Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans

Stichtingsdatum: 1 februari 2007


"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"

"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.

31 augustus 2011

PARIJS (2)
            voor Joost

In het Parijs van jouw groot hart
houdt je ziel zich schuil voor overmacht
voor nacht van onverwacht bezoek
en iedere keer dat je gidst
leidt je wensen van mensen
tussen hoge huizen torens
van verbijstering kerken van angst

de luizen van Parijs huizen
in de pels van de geschiedenis
en iedere keer dat je stilhoudt
je passen telt je woorden wikt
zie je op hun gezichten
verwondering ingehouden schrik
voor ontgonnen land ik beleef

in de plooien van je adem
het voorbije leed ontgoocheling
van lang vervlogen dagen
je huiverend happen naar geluk
je berusten in schone schijn
de kleur van wijn zachtheid van
ingesloten ogen voel jouw
klamme handen op mijn lijf.

Thierry Deleu

30 augustus 2011


de gids
voor Joost Dezutter

Met juwelen hart
en ogen minzaamheid
reikt hij de reislustigen
de rozenknop
van de wereld aan
op zijn tong
smelt
het lyrisch woord
Parijs

Fernand Florizoone


Maanden geleden verscheen op het internet het bericht dat Ben Klein (1929), experimenteel dichter, zou zijn overleden. Betrokkene wenst dit met klem te ontkennen. Om deze kwakkel te ontkrachten en twijfelaars te overtuigen heeft Ben Klein teksten bijeen gebracht op een blog. Met dank aan Britta Derache en Francis De Preter.


Met vriendelijke groeten
François Vermeulen

TWEE VUILNISZAKKEN IN DE REGEN

Twee vuilniszakken, een zwarte en een grijze,
staan in het gele licht van een lantaarnpaal
te glanzen in het gras langs de kant van de weg.

Het sijpelt een beetje en de felle koplampen van
voorbij rijdende auto’s zetten hen in volle schijn.
Niemand zal erover peinzen ze mee te nemen.
Niemand zal stoppen om ze nog één keer aan te raken.

Hun inhoud bestaat uit wat overblijft van een maaltijd,
schillen, weggegooide papieren, as en oude rekeningen.
De prijs die werd betaald voor een verleden samenzijn.

Vanaf de deuropening werp ik nog een laatste blik
op deze zo stevig tegen elkaar leunende vuilniszakken.
Ik druk mijn sigaret uit in het zand naast de muur.

Lichtgrijze en donkere wolken trekken langzaam verder
boven hun hoofden. Enkele dennentakken aan de overkant
wuiven hen al na. Ze hebben nog enkele uren samen,
dit vreemde stel. In het ochtendlicht zal ik ze niet meer zien.

Hannie Rouweler
(B Diepenbeek)

26 augustus 2011


PARIJS
            voor Joost Dezutter


Parijs
waar het licht nooit uitgaat
tussen vellen perkament
waar data geboekstaafd
zal Joost erop toezien
dat niets treedt tussen ons
en het licht

Parijs
waar ook het kleinste licht
zijn atmosfeertje heeft
waar het licht komt uit de zon
de toorts van de rebel
de lamp van de geleerde

daar zal Joost
de glimwormpjes zoeken
tussen donkere gestalten
van lantaarnopstekers
de zwarte capes van
combines en Koninklijke
spionnen

hij zal ons laten zien
dat het licht is voor
alle ogen en dat
niet alle ogen zien
deze beperking zal hij
aanvullen met de natte
glimlach van de zomer

Parijs
is geschiedenis gedicht
schilderij kroniek
onmetelijk archief
van leugens en een beetje
waarheid
verpakt in boetekleed
en rozenkrans

Thierry Deleu

PARIJS
voor Joost Dezutter

Alsof hij in zijn tuin wandelt
wijst hij kleuren en parfums
van geschiedenis
geankerd en gekiemd
in het velours van zijn taal

hij haalt
La douce France
uit fonteinen en façades
van Clovis, Les Tuileries
tot Sarcozy
en uit de klokken
die vanmorgen
de tijd
voluit
hebben geluid

Fernand Florizoone
‘Goede’ gelegenheidspoëzie van Nelleke Tessen-van Liere


Het hart der Dichters kent men allerbest aan ’t schrijven, dichtte Jan Vos (17de eeuw). Zoals het woord al zegt, worden gelegenheidsgedichten geschreven bij een bepaalde gelegenheid. Zo’n gelegenheid kan bv. de dood van een goede vriend zijn. Rouwgedichten zijn typische familiaire gelegenheidsgedichten.
Hierin is meer of minder sprake van persoonlijke emoties en eigen aandrift om te schrijven.  Gelegenheidspoëzie is vaak opgezet volgens bepaalde conventies, waarin het uitdragen van een algemene moraal een belangrijk punt is. Een specifieke gebeurtenis krijgt een algemene betekenis, waardoor de lezer mee zou kunnen voelen met de inhoud van het gedicht. Toch komt achter deze façade soms de persoon van de dichter naar voren. Dit blijkt ook uit de bundel rouwgedichten van Nelleke Tessen-van Liere. 

Gelegenheidspoëzie, waarin bepaalde gebeurtenissen uit de persoonlijke sfeer verbonden zijn met een algemene betekenis, biedt ruimte voor persoonlijke uitingen en gevoelens of emoties, bv. gevoelens van blijdschap of verdriet, vriendschap of liefde.
Hoe kan een dichter gebruik maken van het genre om zich persoonlijk te uiten?
Wanneer is er sprake van een persoonlijke relatie? Gelegenheidspoëzie wordt gebruikt binnen een eigen sociaal netwerk. Toch heeft de dichter hier geprobeerd haar gedichten op een universeel niveau te tillen. Op het niveau van het humanistische concept van de ‘ware vriendschap’, het ‘echte verdriet’, van een relatie, gebaseerd op intimiteit. 

Soms krijgen dichters de suggestie om een gelegenheidsgedicht te schrijven. Dit genre vergt oefening in het beheerst en geciviliseerd tonen van genegenheid op papier.

Sociaal netwerk wordt beïnvloed door algemene omstandigheden, zoals ziekte en dood. Ziekte en dood zijn dan ook veelgebruikte onderwerpen, rouwgedichten zijn van alle eeuwen.
Bij Nelleke Tessen-van Liere valt op hoe weinig - behalve het suggestieve gebruik van de woorden ‘licht’ en ‘paradijs’ - zij het geloof in God extrapoleert.  

Beeldschone planten in een zalig klimaat
Volmaakt geluk in het paradijs

(uit Het gemis)

Ik hoor je zachtjes zeggen
“Ik ga nu naar het licht”

(uit De dood in jouw ogen)

Gelegenheidsgedichten zijn er in verschillende soorten en maten. Dichters zijn haast verplicht een gedicht te schrijven, wanneer iemand uit hun omgeving doodgaat. Het schrijven van een gelegenheidsgedicht is vaak een vriendendienst.
Gelegenheidsgedichten worden echter niet altijd geschreven door literaire talenten. Vele gelegenheidsdichters hebben geen plaats in de literaire canon.

Gelegenheidsgedichten worden ook vaak voorgedragen of - zoals hier het geval is - gebundeld. De (geoefende) lezer verwacht ook bespiegelingen over algemene normen en waarden van de ‘wijze’ dichter. Een dichter moet in een gelegenheidsgedicht het specifieke verbinden met het algemene, zodat de lezer mee kan voelen en denken. Het gelegenheidsgedicht moet emoties opwekken als een teken van dichterlijk vakmanschap. 
Een dichter kan hierbij aandacht schenken aan uiterlijke omstandigheden, lichamelijke kenmerken en innerlijke eigenschappen, zoals wijsheid, moed of vroomheid.

Ook al ben je niet meer hier
Ik hoor je elke dag
Je stem die zachtjes met me praat
Je schaterende lach

(uit Mijn liefde voor jou)

Je was een voorbeeld voor velen
Iemand met een hart van goud
Actief en altijd bezig
Helaas werd je niet oud

(uit Zo was jij)

Nelleke Tessen-van Liere weet in haar rouwgedichten gebruik te maken van drie onderdelen: laus, luctus en consolatio. In de laus wordt de overledene bezongen, in de luctus kan de dichter klagen, in de consolatio kan hij troosten, denk hier aan het bereiken van ‘het licht’, het eeuwige leven, de hemel. 

Daar waar het altijd vrede is
Weet ik dat jij op me wacht
Er is meer tussen hemel en aarde
Dat geeft me hoop en kracht

(Uit Er is meer…)

Binnen de gelegenheidspoëzie bestaat ook een bepaalde speelruimte om het eigen ‘ik’ ten toon te stellen. Dit is niet erg, zolang de universaliteit van het gedicht niet aangetast wordt, zolang het blijk geeft van beheersing van het gevoelerige.

In de luctus komen uitroepen van verdriet voor. Indien er sprake is van een jong persoon, gebruikt de gelegenheidsdichter vaak vergelijkingen met de lente of de groei van een bloem die plotseling afgebroken wordt. Of hij beschrijft het verdriet van de achterblijvers. Een veelgebruikte metafoor is hier de personificatie, zoals de hele stad rouwt. In rouwgedichten vallen laus en consolatio vaak samen, omdat de dichter voortdurend benadrukt dat de overledene door zijn of haar deugdzaamheid uitverkoren is voor het eeuwige leven. Soms komt het voor alsof de dichter er zelf ondersteboven van is.
     
Hoge bergen en blauwgroene bossen
En vlinders in allerlei kleuren
De mooiste vogels die ik ooit heb gezien
En bloemen die heerlijk geuren

Fruit aan bomen en struiken
Rijp, heel sappig en zoet
In de verte hoor ik zachte muziek
De omgeving in een gouden gloed

Ik zie een prachtige waterval
Het water is koud als ijs
Beeldschone planten in een zalig klimaat
Volmaakt geluk in het paradijs

(uit Eden)

De (literaire) gelegenheidsdichter moet in de opbouw van het gedicht het juiste evenwicht proberen te vinden tussen het uiten van zijn persoonlijke gevoelens en het uiten van algemeen geldende gevoelens. Wie vrienden ziet lijden, lijdt ook. Met de dood van een vriend kan de dichter zijn eigen rouw impliceren. Deze universele sententie is dus ook persoonlijk.
‘Rouw niet teveel, want daar wordt het leven niet beter van. Maak liever gebruik van al het goede dat de overledene heeft nagelaten’ is een veel gebruikte sententie.

Het rouwen van de dichter is behalve literair van aard, ook vaker vriendschappelijk. Het delen van smart duidt op dergelijke relatie. Sommige van haar rouwgedichten zijn heel conventioneel, waarin de regels van de retorica zorgvuldig worden nageleefd: de aanwezigheid van luctus, laus en consolatio en de pathetiek zijn daar voorbeelden van. Zij combineert het persoonlijke met het algemene. Het combineren van het algemene met het persoonlijke biedt haar een goed compromis tussen afscheid en verwachtingen.

En ondanks dat ik je zo mis
Voel ik de kracht van jou
Dat maakt dat ik weer verder kan
En oneindig van je hou

(Uit Mijn liefde voor jou)

Nelleke Tessen-van Liere houdt zich op de achtergrond in haar poëzie. Zij zorgt ervoor dat zij zich aan de conventies houdt en dat het gedicht zijn universele waarde behoudt. Zij probeert het algemene en het persoonlijke te combineren.

Haar gedichten getuigen niet altijd van evenveel originaliteit. Haar beeldspraak is niet altijd erg origineel. Ze maakt daarbij veel gebruik van de natuur: de zon, bloeiende bloemen en de vier seizoenen worden vaak metaforisch gebruikt.
Meestal verwijst zij naar de verlossing van de overledene uit pijn of smart. De overledene is nu gelukkig, want hij of zij heeft het eeuwige leven.

Honderd kleine engeltjes
Zullen altijd bij je zijn

(Uit Omringd door engeltjes)

Hij verruilde deze aarde
Voor een ander land

(Uit Zomaar weg)

De basisstructuur van haar gedichten is dus redelijk traditioneel. Toch vind ik dat het intieme woordgebruik persoonlijkheid laat zien.           
Het koude lichaam tegenover de warme liefde en een flinke dosis pathetiek maken dat de verzen toch van een persoonlijk medeleven getuigen.
Tessen-van Liere borduurt vaak op de troost. Ze verwijst naar de vergankelijkheid van het leven, naar de deugden van de overledene en het eeuwige leven.
Zij benadrukt ook dikwijls de intensiteit van de relatie en de diepte van het verdriet dat de overlevende overvalt. Zij maakt weinig of geen plaats voor haar eventuele eigen verdriet, maar leeft duidelijk mee. Zij slaagt erin haar persoonlijke betrokkenheid binnen de perken te houden. Ze wijkt slechts sporadisch af van wat wij gewend zijn.

Hoewel ik niet weet of er in de gedichten sprake is van ‘ware bezieling’, vind ik toch dat er een aantal dingen opvallen die misschien het gevolg zijn van de familieband of van hechte vriendschap. Enkele gedichten hebben een persoonlijke invalshoek. Het gebeurt niet vaak, maar een aantal keer wordt verwezen naar de relatie tussen haar en de overledene, terwijl deze in de meeste andere rouwgedichten onbesproken blijft.
Hoewel laus, luctus en consolatio alle drie een rol spelen, is het moeilijk het gedicht strikt in drieën te delen.
Soms laat de dichter her voorkomen alsof de dood een gebeurtenis is die moeilijk is voor de achterblijvers, maar een verlichting voor de overledene. Smart en verlossing.
  
Ze dicht niet altijd, omdat ze zich daartoe verplicht voelt, maar omdat ze oprechte gevoelens koestert voor de overlevende en de overledene. Over het algemeen laat ze daarbij weinig zien van haar persoonlijke emoties. Hoewel - en ik besef dit goed - hierover niets met zekerheid te zeggen is. De meeste gedichten vertolken immers universele waarden.
Doordat ze weinig speelt met de structuur van de gedichten, maakt zij weinig ruimte voor persoonlijke thema’s.
Opgelet, een conventioneel gelegenheidsgedicht hoeft niet per se een onpersoonlijk gedicht te zijn.  

De rouwgedichten van Tessen-van Liere zijn minder persoonlijk dan die van sommige andere gelegenheidsdichters. Zij is in weinig gedichten persoonlijk aanwezig en in de meeste gevallen betekent dit dat het gedicht geen persoonlijke invalshoek heeft. Hiermee wil ik niet zeggen dat er geen persoonlijke emoties zijn, maar deze persoonlijke aanwezigheid is over het algemeen geen expressieve aanwezigheid. Zij is slechts zijdelings aanwezig. 

De manier waarop de dichters het genre van de gelegenheidsgedichten gebruiken om zich persoonlijk te uiten, kent overeenkomsten, maar ook verschillen. Allen proberen het algemene te combineren met het persoonlijke. Tessen-van Liere wijkt inhoudelijk noch in de structuur en het perspectief af van het conventionele gelegenheidsgedicht. Ik vind bij haar geen gedichten in opdracht. Toch laat zij zich zien in haar poëzie. Bij Tessen-van Liere komt het ‘humanistische vriendschapsconcept’ een rol spelen. Soms komt het mij over alsof zij een soort van heidense poëzie schrijft. Of is dit een eenentwintigste-eeuwse blik?
De conventies van het genre hoeven niet in de weg te staan bij het uiten van persoonlijke betrokkenheid en blijken zelfs van pas te kunnen komen. Het afwijken van deze conventies is een middel om zich persoonlijke te kunnen uiten. Omdat de gedichten uiteindelijk toch voor een groter publiek bedoeld zijn en niet al te zeer mogen afwijken van de algemene norm, zijn de persoonlijke uitingen die ik gevonden heb in Herinnering aan jou wel uitzonderingen die de regels bevestigen. Dit is geen kritiek, integendeel: zonder universele waarde heeft het gedicht immers geen bestaansrecht.

Nelleke Tessen-van Liere heeft haar persoonlijke gevoelens benut zonder dat daar aanstoot aan genomen kan worden.   

Een bundeltje zinvolle rouwgedichten voor rouwenden die soelaas en inspiratie zoeken. Spijtig dat de pagina’s niet genummerd zijn.


Thierry Deleu 

Nelleke Tessen-van Liere, Herinnering aan jou, 2011, nelleke@words4you.nl, www.words4you.nl

25 augustus 2011


Mysterie

Regenboog tussen de wolken
uit donker nemen kleuren toe
gebogen teken over het water.

Brug van warme kleuren die
daar aan de hemel ontstaat
en zich verbindt met de aarde.

Door jou raak ik in vervoering
als ik kijk naar je intense kleuren
een mysterie van het bestaan.

© Paula Hagenaars

21 augustus 2011

Manifest voor een cultuurbeleid


Een gemeentelijk cultuurbeleidsplan is een evenwichtig en goed doordacht werkstuk. Het is een voorbeeld van een gul en open beleid dat geen enkele doelgroep uitsluit van deelneming. De artistieke en culturele wereld heeft behoefte aan een niet-elitaire opvatting van de begrippen cultuur en kunst.

In de loop van een nieuwe legislatuur wordt nogal vaak verkondigd dat de taak van de overheid op het gebied van de cultuur een zekere afronding heeft bereikt. Een pedante uitspraak, maar het voorval typeert ons cultuurbeleid: het wordt te vaak gezien als een verzameling van activiteiten die op zeker ogenblik kunnen worden afgerond.

Onze cultuur is soms haar motivatie kwijt. Het ontbreekt haar soms aan datgene wat de mens verheft boven zijn ikkerig bestaan. Het besef dat de overheid hier een belangrijke rol kan spelen, is de regiegroep en de deskundigen soms ontgaan. Cultuurbesef, menselijke verhoudingen, cultuuropvoeding en cultuuroverdracht (lees: participatie van het publiek) moeten in een cultuurbeleidsplan centraal staan.

Het culturele beleid mag zich niet beperken tot het creëren van ruimte voor allerhande vormen van cultuur en de presentatie ervan, het moet zich ook bezighouden met het scheppen van nieuwe kanalen van communicatie tussen kunstenaar en publiek. Het beleid moet de hele bevolking bij de opbouw van dit beleid betrekken.

De schepen van Cultuur en de culturele diensten van de gemeente moeten in de praxis ook een sociale politiek toepassen (de toegankelijke infrastructuur, de adviesorganen). 

Een cultuurbeleid is echter nooit af. Ook het gemeentelijk cultuurbeleid bereikt nooit een afronding. We hebben steeds meer vrije tijd. Veel mensen, en vooral veel kinderen, brengen -  en dit is spijtig - het leeuwendeel van die vrije tijd door voor de televisie. De gemeente moet inzien dat de overheid de cultuur weer dichter bij de mensen moet brengen.

Het gemeentebestuur heeft ook een belangrijke rol als bemiddelaar. Het zal zich inspannen om een brug te slaan tussen kunstenaars en het publiek. Niet alleen door het organiseren van culturele activiteiten, maar ook, en vooral door het rechtstreeks in contact brengen van die kunstenaars met de bevolking.

De culturele actoren in een gemeente moeten zich zonder pleinvrees in het midden van het open plein bewegen. En daar dingen doen. Als je gewoon even doordenkt, dan weet je dat meer vrije tijd inhoudt dat de mens zich kan ontpoppen als de “spelende mens”. De creatieve, spelende mens. 
Ook het bestuur moet die tijd mee helpen invullen. Het beleid moet de mensen - ook de ouderen die nog vitaal en creatief zijn - de mogelijkheid geven om hun leven zinvol te maken.
 
Een gemeente is slechts de moeite waard in de mate dat de bestuurders erin slagen een fijnmazig netwerk van contacten en betrekkingen op te bouwen tussen de culturele en de intellectuele wereld. Hierdoor wordt de cultuur geen schouwtoneel van middelmatigheid.

Draagt het culturele beleid toe tot de vorming van kritische mensen die zelfstandig en vrij hun eigen weg kiezen en gaan? Een gemeente heeft een viervoudige functie: een maatschappelijke, een creatieve, een bevrijdende en een kritische functie. Zo blijft het engagement onveranderlijk gericht op de ontvoogding van de burgers inzake mondigheid, vrijheid, gelijkwaardigheid en een kritische instelling. Die functiebeschrijving strookt niet altijd met het culturele beleid in een gemeente.

Thierry Deleu

20 augustus 2011

DE PRESIDENT
aan Senghor Leopold Sédar
President van Senegal



De president was een dichter,
hij bundelde de stemmen van zijn land:
de welige pasaatwinden, de grassen en de regen,
het goud van de zon, het blauw van de oceaan,
de kus van de riviermond,
de gelatenheid van de peuldorpen,
de gedreven tocht van de nomaden,
de vissers van veel einder,
de teruggetrokkenheid van het lepradorp

en de president droomde
de droom mee van Martin Luther King,
hij deelde gedichten uit
elegieën en nocturnes
in liefde voor zijn land
met het portret van zijn geliefde,
zijn Senegal,
zijn Afrika.



Fernand Florizoone

HET VERHAAL VAN EEN MAN DIE ZIJN LIEF VERLOOR EN TROOST ZOCHT BIJ BOB DYLAN…

“DRIEMAAL BOB DYLAN
DRIEMAAL AGITATION IN MY MIND”


Toen ik de opdracht kreeg, mij te bevragen, mij te bezinnen over de muziek en de tekst van Bob Dylan en die gevoelens te visualiseren, was ik vereerd, jawel, maar ook bang dat ik die taak niet tot een goed einde zou kunnen brengen. Ik ben geen muziekrecensent en ook helemaal niet muzikaal begaafd, behalve dat mijn poëzie door de critici dikwijls als muzikaal werd omschreven.

Bob Dylan beluisteren is altijd een gebeurtenis. Niet zozeer omdat Dylan vaak zijn visie geeft op “belangrijke politieke gebeurtenissen”, maar veeleer omdat hij een poëet is, een troubadour die zingt over de twee grote thema’s van alle kunst: liefde & dood. Niet zo uitzonderlijk ook de thema’s van mijn poëzie. Voor mij is Dylan niet in de eerste plaats een protestzanger, toch niet in de enge betekenis van dat woord, maar dat imago zal hij wel nooit meer kwijt raken. Hij bereikt iedere keer een staat van volmaaktheid als tekstschrijver. Hij schrijft literatuur.

Ook vandaag blijven de thema’s in zijn werk schuld, boete en verlossing, liefde en lijden, innerlijkheid en onthechting. Zijn stem kraakt aan alle kanten, hij wisselt vaak de gitaar voor de piano wegens rugklachten.
Als liefhebber van Bob Dylan ben ik misschien bevooroordeeld, mijn oordeel is ongetwijfeld subjectief, maar wie kan emotieloos en neutraal luisteren naar zang en teksten van de man? Dylan rulls! Mijn hart warmt op bij het vertrouwde stemgeluid van die man. Met zijn gevoelige gitaarcomposities en het meeslepende ritme maakt hij van elk nummer een parel. Of zou het zijn schorre, nasale schuurpapieren stem zijn waarvoor ik val?”

Het akoestische “Not Dark Yet” b.v. is een lange, maar boeiende notensamenstelling geworden. Ook hier hoor ik de eenvoudige blues- en countryschema’s, begeleid door een uitstekende band. Een tekst die ook na herhaalde beluistering stof tot nadenken geeft. Ondanks zijn rasperige stem een paar keer overslaat, blijft “Not Dark Yet” zoveel urgentie uitstralen.
Tekst, lied, toonkleur geven mij geen kans om te ontsnappen aan je lot, ondanks ik in de verte licht aanschouw en aankomend geluid, ik lucht op en ik wacht af, ik voel mij en passant in een tussenland, de zanger stelt vast, ik onderga en biedt weinig weerstand aan zijn irriterend komen en gaan, opleven en langzaam afgaan, de donkerte valt net nog niet, maak je geen begoochelingen, aanvaard. 

In “Ain’t Talkin’” trekt Dylan door de Secret Garden zonder commentaar of zedenpreken: “Ain’t talkin’, just walkin’.” Toch heeft Dylan nog dat felle: hij zou zijn vijanden doden in hun slaap. M.a.w. geen heldendaden. Het geweld zit in onszelf. Bovendien bakken wij er op wereldvlak weinig van. We worden meegesleurd door een helse machine (die we zelf maakten, zoals in “Modern Times” van Chaplin). We denken niet (meer), er wordt voor ons gedacht. We kregen een Mystic Garden cadeau, maar “the flowers are wounded”. Ain’t talkin’ just walkin’, I’ll burn that bridge before you can cross. Beeld van de oorlog in Irak: precisiebommen, oorlogspropaganda, vervreemding. Geen plaats meer voor contemplatie al lijkt dat wel levensnoodzakelijk: “In the heart dwells an evil spirit”. Hij lijkt verloren te rijden met zijn blind paard in een wereld waar geen plaats meer is voor hem en zijn geliefden.
“There ’s no one here, the gardener is gone. Ain’t talkin’, just walkin’ up the road, around the bend. Heart burnin’ still yearnin’ in the last outback at the world’s end”.
Dit is een visionair, apocalyptisch lied.
Ik voel mij gelaten, onverschillig, veeleer stoïcijns, de omgeving heeft geen vat op mij, zijn raspende stem boort monotoon in mijn ijle hoofd, ik krijg het koud, rillerig, ononderbroken giet hij drek over mijn hoofd, ja, dat is het: de wereld om mij heen is vlak, doordringbaar en toch niet transparant, effen, rustig kabbelend water, weinig beweging, een slakkengang, een donkere bedding met traag bewegend water… 

Ik bewierook Bob Dylan niet, maar hij imponeert. Hij komt over als een charismatische en intrigerende persoonlijkheid. En weer hoor ik die stem die nog eens een gat in mijn hoofd zal boren. Moeiteloos gaat hij over van folk naar rock ’n roll. Echt gerockt wordt er niet, Dylan zingt veeleer blues, country, folk en voorzichtige swing. “Everything is broken” heeft een warm, wollig geluid en de stem van de zanger is goed te verstaan. Toch is ook hier zijn tekst donker.
Ik geniet van de wijze waarop hij het normale recept van doodsimpele teksten in de popmuziek weet te verheffen tot het onstuimige niveau van een complexe weergave van een actueel levensgevoel (soms als politiek-sociaal commentaar). Hij introduceerde een rijke beeldspraak en een verwoording van een bewustzijnstroom, van gedachten en invallen, soms op absurdistisch-komische wijze. Ook hier, in dit lied, is poli-interpretatie mogelijk.
Opgezweept, mijn pas versnelt, ik loop de duisternis tegemoet, net of ik word opgeboeid door een ineenstortende wereld, ik ga gelukkig heen, ik ga onder, ik geef het op, ik koester zoete troost: het is over voor iedereen.

Thierry Deleu

Uit ons archief

Hendrik Conscience in Kortrijk

Kortrijk heeft in het leven van Hendrik Conscience een grote rol gespeeld. Hij verbleef er van 16 januari 1857 tot 11 september 1868. Hij was er arrondissementscommissaris.

1.
Een depressieve Conscience

Conscience kende een heel ongelukkige kindertijd. Moeder stierf als hij acht jaar was. Zijn vader, een ingeweken Fransman, was vaak uithuizig. Als opgroeiende jongen was hij dikwijls ziek. Hij leerde leven in zijn verbeelding in plaats van in de werkelijkheid. Op die manier voelde hij zich minder eenzaam.
Hij kon erg neerslachtig zijn, dikwijls op de rand van een zenuwoverspanning. Hij had vaak ups en downs. Bij de minste tegenwind werd hij uit zijn evenwicht gebracht. Met de jaren werden zijn depressies talrijker.
Ook te Kortrijk voelt hij zich vereenzaamd in een culturele "woestijn". Herhaaldelijk komen de "zwarte beesten in zijn hoofd" woeien.
Conscience wordt op rijpere leeftijd ook hypochonder. Vooral in zijn Kortrijkse tijd regent het klachten over zijn gezondheid, over kwaaltjes en ongemakken.
Telkens het met hem slecht gaat, voelt hij de drang om van huis te vluchten en te gaan zwerven. Hij logeert dan in afspanningen of bij goede mensen.  Ook in Kortrijk poetst hij herhaaldelijk de plaat. In 1859 schrijft hij: "Mijn zenuwen zijn ontsteld. Dezer dagen ben ik uit Kortrijk gaan loopen en heb mij naer de zee begeven, tusschen Veurne en Duinkerke, waer ik vier dagen in eenzaemheid langs het strand heb gedwaeld".
Bij vrienden laat Conscience zich wel gaan en kan hij boeiend vertellen. Hij heeft altijd een grote behoefte gehad aan vriendschap, liefde en geborgenheid. Wordt hij niet omringd door echo's van sympathie, dan voelt hij zich eenzaam in "eene woestijn", zoals te Kortrijk. In 1865 schrijft hij aan zijn vriend Van Beers: “In mijne ballingschap worstel ik al voort tegen de uitputting der eenzaamheid".
Conscience heeft ook de natuur lief. Zijn liefde voor de natuur is geworteld in zijn diepe behoefte om te genezen van zijn mensenvrees. Hij vindt in de natuur, de planten, bloemen en insecten partners in eenzaamheid, met wie hij kan spreken. De natuur schenkt hem troost, licht en sterkte.
Vanaf 1853 kan hij van zijn pen leven. Hij voelt zich echter eerst dan geslaagd als hij in 1856 wordt benoemd tot arrondissementscommissaris in Kortrijk. Daar probeert hij zijn stand op te houden. Hij leidt er een rijkelijk leventje en is een hoge gast op diners, recepties en andere uithuizigheden. Geregeld komt hij hierdoor in geldnood.

2.
Een katholieke liberaal

De invloed van zijn vrome moeder is op de jonge Conscience waarschijnlijk groot geweest. De diep godsdienstige aard van Conscience komt heel sterk tot uiting in zijn werk. Enkel in Hlodwig en Clothildis (1854) geeft hij een kritische voorstelling van het geloof. Als liberaliserende mens houdt hij niet van een "klerikaal" katholicisme dat macht demonstreert in de politiek en het openbaar leven. Hij houdt zich ver van een demonstratieve katholiciteit. Hij eist voor zichzelf een persoonlijke vrijheid op en verzet zich tegen de bemoeiingen van de clerus in het openbaar leven. De meeste van zijn vrienden zijn liberalen: Gustaaf Wappers, directeur van de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen, Jan van Beers, Emmanuel Hiel, Julius Hoste.
In de typisch burgerlijke geest die hem in zijn hooggeplaatste situatie te Kortrijk heel sterk gaat kenmerken, schenkt hij grote aandacht aan geldkwesties en status. In De burgers van Darlingen (1861) - waarmee hij de Kortrijkse burgerij bedoelt - zijn geld en kleinburgerlijkheid de rode draad in het verhaal. Conscience is het Kortrijkse milieu blijkbaar niet gunstig gezind.
Uit de armoede omhoog gekropen en erg gesteld op materiële en sociale vooruitgang, stelt Conscience zich heel zijn leven conservatief op. Het gezag is onaantastbaar; politiek en godsdienst moeten in verzoening leven maar niet op elkaars terrein komen; onder de standen moet vrede heersen.
Conscience zal levenslang een diepe gehechtheid aan de vrijheid bewaren. Vooral in De Kerels van Vlaenderen (1870) wekt hij de indruk zijn geloof te hebben verloren. Hij is een vurig liberaal katholiek geworden. Hij pleit voor vrijheid van godsdienst en trekt van leer tegen het misbruiken van de geestelijke macht door de hogere geestelijkheid.
Zoals alle liberaal-geïnspireerden van die tijd wil hij het katholieke wereldbeeld verruimen. Hij is voorstander van een zekere autonomie van de kunst tegenover het dogma en staat afkerig tegenover klerikale censuur of betutteling.

3.
In 't Wonderjaer

In 't Wonderjaer (1837) verheerlijkt hij de Geuzen en als liberaal gelovige heeft hij weinig sympathie voor het kerkelijk gezag.
In ons land kennen wij onder Willem I een korte, maar vruchtbare samenwerking van liberalen en katholieken, die samen ijveren voor persvrijheid en andere vrijheden van het individu en voor de scheiding van Kerk en Staat. Maar in 1832 vaardigt Gregorius XVI zijn encycliek "Mirari vos" uit die de aanzet betekent van een heftige anti-liberale actie in de Kerk. Vanaf 1832 gaan de politieke conflicten tussen liberalen en katholieken crescendo. De Belgische liberalen worden vrijzinnig en antiklerikaal.
Conscience stemt toe dat zijn In ’t Wonderjaer  wordt gezuiverd door een paar katholieke geestelijken. Het boek wordt omgewerkt tot een verheerlijking van het conservatieve katholicisme. De oorspronkelijke uitgave is bijna niet meer te herkennen.
Die capitulatie voor de dwang van de Kerk valt hem zwaar. Hij heeft het gedaan om een zo ruim mogelijke verspreiding van zijn werk te bereiken. Het volk is in die jaren immers voor het grootste deel katholiek. Conscience heeft te maken met een oerdiep conservatief wantrouwen van de Kerk tegenover het literair genre dat hij beoefent. Bovendien is er het strenge anti-liberale verzet van de clerus sedert "Mirari vos".
In kleine steden zoals Kortrijk, waar de katholieken heer en meester zijn, vergt het heel wat moed om zich nog vrijzinnig te durven noemen. De katholieke militante houding heeft veel te maken met de stijgende onvrede over Willem I, die weldra zal uitgroeien tot een georganiseerd verzet en een revolutie. In Kortrijk kiezen de meeste notabelen voor het nieuwe België.
In zijn historisch verhaal In 't Wonderjaer beschrijft Conscience enkele "historische taferelen uit de zestiende eeuw" met de Beeldenstorm als middelpunt. De strijd van de Geuzen tegen de Spaanse bezetting vormt de hoofdintrige.
Het boek is pro-geus en anti-Spaans, pro-Germaans en anti-zuiders. Vooral de verheerlijking van de Geuzen schokt de katholieke gemoederen. Conscience is gewonnen voor de liberale geest en de vrijheidsroes van de Belgische revolutie. Ook later blijft hij een diepe gehechtheid aan de vrijheid bewaren. Ook in De Kerels van Vlaenderen getuigt hij van deze vrijheidsdrang.
Heeft Conscience in deze periode zijn geloof verloren? Is hij vrijzinnig geworden? In een artikel in de krant “Den Antwerpenaer" (1837) breekt Conscience een lans voor het exposeren van vrouwelijk naakt. Hij drijft de spot met de preutsheid en de "belachelijke zondevrees".
Na de publicatie van De Leeuw van Vlaenderen (1838) is Conscience in de toen nog vrij beperkte milieus van de Vlaamsgezinden een belangrijke figuur geworden. In eigen land wordt hij zelfs leraar Nederlands aan het Hof.
In Antwerpen betreedt hij het terrein van de gemeente- en de staatspolitiek en wil een onafhankelijke Vlaamse partij oprichten, zonder inmenging in filosofische vragen. Die partij wil een neutrale koers varen tussen de katholieken en de liberalen.
Zijn politiek experiment bekomt hem slecht. In de verhitte strijd tussen de beide partijen krijgt Conscience het van beide zijden hard te verduren. Hij trekt zich gedeprimeerd terug en verhuist  spoedig - opgelucht - naar Kortrijk.

4.
Naar Kortrijk

Zijn ambt als arrondissementscommissaris te Kortrijk verplicht hem in politiek opzicht tot strikte neutraliteit. Hij is vierenveertig jaar, een man van aanzien, een beroemde schrijver, gerijpt door tegenslagen en desillusies.
Een van de bedoelingen van eerste minister Pierre de Decker was dat Conscience de vrede in dit onrustige arrondissement en in het verscheurde Kortrijk zou herstellen. De streek aan de Franse grens is méér dan een andere aan de Franse invloed blootgesteld.
Na de eedaflegging bij de provinciegouverneur te Brugge arriveert Conscience op 16 januari in het hotel “De Gouden Leeuw" bij Louis Janssens-Vercruysse te Kortrijk, waarna hij zijn intrek neemt bij zijn vriend Pierre Nicolas Croquison in de Jan Palfijnstraat nr. 16. Croquison is hoofdbouwmeester (architect) van de Stad Kortrijk. 
Overal is men ingenomen met Conscience. Hij blijkt een man van de redelijkheid en de verzoening te zijn. Op 1 april neemt het gezin Conscience zijn intrek in een ruim woonhuis in de Rijselsewijkstraat nr. 486 (nu Consciencestraat).
De taak van arrondissementscommissaris bestaat o.m. in de administratieve controle over de gemeenten, over de kiezerslijsten en de buurtwegen, over de rekrutering van dienstplichtigen onder het lotingstelsel.
Conscience vreest evenwel dat zijn literaire arbeid door tijdsgebrek lelijk in de verdrukking zal komen. Een vage hoop op overplaatsing naar Gent knapt af met de val van het ministerie-De Decker, dat in oktober 1857 plaats moet maken voor de homogeen liberale regering W. Frère-Orban.
Consciences dochter, Marie-Sébastienne, huwt met de student, dichter en componist Gentil Antheunis. Met de zoon, Hildevert, wil het maar niet lukken. Hij verkwist veel geld, denkt alleen aan vermaak en bezorgt zijn ouders veel verdriet. Conscience doet al wat in zijn kunnen ligt: hij koopt hem vrij van (militaire) dienst en bezorgt hem een job op het ministerie van Binnenlandse Zaken. Dat loopt op niets uit en Conscience laat zijn zoon een wijn- en likeurhandel uitbaten, wat alweer mislukt. In 1866 vertrekt Hildevert naar Kentucky. Na drie jaar komt hij berooid terug.
In april 1887 verhuist het gezin Conscience naar de O.L.Vrouwestraat nr. 26.
Conscience heeft later geen goed woord over voor zijn Kortrijkse periode die hij beschrijft als een ballingschap in een klein stadje "vol vooroordelen, beheerscht door eene financiële aristocratie, die hare medeburgers minacht, met eene ongeloofelijke verwaandheid bezield is, zich opsluit in woningen somber en naar als kloosters, en treurig als lag in elk huis een doode".
Conscience maakt er nochtans een aantal vaste vrienden, zoals de familie Philippe Janssens, huisarts Edward Tilleux, architect Pierre Nicolas Croquison, de vertrouweling Adolf van den Peereboom en schoolinspecteur Adhemar Camille van der Cruyssen. Deze laatste voert bij Consciences begrafenis, op 16 september 1883 op het Antwerpse Kielkerkhof, het woord namens de persoonlijke vrienden. Hij noemt daarbij de Kortrijkse jaren Consciences wellicht gelukkigste tijd. Wat een contradictio in terminis. Wie heeft gelijk?
Ere-voorzitter van de “Société litteraire de Courtrai”

5.
Société littéraire de Courtrai

In 1812 richten enkele kunstminnende Kortrijkenaren de “Société des Amis des Beaux-Arts" op. Vanaf 1833 staat zij bekend onder de naam "Société pour l'Encouragement des Beaux-Arts et de l'Industrie". In 1858 gaat zij een fusie aan met de concurrerende vereniging “Maetschappij der Minnaers van Schoone Kunsten". Conscience wordt de eerste voorzitter.
De "Société des Beaux Arts" organiseert enkele markante kunsttentoonstellingen. Binnen de schoot ervan wordt een bibliotheek aangelegd die later de kern zal vormen van de Kortrijkse stadsbibliotheek.
Van een heel andere aard zijn de activiteiten van de "Société littéraire de Courtrai", een Franstalige discussiegroep van plaatselijke intellectuelen die aan hun samenkomsten in het "Café Belge" op de Grote Markt een institutionele vorm wensen te geven. Op 16 oktober 1863 gaan Conscience en meester Adolf Verriest (de oudere broer van Hugo) over tot de stichting van de nieuwe "Société" die als doel heeft de belangstelling voor wetenschap, kunst en schone letteren te bevorderen.
Tot de stichters (1863) behoren: Hendrik Conscience, ere-voorzitter; Adolf Verriest, voorzitter; Adhemar Camille van der Cruyssen, ondervoorzitter; August Debedts, beheerder;  Néotère Verbeke, beheerder; Hippoliet Van Brabander, schatbewaarder; Hildevert Conscience (zijn zoon),  secretaris en de leden: Antoine Classen, Jules Coucke, August Dathis, Emile Debrauwere, Félix Denucé, Edouard Paul Depratere, Victor Gantier, Jean Ghyoot, H.-Jos. Leclercq, Charles Petithan, Gustave Preux, Guillaume Vandenhoek, Adolphe Vanwymelbeke en Charles Weemaes.
Adolf Verriest wordt nadien bevriend met Guido Gezelle, zijn klasgenoot in het Klein Seminarie van Roeselare, en vestigt zich als advocaat te Kortrijk. Hij wordt de eerste rechter die de eed aflegt in het Nederlands.
Conscience is een gezagvolle en graag geziene gast in dit milieu van Franstalige burgers. Hij houdt er enkele voordrachten, haast alle in het Frans, over het verplichtend onderwijs, het tweegevecht, het alcoholisme, de bewaarscholen, de vrouw en haar taak, de theogonie, de onaantastbaarheid van het menselijke leven, de christelijke kunst, de spelling, de dichter Emmanuel Hiel.
Op 10 september 1868 wordt Conscience benoemd tot conservator van het Wiertzmuseum te Elsene. Een maand later neemt de "Société littéraire" in "Café Belge" met een banket afscheid van haar ere-voorzitter. De vriendschapsbanden blijven bestaan; vanuit Elsene blijft Conscience de activiteiten volgen.
De "Société" weert alle discussies over de lokale politiek uit haar vergaderingen. Zij telt drie soorten leden: de actieve leden, de ere-leden en de corresponderende leden. Deze laatsten worden gekozen onder de niet-Kortrijkenaren die op een of andere wijze een dienst hebben bewezen aan de Vereniging of hebben bijgedragen tot kunst en wetenschap. Een normaal fenomeen. Nieuwaangekomenen in een stedelijke gemeenschap hebben behoefte aan verenigingsleven, teneinde zich in te burgeren, relaties te krijgen en een sociale rol te vervullen. Vooral voor de ambtenaren die vaak van standplaats veranderen, is het niet onaardig onmiddellijk op een "Société" te kunnen terugvallen.
Om lid te worden moet men zich schriftelijk kandidaat stellen. De kandidatuur wordt acht dagen ad valvas in het vergaderlokaal uitgehangen. Bij geheime stemming en met een gewone meerderheid wordt de kandidaat aangenomen. Het lidmaatschapsgeld bedraagt in 1871 12 frank. Het reglement van de "Société littéraire de Courtrai" vertoont in zijn hoofdstuk "Commission Administrative et séances" veel gelijkenis met de gewoonten en gebruiken in een loge.
De "Société" verdwijnt niet met Consciences vertrek, maar zal pas verdwijnen in de beginjaren '20.

6.
Een vrijzinnige Conscience?

Is deze "Société littéraire" een verzamelplaats van mannen geweest die niet bepaald tot het gelovigste deel van de Kortrijkse bevolking behoorden? Het type van de "verlichte bourgeois" uit de 19de eeuw, die de intensieve godsdienstige praktijk aan vrouw en kinderen overlaat? Behoorden enkele leden tot de antiklerikale liberalen? Vooral na 1833 is de splitsing klerikaal-liberaal duidelijker geworden.
In Consciences tijd was Kortrijk zonder loge. Op de ledenlijsten van de loges te Gent komen tussen 1833 en 1866 50 namen voor van logebroeders uit Kortrijk, Menen, leper en Roeselare. In 1855 stichten zij een "Cercle Philantropique de l'Ours" ("De Beeren") en organiseren muziekconcerten ten voordele van de armen in Kortrijk en Zwevegem. Vanaf 1859 vergaderen zij in "Café du Parnasse" in de Korte Steenstraat. In 1873 vinden wij Honoré Bouvier bij de "membres fondateurs" van de "Société littéraire de Courtrai", maar ook in het archief van de loge "La Liberté" in Gent.
Hield Conscience contact met de leden van deze filantropische vereniging?
De aandacht van Conscience gaat evenzeer uit naar het onderwijs. Wanneer in 1864 een einde komt aan het liberale bewind van burgemeester Danneel, die in september wordt vervangen door de katholiek Henri Nolf, vrezen de voorstanders van de gemeentelijke scholen tegenwind. Na een uiteenzetting van meester Emile Crouckhants in de "Société littéraire" neemt Conscience het initiatief om financiële steun te zoeken bij particulieren. Een "Comiteit ter ondersteuning van het kosteloos onderwijs" komt tot stand. Spoedig daarop kan het comité overgaan tot de oprichting van een gemeenteschool voor meisjes, hoewel het gemeentebestuur met tegenzin gehoor geeft aan een petitie. Deze actie draagt bovendien bij tot de bloei van het rijksonderwijs in Kortrijk. Conscience heeft hierin een doorslaggevende rol gespeeld.
Na zes jaar inactiviteit - van 1914 tot 1920 - herneemt de "Société littéraire" haar activiteiten. Het bestuur kiest een nieuw lokaal op de eerste verdieping van café "Excelsior" op de Grote Markt. Het lokaal is elke dag toegankelijk, maar het moet worden gedeeld met "Les Amitiés Françaises", een nieuwe vereniging.
De bibliotheek van de "Littéraire" wordt heringericht en de halfmaandelijkse literaire avonden beginnen een nieuw leven.
Joseph Verbeke is de na-oorlogse voorzitter, majoor Georges Dobbelaere fungeert als onder- voorzitter en Paul De Coninck is de nieuwe secretaris. Het lidmaatschapsgeld bedraagt 12,50 fr.; een gezinskaart kost 15,50 fr. De "Société" telt nog 65 leden.
In "La Liberté" van 4 december 1920 bericht P.D.C.: “La Société Littéraire s'est bellement vengée, la semaine dernière, des longues années de silence lui imposées par le régime teuton, par l’organe de monsieur Robert de Smet, qui est venu nous entretenir de Bernard Shaw et de son oeuvre".
Louis Crouckhants (zoon van Emile), lid van de "Société" sedert 1898, wordt op 28 maart 1903 de eerste voorzitter van de “Cercle Fraternel de Courtrai". Het oprichtingsbanket heeft plaats in “Café Français" op de Grote Markt. Deze broederschap zal later uitgroeien tot de loge "L'Amitié”.
Van een bijzonder toeval gesproken! Op 14 maart 1803 wordt in de Kapittelstraat te Kortrijk de loge "L'Amitié" opgericht. De broeders worden “Les Ours - De Beeren" genoemd. Honderd jaar later, dag op dag, wordt de "Cercle Fraternel" erkend door "Het Groot Oosten van België". Hun lokaal "Café Français" heeft eveneens een uitweg in de Kapittelstraat en hun huidige voorzitter heet De Beer!
Verscheidene leden van deze broederschap zijn bovendien lid van de "Société littéraire": Philippe Baut (1893), Alfred Centner (1893), Charles Verwee (1895), Louis Crouckhants (1898), Gerard Putman (1898), Medard Putman (1898), Prudent Trachet (1899), Adrien Matton (1900), Hippolite Samoey (1900), Charles Van Eecke (1900), Charles De Beer (1902), Jules Thibau (1903) en Joseph Verbeke (1903).
Hoewel er geen eenstemmigheid wordt bereikt in de "Cercle Fraternel" over de wederoprichting van een Kortrijkse loge, koopt Alfred Centner in 1906 een huis op de Houtmarkt, samen met een aanpalende woning die bovendien uitgeeft op het Plein.
Op 26 november 1906 wordt de loge "L'Amitié” opnieuw opgericht.

7.
De burgers van Darlingen

Met "Darlingen" in het boek De burgers van Darlingen (1861) is Kortrijk bedoeld. Het verhaal situeert zich in de hongerjaren na 1845. Bonifaas Romijs wil zijn dochter uithuwelijken aan de rijke Francis Pottewal, maar zij kiest voor de niet gefortuneerde ingenieur De Cock. Haar zus neemt dan met Pottewal genoegen.
De tegenstelling tussen het gelukkig huwelijk uit liefde en het ongelukkige huwelijk uit berekening wordt levendig uitgewerkt. Alles komt evenwel goed met de komst van de kinderen.
In het boek wordt ook roddeltante Madame Kwas ten tonele gevoerd.
In de Leiestad herkent iedereen iedereen behalve zichzelf. Het boek is echter geen afrekening met de Kortrijkse burger. Het is een “zedenschildering" met bijbehorende zedenles. Conscience geeft wel een algemene en weinig vleiende karakteristiek van de benepen provinciestad Darlingen.
De burgers van Darlingen is geen sleutelroman. Dat de tijd te Kortrijk voor Conscience een moeilijke tijd is geweest, wordt algemeen beweerd. Het ging hem familiaal noch financieel voor de wind. Herhaaldelijk beklaagt hij zich erover dat het ambt van arrondissementscommissaris niet zo goed betaald wordt. Hij heeft er wel enkele hechte vrienden van wie Adolf van den Peereboom zijn vertrouweling is. Deze laatste krijgt alle nieuwe manuscripten te lezen.
Gedurende de elf jaar die Conscience te Kortrijk doorbracht, publiceerde hij precies twintig boeken. Een materiële noodzaak vermits zijn gezin, twee meiden en een knecht inbegrepen, op grote voet leefde.


Thierry Deleu