Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans

Stichtingsdatum: 1 februari 2007


"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"

"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.

10 september 2009

Eerbetoon aan Bérénice, klasgenote K.A. Kortrijk 1956-1957 (in dezelfde klas: Greta Deborger, haar vriendin)

Krantenarchief Trouw
19 maart 1992
HANNEKE WIJGH
PAUL DE WISPELAERE, HET VERKOOLDE ALFABET

Paul de Wispelaere, Het verkoolde alfabet. PriveDomein nr. 179, uitg. De Arbeiderspers, Amsterdam, 299 blz. 45.

Fragment: "... Het is alsof je oude bekenden ontmoet. Want alles en iedereen is onder de eigen naam aanwezig in Het verkoolde alfabet, het dagboek dat Paul de Wispelaere bijhield van oktober 1990 tot en met september 1991. De schrijver, de katten, maar vooral ook Ilse, zijn grote liefde, met wie hij 'het laatste hoofdstuk van mijn leven' deelt.
Hoewel Het verkoolde alfabet wordt gepresenteerd als een dagboek, is het vooral een weemoedige terugblik op een rijk en emotioneel leven. Alle thema's uit zijn romans en essays komen opnieuw aan de orde, maar onverhulder, alsof geen enkele waarheid hem meer kan tegenhouden. In een adembenemende stijl schrijft Paul de Wispelaere over de teloorgang van het paradijs uit zijn kinderjaren, zijn herinneringen aan de vroeg gestorven Bérénice, zijn ontmoeting met Ilse, maar ook over zijn angst voor de dood en het lichamelijk verval. 'Het enige wat helpt om niet desperaat te worden is het opdelven van herinneringen.'
... Als schrijver van autobiografische romans is De Wispelaere zich bewust van dit gevaar, zoals ook blijkt uit een prachtig beschreven scene waarin Ilse hem verwijt dat hij 'een bloedzuiger is en een menseneter'.
... Hoe ver kun je gaan? '... Al gaat Het verkoolde alfabet over mijn eigen leven, er zijn ook anderen bij betrokken. Bij het schrijven heb ik met dat dilemma rekening gehouden, voor zover mogelijk. Want literatuur gehoorzaamt ook aan eigen wetmatigheden. Zodra je een regel op papier zet, gaat het verhaal een eigen leven leiden. Literatuur is altijd dubbelzinnig. Om de werkelijkheid uit te drukken moet je de waarheid soms liegen.'
... In het dagboek zegt Ilse: 'De wereld die jij beschrijft, is volstrekt verleden tijd. Heb je er heimwee naar?' De schrijver antwoordt haar 'dat heimwee in praktische zin geen nut heeft, maar niettemin bestaat.' Een paar regels verderop zegt hij bijna berustend: 'De herinnering is het domein waar het voorbije als voorbij, het verlorene als verloren en het onbereikbare als onbereikbaar moeten worden bewaard.'
... 'De herinnering is een vorm van verbeelding. Hoe groter de afstand, hoe autonomer de verbeelding. Maar de herinnering hoeft nog niet altijd waar te zijn.'
Die hang naar het verleden is in Het verkoolde alfabet ruimschoots aanwezig. Met veel gevoel voor detail roept De Wispelaere nog eenmaal het verloren paradijs uit zijn kinderjaren in de herinnering terug. ...

... Het lijkt erop dat De Wispelaere zijn grote liefdes voor de slijtageslag van het bestaan wil behoeden door ze op te nemen in de warme, mythische schoot van de literatuur. In die zin worden ze allen afsplitsingen van Bérénice, de eeuwige geliefde die hij maar kort heeft gekend en die na haar snelle dood een ‘symbolisch beeld’ wordt dat zijn innerlijk leven beheerst. Het is typisch dat het ‘vormvaste, onsterfelijke meisje’ Bérénice in Mijn huis is nergens meer (1982) de gestalte krijgt van Barbara, maar vooral van Brigitte, wier vader hij wellicht is. De Wispelaere máákt de meisjes ‘waaruit de tijd gebannen is’. Bérénice is nog maar een naam, ‘die slechts gestalte krijgt op een wit vel papier’.
... De hoofdfiguur richt zich aan het slot van zijn dagboek dankbaar tot Ilse: ‘Voor de eerste keer is uit mijn boeken boeiend leven ontstaan in de concrete zintuiglijke en geestelijke sfeer van alledag, en dat vruchtbare evenwicht heb jij tot stand gebracht, vitaal als niemand tevoren.’


Wandtapijten van de dood
KEES FENS
Gepubliceerd op 11 december 1998
bijgewerkt op 16 januari 2009

Het geluk van het door de dichter gegeven beeld beleefde ik deze week. Het betreft het vierde vers van Twaalf Grafgedichten voor Kira van Kasteel van Christine D'haen:

Gelijk een wandtapijt, gewerkt uit wol en zijde,
ontworpen om Pomona's eeuwig fruit
vol donkergroen en rood in korven uit te spreiden,
in bosschen, park en wei, getorst door zware vrouwen
weemoedig bij dien overvloedigen buit,
geleek het leven u, zoolang gij 't mocht aanschouwen.

Pomona is de Romeinse godin van de boomvruchten, waarmee de appel, in het Italiaans en Frans althans, van goddelijke oorsprong blijkt. Dat leidt tot een bijna bijbelse gedachte. Het is, ook door die verwijzing naar Pomona, een bijna renaissancistisch vers, niet het minst door de overvloed aan taal. Door de oude spelling lijkt het eerder een overgeleverde dan een nu geschreven tekst. Het leven wordt vergeleken met een wandtapijt waarop zeer veel aan vruchtbaarheid te zien is. Wandtapijten zijn altijd overvloedig.
Meer dan een schilderij is een wandtapijt een kunstwerk, vaak niet vrij van natuurlijke kunstmatigheid.
'Wandtapijten' - het leek me een goed beeld voor veel gedichten van Christine D'haen. Om de stijl, om de inhoud, om de taal van hogere kunstmatigheid. In de geciteerde strofe wordt het wereldbeeld van de overledene in een grote vergelijking gegeven, die ver weg reikt in de cultuur. De gestorvene wordt daarmee opgenomen in een groot verband; de strofe is op die manier persoonlijk en onpersoonlijk tegelijk. Voor de stijl geldt hetzelfde: er is hier geen persoonlijke expressie, maar verbeelding in bijna wapperende oude taal. Poëzie schrijven is schrijven in de traditie en dat is meer dan de literaire traditie. Een goed voorbeeld is het volgende gedicht:

De rouwstoet voor de vorsten draagt, met trommen,
met rouwfloers, paarden, toortsen, d'overleden
hertog naar 't marmeren graf, omringd door drommen
schreiers in zwart gewaad, die langzaam treden.
Marcia funèbre's voor gestorven krijgers,
tropheeën boven zerken: helm, zwaard, sporen
der helden, doen voor vijanden, benijders
den doode oprijzen en zijn krijgsroem gloren.
Gij, geen gravin die onder uw gisante
gestrekt ligt, spelend weggerukt, met beide
kinderen in de armen toen de dood u scheidde,
hoort liturgie in 't hart van uw verwanten.


('Gisant' is een ligbeeld, de op de tombe uitgestrekte figuur van de overledene.) Het gedicht lijkt zelf even een 'marche funèbre', een beeldenstoet in dit geval; de opgeroepen verre vorstelijke wereld, inclusief het grafbeeld, maakt de herdachte dode groot: in de verbeelding wordt zij zichtbaar. Ook dit grafdicht is persoonlijk en onpersoonlijk tegelijk en bijna barokvol aan beelden. Maar misschien is toch het belangrijkste dat de dood, die algemeen is, hier in het grafmonument dat dit gedicht is, ook van alle tijden blijkt. Maar het monument is tegelijk een persoonlijke eerbetuiging voor de dode.
De twaalf Grafgedichten voor Kira van Kasteel staan in de bundel Onyx uit 1983. Ze zijn met alle andere grafgedichten van Christine D'haen bijeengebracht in de bundel Bérénice, die de ondertitel heeft: Vier-en-twintig neniën (van het Latijnse 'nenia', dat 'lijkzang' betekent). De naam uit de titel komt uit "Grafschrift voor Bérénice". In dit gedicht wordt de hogere kunstmatigheid misschien wel in haar uiterste vorm bedreven. Het gedicht heeft een Latijns motto (van Catullus): 'Estne novis nuptis odio Venus', in de vertaling van Paul Claes bondig:
'Haten bruiden de liefde?' Dit zijn de eerste twee strofen:

Des Januarius dezes jaars primipare eerstgeboren doode,
in 't kraambed barend door de keizersnede
Francesca Philippé, parend alzoo doodstrijd aan barens nood;
teer-trotsche haren werden eeuwen geleden
als sterrenregen aan de trans geregen tusschen Maagd en Leeuw;
al 't andere nu begraven in de sneeuw.


Het grootste deel van de eerste regel lijkt gevonden op een oude zerk ('primipare' wordt gezegd van een vrouw die voor het eerst baart). De jonge vrouw sterft in het kraambed. In de tweede strofe wordt zij verheven en vereeuwigd door verwijzing naar het sterrenbeeld 'Haar van Bérénice', tussen Maagd en Leeuw.
Op de laatst geciteerde regel volgt een werkelijk indrukwekkende verbeelding van een ondergesneeuwde en bevroren wereld. In het wit is de hele aarde zwart van rouw. Het gaat niet om de impressie, maar om betekenisgeving. Maar vooral toch om eerbetoon aan de grootte van de dode. Funerair is honorair.
In de lijkklachten uit later jaren neemt de eenvoud toe. De tombetekst met monument samen (in die tekst opgeroepen) wordt een geschreven herinnering, verheven, maar daagser. Het wandtapijt maakt plaats voor een kleine ets. Ik verkies de pronkzucht van de oudere gedichten.
De bundel verscheen als eerste uitgave van de uitgeverij Brokaat in Deventer. Het is een bijna symbolische naam bij de publicatie van zoveel verfijnd handwerk met de geest.

Geen opmerkingen: