoals er geïnspireerde en vakbekwame dichters bestaan, zijn er mensen die zonder de minste scholing literatuur genieten, en anderen, - de meerderheid, - die geleidelijk ingewijd moeten worden in de eigen aard van het literaire. Dit is ongetwijfeld de taak van het onderwijs hiervoor te zorgen. Ik betreur in dit verband ten zeerste het diskrediet waarin sommige hervormers van het secundair onderwijs het literatuuronderwijs willen brengen.
Ook de letterkundigen kunnen tot die literaire opleiding bijdragen. Een uitgebreid actieterrein ligt voor hen open. Benevens het onderwijs denk ik aan het bibliotheekwezen, radio en televisie en het hele gebied van de cultuuranimatie.

Ik beklemtoon - wat wellicht niemand ontkent - dat de verborgen microben die de literatuur op dit ogenblik aantasten, flink kwaadaardig zijn Alleen de sterksten zullen eraan weerstaan, zij die maatschappelijk onaantastbaar zijn, nergens thuishoren, behalve in hun boventijdelijke en -ruimtelijke verbeeldingswereld. Het zijn de allergrootsten, wier werk de tijd trotseert en een eeuwige menselijke waarde bezitten.
Dit mag alleszins geen excuus zijn om de microben ongedeerd hun weg te laten gaan. Ze moeten, integendeel, met de geschikte middelen bestreden worden.

Ik heb moedwillig geen robotfoto van de hedendaagse Vlaamse auteur willen maken. Daarmee zou niemand gebaat zijn. Deze bedenkingen zijn gegroeid uit een eigengereide bekommernis van de auteur voor de schrijverswereld. Ik ben er van overtuigd dat het probleem van het statuut van de schrijver niemand onberoerd laat. Het probleem is overal aan de orde en heeft reeds jaren heel wat opschudding gewekt. Er heerst ongetwijfeld een malaise in de letterkundige wereld. Ook – en zeker niet het minst – bij ons.

Thierry Deleu

(*) De e- of netbooks zijn een (nieuw) fenomeen waar ik in deze context geen aandacht aan besteed, ofschoon ik deze initiatieven zeer waardeer.
(*) Deze problematiek kwam reeds aan bod in de jaren ’70. Zie Sonja Vanderlinden, De malaise in de letterkundige wereld – Sociologische enquête naar de positie van de Vlaamse schrijver, Universiteit Leuven, 1974.