CAPAC COCHA
"Het was de gewoonte om in de hogere kaste om de vier jaar het feest van de Capac Co¬cha te vieren. Men koos vier adolescenten, rimpelloos en zonder enig gebrek, volmaakt in schoonheid (...) Deze vier uitver¬koren aclla's werden naar Cuzco gevoerd vanuit de vier suyo's van het land (...). Als het feest beëindigd was, werden de Capac Cocha's die voor Cuzco bestemd waren, naar de huaca van Huanacau¬ri gebracht ofwel naar het zonnehuis, en nadat men hen in slaap had gedaan, werden ze in een put neergelaten en daar (...) werden ze levend ingemetseld (...) De anderen werden door de Inca naar hun streek van oorsprong terugge¬stuurd, waar men met hen hetzelfde ritueel uitvoerde. Hierdoor werden hun vaders bevoordeeld, want door dit feit kregen zij een leidende functie, en er werden ook priesters aangeduid voor de verering die hen elk jaar te beurt viel, want deze Capac Cocha was de bewaker en de behoeder van hun streek."
Rodrigo Hernandez Príncipe, Brieven en rapporten gericht aan de Onderkoning en aan de Aartsbisschop van Recuay (1621, aangehaald in P.J. de Ariaga, La extirpación de la idolatría en el Perú. (1920)
Yannick schudde zijn blonde krullen en keek in de pekzwarte ogen van zijn vriend Demetrio. Deze voelde zich even onder de indruk van de bijna vrouwelijke schoonheid van zijn Belgische vriend die drie jaar jonger was. Bij zijn geboorte had hij hem nog als baby in de armen mogen houden. Dit was vijftien jaar geleden. Hij was met zijn vader de ouders van Yannick gaan bezoeken, die toen als coöperanten werkten in een herbebossingsproject.
De twee jongelui bevonden zich op een stenen brug. Het kruis dat men in het midden had opgericht keek uit over de bijna uitgedroogde bedding van de bergstroom eronder. Yannick droeg een T-shirt en een jeans. Demetrio had een opvallend lange wit kleed aan waarop vergulde motieven waren genaaid. Op zijn schouders waren vleugels vastgehecht met leren riemen. In zijn handen hield hij een kartonnen haakbus. Dit alles ter ere van Sint Jacob Matamoros die het, van patroonheilige van de conquista, tot de populairste Indiaan¬se heilige van Peru had geschopt. Zo werd hij er, vooral bij onweer, aanbeden met rituelen die heel weinig nog met het Chris¬tendom hadden te maken.
Vandaag, 15 juli, was het de feestdag van de Virgen del Carmen in het Andijnse dorpje dat zich op een negentigtal kilometer van Cuzco bevond. Het feest duurde meerdere dagen en zowat alle boeren van de streek vierden mee. Vanuit de naburige dorpen kwamen talrijke vrome genootschappen die zich hadden gevormd rond de kerktorens die daar sinds de zestiende eeuw in het zog van de Spaanse veroveraars waren opgericht. Maar het feest kon niet echt vroom genoemd worden. Er was wel de processie die de gelovigen placht bijeen te drijven in de brede armen van de Heilige Maagd. Verder hadden alle activiteiten, zelfs het vuurwerk, plaats voor het kerkportaal. Maar de deelnemers van de genootschappen waren gemaskerd en zij droegen kleren met felle kleuren, wat eerder aan carnaval deed denken. Nochtans had dit feest ook een ernstig karakter. Achter de negermaskers met blauwe ogen en de lachwekkende conquistadores met lange neuzen, stak niet die onschuldige, kinderlijke vreugde die buitenstaanders meestal met de Indiaanse bevolking associëren, maar een ander, heimelijk plezier, dat een ander feest betrof.
De ouders van Yannick, op vakantie in Lima, waren niet ingegaan op de uitnodiging van hun vroegere vrienden, de Huamans, ouders van Demetrio, om met hen mee te feesten. Maar ze hadden wel hun zoon laten gaan, die zijn geboortedorp wou terugzien. En nu stond hij hier samen met zijn Indiaanse vriend op deze brug, omringd door een bonte troep mensen, wachtend op het officiële begin van het feest. Hij voelde zich hierbij geen toerist, maar iemand van het dorp. Trouwens Mijnheer Huaman had hem gevraagd of hij niet wou deelnemen aan een ritueel waar zijn familie, als lid van de Congregatie van Sint Jacob, bij betrokken was. Yannick reageerde meteen enthousiast. Maar toen Demetrio's vader hem daarop vertelde dat zijn dochter Cusi ook zou deelnemen aan het ritueel, bedacht hij dat hij niet zo snel had mogen aanvaarden. Want, was Cusi dan niet gestorven een viertal jaar geleden? Overlijden waarover noch Demetrio, noch zijn ouders een woord gerept hadden. En nu, opeens, sprak Mijnheer Huaman over haar alsof er niets aan de hand was, alsof zij nooit had opgehouden te leven.
Maar Yannick dierf niet meer op zijn stappen terugkeren en om heel eerlijk te zijn, hij wou dit ook niet écht. Aangetrokken door al die geheimzinnige dingen die hem te wachten stonden, was zijn nieuwsgierigheid sterker dan zijn angst. En hij dacht dan ook definitief afgerekend te hebben met dat nijpende gevoel in hem, zodat niets hem nog belette om zich met het avontuur te meten. Dit laatste begon abrupt met een elleboogstoot van Demetrio.
- Daar, men doet ons teken!
Yannick boog zich over het stenen muurtje van de brug en zag op de rechteroever van de stroom, die door de droogte herleid leek tot een dunne straal, achter een tweede brug, die men de brug van de Inca noemde, een kleine groep indianen.Zij droegen maskers en kleren die blonken van goud- en zilverdraad. Zij keken zwijgend in hun richting. Demetrio nam hem bij de hand en baande zich een weg door de menigte. Zij liepen daarop van de berm tot aan de oever waar de groep zich bevond.
Plots was de druk van Demetrio's hand verdwenen. Yannick wist zich alleen achtergelaten. Voor hem stond een man met een zwart masker dat een katachtige grijns vertoonde. In zijn linkerhand droeg hij een zilveren schaal. Met de andere hand deed hij teken om hem te volgen. Beiden stapten daarop in stilte door de modder tot aan het midden van de bedding. Een grote plas water was het enige wat overbleef van de bergstroom die in de lente, voortgestuwd door de smeltende sneeuw van de Vilcanotta, wegen en huizen overstroomde.
Daar aangekomen beval hij Yannick om zich uit te kleden. Hij hief zijn kleren één voor één in de lucht voor hij ze weggooide als was het een offer aan de stroom. Toen ging hij met hem door het ondiepe water, tot zij aan de overkant opnieuw op het droge kwamen. Daar diepte hij uit zijn zilveren schaal een geel-wit poeder waarmee hij al zingend Yannick over heel zijn lichaam inwreef. Yannick herkende de zachte geur van maïsbloem.
- Je bent nu, sprak de man, met de aarde gekleed. Zij zal je lichaam beschermen tijdens de beproevingen die je te wachten staan. Nu moet ook nog je geest gesterkt worden.
Daarop nam hij hem bij de hand op dezelfde wijze als Demetrio had gedaan, en leidde hem tot aan de andere oever. Daar aangekomen beklom hij een steile wegel, beklimming die eerder pijnlijk was voor Yannick. Met blote voeten moest hij over de keitjes die zowat overal verspreid lagen. Toen de man zijn vertrokken gezicht zag, zei hij:
- Binnenkort zal je van deze kleine dingen geen last meer hebben. Dit laatste stelde Yannick geenszins gerust. Maar toen hij iets wou zeggen, legde de man hem zijn hand op de mond en wees op een hoger gelegen plek. Daar zag Yannick, nauwelijks zichtbaar, een klein gebouwtje, opgetrokken in donkerkleurig hout. Het leek wel opgeslorpt door de rotswand waartegen het aanleunde. Yannick slikte zijn klacht in en volgde zijn gids verder in stilte. Toen hij boven was gekomen, merkte hij dat het gebouwtje geen ramen had, enkel een deur. De man duwde hem onzacht naar binnen en trok zich hierop ogenblikkelijk terug. Hij vergat hierbij echter niet om de deur van buiten af te grendelen.
Opgesloten in deze donkere ruimte, tegen de koude rotswand aangedrukt, begon Yannick echt spijt te hebben zich op zo een ondoordachte manier in dit avontuur te hebben gestort. Hij dacht aan zijn niets vermoedende ouders in Lima. Hij had nooit gedacht dat hij ze nog zo zou missen. Tranen - dat was het toppunt - welden in hem op. Maar neen, Yannick onderdrukte het gevoel van paniek, waarvan hij wist dat het hem volledig zou overmeesteren als hij zich verder over zijn lot bleef beklagen. Om zijn gedachten te verzetten, begon hij de plaats waar hij zich bevond te verkennen. Zijn ogen waren al wat gewoon geraakt aan het duister en hij zag dat de hut uit één enkele kamer bestond die volledig leeg leek, met uitzondering van een laag houten tafeltje waarop zich een soort vaas bevond in klei. Toen hij dichterbij kwam, herkende Yannick er een menselijke figuur in, met een neus, ogen en oren. In het midden van zijn buik stak een reusachtige fallus. Yannick kon zich niet weerhouden om aan de eikel te voelen en zijn vingers ontmoetten een gleufje. Hij bracht het fallische uitsteeksel aan zijn lippen. Een zoete vloeistof, zoet maar sterk - was het de gegiste chicha die Yannick zich van vroeger nog meende te herinneren? - ontmoette zijn tong. Het was dan nog lekker ook en de voorbije angst, de pijn, het gevoel van verlatenheid, Yannick was het allemaal voor één ogenblik vergeten. Hij ledigde de inhoud van de vaas.
De drank had hem euforisch gemaakt en hij ging overmoedig verder op verkenning. In een hoek vond hij, netjes opgevouwen, als waren het de kleren die zijn moeder iedere morgen op de stoel van zijn slaapkamer legde, een zwarte kniebroek en een hemd zonder mouwen, met een diepe uitsnijding in de vorm van een driehoek. Toen hij het hemd over zijn bloot bovenlijf trok, voelde dit zacht aan. Hij moest van een zeer fijne wolsoort zijn, misschien wel van de sierlijke vicuña. Toen hij met de vingers over de stof streek, voelde hij dat er steentjes ingenaaid waren edelstenen wellicht.
Opeens hoorde hij aan de deur kloppen. Drie maal, drie precieze kleine tikken, telkens door een fractie van een seconde gescheiden van elkaar. Yannick wou naar de deur toespringen, maar bedacht zich. De gemaskerde man had de deur afgegrendeld.
- Kom eruit. Het is tijd... Een kristalheldere stem, een jong meisje, dacht hij, sprak aan de andere kant.
- Ik kan ze niet openen. Men heeft mij hier opgesloten.
- Je weet wel dat je het kan. Kom gewoon naar buiten. Wees niet bang...
Yannick kreeg een vreemd gevoel van sterkte over zich. En hij zag zich terugkeren op zijn stappen, diep ademen, een aanloop nemen terwijl hij zijn spieren tot het uiterste opspande, waarna hij door de deur liep die zonder enig geluid te maken in vele stukken uiteen viel. Buiten, enkele meters voor hem, stond, glimlachend, omhuld door een lang zilverkleurig kleed dat in de vorm van een driehoek was gesneden en belegd met blauwe edelstenen, Cusi. Yannick liep naar haar toe, de armen wijd open om haar te omhelzen. Maar op het moment dat hij dacht haar in de armen te houden, stond ze al enkele meters verder. Ze hield niet op met glimlachen en knipoogde als nodigde zij hem uit om haar verder te volgen.
Yannick probeerde niet verder om haar aan te raken en volgde haar als in een droom. En dit gedurende meerdere uren, of waren het slechts enkele minuten? Tot zij opeens achter een bocht verdween. Yannick keek om zich heen. Links, te midden van struikgewas en hoog opgeschoten onkruid, was een wegel. Hij aarzelde geen ogenblik om zich blootsvoets door dit pad vol doornen en keitjes te gaan. Toen hij niets van pijn voelde, maakte hij zich de bedenking dat zijn gemaskerde gids gelijk had gehad om zich niet bekommerd te tonen over deze dingen. Het was alsof die gedachte hem vleugels gaf, want voor de vermoeidheid hem iets kon vertellen over de inspanning en de tijd die aan de karwei was besteed, had hij al het eindpunt van zijn beklimming bereikt.
Daar, op een grote platte rots waarin twee gleuven waren gekerfd, wachtte hem een nieuwe verrassing. Gekleed als een Inca-prins, met een met goud belegde tiara op het hoofd, waarin twee valkenpluimen staken, een witte en een zwarte, zat daar Mijnheer Huaman. Voor hem, de poten samengebonden, probeerde een sneeuwwit lam zich vruchteloos los te wringen. Rechts van hem glom een gouden tumi, het rituele offermes. Links van hem stond een zilveren schaal, twee maal zo groot als die van de gemaskerde man, die eveneens met maïsbloem gevuld was. Mijnheer Huaman stak een hand omhoog en vier mannen in witte tunieken kwamen in een drafje met een draagstoel die met rode en groene veren was getooid. Ze hielden stil voor Yannick en nodigden hem uit om in de draagstoel te klimmen. Daarop droegen ze hem, traag en plechtig, tot aan de rots, als om hem als offer aan te bieden aan de tumi van Huaman. Die had intussen het offermes, waarvan Yannick het scherpe uiteinde in de vorm van een halve cirkel vervaarlijk zag schitteren, hoog opgeheven en plantte het met een korte smak diep in het hart van het lam. Met beide handen nam hij dan het beest vast dat kronkelde in zijn doodstrijd, hief het boven de zilveren schaal en liet er het bloed in lopen. Het werd onmiddellijk opgeslorpt door de bloem die zich omvormde tot een roze brij. Als het bloed ophield met stromen, nam Huaman opnieuw het mes en haalde met enkele handige bewegingen het hart en de ingewanden naar boven, die lillend weggleden over de rots, in de richting van de linkergleuf die op de rots was aangebracht. Daarop dook Huaman met zijn hoofd in zijn bebloede handen en bleef zo zitten gedurende vele lange minuten. Tot hij zijn bebloed gezicht naar de hemel hief en een vreemd gezang aanvatte, meer een soort van geblaat, vond Yannick, dat werd beantwoord door het klagelijke koor van de vier dragers die, tot zijn verwondering, dikke tranen bleken te wenen. Yannick voelde zijn draagstoel vervaarlijk kantelen:
"Ay ay, wij wenen
Ay ay, wij hebben verdriet
Ay, je zonen lijden
Ay, je armen lijden
Wij hebben enkel ons geween nog om je aan te bieden
In ruil voor je regens
In ruil voor je wateren
Stuur ze ons
Wij die je armen zijn, je mensen."
Het geween hield plotsklaps op. Huaman hield opnieuw zijn gezicht minutenlang in de handen. Toen zei hij aan Yannick om uit zijn draagstoel te komen en dichterbij te komen. Daarop gaf hij hem teken om links van hem plaats te nemen. Hij dompelde zijn linkerhand in de met bloed doordrenkte bloem en trok langs beide kanten van Yannicks gezicht, rond de ogen, vertrekkend van de neuspunt, die hij onderlijnde als om hem het gezicht van een bek te geven, drie brede strepen. Daarop diepte hij een handvol roze bloem uit de schaal en stak daar de helft van in de mond. De andere helft gaf hij aan Yannick. Die trachtte het gevoel van walging dat hem overviel, onder controle te houden en kauwde op de bloederige brei, zoals hij Huaman dat zag doen. Het was slechts toen alles was ingeslikt, dat Huaman hem het woord richtte:
- Red ons Capac Cocha. Je bent onze enige hoop. En ga nu!...
Yannick dacht er geen ogenblik aan om dit dwingende bevel te negeren en liet zich opnieuw gedwee op de draagstoel hijsen, waarop zijn vier dragers hem meteen en in looppas naar een nieuwe bestemming voerden. Onderweg had hij een vreemde ontmoeting, zo vreemd dat hij niet wist of die zich écht voordeed of een hallucinatie was. Mogelijk was dit het gevolg van de geheimzinnige drank die hij uit de fallische vaas had genuttigd.
Zijn dragers, onverstoorbaar verder dravend, stonden op het punt om een eucalyptusbos te verlaten voor een open vlakte, toen zij plots stilhielden. Zij leken bang te zijn voor iets. Yannick pogingen om iets van hen los te krijgen had enkel een wijzend gebaar voor gevolg in de richting van een zwarte vlek hoog in de lucht: een vogel, dacht Yannick, misschien wel een arend, of wie weet een condor die zich liet zweven op een warme luchtstroom. Toch niet echt iets om bang van te zijn. Maar de dragers leken zijn mening niet te delen. Opgewonden wezen ze opnieuw naar het vliegende voorwerp tot zij zich omdraaiden langs de kant van het bos, de wijsvinger richtend op één van de dikste takken van een grote eucalyptus die zij net voorbijgelopen waren.
Op die tak stond een gevleugeld wezen met een katachtig masker heen en weer te wiegen. Hij droeg een wit met goud bestikte kleed en in zijn handen hield hij een haakbus. Ditmaal was die echter niet van karton. Hij sprak en, ondanks het dreigende toontje, meende Yannick de stem van zijn vriend Demetrio te herkennen. Maar die liet niets merken en sprak hem toe alsof hij hem voor het eerst ontmoette:
- Capac Cocha, ik ben Illapa, ik ben geboren uit een bron en kan vliegen. Ik ben het die het doet regenen en die de regenbogen schildert op het hemeldoek en... "Paf!" deed de haakbus, ik ben ook de donder, "paf!", met mijn ogen doe ik het bliksemen en telkens ik "paf!" het puntje van mijn staart vertoon, strooi ik, naar gelang van mijn humeur regen, "paf!" of "asse" over de wereld... Daarop hief hij zijn kleed tot aan zijn middel en, luidkeels lachend, begon hij Yannick en zijn dragers met zijn urine te besproeien. Yannick wilde zich die vernedering besparen en deed aanstalten om zich uit zijn draagstoel weg te werken. Maar zijn dragers beletten hem dit. Ja, het leek zelfs dat zij deze beproeving met plezier ondergingen, alsof dit warme stortbad door de eigenaardige kat-vogel waar Yannick nu resoluut weigerde om zijn vriend Demetrio in te herkennen, een geschenk was van de goden.
Slechts als de laatste druppel pis was vergoten, maakten zij aanstalten om weer verder te gaan. Zij hieven de draagstoel op en liepen zo snel ze konden de helling af tot aan de vlakte die zich voor hen opende. Slechts bij valavond hielden ze halt, nadat zij over een laatste heuvel waren geklommen. Zij stonden voor de opening van wat een grot bleek te zijn en deden hem afstappen. Zonder daar nog iets aan toe te voegen, verlieten zij onmiddellijk de plek.
Yannick besefte dat de dag een einde had genomen. De volle maan was aan de hemel verschenen. Hij bevond zich nu voor twee vormen van duisternis, die van buiten, van de vlakte, en die van de grot daarbinnen. Hij verkoos om in de tweede binnen te dringen, eerder dan zich in de eerste te verliezen. Aangezien hij geen zaklantaarn bij zich had, vatte hij de idee op om met de ogen dicht in de grot te komen. Zijn weg blindelings zoekend, zou hij misschien een andere, en betere, manier vinden om zich te oriënteren. Dit bleek een vruchtbaar idee, want van zodra hij binnen was, voelde hij, op de hoogte waar zijn handen spontaan aan het tasten waren gegaan, een cilindrische vorm langsheen de rotswand, precies een lange slang die hem tot binnen leidde. Hij stapte zo een tijdje tot de slang ophield en hij een ronde vorm voelde. De kop van het beest, bedacht hij. Yannick opende de ogen.
Wat hij zag overtrof al wat hij tot nog toe had meegemaakt. Voor hem was een kleine ronde ruimte, gevormd door een terras met drie treden die in de rots waren gehouwen. De rots verlengde zich naar boven toe in de vorm van een ogiefboog die zich als een golf over het terras leek te werpen. Boven was een opening, langswaar de volle maan, die daar op dat ogenblik juist boven stond, rijkelijk haar licht uitgoot. En in het midden van dit maanbad, blank en naakt, bevend over heel haar huid, de borsten lichtjes bewegend op het ritme van haar ademhaling, lag Cusi. Yannick hield zijn adem in. O dat zij nu maar niet opnieuw verdwijnt! Dat deze droom nu maar niet verzwindt als hij haar aanraakt!
Aanraken ja, dit fijne gezichtje, deze lange gitzwarte haren, deze lippen, mollig als kussentjes... En de droom leek ditmaal wel sterk genoeg, zodat Yannick besloot om toe te geven aan zijn verlangen... Hij beklom traag de drie treden, in de vrees dat hij haar bij elke stap zou zien verdwijnen, deze Cusi die hij, hij wist het nu met zekerheid, eeuwig zou lief hebben.
Yannick stond op het punt om uit zijn droom te treden, toen hij opeens zag dat hij omringd was door verschillende gezichten. Hij trok zijn ogen open en zag dat zijn dragers terug waren. Maar, te horen aan het lawaai achter hen, waren zij niet alleen gekomen. Cusi was verdwenen. Toen hij naar haar vroeg aan een van de dragers, riep die al lachend "Carcancha!" en deed een gebaar van "dat zij hier is of ergens elders, is van geen belang".
De dragers begeleidden Yannick, die nauwelijks nog recht op zijn benen kon staan, tot aan de ingang van de grot. Uitgeput, maar gelukkig, een gevoel dat hem naar het hoofd steeg. Dronken van geluk!, zei hij in zichzelf, toen de koude nachtlucht van buiten op hem afkwam. Een groep indianen, met toortsen belicht, juichte hem toe. In hun midden, op een draagstoel, zat Huaman. Naast hem was er een lege draagstoel, door vier nieuwe dragers omhoog gehouden. De zijne, wist Yannick. Een van zijn vorige dragers hees hem op zijn rug en installeerde hem erin. Nieuwe toejuichingen volgden. Huaman draaide zich in zijn richting en reikte hem een kleien pot aan, langs beide zijden versierd met twee fallussen. Deze waren onderling door een kanaaltje verbonden en aan hun uiteinde waren opnieuw drinkgaatjes aangebracht.
- Drink dit Capac Cocha! Het zal je op krachten brengen.
Yannick dronk met gulzige teugen het zoete en sterke likeur dat hetzelfde bleek te zijn als wat hij gisteren had genuttigd. Huaman nam de pot over en dronk op zijn beurt van de fallus die Yannick niet had aangeraakt. Daarna deed hij teken aan een kleine groep in het wit geklede indianen, die een derde, kleinere, draagstoel bleken te ondersteunen, waarop diverse voorwerpen lagen te blinken die allemaal voor hem bestemd waren: een halssnoer gemaakt van gouden discussen en zilveren armbanden en een helm, eveneens van goud, met vleugeltjes aan de zijkanten en vooraan een masker dat een katachtige grijns vertoonde.
Toen hij zich met dit alles getooid wist, steeg opnieuw gejuich op. Een vreemd gevoel van sterkte overmeesterde Yannick, een krachtige golf die, telkens hij opkeek, leek over te gaan op de mensen om hem heen. Was dit nog wel Yannick, of was hij, zoals de Demetrio van de eucalyptusboom, een soort van godheid geworden, die boven al die begrippen, zoals angst en schaamte, was komen te staan? Even hief hij, om het effect ervan te zien, de hand op. Ogenblikkelijk hielden allen op met hun kreten en wierpen zich voor zijn voeten. Huaman bleek de enige te zijn die weerstand bood aan de geheimzinnige kracht die over Yannick was gegaan. Hij glimlachte naar hem:
- Het wordt tijd nu, Capac Cocha. Er resten ons nog belangrijke dingen te doen... Daarop kwam de hele stoet in beweging. Gezangen alom, afwisselend, en ook samen, begeleidden hen. De diepe bastoon van de mannelijke stemmen vermengde zich met piephoge vrouwelijke stemmetjes. Maar naarmate zij verder gingen, verminderden zij in sterkte, tot zij, aangekomen aan een hoge plek, volledig verstomden. Er was nochtans geen droefheid in hun blikken en gebaren, eerder een soort van respect. Een grootse gebeurtenis wachtte hem, waarvan hijzelf- Yannick was er bijna zeker van - de hoofdattractie zou zijn.
Toen men de helling beklom, merkte Yannick dat, buiten hijzelf en zijn dragers en twee indianen nog die dikke touwen droegen, al de anderen beneden waren gebleven. Eens boven gekomen, deed men hem uit zijn draagstoel stappen. Voor Yannick lag een hoop aarde, waar bovenaan een breed gat was aangebracht. Yannick voelde een enorm verlangen om te slapen. Hij ging liggen, waar hij zich bevond, de knieën hoog opgetrokken tot onder de kin. De slaap overviel hem voor hij kon beseffen wat zijn begeleiders verder met hem van plan waren. Zij plaatsten hem op zijn buik, de rechterarm tegen zijn borst geplooid, de linkerhand op de rug. Daarop draaiden zij de ruwe hennepkoorden rond zijn lichaam. Zo ingepakt droegen zij hem tot aan de ingang van de huaca. Op het ogenblik dat men hem naar beneden liet, begon het zachtjes te regenen. Zonder verder enige commentaar te geven, keken de mannen tevreden glimlachend naar elkaar. Toen de Capac Cocha beneden gekomen was, gooiden ze armenvol aarde door het gedolven gat, tot de put weer volledig gevuld was. Yannick droomde van een tunnel, de laatste, de beste van dit avontuur. De wanden voelden ditmaal warm en vochtig aan en moeiteloos gleed hij er doorheen met de slangenhuid die zich rond zijn lijf had gewikkeld. Tezelfdertijd leek die hem ook de weg te wijzen naar de uitgang, daar boven, waarvan hij al de lichtschijn zag. Yannick voelde een enorme druk op zijn lichaam. De wanden leken wel stuiptrekkingen te vertonen. Het licht op het einde, zoog hem onweerstaanbaar aan. Toen hij uit de tunnel kroop, jaren daar opeens de gezichten van Mijnheer Huaman en Demetrio die vertederd toezagen hoe een klein bloederig lijfje, gewikkeld in zijn navelstreng, uit de buik gleed van Mevrouw Huaman. Het was een meisje. Zij zouden haar Cusi heten.
FRANCIS CROMPHOUT
Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans
Stichtingsdatum: 1 februari 2007
"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"
"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.
Stichtingsdatum: 1 februari 2007
"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"
"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten