Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans

Stichtingsdatum: 1 februari 2007


"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"

"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.

31 juli 2011

In de reeks GASTDICHTERS: 

1. STAF DE WILDE

2. PAULA HAGENAARS

3. MARLEEN DE SMET

4. EDITH OEYEN


Zie hieronder.
Veel leesgenot!

GASTDICHTER EDITH OEYEN

Edith Oeyen, Hanebergstraat 75, 3581 Beverlo-Beringen edith.oeyen@telenet.be




Edith Oeyen werd geboren te Heppen in 1945. Woont sinds haar huwelijk te Beverlo-Beringen. Ze was gehuwd met +Ivo Bijloos, en is moeder van twee zonen, heeft twee schoondochters en drie schatten van kleinkinderen.
Sinds haar jeugdjaren heeft ze de schrijfmicrobe in haar bloed.
Van 1981 tot 1984 was zij administratief medewerkster van Litera. Van 1984 tot 1992 redactielid van ‘t Kofschip vzw en vanaf 1986  Lid van de Raad van beheer. Jarenlang verzorgde zij  het ‘t Kofschip boekenfonds.
In 1982 is zij lid geworden van de VLS huidige KVLS, waar ze in 1986 bestuurslid werd en sinds 2000 de taak van voorzitter waarneemt.
In 1978 krijgt zij contact met de Tongerse Schrijverskring waar zij in 1981 bestuurslid wordt tot in 1992. Samen met Raoul Maria de Puydt en Ugo Verbeke stichtte ze eind 1992  Uitgeverij Zuid & Noord vzw die in werking  trad in 1993. Eind 2005 heeft deze Uitgeverij de boeken neergelegd.

Jarenlang was zij redactielid van het kunsttijdschrift Vlaanderen.
In totaal verschenen er tweeëntwintig uitgaven van haar hand. Daarnaast nog toneelstukken en drie kindermusicals. Zij is lid van verschillende literaire verenigingen. Publicaties van haar hand vindt men terug in vele tijdschriften. Werk van haar werd vertaald naar het: Engels, Chinees, Frans, Hongaars en naar andere talen.

Bertiven schreef in Creare: ‘Edith Oeyen is uitgegroeid tot een belangrijk dichter’. Hubert Van Eygen zegt in Weirdo’s: ‘Edith Oeyen is één van de weinige integere dichteressen die ik op dit moment ken’.

Zij geeft ook voordrachten in scholen en begeleidt kinderen met het schrijven van poëzie,
Zij behaalde verschillende prijzen en vermeldingen: o.a. te Watermaal Bosvoorde bij de Wabo-Prijs. Bij de Coremanskring te Antwerpen. Bij ‘De vleermuis’ in Roermond en andere plaatsen. Zij mocht de Cultuurprijs van Beringen tweemaal in ontvangst nemen, in 1985 in 1998. Op 01/02/1993 werd zij benoemd tot Ridder in de Orde van Leopold II.  En op 03/12/2006 werd zij benoemd tot Ridder in de Kroonorde. 


ALS EEN BOOM

Leer mij te leven zoals jij in weer en wind
storm en onweders te trotseren
leer me geven met heel mijn hart
jong zijn in de lente
zon zijn in de zomer
wind in de herfst
sneeuw in de winter

leer mij te denken zoals jij 
te staan in de aarde
 en realiteit inbouwend

leer mij vrij zijn van zorgen
leer mij bidden om
zoveel onrechtvaardigheid

mens te zijn tussen de bomen
van het grote bos
ook ik heb nood aan warmte
aan vriendschap aan licht
en begrip

leer mij te leven zoals jij
te staan in weer en wind
dankbaar te zijn om dit leven.



WE LEVEN

We leven met op onze huid 
de ergernis van gisteren
luisteren naar de souffleur
die ons woorden toefluistert

vergeten wat werkelijk leven is
willen hebben en hebben
leven in huizen
die baden in luxe
zijn slaven van ons eigen egoïsme

maar als een glasscherf
brandt in de zon
pijnigt ze onze ogen
we openen ze
en zien hoe de nachtwind
leven neemt

in dit besef willen we weer ademen
en om liefde vragen 

de realiteit is dan:
de stilte van liefde
het licht van de zon
de stralen van de maan
en de mensen rondom ons
die van ons houden
zoals we zijn.


IN VERHALEN
 Het mijngebouw Beringen

Hier sta ik dan
rotsvast en stevig in de aarde gepoot
trotseerde weer en wind dagen en jaren
verdroeg duizenden voetstappen
die langs me heen liepen
zag blijheid en leed
voelde de harstslag van hen
die werkten in de mijn

kompels die hier stranden
om wat brood en water
ontgoocheld of geholpen
wie zal het zeggen

nu ik hier nog  sta
als trots van vroeger
weten velen zich begraven
in de aarde rondom mij
enkel hun herinnering
leeft nog in verhalen.


HET WEERZIEN

En dan plots geheel onverwacht
oog in oog na zoveel tijd
een glimlach opent het gesprek
ontwapenend
net alsof er geen jaren tussen waren

gisteren is nochtans lang geleden
of vergis ik me
en tellen uren tussen een weerzien niet
als hartelijkheid en vriendschap zegevieren

stemmen vertellen weer

na zoveel beloftes
vloeit nog steeds het water naar zee.


ONDER EEN KRIJTWITTE

Onder een krijtwitte hemel
de onschuld zoeken
en kinderen vinden
harmonie voor uren
woorden voor een gedicht

wie hoort het gebed
van de stilte niet
als wolken zacht drijven
in een spel van zonlicht 

onder deze krijtwitte hemel
dromen met wijdopen
gesperde armen
doet zelfs het laatste beetje
pijn verdwijnen.



VANDAAG HEB IK

Vandaag heb ik het water opgepakt
beschermd als was het een kind
want zoveel stilte is een heiligheid
is de sneeuw op het gras
is ijs op de vijver
is de stem van de maan
en het licht van de zon

Vandaag heb ik het water op
mijn handen gedragen
omdat jij daarin woonde
begeef ik mij op glad ijs?

zal ik morgen het water vragen
om even door jouw stem te vloeien
zodat de eenzaamheid doorbroken wordt
en ik kan leven met jou aan mij zij


DAT LIEFDE

Doe het licht maar uit, zei je
de zon zal morgen wel schijnen
hoe onverwacht kwamen deze woorden
ik wist niet dat jij beminnen wou
dat eenzaamheid jouw woning was

doe het licht maar aan zei je daarna
want ik hoor de druppels op de daken
het plonsen van kikkers op de vijver
en wil kijken naar
de sterren aan de hemel
hun gewemel stemt me blij
want jij bent nu zo heel
heel dicht bij mij

het licht straalt nu door de nacht
schoorvoetend komt het aandralen
en wij weten dat liefde
een samenspel van twee is
dat water en licht
tranen zijn die in jouw ogen blinken.


LICHT ZINGT

 Bloemen aan de waterkant staan
roerloos hun kleuren te verspreiden
wind legt zich in stilte neer
zoekt naar dauw uit de vroege ochtend

licht zingt door de dag tot moeheid
in de avond valt en alles dooft 
ik leg mij te rusten en mijn geest
reist naar voorbije uren daar ben jij
aanwezig met je glimlach en zingt
een lied voor hoogstaande populieren

in het blauw van geschreven woorden
vind ik het vuur van verlangen strek mijn armen
open de deur van mijn woning 
hoop dan dat jij een liefdesoffer brengt

ik zal dan een altaar voor je zijn.


HET JONGE MEISJE       

Zie hoe haar vlugge voeten dansen in het licht
zo totaal onverwacht op het ritme van de wind
haar ogen glimlachen om de melodie die in haar zingt 

geluidloos draait ze een pirouette
schudt al de winteruren van zich af
voelt het vuur van leven aanwakkeren
denk aan hartstocht en beminnen

straks als ze vrouw zal zijn wiegt ze
in de armen van haar geliefde
voelt ze zijn lippen op haar koele mond
haar bloed wordt dan onrustig
haar lichaam verlangt

en als de avond valt zal ze
onweerstaanbaar hebben bemind

zie hoe haar vlugge voeten dansen
in een blauwe ochtend vol liefde en verlangen.


VOOR LATER


Onder een hemel die licht van zeden is
tintelingen stuwt door haar bloed
zet zij zich op de trappen.


Hij praat
en praat.


Dan kijkt zij naar de tuin
kleurt al de bloemen roos
en vraagt om liefde.


In de schemer van haar schaduw
legt zij zacht zijn hand op haar schouder.


Zomergloed doorspoelt haar lijf
in een oase van zwoele lucht
neemt zij dat alles op
als herinnering
voor later.


Edith Oeyen

30 juli 2011

Blijf bij mij


Wanneer je eerst zou gaan, liefste,
zal het lijken of het tocht,
een deur die veilig dicht was,
waait open. Een tocht giert door

mijn leven. Nu gaat alles
altijd goed, denk ik toch, dit
gevoel zal weg zijn, liefste
zonder jou is de wereld zijn

onschuld kwijt, dit is het einde
van mijn paradijs. Blijf bij mij
ook lang na mij, al verkilt mijn
lichaam langzaam tot op het bot.

Thierry Deleu

29 juli 2011

Geïnteresseerd?


Halverwege de stralende, zonnige vakantietijd moest ik een en ander opruimen. Daarbij kwamen aan het licht: een aardig aantal exemplaren van uitgaven uit de jaren tachtig. Hierbij: exemplaren van het literaire tijdschrift ‘Initiatief’, de poëziebundels ‘De nieuwe tachtigers’ en Dirk Tits’ ‘Dode gedichten’ en de proza-uitgaven ‘De hut’ (Paul Coppens) en de bundel ‘Vieze oude mannetjes’ (reactie van zeven jonge talenten op de toen sterk gehypete jonge goden Brusselmans & Lanoye).

Gezien het om heel wat exemplaren gaat en ik van deze uitgaven slechts één of twee stuks wil behouden voor eigen referentie zoek ik hier een goed onderkomen voor. Misschien zijn er belangstellenden bij de vvl (of vvl-leden)?

Marc Hendrickx
Hendrickx Books

28 juli 2011

Voor Hilde, vriendin op afstand toen en nu

Hilde Sabbe


Met afgewende ogen
                  bij een foto van Hilde

Je afgewende ogen knijpen
alsof je jezelf in ballingschap,
je blik ontwijkt gelouterd het
zicht van blote, geblinddoekte

mannen in vale, bleke beelden,
je staat voor onmogelijke keus
je zoekt naar het tijdloze woord
dat meester en knecht verzoent,

ik lees wanhoop, als gesluierde
vrouwen kijken, je zoekt tussen
getaande macho’s naar poëtisch
vermogen, je ogen verraden

gêne, je golvend haar paarden
in galop weg van werkelijkheid,
geen spier in je gezicht verraadt
je vurig verlangen naar romantiek,

in jouw bedeesde droom is slechts
plaats voor de ridder op het
witte paard, ik hoor gedruis
in de verte, houd moed, prinses.

Thierry Deleu

27 juli 2011

Dichter op retraite
            voor FF



Dichter, in jouw kluis achter
hoge rug van bergen, jouw teer
hart verhardt in de liefde,
weet dat wie uit liefde zondigt

geen verwijt. O Dichter, hoe
dichter wij bijeen, hoe groter
vleugelslag van meeuw, zij draagt
met schroom de maretakjes heen,
   
wij overleven wassend tij,
met de vogels in de bomen,
dichters ieders hoop, schilders
ieders herinnering. Dichter,

verscholen in het dal van
Eden, kom ongedeerd uit strijd
tussen hart en wil, wij hebben
nog een eind te gaan, om geestelijk

hoog te staan, je moet je niet
ontlijven, de stam verwoest
waar moet de roos dan blijven?
En het leven na de dood?

Thierry Deleu  
In de reeks GASTDICHTERS: 

1. STAF DE WILDE

2. PAULA HAGENAARS

3. MARLEEN DE SMET


Zie hieronder.
Veel leesgenot!

GASTDICHTER 3: MARLEEN DE SMET




CYCLUS: VREEMD HOE HET GAAT

Marleen De Smet


Marleen De Smet (°Brakel, 1959) schreef drie poëziebundels Groeipijnen – van veertien tot eenenveertig (2002), Vreemd hoe het gaat (2005), Tussen schaduw en schittering (Demer Uitgeverij 2010) en de historische roman De verborgen oorlogsliefde (2002). Verschillende gedichten maakten deel uit van tentoonstellingen. Andere werden opgenomen in e-zines, bloemlezingen, verzamelbundels en diverse magazines. Twee gedichten zijn permanent te lezen in de poëtische steegjesroute van Geraardsbergen. Zij werd aangesteld als Galmaardse dorpsdichter(es) 2011.

“Marleen De Smet brengt met zinderende woorden en enige beelden de wereld van het onzichtbare tot uiting, die schuilt onder het verraderlijke oppervlak van de dagelijksheid. Haar poëzie is transreëel, onthullend en bevrijdend, zonder de geheimenisvolle veelzijdigheid van de menselijke existentie te verraden.
(Marc Eyskens)


sporen

vertelde ik je ooit over heilige gronden
waar ik onder de warmte van jouw komst
onuitgewiste voetsporen zocht op plaatsen
waar jij met mijn liefhebben in je armen stond

vreemd hoe het gaat
hoe met het ijlen van de tijd
alles verstilt en niets is wat het lijkt
telkens ik een straal in jou vonk


fata morgana

ze droomden elkaar
in een wereld die van hen was,
wanen werd werkelijkheid
maar haperend in de schemerzone
merkten ze meermaals
hoe dwaas een mens kan zijn
hoe menselijk dwaasheid is
als verbeelding toeslaat
en zij door weerwil
niet wijken willen


brandende handen

zij opent zijn hand
met rozenvingerige
vragen en streelt
de weken klittend
tot jaren wachten
in zijn hand gegrift

zij leest zijn waarheid
hoorbaar tussen
lijnen stilzwijgen
lippen bewegen
sprakeloos naar
elkaar toegedicht

hij omsluit haar
lenden
kust haar hals
niet wetend
waar het luwen zal
branden handen
en ondeugd glimlacht


volharden

er is in haar een meisje dat valt,
geborgen in het aquarel van de morgen
ontbindt ze wat ze verwerpelijk vindt

daar, waar anders, beklimt ze
verkleumd het touw van volharding
hoger en dichter bij wijsheid

ze legde knopen tussen gisteren en nu
als leidraad bij een zekerheid van niets,
er is in haar een vrouw die opstaat


afscheid

roerloos stil
klemmen koffers
het komend gaan

de magere matras
onverhoeds ontmanteld
veert niet meer

enkel de deur knarst
over sporen waar voeten ooit
het thuiskomen veegden

het slot klapt uit de biecht
de sleutel wuift na


voetvegen

tijdens het kantelen van elke dag
trekt ze flatteus haar fierheid uit
en schuift haar voeten in doffe sloffen,
ze slentert niet maar kamerjast
door het grote huis naar het waarom

op elke tegel voetveegt ze
een herinnering, als ze maar hard
en lang genoeg overloopt
hoe het zover kon komen,
toen en nu


herrijzen

zijn armen herbergen een zandvlakte
je verdwaalt er zonder meer,
het zand fronst,
het helmgras weigert

amechtig strompelt hij
over duin en del,
houdt halt
en valt

leg niet uit hoe hij huilen moet
hij praat met vuisten
en stort zichzelf
bij vlagen in en uit

tot vloed het tij keert,
hij opstaat, zich omdraait
en doorgaat naar
het bekken dat hem baarde


dichtersmanifest

naar ‘t schijnt wikkel ik de wereld in wolken
als de zon haar bevelen zaait
vreemd dat ik dat geloof en kwel
me in conflict met knijpende twijfels

hoe meer ik me door elkaar schud
hoe meer woorden vallen bij lamplicht
ik moet ze enkel nog schikken, mezelf
samenschrapen, leestekenloos in een gedicht

schemerend walsen klinkers met medeklinkers
drijven woorden zwart op wit, ik roei er recht doorheen
terwijl één lezer geen moeite doet, twee lezers
niet vatten wat tussen de regels leeft


meisje van 50

koket tussen de schouders
en net in de heupen gezet
hebben jaren laagjes gelegd
op wat was haar lenige lijf

zie de rimpeltjes waarmee
ze kinderen uitzwaait
ze plooien haar gelaat tot
wanneer zie ik je nog een keer

maar haar décoltétje, een v’tje
verdiept tot hoofdletter
ontboezemt ho’s en o’s
met handenvol

gekwebbel of je wel weet
dat die dat doet met die
van om de hoek
ach, het meisje van 50

grient met een pruillip van 5:
zakdoekje leggen, niemand zeggen
ik moet iemand vertellen
dat ik pauzeer bij meno


déjà vu

zonder omwegen
merk ik hoe frontaal
we naar elkaar toelopen

met de seconde
word ik wijzer nu jij

tijd

grijs langs mijn naden glijdt
en ik besef
dat alles voorbij-ijlt