Separatisme en Belgicisme
In 1970 was ik student en kandidaat voor de Volksunie.
Ik heb toen, onder invloed van de lessen van professor Adriaan Verhulst, in een interview verklaard: ‘België is een gril
van de geschiedenis en kan maar beter verdwijnen.’
Ik droomde dus van een onafhankelijke Vlaamse staat en
stel nu vast dat ik in de loop van mijn ‘Werdegang’
veranderd ben: ik ben emotioneel meer en meer gehecht geraakt aan ons rare
landje bij de Noordzee.
Ben ik daarom een belgicist geworden
? Ik denk het niet: ik heb geen heimwee naar de unitaire staat, ik ben
een republikein met een afkeer van vorstenhuizen en ik ben een overtuigd
federalist die hoopt op het tot stand komen ooit van een Europese
federatie.
(Wat dat betreft zit ik dus min of meer op de lijn van
Daniel Cohn-Bendit en Guy Verhofstadt, alleen zie ik
niet de opbouw van een Europees leger als een eerste
prioriteit.)
Wat zijn dan precies mijn bezwaren tegen het
separatisme?
Ten eerste is er die emotionaliteit: ik ga graag naar de
Ardennen en voel me daar thuis, in Charleroi word ik getroffen door het exotisme
van de bevolking maar dit exotisme trekt me juist aan. Dat we cultureel
uiteen gegroeid zijn is een correcte vaststelling maar onze media en ons
onderwijs doen er dan ook weinig of niets aan om bruggen te slaan. Wie van ons
kent twee Waalse dichters of twee Waalse schilders? Deze onwetendheid is geen
noodlot maar een keuze: wij willen blijkbaar van elkaar niet weten. Deze
onwilligheid kan ik enkel betreuren omdat we veel missen op die manier, één
voorbeeld: het prachtige werk van Pierre Paulus, een schilder die de Borinage als hoofdonderwerp had.
Ten tweede zie ik praktische moeilijkheden. Hoe zal men
de boedelscheiding realiseren? En wat met Brussel: verwachten de separatisten
dat een meerderheid van de anderstalige Brusselaars voor Vlaanderen zal
kiezen?
Ten derde ben ik een aanhanger van het solidaire model
en in dat opzicht is ons land een historisch laboratorium: als het Belgische
model barst dan ziet het er beroerd uit voor de Europese
solidariteit.
Ten vierde zie ik in het behoud van de Belgische
federatie een mogelijkheid om tot een politiek evenwicht te komen: een
overwegend rechts Vlaanderen wordt gecorrigeerd door
een overwegend links Wallonië.
Ten vijfde hoor ik nu spreken over een confederaal
model, vooral uit de mond van NVA-leden en
-sympathisanten, maar wat stelt hun confederalisme voor? Ik heb Bart De Wever
nooit wat anders horen verkondigen dan dat het Belgische niveau zou
‘verdampen’.
Iemand als Didier Reynders is
ook een confederalist, die zegt immers bij herhaling:
‘Laten we onderzoeken wat we nog samen willen doen.’ Een minimale samenwerking
is bij mijn weten het hoofdkenmerk van een confederalisme. Wie er een andere
definitie van wenst te geven, mag ze opsturen.
Ten zesde heb ik een hartgrondige afkeer van het zelfzuchtige
nationalisme van VB en NVA, ik blijf een volgeling van August
Vermeylen en Maurits Coppieters die tegelijk internationalist waren en
geloofden in de solidariteit over de grenzen heen.
Is er dan niets overgebleven van de flamingant die ik in
1970 was? Toch wel, ik erger me nog altijd aan de francofone arrogantie in de
Rand en hier aan de kust -zoals ik me erger aan elke vorm van arrogantie,
bijvoorbeeld ook die van sommige Duitsers hier in De Haan.
En mijn flamingantisme leidt ertoe dat ik me afzet tegen
de verengelsing van ons hoger onderwijs, dat heb ik in eerdere teksten reeds besproken. Ik herhaal: een taalgemeenschap heeft een
top nodig en die top wordt niet enkel geleverd door de taalkunstenaars maar ook
door de wetenschap en door al wie de pretentie heeft zichzelf een intellectueel
te noemen.
Het Nederlands is voor mij meer dan mijn cultuurtaal:
het is het medium van mijn expressie en een deel van mijn identiteit, ik hou ervan. Ik stel vast dat deze cultuurtaal van alle kanten
onder druk staat, daarom voel ik mij verplicht haar bestaansrecht te
verdedigen. Omdat het Nederlands in Vlaanderen nog altijd geen
vanzelfsprekendheid is, blijft een taalstrijd geboden en dat in drie richtingen:
aan de basis moeten de Vlamingen hun eigen cultuurtaal respecteren, inwijkelingen of nieuwkomers moeten bereid zijn ze aan te
leren, en de intellectuele, politieke en artistieke top van onze samenleving
moet het voorbeeld geven.
Besluit: ik ben dus een Belg met nog duidelijke flamingantische roots. Het einde van dit land zou voor mij geen trauma
betekenen, zo diep gaat mijn gehechtheid niet – alleen geloof ik niet in het
separatisme.
De Haan 9 oktober 12
Geen opmerkingen:
Een reactie posten