Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans

Stichtingsdatum: 1 februari 2007


"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"

"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.

31 oktober 2011


het woord is een buurman

schrijven is toekijken
hoe de woorden zich vermaken
hoe ze het maken
en als goede buren bij elkander staan

denk niet dat ik dit heb uitgedacht
ik schreef wat over knopen
doorgehakt, ontward

bij voorbaat weet je nooit
hoe het zal lopen: de woorden
hebben hun gedacht, humeurig
zijn ze, sommige dagen
niet om aan te spreken:
ze praten liever in de nacht

tijdens het koudste uur
tussen hond en wolf

een dichter leert ze kennen
op de duur, hij kan hun streken
wel verdragen, hij weet
dat ook een woord
naar een lezer smacht
zoals een buur die in de deur
komt staan, schijnbaar
uit verveling, zijn ogen
volgen het voorbijgaan
maar het is de mededeling
waarop hij wacht

Staf De Wilde

GEHEIMTAAL

De geheimtaal
van steenmos
op een betonnen paal

een late libel
wat broosheid
op een rietstengel van september

ik liep langs het wegje van de nazomer
waar ik zachtjes oud mocht worden
op een steenworp van de eeuwigheid.

Fernand Florizoone 
(okt. 2011)

Welcome (Philippe Lioret, 2009)

Deze film gaat over het vluchtelingenvraagstuk, we zagen hem gisterenavond op Canvas: emotioneel zeer sterk. Een jonge Koerd uit Irak bereikt na vier maanden Calais waar hij het kanaal desnoods wil over zwemmen om bij zijn geliefde in Engeland te komen. Een Franse zwemleraar wil helpen en verschaft hem onderdak. Dit is tegen de Franse wet: hulp aan illegalen is strafbaar. Vandaar het cynisme in de titel: deze vluchtelingen zijn allesbehalve welkom.
We worden nog maar eens met onze neus op de feiten gedrukt: het vluchtelingenprobleem is quasi onoplosbaar. Toen Patrick Dewael Belgisch minister van binnenlandse zaken was, heeft hij in De Morgen een opiniestuk geschreven; hij onderscheidde drie niveaus: het nationale, het Europese en het oorzakelijke.
Ik zou daar een vierde niveau aan toevoegen, namelijk het lokale. Denk aan de plannen van Dewaels voorganger, Johan Vandelanotte, die asielcentra wou oprichten in Westende en in Neerpelt (Hengelhoef). In beide gevallen botste hij op het verzet van de lokale middenstand die van een rechter gelijk kregen. In beide gevallen was het doorslaggevend argument: een vakantiedomein is niet bedoeld voor permanente bewoning. Het hypocriete was dat de domeinen achteraf verkocht werden en toch permanent open kwamen voor vakantiegangers, maar dat is geen probleem want deze vakantiegangers zijn immers klanten van de middenstand.
De moeilijkste aspecten van het vluchtelingenprobleem zijn dus het nimby-syndroom en de toestanden in de landen van oorsprong (onveiligheid en extreme tegenstellingen qua inkomen).
Onder meer om deze reden ben ik altijd een tegenstander geweest van de oorlogen in Afghanistan, Irak en Libië: ze hebben vluchtelingenstromen op gang gebracht want ze hebben de onveiligheid alleen maar doen toenemen. Militaire operaties onder het mandaat van de UNO zijn voor mij enkel aanvaardbaar wanneer ze de lokale bevolking bescherming bieden. Zo heb ik al herhaaldelijk gepleit voor een interventie in Oost-Congo om daar de dorpelingen te beschermen tegen gewapende bendes die moorden en verkrachten (en het Congolese leger doet lustig mee).
Ik kom tot een dubbel besluit: de stromen zullen blijven komen zolang de oorzaken niet worden weggenomen. En ten tweede: onze moraal (die christelijk of humanistisch is) verplicht ons om vluchtelingen gulhartig te ontvangen. Maar vermits we in een klein en dicht bevolkt landje wonen is onze opvangcapaciteit beperkt. Om die reden zal een vreemdelingenbeleid voor de ene altijd te streng zijn en voor de andere te laks.
Maar ik herhaal: er moet gewerkt worden op alle niveaus tegelijkertijd. We moeten ons dus engageren voor een veiliger en meer rechtvaardige wereld in ons eigen belang. Mensen in armoede of onveiligheid gedragen zich niet allemaal als de heilige man Job die geduldig op zijn mesthoop bleef zitten, om het even welke rampen hem overkwamen. De meest dynamische onder de miseriemensen komen in beweging.

Staf De Wilde
De Haan 31 oktober 2011

NIETS IS WAT HET LIJKT (recensie)
Thierry Deleu – roman – uitgeverij Boekscout.nl Soest – 2010 – ISBN 978-90-8834-758-0, ill. Cover Mia Goovaerts, cover Peter Deleu.

Niets is wat het lijkt, is de zevende roman die Thierry Deleu in een korte tijdspanne tot een goed einde brengt. Een verhaal van drie mensen verenigd in één archetype Riet, dat zowel de vrouw, de non als de hoer herbergt.
Soms bevreemdend, soms verwarrend, soms intrigerend, zo kun je deze psychologische roman wel noemen. Boeiend vanaf de eerste bladzijde tot de laatste, ook al geeft de auteur soms teveel prijs, soms te weinig, maar misschien heeft hij juist bewust voor deze stijl gekozen om de intrigerende en mysterieuze sfeer in het boek daardoor aan te scherpen. De verschillende hoofdstukken worden voorafgegaan door korte, poëtische teksten die de lading van wat volgt, dekken.

Dirk, één van de hoofdpersonages, is geobsedeerd door zijn eerste lief, Riet, die hij op een eerder naïeve wat stuntelige manier probeert te benaderen op het schoolbal. Riet ontglipt hem.  Hoe kan het ook anders: zij is een vlinder van het zuiverste soort, fladderend van jongen naar jongen, van man naar man, een ontluikende vrouw die naar zichzelf op zoek is.

De eerste verliefdheid wordt knap en raak beschreven: vlinders in de buik, onschuldige liefde die iets mooi en zoets achterlaat.

Maar de onschuld verdwijnt, zoals meestal bij het opgroeien. Riets ongewone nieuwsgierigheid naar het leven verhindert haar greep te krijgen op stabiliteit en rust, of zit een jeugdtrauma hier voor iets tussen, waarbij de auteur verwijst naar incest tussen de vader en de elfjarige Riet.  Dirk komt het te weten van Ina, de zus. Misbruik is van alle tijden, in de toenmalige tijdsgeest werd er over gezwegen omdat er een groot taboe rondhing.
In de huidige moraliteitsgeest wordt het in geuren en kleuren en zonder verhullende franjes verteld, maar hoe de zegging ervan ook gebeurt, het blijft een nooit weg te werken misdrijf dat bij ontelbare mensen een blijvend trauma heeft veroorzaakt, en nog steeds veroorzaakt. De dialogen op blz. 34 e.v. hieromtrent konden mij niet ontdoen van het storende element dat de auteur juist hier dieper had moeten beschrijven, uitdiepen, veroordelen ook. Het eerder ‘zomaar’  en bijna ‘en passant’ vertellen dat beide meisjes (ook de zus) door de vader werden misbruikt, zadelde mij met een dubbel gevoel op, alsof misbruik iets alledaags, gewoon en aanvaardbaar is geworden (of ‘was’ om in de toenmalige tijdsgeest te blijven).  Temeer omdat de moeder ervan op de hoogte was, maar zweeg uit angst. De gehele dialoog over dit vreselijke gebeuren kon mijn ontgoocheling niet temperen. Maar dat is dan ook een persoonlijke mening en doet in se geen afbreuk aan het verhaal omdat dit ontstaan is uit fictie. Toch moet men denk ik voorzichtig te werk gaan als dergelijke delicate onderwerpen in een verhaal ter sprake komen.

Vervolgens verplaatst de auteur zich in de non. Maar ook dit personage biedt geen redding voor de immer zwervende  destructieve Riet. En laten we besluiten: ook de hoer niet. Het is tenslotte de auteur, die op schouderhoogte toekijkend (de duif op de cover) de raadselachtige Riet ontmantelt. Maar is dat wel zo want tenslotte is niets wat het lijkt?

De stijl is duidelijk, goed leesbaar met niet teveel moeilijke omzwervingen of lange psychoanalytische tirades of uitleggingen, gestructureerd en in een klare onomwonden taal. De cover, een ontwerp van Peter Deleu, met een schilderij van Mia Goovaerts, toont een engelachtig wezen dat dromerig en ietwat afwezig in het ijle staart. Mooi en in harmonie met elkaar en met het verhaal.

In het boek is een constante spanning aanwezig.

Enkele minpuntjes in het boek zijn voor mij het soms wat dialectisch taalgebruik, zoals: ‘Het boeit mij op dat de rebelse Riet (…); ‘Behalve dat ik zat kom, gebeurt er niets dat mij ontroert’; ’een groep Hollanders stormen het terras op’. Hier slaat het werkwoord op een groep en niet op de Hollanders afzonderlijk.

Een degelijke en kritische eindredactie is van essentieel belang voor het afleveren van een perfect literair werk en daar werd mijns inziens in dit boek niet genoeg aandacht aan besteed. Niettegenstaande dit heb ik ‘niet is wat het lijkt’ in één ruk uitgelezen en heeft het verhaal mij geboeid van begin tot einde.

Patricia De Landtsheer


30 oktober 2011

DE KLEUR VAN STILTE

De kleur van stilte
in witte rozen
ter uitvaart gedragen.

Was het de droom
van de dode?

Hij was witter
dan sneeuw.

Fernand Florizoone

DE BOURBON: MIJN DOLCE VITA!


Al jaren schreeuw ik mijn voorliefde uit voor de Bourgogne. Om velerlei redenen.

Historisch
waren Vlaanderen en Bourgondië één rijk. Op school leerden wij over het Bourgondisch tijdperk. Een verhaal van de op- en ondergang, waarin wij kennis maakten met de opeenvolgende hertogen, hun echtgenoten en minnaressen, met de pracht en praal van het hofleven, de artistieke exploten en de grote, soms spectaculaire gebeurtenissen van die dagen, zoals de pest en de honderdjarige oorlog.
In 1369 trouwde Margareta van Male, de erfdochter van de Vlaamse graaf, met Filips de Stoute, hertog van Bourgondië. Opgezet door de Fransen om Vlaanderen in te palmen, zou het Vlaams-Bourgondische rijk zich op de duur echter tegen Frankrijk keren.
Het werd een bittere strijd, waarbij Karel de Stoute in 1477 alles leek te verliezen, maar uiteindelijk zou zijn nazaat, Keizer Karel, Frankrijk toch op de knieën dwingen. Het resultaat werd de eenmaking van de Nederlanden, waarvan de brokstukken vandaag nog voortleven als België, Nederland en Luxemburg.

2

In Bourgondië is het perfect mogelijk
zegt zij dat je het leven aan de lichte
kant bekijkt ook al is de dood nabij
de angst bedwongen met een kracht die niet

des mensen is en opnieuw dwalen mijn
gedachten af naar Karel de Stoute
in mijn strijd tegen het gezag van grote
mensen met veel wetenschap en zo

weinig geloof in het mysterie van
de natuur ik noem het liever de
kosmos het heel-al dat mij niet bang maakt
maar hoop geeft op eeuwigheid in leven.

Historisch - maar dan dichterbij - de figuur Joris van Severen. Op 6 oktober 1931 richtte hij het Verdinaso op, dat geen partij was, maar een op het fascisme geïnspireerde vereniging van Groot-Nederlanders.
De Belgische staat bestreed de militante beweging van Van Severen. Onder invloed van die repressie, en waarschijnlijk ook door een ideologische evolutie, kondigde Van Severen de Nieuwe Marsrichting aan. Het Groot-Nederlandse ideaal werd ingeruild voor het Dietsland. Dat Dietsland strekte zich uit van Nederland tot Wallonië en Frankrijk (Artesië en Picardië) en viel samen met de Bourgondische Nederlanden van Karel De Stoute.
Ondanks het opgeven van de anti-Belgische houding bleven de traditionele kringen argwanend. Nog voor de Duitsers België binnenvielen werd Van Severen op 10 mei 1940 opgepakt en zonder duidelijke aanleiding uitgeleverd aan de Fransen.
Pas 40 jaar later heeft België zijn fout in deze zaak officieel erkend.

Geografisch
is Bourgondië of Boergondië (Frans: Bourgogne) een van de 26 regio’s van Frankrijk. Het heeft een lange geschiedenis als koninkrijk en hertogdom en is eeuwenlang een machtscentrum van betekenis geweest. Tot aan de Franse revolutie bleef het een zelfstandige Franse provincie rond de stad Dijon. In 1790 verdween het en werd het opgedeeld in departementen.

Culinair
is Bourgogne wereldberoemd vanwege de grote rode en witte wijnen die er worden geproduceerd van vooral de pinot noir (rood) en de chardonnay (wit). In 2003 besloeg het totale oppervlak wijngaarden 28.530 ha. De departementen binnen Bourgogne zijn: Yonne (Chablis), Côte-d’Or (Côtes de Nuits en Côte de Beaune), Saône-et-Loire (Chalonnais en Mâconnais), Nievre en verderop ligt het wijngebied Beaujolais deels in de Bourgogne.

In tegenstelling tot de Bordeaux waar grote hoeveelheden wijn onder één châteaunaam of appellation worden verhandeld, bestaat er in Bourgogne een (niet altijd vriendschappelijk) samenspel tussen wijnbouwers en handelshuizen, de négociants.
Door de versnippering van de wijngaarden kwam het regelmatig voor dat een individuele wijnboer een dusdanig klein stukje grond in een wijngaard had, dat hij daarvan één vat wijn zou kunnen maken, goed voor 25 kisten wijn van elk 12 flessen. Deze wijnbouwers verkochten dan vaak hun druiven aan een handelshuis dat de druiven uit die wijngaard kocht van de diverse eigenaren om er voldoende volume mee te krijgen om het uitbrengen van wijn met die appellation rendabel te maken. De wijngaarden van Bourgondië brengen prestigieuze wijnen voort.

8

We zeggen vaker we komen terug
als de jonge wingerd meisje wordt
druivelaar druif ons verleidt één met de
natuur geen rang of overwicht alle

en allen gelijk in het aanschijn van
de Meester nooit hield Hij zich ledig met
leugen ook niet als de leugen Hem
opsloot in kerken kerkers. Hij bleef

zwijgen toen ze vroegen na te zeggen
wat zij hadden opgesteld in wetten
zo zou ik willen dat de wijngaard
moeder wordt voor duizend monden.


Bourgondisch wordt gebruikt als bijvoeglijk naamwoord om aan te geven dat er genoten wordt van het leven.
De inwoners van de Zuid-Nederlandse provincies Noord-Brabant en Limburg en de Belgen worden vaak 'Bourgondisch' genoemd, omdat ze graag de tijd nemen voor een hapje en een drankje.

Toeristisch
is de streek trots op haar verrukkelijke gastronomie enerzijds, anderzijds heeft zij bezienswaardigheden die op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO staan en bovendien beschikt Bourgondië over een rivierennet van meer dan 1200 km te midden van ongerepte natuur.

Bourgondië kun je indelen in drie kernwoorden: adrenaline, adrenaline en adrenaline! Ik denk aan Cluny 2010, aan de romaanse kunst, aan de Route des Vins, aan de sfeervolle chambres d’hôtes te midden van de wijngaarden, aan de kastelen (Château de Saint Augustin, Château d’Avrilly, Château du Riau en vele andere).
Bourgondië is een paradijs voor liefhebbers van romaanse kunst, voor fijnproevers en lekkerbekken, voor liefhebbers van historisch erfgoed.

Mijn hart klopt echter vooral voor de Morvan en de Bourbon. Dit land is mijn dolce vita! Hier vind ik de kleine dingen van het leven, hier kan ik wandelen, cruisen, luisteren naar de dorpelingen, hun legenden en verhaaltjes over hun dorp, een mix van magie en bijgeloof. Het land van troubadours en acrobaten.
Bourbon bezit een groot aantal kleine romaanse kerkjes (Saint-Menoux, Yzeure, Marigny, Bourbon-l’Archambault). Bourges, Autun en Clermont liggen onderweg vele pelgrimstochten.

16

Rijden door wijnvelden de smaak van
druiven op je lippen je
smaakpupillen werpen zich op
als infonauten alles is

zo onwezenlijk echt dat je
gaat dromen van het paradijs
in Bourgondië rij je uren
over wijnbergen memoriseer

je rijen etiketten van
de beste wijnen en wanneer
de boer jou verwelkomt reik je
hem de hand voelt hij hoe klam

proeven is een zaligheid
even walsen zien hoe de wijn
traant langs de kelk kijken ruiken
proeven met de ogen dicht.

Moulins is een kunst- en historische stad. Getuige van het mecenaat van de hertogen. De geplaveide straten in de historische wijk, houten huizen, plafond- en muurschilderijen in kerken en kapellen, historische monumenten. Een bijzonder mooie triptiek in de kathedraal: de Maagd (van de Apocalyps), met graaf Pierre II en gravin Anne de Beaujeu, “haar” mecenassen.
Souvigny, de site van Cluny, de belangrijkste bedevaartplaats in de Bourbon. De kerk van Sint-Pieter en Sint-Paulus, het kloosterhof van de priorij.
Bourbon is bosrijk, met een traditie van pachters, bekend om de typische veeteelt, “le charolais”, maar ook om zijn artisanaal dakwerk.
Bourbon bezit een uniek net aan waterlopen, waarvan de Allier de belangrijkste is. Grote meanders, prachtige fauna en flora, met 250 soorten vogels. De Allier biedt ook de wandelaar mooie wegen, de vissers visrijk water, de kanovaarders een lang parcours.

De streekgerechten hebben nergens zo’n groot assortiment: de Charolais, de aardappelpastei, gegratineerde schijfjes, broodpastei, mosterd van Charroux, olie van Lapalisse, vlees van bizon en lama, confituren, chocolade, honing, kazen.

Ontsnappen
aan de druk van het dagelijkse bestaan en in een gemoedelijk ritme het leven van de aangename kant bekijken, dat is in de Bourbon best mogelijk.
De Bourbon is de ideale plek om de jachtigheid en de spanningen van je dagdagelijkse werk achter jou te laten.
Voor de sportievelingen is de mountainbike een uitermate geschikt vehikel om te sporen langs de paden van het Morvan-natuurpark. Heb je “zeevaardersbloed” in je, dan kun je hier de vaarvakantie van je leven beleven op de sfeervolle kanalen en rivieren.
  
24

Onder groene dekens rust vinden
het megabed delen met zo weinig
liggen wij door heggen van elkaar
met af en toe een kudde stille koeien

druiven helpen plukken met de buur
dit is leven als God in Frankrijk
feestvieren met het dorp bij nieuw leven 
op bruiloft bij dood als de nood

groot is alle hens aan dek koeien   
helpen kalveren vrouwen helpen
persen het leven leiden zoals zij
het doen bij nacht en ontij.

Cressy-sur-Somme
De laatste tweemaal waren wij te gast in “Le Moulin du Gué” in Cressy-sur-Somme, bij familie van één van de beste wielrenners ter wereld, Tom Boonen.
Eddy en Greet zijn twee jonge veertigers, geboren en getogen in de Antwerpse Kempen. Na enkele jaren plannen en fantaseren werd hun droom werkelijkheid. Zij verhuisden naar de Bourbon om daar een  Chambre d’hôte, met bar en restaurant, uit te baten. Of lees: om er een nieuw leven te beginnen.

Om hun groot avontuur te volgen kun je altijd terecht op hun blog www.moulindugue.blogspot.com. Zij houden er een dagboek bij.


Een bladzijde uit het dagboek:
26.06.2010

Vandaag zijn wij achttien jaar gelukkig getrouwd. We zijn vast van plan om er nog een paar jaar bij te doen! We zijn goed bezig. We zullen de ingeslagen weg maar voort zetten, zeker? Dus vandaag is het een fijne dag, waarop al vele herinneringen aan toen de revue gepasseerd zijn. Weet je nog toen…?
Het is echter ook een beetje een trieste dag: we weten van gisterenmiddag dat Tom een paar weekjes verplichte rust moet houden door een gekwetste knie. Dit betekent: zondag geen Tom in het BK en volgende week ook geen Tom aan de start van de Tour. Wat in de eerste plaats heel jammer is voor Tom zelf en voor de ploeg en de sponsors, maar ook hier treurt heel het dorp. De mensen van het dorp keken er met z’n allen naar uit om Tom te zien voorbijrijden! En waarom niet winnen in Gueugnon?
Wij treuren, Cressy met ons, maar ik ben er zeker van dat er ook in België nog wel een paar met een lange lip lopen.
Kop op, Tom! Denk aan je gezondheid! Neem voldoende rust en tijd om alles goed te laten genezen en dan verwachten wij een super Tom in het najaar!
Je hebt dikke kussen en knuffels van het ganse dorp hier! Cressy-sur-Somme houdt van je!”

Greet en Eddy, Cressy-sur-Somme, de omgeving, de streek, de Bourgondië  hebben mij zo geboeid dat ik er een volledige gedichtenbundel aan heb gewijd: Bourgondische suite - Het Prieeltje Online, netbook 60, 2009. Zie http://www.hetprieeltje.net.
Enkele gedichten illustreren deze bijdrage.


Thierry Deleu,



In omgekeerde richting

Op zondagmiddag 20 november presenteren Hans Tentije en Bernlef hun nieuwe bundel ‘In omgekeerde richting’ in cultureel centrum en voormalige Lutherse kerk De Groene Zwaan in De Rijp. De twee dichters kennen beiden het kustgebied van Noord-Holland goed. De keuze voor het thema lag dan ook voor de hand: de zee. De gedichten uit ‘In omgekeerde richting’ zijn niet alleen een ode aan de zee en de kust waarmee Tentije en Bernlef zich verbonden voelen. Ze fungeren vooral ook als zoektocht in omgekeerde richting, naar herinnering en verleden, naar wat nog gered kan worden van het vergeten.

Er is die middag niet alleen literatuur in De Groene Zwaan, maar ook live muziek van de Amsterdamse Barbara Breedijk, die wel eens de nachtclubzangeres onder de singer-songwriters genoemd is. Ze speelt een verrassend Nederlandstalig repertoire, dicht tegen kleinkunst aan. En uiteraard is de bar met een ruime keuze uit Limburgs en Belgisch bier, wijn van de wijnkaart en alle soorten fris de hele middag open. Reserveren dringend aanbevolen, er is beperkt plaats!

De Groene Zwaan, Rechtestraat 12-14, De Rijp
Zondag 20 november 2011, 15:00 (zaal open 14:30), entree 8 Euro
Reserveren via info@degroenezwaan.nl of 0299- 671697

29 oktober 2011



Aan Vlaams minister Pascal Smet over onderwijspolitiek en onderwijsbeleid


Als kabinetsmedewerker (1995-1999) heb ik de hervormingen secundair onderwijs op de eerste rij meegemaakt, beleefd (= dagelijks nieuwe argumenta voor en tegen), opgevolgd. Ik schets de analyse, de diagnose, het hervormingsplan en het resultaat.
Mijn punt is: “In plaats van overhaast de bachelor-masterstructuur in Vlaanderen aan te zwingelen zou de minister niet beter het secundair onderwijs te gronde hervormen?”
1. Tot eind van de jaren '80 is er in ons land wel heel veel onderwijspolitiek bedreven, maar onderwijsbeleid bleef aan de oppervlakte. Het verwijt kwam van alle kanten, maar de politieke partijen hadden weinig redenen om elkaar te beschuldigen. Het gevoerde beleid was gewoon té politiek, té chaotisch en té Belgisch.
De meeste ambtenaren ontging het onderscheid tussen administratief beheer en onderwijsbeleid; de politici vielen eerder op door beleidsonthouding en personeelsinmenging dan door deskundigheid; de vakbonden ontwaakten op verkeerde tijden; de pedagogen bleven vaak steken in quasi-theoretische beschouwingen; de leerkrachten werden overwegend in beslag genomen door hun dagelijkse arbeid en hun groepsbelangen.
Dat gezamenlijk falen moet vooral worden verklaard uit de aanwezigheid van een sociaal en politiek klimaat dat enkel een administratief-juridisch beheer en kleine bijsturingen van het bestaande onderwijssysteem toeliet. Wij hebben de tekenen des tijd niet kunnen of niet willen verstaan. Dat is in hoofdzaak te wijten aan het feit dat voldoende wetenschappelijk inzicht ontbrak om een onderwijsbeleid van enige allure te kunnen opbouwen.
In de beginjaren ’90 werd echter veel op gang gebracht dat ons hoopvol stemde voor de toekomst. Ik denk onder andere aan het oprichten van het gemeenschapsnet, de ARGO, aan de initiatieven i.v.m. lokaal onderwijsbeleid, aan de opsplitsing van de oude inspectie in inspectie en begeleiding (toevertrouwd aan de verschillende onderwijsnetten), aan de lopende navormingsprojecten.
Toen echter belangrijke denkpistes, zoals vrijwillig fusioneren en het aanmoedigen van samenwerkingsverbanden tussen scholen en netten (met als onvermijdelijk resultaat schaalvergroting die scholen meer beleidsautonomie zou geven op administratief, financieel en pedagogisch vlak), aan bod kwamen, wrongen ineens vele schoentjes.
Nochtans waren de aangebrachte argumenta goed doordacht, helder en vooral logisch.
Het nieuwe beleid zag in dat het economisch belang van het onderwijs, naast het educatieve en culturele, zowel voor het individu als voor de gehele samenleving, niet alleen bepaald wordt door de mate van zijn kosten die nog voortdurend stegen, maar ook door zijn productieve bijdrage tot de welvaart.
Die belangrijkheid overschreed ver de grenzen van de inrichtende machten die rechtstreeks voor het onderwijs verantwoordelijk waren. De competitie (ook binnen regeringsonderhandelingen en het nemen van beleidsopties) met andere gemeenschapsbelangen werd steeds feller en de toekomstige ontwikkeling van het onderwijs werd een staatkundige (in casu Vlaamse) aangelegenheid van de eerste rang.
2.De krachtlijnen van een hervorming bleven overeind tot de toepassing ervan werd besproken. Was het nu zo moeilijk om wat volgt, in de praktijk te brengen?
“Het onderwijsbeleid moet op positieve en competente wijze zijn aandeel in die competitie leveren. Om dat te kunnen doen, dient de onderwijsadministratie een nieuwe filosofie aan te kleven, die de rode draad wordt in het onderwijsbeheer.
Voor een goede relatie met de economie zal ook het onderwijs een bijdrage moeten leveren tot het onderzoeken van de betrekkingen tussen de economische constellatie en het eigen functioneren.”
Wat betekende dat?
In de beginjaren ’90 werd eindelijk ook hardop gezegd dat de distributieve onderwijspolitiek was achterhaald en plaats moest maken voor een constructieve politiek. Dat dit niet zonder slag of stoot gebeurde, kan ik als actor - in die tijd was ik kabinetsmedewerker - getuigen.
De distributieve politiek ontstond vanaf de strijd om het recht op formele en materiële vrijheid van onderwijs, die quasi uitmondde in de financiële gelijkstelling tussen rijks- en vrij onderwijs. Het was een politiek waarbinnen de vraag naar verdelende gerechtigheid en het recht van verscheidenheid van levensovertuigingen domineerde. Zo'n overheidsbeleid maximaliseerde de financiële en minimaliseerde de onderwijskundige aspecten.
De ontwikkeling van rechtsstaat tot welvaartsstaat en van welvaartsstaat tot welzijnsstaat betekende (en betekent), dat onze samenleving een veelheid van waarden ging nastreven en dat de politiek, ook die van het onderwijs, haar doelstellingen moest ontlenen aan een pluriformiteit van maatschappelijke doelstellingen.
Om een constructieve onderwijspolitiek te kunnen voeren, dienden de beleidsstructuren te worden herzien. Die herziening behelsde o.m.:
  • de administratief-bureaucratische structuur van het schoolbeheer;
  • de eenzijdige juridisch-administratieve kwaliteit en mentaliteit van de ambtenaren;
  • de relatie tussen zij die besturen en zij die bestuurd worden, de taakverdeling tussen het     centrale bestuur en de lokale besturen;
  • de voor- en nadelen van centralisatie en decentralisatie van het onderwijsbestuur;
  • de opleiding en inzet van directies en leerkrachten;
  • de communicatie en de participatie van de dichtst bij het onderwijs betrokken personen en groepen.
3.Onderwijspolitiek, onderwijsbeleid en onderwijsplanning zijn niet alleen nauw met elkaar verbonden, maar overlappen elkaar ook gedeeltelijk.
Politiek kan worden gezien als het resultaat van beslissingen van een bestaand politiek systeem dat is opgebouwd uit een netwerk van machtsrelaties en van daarmee verbonden processen, waardoor het systeem zich continueert of wijzigt.
De beslissingen die het politieke systeem heeft genomen, moeten worden omgezet in een samenstel van beleidsmaatregelen. Dit totaal van maatregelen vormt het onderwijsbeleid.
Noch de onderwijspolitiek noch het onderwijsbeleid kan op niveau opereren zonder relevante informatie. De onderwijsplanning zal voor een belangrijk deel deze informatie moeten verschaffen. Onderwijsplanning wordt dan ook beschouwd als de hoeksteen van alle onderwijspolitiek en van het daarmee verbonden onderwijsbeleid.
In de totale strategie zijn de beslissingen over de doelen en het in te voeren onderwijsplan voorbehouden aan de onderwijspolitiek; de uitvoering wordt toegewezen aan het onderwijsbeleid en de onderwijsplanning informeert, ontwerpt, voert in en evalueert.
Tot daar was iedereen het erover eens.
  • In onze samenleving moeten de volgende doelen worden verwezenlijkt:
  • ontplooiing van het individu;
  • gelijke onderwijskansen;
  • voorziening in de behoefte aan opgeleide mankracht;
  • efficiënt gebruik van de beschikbare middelen.
Hieruit volgt dat onderwijsplanning allerminst mag worden gezien als alleen dienstbaar aan de economische behoeften. Evenzeer moet worden gedacht aan diepte-investeringen.
De kwaliteit van het bestaan neemt toe als de onderwijsgroei toeneemt. We zullen er allen mee moeten leren leven dat meer onderwijs niet altijd meer inkomen en een hogere positie op de maatschappelijke ladder tot gevolg hoeft te hebben.
Inrichtende machten en vakbonden moeten nu eens eindelijk beseffen dat planning nagenoeg niets te maken had met kleuren en zuilen, maar alles met het feit dat onze samenleving het zich niet kan veroorloven de omkadering en de kwaliteitsverbetering van het onderwijs te laten bepalen door beslissingen ad hoc en toe te vertrouwen aan uitvoerings- en controlemechanismen die niet meer aan de eisen van de tijd voldoen. De ideologisering van de planningsgedachte is al te vaak de doorslaggevende factor geweest bij het nemen van onderwijspolitieke beslissingen en bij het uitstippelen van een daaraan beantwoordend onderwijsbeleid.
Een onderwijsplanning die daarnaast te fragmentarisch te werk gaat, loopt het risico in fouten te vervallen die dikwijls werden gemaakt bij de achtereenvolgende wijzigingen van het onderwijssysteem in ons land. Bij het ontwerpen van een onderwijsplan moesten dan ook alle aspecten worden doordacht voor alle niveaus van het onderwijssysteem. Partiële structuurplannen, bestemd voor één bepaald niveau, maakten deel uit van een beleid dat nauwelijks op de invoering ervan was voorbereid. Prioriteiten konden pas worden gesteld als planmatig was doorgedacht voor het gehele onderwijs.
4.Het nieuwe onderwijsplan zou volgende items omvatten:
  • een omschrijving van de doelen die het systeem moet trachten te realiseren;
  • een of meer onderwijsstructuren, die kunnen bijdragen tot de realisatie van de gestelde doelen;
  • een overzicht van de leerstof en de leermiddelen die moeten worden ingevoerd om de gestelde doelen te bereiken;
  • een analyse van de condities die vervuld moeten worden om de invoering en de uitvoering van het plan optimaal te waarborgen;
  • een overzicht van het onderzoek dat verricht moet worden;
  • een prioriteitenschema dat aangeeft wat op korte tijd, op middellange tijd en op lange termijn kan worden verwezenlijkt;
  • een kwantitatieve analyse van de vraag naar onderwijs en van de vraag naar door het onderwijs gevormde mankracht;
  • een kwantitatieve analyse van de kosten van de gewenste onderwijsgroei.
Logisch toch? Een onderwijsplan moet in grote lijnen bestaan uit een maatschappij-mens-visie, een pedagogisch project en een kosten-baten analyse.
Voor de fasering van de planning moet de minister kiezen voor een fase-indeling die zich leent voor toepassing op kleine en grote onderwijssystemen. In concreto: de les, de klas, een leergang, een school, een lokaal, een gewestelijk onderwijssysteem vallen onder het bereik van deze fasering.
Volgende fasen worden onderscheiden:
  • de identiteitsfase (zich informeren over de onderwijsbehoeften);
  • de ontwerpfase (het omzetten van de informatie in modellen en plannen);
  • de invoeringsfase;
  • de uitvoeringsfase;
  • de evaluatiefase;
  • de generalisatiefase (na te hebben nagegaan welke bijsturing gewenst is en welke uitbreiding geoorloofd is).
Deze fasen moeten expliciet te herkennen vallen in de structurele opbouw van het beleid. De disfunctionaliteit van de ontelbare commissies, centra, diensten en raden moet voor een belangrijk deel worden toegeschreven aan een gebrek aan expliciete fasering. Zij praten, schrijven en evangeliseren doorgaans in een vacuüm, omdat ze niet gedekt zijn door een duidelijke onderwijspolitiek en omdat ze kampen met een gebrek aan informatie.
Voor de optimalisering van het onderwijssysteem moeten echter een aantal voorwaarden, deels van technische en deels van mentale aard, worden vervuld:
De Vlaamse Gemeenschap diende te worden verdeeld in een aantal samenwerkingsverbanden (onderwijsregio’s). Deze samenwerkingsverbanden konden worden beschouwd als subsystemen die functioneerden binnen het nationaal onderwijssysteem.
In deze samenwerkingsverbanden zou een onderwijsraad worden gevestigd (een scholenraad). Het juridisch-administratief apparaat zou de samenwerkingsverbanden optimale steun bieden bij de uitvoering van de onderwijsplannen.
Inspraak en participatie van de leerkrachten in het beleid moesten ernstig genomen. Bovendien zou de kwaliteit van hun opleiding worden verbeterd. Niet de nazorg (bijscholing), maar de voorzorg (opleiding) diende te worden beklemtoond.
De krachtlijnen van de vernieuwing moeten ook in elke school zelf worden ingebouwd. Met volgende prioriteiten:
  • de vernieuwing van het bestuur en het beheer van de school;
  • de motivering van de leerkrachten;
  • de actualisering van het onderwijsproces;
  • flexibiliteit in de financiering van de school;
Evenals in economisch opzicht wordt dus ook onderwijskundig in grotere eenheden gedacht: in samenwerkingsverbanden tussen de netten.
Onderwijsresearch fungeerde voor de jaren ’90 nog te veel als congresthema en nauwelijks als gangbare praktijk. Zij die zich met onderwijsresearch bezighielden, konden nauwelijks spreken van enige systematisch programmering van hun activiteiten, of van garanties voor continuïteit, of van onderlinge afstemming en coördinatie, of van een strategie voor de verspreiding en toepassing van hun resultaten.
Vanaf 1991 kwam ook op dat terrein echter een gunstige kentering. Ik denk onder andere aan de leerplanontwikkeling, de ontwikkelingsdoelen, de eindtermen, het schoolwerkplan, de vernieuwde werkvormen, de initiatieven i.v.m. de navorming, de discussie over empirisch georiënteerde onderwijsopleidingen.
Met overleg is er niets fout, op voorwaarde dat alle “partijen” (kleuren, zuilen, netten, vakbonden) op dezelfde golflengte zitten. Of op zijn minst bereid zijn om ernaar te streven.
In de 2de helft van de jaren ’90 waren de resultaten beperkt; de vooruitgang was miniem; de upgrade onvoldoende. De inspanningen om samenwerkingsverbanden te creëren die netten, kleuren en zuilen zouden overstijgen, kregen geen respons. De politiek, de vakbonden en de onderwijsmensen hebben de boodschap niet willen begrijpen en de intenties van de boodschapper slecht geïnterpreteerd.
Resultaat? De overwegingen en voorstellen die in de jaren ’90 werden geformuleerd over de vormgeving van het beleid kwamen onder het stof terecht. Ik hoopte dat het nieuwe beleid, en meer bepaald Vlaams minister van Onderwijs, maatregelen zou nemen die moesten bijdragen tot de ontwikkeling van een constructieve onderwijspolitiek in Vlaanderen.
Welke maatregelen moeten worden genomen om veel van bovenstaande mogelijk te maken? Om het eenvoudig te stellen: (kleine) scholen moeten samensmelten, of op zijn minst samenwerken, studierichtingen met heel weinig leerlingen moeten worden samengevoegd tot één aanbod in één school, de infrastructuur (het machinepark bv.) moet toegankelijk worden voor alle netten en alle scholen binnen een zelfde regio, netoverstijgende activiteiten en initiatieven moeten worden aangemoedigd. Dat zou een eerste stap zijn, maar het principe van de netoverstijgende samenwerkingsverbanden is het enige zaligmakende voor ondergetekende.
Ik kom op mijn punt terug: “In plaats van overhaast de bachelor-masterstructuur in Vlaanderen aan te zwingelen zou de minister niet beter het secundair onderwijs te gronde hervormen?”
Thierry Deleu,
eredirecteur secundair onderwijs

Mildheid

Zoek een vergeten beeld
in mijn diepste zijn waar
alles zo lang geleden lijkt.

Mildheid gekomen is door
teder verder groeien in tijd
waar het leven wonden heelt.

Schemer herinnering wordt
verleden opgevuld in een
liefdevolle lijn naar het heden.

© Paula Hagenaars

CONTRA VIENTO Y MAREA

MARIO VARGAS LLOSA EN DE CULTUUR VAN DE VRIJHEID

Francis Cromphout


Op 22 juli 1965 werd in Parijs de volgende verklaring gepubliceerd, getekend door 8 Peruaanse intellectuelen: “de guerrilla die in het Peruaanse hooggebergte is uitgebroken (de MIR) is geen geïmporteerd fenomeen vreemd aan onze werkelijkheid, maar het natuurlijke gevolg van een eeuwenlange situatie gekenmerkt door ellende, onrechtvaardigheid, uitbuiting en immobilisme… In die omstandigheden en opdat ons land zijn eigen rijkdommen zou kunnen benuttigen en zijn eigen lot in handen zou nemen, blijft er naar onze mening geen andere weg meer over dan de gewapende strijd.” Eén van de ondertekenaars van dit manifest dat de gewapende revolutie in Peru aanprijst werd 25 jaar later de presidentskandidaat voor het Fredemo, een politieke coalitie die ontstaan was tegen de poging tot nationalisering van de banken van voormalig president Alan Garcia. Het gaat om niemand minder dan Mario Vargas Llosa.
Toen ik in Lima was in april 1990 om de eerste ronde van de presidentsverkiezingen te coveren voor KNACK, zag men zowat overal de foto van Vargas Llosa prijken met de slogan “Ya se acerca el gran cambio” (“Daar komt de grote ommekeer aan”). Zoals jullie wellicht weten waren de politieke ideeën van de schrijver ondertussen geëvolueerd van het voorgaande revolutionaire statement van marxistische inspiratie naar iets wat men sindsdien neoliberalisme is gaan heten. Nochtans lijkt de slogan van “de grote ommekeer” revolutionaire connotaties te behouden. Dit revolutionair karakter vindt men ook terug in de politieke teksten van Vargas Llosa:” onze hervormingen zijn echt revolutionair”, schrijft hij, en “de privatisering van de publieke sector is een manier om op massale wijze het privébezit vooruit te duwen. Daar ligt de revolutie!”
Was dit een poging tot rechtvaardiging van zijn nieuwe politieke visie met woorden die herinneren aan zijn vroeger politiek discours? Men moet bedenken dat voordien Mario Vargas Llosa enkel een geëngageerd schrijver was en niet de politicus die hij toen geworden was. Men mag niet vergeten dat in het Latijns Amerika van de tweede helft van de twintigste eeuw, van de auteur vaak een standpunt werd verwacht ten opzichte van de extra-literaire werkelijkheid, iets wat zeker voor de jonge “Sartrillo”, bewonderaar van Sartre en diens “engagement” het geval was. In een artikel in El Pais uit 1984 schrijft hij:“In Latijns Amerika is een schrijver ook iemand waarvan een actieve bijdrage wordt verwacht voor de oplossing van onze problemen… Men eist van ons om voortdurend stelling te nemen over wat gebeurt en de anderen te helpen om een houding aan te nemen. “
Een verantwoordelijkheid die, in tegenstelling tot die van de politicus, de morele verplichting inhoudt om altijd tegenover de macht te staan en niet aan zijn zijde. Iets waarmee trouwens de presidentskandidaat het moeilijk had. En ik denk dat het om die reden precies is, om die inwendige contradictie te bezweren, dat de auteur politicus zowel in zijn discours als in de inhoud van zijn politieke boodschap een stevig onderbouwde ethische rechtvaardiging behoefde. In een interview uit die tijd in Le Nouvel Observateur bekende hij het volgende:
“Ik offer mijn roeping op als schrijver, welke niet compatibel is met de politiek. Immers de verovering en de uitoefening van de macht, is een ontkenning van de literaire activiteit. Ik heb me tot nog toe altijd beschouwd als een intellectueel die zich tegenover de macht opstelde, nooit aan zijn kant. Ik ben nu verplicht om mij mentaal en moreel te bezinnen in de optiek van die grote sprong. Geloof mij, ik lijd hieronder.”
Ook voor zijn ideologische ommekeer heeft hij discursieve vormen van rechtvaardiging ontwikkeld die hem zouden toelaten om in ieder etappe van zijn ontwikkeling te kunnen spreken vanuit de positie van de waarheid, wat hem mogelijk maakte om een kritische afstand te bewaren tussen zowel links als rechts, en dit, om de algemene titel van zijn essaybundels te gebruiken “tegen wind en (on)tij” (“contra viento y marea”). Hoe gebeurde die evolutie?
De sympathie van de jonge auteur Vargas Llosa voor het socialisme was in den beginne erg verbonden met de Cubaanse revolutie. Nochtans had zijn steun aan het regime van Fidel Castro toen al een kritisch kantje. Zo zag hij de censuur in de Sovjet Unie waarvan Andrei Siniavski, Yuri Daniel en Alexander Solsjenitsin het slachtoffer waren, maar dacht dat de zaken in Cuba anders lagen: “Het Cubaanse socialisme is een apart iets, en is sterk verschillend van wat er zich in het Sovjet blok afspeelt”, schrijft hij in 1962. De eerste twijfels duiken op als Fidel Castro de Sovjet interventie in Tsjecho-Slowakije goedkeurt en met de zaak Padilla is voor hem het hek van de dam. Met vier andere Cubaanse intellectuelen werd de auteur Heberto Padilla verplicht om zijn autokritiek te maken. Samen met o.a. Juan Goytisolo of nog Hans Magnus Enzensberger schrijft Mario Vargas Llosa een protestbrief aan Fidel Castro. Tevens schrijft hij een ontslagbrief als lid van het Redactiecomité van Casa de las Américas, waarin hij zegt: “Kameraden verplichten met methodes die in strijd zijn met de menselijke waardigheid, om zichzelf te betichten van ingebeelde vormen van verraad in een brief waarvan de schrijfstijl verwijst naar de politie taal, is de negatie van wat mij de zaak van de Cubaanse revolutie deed omarmen. Dit is niet het soort van socialisme dat ik wens voor mijn land.”
Toch breekt hij dan nog niet met de revolutionaire ideologie. In een interview in 1971 in het Peruaanse weekblad Caretas met César Hildebrandt verduidelijkt hij: “een zekere pers maakt misbruik van mijn ontslag bij Casa de las Américas om de Cubaanse revolutie aan te vallen vanuit een imperialistisch en reactionair perspectief. Mijn ontslag is een protest tegen een specifiek feit, niet tegen de Cubaanse revolutie in zijn geheel.”
Een tweede ontgoocheling die aan de oorzaak ligt van de politieke verschuiving van zijn ideeën ligt is de mislukte revolutie van Generaal Velasco in Peru. Met behulp van het leger en een politiek gekleurde bureaucratie werd toen een socialistisch regime ingevoerd vanaf 1968 doorheen nationaliseringen en een landbouwhervorming. In 1974, als tegenmaatregel voor de kritiek die zijn socio-economische politiek oogstte in de pers, tracht Velasco deze laatste te monopoliseren. Geëngageerd auteur Vargas Llosa schiet onmiddellijk wakker: “Het is in naam van de revolutie zelf dat ik de autoriteiten vraag om de overijverige ambtenaren van de PIP (Peruaanse geheime politie) terug te roepenen en de weekbladen Oiga en Caretas toe te staan om publiciteit te aanvaarden van commerciële ondernemingen” en iets later protesteert hij ook tegen het groeiende autoritarisme van het regime die de vrijheid van meningsuiting in gevaar brengt. Zoals voor de Cubaanse kwestie is ook hier de verdediging van de vrije meningsuiting de katalysator van zijn groeiende twijfel over de socialistische revolutie.
In zijn tekst “De revolutie van de sabels”, van 1975, als het desastreus karakter van de politiek van Generaal Velasco voor iedereen duidelijk begint te worden, laat Vargas Llosa voor het eerst zijn revolutionaire idealen vallen ten voordele van een democratisch systeem:
“Er blijft niets over van de zogenaamde Peruaanse revolutie, tenzij het geluid van sabels, een retoriek waar niemand meer in gelooft. Het is de hoogste tijd dat het leger zich terug toelegt op haar specifieke taken en de leiding over de Staat overlaat aan diegene aan wie de bevolking zijn stem zal verlenen. In een artikel van 1977 in Caretas, verwerpt hij het gewelddadig karakter van de revolutie en wijst op het belang van de middenklasse voor een verandering ten goede van de maatschappij. Iets wat hem voor het eerst situeert buiten alle extremen om van die tijd –zowel het linkse Cubaanse model als het rechtse Chileense model van Pinochet:
“De theorie van de gewapende strijd als enig antwoord op de socio-economische onrechtvaardigheid heeft de revolutie niet vooruit geholpen. Integendeel zij heeft zich de vijandschap op de hals gehaald van belangrijke sectoren die nodig zijn voor een verandering van de maatschappij, zowel bij de arbeiders, de boeren als de middenklasse en heeft bijgedragen tot de opkomst van gewapende dictaturen.
In een artikel uit 1978 over Jorge Semprun in het Spaanse tijdschrift Cambio 16, verwerpt hij diens blijvende trouw aan het communisme en toont zich een pragmaticus en politiek reformist:
“De echte oplossingen zullen nooit “ideologisch” zijn, maar pragmatisch, progressief, zoals wij ze hebben zien toepassen in de meest leefbare staten van de wereld, deze Noord-Europese democratieën, wier gestadige vooruitgang bepaalde intellectuelen, fans van politieke aardbevingen, niet kan enthousiasmeren”. Vargas Llosa identificeert zich hier voor het eerst met Westerse democratieën en distantieert zich van de linkse intellectuelen waarvan hij tot dan toe deel uitmaakte.
De breuk met zijn vorige ideologie is duidelijk voltrokken. Rest nu de toevoeging van het ideewoord “liberaal”. Dit duikt op in ditzelfde jaar in een artikel in het Peruaanse tijdschrift “Oiga” in een betekenis die zich wel nog beperkt tot die van de“vrijheid” die hij belangrijker acht dan de “gelijkheid”. Een discursieve ontwikkeling die Vargas Llosa stap voor stap tot de politieke actie zal leiden. In deze context is het erg belangrijk voor hem om te onderstrepen dat hij alleen op politiek vlak veranderd is maar niet op ethisch vlak:
“Hoewel ik nu totaal heb gebroken met de marxistische visie van mens en maatschappij, blijft mijn afkeer bestaan voor de economische ongelijkheden en de uitbuiting. Een decisieve factor in mijn opiniewijziging over het marxisme is het feit dat de methodes die door hem zijn geïnspireerd veel minder efficiënt zijn in het bestrijden van het onrecht dan die welke vertrekken van liberale en democratische filosofieën, nl. deze welke de vrijheid niet opofferen in naam van de rechtvaardigheid. En deze laatste zijn efficiënter omdat ze de vrijheid van informatie impliceren en bijgevolg het recht op kritiek." Opnieuw verschijnt hier de katalysator van de vrije meningsuiting, wiens positieve werking wordt benadrukt en waarvan de onderdrukking wordt verklaard als een gevolg van de socialisering van de productiemiddelen in marxistische dictatoriale regimes, om die reden inefficiënt volgens onze auteur. Onderdrukking die hij uitbreidt tot de fascistische regimes en de hybriden van beide systemen die zich in de Derde Wereld hebben ontwikkeld.
Toen hij kritiek begon te krijgen van vroegere literaire kompanen van linkse signatuur, zoals de Uruguayaanse dichter Mario Benedetti die hem verweet naar het ander kamp te zijn overgegaan, verwerpt hij een dergelijke satanisering met klem en eist de centrumpositie op, ver weg van zowel linkse als rechtse excessen. Hij maakt deze positie duidelijk door zijn kritiek op de VS toen het dictator Somoza steunde in Nicaragua: “in plaats van een soevereine bondgenoot verkiezen zij een slaafse gorilla en maken zij een democratisch meerpartijen stelsel onmogelijk wat enkel het marxistisch regime van de Sandinisten ten goede kan komen.”
In naam van deze “onbevooroordeeldheid” deed Vargas Llosa ook de controversiële uitspraken in de bijeenkomst van de Pen Club in New York in 1986 waar hij de Zuid-Amerikaanse intellectuelen indeelde in “hovelingen en “dissidenten”, waarbij hij Gabriel Garcia Marquez een “hoveling” noemde van Fidel Castro.
Tot nog toe hadden wij het over de verklaringen van geëngageerd auteur Vargas Llosa. Zijn eerste actieve rol in de politiek van zijn land, zal Vargas Llosa hebben in de context van de acties van het Lichtend Pad, die een aanvang namen de dag van de verkiezingen waardoor de democratie werd hersteld in Peru. De overwinnar van die verkiezingen, president Belaunde Terry richtte in 1983 een Onderzoekscommissie op, waarvan Vargas Llosa lid was met als opdracht uit te pluizen wat er gebeurd was in Uchuraccay, toen daar een groep journalisten vermoord werden. Het onderzoek concludeerde dat noch het Lichtend Pad, noch het Leger hiervoor verantwoordelijk waren, maar de dorpelingen zelf die de bemoeienissen van het Lichtend Pad beu waren en de journalisten verkeerdelijk voor terroristen aanzagen. Voor Vargas Llosa, was dit de eerste maal dat hij als burger optrad en niet als auteur. In zijn commentaar onderlijnt hij het belang van de democratie en de vrijheidsbeleving die zij impliceert: “met de democratie is de waarschijnlijkheid dat de waarheid aan het licht komt veel groter dan in een autoritair regime”. (interview in Oiga in 1983).
Na de ethische verantwoording van zijn ideologische ommekeer, rest hem het waarlijk revolutionair karakter van het liberalisme aan te tonen. Dit doet hij in de proloog van “El Otro Sendero” van Hernando de Soto onder de titel “de geruisloze revolutie”. Hernando de Soto, voormalig directeur van de Peruaanse Banco de Reserva en medewerker van de GATT, stichtte in de jaren 80 het Instituto Libertad y Democracia (ILD) met als doel de informele economie op de kaart te krijgen. De titel van het boek “Het andere Pad” suggereert het alternatief dat hij naar voren brengt voor de gewelddadige revolutie van het Lichtend Pad. Volgens hem is Staatsinterventie niet de beste manier om de onderontwikkeling tegen te gaan. Door zijn inefficiënte, vaak corrupte bureaucratie maakt die van de wettelijke economie een privilege voor wie al politieke of economische macht bezit. De informele economie, in plaats van een probleem te zijn, zou een spontane oplossing aanreiken. Zij is in feite het creatieve antwoord van de links gelaten bevolking aan een staat die hen belet om hun noden te lenigen. Door de vrije markt te openen (met andere woorden de wettelijke barrières te verwijderen) voor deze informele ondernemers, zou een nieuwe, sociale vorm van volkskapitalisme kunnen ontstaan. Voor Vargas Llosa is dit een kans om de linkse politici als conservatief af te schilderen door ze te identificeren met de “mercantilisten” die voor de Soto de oorzaak zijn van de onderontwikkeling. In de proloog laakt Vargas Llosa het “redistributieve” systeem dat hij definieert als “het toekennen van privileges aan een privé-élite, en als inefficiënt, immoreel en corrupt bestempelt. De liberale visie die hij “de optie van de vrijheid” noemt is dan de ware oplossing voor de armoede en de onderontwikkeling. In zijn besluit prijst hij het sociaal project van “El Otro Sendero” aan als een maatschappelijke omwenteling die de revolutie van de radicale ideologieën ruimschoots overtreft.”
Toch mogen we Vargas Llosa ideeën niet zomaar gelijkstellen met de visie van Hernando de Soto. Deze laatste behoorde in die tijd tot pragmatisch links (zijn boek is opgedragen aan zijn “linkse vrienden” wier idealen de Soto zegt te delen) en als we iets anticiperen op de feiten, zien we dat de Soto en Vargas Llosa in conflict komen, niet zozeer over hun ideeën maar over bepaalde politieke aanhangers van het Fredemo dat de presidentskandidaat Vargas Llosa steunt, daar verschillende onder hen evenzeer als “mercantilisten” konden bestempeld worden, behorend tot de profiterende economische elite van het land.
De volgende politieke daad zal de directe aanleiding vormen voor zijn kandidaatsstelling voor het presidentschap. Het is het massaal protest tegen de pogingen van de Apristische president Alan Garcia, in 1987, om alle financiële instellingen te nationaliseren. In zijn artikel in El Comercio, verklaart Vargas Llosa in het zog van de ideeën van de Soto dat “de inefficiëntie en de immoraliteit die de nationaliseringspolitiek kenmerken veroorzaakt worden door de slaafse afhankelijkheid van de politieke macht waarin een onderneming zich bevindt die naar de publieke sector wordt overgeheveld.” In zijn door radio en tv verspreide boodschap “En el torbellino de la historia” veroordeelt hij de maatregelen ook in naam van de vrijheid van meningsuiting, daar hierdoor de kranten, de radio- en tv-stations afhankelijk worden van de overheid voor de kredieten die zij nodig hebben om te kunnen overleven. Met uitzondering van de APRA en IU (Verenigd Links), steunden alle oppositiepartijen Vargas Llosa, wat uitmondde in de Movimiento Libertad die tot leven kwam tijdens de massale bijeenkomst in la Plaza San Martin in Lima. Hieruit ontstond iets later de Fredemo, de groep partijen die Vargas Llosa tot hun kandidaat verkozen voor de komende presidentsverkiezingen.
Daarop volgde dan de campagne zelf tijdens welke Vargas Llosa zich moest verplichten om te vergeten dat hij schrijver was. Maar in april 1990 dook ene Alberto Fujimori op uit het niets als nummer twee met een resultaat dat deed vermoeden dat de kansen van Vargas Llosa om de tweede ronde te winnen miniem waren. En zelfs als hij die zou winnen, zou hij over onvoldoende steun beschikken in het Parlement om zijn ambitieus regeerprogramma te kunnen verwezenlijken. Onder de druk van velen besloot hij om toch zijn campagne verder te zetten tot de nederlaag bij de tweede ronde in juni, die hij, volgens zijn zoon Alvaro opgelucht aanvaardde. Tussen de twee rondes in had hij immers een ontslagbrief geschreven waarin hij als oorzaak voor zijn mislukking zag “zijn aandrang om altijd transparant te blijven tijdens zijn campagne en de taal van de waarheid te spreken”. Dit is zeker het geval bij het thema van de “shocktherapie” die hij voorstelde om de hyperinflatie te breken (2OOO % op jaarbasis) die het beleid van Alan Garcia had nagelaten. Zijn tegenstrever had enkel een slogan aan te bieden “Trabajo, Tecnologia y Honradez” en een occulte financiering tijdens de tweede ronde en achteraf, als eerste beleidsdaad, het invoeren van de shocktherapie die hij Vargas Llosa gedurende de hele campagne had verweten. De transparantie was blijkbaar niet de sterke kant van zijn tegenstrever…
Na de campagne trok Vargas Llosa opnieuw de stofjas aan van de geëngageerde schrijver, en deed publieke verklaringen onder andere over de PRI (de perfecte dictatuur volgens hem) in Mexico en schreef wekelijks zijn “Piedra de toque”, zijn opinieteksten in El Pais. Over Peru zweeg hij gedurende twee jaren, iets wat hem heel veel moeite zal gekost hebben als hij zag hoe de sluwe Fujimori al zijn ideeën stal en zelfs verschillende van zijn eigen mensen voor zich wist te winnen. Tot op 5 april President Fujimori met zijn “autogolpe” het parlement ontbond en besloot om alleen nog met het leger en een executieve van getrouwen verder te regeren. De presidentiële staatsgreep werd door de oppositie veroordeeld en kreeg ook internationaal veel tegenkanting van verschillende Westerse en Zuid-Amerikaanse staten. Onder druk van de Organisatie van Amerikaanse staten(OAS) ontwierp Fujimori een nieuw soort parlement (de CCD) waarin hij de absolute meerderheid zou verwerven. Een groot deel van de bevolking zag een harde hand tegenover de steeds aan terrein winnende guerrilla van het Maoïstische Lichtend Pad en de Trotskistische MRTA wel zitten.
Het is op dit moment dat ik Mario Vargas Llosa kon interviewen in Berlijn, waar hij zich op uitnodiging van het “Wissenschaft Kollege” had teruggetrokken om zijn boek over zijn campagne “El Pez en el agua” te schrijven. Het eerste wat hij mij verklaarde is dat de enorme problemen van Peru niet door een nog erger kwaad konden opgelost worden, nl. een militaire dictatuur. “Zij kan slechts meer corruptie en meer geweld creëren. Zowel het juridisch apparaat als het leger zelf worden een instrument voor het regime dat de uitvoerende macht naar zich toe heeft getrokken”. Hij verwees hierbij naar een van de eerste beleidsdaden van Fujimori bij zijn aantreden, nl. het volledig wijzigen van de legertop, waarbij enkel getrouwen de sleutelposities innamen. Over de efficiëntie van deze staatsgreep in de strijd tegen het terrorisme, merkte hij op dat een dictatuur nooit efficiënt geweest en dat guerrilleros enkel succes geboekt hadden tegenover dictators, zoals Castro die won van Batista in Cuba, of nog de Sandinisten in het Nicaragua van Somoza, maar nooit van een democratie, daar die de wettelijkheid bezit, wat de actieve steun van de burgerbevolking oplevert.
Daarna ging het gesprek vooral over Vargas Llosa zelf die toegaf dat de politiek niet echt zijn roeping is, maar dat hij als geëngageerd schrijver zich verder zou uitspreken over sociale en politieke problemen, omdat dit volgens hem de plicht is van een schrijver uit een probleemland zoals Peru.
Over zijn blijvend revolutionair discours, ondanks de ideologische ontwikkeling waarover wij het hiervoor hadden, zei hij:
“Ik ben trouw gebleven aan de idealen van mijn jeugd en blijf ijveren voor een meer rechtvaardige en vrije samenleving. De idealen bleken zich niet te kunnen realiseren in de vorm waarvan wij dertig jaar geleden dachten dat zij dit zouden doen”. Onder andere de politiek van Margaret Thatcher die hij aan het werk zag tijdens zijn jarenlange verblijf in Londen, zou hem ervan overtuigd hebben dat alleen de vrije markt en het privé-initiatief snel tot vooruitgang kunnen voeren. Als reactie op een kritische opmerking van mijnentwege, laakte hij opnieuw het systeem van herverdeling door een corrupte staat die alleen maar enkele geprivilegieerden bevoordeelt: “het succes van een ondernemer in Peru is niet afhankelijk van zijn marktsituatie, maar van de privileges die de staat hem verleent. Hij moet zijn energie niet stoppen in de bevrediging van de behoeften van de verbruiker maar in het omkopen van ambtenaren en politici.” Hij brak eveneens een lans voor de ethische bewogenheid van mensen zoals Thatcher die volgens hem een moraal voorstaan die de antipode is van het parasitisme nl. dat elk individu zoveel mogelijk zelf zijn problemen moet kunnen oplossen. Een maatschappij die zo functioneert, is volgens hem, mits de nodige correcties voor de zwaksten, niet alleen efficiënter maar ook moreel gezonder.
Deze visie komt in deze tijd van crisis, ten gevolge precies van onethische vormen van liberalisme naïef over. Misschien moeten we iets verder peilen naar de motieven die Vargas Llosa bewogen hebben tot deze visie. In 1985 gaf hij een lezing in Amsterdam met als titel de “Cultuur van de Vrijheid” waarvan de tekst in essayvorm werd gepubliceerd. Wat leert ons dit essay?
Vooreerst enkele definities of niet-definities van de termen cultuur en vrijheid. Zo is volgens hem de aard van de cultuur niet onderworpen aan historische, autonome wetten of aan de onvermijdelijke ontwikkeling van de wetenschap. Een beslissende factor is de keuze die de mensen maken ofwel de machten die de maatschappij in de ene of andere richting kunnen sturen. In dit laatste geval zou de vrijheid een tegenpool kunnen zijn. Hij identificeert die eigenaardig genoeg als een soort van verslaving die pas laat in de geschiedenis zou zijn opgedoken. Zij duikt ook op in het creatieve proces als een spontaan opwellend element dat de bewuste intenties van de schrijver subtiel dwarsboomt en zo de totaliteit van de creatieve persoon herstelt. Hij verwijst hierbij naar het Oude Griekenland dat hij bestempelt als een onderdrukkende hiërarchische beschaving maar op het terrein van de artistieke schepping een totale tolerantie zou bedreven hebben. Het zou precies aan de ongelimiteerde vrijheid te danken zijn waarover de dichter, kunstenaar of denker toen beschikten en waarbij zij een brug legden tussen de zichtbare en onzichtbare wereld (zeg maar de mens en de goden) dat volgens hem de Griekse beschaving haar verdere ontwikkeling te danken heeft. Aan de triomf van de rede zou de triomf van de vrijheid vooraf zijn gegaan. Dit laatste begrip is volgens hem niet definieerbaar. Met één van zijn leermeesters Jean-François Revel koestert hij een gezond wantrouwen tegen diegenen die de vrijheid willen definiëren, daar achter elke definitie mogelijk de intentie ligt om haar af te schaffen. Het lijkt hem zinvoller om haar aanwezigheid en haar invloed in de geschiedenis op te sporen. Hij merkt op dat zowel voor de creatieve scheppingen als voor economische activiteiten de vrijheid diepgaande ontwikkelingen bewerkstelligt in het sociale leven. Hij beroept zich op een andere van zijn leermeesters, Fernand Braudel die de geschiedenis van de westerse wereld bestudeerde tussen de 15de en de 18de eeuw via productie en handel, en de verbazingwekkende veranderingen aantoonde die de opkomst van de vrije markt met zich meebracht. Het belangrijkste gevolg echter is volgens hem de opkomst van de mens als individu. Het einde van het kuddedier dat vervangen wordt door de “soevereine persoon”. Het individu als product van de vrijheid. Dit nieuwe begrip heeft de ideeën doen ontstaan van sociale rechtvaardigheid, de gelijkheidsutopieën, de rechten van de mens en de theorie en de praktijk van de democratie.
Die concrete vrijheid beschouwt Vargas Llosa als de motor van de materiële en sociale vooruitgang en als zij de onrechtvaardigheid en het politiek machtsmisbruik niet heeft doen verdwijnen, heeft zij toch een radicale vermindering ervan gerealiseerd en vooral het besef geschapen dat die moeten worden bestreden. Maar het vrijheidideaal van Vargas Llosa is niet echt naïef. Hij beseft dat zij ook ongelijkheid creëert, wat sommigen ertoe brengt om haar te willen afschaffen. Maar constateert hij, als zij door linkse of rechtse dictaturen wordt vervangen gaat de zaak van de gerechtigheid geen steek vooruit.
Een ander euvel van de vrijheid is volgens hem dat zij ook onze lage instincten stimuleert die kunnen leiden naar vernietiging en zelfvernietiging, mogelijk de prijs voor losgekomen inventieve krachten. Wat ik een pessimistisch freudiaans mensbeeld zou durven noemen. Hier komt de schrijver Vargas Llosa met een oplossing aandraven. De literatuur (creatieve fictie) zou volgens hem een manier zijn om de mens zonder risico’s tot kalmte te brengen. Hij pleit hier dus voor een catharsis-functie van de literatuur die de lezer een realiteit doet beleven waarin hij op heilzame wijze zijn lage instincten kan uitleven. Eigenlijk niets nieuws onder de zon sinds de Griekse tragedie en gezien het steeds kleiner wordende lezerspubliek, ondanks de massale mediabelangstelling voor bijvoorbeeld de Nobelprijs voor Literatuur die hem vorig jaar werd gegeven, een statement waarvan de draagwijdte beperkt overkomt.    
Hiermee wil ik echter niet denigrerend doen over een schrijver die ook in zijn geëngageerde literaire werken zich nooit heeft laten verleiden tot stramme propagandaliteratuur zoals bij de realistische sovjetromans bijvoorbeeld het geval is. Dit laatste geldt zeker voor wat ik misschien wel zijn grootste werk vindt, “Het Feest van de Bok” dat gaat over de laatste levensdagen van de Dominicaanse dictator Trujillo. Het middel bij uitstek dat de schrijver hierbij gebruikt is de manier waarop hij in de interne logica van zijn personages verdwijnt. Zoals Gustave Flaubert, een van zijn grote literaire voorbeelden ooit zei: “De schrijver moet in zijn boek aanwezig zijn als God in het universum, op alle plaatsen zonder ergens ooit zichtbaar te zijn. Het boek gaat, in overeenstemming met zijn catharsistheorie, over het kwaad in de mens, over zijn demonen. Daarbij komen zowel historische als fictieve personages, echte als verzonnen gebeurtenissen aan te pas die de dictatuur en de verloedering die haar vergezelt aan het licht brengen. De auteur neemt de draad weer op van “Gesprek in de kathedraal”, dat andere meesterwerk van 1969, dat de encanaillering en de veralgemeende mediocriteit onthult die de dictatuur van Odria (1948-1956) bij de modale Peruaan teweegbracht. Vargas Llosa werkte daarbij met een virtuoze puzzel van standpunten en dialogen. Tweeëndertig jaar later is die virtuositeit een perfect geoliede literaire machinerie geworden. Trujillo wordt ten tonele gevoerd als een mens zoals iedereen die door de absolute macht die hij verkreeg een monster werd. Als de samenleving de mens niet in zijn libidineuze impulsen afremt, leidt dit volgens de auteur tot gewelddadige vormen van seks of seksuele vormen van geweld. Op macroniveau pleit Vargas Llosa voor de democratie, voor hem de enige regeringsvorm die door zijn evenwicht van belangen en machten, bepaalde monsterachtige vormen van machtswellust kan beletten. Op het ogenblik dat hij dit boek uitgaf (2000) was Fujimori bezig om op frauduleuze manier zijn derde herverkiezing in de wacht te slepen. Vandaar de vraag die men toen stelde of met de “chivo” (de bok) ook niet “el chino” werd bedoeld. Vargas Llosa antwoordde toen dat het autoritaire en corrupte regime van Fujimori een subtielere vorm was van dictatuur dan die van Trujillo, omdat zij de schijn van wettelijkheid ophield door democratische instellingen in een gemanipuleerde vorm in stand te houden.
Dit brengt ons terug bij de strijdbare Vargas Llosa. Die al in zijn autobiografische “Vis in het water” in 1992 schreef dat de echte politieke nederlaag die hij tegen Alberto Fujimori heeft geleden, niet de verkiezingsnederlaag was, maar het feit dat zijn ideeën (over de sanering van de publieke financiën, het stoppen van de hyperinflatie, de opening naar de wereldmarkt en het ontwikkelen van het volkskapitalisme), geperverteerd werden in dienst van een dictatuur, waar uiteindelijk alleen een corrupte groep rond Fujimori en zijn occulte leider van de veiligheidsdienst Vladimiro Montesinos, beter van werden. Vargas Llosa merkte hierbij op dat er een oneindig verschil ligt tussen een liberale en een conservatieve politiek en zeker tussen een democratie en een dictatuur.
Eind 2000 kwam Fujimori ten val door het uitbrengen van een video waarin te zien was hoe zijn kompaan Montesinos een congreslid geld toestopte om van kamp te veranderen. Een onverkwikkelijke geschiedenis die na veel peripetieën uitmondde in de veroordeling en de gevangenisstraf van zowel Fujimori als Montesinos. Of is het Fujimori regime dan toch niet helemaal gevallen? Dit jaar is de politiek geëngageerde Vargas Llosa opnieuw in actie getreden om de huidige president van Peru Ollanta Humala te steunen tegen zijn voornaamste tegenstrever, niemand minder dan Keiko Fujimori, de dochter van. In een recente “Piedra de toque” spreekt Vargas Llosa van een “nederlaag van het fascisme”. Dit ondanks het feit dat Humala van linkse signatuur is en hij en vooral zijn familie geen onbesproken verleden hebben. Zijn argument is dat de overwinning van Humala Peru gered heeft van een nieuwe dictatuur die onder de mom van een verkiezingsmeerderheid het regime van 1990-2000 zou vrijgepleit hebben van de wandaden die toen werden begaan en zo wat Vargas Llosa het “fascisme” noemt door middel van een wettelijke procedure opnieuw in Peru te vestigen. Een regime –en dat klopt – dat het leger, de rechtelijke macht en het parlement naar zijn hand zette en de pers opkocht en onder de mom van de strijd tegen het Lichtend Pad een ondergrondse terreur organiseerde. Dit alles met als doel zich door corrupte daden te verrijken, door de controle over de drugsproductie en de illegale wapenhandel en het innen van steekpenningen bij iedere belangrijke economische onderneming in Peru.
Vargas Llosa betreurt wel de steun van een belangrijk deel van de A-sector (de geprivilegieerden van altijd) aan Keiko Fujimori alsook de houding van kardinaal Cipriani (Opus Dei man en goede vriend van de huidige paus) die tijdens de zondagsmis een pamflet liet aflezen waarin hij Vargas Llosa verweet de gedwongen sterilisaties onder Fujimori te hebben aangeklaagd (voor een kerkvader die anderzijds selectief legale abortus en euthanasie bestrijdt, werkelijk het toppunt!). Het voorbehoud dat Vargas Llosa heeft tegenover Ollanta Humala is dat hij de economische vrijheid moet in stand houden samen met de politieke vrijheid. Zijn programma van een betere sociale integratie van de arme bevolking is daar volgens hem niet mee in contradictie. Vargas Llosa spreekt hier over een links beleid dat zowel democratisch als liberaal zou zijn en dat op die grond zijn volledige voorkeur zou wegdragen. De droom van liberaal links dus. Wellicht een oude wensdroom van onze Sartrillo die op harmonische wijze zijn idealen van vroeger en nu zou verzoenen.
-------------------------------------------------------------------------------------------------
Geciteerde werken:
Hernando de Soto, El Otro Sendero, El Barranco, Lima, 1986
Mario Vargas Llosa, Contra viento y marea I, Seix Barral, Barcelona, 1983
Mario Vargas Llosa, Contra viento y marea II, Seix Barral, Barcelona, 1986
Mario Vargas Llosa, Contra viento y marea III, Peisa, Lima, 1990
Mario Vargas Llosa, The Culture of Freedom, Meulenhoff,  Amsterdam, 1985
Mario Vargas LLosa, El Pez en el agua, Seix Barral, Barcelona, 1993
Francis Cromphout, "El discurso del gran cambio. Los textos políticos de Mario Vargas Llosa", in "Aleph", n°7, noviembre 1992, pp. 14-28
Francis Cromphout, De plicht van de schrijver, in Knack, nr.28, 15 juli 1992, blz. 40-43.
Francis Cromphout, De bok en zijn schapen, in Knack, nr.38, 20 september 2000, blz. 103-104.