Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans

Stichtingsdatum: 1 februari 2007


"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"

"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.

16 oktober 2009






CONFRONTERENDE POËZIE


Open doek/Sluiers van Hannie Rouweler & Joris Iven



Twee dichters in één gedichtenbundel is veeleer uitzonderlijk, maar als je weet dat Joris Iven en Hannie Rouweler partners zijn, kun je Open Doek, Sluiers beschouwen als een uitdaging: is er sprake van twee-eenheid, tweedracht, duel. Een tweegesprek? Dit zal moeten blijken.

Tot mijn verwondering stel ik vast dat het confrontatieconcept veel complexer is: Rouweler draagt tien gedichten op aan tien dichters, Tien dichters Tien werelden: Rense Sinkgraven, Job Degenaar, Joris Iven, Menno Wigman, Noelle Vial, Victor Vroomkoning, Albert Hagenaars, Sujata Bhatt, Knut Ǿdegård en Myriam Diocaretz.

Ook haar Overige gedichten zijn bijna alle gededicaceerd.

Deze werkwijze heeft zo zijn voordelen: enerzijds maak je van de ander jouw inspiratiebron en anderzijds maak je hem/haar - grote kans - gelukkig.

Rouweler schrijft bijna altijd confronterend, zij spiegelt zich, zij zoekt naar herkenning, erkenning, zij put moed uit spiegelbeelden, een gedicht is voor haar een krachtig symbool van voorzicht(igheid) en reflectie. Zij is gebiologeerd door de diversiteit van twee-eenheid: ik en de ander. Zij gaat de rechtstreekse aanblik uit de weg. Zij wil zelfkennis en zelfreflectie alleen beleven in (on)eenheid met de ander.

Wat daarbij echter hét belangrijkste is (voor de lezer): zij schrijft mooie poëzie, zij heeft plasticiteit in de vingers (zij schildert), zij maakt poëtische foto’s, met andere woorden: zij voegt aan het gedicht een extra dimensie toe.

Wat ziet zij in de spiegel en hoe verwerkt zij wat ze ziet? Dit is de centrale vraag. Dit is mijn zoektocht.

De taal staat vaak dronken voor de deur (“Het spinnen van de kat”, p. 11), Ieder zoekt zijn schuilplaats, Eens was ik een vreemdeling (“Al die havens”, p.13), De tijd gaf je woorden/en de taal had geduld (“Vluchten”, p.14), Jeugdzonden zijn/een vorm van binnenbrand (“Zwart als kaviaar”, p. 16), Ik werd een geliefde in taal en moeilijke woorden, ik joeg in jou/de muze op de vlucht (p.20): voorbeelden van taalgevoelig en doordrongen dichterschap. Echter ook van de queeste die de dichter in beweging houdt, de zoektocht naar het ultieme geluk.

Het gedicht “Het derde oog” voor Albert Hagenaars vind ik een van de mooiste uit de bundel.


Jager en prooi liggen naast elkaar,
als de afstand kleiner wordt.

Achter het hekken van de taal breekt het dier los
op zoek naar een heldere bron.
Alles keert terug naar begin en liefde. Alleen de liefde
brengt verlossing.

p. 23

Ook het tweede gedicht aan Hagenaars, “Amechtige ametrie” (in Overige gedichten, p.38 - wat een ordinaire titel voor schoonheid) boeit mij, grijpt mij in één omarmende beweging, tot die eerste schreeuw.

Waarom toch altijd dat hijgen
dat zoete hijgen in gedichten,
lieve dichter, als u de taal
haar eigen adem geeft
in de borst
of nabij het hart
...
Ach dan, dichtertje lief,
dan is het nog vroeg genoeg
om vlugger te gaan, gejaagd


p. 38

Rouweler schrijft de triptiek “Vrouw” (bij foto’s van Willy Vanheers), waarvan ik de raadselachtige combinatie onthoud tussen droom en water, vrucht en aarde, zondeval en paradijs enerzijds en tussen “Vrouw I”, “Vrouw II”, “Vrouw III” anderzijds.

ze is al verdwenen in de spiegel
die herinnering heet
met haar volle rode mond
donkere ogen

Vrouw I

ze zal er altijd zijn
ook al leeft ze verborgen
in een tuin

Vrouw II

in haar open blik

geen twijfels
wraak kent ze niet

in betraande ogen

ligt de waarheid: verlies,
de leugen van de slang,
het paradijs zonder engelen,
vleugellam aanbidt ze de man.

Vrouw III
p. 56-57

Wat mij hier opvalt, is de complexiteit van de vrouw (van de dichter?): flirtziek, behaagziek, sceptisch, terughoudend koel, adoratie, deze aspecten van vrouwelijkheid overheersen haar poëzie in Open doek/Sluiers.
Deze analyse sluit perfect aan bij het sterke symbool van de spiegel die zij kwistig raadpleegt in de kamer van bezinning.

Een gedicht zonder verbeelding en leugens/tussen de regels Is niets, een lege huls (p. 40) lees ik graag, het sterkt mij in de bevrijdende gedachte dat zij ons een mix serveert van zichzelf, van degene die ze in de spiegel ziet en van de seksegenote die zij aan haar opdringt of haar afdreigt.

Hannie Rouweler schrijft intimistische poëzie die zij omfloerst door stevige streken (als een schilder die zich achter zijn doek verbergt). Zij weet dat woorden alleen tekort schieten. Dus gebruikt ze de natuur enerzijds en lotgenoten (familie, vrienden, kunstenaars) anderzijds om haar wereld begrijpelijker te maken voor wie met haar leeft en verkeert.

Daarom is zij de archivaris van haar heden en verleden. Ze meert aan, kijkt, schrijft en trekt verder. Zij wil als een poëtische fotograaf heel wat vereeuwigen: tegen het vergeten maakte ik een foto. Vaak zijn het visuele prikkels die haar tot poëzie bewegen. Sterk zintuiglijke gedichten.

Ook Joris Iven probeert orde op zaken te stellen, vat te hebben op het verleden en zich zo sterk te maken voor de toekomst. Hij doet dit behoedzaam. Hij zoekt naar wat vergeten is en naar wat rest. De twijfel is echter nooit ver weg.
Is dit de twee-eenheid, de dialoog met Hannie Rouweler? Is dit vergeten enerzijds en het zich herinneren anderzijds het gezamenlijke thema of moet ik schrijven de missie? Ik vermoed het. Sterk.
Of gaat het hier in hoofdzaak over hun ontmoeting, hun deelachtigheid, hun opstoten van passie en afstandelijkheid? Herinneringen waarin ze elkaar niet kennen? Beiden hebben een leven verleden, twee levens, twee koffers herinneringen aan personen, aan plaatsen en situaties. Vonden zij dit alles te smal voor een bundel en kozen zij voor het confrontatiemodel, het verbaal duel, het tweegevecht, met als werktuigen de spiegel, het fotoapparaat, de (poëtische en plastische) ervaring van anderen?

Misschien heb ik een vrouw gezien schrijft Iven, maar hij voegt er enigmatisch aan toe: Ik weet dat ook de Poëzie een vrouw is. De cyclus “Open doek, een vrouw” (drie gedichten bij schilderijen van Fernand Khnopff) is een ode aan de Vrouw, - ik vermoed dé vrouw van zijn leven, - : En ik hou van je/gebeeldhouwde hoofd, je rechte neus, je zware vierkante kin./Ik hou van je onzichtbare ogen. De dichter is een erfdeel van overledenen die wij nooit kenden. De dichter pint de schoonheid en pijn, herinnering en vergetelheid vast.

Joris Iven schrijft lucide pareltjes. Eerlijke, toegankelijke, prozaïsche gedichten die zich niet in een vakje laten duwen. Hij weet een brug te slaan tussen scholen en bewegingen. Toch is hij een beetje meer een neoromantische dichter, zonder pathetiek.

In God danst nooit zijn de gedichten als bouwstukjes (de dichter noemt ze “voordrachten”), lessen in leven en geleefd worden, in overtuiging en tolerantie, in rede en gevoel, in passie en koelte. Iven schrijft (vooral) prozaïsch, gedreven door het verlangen eens het adequate woord te vinden dat het ware karakter van de werkelijkheid ontsluit.


Ik durf er niet aan te denken,
als ik al zie hoe onze moeders huilen
om de pijn die wij onszelf veinzen.

p. 84


Met het bezinksel van al die jaren
moet het mogelijk zijn
bij het leven een nawoord te schrijven.

p. 87


Ik heb geluisterd
naar het gefluister van God.
Ik heb niets gehoord.

p. 88

Ik kreeg een blijer gevoel toen ik aan de cyclus Lijf & Leden kon beginnen. De poëzie had haar “lijf & leden” terug en die zijn transparant, broos, etherisch, lichtvoetig. Wat een mooie dichttaal, - licht en praterig, - om te zeggen dat de dichter verliefd is en ervoor gaat:

De vleugels slaan mijn ogen uit,
terwijl ik naar dit lichaam kijk.

p. 94


In de kom van mijn hand
trilt een plasje geluk -
ik speel ermee.

p. 95


Ik heb alles aan
de kant gezet, wonden geheeld.

Voor een eindeloze pas-de-deux.

p. 96

Door dingen onder woorden te brengen, komen beide dichters tot dan verholen dimensies van hun bestaan. Daar is vaardigheid voor nodig; beiden beschikken erover. Zij confronteren ons met de kracht van woorden. Deze woorden (die van hen) hebben met het symbool “spiegel” gemeen dat ze tegelijk plaats van aanwezigheid en afwezigheid zijn.

Wie een mooi relaas wil lezen van het subtiele vastleggen van realiteit en verleden door twee dichters met een uitgesproken eigen poëtica, moet zich Open Doek/Sluiers aanschaffen.



Thierry Deleu
Open doek, sluiers, gedichten van Joris Iven & Hannie Rouweler
Demer Uitgeverij, 2009, ISBN 978-1-4092-9717-8
Verkrijgbaar als download & paperback.
Info: http://www.lulu.com/

Geen opmerkingen: