Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans

Stichtingsdatum: 1 februari 2007


"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"

"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.

13 oktober 2009


IK VOND IN HET RARITEITENKABINET EEN MENS DIE BOEKEN VERSLINDT!

Over Het syndroom van Spitzweg
van Jan van Herreweghe

Ik wil objectief zijn, objectief een ziektebeeld schetsen. De boekengekte is Jans levensdrang. Hoe wil Van Herreweghe zijn ziekte beteugelen? Door erover te lezen en erover te schrijven? Hij vergist zich. Hij is ongeneeslijk ziek.


Velen beamen wat ik beweer. Sinds hij een boekenfanaat ontmoette (in 2004), is hij niet meer in te tomen. Hij maakt hoge koorts. Zijn passie wordt een verslaving. Van Herreweghe is verzeild in een leeswoede. Sinds lang. En het blijft maar duren, “aanslepen” wijst op een ziekte. Is Van Herreweghe ziek?

Met zijn zevende brief komt hij in heilige sferen. Zeven. De poort tot het meester-gild. Weet hij het? Hij wil af van zijn boekhouding. Van de restanten. Die horen immers niet thuis bij bevlogen mensen. Bevlogen mensen lezen zich gek of schrijven zich een kramp. Zij hebben niet eens een boekhouding. De zevende brief aan de Korintiërs. De gek geeft toe dat hij terechtgekomen is “in een imaginair reservaat van boekengekken”. Wat mij opvalt, is zijn zelfherkenning. Eindelijk herkent hij zichzelf in de spiegel. Herkent en erkent.

“Ik heb mij niets te verwijten als ik vandaag gewoon de rol van tolk vervul.” Dat zijn vrouw soms twijfelt of hij zijn plaats kent in het universum, laat hem koud. Het is een onweerstaanbare drang.

In deze eerste brief van dit tweede boek snuistert hij ongegeneerd in boeken en bibliotheken van de Klassieke Oudheid. Hier demonstreert Van Herreweghe nog maar eens zijn buitenaardse ijver om te zoeken, te spitten, de aarde om te ploegen en zijn bronnen prijs te geven (= de eer geven aan wie die toekomt).

De verzonnen/verzonken bibliotheek is uitverkoren spek voor zijn bek. Ik bedoel dit niet negatief: Jan is niet huiverig voor stuntwerk en curiosa. Hiermee boeit hij bovendien de lezer die zijn boek ter hand neemt. Je moet flink gemotiveerd zijn om soortgelijke boeken te lezen. Gebeten, doelgericht, even leesgek. De verzonnen bibliotheek gaat onderaards. Ook de ziekten komen weer aan de oppervlakte (bibliokleptomanie bv.). De magische bibliotheek lost zijn verwachtingen niet in. De auteur treft ook boekengekte in China aan.
Verrzonnen, verzonken, onderaardse, magische, onverwoestbare bibliotheken passeren de revue. Tot wij bij de Chinese filiatie komen overloopt Van Herreweghe nog maar eens zijn favoriete items: boekenverbranding, boekenontvreemding en privébibliotheek als medium. Hierna houdt hij een stevig pleidooi voor bibliofagie.

Tussenin (of gefocust?) bespreekt hij een stapel boeken, zoals Een schitterend gebrek van Arthur Japin en Dagboek van Zwaluw van Amélie Nothomb. En ik begrijp hem perfect als hij schrijft dat het boek ook een redmiddel kan zijn. Of een zelfgepleegde misdaad als inspiratiebron voor een boek. Of het boek als tweespalt (een problemenboek).

Van Herreweghe onderscheidt ook soorten van boekenkasten: dode bv. Het e-book is een dood boek. Ik publiceerde al twee gedichtenbundels als netbook en ik hoefde er geen geurig boek van te maken om gelezen te worden. Je moet als uitgever en auteur van e-books voldoende middelen aanwenden om de potentiële lezer te prikkelen.

De auteur sluit deze zevende brief af met het verhaal van een bibliothecaris die mensen en boeken haat en met het trieste verhaal van “de man zonder boeken”. Wat een opbeurend verhaal!

De achtste brief opent met de bespreking van een film gemaakt door een bibliothecaresse. Een film over het beroep van bibliothecaris.
Veel films bevatten scènes waarin bibliothecarissen voorkomen. Van Herreweghe heeft ze opgezocht en geeft heerlijke commentaar bij hun ontmoetingen. Ik som op: The Hollywood Librarian (2008), Fahrenheit 451 (1966), Storm Center (1956), A Tree Grows in Brooklyn (1942), Threesome (1994).

Het ambt van (hoofd)bibliothecaris is een benijdenswaardige functie. Jan is benijdenswaard. Hij komt niet in aanmerking met de materialen en de confrontatie met lastige klanten blijft hem bespaard. Hij moet echter meedraaien in de administratieve papiermolen. Hij is ambtenaar en dit zint de vrijbuiter niet.

In de negende brief heeft Van Herreweghe het uitvoerig over De dwaling van Jo Claes, “een goed boek warm aanbevolen”. Hij ontdekte het boekje “in een ietwat verloren hoek van een antiquariaat”. Ook hier past het als gegoten in zijn zoektocht naar het ongewone boek, de gekke bibliothecaris en de boeken(on)vriendelijke schepen van Cultuur.
Het hoofdpersonage, de nieuwe bibliothecaris, Samuel Durant wordt geconfronteerd met een tekort aan subsidies, een vervallen gebouw, een kapotte lift, houtwormen in de zolderbanken, met de saaiheid van de bedoening, met zijn klagende medewerkers. Hij raakt ontmoedigd door de grote ontevredenheid van deze laatsten. Hij ergert zich mateloos aan de heersende wanorde in de afdeling Wetenschappen.

Zo (ver)loopt het boek verder tot the end, met enkele positieve klanken (die je bij goed luisteren kunt horen): een aaneenschakeling van tekortkomingen. De bibliotheek is voor Durant “een grafkelder voor doodskisten met lang vergane gedachten”.
Van Herreweghe vertelt schaamteloos de inhoud van deze korte roman na. Waarom? Omdat hij zich spiegelt? Omdat hij zijn frustraties afschrijft? Omdat hij “niet één manuscript aan een uitgever kan slijten”? Omdat hij de openbare dienst herkent, de een tegennatuurlijke werkomgeving?
Van Herreweghe analyseert het boek grondig, - een echte dissectie, - hij duidt invloeden aan en reminiscenties.

De tiende brief ontluistert de titel van het boek. Jan schrijft over bibliomanie met zo’n gedrevenheid (is dit wel gezond?) dat ik soms bang ben eenzelfde pleidooi te moeten aanhoren. Maar wat wil je? De man is bezeten van zichzelf (hij is een boek!), van zijn gelijk (wie veel leest, lijdt aan deze kwaal), van boeken, hij streeft naar een blauwdruk van hoe een bibliotheek moet worden gerund, gesubsidieerd, met liefde omsloten.
Ik kan hem geen ongelijk geven: boeken en bibliotheek zijn immers twee belangrijke pijlers waarop de Mensheid steunt (is gebouwd). Of moet ik schrijven: gestut? Indien deze wankelen, komt onze beschaving in de verdrukking.

Van Herreweghe houdt een verzameling bij van illustraties waarop boeken (uiteraard) een belangrijke rol spelen. Moeten wij hem geloven als hij zegt dat hij niet obsessief bezig is?
Op een bepaalde dag ontdekt hij de afbeelding van het schilderij Der Bücherwurm
van Carl Spitzweg. Hij rijdt met zijn vrouw en dochter speciaal naar Schweinfurt om Der Bücherwurm van heel nabij te bestuderen. Dat zijn dochter van twaalf papa’s fascinatie niet kan snappen, is niet verbazingwekkend. Hoe zou jij een vader noemen die 656 km rijdt om één bepaald schilderij te zien? Ik weet het: een kunstzinnige maniak, een knettergekke letterbek, een bezeten leesbeest, een obsessionele voyeur, een megalomane boekenneuroot, een boekenworm op speed. Jan is mijn vriend (sinds lang, soms van dichtbij, soms iets verder af), bezeten van en gedreven door boeken. Vroeger mocht ik dat niet schrijven. Nu wel?

Wat een mooie titel voor de elfde brief: Boekhandelen in het Vindingrijk.
Dat leescultuur massacultuur is geworden (M. Zeeman), betwijfel ik sterk. Wie leest? Niemand (behalve enkelen). Wie leest boeken? Niemand (behalve één op tien). Wie leest mijn boeken? Iedereen (behalve iedereen). Waar maken wij ons druk om? Kies voor voetbalgekte en coureurs, wees doordeweeks, doodnormaal, reageer je af, word hooligan. Er zijn al seksdelicten genoeg als gevolg van opgekropte en aangekoekte energie.

En toch blijft Van Herreweghe beweren dat boeken “vitaminen van A tot Z zijn”. Hij heeft gelijk. Maar wie wil zijn/haar kritisch vermogen aanscherpen, wie wil zijn/haar fantasie en verbeelding stimuleren? Jan en ik en nog een paar.

Ook deze brief bevat een amalgaam van boekengeschiedenissen. Jan schrijft: “Verder is dit boek een ordinaire uitbreiding van eerder beschreven feiten en gebeurtenissen.” Toch lap ik deze waarschuwing aan mijn laarzen. Lezen is gezond. En wanneer ik op blz. 115 Wilfried Van Craen tegen het lijf loop, ben ik alweer één en al leeszuchtig. De jonge Van Craen werkte jaren geleden mee aan “Boulevard”, het tijdschrift dat ik tien jaar in leven hield om mezelf te bevestigen. Van Craen kent De praktijk van het genieten. Ik ook: ik reis veel, ik schrijf veel, ik lees, ik geef uit, ik zie mijn vrouwtje graag. En nu ik het over haar heb: zij leest bibliotheken uit, vooral verboden boeken, verbrande boeken, ingemetselde boeken, randgevallen, zij speelt bibliotheekske met haar kleinkinderen.

Ik schrijf aan een nieuwe roman (de zevende) die ik zal opdragen aan alle bibliofielen die mijn nieuweling kopen, lezen, aanbevelen, recenseren, zodat ik aan sterven kan denken. Sterven, Jan, maakt een einde aan alle verontrustende bezigheden.

Jan Van Herreweghe schreef alweer een boeiend boek voor ingewijden die lid zijn van de Broederschap der Boekengekken, een gesloten genootschap van zoekenden die van god de boekenvader, god de boekenzoon en god de heilige boekengeest houden en de eeuwigheid nahollen.


Thierry Deleu

Jan van Herreweghe, Het syndroom van Spitzweg (Mijn leven als boekenwurm), De Gebeten Hond, Harelbeke, ISBN: 978-90803997-09

Geen opmerkingen: