Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans

Stichtingsdatum: 1 februari 2007


"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"

"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.

31 oktober 2009

Een Poging tot Poëzie in een Wereld waar Poëzie Onmogelijk & Ondenkbaar wordt!

ik aanschouw mijn plannen
en de gekste dwarsboom ik nog het meest
ver weg is de tijd dat ik eiste
dat ik van mezelf niets te eisen had
ik noch hamers noch sikkels zou hanteren

bloemen blinken nu frivool en weemoedig
als met voorzicht geplukte en ontvouwde herfstbladeren
en eindelijk leeft vrede bovenhuids in verstrengelde vorm
als een beschermd monument, een zeventiende wereldwonder
verschuil en onthul ik me als een ander in hangende tuinen

want
“JE est un autre”
en
“what goes up must come down”

[salus = salvus = òλος = heel (heilig) = gezondheid, welzijn]
á=ð+blablabla÷Ň↔voilà⅞ΐ≥ff≠ik versta je niet‰Ґ Ǽ
←hé zie daar, een mens℗‽K+Ħzut alors!

[donderdag 29 oktober 2009 0:50]

De Onmogelijkheid van Poëzie in een Wereld
die misschien zelf “onmogelijk” is,
die we in ieder geval niet graag zullen “mogen”

Ik keek deze namiddag naar de dvd “Paul Virilio: Penser la vitesse”, een film van Stéphane Paoli (2008; ARTE Editions). Paul Virilio (geboren 1932) is sinds de jaren 1970 actief als urbanist, kritische filosoof en essayist: zijn laatste boek heeft als titel Le Futurisme de l’instant (Paris Editions Galilée, 2009). Tegenwoordig legt Virilio zich toe op de “schade die de Vooruitgang veroorzaakt”. Een schade die gezien moet worden in de context van de op drift geslagen discrepantie tussen de mentale tijd waarin wij onze omgang met onszelf en de wereld ervaren en de reële tijd waarbinnen de gebeurtenissen (bv. de economie) zich in de werkelijkheid voltrekken. We worden gevangen in een ogenblikkelijkheid en onmiddellijkheid (instantaneity, immediacy) waarin informatie en fictie verweven zijn, waar allerlei parallelle informatie gelijktijdig zou moeten verwerkt worden maar waarbij we door de ogenblikkelijkheid van de informatie niet weten in hoeverre de informatie die ons bereikt voor ons privé-leven of beroepsleven relevant is of niet. Gezien het ermee gepaarde tijdverlies, kan de parallel geproduceerde informatie die op ogenblikkelijkheid berust, geen duiding of achtergrondanalyse met zich mee dragen. Paul Virilio duidt één van de fenomenen die in deze nieuwe wereld zullen optreden, aan met de term “déflagration de la perception collective” (“verbranding van de collectieve waarneming”): een gebeurtenis zoals bv. 9/11, of Katrina in New Orleans, of de financiële crisis die in 2008 in een paar dagen plots hevig losbarstte, laat de mensen niet toe hun waarneming op elkaar af te stemmen omdat niemand weet wat waarheid is en wat fictie, geruchten of verzinsels zijn, waarbij ook niemand weet of een gebeurtenis een minuut, een uur, een week, een maand of een jaar zal duren, waarbij ook niemand weet waar de gebeurtenis precies zijn oorzaak vindt of welke hulpmiddelen efficiënt kunnen aangewend worden en welke catastrofaal zullen falen.

Deze algemene versnelling van de gebeurtenissen die de werkelijkheid vormen, stuurt de serialiteit en lineariteit van ons denken en van onze taal naar het rusthuis voor dementen. Onze hersenen pakken probleem ná probleem aan (serieel) en zijn er niet op ingesteld 20 cognitieve maar tegelijk ook emotioneel geladen taken tegelijk uit te voeren (parallel). Mogelijk moeten onze hersenen via een chirurgische operatie vervangen worden of minstens aangevuld met een reeks minicomputers die niet zoals bij een Deep Brain Stimulation via 1 elektrode contact hebben met de hersenen, maar die verweven moeten zijn met de hersenen als geheel, mogelijk zelfs ook met het hormonaal systeem, de bloedsomloop en de ademhaling en het immuunsysteem. Door die hyperversnelling die niet te vergelijken is met de snelheid waarmee de wereld veranderde tijdens de paar Industriële Revoluties die we sinds 1800 achter de rug hebben, vervallen ook onze vertrouwde noties van tijd en plaats. We kunnen op 10, 50 en nog veel meer plaatsen tegelijk aanwezig zijn en aan de andere kant zijn de ogenblikkelijkheid en de onmiddellijkheid zo gestructureerd dat ze niet ingebed zitten in een tijd waarin het heden steeds verwijst naar een verleden en vooruitblikt op een toekomst. We denken normaliter in ons heden en in het tijdsverloop dat we beleven, voortdurend met elementen die verleden zijn en andere die toekomstig zijn, bv. wanneer we ’s morgen schematiseren wat we in de loop van de dag zullen doen. Het “ogenblik” is echter een zuiver en naakt “hier en nu”, herleid tot niet meer dan zichzelf, zonder verbindingen met voorafgaande gebeurtenissen en zonder toekomstperspectief. De ogenblikkelijkheid en de onmiddellijkheid van de gebeurtenissen in “real time” vragen een onmiddellijke reactie, en zo we dit door het tijdverlies van ons denken, van onze inwendige dialoog of ons overleg met anderen niet kunnen, zullen automatische systemen instaan voor een respons, machines die we in hun werking niet meer kunnen volgen en analyseren en waarover we dus in wezen geen controle hebben, bv. om accidenten te vermijden. Hier verschijnt de machinale posthumane “mens” die zijn omgang met de wereld niet langer regelt via het tussenstation van het nadenken, het stilstaan en de afstandneming van de gegeven situatie om op die manier een werkelijk adequaat handelen in deze wereld te kunnen ontplooien. De posthumane mens reageert zoals een machine onmiddellijk, zonder het medium van het denken of de taal (de menselijke individuele of collectieve geest als “slide-in” tussen “stimulus” en “respons” zoals ik dit ooit, in een poging een nieuw aantrekkelijk woord te introduceren, heb genoemd).

We kunnen zelfs heel apocalyptisch denken: in de mate dat mensen verworden zijn tot informatiedragers en informatieoverdragers maar in deze rol qua efficiëntie overtroffen worden door machines die in “real time” opereren, moet het mogelijk zijn dit informatieverkeer dat belangrijker is dan de vroegere dragers en overdragers die biologisch menselijk leven zijn, elders in de ruimte te organiseren zodat zonder veel morele scrupules het leven op aarde en de planeet zelf kunnen opgeofferd worden. Virilio suggereert een dergelijk Apocalyps wanneer hij vraagt naar het recht waarmee de CERN (Centre Européen de Recherche Nucléaire in Genève) experimenten uitvoert met deeltjes die in absolute versnelling worden gebracht en waarvan men alleen met zekerheid weet dat ze zwarte gaten of gaatjes kunnen produceren, die worden afgedaan als onschadelijk maar die in principe materie (de Aarde als planeet) zouden kunnen opzuigen en doen verdwijnen.

De ogenblikkelijkheid is het einde van de Taal en dus ook van de Poëzie. De Taal en de Poëzie en de kunsten in het algemeen, met uitzondering misschien van de muziek, kunnen niet meer vooruitlopen op Revoluties waarvan ze in het verleden de eerste signalen aanbrachten en de functie van eerste lentezwaluwen vervulden. Poëzie en kunst zijn gedoemd zich te richten tot nostalgici, tot mensen die in het verleden verkiezen te leven, tot folkloristen, heemkundigen en geschiedkundigen. Allemaal mensen die politiek reactionair zullen zijn omdat ze: 1) de cultuur van de ogenblikkelijkheid verwerpen en moeten verwerpen willen ze dichter of kunstenaar blijven; 2) ze ook, behalve in zeer vage, idyllische en vrijblijvende termen, geen programma of project kunnen aanbieden waarin de mogelijkheden van de broodnodige technologie op een andere manier kan aangewend kan worden zonder de humaniteit van de mens te ondermijnen, een tekortkoming die hen dwingt zich politiek te identificeren met de” goede oude tijd” van het Stenen Tijdperk, de Middeleeuwen of de Golden Sixties.

We mogen bv. niet vergeten dat de roman (en later de film) met zijn verhaaltrant waarin een paar figuren doorheen het vertellen van een reeks gebeurtenissen zich ontwikkelen als karakters met een innerlijke eenheid, samenhing met de burgerlijke revolutie waardoor de burger als enkeling in interactie met andere enkelingen die hij liefhad/haatte of die hij ge- en misbruikte, vorm kon geven aan een hoogst persoonlijk biografisch leven. We maken ons nu echter op om te leven in een wereld waarin tussen gebeurtenissen geen links meer bestaan omwille van hun ogenblikkelijk karakter. Volgt u maar eens een week of zelfs een maand het tv-journaal en poogt u dan op het einde van die week of die week een rode draad te weven doorheen de veelheid aan geïsoleerde items die in het journaal werden voorgesteld, dan zal u merken dat u niet veel verder raakt dan een rapsodie van een reeks spectaculaire momenten en niet van “ontwikkelingen”. 25 jaar geleden zou het veel gemakkelijker geweest een of meerdere rode draden te vinden omdat het nieuws de items dan veel meer verbond met reeds uitgezonden items en met een vooruitblik op waar een bepaalde gebeurtenis toe kon leiden. De fragmentatie van het nieuws valt samen met de fragmentatie van ons leven, ook van ons innerlijk leven en van onze “identiteit” of “persoonlijkheid”. Dit impliceert dat het schrijven van een klassieke roman met figuren die zich doorheen allerlei “avonturen” ontvouwen en openbaren, binnenkort een anachronisme zal zijn geworden. James Joyce’s Ulysse (1922) en Franz Kafka’s Der Prozeß (1925) zijn voorafbeeldingen van een literatuur zonder personages die niet veel meer zal kunnen zijn dan een collage. Omdat het leven een collage worden en het hebben van een identiteit een imaginaire illusie zal zijn die in Jacques Lacan’s termen geenszins correspondeert met het Reële van ons zelf (!?) en de wereld waarin we leven.

De poëzie en de letterkunde is al een tijd je verworden tot commercieel divertissement en wordt nu als spektakel op tv en in de andere Media gebracht: herrie rond literaire prijzen, evenementen zoals Gedichtendag laten goed zien dat de aandacht verschuift van het schrijven zelf naar randfenomenen die zich in “real time” afspelen. Iedereen hoort te weten en wil weten wie de uitputtingsslag rond de Gouden Uil heeft gewonnen, maar geen kat is wezenlijk geïnteresseerd in de schrijver of zijn werk. Het interview dat van de winnaar wordt afgenomen, overstijgt dan ook niet het niveau van Story of Dag Allemaal, magazines waarop dat soort schrijvers zo minachtend op neerkijken. De winnaar gaat bv. met het gewonnen geld een nieuwe auto kopen of voor het pasgeboren zoontje een nieuwe kinderkamer wat smaakvoller dan voorzien inrichten. Jeezes: ziet u Charles Baudelaire, Arthur Rimbaud, Fernano Pessoa, Rainer Maria Rilke, Sylvia Plath, Paul Auster of wie dan ook van de grote schrijvers uit verleden en heden al op dat kinderachtig niveau hun eigen imago om zeep helpen? Er zal dus een grote kloof ontstaan tussen zeldzame schrijvers die er op 1 of andere inovatieve manier nog echt in slagen letterkunde te produceren en aan de andere kant stand-up comedians en dichters die nog wat extra maar zeer déjà vu shockeren om toch maar aandacht te krijgen en in een regionale zender als de VRT op het scherm te komen. Dat wereldje van dichters en schrijvers van de tweede rang is gedoemd een krabbenmand van corruptie en dolken in de rug te worden. Schrijvers konden elkaar vroeger al amper verdragen, maar dat had een meer affectieve reden die voortsproot uit eerzucht en aanverwante affecten. Nu zal het gaan om een plaatsje in de economische zon, om bikkelharde gevechten om subsidies en plaatsen op een affiche van een “festival”, etc.

De filosoof Dieter Lesage merkte rond 2005 reeds op: “Kunstenaars stoppen tegenwoordig meer tijd in marketing en de promotie van hun werk dan in de eigenlijke artistieke bezigheid.” Van sommige grote namen in de Vlaamse literatuur, die elk jaar een roman afleveren, wordt nu zelfs al getwijfeld of ze deze romans wel zelf schrijven, want ze komen dagelijks op radio of tv, ze treden iedere avond ergens op in een parochiehuis of een Cultureel Centrum en ze schrijven wekelijks ook nog een column van een redelijk niveau in een krant. Van zo’n mensen kan ik me alleen voorstellen dat ze trendy volksvermaak produceren (zij het eerder voor BV’s dan voor het “volk”), maar niet dat ze worstelen met een “thema” dat bezit van hen genomen heeft en waarbij het schrijven een kwestie wordt van leven en dood. Schrijvers die schrijven in plaats van zich af te vragen hoe hun werk zal “ontvangen” worden, lijken mij al een paar decennia een zeer zeldzame zeldzaamheid te zijn geworden. Althans in de Lage Landen. Niet te verwonderen dat de Vlaamse auteurs die internationaal het best scoren, misdaadauteurs zijn: m.a.w. typisch mensen die vermaak produceren voor een welbepaalde doelgroep, maar literatuur kun je dit niet noemen. Jef Geeraerts was in Vlaanderen vermoedelijk de eerste die aanvoelde dat de mode om te scoren met de beschrijving van vagina’s (in zijn geval van negerinnen) zijn tijd had gehad en dat vermaak in de vorm van misdaadromans voor een clevere kruidenier die Jef Geeraerts toch altijd is geweest.

Nu is er op zichzelf niets fout aan vermaak, divertissement en clownerie als dusdanig. Maar wat tot het verleden hoort is de maatschappelijke functie van de literatuur en de kunsten als de aankondiger van maatschappelijke veranderingen. De Renaissance werd bv. aangekondigd door een vorm van schilderkunst gebaseerd o.a. het perspectief en een nieuwe visie op het oog waarbij het oog de dingen niet zag door een soort stralen uit te zenden die in hun terugkaatsing door het zichtbare en geziene object dan weer door het oog heropgevangen werden. Deze visie werd doorheen de 14-15de eeuw in de schilderkunst geïntegreerd: Leonardo da Vinci is dan door zijn veelzijdigheid met de eer mogen gaan lopen symbool te zijn voor deze nieuwe schilderkunst, maar de trend was al een eeuw vόόrheen merkbaar. Tegenwoordig poogt een schrijver eerder commercieel maximaal te profiteren van maatschappelijke ontwikkelingen die zich reeds voltrokken hebben: het aantal auteurs dat het in zijn werk heeft over de euthanasiekwestie en het zelf beschikken over de eigen dood, heeft nu reeds een verzadigingspunt bereikt.

Poëzie aangepast aan de onmiddellijkheid en ogenblikkelijkheid waarvan Paul Virilio ons wijst op de gevaren die ze betekenen voor de mensheid zoals we die kennen, werd in wezen in de jaren 1910 en de jaren 1920 geproduceerd. Dada en bij ons Paul van Ostaijen waren in wezen hun tijd ver vooruit. Net zoals de moderne kunst (kubisme, futurisme, etc.) die rond 1900 doorbrak, het einde betekende van de wijze waarop de goegemeente toen dacht dat de wereld (bv. het waargenomen lichaam van een schildersmodel) samengesteld was. Deze fragmentatie die in de kunst opdook als thema en als werkwijze (ook in de muziek bv.) heeft dan vooral in de 2de helft zijn maatschappelijk beslag gekregen.

De laatste zinnen van Paul Virilio in de film luiden:
(boos) ‘On nous dit que la science, la techno-science a remplacé la métaphysique. Merci, c’est vraiment une bonne nouvelle !’.
‘Il y a eu Goethe qui disait en mourant: «Plus de lumière» – mehr Licht, mehr Licht;
mais la plus belle phrase, c’est Léo T. [ik kan de naam niet verstaan van wie hij bedoelt, of ik ken die kerel niet, iets in het genre van Léo Thom], « Qu’est-ce que vous ressentez?»; «Une immense curiosité»;
ça, c’est génial, c’est une phrase d’une espérance absolue; pour moi, c’est la plus belle phrase d’un mourant.’
(lacht luidop en ongeremd; waarop de interviewer zegt : ‘Et ça te fait rire encore!’).
‘Mais oui, parce que penser, c’est pas triste.’
(Einde van de film; zicht op strand en rustig aanrollende zee)

[donderdag 29 oktober, vóór en na een redelijk heerlijk avondmaal]

Voor de rest van de nacht lees ik wat in Philipp Blom De duizelingwekkende jaren: Europa 1900-1914
(Amsterdam, De Bezige Bij, 2009; oorspronkelijke Engelse uitgave: Philipp Blom The Vertigo Years. Change and Culture in the West 19000-1914. London, Weidenfeld & Nicolson, 2008). Het boek is me geschonken door een vriendin, Marianne W., in een generositeit die ik niet goed begrijp. Dat ze me dit boek aanbeval begrijp ik volkomen: de periode 1880-1920 is mijn geschiedkundige lievelingsperiode. Maar het ontgaat me waarom ze haar eigen exemplaar naar me opstuurde en nu zelf 10 dagen moet wachten op een vers exemplaar voor haar zelf. We zullen maar aan Blaise Pascal denken: «Le Cœur a ses raisons que la Raison ne connaït pas.» Sommige mensen overstijgen zichzelf in onnodige gulheid. Maar ik aanvaard graag het geschenk : na een paar bladzijden gelezen te hebben moet ik tot de conclusie komen dat het een prachtig boek is, een tour de force. Dit boek komt in de boekenkast van mijn nieuwe leefkamer in de Velodroomstraat in Oostende.

Doorgaans vergelijkt men de crisisjaren die we nu meemaken met de jaren 1930 en de Grote Depressie. Maar zoals Philipp Blom aangeeft en een mening die ik ook altijd heb aangehouden, lijken de jaren die we nu meemaken veeleer op de periode 1900-1914, toen men eveneens te maken had met een enorme versnelling op diverse vlakken die heel wat mensen in verwarring bracht en zelfs ziek maakte (het was de periode van de “neurasthenie” of zenuwzwakte, een ondertussen schijnbaar verdwenen ziekte, die nu vooral als depressie wordt geduid). Het was bovendien, net zoals nu, een periode waar niemand een duidelijk beeld had van waar één en ander zou eindigen en waar heel wat mensen geplaagd werden door onzekerheden, van de evolutie van de seksuele relatie tot het politiek regime dat leiding zou geven aan de respectievelijke Europese vaderlanden. De toekomst was open: beangstigend dus maar ook vol opportuniteiten.

(LICHT UIT EN SLAPEN !!!)

http://zarathoestra.wordpress.com/

Geen opmerkingen: