Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans

Stichtingsdatum: 1 februari 2007


"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"

"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.

28 februari 2011


Leontine


Baasmaker opboeiertje
lachebekje waterval
wijsneus eigenwilletje
alledagendrukmeisje

oproerkraaiertje meisje
“Grijpgraag” en meisje “Goedlach”
aandachttrekkertje stresskonijn
brabbeltrien loopmachien

ontdekkingsreiziger
verdwijntrucmeisje kladderpot
kruidje-roer-mij-niet flexi
rommelmiet opa’s favoriet.

Opa
jouw beeltenis


hoe krijg ik het gezegd:
ik wrijf mijn woorden
aan je beeld om ze
glanzend te polijsten:
je huid is niet van steen

en toch als je door te spreken
woorden kan bevuilen
dan worden ze toch mooier
als het over jouw schoonheid gaat

zal ik gewagen van je wangen
hoe dit opbolden van je glimlach
zal ik het natekenen: jouw schaduwbeeld
toen het in een deurlijst stond
met achter jou zonlicht op het water

hoe zal ik mijn woorden slijpen
wanneer ze alleen aan zachtheid
raken: je borsten die als vruchten
lagen in een feestelijk mandje

dit spreken moet een bijna zwijgen
zijn zoals een adem op glas beslaat
ik kan mijn oog niet scherper krijgen
wanneer je beeltenis voor me staat

Staf De Wilde

24 februari 2011

Poëzieprijs Gedichtendag 2011 bibliotheek Laken (zie vorig bericht).



nachtzijde (verloren eldorado)


zo zeker als zij was
dat het voor eeuwig
en voor altijd zo zou
blijven duren, die zinnelijk
passioneel ontkiemde zaden,
totdat het herfstig werd en
uren steeds maar langer leken
als rafelende draden,

daar waar zij zingend
door de zomers van
hun liefde zoefde,
zo zat ze nu van
langsom meer alleen
in haar fauteuil geploft,
de webben van hun
passie geeneens meer
afgestoft, achter de
ijsberijpte ramen
en onder dikke lagen
sneeuw bedolven,
de scherven van hun
illuster leven samen,
in stille winterdood
gestorven


Tine Hertmans
Over en weer / De part et d’autre

Marleen de Crée, Marc Dugardin, Goedele Peeters, Stefaan van den Bremt
&
cultuurcentrum 30CC en Uitgeverij P


Wij nodigen u en uw vrienden uit

op de voorstelling van dit tweetalig
met grafiek geïllustreerd boekproject.

Tevens opening van de tentoonstelling van grafisch werk van Goedele Peeters.

Zaterdag 12 maart 2011 te 15 uur

30CC Romaanse Poort
Brusselsestraat 63
3000 Leuven

Programma
* Denise Vandevoort, schepen van cultuur, verwelkomt.
* Stefaan van den Bremt leidt de bundel en de tentoonstelling in.
* Marleen de Crée en Marc Dugardin lezen uit Over en weer / De part et d’autre.
* Uitgever Leo Peeraer overhandigt de eerste exemplaren.
* Aansluitend wordt er een receptie aangeboden.

Iedereen is van harte welkom!

Gelieve uw aanwezigheid en/of bestelling te melden aan uitgeverij P via email:

- U kunt de dichtbundel (12 gravures in 4 kleuren) bestellen aan voorintekenprijs van 20,00 euro (vanaf 17 maart: 22,50 euro) via overschrijving op rek. nr. IBAN BE08 4310 5290 8113 van uitgeverij P.
- U kunt dezelfde dichtbundel bestellen samen met een originele houtsnede van Goedele Peeters
aan voorintekenprijs van 60 euro (vanaf 17maart: 75 euro) via overschrijving op rek. nr. IBAN BE08 4310 5290 8113 van uitgeverij P.

Vermeld of u de bundel
- ophaalt bij de voorstelling
- thuis wenst te ontvangen (verzendkosten per exemplaar 3 euro)
Suzanne Binnemans en Ferre Denis lezen voor uit hun werk

Suzanne Binnemans schrijft romans,
Ferre Denis haiku’s.

Beide auteurs worden voorgesteld en ingeleid door dichter/recensent
Guy van Hoof

Waar?
Boekhandel LiberMundi
Berlarij 90, 2500 Lier

Wanneer?
zaterdag 19 maart 2011 om 15 uur

Een initiatief van LiberMundi, VVLvzw en H-k A vzw.
Inkom vrij en gratis

Neem alvast een kijkje op:
Rotterdam vertrekt
André van der Veeke
uitgever: De Contrabas, 2010
ISBN 978 90 79432 34 9

Rotterdam vertrekt, na Het sacrament van de Sneeuw (1992), Reizigers voor alle richtingen (2004) en Moerasbeest Verdriet (2006), is de vierde gedichtenbundel van André van der Veeke. Een mooie, netjes door De Contrabas uitgegeven bundel met twee afdelingen: "Rotterdam vertrekt", een reeks van vijftien gedichten, en een "Onwennig tandengeknars" met zesendertig gedichten. Het zijn vlot, misschien zelfs prettig leesbare gedichten, die nergens afstoten, nergens doen fronsen, maar die ook nergens tegen je zin in grijpen en meesleuren. Dat is geen kritiek, maar slechts de constatering dat het wat ingetogen gedichten zijn, waarin de dichter wat onwennig lijkt rond te drentelen en waarvoor je je als lezer moet willen openstellen. Als je dat eenmaal hebt gedaan zie je dat het mooie, beheerste gedichten zijn, vertrekpunt voor verwondering, peinzen. Bijvoorbeeld het vijftiende, het laatste gedicht van Rotterdam vertrekt, het gedicht waar de bundel zijn titel aan ontleend:

Onze stemmen zwerven hol door het huis
Hortend en stotend trekt de kou
door lege kamers


Buiten concentreer ik me
op mijn voetstappen in de sneeuw
En op de stijfheid van de dag

Een schelle wind blaast ons vooruit
Op weg naar het station
probeer ik nog altijd te ontsnappen

Maar als de bevroren trein
met ons afbuigt zie ik Rotterdam vertrekken
Stipjes in de verte worden wij

Was in Reizigers voor alle richtingen nog de dichter degene die al dan niet in beweging was, die eerst achterbleef en uiteindelijk toch ook vertrok, nu lijkt de dichter stil en onbeweeglijk in zichzelf te zijn en is het de wereld die beweegt, verder gaat naar einders waar de dichter niet meer kan volgen.

Dat is ook het begin van het "Onwennige Tandengeknars", de titel van de tweede afdeling die op grond van het volume ook als de titel van de bundel zou verwachten, temeer omdat het begin het tandenknarsen verbindt, gelijkstelt met de poëzie: uit het titelgedicht “de zandhoop in de verte/ is voor de dichter”, en “De poëzie grijpt in” met “deze dienstplichtige van de poëzie”, en de oude dichter Jan Eijkelboom, en “Herfstdichters” en Jan Hanlo, uitlopend in korte observaties vol weemoed.

SCHERPTE

Het gezicht in de spiegel is van jou
Het staart je aan maar je kijkt niet terug
Zo maak je jezelf onzichtbaar
Zo scherp je je blik

Als lezer kun je er voor kiezen je blik aan deze gedichten te scherpen. Maar als je daar voor kiest, kost het inspanning om je gescherpte blik weer wat minder scherp te krijgen.

Paul van Leeuwenkamp

23 februari 2011

oud-leraar



weemoed om wat nooit zal wederkeren
de tijd heeft je afgesneden zoals
een uitgebloeide tak

troost is met recht beweren: ik heb
mijn seizoen gehad, vlinders,
bijen hebben mijn bloesem bezocht,
ze hebben stuifmeel meegedragen

en verder in een afgelegen veld
zal een volgend jaar een deel
ontluiken langs wegen waar
een wandelaar gaat, een eenzame
die een ogenblik zijn eenzaamheid
zal voelen als een zoete last

neen, niet op een rots, niet tussen
de bramen, niet in een wildernis
bezonk het zaad van moede woorden

het daalde naar een milde bodem
en zie: in het seizoen van weelde
wiegen de weiden, de bermen
met hun schermen van welig kruid

je bent een man van woorden,
een papieren tijger, zo wordt gezegd;
je hebt soms greep op lettergrepen,
het voorbijgaan stroomt geweldig
als een bergrivier door je gesperde hand

je zal nu vrede nemen met een moment
van dankbaar memoreren: niet veel
heb je volbracht, maar toch een weinig
dat in terloopse gesprekken voort zal leven

daarna het zwijgen van weemoedig
overpeinzen: hij was een man van woorden,
hij heeft de schone woorden liefgehad

geen steen heb je verlegd, je hebt
alleen de stenen aangewezen:
de stapstenen waar men oversteekt,
de keien waar men uit zal glijden

de twijg is afgesneden, de heester
zal in milde tijden overleven

Staf De Wilde

22 februari 2011

Poëziewedstrijd: de winnaars!


In januari organiseerde de Stedelijke Openbare Bibliotheek ter ere van Gedichtendag op 27/01 een poëziewedstrijd met als thema De Nacht. Het deed ons veel plezier te zien hoeveel reacties en inzendingen we op deze wedstrijd kregen, en na uitvoerig beraad heeft onze deskundige jury uit de vele gedichten drie winnaars gekozen. Zij ontvangen elk een boekenbon ter waarde van 20 euro en ik stel ze hier dan ook graag aan jullie voor:

Tine Hertmans - nachtzijde (verloren eldorado)
De jury was meteen weg van Tine Hertmans’ "nachtzijde (verloren eldorado)" vanwege de rijke beeldspraak: metaforen als uren […] als rafelende draden en de webben van hun / passie geeneens meer / afgestoft brengen het gedicht naar een hoger niveau. Deze beelden zorgen er bovendien voor dat het gedicht bijna synesthetisch werd: sommige woorden prikkelen de geur- en zelfs de tastzin. Ook technisch vond de jury dit een sterk werk. Het kabbelende, gelijkmatige ritme, versterkt door de vele alliteraties, doet denken aan een droevige melodie.

Sabine Luypaert - Nacht
"Nacht" van Sabine Luypaert viel op door de grote diepgang van elke versregel; het vergt meerdere lezingen om ergens greep te krijgen op de woorden. Het thema van de wedstrijd De Nacht werd op een heel persoonlijke en indrukwekkende manier ingevuld; de rijke zinnen deden de jury echt de zwaarte van de nacht beseffen. Ook het contrast tussen dag en nacht werd door de opvallende woordkeuze versterkt: de Dag als tijd van leven tegenover de Nacht als tijd van denken. Eén jurylid moest bij het lezen sterk denken aan het indrukwekkend oeuvre van de dichter Leonard Nolens.

Melissa Bouchbouk - De donkre nacht!
Uit de vele inzendingen door kinderen sprong het gedicht "De Donkre nacht!" van Melissa Bouchbouk naar voren door haar tragische, doch beheerste droefenis. De slotzinnen De dag gaat te vlug. / dag de laatste nacht! weerklonken bij één van de juryleden als een echo van Van Ostaijen. En de tekening die het gedicht vergezelt is - ondanks de felle kleuren en rake lijnen - vervuld van eenzelfde mysterie als hetgene dat de tekst oproept.

Wie de gedichten van alle deelnemers graag wilt lezen, kan nog enkele weken terecht in de bibliotheek; alle ingezonden gedichten hebben we immers in de bibliotheek tentoongesteld.

Heel hartelijk bedankt aan alle deelnemers, en een dikke proficiat aan de drie winnaars!
LES ENFANTS FONT TOUJOURS LEUR POSSIBLE !
UNE NOUVELLE APPROCHE DE LA PEDAGOGIE DE L’ENFANT DIFFICILE.


J’ai vu à la télé un documentaire sur une institution psychiatrique suisse qui abritait, outre les schizophrènes et maniaques dépressifs de toujours, des patients aux étiquettes fraîchement peintes, tels l’autisme, borderline, etc. Il était frappant que, malgré ces diagnoses affinées variées, la thérapie administrée par les éducateurs bienveillants du centre se limitait au thème sécuritaire, protéger la société et surtout les patients contre eux-mêmes . Ce qui se traduisait par de longs séjours dans leur chambre et, en cas d’attitudes violentes, dans l’isoloir, mais surtout, pour éviter cette dernière situation, une chaîne interminable de médications qui me ferait définir le centre comme un énorme entrepôt de pilules.

Les dernières années la nouvelle nomenclature psycho-pathologique s’est aussi installée dans le monde quotidien des écoles et des familles. Aujourd’hui les enfants qui ont certains problèmes scolaires ne sont plus qualifiés de difficiles ou ayant des difficultés avec certains aspects de l’apprentissage, mais arborent des qualificatifs cryptiques comme ADHD, ODD ou Asperger et avalent des psycho-pharmaceutiques afin de les maintenir tranquilles et - dans le meilleur des cas - momentanément concentrés.

Loin du pédagogue que j’ai été et suis encore, de nier que certains enfants ont de véritables difficultés de concentration et d’adaptation, en particulier à l’intérieur d’un système scolaire de plus en plus exigeant, mais le problème de ces diagnoses bien sonnantes, c’est qu’elles se limitent dans la majorité des cas à coller une étiquette sur l’enfant en question et les étiquettes, ça aide à ranger son monde - souvent dans le placard de la bonne conscience des éducateurs - mais ne donnent pas des explications sur les causes et moins encore des solutions durables pour les comportements problématiques qu’ils désignent.

A contre-courant de cette tendance que je crois souvent néfaste, il y a heureusement aussi des nouvelles approches qui me semblent réellement éclairer notre compréhension des jeunes et des enfants en difficulté à l’âge scolaire. Je viens de lire un livre extraordinaire à ce sujet, d’un prof de psycho de Harvard, Ross W. Greene, intitulé « The explosive child ». Le titre déjà m’a fait dresser l’oreille. Il ne contient pas d’étiquetage savant, mais seulement une description du problème évoqué : un enfant explosif, un enfant donc qui, dans des situations qui le frustrent entre en une colère qu’il ne peut réprimer. Une description qui vaut aussi bien pour des cas extrêmes que pour des comportements observables chez tout un chacun de nos enfants.

Le problème exposé me semble en plus extensible à grand nombre des difficultés caractérielles ou émotives que l’on peut constater auprès des enfants en âge scolaire. Qu’est-ce un enfant explosif, sinon un enfant qui souffre. Il est conscient de son comportement et des dommages qu’il cause, tant sur lui-même que dans son entourage immédiat. Il se rend compte que sa façon d’agir peut lui faire perdre la sympathie de ses professeurs et camarades, et exaspère ses parents. Les stratégies classiques, lui faire la leçon, le nier, le punir ou récompenser, ne marchent pas. Que faire ?

Dr. Greene commence par une définition des causes principales du comportement des enfants explosifs: le manque de flexibilité et de tolérance à la frustration. En fait des compétences indispensables pour pouvoir s’adapter à la vie sociale. La caractéristique principale des compétences, qu’elles soient linguistiques, techniques, logico-abstraites ou sociales et affectives, est qu’elles s’acquièrent par l’apprentissage et se développent par l’entraînement. Il précise encore que les explosions violentes des enfants qui le préoccupent, ne sont pas voulues, pas faites exprès donc, et énonce un merveilleux principe, que tous les pédagogues devraient adopter : « les enfants font toujours leur possible » et s’ils n’agissent pas comme il le faudrait, c’est qu’ils ne le peuvent pas.

Résumons : le comportement explosif est un comportement non adaptif qui apparaît lorsque l’enfant n’a pas la capacité de réagir de la manière qu’on attend de lui. C’est un trouble de l’apprentissage et les stratégies disciplinaires qui régissent en général notre système éducatif, nuancées par des sanctions tant positives que négatives, n’enseignent pas la flexibilité, ni aux enfants concernés ( ni non plus d’ailleurs aux éducateurs qui les appliquent). Ils leur apprennent seulement que leur comportement n’est pas acceptable. Mais ça ces enfants le savent déjà. Le problème réside en ce que l’enfant ne s’amende pas, parce qu’il ne le peut pas et il ne le peut pas parce que les compétences nécessaires pour le faire lui font défaut. Les explications classiques qui culpabilisent les parents, mettent en évidence un manque de motivation présumé ou réduisent le comportement à une manière d’attirer l’attention, n’apportent rien à la situation de cet enfant qui a tant des difficultés à gérer ses frustrations et réagit de façon inadéquate aux exigences du monde qui l’entoure.

L’alternative pour Greene c’est une approche qu’il appelle Collaborating Problem Solving (CPS), laquelle implique la collaboration active des parents, des éducateurs et bien sûr aussi - et surtout -des enfants concernés. La méthode part de la constatation que les explosions sont prévisibles et par conséquent évitables de manière proactive. Il introduit la notion de détonateur. Il s’agit en un premier moment de bien observer les situations qui servent de détonateur aux explosions. Quelles sont les situations où l’enfant manifeste sa frustration ? En général des instants de passage : se lever le matin et s’apprêter pour aller à l’école, les devoirs et les tests ou examens à préparer, abandonner un jeu pur aller à table, etc. Lorsque, au cours du conflit qui apparaît à l’occasion de ces situations, l’enfant explose, on note souvent que celui-ci se trouve dans un état de vide total. Ce qui se vérifie lorsque, calmé, on lui demande pourquoi il a agi ainsi, et que sa réponse est d’ordinaire « je sais pas » ou « laisse-moi ». Ce qui révèle aussi déjà une des compétences qui lui font défaut. Car si l’enfant agit ainsi, c’est qu’il ne possède pas (encore) les compétences nécessaires pour agir autrement.

Quelles sont ces compétences ? Tout d’abord des compétences « exécutives » tels le passage efficace à une nouvelle situation, apprendre à s’organiser et planifier et la réflexion détachée des émotions , compétences qui impliquent toutes la maîtrise des impulsions et des négations réflexives (dire « non » automatiquement à tout changement). Ensuite il y a les compétences linguistiques qui concernent l’acquisition d’un vocabulaire adéquat pour catégoriser et exprimer des émotions (au lieu des « merde », des « je te hais » ou « fous-moi la paix » habituels). Il y a la compétence qui concerne la régulation émotionnelle qui permet de voir les causes des sentiments négatifs et permet de dominer les angoisses, la flexibilité cognitive qui concerne la gestion de situations confuses et apprend à s’adapter à des situations qui ne correspondent pas à l’attente de l’enfant. Il y a enfin les compétences sociales qui concernent la perception de signaux sociaux et leur interprétation correcte et qui permettent également de calculer l’effet de son propre comportement sur les autres.

Reste la méthode. Greene part de l’existence de trois approches, qu’il intitule les plans A, C et B. Le plan A c’est l’adulte qui impose sa volonté à l’enfant. Il contient un risque majeur d’explosion. Le plan C laisse tomber ce qu’on attend de l’enfant pour quelque temps, une approche qui évite l’explosion, mais doit être utilisée de manière proactive (jamais après avoir appliqué le plan A auparavant), sinon il s’agit d’une défaite de l’adulte qui abandonne de fait la partie. Et puis il y a le plan B qui correspond à la solution des problèmes en collaboration (CPS). Celui-ci doit s’effectuer en un moment de calme, jamais à l’instant de l’explosion. L’adulte induit progressivement l’enfant à réfléchir de façon proactive en suivant pour cela trois pas. Le premier est l’empathie. L’adulte est à l’écoute de l’enfant et lui laisse exprimer son problème, ce qui a un effet tranquillisant. Puis l’étape de la définition où, après que l’enfant a exprimé sa préoccupation, l’adulte en fait de même. En d’autres termes, deux points de vue sont ici confrontés dans un climat de confiance. Le troisième pas est l’invitation à une conciliation entre les deux points de vue et les préoccupations qui s’y attachent. Il est important que l’enfant donne en premier sa solution, après quoi l’adulte y ajoute la sienne ou nuance celle de l’enfant avec ses réflexions. Pour que la solution adoptée soit durable il faut qu’elle soit réaliste et satisfaisante pour les deux parties. Le succès total de cette approche demande du temps, parce qu’elle implique le développement de compétences multiples, telles qu’elles ont été formulées ci-dessus. L’enfant, mais aussi l’adulte, doivent apprendre à formuler leur problème, à avoir suffisamment le sens des nuances pour pouvoir céder partiellement. Bref les deux doivent acquérir la compétence de la flexibilité. Tout ça doit résulter en une responsabilisation progressive de l’enfant qui lui permettrait de mieux s’adapter au monde adulte qui l’attend, et même à comprendre l’application raisonnable du plan A, par exemple les règles de la circulation, ou certaines contraintes imposées dans le monde du travail, etc.

Le pédagogue en moi aimerait conclure par une réflexion sur l’application spécifique – et peut-être bien aussi généralisée – du Collaborative Problem Solving dans les écoles. Green observe que les enseignants font souvent objection à ce genre d’approche, en alléguant qu’ils ne sont pas préparés pour cela et qu’en tout cas le temps leur manque pour pouvoir l’appliquer. Remarquons tout d’abord qu’en situation de classe les explosions sont peu fréquentes. L’enfant est souvent trop gêné et se contrôle mieux qu’à la maison et la structure prévisible et grégaire du système scolaire le rend plus docile. Mais cela n’empêche que l’enfant puisse éprouver de fortes frustrations à l’école (se sentir exclu, être confronté à des difficultés d’apprentissage, être mal compris par certains enseignants…) dont les conséquences se manifesteront dans des situations où il se sentira moins inhibé.

De nombreuses écoles, pour des raisons d’efficacité, dit-on, pour ne pas perdre de temps, et surtout avec le motif avoué d’imposer les comportements adaptatifs en faisant un exemple, manient le système A , qui est une approche disciplinaire, basée sur la logique des punitions et des récompenses. Et en effet ce système marche bien pour tous les élèves qui n’ont pas de problèmes d’inflexibilité et d’intolérance à la frustration. Mais en ont-ils besoins, ces élèves-là ? D’autre part ce système ne marche pas du tout pour les élèves auxquels il est le plus appliqué, vu que leur comportement réprouvé n’est pas intentionnel et relève du manque des compétences que nous venons d’évoquer. Aussi faudrait-il envisager d’appliquer aussi dans les écoles la philosophie de Greene (« l’enfant fait toujours son possible ») et faire usage des conseils de classe d’une façon plus efficace en évitant de stigmatiser les élèves difficiles. On s’y limite – je le sais d’expérience - le plus souvent à l’évocation d’anecdotes concernant le comportement négatif de certains d’entre eux sans apporter ni le début d’une solution (dans de nombreux cas l’élève difficile termine renvoyé de l’école, souvent le début d’une tournée des écoles, avant d’atterrir dans une situation scolaire, puis professionnelle, qui ne correspond en rien à ses possibilités et aspirations).

L’alternative que Greene propose au système disciplinaire est celui des cartes de route qui permet d’identifier les détonateurs et d’essayer de résoudre les problèmes prévisibles de manière proactive en collaboration avec les élèves qui requièrent cette attention particulière et – à ne pas oublier - aussi leurs parents. Au lieu de les culpabiliser, ce qui n’arrive pas rarement, il faut les motiver à collaborer intensivement au développement chez leurs enfants des compétences nécessaires à une intégration heureuse dans le monde social qui les attend. Comme l’aurait dit autrefois un prof que je connais pour avoir été celui-là : au boulot, les gars !...

Francis Cromphout

20 februari 2011

VEURNE-AMBACHT IN FEBRUARI


De streek
kan soms koudbloedig lijken
dan is er alleen de winterklei
en gras van winterweiden,
toch hangt poëzie tussen de twijgen
en wensen mensen
met een goede dag
elkaar de zonkant toe.


BROOD

De bakkersoven
vuurvaste stenen en houtskool vurig,

broodwarmte voor leven,
vier jaargetijden van brood,

het dorp sloeg de hand aan de ploeg,
de wind schreef zijn naam in het koren,

ons dagelijks brood
de smaak van leven.


Fernand Florizoone

19 februari 2011

ALLEEN LIEFDE




De illusie
wuift en wijkt

de dagen klapwieken
en vliegen heen

alleen liefde
weerstaat de zeef van de tijd

Fernand Florizoone

18 februari 2011

Als ik schrijf




Als ik schrijf voelt het als vrijen
omhels het gedicht, streel en kus
mijn woorden.

Laat klanken van liefde klinken
mooie akkoorden, tranen vloeien
door emotie.

Dichten is voor mij als beminnen
een tedere omhelzing in warm
voelend schrijven.

Paula Hagenaars

17 februari 2011

Martine Bijl



zo verscheen ze in je leven:
een meisje uit het steegje
een godin op het scherm

o dat blonde en volslanke
op het podium van Tienerklanken

ze zong met ronde wangen
over een Bosje van Verlangen
en jij sloot aan bij een Vlaamse
charmezanger: ‘o Martine,
hoe kan ik jouw hart verdienen’

je dronk de weemoed in haar stem
om het schone dat ging verloren:
‘o Göttingen, o Göttingen’

een schoolvriend kon het niet horen
die was in de ban van Françoise Hardy
hij kweelde om jou te plagen:
‘tous les garçons et les filles
de mon âge’

jij was jaloers op die makelaar
van Schagen, je zag haar blote
voeten toen ze zwaaide om een boom
in haar Bloemendaalse bos

je dacht aan moeders blos en sproeten,
haar hoge voorhoofd en haar wangen
die verschenen als een droom

ach, dat Bosje van Verlangen
wat was je Total Loss
zo verslagen als Göttingen:
mocht je nog wel met haar zingen
toen ze zich had verloofd?


Staf De Wilde

16 februari 2011

EVEN MAAR




Even maar jouw oogopslag
waarin de parabel van de liefde

even maar jouw naam
en mijn hart slaat aan

in één ogenblik
klikken wij de eeuwigheid aan elkaar.


Fernand Florizoone
Herman J. Claeys-Prijs 2011

“Ni Dieu, ni Maître - Noch God, noch Gebod”


Herman J. Claeys (Brugge, 23 mei 1935 - Antwerpen, 29 december 2009), dichter, romancier, provo, plastisch kunstenaar en taalconsulent, stond aan de wieg van Pipelines VZW/De Muzeval.

Ter zijner nagedachtenis wordt door Pipelines vzw/De Muzeval de Herman J. Claeysprijs in het leven geroepen. In uitvoering van de laatste wil van Herman J. Claeys wordt het voorzitterschap van de jury waargenomen door Henri-Floris Jespers.

*
Pipelines vzw/De Muzeval staat voor jarenlange ervaring wat betreft het organiseren van literaire activiteiten waarbij hoofdzakelijk op dichtkunst wordt gefocust en in het bijzonder op het brengen van hedendaagse poëzie op het podium in een metropolitische omgeving.
Zij staat open voor vernieuwende strategieën om poëzie voor het publiek te ontsluiten, en dit niet zozeer in boekvorm, maar vooral als estradeactiviteit en als diverse vormen van elektronische publicatie (online uitgeverijen, literaire e-zines, websites). Beide niet-papieren vormen van publiek-atie bieden de mogelijkheid tot onmiddellijke interactie tussen dichter en aangesprokene en tussen dichters onderling.

Maandelijks organiseert Pipelines vzw een poëzieavond onder de noemer De Muzeval. Elke 2de donderdag staat een gastdichter of dichterscollectief centraal en na de pauze krijgt iedereen de kans zijn/haar of andermans werk voor te dragen op het Vrij Podium.

De plaats van het gebeuren is momenteel literair-artistiek café Den Hopsack van Modus Vivendi vzw, Grote Pieter Potstraat 24 te 2000 Antwerpen.

Daarnaast laten de Muzevallers hun stem horen tijdens Gedichtendag, elke laatste donderdag van januari in de vorm van een Gedichtenestafette, dragen zij jaarlijks hun poëtisch steentje bij op de Antwerpse Cultuurmarkt, Zuiderzinnen, Vurige Tongen (Ruigoord, Amsterdam), Nacht van de Boze Dichters (Sint-Niklaas), Axis Mundi (Doel) en bij tal van andere evenementen.

*

Alle dichters worden van harte uitgenodigd een eigen werk in de geest van Herman J. Claeys in te zenden. Inzake deze HJC-Prijs 2011 kan de website http://www.muzeval.tk geraadpleegd worden, waar het reglement vrij toegankelijk is voor kandidaat-deelnemers.
Alle bijdragen kunnen via email terecht bij hjcprijs@telenet.be en per post naar Pipelines vzw, Pothoekstraat 21 2060 Antwerpen t.a.v. Herman J. Claeysprijs 2011.

15 februari 2011

Poëzie




Ik schreef het ene blaadje
na het andere, wikte en
woog er mijn gedachten.

Het ene na het andere blad
verdween in de prullenbak
vol met geschreven woorden,

die weer werden herschreven.
Ik wilde gaan verwoorden
emotie, warmte en verlangen.

Als dat door de lezers gevoeld
zou worden was mijn doel
bereikt, omdat ik graag
poëzie wilde schrijven met een hart.

Paula Hagenaars

14 februari 2011

Beste literatuurliefhebber, dichter, auteur,


Literatuur- en Kunstenvereniging 'Symbiose' nodigt u van harte uit op haar eerste 'Zondag Apero Literair' in Kunstentaverne 'De Kleine Notelaar', te Vlassenbroek-Baasrode, Vlassenbroek 222 (ongeveer 300 m voorbij het Kerkje de straat volgen, afdalen aan de vijver, parking liefst langs de dijk). Aanvang 10.30 u. Deelname in de kosten, 5 € (+ glas)

Onze gast Gerda De Preter bijt de spits af op zondag 22 februari a.s.
Patricia De Landtsheer leidt in.
Muzikale omlijsting. (zie ook voor verdere info en wegbeschrijving onder www.dekleinenotelaar.be)
Gerda praat over haar werk en gedichten. Zij is een gedreven en boeiende vrouw, dus: mis haar lezing niet!

(Keuken doorlopend open)

Biografie.
Gerda De Preter (1958) is lerares Nederlands en Engels. Ze woont in Haacht (België), heeft drie kinderen en schrijft graag gedichten. Haar eerste boek voor kinderen De Schommel verscheen in 1999. Een koffertje voor opa was genomineerd voor de Gouden Uil 2002. Spookpijn (2005) getuigt volgens de Volkskrant van 'puur en aanstekelijk schrijfplezier'. Gerenommeerd jeugdauteur Ed Franck vindt dat Gerda De Preter 'in het genre van boeken voor heel jonge lezers (pakweg het tweede studiejaar) ongetwijfeld tot de top behoort'. Anna was hier is haar eerste roman voor iets oudere kinderen. ‘Een vindingrijk, aangrijpend en vakkundig gemaakt boek’ (De Morgen). Ze won er de driejaarlijkse Prijs voor Letterkunde van de Provincie Antwerpen mee in 2009.



Vriendelijke groet,
Patricia De Landtsheer
KUNST & CULTUUR IN VLAANDEREN:
IK STEL VAST…



Deel 1

“Het gaat cultureel Vlaanderen voor de wind,” horen wij iedere dag en iedere keer sta ik versteld over deze… boutade. Enerzijds zijn er de nieuwe Vlaamse rijken die van geld en bezit hun cultuur hebben gemaakt, anderzijds is er de al even welvarende groep die zich vastklampt aan de traditie en daarnaast is er een derde groep die het elementair geloof in zichzelf heeft verloren en alles opoffert aan de veramerikanisering van onze (Vlaamse) samenleving.

Het gebrek aan intellectuele voeding ligt mee aan de basis van onze culturele vervaging. De artistieke en culturele wereld heeft (door jarenlange horigheid aan de zuilen) enorme behoefte aan intellectuele injecties.

Er heerst in Vlaanderen nog altijd geen klimaat van vrijmoedigheid, onafhankelijkheid en wederzijds respect. De vele Vlaamse “geletterden” zijn in de gouden kooien van de zuilen getemd en bestaan nauwelijks als autonome kracht. Een kritische intelligentsia bestaat nauwelijks.

De discrepantie tussen onze welvaart en de intensiteit van ons intellectuele en culturele leven is schrijnend. Het weegt zwaar op ons maatschappelijk leven. Wij mogen onze emancipatie niet uitsluitend meten aan de verworven welvaart, maar vooral oog hebben voor de kwaliteit en de creativiteit van onze kunstenaars en onze intelligentsia.

Overheid en privé - en bij beide de intelligentsia die er deel van uitmaken - hebben op cultureel vlak een viervoudige functie: een maatschappelijke, een creatieve, een bevrijdende en een kritische functie die gericht is op de mondigheid en de kritische instelling van de Vlaming. De Vlaming moet zijn “cultureel gezicht" een facelift geven. Hij moet zich “cultureel kapitaal” kunnen verwerven.

Deze (inleidende) beschouwingen heb ik geschreven na een aantal zure oprispingen. Ik heb er enkele geselecteerd, niet die met de bitterste nasmaak, maar wel zij die ik met veel moeite kon doorspoelen.

De kunstenmakerij is een ziekte van de tijd. Op winst beluste handelaars (zeg maar commerçanten) en kunstenaars hebben geen zittend gat. Dat weten we. Zij razen van het ene ‘opvallende’ isme naar het andere. Dit valt te begrijpen. Denk maar even aan de duizendjarige traditie waaruit zij gretig - en bodemloos - kunnen putten voor hun creaties.

Ik neem het hun niet kwalijk. Je moet als beschouwer maar voldoende nieuwsgierig zijn om deze vaart te kunnen bijhouden. En om wie weet elke keer weer warm te lopen voor het laatste wonder. Mij stoort echter de manier waarop zij zich meester maken van een traditie, van een van oudsher erkende taal, om haar op feestelijke manier te verkrachten. Ik ga akkoord dat altijd - en ook nu - ruimte gereserveerd moet worden voor het experiment. De slogan "de verbeelding aan de macht" is niet zo hol als hij wel leek te worden na zijn verrassend debuut in 1968.

Uiteraard hebben de scheppende geesten (de kunstenaars, de cineasten, de fotografen, de schrijvers) meer dan om het even wie (daar horen alle anderen bij) het recht om nieuwe wegen te banen naar de menselijke gevoeligheid, naar de menselijke geest. Je noemt daarom echter een konijn nog geen karper... Dankzij de technologie en de barnum publiciteit worden her en der (denk aan Kassel) grootse artiestenforen georganiseerd. In naam van de ‘kunst’ zijn daar alle vrijheden toegelaten en alle andere ‘verboden’. Het is de kunstenaar niet meer gegund om academisch te werken, of klassiek, of doodgewoon goed en eerlijk. ‘Alles is kunst’, behalve wat ik hiervóór opnoemde. Zijn eigen penis fotograferen, een kazuifel aantrekken, de warme bloedende inboedel uit de buik van een dier op een liefst naakte vrouw laten neerploffen, stenen mooi in een cirkel schikken, woorden projecteren op een muur, enkele donkere streepjes op een witte wand tekenen, het is allemaal kunst en als je het niet meteen vat, kun je de catalogus raadplegen. De rebelse geest, in de zin van continue opstandigheid en ordinaire acts, vlijen er zich in al hun wulpsheid neer. Om van te watertanden.

Het is inderdaad geen punt of men (nog) schildert zoals Rubens of Picasso, of beeldhouwt zoals Michelangelo of Zadkine. Helemaal niet, je moet in de eerste plaats knutselaar zijn (wat zeker niet fout is, vermits Leonardo da Vinci ook knutselde!), je moet technologische appetijt hebben, spirit en verstand - of voldoende waanwijs zijn, indien je de andere vereisten zou mankeren. Maar... wat je zeker niet mag doen, is blijven luisteren naar je hart, of er traditionele gevoelens op nahouden. Je hoort tout court de voorafbeelding te zijn van een nieuwe mens.

Ik maak deze kritische bedenkingen na inzage van het aanbod op artiestenbeurzen en individuele tentoonstellingen dat ongetwijfeld ook in 2010 aanleiding zal geven tot niet relevante recensies die onze vaderlandse (kunst)markt beïnvloeden, lees bezoedelen. Onze plastische creaties hebben steeds meer woorden nodig om tot hun recht te komen. Sommige kunstevenementen hebben alles van een artistieke supermarkt.

De meeste kunstmanifestaties zijn een equivalent van het concours "Lepine" en van de uitvindersbeurs in Brussel. Men probeert niet te sensibiliseren, men zoekt enkel te intrigeren, te choqueren, het publiek kippenvel te doen krijgen, de kritiek, de kunstenaars, de politieke wereld op stang te jagen. De drijfveren heten frustratie, nijd en ontgoocheling.

Dit alles is misschien fascinerend, zeker arrogant en hol als het holste vat, want men is heel vlug uitgekeken op dingen die het hart niet raken, op ‘kunstgreepjes’, kneepjes, ja lees maar trucjes, die af en toe ook transcendent blijken te zijn.


Deel 2


In vele galerijen en exporuimtes loop je in veelvoud extravagante stromingen tegen het lijf, snobismen, gebrouwd in een of andere menselijke geest. Ik ontken niet dat kunst uit zieke geesten kan komen, ook bij werken die later tot de klassieke canon zijn gaan horen, maar wel dat de ‘ziekte’ vaak wordt geveinsd! Veel van die dingen verkeren nog in het stadium van het ‘prototype’. Er is praktisch niets dat de naam ‘oeuvre’ verdient, vermits het werk zich nog in zijn experimentele fase bevindt. Het jargon is er de voertaal en je hebt er het raden naar wat er eigenlijk in de geest van deze ‘artiesten’ omgaat. Alles is voor alles en iedereen een ‘alternatief’. De kunstenaar houdt zich voor de redder van de mensheid die zonder hem definitief kapot zou gaan aan banaliteiten en huiselijke flauwekul.

De producten van hen die zich als de vernieuwers aankondigen, zijn echter allerminst fascinerend, soms stierlijk vervelend. Je voelt sterk aan dat men de schildersezel wil dynamiseren. Sommige schilders en beeldhouwers verloochenen hun opleiding, hun métier, hun materialen, maken zich los van doek en steen en komen zo gevaarlijk dicht bij het charlatanisme. De charlatan wordt naast de authentieke kunstenaar geplaatst. In plaats daarvan komen de spelletjes van architecten die zich niet langer bekommeren om de praktische uitvoerbaarheid van hun project, van cineasten die niet eens nog publiek nodig hebben, van toneelschrijvers die zich geen vragen stellen over de vertolking van hun stuk (want zij hebben enkel uitstaans met hun unieke gebazel).

Men wil het imago zelf van de schilderkunst en beeldhouwkunst tenietdoen. En na alles, waarom niet? Laten ze dan ophouden met vals spelen. Laten ze nu eens ernstig werk maken om van wat misschien morgen een nieuwe manier van zien, leven en voelen zou kunnen zijn, ingang te doen vinden in de catacomben van de menselijke geest, waar - wie weet het? - een opleving kan ontstaan die even verruimend is als de exploratie van de sterren.

Laten we in godsnaam een kat... een kat noemen.

“Ik ben toch niet de enige die zo over kunst nadenkt?” denk ik elke keer dat ik een stukje pleeg voor een krant of tijdschrift. Als criticus - recensent klinkt ook al aardig - ben ik een intermediair. Ja, zoals de galeriehouder ook een bemiddelaar is. Maar dan wel van een andere soort. Je staat tussen de kunstenaar en het publiek, in ons geval de lezer. Dit is een niet comfortabele positie.
Het basisprincipe waar ik altijd van vertrek, is: de kunstenaar heeft voorrang. Want zonder kunstenaar is er geen kunstwerk en zonder kunstwerk ook geen kunst. “Logisch toch?” zul je zeggen. Ja, maar hoeveel keer vertrekken wij niet van onze smaak of van onze geldbeugel of van de situatie waarin wij ons op het moment verkeren? Kijk, indien je niet vertrekt van de kunstenaar, dan maak je een inschattingsfout.
Wil dit nu zeggen dat je geen groot oor mag hebben (ik durf niet te schrijven: grote oren)? Maar neen. Je kunt de kunstenaar vragen: “Hoe heb jij dit gedaan?” Maar je mag iemand nooit als voorbeeld nemen. Een galeriehouder vertrekt van zichzelf. Hij moet weten: wat is mijn situatie, hoe moet ik overleven? Een criticus vertrekt van de kunstenaar. Beiden houden van schilderkunst. De eerste toont schilderkunst, de tweede bespreekt schilderkunst.

Meestal vertrekt de eerste van een trend, soms van een modernistische visie (zoals in de jaren ’80, toen werd beweerd dat ‘schilderkunst niet meer bestaat’ of ‘schilderkunst is dood.’) Nu nog vind je galerijen die geen schilderkunst meer durven te tonen. Ze tonen installaties bv. In de jaren ’90 vonden de kunstenaars het weer kunnen zich als schilder te uiten.
Een goede Belgische galerij moet in eerste instantie werk tonen van mensen van hier, Belgen, Nederlanders, mensen van wie zij het oeuvre door en door kennen. Ze moeten dit werk op een internationaal forum plaatsen. En hier kan de criticus weer inkomen: ook de kritiek moet eigen mensen internationaal bekend maken. We hebben een gemeenschappelijke taak: het werk van jonge kunstenaars moet door zoveel mogelijk mensen worden gezien. De criticus bespeelt de media, de galeriehouder probeert in eerste instantie te verkopen aan musea, aan openbare collecties. De kunstenaar wil immers het liefst in een museum hangen. Dit spreekt toch vanzelf?

Ik geef toe dat een galeriehouder niet altijd controle heeft over allerlei speculatieve elementen. Hij wil de prijs ‘normaal’ houden. Veronderstel echter eens dat een koper nog dezelfde maand driemaal zoveel voor het werk krijgt, dan zit je als galeriehouder met een probleem. “Wat is de prijs die hij nu gaat vragen voor het volgende werk van deze schilder?” Ik geef toe: dit is een frustrerende bedoening. Gelukkig heeft de criticus van die marktsituatie geen last. Of toch? Ja hoor, ik heb een hartsgrondige hekel aan die marktmechanismen, aan dit speculeren met kunst. Kunst wordt op deze wijze elitair, discrimineert, krijgt on long terms het deksel op de neus. De jonge kunstenaar komt tussen twee stoelen te zitten: indien hij te laag prijst, wordt zijn werk niet als “vol” aangezien, noch door de koper (zelfs niet door hem die de hoge prijs niet aankan, ja, ja), noch door de criticus die zich afzet tegen het elitaire aspect van de kunst. Wanneer de prijzen de pan uitvliegen, wordt kunst uitsluitend nog een belegging voor “rijke mensen”, meer bepaald voor de nouveaux-riches”.
Hoe moet volgens mij een goede galeriehouder te werk gaan? Hij begint bv. met twee jonge kunstenaars. Ik weet het: hiervoor is plicht en verantwoordelijkheid nodig. De naam die de galerij heeft, slaat over op de jonge kunstenaar: koopt men voor de kwaliteit van het werk van die kunstenaar of koopt men uit vertrouwen voor de galerij? De galeriehouder mag geen misbruik maken van deze situatie. Dit zou zijn symbolisch kapitaal naar beneden halen. Wat hij heeft opgebouwd, moet hij ook zien te houden. Dit wordt dus een evenwichtsoefening. De galeriehouder is een evenwichtskunstenaar.

Kunstenaars zijn een exponent van het vrije denken. Dit heeft niets te maken met zijn religieuze of filosofische ingesteldheid. Toch kan ook hij niet ontsnappen aan de tijdsomstandigheden of het politiek, economisch, filosofisch of godsdienstig systeem waarin hij werkt. Zolang hij zich niet (of zo weinig mogelijk) aan dit systeem verkoopt, komt zijn vrije denken niet in de verdrukking.

“Kunst en geld: contradictio in terminis?”
De relatie tussen kunst en geld heeft verschillende gezichten. Aan de ene kant schreeuwen kunstenaars en kunstminnaars hun verontwaardiging uit over de commercialisering van de kunst en aan de andere kant wijzen economen en managers uit het bedrijfsleven op de noodzaak aan een coherent kunstbeleid met aandacht voor cash flow en rate of return. Dreigt de kunst te verstikken onder druk van marketing, budgetten en winstmaximalisatie? Raakt de kunst besmet door economische principes? Of reikt de vrijemarkteconomie mogelijkheden aan die de kunst kunnen bevorderen? Vragen voor een breed maatschappelijk debat.


Deel 3


Wie zegt dat de prijs voor de consument ontzettend laag is en dat de waarde van kunst de waarde van het geheugen van de geschiedenis is, verkoopt bullshit! Kan de kunst slechts succesvol zijn indien ze kan inspelen op de vraag van de consument? Ja! Akkoord, er bestaat nog een ‘middenveld’: een institutioneel kader dat moet worden ‘bespeeld’. Zinvol! Ik verzet mij echter tegen de tendens dat kunst ondergeschikt moet worden gemaakt aan het economisch systeem. De autonomie van de kunst is primordiaal en de economie moet die autonomie respecteren.

Welke waarde heeft de kunst?
Er zijn twee manieren om de waarde te bepalen: enerzijds is de waarde afhankelijk van de hoeveelheid arbeid en kapitaal en anderzijds is de waarde afhankelijk van het nut dat de consument aan het werk toekent. De eerste benadering levert problemen op: een (beeldend) kunstwerk is meestal een uniek object dat niet vatbaar is voor reproductie. Bovendien is het op één ogenblik ontstaan uit de creatieve arbeid van één arbeider-kunstenaar. De kunstenaar maakt steeds een nieuw uniek object, zodat vergelijking met de inspanningen geleverd voor eerdere werken niet relevant is. Een grotere inspanning in termen van arbeidsuren garandeert niet dat het kunstwerk meer waarde zal hebben. De kostprijs staat dus niet garant voor de waarde. Ook bij de tweede benadering gooit de uniciteit van het kunstwerk roet in het eten: indien voor een kunstwerk op een bepaald ogenblik een bedrag X geboden wordt, leert ons dat iets over de bereidheid tot betalen voor dat kunstwerk op dat ogenblik. Dat is alles. De artistieke waarde van een kunstwerk is niet gelijk aan de economische waarde van het kunstwerk. Kostprijs noch marktprijs geeft uitsluitsel over de artistieke waarde van kunst. De veilingprijs echter kan een indicator zijn van de artistieke waarde van het kunstwerk, maar alleen omdat de artistieke waarde mee aan de basis ligt van deze veilingprijs.
Kortom: kunst en geld lijken zich slechts dan te kunnen verdragen wanneer economische overwegingen niet in de weg staan van een ruime stroom financiële middelen naar de kunstwereld. Economie wordt in deze gedachtegang gelijk gesteld aan (omgaan met) geld, de grote gelijkmaker. Geld maakt kunst alledaags, gewoontjes. Geld ontneemt kunst haar intrinsieke waarde.

Mijn vraag en deze van de meeste kunstliefhebbers luidt echter: “Kan de economische waarde van kunst worden gemanipuleerd?” De consument aanvaardt niet dat er een discrepantie bestaat tussen de economische waarde en hun esthetische waardering. Heeft hij/zij gelijk?
Enerzijds heeft hij/zij voor een groot deel van de kunst gelijk en anderzijds is economische manipulatie geen uitzonderlijke handeling maar de algemene regel van ons Westers systeem. Volgens mij heeft de kunstenaar iets van de wetenschapper en iets van de knutselaar. Door middel van handwerk vervaardigt hij immers een stoffelijk voorwerp, dat ook een object voor het kennen is. De wetenschapper brengt gebeurtenissen tot stand (hij verandert de wereld) met behulp van structuren, de knutselaar brengt structuren tot stand met behulp van gebeurtenissen. Anders gezegd: de kunstenaar-knutselaar beoefent een vorm van ‘wild denken’ en de geleerde-knutselaar behoort tot het ‘denken dat getemd is om rendement af te kunnen werpen’.

De vraag blijft: “Wat is de economische waarde van kunst? Is kunst niet duur? Te duur?”
De definitie van wat kunst is, gebeurt vandaag niet meer op basis van intrinsieke kwaliteiten, maar van institutionele. Het kunstwerk is kunst omdat het tot de kunstwereld behoort, bv. tot het museum. Misschien moeten wij de vraag: “Wat is kunst?” vervangen door “Wanneer is een kunstwerk kunst?” Wanneer het in een museum hangt? Of in een galerij? Wanneer het van goede smaak getuigt? Wat is goede smaak en wat is slechte smaak? Zijn uitingen van smaak de bevestiging van iemands positie en vooral van zijn beweging op de maatschappelijke ladder? Hoe hoger op de maatschappelijke ladder hoe groter de kans dat iemand goede smaak heeft. Bullshit! Toch: men trekt zich graag op aan de groep boven zich, want die heeft een goede smaak. Is het niet? De (kost)prijs van kunst hangt af van het oordeel over goede smaak. Is dit oordeel algemeen, dan wordt het kunstwerk kunst en kan zijn prijs worden bepaald. Dit mechanisme noemen wij de algemene waardenoriëntatie. Deze kan veranderen wanneer het algemeen oordeel over goede en slechte smaak zich wijzigt.

Het is duidelijk dat economie en kunst niet zonder elkaar kunnen, maar die liefde verloopt niet altijd probleemloos. Kunst heeft immers steeds in een bepaalde mate autonomie. Absolute autonomie is kunst van autisten, maar een relatieve autonomie is een voorwaarde. Niet-autonome kunst is toegepaste kunst. Dit wil niet zeggen dat de kunstenaar geen oog moet hebben voor de wetten van de economie. Hij leeft immers in een maatschappij met een huiselijk reglement, met name de economie.

Wat denk ik er zelf van? Ik meen dat economie veeleer moet investeren in kunsteducatie zodat het publiek beter kunst begrijpt. Geld en kunst hebben een relatie, dit is onvermijdelijk, maar indien de economisten en de managers een betere kritische kennis van kunst zouden hebben, zou die relatie vlotter verlopen. Bovendien moet de overheid guller investeren in onderwijs: in elke studierichting vanaf de tweede graad van het secundair onderwijs zou een kunstvak moeten voorkomen. Een kunstvak in de opleidingen economie en een economievak in het kunstonderwijs zou een eerste stap kunnen zijn.

Ik stel vast dat destructie het basisprincipe van de 20ste-eeuwse kunst was (is).
De moderne kunst werd bij het begin van de 20ste eeuw uit een big bang geboren. Een aantrekkelijk uitgangspunt dat recht doet aan de branie waarmee de pioniers een afbraak van de oude waarden en de idee van een maagdelijk nieuw begin propageerden. Destructie, deconstructie en creatie vormden een ijzersterk span. Voor verschillende generaties is het tot over de drempel van de 21ste eeuw de belangrijkste motor van de artistieke schepping gebleven (het postmodernisme inbegrepen).


Deel 4


Een terugblik.
Parijs was vanaf het einde van de 19de eeuw tot aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog de belangrijkste draaischijf van de avant-garde, om het met een vandaag totaal in onbruik geraakte term te zeggen. In mei ’68 was Parijs het centrale epicentrum van een originele revolte die alle macht voor de verbeelding opeiste. Zonder het gedachtegoed van mei ’68 zou een lichtvoetig, transparant, democratisch en vooruitstrevend cultuurcentrum als het ‘Centre Pompidou’ (1977) nooit opgericht zijn.

Destructie en creatie zijn gelden als de basisprincipes van de 20ste-eeuwse kunst. Allerlei stromingen getuigen daarvan. We denken aan: het expressionisme met zijn vervormde figuren, de deconstructie in het kubisme, de dynamitisering van de vorm in de abstracte kunst, de grote schoonmaak in anarchistische zin door dadaïsten, in strikt rationalistische zin bij de geometrisch-abstracten, de automatische schriftuur en de spotgeest van de surrealisten, de verheerlijking van afvalstoffen en van de massacultuur bij de popart, de relativering van de vorm door de conceptuelen en het oneigenlijke gebruik van de massamedia bij actuele kunstenaars.

In de 20ste eeuw volgden nieuwe richtingen elkaar in snel tempo op. Filosofisch zou ik die voorbije tijdsspanne veeleer comprimeren tot een aantal kernbegrippen, zoals destructie, constructie/deconstructie, archaïsme, seks, oorlog, subversie, melancholie, herbetovering (réenchantement).

Neem nu het geval Picasso (1881-1973). Een reus van een kunstenaar, maar ook een onverbeterlijke macho en een vrouwenvernietiger. Ook in zijn werk: de manier waarop hij het vrouwelijke lichaam deerlijk vervormde en aan stukken trok. Op vlak van deconstructie volgde Matisse (1869-1954) veeleer schoorvoetend. Grafisch was hij echter ruim de gelijke van Picasso en puur coloristisch overtrof hij hem zelfs. Eleganter, decoratiever en zachter dan welk werk van Picasso ook. Picasso’s eruptieve kracht lag elders. Hij haalde het lichaam uiteen om het op een goddelijke manier opnieuw in elkaar te zetten (‘Femmes devant la mer’). Overtrad het seksuele taboe met een maximum aan expressie (‘La pisseuse’, 1965). Greep terug naar de primitiefste beeldtaal om er hybridische wezens mee te maken (‘L’acrobate bleu’). Bedreef de subversieve vervorming van de figuur om lucht te geven aan zijn brutale gevoel voor het groteske (‘Le chapeau à fleur’).

Om de onttovering van het lichaam te tonen, heb je niet alleen topwerken nodig, zoals de bevreemdende, ontmenselijkte lijven van Francis Bacon, Willem de Kooning of Thomas Schütte. Die zien er nog overtuigender uit in het gezelschap van de doorschijnende ijlgestalten, zwevend boven de nachtelijke stad op een schilderij van Daniel Richter dat niemand kent (‘Duueh’, 2003).

Aan het eind van de 20ste eeuw valt dan toch het begin van een ‘herbetovering’ (réenchantement) te bespeuren. Zo begon een eeuw, die op 11 september 2001 al een big bang van formaat te verwerken kreeg, toch nog in het teken van de spiritualiteit en de hoop.

Ik stel vast dat de mens in het algemeen en de kunstenaar in het bijzonder zich bewust zijn (worden) van hun aardse opdracht, met name het mensdom te ontvoogden, het te bevrijden van het juk van absolute vorsten, zowel in geestelijke (het verdoezelen of vervormen van waarheid) als in politieke zin (de geproclameerde verknechting). De kunstenaar moet voorgaan in een zachte oorlog tegen veinzerij, kitsch, buitensporigheid en boerenbedrog. Hij is een kruisvaarder die waarheid, kracht en schoonheid uitdraagt. Althans, dit hoop ik.

Wat mij troost brengt in deze discussie is de vaststelling dat kunst energie én metafoor is.
Als Joseph Beuys (1921-1986 – Duits beeldend kunstenaar bekend om zijn conceptuele kunst) zegt: ‘Elke mens is een kunstenaar’, dan bedoelt hij dat iedereen het potentieel heeft om kunstenaar te zijn. Ik geloof dat hij wil zeggen: het herkennen van wie je bent, van je identiteit, je mogelijkheden en daar vorm aan geven.
Het feit dat je bestaan en je manier van vorm geven aan de dingen gelegitimeerd wordt op grond van je natuur en niet op grond van een diploma. Dit is eigenlijk kunstenaar zijn. Ik ben het met Beuys eens.
Kunst kan zo intens zijn, dat de esthetica achteraf komt. Bij anderen ligt de esthetica voorop. Bij nog anderen is het een en al wispelturigheid. In hun ideeën, hun themaontwikkeling. De meeste kunstenaars zijn zeer gecompliceerd en zoeken naar dingen, stelen, verbergen en camoufleren.
De kunstenaar zoekt naar ‘overleving’, naar ‘eindeloosheid’. Ik geloof dat ‘eindeloosheid’ bij elke kunstenaar die weet dat hij gelegitimeerd is, aanwezig is. Dit is bijna een reactie op de limieten die hij heeft.
Het perspectief van het einde maakt de kunstenaar. Vanuit dit perspectief kun je je wel degelijk inleven in zijn verlangen naar puurheid van kleur en licht.
Ik geloof dat ook alleen maar kunstenaars een streep kunnen trekken onder hun publieke rol. Dichters kunnen dit. Schrijvers kunnen dit. Die kunnen in het grootste isolement verder leven.
Vandaar een reden waarom sommigen hun helden zoeken in de wereld van de kunst. Sommige kunstenaars zijn misschien geen helden, maar ze hebben dan toch nagedacht over het begrip. Ook al camoufleren zij dit. Maar de held zit onderhuids in hun beste werken. Het heldhaftige, het tragische van de held.
De kunst geeft een grote steun aan de eindigende mens. Vooral de kunst met een sterke structurele energie. Of met een meditatief klimaat. Dit geeft ruimtelijkheid. Kunst betekent altijd: geen angst voor de dood. Een dialoog met de dood. De dood begrepen als energie. De dood is de impuls, omdat je weet dat je het allemaal moet doen voor je dood bent. Het perspectief van de dood geeft je energie. Dit geldt voor ieder van ons. Kunst nestelt zich in de manier waarop je de verbondenheid tussen leven en dood beleeft. Vandaar dat kunstenaars en kunstfanaten overdreven met kunst bezig zijn.
Overdrijving en levensdrift, waarbij de dood op een mooie afstand wordt gehouden.
Het lichaam is bovendien altijd de belangrijkste metafoor geweest in de kunst. Ook voor mij. Van de metafoor van het lichaam naar de held in de kunst is niet zo’n grote stap. Vechten om te overleven. Schrijven, tekenen, schilderen, beeldhouwen, componeren om te overleven. Dit is bijna een paradox. Zich met kunst bezighouden is onuitputtelijk. Dit is tegelijk het begin en het einde van alles. Het is de contaminatie van alle intensiteiten, die in verschillende richtingen verloopt, en zich dan opnieuw samenbalt. Dit is kunst voor mij. Al de rest is larie. Met respect.

Kunst is niet alleen energie maar ook metafoor.
Een kunstenaar beroert mij wanneer hij schilderijen en tekeningen maakt waarin gebeurtenissen/gevoelens veeleer metaforisch dan letterlijk worden uitgebeeld en geïnterpreteerd. Een echte kunstenaar denkt eerst broedend na en pas dan rukt zijn verbeelding over verschillende fronten op: uit het nadenken ontstaan verhalen zowel als beelden die elkaar onderling kunnen bevruchten. Het lichaam (in zijn breedste betekenis) komt er aanbeden, opgesmukt, verkracht, verminkt of verrezen uit. De spontane aanwas van betekenissen die de beschouwer aanbrengt, beschouwt de kunstenaar als een verlevendiging van zijn werk. Dit is de interactie in de kunst.
Kunst kan (moet) openbarend, direct, ritualistisch, licht ironisch zijn en toch sereen. Of de verbeelding aan de macht in al haar facetten: lief, verleidelijk, listig, gemeen, zacht, driftig. Verbeelding is geslachtloos, schroomvallig, kwetsbaar, pudistisch, intelligent en humoristisch. Wanneer de verbeelding moralistisch wordt, werkt zij contraproductief. Zij verliest haar invloed, zij behoudt slechts de fantasie van haar verpakking.
Kunst is metafoor. Kunst zonder metafoor is hyperrealistisch. Of massahysterie, lees: het product van commercialisering en mediatisering, van critici die ‘meehuilen met de wolven in het bos’.


Deel 5

Poëzie en beeldende kunsten zijn uitgesproken metaforische kunsten. Dat sommige kunstenaars er anders mee omgaan is hun keuze. Toch begrijp ik niet altijd - en steeds minder - waarom zij aan fotorealisme (om één voorbeeld te geven) andere verdiensten toekennen dan het louter métiermatige.
Vele dichters zijn gefascineerd door de verhouding tussen taal en wat zij eigenlijk willen zeggen (of de relatie tussen taal en werkelijkheid, of beter: voor de vaak als pijnlijk ervaren afwezigheid van deze relatie). Zij constateren dat diezelfde taal het aflegt. Het woord schiet te kort, omdat het nooit samenvalt met het gevoel of met een aspect van dit gevoel, maar er slechts naar verwijst.
Maar tegelijk stelt het taalmeesterschap van de dichter hem in staat op de wijze van de poëzie, dus met diezelfde woorden, glashelder te formuleren wat per definitie duister en dus onbereikbaar is. En hoe kan hij dit beter doen dan met de metafoor?

De dichter doet bij herhaling pogingen eeuwig te maken wat aan vergankelijkheid onderhevig is, stil te leggen wat in voortdurende en niet te stoppen beweging is.
In dit licht is het niet verwonderlijk dat de dood, de volmaakte, want definitieve sloper, een centrale rol speelt in het werk van de dichter.
De problematiek van tijd en eeuwigheid én de rol die de taal daarin kan spelen, houden de dichter bezig.
Poëzie is niet gemakkelijk, integendeel: zij is hermetisch, vol met duistere referenties en allusies, paradoxaal, ambigu, polyinterpretabel. Poëzie is in haar diepste wezen altijd moeilijk, ze is dat altijd geweest en zal het altijd blijven. Ik wil hiermee zeggen, dat het verwijt van onbegrijpelijkheid, van duisterheid, niet eerst met de hermetische kunst in de wereld is gekomen. Men heeft altijd moeten wennen aan een andere wijze van zeggen, van zien, van waarnemen. De welwillende lezer - dat wil zeggen degene die bereid is het onbekende niet a-priori als waardeloos te verwerpen - doet pogingen om een nieuw kader te scheppen waarin het onbegrepene wordt omgezet in het begrijpbare. Wie meent in een oogwenk lyrisch ontroerd te worden, koestert verkeerde illusies. Wanneer het na enige tijd én de nodige moeite duidelijk wordt volgens welke regels het spel gespeeld moet worden, ontstaat eren precair, wankel evenwicht tussen dichter en lezer. Dit spanningsveld in het literaire verkeer wordt door de metafoor fascinerend maar niet langer onbegrijpelijk.

Deze beschouwingen gelden ten dele voor de plastische kunsten. Nemen we het tekenen als voorbeeld. Tekenen is toch de meest directe beeldscheppende vorm. Haar volkomen vrijheid, haar autonomie, haar creatieve betekenis, haar communicatieve waarde, haar geestelijke geconcentreerdheid, haar ruime mogelijkheden dankt de tekening aan de uiterste eenvoud van haar eerste uitdrukkingsmiddel: de lijn. Met deze lijn wordt de vorm van het object omschreven. Schaduwen en toonwaarden worden eraan toegevoegd door arceren en wassen. Dat is “beeldende taal”. Of “beeldende taal” in relatie met wat de kunstenaar maximaal wil zeggen. En hoe kun jij dat beter doen dan met de metafoor?

Er is immers geen beter werktuig dan de metafoor om kernachtig en direct zijn gewaarwordingen, zijn inzichten en dromen in inventieve vormen uit te schrijven. De metafoor helpt de kunstenaar om het essentiële van wat hij “ziet”, van wat hij denkt, van wat hij betracht, van wat hem ontroert, kortom, van wat hij innig beleeft, maximaal tot uiting te brengen.

Om te besluiten wil ik nogmaals poneren dat volgens mij de schoonheid van een kunstwerk niet wordt bepaald door de natuurgetrouwe weergave waarmee de kunstenaar de werkelijkheid kopieert. In esthetisch opzicht kan een werk mooi zijn door de kleurharmonie, de verhouding, de compositie. In geestelijk opzicht is het de mate van zegkracht: hoe sterk drukt de kunstenaar zijn innerlijke en uiterlijke wereld uit? En dat hangt in grote mate af van de metafoor.
Kunst is geen kunst bij namaak, valsheid, wanverhouding, technische onkunde, karakterloosheid, fantasieloosheid.
Net zoals in de namaakantiek worden kitschschilderijen aan de lopende band gemaakt. Kitsch. Mooie kitsch voor wie dit mooi vindt. En ik zeg dit niet minachtend.

En… hoe zit het met de literaire kritiek?
Wat mij opvalt, is dat de bijlagen bij kranten zich niet langer uitsluitend richten op de literatuurliefhebber, maar op het brede publiek. En dit heeft zo zijn consequenties.

Het grootste slachtoffer is de poëzierecensent en uiteraard de dichters zelf. Het wordt steeds duidelijker dat uitgevers en boekhandelaars streven naar een rendement op korte termijn. Hierdoor wordt de omloopsnelheid van een boek sterk verhoogd. In de voorpropaganda en de reclame ligt de nadruk op die paar boeken waarvan op korte termijn een maximum aan commercieel rendement verwacht kan worden.
Is deze evolutie onafwendbaar? Wie zal daar verandering in kunnen brengen? Misschien de poëzielogs. Ik denk aan een hele reeks interactieve nieuwsgroepen over literatuur, aan online poëzietijdschriften en aan tal van websites van poëzieliefhebbers en dichters. Bovendien heeft het internet het voordeel van de snelheid.
Indien de literaire kritiek zijn weg vindt naar het internet, rijst een probleem voor de literaire tijdschriften. Wat als het Fonds ook online-initiatieven zal stimuleren?

In welke gedaante ook, op papier of op het scherm(pje), de literaire kritiek hoeft zich inhoudelijk niet aan te passen. Ook over de wijze waarop (Hoe? Vanuit welk oogpunt?) wordt al decennia lang gediscussieerd. Ik heb daar mijn mening over en altijd heb ik als recensent en/of inleider van tentoonstellingen die benadering toegepast.


Thierry Deleu
veelschrijver


ja, mijn woorden komen
op tafel als dagelijks brood
en wat overblijft is voor de vogels

kruimelwoorden die zich geduldig
laten breken en uitstrooien
op de wind

een dichter begint al rokend
een sierlijke sliert danst
uit zijn pijp

daarmee doet hij een vader na
die wonderlijk vertelde
en een grootvader die monkelde
bij de kachel en daar als gegoten
zat, ademend in de schaduw

woord na woord zal ik herbouwen
een verleden binnen leiden in vandaag
zoals men uit een zwarte stroom
een lichaam ophaalt dat wil leven

Staf De Wilde
Vrienden op bezoek
uren branden in de haard,
de tijd smaakt naar wijn.

Fernand Florizoone
(uit In de hangmat van een haiku)
Over liefde
voor Y




Misschien hou ik meer van je
dan welke god dan ook
ooit van een mens heeft gehouden

liefde is in de voering
van mijn eeuwigheid genaaid
en is verweven met de woorden
die in de lijnen van mijn hand
werden gezaaid

er was geen begin,
ik kende je voor ik je kende
ik wist dat je er zou zijn
en er is ook geen einde
we komen elkaar altijd weer tegen
elke minuut bijna

de geheimen die we niet hadden
waren helder als het geluid van een bron
en elke daad was een stap
om gelijke tred te houden

op een dag blijft er over : het gras
voor de deur, het rood van de zon
mijn uit koud water gemaakte handen
je hangt de stoïcijnse argumenten
van mijn ongeloof aan de deurknop
als een waarschuwing : liefde
is tijd en tijd is een lichaam

Guy van Hoof

11 februari 2011

Misschien is het leuk voor Valentijnsdag
je partner of iemand anders te verrassen
met een boekenpakket.


Demer uitgeverij heeft volgend voordelig aanbod:
voor € 45 (inclusief verzendkosten) 4 boeken

1 ex. GEWOON LEKKER - erotische- en liefdesgedichten van Nederlandse en Vlaamse dichters (samenstellers: Roger Nupie en Hannie Rouweler)
1 ex. IK BEN DIT LAND VAN MIJ - vertaalde poezie van zwarte dichters uit Zuid Afrika. Inleiding Joris Iven.
1 ex. DICHTERS DROMEN LUCIDE - poezie essays Thierry Deleu
OF 1 ex. drietalige bundel LIAISONS INVISIBLES, Onzichtbare Verbintenissen, Onsigbare verbintenis - Frans, Nederlands, Afrikaans, 5 dichters: met een Inleiding van Floris Brown (Zuid Afrika).
1 ex. BLUE RIBBONS - Engelse gedichten van Floris Brown, Zuid Afrika.

Graag dit bedrag vooraf overschrijven op één van de onderstaande rekeningen - waarbij je vermeldt of je het essay of de drietalige bundel:

Nederland: ING 3424272 t.n.v. J.R.M. Rouweler, Belgie
(zonder Iban)
Met Iban/Bic:
IBAN: NL67INGB0003424272
BIC: INGBNL2A

Belgie: BNP Parisbas Fortis 001-4253999-43 t.n.v. J.R.M. Rouweler, Diepenbeek
BIC GEBABEBB / IBAN BE66 0014 2539 9943

J.R.M. (Hannie) Rouweler
Zandstraat 62
B 3590 Diepenbeek

Voor Belgie kan het pakket direct verzonden worden.
Voor Nederland rond 20 februari.


Hannie Rouweler
Demer Uitgeverij / Demer Press, ePublisher

Luister mee

21 lentes




In het smeltend ritselen van sneeuw,
het rustig kloppen van een schildpad
tegen de tree van een terras,
in ‘t popelend hart van een veulen


dat naar leven op de weide smacht,
herken ik de nabijheid van lente.
Op hoogslanke benen staat zij,
veerkrachtig van knoezel tot schaamte.


Zacht streelt zij mijn tong tot ook mijn
mond vraagt naar haar 21 lentes.
Straks komt zij over mijn drempel:
zalig in de strandstoel van haar adem.

http://audio.meandermagazine.net/kerst2010/mp3/deleu.mp3


Thierry Deleu

10 februari 2011

Sporen van gestrande golven



de zee
waait haar wind
in koude vlagen

gedachten verstoven
door het zand
in woorden geribbeld
zoekend een mulle rand

zeewind
raast over het land
met vele vragen

dat tussen sporen
van gestrande golven
de stormen draagt
ziltig op stemmen gesnoeid

© 2011 Monique Verplancke

8 februari 2011

Oostduinkerke
5de versie



Oostduinkerke dorp met voeten in zee,
aan elke teen een zandkasteel,
om de enkels schelpen van wit calciet,
ik kwam er aangeland hand

vol lichaamstaal, vriendelijk onthaal
door zeeman dorpeling, geen beding van
van grote woorden of gevlij,
welkom zeiden zij, vertelden mij


van Dunacapella Dunckercka
hoe Frankrijk het prefix Oost
opdrong in de dagen dat zeevisserij
daagde en garnaalvissers te paard,


hoe zij na het vissen duinkonijnen
stroopten weerszij de grote laan.
Oostduinkerke gooide de netten uit
ving zeemeermin muze van Rilke

Timmermans Farasyn, sindsdien
schrijf ik mijn vingers tot beef herleef
mijn zomertijd, geen onderscheid 
tussen hard en zacht, dag en nacht.


Thierry Deleu

4 februari 2011

AAN ZEE




De stad broedt de zomer uit, mijn kind.
Een late valk slaat de vlerken uit.
En in de verte kirren als vogels
meisjes op de schelpen van de zee.

Een vogel wiekt onhoorbaar naar de zon.
En killer voert de wind een snavel.
Een boot stoot schoorvoetend voorbij.
En kruiers voeren de zomer naar de haven.

De zee zet gretig haar lippen in het strand.
En witveren vogels schillen het schuim
met het scherp van hun vleugels.
En straks staat de kou op uit de helmen.


SOMS


Soms als de zon in de middag is
en ‘t Blote ligt te apegapen,
- mussen vallen van de hooiberg, -
waad ik door riet en waterwied.

De aarde voelt als een jong gezin.
En de wind heeft blond haar en dijen
zachter dan water vol eendenkroos.
De kikkers voelen hun onrust zwellen

en zwijgen in alle talen.
In hun ogen trilt het dierenrijk.
Bij de kortwoner aan de overkant
krult het vuur zich dubbel van lachen.


IN DIT LANDSCHAP

Tot de knieën in het water
de kraag rechtop het rietland
laat plots al zijn vogels los.
De wind fluit de bomen uit en

proeft het mos van schors en varen.
In dit landschap met regenmond
ligt achter halmen van gras
de zon met weitas en geweer.

Tussen haar lippen gekruist hangt
een vlinder in een spinnenweb.
Boven het water even talmt
een vogel waar een vis opstuift.


Thierry Deleu
Op initiatief van Mark Meekers en het dichterscollectief Mengmettaal wordt een tentoonstelling van gedichten georganiseerd met als thema “dans”.


Een veertigtal gedichten zijn opgehangen in de lokalen en de danszalen van de dansschool Aike Raes.


Door de poëzie buiten het boekje te brengen hopen de organisatoren bij de 1400 leerlingen van de balletschool interesse te wekken te wekken voor poëzie. Werk van o.a. Karel Sergen, Lieve Devijver, Cyriel Gladines, Mark Meekers e.a.


De tentoonstelling is elke dag in de namiddag/avond open van 15 januari tot 12 februari 2011 in het Danscentrum Aike Raes, Hollestraat 31-33, 3001 Heverlee.

GRAAG AANGEBODEN

2de DRUK VAN HET ESSAY
VAN OOSTDUINKERKSE AUTEUR
THIERRY DELEU

De reacties uit de wereld van dichters en schrijvers bleven komen en een 2de druk kon niet uitblijven.




EEN ESSAY OVER 31 VLAAMSE EN NEDERLANDSE DICHTERS

DICHTERS DROMEN LUCIDE

In het boek vind je recensies/kritieken over de poëzie van
Bert Bevers, Catharina Boer (N), Philippe Cailliau, Job Degenaar (N), Jenny Dejager, Frans Depeuter, Marleen De Smet, Christine D'haen, Fernand Florizoone, Lies Van Gasse, Bärbel Geijsen (N), Gijs Gellings (N), Julie Goderis, Tine Hertmans, Guy van Hoof, Joris Iven, Frans Kuipers (N), Jan Lauwereyns, Bert Lema, Gerry van der Linden (N), Mark Meekers, Yvonne Né (N), Edith Oeyen, Francis de Preter, Eric Rosseel, Xavier Roelens, Hannie Rouweler, Ina Stabergh, Peter Theunynck, Joris Maurits Vanhaelewyn en François Vermeulen.

Is vanaf heden te bestellen
bij Thierry Deleu, 8670 Oostduinkerke op rekeningnr. 000-0900214-54
18 €

Demer Press is een e-uitgever die poëzie toegankelijk wil maken voor iedereen. Demer Press heeft een eigen website! Auteurs aanklikken, als u belangstelling heeft voor de dichters en vertalers die bij Demer Uitgeverij/Demer Press publiceerden. E-adres: info@demerpress.be

…………………………………………………………………………………………….

DE BEVLOGEN PEN VAN THIERRY DELEU

In de zojuist verschenen bundel met essays over poëzie Dichters dromen lucide toont de auteur Thierry Deleu zich van zijn beste en meest veelzijdige kant. Opvallend hierbij is de titel, die hij koos, voor zijn eigengereide keuze “10 jaar Nederlandstalige poëzie”, waarbij opvalt dat zijn keuze en waardeoordeel geheel aan zichzelf toe te schrijven zijn: evengoed hadden ook andere dichters en dichtbundels in een dergelijke verzameling essays kunnen staan. De smaak en voorkeuren van elke recensent, criticus, zijn immers anders. Hij verantwoordt zijn selectie degelijk en geloofwaardig in de voorafgaande inleiding, voorin het boek Dichters dromen lucide, in het “Ten geleide”.

In al zijn essays graaft hij diep in de betekenis van een gedicht en de structuur. Hij vermijdt vragen en onzekere factoren hierin niet. Het is lang niet altijd zo klaar als een klontje wat een dichter beweegt tot zijn/haar gedicht, wat er wel of niet staat, en wat hiervan de mogelijke achtergrond zou kunnen zijn. Hij voegt zeer persoonlijke opmerkingen en inzichten toe, aan elk essay, en geeft aan wat hem niet of juist wel aanspreekt in het werk van een bepaalde dichter. Dat doet hij met grote gedrevenheid, passie, inzicht en kennis.

Mijn nadruk ligt nu op de titel en het woord lucide, dat veelbetekenend is, omdat het tevens het landschap van de dichtkunst invult: de dromen, de illusies, de gevoelens, de werkelijkheid, de werkelijkheid achter de werkelijkheid, de betrouwbare en onbetrouwbare interpretaties van woorden en versregels. Dit alles komt u tegen in deze prachtige, vlot geschreven uitgave Dichters dromen lucide, een breed aanbod van bekende en onbekende dichters uit Nederland en Vlaanderen.

Een lucide droom is een droom waarbij de dromer zich bewust is van het feit dat hij droomt. Het begrip is geïntroduceerd door de Nederlandse psychiater en schrijver Frederik van Eeden in een artikel voor het tijdschrift Proceedings of the Society for Psychical Research (SPR) (volume 26, 1913) getiteld A Study of Dreams. Met 'lucide' verwees hij naar de heldere staat waarin de dromer zich bevindt.

Hannie Rouweler,
Demer Uitgeverij
(Diepenbeek)