Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans

Stichtingsdatum: 1 februari 2007


"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"

"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.

11 mei 2009

Uit "Meander" (20 oktober 2007)


Interview met Thierry Deleu


















Het systeem schenkt geen voldoening door Yvonne Broekmans
Thierry Deleu (1940) beweegt zich vanaf de jaren zestig op een breed literair vlak. Hij schreef leerboeken voor het beroepsonderwijs, de biografie Marc Bourry, man van het volk en eigenzinnige essays over schrijvers en actuele letterkundige kwesties. In de jaren 2002 tot 2004 verschenen drie romans, De Creuse Trilogie, en in 2006 de roman Klamme handen. Verder was deze Vlaming hoofdredacteur van het tijdschrift Boulevard (1970-1980), is hij uitgever van de reeks Schaap Boeken en samensteller van enkele bloemlezingen voor het kunstonderwijs. Deleu is echter vooral bekend als dichter. Steeds terugkerende thema's zijn (erotische) liefde, dood en natuur.
Is er sprake van verwantschap met je generatiegenoten, in thematiek en vorm?
De grondslag van mijn poëtica gaat terug op de periode van de experimentelen, om precies te zijn op die van de neo-experimentelen, de derde generatie die tijdens of kort na de oorlog is geboren en die zich in de jaren zestig en zeventig manifesteerde. Mijn generatiegenoten vormden een schakel tussen de nieuwe tijd en de eeuwen die achter hen lagen. De dichters van de eerste helft van de eeuw hadden reeds heel veel met woorden bereikt. Nu was het de beurt aan mijn generatiegenoten om op zoek te gaan naar hun eigen identiteit, rond thema's zoals liefde en eenzaamheid. Ik dweepte in die periode nogal met Paul Snoek, die tot de tweede generatie behoort, de zogenaamde Vijfenvijftigers.
'Het thema is onmiskenbaar de verheerlijking van de liefde, met een sterke neiging tot erotiek, en met de natuur als decor' zegt Jan van Herreweghe in zijn essay over je poëzie en Val der Engelen (1997). Geldt dat ook voor je meest recente bundel De kiemjaren (2006)?
De meeste gedichten in De kiemjaren hebben een triviale sfeer; dat is nieuw, maar het onderwerp is onveranderd de liefde en de erotiek. Zoals de titel al suggereert, zijn de gedichten gesitueerd in mijn jeugdjaren.
In de drie ingezonden gedichten is een prominente rol weggelegd voor de vogel, een vertrouwd symbool dat ook in Val der engelen opvallend aanwezig is. Hoe belangrijk is voor jou de metafoor in de poëzie?
Van Herreweghe zei: 'Enerzijds zijn de gedichten een aardse beleving van de liefde en de erotiek; anderzijds bekijkt hij ongegeneerd als voyeur het liefdesspel. Een mystieke sfeer kleurt de meeste gedichten. De liefde blijft het uitgangspunt, maar een tikkeltje godsdienstigheid maakt het dan weer ingetogen. Anderzijds wordt dat mystieke gevoel weer doorbroken door erotiek. (…) Wanneer je zijn andere gedichten beschouwt als een aardse beleving van de liefde en de erotiek, dan zijn die zogenaamde vogelgedichten hemels en bekijkt hij vanuit vogelperspectief het liefdesspel op aarde. Op die manier neemt hij afstand en relativeert hij zijn eigen betrokkenheid.' Beter kan ik het niet verwoorden.
Deze typische 'vogelgedichten' komen enkel voor in Val der Engelen. Inderdaad gebruik ik het beeld van de vogel wel vaker.
In de gedichten bij dit interview voer ik ze vooral ten tonele om hun vlucht, beweging en sierlijkheid.
Je bent voorzitter van het onlangs opgerichte dichtersgenootschap 'De 50 Meesterdichters van de Lage Landen bij de zee'. Hoe is dit ontstaan?
Die inval kreeg ik toen ik een chefkok hoorde zeggen dat hij bij 'De 33 Meesterkoks van België' behoorde, en zag hoe zijn ogen straalden. Het dichtersgenootschap is een boze reactie op de literaire ongelijkheid, op de discriminerende positie waarin zovele goede dichters zich bevinden. Zij vinden geen uitgever, ze hebben weinig naamsbekendheid, ze krijgen geen overheidssteun, ze worden weinig gerecenseerd, ze worden slechts sporadisch door de bibliotheken aangekocht, kortom: zij blijven - hoe mooi hun gedichten ook zijn - lokale vedetten die, indien ze enkele persmaatjes hebben, worden opgevoerd als regionaal nieuws. Inmiddels is het aantal meesterdichters tot vijftig uitgebreid onder de ridderlijke bescherming van 'De Orde van de Scheermesjes', de eerste online ridderorde. Het toekennen van de eretitel 'Meesterdichter' is immers te arrogant om er niet het relativerende 'ludiek' aan te verbinden.' Het is de bedoeling dat de vijftig meesterdichters in Vlaanderen en Nederland de boodschap van het genootschap zullen uitdragen: als elke dichter een gelijke kans krijgt van hen die met poëzie begaan zijn of dat toch beweren zullen er geen eersterangs- en tweederangsdichters meer bestaan, maar dichters: goede en minder goede.
Eerder bleek al uit je essays dat je je intens betrokken voelt bij de positie van de auteur in de maatschappij. Volgens jou wordt de Vlaamse literatuur door de overheid stiefmoederlijk behandeld en zouden schrijvers in aanmerking moeten komen voor structurele ondersteuning. Hoe reëel is dat standpunt?
De overheid keert op het advies van het Vlaamse Fonds voor de Letteren subsidies uit voor de literatuur in de vorm van onder andere stipendia en werkbeurzen. Daar zet ik vraagtekens bij: gebeuren die uitkeringen correct en verstrekken de adviseurs die adviezen met kennis van zaken en zonder vooringenomenheid? Ik zoek vergeefs naar een controlemechanisme waardoor enerzijds adviezen van het fonds kunnen worden bijgesteld of aangevochten en anderzijds de samenstelling van het adviesorgaan kan worden onderzocht op zijn pariteit en integriteit. Of scherper geformuleerd: zijn er voldoende meetbare garanties ingebouwd om enige vorm van belangenvermenging te voorkomen? De criteria om in aanmerking te komen zijn immers willekeurig. Het systeem schenkt geen voldoening.
Het hoge aantal uitgaven in eigen beheer is toch een teken aan de wand dat er iets mis is in de verhouding auteur, uitgever en overheid. Er zijn duidelijk ziektesymptomen die het lampje op rood zetten. Hier zou de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen een belangrijke rol in kunnen spelen, door onder meer uitgaven in eigen beheer of bij niet-erkende uitgeverijen collectief aan te prijzen bij bibliotheken en in kranten, tijdschriften en e-zines. De vereniging dient zich te profileren als een vakbond die gedreven en bedreven onderhandelt met de overheid, met uitgeverijen, het bibliotheekwezen en de boekhandel.

Geen opmerkingen: