Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans

Stichtingsdatum: 1 februari 2007


"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"

"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.

6 september 2009

Galeriehouder en kunstcriticus:
een zelfde missie?


“Ik ben toch niet de enige die nadenkt over kunst?” denk ik dan elke keer dat ik een stukje pleeg voor een krant of tijdschrift. Als criticus – recensent klinkt ook al aardig – ben ik een intermediair. Ja, zoals de galeriehouder ook een bemiddelaar is. Maar dan wel van een andere soort. Je staat tussen de kunstenaar en het publiek, in ons geval de lezer. Dit is een niet comfortabele positie.
Het basisprincipe waar ik altijd van vertrek, is: de kunstenaar heeft voorrang. Want zonder kunstenaar is er geen kunstwerk en zonder kunstwerk ook geen kunst. “Logisch toch?” zul je zeggen. Ja, maar hoeveel keer vertrekken wij niet van onze smaak of van onze geldbeugel of van de situatie waarin wij ons op het moment verkeren? Kijk, indien je niet vertrekt van de kunstenaar, dan maak je een inschattingsfout.
Wil dit nu zeggen dat je geen groot oor mag hebben (ik durf niet te schrijven: grote oren)? Maar neen. Je kunt de kunstenaar vragen: “Hoe heb jij dit gedaan?” Maar je mag iemand nooit als voorbeeld nemen. Een galeriehouder vertrekt van zichzelf. Hij moet weten: wat is mijn situatie, hoe moet ik overleven? Een criticus vertrekt van de kunstenaar. Beiden houden van schilderkunst. De eerste toont schilderkunst, de tweede bespreekt schilderkunst.

Meestal vertrekt de eerste van een trend, soms van een modernistische visie (zoals in de jaren ’80, toen werd beweerd dat ‘schilderkunst niet meer bestaat’ of ‘schilderkunst is dood.’) Nu nog vind je galerijen die geen schilderkunst meer durven te tonen. Ze tonen installaties b.v. In de jaren ’90 vonden de kunstenaars het weer kunnen zich als schilder te uiten.
Een goede Belgische galerij moet in eerste instantie werk tonen van mensen van hier, Belgen, Nederlanders, mensen van wie zij het oeuvre door en door kennen. Ze moeten dit werk op een internationaal forum plaatsen. En hier kan de criticus weer inkomen: ook de kriitiek moet eigen mensen internationaal bekend maken. We hebben een gemeenschappelijke taak: het werk van jonge kunstenaars moet door zoveel mogelijk mensen worden gezien. De criticus bespeelt de media, de galeriehouder probeert in eerste instantie te verkopen aan musea, aan openbare collecties. De kunstenaar wil immers het liefst in een museum hangen. Dit spreekt toch vanzelf?

Ik geef toe dat een galeriehouder niet altijd controle heeft over allerlei speculatieve elementen. Hij wil de prijs ‘normaal’ houden. Veronderstel echter eens dat een koper nog dezelfde maand driemaal zoveel voor het werk krijgt, dan zit je als galeriehouder met een probleem. “Wat is de prijs die hij nu gaat vragen voor het volgende werk van deze schilder?” Ik geef toe: dit is een frustrerende bedoening. Gelukkig heeft de criticus van die marktsituatie geen last. Of toch? Ja hoor, ik heb een hartsgrondige hekel aan die marktmechanismen, aan dit speculeren met kunst. Kunst wordt op deze wijze elitair, discrimineert, krijgt on long terms het deksel op de neus. De jonge kunstenaar komt tussen twee stoelen te zitten: indien hij te laag prijst, wordt zijn werk niet als “vol” aangezien, noch door de koper (zelfs niet door hem die de hoge prijs niet aankan, ja, ja), noch door de criticus die zich afzet tegen het elitaire aspect van de kunst. Wanneer de prijzen de pan uitvliegen, wordt kunst uitsluitend nog een belegging voor “rijke mensen”, meer bepaald voor de nouveaux-riches”.
Hoe moet volgens mij een goede galeriehouder tewerk gaan? Hij begint b.v. met twee jonge kunstenaars. Ik weet het: hiervoor is plicht en verantwoordelijkheid nodig. De naam die de galerij heeft, slaat over op de jonge kunstenaar: koopt men voor de kwaliteit van het werk van die kunstenaar of koopt men uit vertrouwen voor de galerij? De galeriehouder mag geen misbruik maken van deze situatie. Dit zou zijn symbolisch kapitaal naar beneden halen. Wat hij heeft opgebouwd, moet hij ook zien te houden. Dit wordt dus een evenwichtsoefening. De galeriehouder is een evenwichtskunstenaar.

En de kunstcriticus? Laat we wel wezen, ik ben geen leek in de materie en heb reeds honderden inleidingen verzorgd, maar toch ben ik geen criticus, veeleer een recensent, een opvoeder die het publiek bij de hand neemt en het probeert rond te leiden in de wereld van de kunst, i.c. de tentoonstellingsruimte.

Nog altijd is er een publiek dat de beeldende kunstenaar wenst te zien als de exponent van de romantiek: de kunstenaar die zich buiten de wet plaatst, die zich niet kan of wil schikken naar de normen die het sociaal verkeer oplegt. De kunstenaar van vandaag is echter de sociale gelijke van de mensen die hem omringen: hij staat niet meer buiten de maatschappij maar is er door osmose in opgenomen. Verzamelaars en intellectuelen ervaren het als een voorrecht de kunstenaar te kennen. Niet als een curiosum, zoals vroeger, maar als een "interlocuteur valable".

Een kunstenaar blijft echter anders dan de gewone mens. Door zijn talent. Het talent dat hem toelaat uit te drukken wat er in zijn hart en geest omgaat. Een hart en een geest die subtieler zijn afgestemd op de gebeurtenissen die in ons leven een diepe indruk nalaten.

Kunstenaars zijn een exponent van het vrije denken. Dit heeft niets te maken met zijn religieuze of filosofische ingesteldheid. Toch kan ook hij niet ontsnappen aan de tijdsomstandigheden of het politiek, economisch, filosofisch of godsdienstig systeem waarin hij werkt.

Zolang hij zich niet (of zo weinig mogelijk) aan dit systeem verkoopt, komt zijn vrije denken niet in de verdrukking.
Kunst is meer dan alleen een verheven smaak van weinigen of versiering, hoe belangrijk en waardevol dat dit op zichzelf ook kan zijn. Kunst is vooral een eigen vorm van communicatie met anderen en met de wereld om ons heen, waarin meer en andere ervaringen kunnen worden opgedaan en uitgedrukt dan met intellectuele middelen mogelijk is. "Guernica" laat ons de Spaanse burgeroorlog beter beleven dan drie verhandelingen daarover.

De (schrijvende en beeldende) kunstenaar is lotsverbonden met de mensheid. Vol attentie voor het menselijke vindt hij in deze situatie zijn inspiratie. Hij vertolkt het wel en wee van de mens en getuigt. In zijn werk is de tijdsgeest hoorbaar: soms als één langgerekte schreeuw om aandacht, soms als een orgastisch gevoel van blijdschap.


Thierry Deleu

Geen opmerkingen: