Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans

Stichtingsdatum: 1 februari 2007


"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"

"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.

16 augustus 2010

Klaprozen en Kamermuziek

Tien dichters uit Nederland en Vlaanderen
Samengesteld door Thierry Deleu en Hannie Rouweler


Een bespreking door Richard Foqué in DE AUTEUR


De bespreking van een verzamelbundel is altijd een wat complexe en soms zelfs heikele onderneming. Het is niet het werk van één dichter, noch is het een bloemlezing. Vaak en meestal is het thematisch en geeft de titel een indicatie daaromtrent. Niet zo bij deze verzameling. De titel, die intrigeert maar tezelfdertijd flirt met de grens van het melodramatische en het melige en daarom uitdagend is, verklaart zich slechts op het einde van de bundel, in het laatste gedicht van Hannie Rouweler, ‘Klaprozendag’, waar de “poppies in Flanders Fields”, gegoten in sonnetvorm, gaan klinken als kamermuziek: ingetogen, intiem, beschouwend. “Ik moet deze dag niet vergeten. / Bijna alle bladeren zijn van de bomen gewaaid. / Tussen donkerblauwe wolken schijnt in gele strepen / licht”. En dan zeg je “o, ja, de titel”, maar dat is op het einde.

Ondertussen heb je van 60 gedichten genoten, indien je ze tenminste in volgorde hebt gelezen. Dat hoeft niet op zich, maar het is wel een interessante ervaring, want meer dan de titel is het de verdienste van de samenstellers dat ze hier tien dichters met elk 6 gedichten aan het woord laten en deze plaatsen in een weloverwogen volgorde: een kamermuziekstuk in tien verschillende bewegingen maar die samen één sterke compositie vormen. De gedichten zelf zijn de boodschap in deze bundel en zo hoort het ook.

De keuze van de dichters is markant, aangekondigd als tien dichters uit Nederland en Vlaanderen zijn allen toch - wellicht op Gellings na - zeer verwant met Vlaanderen en werken en leven er. Thierry Deleu en Hannie Rouweler zijn als samenstellers natuurlijk niet aan hun proefstuk. Maar het is vooral Thierry Deleu, die systematisch verwijst naar wat hij noemt “de vergeten auteurs” van de generatie ’60. Zo nog in één van zijn recente “pamfletten tegen gang van zaken in het landschap van de letteren”. Het gaat om de “baby-boomers generatie, die debuteerden in de zestiger en vroege zeventiger jaren en om welke reden dan ook blijkbaar nooit het grote publiek hebben bereikt: geprangd tussen de geconsacreerde vijftigers en de postmodernen van de tachtigerjaren. Zeer ten onrechte, want groot talent heeft daardoor nooit de volle erkenning gekregen, die zij eigenlijk verdienden. Sommigen van hen hebben afgehaakt, ontmoedigd en ontgoocheld, anderen zijn volgehouden blijven verder werken, publicaties in kleine oplage en beperkte verspreiding bij kleine gespecialiseerde uitgeverijen, soms in eigen beheer. De echte poëzieliefhebber kent hun en waardeert hun.

Deze bundel doet o.a. recht aan een aantal van deze baby-boomers en het is de verdienste van de samenstellers dat zij hierbij een uitmuntende keuze hebben gemaakt en deze selectie bovendien hebben gekaderd binnen een literair continuüm.

Aan de ene kant van het spectrum is dat Fernand Florizoone, die rustig de nestor kan genoemd worden van de nog levende grote dichters. Hij heeft zich nooit tot enige stroming bekend, maar generaties overspannend, heeft hij de taal in zijn poëzie gewikt en gewogen, uitgepuurd en uitgeperst tot zijn edelste vorm. Hij opent de bundel met 6 korte maar vitale gedichten in een samengebalde stijl, waar de woorden, die er niet staan betekenis geven aan het geschrevene, zo bijvoorbeeld in het gedicht “maart”:
“Het water / nog waterkoud / en schuchter / wat nog rest aan ijs/ geeft zich over”.

Aan de andere zijde van het spectrum vinden we Floor Deroo, net 24 jaar geworden, maar een groeiend talent, die in 2006 reeds haar eerste bundel stille plek publiceerde. Deroo wordt zonder twijfel een belangrijke vertegenwoordigster van een nieuwe dichtersgeneratie, die zich aan het begin van deze eeuw aan het vormen is. Haar zes opgenomen gedichten zijn verbijsterend sterk en volwassen, vitalistisch en onstuimig. Indien poëzie de kunst is van het weglaten, het schrappen in plaats van het schrijven, dan zijn Deroo’s gedichten met haar korte staccato zinnen daar exemplarisch voor.
“Hij denkt in polaroid. / Zoekt het tegenlicht, / het juiste kader. / Vergroot de vlieg op het plafond, / de barst in het gesprek / en komt in fracties later. / Hij lijnt de inval, de uitkijk, het nazicht. / Op afstand is alles minder ver.”

Daartussen komt de generatie zestig, vertegenwoordigd in deze bundel door acht dichters.
Paul Gellings, de enige opgenomen Nederlandse dichter, die echt in Nederland woont. Zoals vele van Gellings’ gedichten vertrekken ook deze vanuit de observatie van een bepaalde fysische context. Deze “situationele” gedichten, geschreven in een sterk gestructureerde vorm en vaak met een strak rijmschema, zijn handvaten voor de dichter om terug te keren in de tijd. Reflectie en mijmering zijn constant verweven en geven aanleiding tot nadenken over zijn eigen tijdelijkheid, zo bijvoorbeeld in “Rijksmuseum”:
“Over honderdduizend jaar wordt een museum opgegraven / dat leek op een stationsgebouw.We vertrokken er, kwamen / er aan en wisten nooit wanneer, daar in dat woelig / weefsel van beelden en lijnen die elk leidden naar / een ander leven, een elders dat onmetelijk was en bleef.”

Thierry Deleu, één van de samenstellers is ook vertegenwoordigd met 6 gedichten. Niet toevallig hebben zij als thema de zee. Voor kustbewoner Deleu is zij een onuitputtelijk inspiratiebron. Deze poëzie is bijna paradoxaal op zichzelf. Deleu slaagt erin om lyrische uitbundigheid te verzoenen met een sterk gedisciplineerde en ingehouden stijl. Zijn ritmische verzen hebben een soort golvende cadans, vloeien in elkaar over, zoals eb en vloed en worden zo landschappen in woorden.
“In dit verzopen land / ogenver van mensen / op een grasspriet van het / water in dit landschap / dat geen landschap is / liggen wij een vogel / dichterbij op hoge poten /loopt zich krom.”

De in deze verzameling opgenomen gedichten van Jenny Dejager, die reeds vier dichtbundels publiceerde, zijn erg verschillend, niet in thematiek - zij reflecteert over zichzelf en haar eigen zijn in de wereld - maar vooral in stijl, beeldspraak en uitdrukking. Triviale verzen (wat te denken bv. van een vers als “Ik schrijf letters op het toetsenbord / van mijn gevoel.) wisselen af met uiterst sterke en ritmisch opgebouwde stansen zoals “Geen argwaan betrad het pad van het mededogen / buiten enkele cryptische woorden: hindernis / mist honger.” Of ook: “De leest van mijn tussentijd is besteld. / daarover spreken straatstenen nu.” Maar dan weer plotseling in het midden van een gedicht valt het ritme weg in een overvloed aan beeld en woord. Wellicht hadden de samenstellers hier wat strenger mogen zijn en de dichter tegen zichzelf beschermen.

Marleen De Smet is geen veelschrijver en zuinig op haar publicaties, dat is een kwaliteit op zich, maar elk van haar gedichten peilt naar de kern van wat poëzie dient te zijn. Zij schrijft een zeer beeldrijke poëzie. Zij plaatst die beelden in juxtapositie, laat ze botsen met elkaar en geeft zo meervoudige betekenissen aan enkelvoudige zinnen, een gelaagdheid en gebaldheid, die af en toe hermetisch overkomt maar die elk gedicht zichzelf doet overstijgen. Het is poëzie die uitdaagt en de lezer doet nadenken over zichzelf en zijn eigen zijn. De verzen komen als schoten op je af, zoals:
“nachtschemer wikkelt / donkere rokken, weerwolven / janken een jacht” en “nagenoeg waren we storm / maar de wind hield de adem in / zo ook de nacht / het wordt een slechte zomer, zei ik / weet je nog hoe bij heldere hemel / plots de winter begon / een haan kraaide uit zijn bek / pas dan sliepen we / in waakstand”

Joris Iven is een meester van de observatie en legt deze vast middels een onuitputtende taalvaardigheid en een volkomen beheersing van structuur en techniek eigen aan de poëzievorm. Zijn zes gedichten die in deze bundel zijn opgenomen zijn daar andermaal uitmuntende voorbeelden van. Hierin schildert hij met woorden een portret van Ensor, brengt hem tot leven. Elk vers is een penseelstrook van poëtisch koloriet. Kortom de meesterdichter confronteert de meesterschilder. “De onderkant / van het doek sleept over de planken vloer, terwijl ik / bovenaan werk aan de laatste reep. Hier help ik / mijn wereld om zeep, mijn wereld met maskers en / skeletten, viswijven en beulsknechten, fanfares en / marionetten.”

Bert Bevers is een dichter pur-sang. Hij schrijft een gedragen en voldragen poëzie, die zijn wortels heeft bij de vijftigers, maar die van daaruit een eigen sterk persoonlijk schrijversschap heeft ontwikkeld. Altijd is er een eenheid tussen vorm en inhoud. Zo ook in deze selectie, waar Bevers de sonnetvorm hanteert maar dan zonder rijmschema in wat hij noemt “zes gedichten voor vreemden”. In zijn typische beeldrijke taal confronteert hij de lezer met ervaringen en beschouwingen, die door het gedicht plotseling een vreemde wending krijgen, een onverwachte bocht maken, existentiële vragen stellen, indringend en beklemmend. Het is poëzie die verontrust. “Zwaarte valt uit onweer als een spookhand in de nek. / Soms is de ziel onkalm, doet ze denken aan een hert / dat drinkt. Dan zijn alle verre dagen maar moeilijk / te verdragen.”

Guy Van Hoof, eveneens diep geworteld in de sixties en schatplichtig aan de vijftigers, heeft van daaruit zijn eigen stijl ontwikkeld, die moeilijk te vatten is in een bepaalde school. De hier opgenomen zes “zeegedichten” vertrekken, in de dichter zijn erkenbare stijl, van een persoonlijk anekdotisch gegeven. Het meesterschap van Van Hoof bestaat er echter in dat bijna onmiddellijk na de eerste verzen dat anekdotische en alledaagse wordt overstegen en getransformeerd in een beklijvende, vaak alarmerende boodschap. Een zuiverend ritueel om het onbegrijpelijke en onvatbare toch te ordenen en zin te geven. “Hete regen op asfalt, / verstrooide bomen lijken glas te drinken / parels namaakzilver / eenzaamheid is moeilijk in te schatten / vermomd als vlinders met één oog / de gevels van de huize / zijn als aangespoeld decor”.

Tot slot en, zoals reeds vermeld, als afsluiting van de bundel zes gedichten van Hannie Rouweler, medesamensteller van deze bundel en poëtische duivel doet al: schrijver, samensteller van bloemlezingen, uitgever. Rouweler heeft een indrukwekkende publicatielijst en rijgt de dichtbundels aan elkaar. Wellicht mede daardoor is haar werk niet alleen zeer uiteenlopend maar ook niet altijd van dezelfde kwaliteit. Aan datzelfde euvel lijdt ook deze opgenomen selectie. Maar dat neemt niet weg dat er een aantal pareltjes tussen zitten. “Klaprozendag” werd al vernoemd, maar ook bv. het gedicht “Zwolle”: Het is een stad om voorbij te rijden, / de brug over en dan verder door / een dunner bevolkt land. Het ligt aan / de rand. Van wat? Een beetje Veluwe, / beetje Salland, polderland met koeien / die langs de IJzel grazen.”

Klaprozen en Kamermuziek is een meer dan merkwaardige verzameling, die elke poëzieliefhebber hoort te koesteren. Niet alleen als een goede en exemplarische staalkaart van de poëzie van de zogenaamde “zestigers”, maar ook voor het leesgenot van elk gedicht op zich, voor elke “beweging” van dit kamermuziekstuk van adagio over andante naar allegro, vivace en presto, tot het openklapt in een poëtische symfonie.

KLAPROZEN en KAMERMUZIEK, Tien dichters uit Nederland en Vlaanderen, samengesteld door Thierry Deleu en Hannie Rouweler, 2010, Demer Uitgeverij.
ISBN: 978-90-813070-7-9.

Geen opmerkingen: