Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans

Stichtingsdatum: 1 februari 2007


"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"

"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.

24 oktober 2009


Lars Ruben Bregonje
de ontdekking van Onbederf’lijk Vers Nijmegen 2009


Ingezonden door Ruud Poppelaars


Hij komt uit Nijmegen en hij mocht in Nijmegen zijn debuut maken.
De achtienjarige Lars Ruben Bregonje. De bedenker van regels zoals:

“op mijn handen loopt de schaduw van een viool”

en

“voordat je ‘t weet is ‘t weer zo ver
staat er een bloem op uit je nieuwe navel”

Er stonden 21 oktober niet zomaar wat dichters en schrijvers op de diverse podia aldaar
o.a. Adriaan van Dis , Ramsey Nasr (Dichter des Vaderlands) en Anne Vegter.
En dat was allemaal beslist allemaal heel aantrekkelijk. Anne Vegter met vijftien minuten durende monologen sterk en duidelijk serieus. Ramsey Nasr kreeg de zaal plat van het lachen. Toch vind ik hem meer caberetier/entertainer dan dichter. Althans mij verras je niet om in een gedicht naar aanleiding van de mislukte aanslag op het Nederlandse Koningshuis, te Apeldoorn, Het Nederland (intens lachend om zichzelf nota bene) te vergelijken met een land met 16 miljoen koningen. Ik bedoel dat liedje kennen we inmiddels wel.

Maar tussen de gekende dichters staan daar tradtie getrouw de nieuwkomers, de talenten.
Ik zag Karin Beumkes in een prachtige kapel optreden, ik zag Frouke Arns in een intiem
cafe De Mug haar kunsten vertonen. En in dat cafe ook, stond vanaf het katheder de achtienjarige Lars Bregonje zijn debuut te maken.

Voordat hij vorig jaar oktober begon met het schrijven van poëzie maakte hij absurde filmsketches, verzon curieuze theaterstukken en speelde triangel.
“In den beginne vooral beïnvloed door Franse dichters als Rimbaud.”
Dat was de eerste dichter die hij wilde lezen. Rond die tijd stuitte hij ook op een bundel van Lucebert en “het was alsof ik zojuist een antieke houten kist met edelstenen had geopend”.
Indrukkend was vooral zijn voordracht van zijn tot nu toe langste gedicht:


new york

new york is een oude man pratend in een leunstoel
hij heeft een baard maar in zijn schedel beitelt
een steeds jonger wordend volk aan muren en winkels
in zijn steile longen
een kudde loslopende masten
stijgt met de traagheid van verdriet
aan hun donkere ruggen schommelt
het water van de nacht
daartussen ben ik
en alles kijkt naar mij


maar wie slaapt en waarom gaan
aan de torens boven de wanorde
de gevangenen van tovenaars verward naar boven
als een defecte baksteen op een lichaam
de diep verdwaalde dorpszangers
op de kapotte hemel van metrostations
als de huilende lippen
van de adelaarsvrouw wiens kantoor
in vlammen gaan gapen is
ja
wie slaapt nog
en wat lacht zo zacht als een weiland
binnen het absorberende voorhoofd
van een aziatische krijgsheer
die hier geboren is maar de taal niet spreekt
want de taal is doof

en hoe zijn zij gezien?
want zij verdwenen op het moment dat een koffer
vol blauwgewelfde vlinders de straat af rolde
en zij schrokken met veel windstilte in de hals
waarna zij voor eeuwig verbrijzelden onder
de wolkenkrabbers waar zij in sliepen

[althans dit is wat wordt gezegd door hij die een
steeds groeiende stem niet zal rusten
en zeer stiekem zijn eigen mond opeet
en droomt van de gevleugelde bliksemdrager
die uit hoge tempels opengaat
toen de wereld nog oud was]
zo
kortademig is hij
men zou hem willen vangen
met de eetlust van een dode bok
en het lentelichaam van een vrouw
dat zich beweegt over vijftig zwarte trappen
dragend acht wereldzeeën op haar linkerborst
hij is een oude man pratend in een leunstoel
maar in zijn hoofd slaapt niets
in het krakende ei daar gloeide hij
met astma tussen gordijnen
starend naar reclameborden
vallend van lange hoogte
als was hij gelijk een donderend paard een dalende augustus
waardoorheen antieke vazen vlammen
met de braafgeurende minnebrief van de ochtend
wanneer men die in kerkers zingen hoort
daartussen ben ik
en alles kijkt naar mij
en alles gaat opwaarts
als rook op mijn ribben en blond van het bloeden
blond van napoleon de 3e of stuyvesant
die de aarde jammerend op zijn rug wierp
in een natuurverschijnsel van gruwelmoorden
over roodbleke draken met een vreemd lied in de keel
naar de vijand die geen vijand is
want de vijand is weerloos

en nog gaat hij eenzaam als hengelaas,
aan zijn ogen wankelt de verminkte maan van zijn machines
die wij dagelijks voeden met ons eigen eten.
maar hoe zijn zij gezien?
een groene keizer hangend boven het normale volk
ofwel de plots noorweegs zilveren bosgoden
ofwel
dat weet niemand

o wie slaapt en waarom heeft de huid
huilend van peper en olie
de buidel opgeslokt / mohammedanen
ingeslagen en uitgezogen
ja
zo
kortborstig is hij

nochtans ben ik gaan leven
met een opperhoofd van zwaluw
en rook en baksteen en nooit slapend want altijd bestaand
ik ben in new york
daartussen ben ik
en alles kijkt naar mij

Geen opmerkingen: