Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans

Stichtingsdatum: 1 februari 2007


"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"

"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.

30 april 2011

Uit ons archief 2010

THIERRY DELEU IN GESPREK MET IRIS VAN DE CASTEELE


We beginnen met een biografisch overzicht van Thierry Deleu. De auteur woonde tot 1976 in Wevelgem. In 1966 richtte hij met Lionel Deflo het tijdschrift Kreatief op. Daarna leerde hij de kunstschilder Marcel Coolsaet kennen, met wie hij het tijdschrift Boulevard oprichtte in 1970. Vanaf 1976 was Deleu woonachtig in Harelbeke en bij zijn oppensioenstelling verhuisde hij naar Oostduinkerke. Deleu stond beroepshalve in het onderwijs, respectievelijk als leerkracht, directeur en kabinetsattaché. Als auteur publiceerde hij gedichtenbundels, essays, romans, biografieën, bloemlezingen en leerboeken Nederlands. Thierry Deleu stond aan de wieg van meerdere literaire en culturele activiteiten. Hij organiseerde tentoonstellingen en belichtte uitvoerig de Harelbeekse burgemeester, wijlen Marc Bourry, de dichter André Velghe en de Antwerpse auteur Guy van Hoof. Met deze laatste begon hij de kleinschalige uitgeverij Het Schaap, als een uitloper van het tijdschrift Boulevard, waarin hij samenwerkte met beeldend kunstenaar Marcel Coolsaet. Hij publiceerde bijdragen in de belangrijkste tijdschriften van de Lage Landen bij de zee. Als dichter behoort hij tot geen stroming. Zijn poëzie evolueerde van laat-experimenteel naar nieuw-romantiek, altijd in een leesbare taal, met aandacht voor mens en natuur. De evolutie van zijn werk is terug te vinden in de twee essays die Guy van Hoof over hem schreef: Aan wat overblijft heb ik genoeg (1986), en Thierry Deleu, jager in zijn grondgebied (2000).

Hierna de auteur in gesprek met dichteres Iris Van de Casteele.

In je fictie-autobiografische roman Liefde en dood op Sint-André, krijg je in een recensie een minpuntje voor het gebruik van sommige typische Vlaamse woorden, “al stoort mij dit als Vlaams auteur niet echt,” schrijft de beschouwster. Dat typische Vlaamse woorden haar “niet echt storen”, doet me huiveren. Daaraan herkent men meteen de ja-knikker. Ons prachtig lijster- en nachtegaalgezang, met Tijl Uilenspiegel als pittige kern, is Vlaams, hoeveel etiketten er ook mogen opgeplakt worden, zo denk ik erover. Hoe denk jij daarover, Thierry?

Ik gebruik graag typische Vlaamse woorden en bovendien ben ik een Vlaamse auteur. Zei men dat van Claus ook niet en van Louis-Paul Boon? Ik stoor mij toch ook niet aan het AN van de Nederlandse schrijvers. Ik ben geen purist en houd mij niet altijd aan het AN. Dialectwoorden geven kleur aan de taal. In Nederland doet men altijd net alsof in Vlaanderen een soort Nederlands wordt gebezigd dat ‘achterloopt’ (altijd diezelfde paternalistische houding). Taal draagt de sporen van zijn gebruiker. Al generaties woon ik in Vlaanderen. Ik ben niet bereid om mij onderdanig op te stellen. Bovendien wil ik geen geïdealiseerd beeld van Nederland in stand gehouden. Ik wens mij niet aan de Nederlanders te spiegelen door hun taal, stijl en culturele gewoonten over te nemen.
Dat wij, Vlamingen, geen fijnheid hebben, in alles even grof zijn, is larie en apekool. Wij spreken geen brabbeltaaltje, maar een taalvariant van het Nederlands.

Je hebt volkomen gelijk. Kleur aan de taal geven kan alleen nog maar het geschevene verrijken. In jouw essay Een andere bedding? Vlaamse poëzie na 1975, schrijf je: “Met dit essay wil ik geen overzichtswerk schrijven, maar ik heb toch gezocht naar voldoende samenhang, naar maatschappelijke inbedding”. Ik stel vast dat je daarmee uitstekend werk hebt geleverd. Kun je naar schatting zeggen hoeveel tijd en energie je in je opzoekingen - en het essay zelf - hebt gestoken?


Een moeilijke vraag, maar ik vermoed dat je van mij niet verlangt dat ik het aantal uren of dagen opgeef, dat ik aan dit essay bezig was. Ik ben een gepensioneerde auteur en deze status biedt vele voordelen: ik maak tijd, ik ben gedreven (voor sommigen klinkt dit negatief) en bijna al mijn korte essays hebben als kerngedachte “de discriminatie van de auteur”. De auteur wordt in Vlaanderen niet gelijkwaardig behandeld. Dus ook als ik met literatuurgeschiedenis bezig ben, gaat mijn aandacht (glijdt mijn aandacht af) naar dit strijdpunt. Mijn (kleine) essays, - zij die geen boek vormen, - nemen een groot deel van mijn literair werk in beslag. Ik schrijf veel recensies, inleidingen tot gedichtenbundels, voor- en nawoorden, literaire bijdragen, artikels over literaire fenomenen. Daarnaast schrijf ik poëzie en publiceer romans (volgend jaar verschijnt de zevende). Ik ben een veelschrijver, maar dit etiket stoort mij niet, ik maak tijd, alles kan, niets moet (nog), maar mijn dagtaak is schrijven, werk en hobby zijn één. Hobby? Passie, obsessie, zegt mijn vrouw.

In ditzelfde essay lees ik (..) Een mooie illustratie daarvan is de samenwerking tussen dichters en schilders, zoals Hugo Claus, Roger Raveel en Antoon De Clerck.(…) Had Paul Snoek er als schilder en dichter ook bij gekund?

Ja, natuurlijk, maar Snoek vormde met zichzelf een tandem. Snoek was een androgyne mens. In dit essay heb ik het in eerste instantie over de vraag: “Wat is groot? En hoe word je groot?” De collegialiteit onder auteurs is niet voorbeeldig. Het zijn individualisten. Ze beconcurreren elkaar graag, maar ze verenigen zich niet graag. Nochtans “eendracht maakt macht”: macht in de vorm van inspraak, controle, medebeheer, beleid.

Nog een stuk verder kom ik de naam Fernand Florizoone tegen die voor mij ver van een onbekende is; een graag geziene dichter die in 2002 opgenomen werd in Distelbloemen. Indien ik het niet mis heb, Thierry, heb jij deze dichter altijd een grote genegenheid betuigd. Mag ik zeggen een soort aanhankelijkheid?

Fernand Florizoone is Koksijdes bekendste cultureel ambassadeur, hij is de dichter-nestor van de Westhoek, ik mag hem mijn vriend noemen, voor mij is hij de grootste levende dichter van de Lage Landen bij de zee.
Ik heb Fernand beter leren kennen en waarderen sinds wij aan zee wonen, in Oostduinkerke, we ontmoeten elkaar meer, we zijn graag in elkaars gezelschap, wij genieten van dichterlijke (atmo)sfeer in onze gemeente, we weten wat wij aan elkaar hebben, wat wij in elkaar appreciëren, wij zijn geen “dikkenekken”. En nog veel meer dan ik blijft Fernand “de dingen onbevangen benoemen”. Hij vertikt het eelt op zijn ziel te kweken. Dit is de paradox van zijn poëzie: het economisch gebruik van woorden om de weelde van het landschap te evoceren. De synthese naast het detail. Dit is belijdenis-lyriek van eerste rang. Geen postmodernisme, geen hermetische poëzie, geen nieuw-realisme of neoromantisme, maar lyriek in een uitgepuurde vorm en een wijdse inhoud.
Fernand Florizoone is niet de enige dichter in de Westhoek: ook anderen schrijven poëzie op een behoorlijk niveau. Soms denk ik dat dit iets te maken heeft met het gesloten gebied van de Westhoek, tussen de IJzer en de zee, twee sterke grenzen. De mens hier is minder expansief, veeleer bezit hij een ingesloten geest. Stilaan wordt het land opengegooid, maar dit kent een traag verloop. De dichter hier is nederig, bescheiden, de mens, zijn lezer, is gevoelig voor poëzie. Dit heeft niets te maken met valse bescheidenheid, de mensen hier, in de Westhoek, zijn eenvoudig in woord en daad, zij zetten zich af tegen het erudiete, zij willen als het ware een gat vinden om de poëzie in te duikelen. De dichter hier is niet elitair, hij is allergisch voor dit woord. Geen mens of dichter springt hier op elke trein die voorbijrijdt. Dichten is voor Florizoone een trip, een reis, een tocht vanuit de buitenwereld naar de binnenkant van zichzelf en hij maakt van dit reisverhaal een ode aan zijn habitat in het algemeen en aan zijn vrouw in het bijzonder. De wijze waarop hij dit doet, onderscheidt zich van de overenthousiaste verteller: Florizoone probeert zijn gevoelens te beheersen, hij probeert vat te hebben op de emoties die hij (be)noemt. Wij zijn laat de beste vrienden geworden (ik ben zeventig, hij is vijfentachtig), maar onze vriendschap is eerlijk en inspirerend.

De opsomming van namen valt altijd te vergelijken met een half gevuld glas; met teveel of te weinig. Zo mis ik in jouw essay de naam Dirk van Babylon tussen de dichters/schrijvers van na 1975. Het is me vooral opgevallen omdat ik hem persoonlijk ken. Las jij nooit één of méér van zijn honderden sonnetten?

Ik geef toe dat ik ten onrechte Dirk Babylon ben vergeten in mijn ‘namenlijst’. Welke criteria heb ik aangelegd om deze dichters te kiezen? Mijn criteria? Moeilijke vraag, of beter het antwoord zal altijd controversieel zijn. De geselecteerden nemen gemakkelijk de kleur aan van de bloemlezer en andersom. Ik kan een dichter niet verkiezen, wanneer ik zijn/haar gedichten niet heb gelezen. Dit is nogal wiedes.

Ik vind jouw uitgebreid essay Een andere bedding? één volwaardig geschrift. Niet omdat er voor elk wat wills inzit, maar vooral omdat je niet schuwt talent en minder talent naast elkaar te plaatsen. Ook omdat je er een gedurfde maar eerlijke mening op nahoudt. Er zal wel veel oprechte Westvlaamse inborst mee gemoeid zijn?

Zijn West-Vlamingen oprechte mensen? De West-Vlamingen zijn de andalusiërs van Vlaanderen. De West-Vlaamse tram pendelt heen en weer tussen De Panne en Knokke zonder een duimbreed af te wijken van de kust en draagt zo bij tot het isolement van de Westfluten. De West-Vlaming ziet zichzelf in de eerste plaats als een 'harde werker'; de Antwerpenaar ziet de West-Vlaming vooral als 'arrogant' en 'koppig'.
En nu terug naar je appreciatie van het essay Een andere bedding. Hoe stelde ik een blauwdruk samen van het poëtisch landschap in Vlaanderen? Ik wilde geen schoolvos, waanwijze, betweterige bloemlezers zijn. Ik wenste geen nieuwe Michelingids van de beste dichters samen te stellen. Ik wou alleen een kleurrijk beeld schetsen van de Vlaamse poëzie en daarbij de verrekijker niet omgekeerd voor mijn ogen houden.
Ik wilde geen afrekening maken, geen soort van pamflet, polemiek of kritisch opstel.
Poëzie is overal gelijk. Gedichten zeggen iets over de cultuur van een land of een regio, maar de spraakverwarring ontstaat bij de vraag: wat verstaat men onder poëzie en welke plek neemt zij in de cultuur in?

Wat betekent voor jou status verwerven? Bekend worden omwille van de grootheid (of veelheid) van je geschriften? Of zie je dat als een blok aan het been van de auteur waarvan verwacht wordt dat hij met de regelmaat van de klok nieuw werk aflevert. Gevestigde uitgeverijen, die vaak als bloedzuigers tewerk gaan, en de auteur in de koude laten staan van zodra zijn inspiratie het voor een stuk laat afweten. Wat kan hij dan nog met zijn status aanvangen?

Een groot aantal dichters profileert zich onvoldoende. Omdat ze dit ook niet wensen, of omdat zij niet publiceren bij gevestigde uitgeverijen. Dit laatste heeft grote nadelen: als dichter kom je niet in bij grote uitgeverijen gepubliceerde bloemlezingen, je krijgt heel wat minder aandacht in de media, je wordt minder gevraagd voor lezingen op scholen of in verenigingen. In één woord: je verwerft geen status. Bovendien zijn literaire tijdschriften - dé mogelijkheid bij uitstek voor aankomende auteurs die vaak zelf aan het roer staan - aan het uitdoven. Een dichter kiest meestal en frequenter voor het internet.

We kennen je niet alleen als waardevol schrijver, Thierry, maar insgelijks als talentvol dichter. Vind jij dat het oeuvre zelf méérwaarde krijgt wanneer de auteur een zekere status heeft verworven?

De kwaliteit verbetert niet omdat je een “erkende” schrijver bent. Erkend = uitgegeven door erkende (gevestigde uitgeverijen die door de Overheid worden gesubsidieerd). De meerwaarde zit hem in de bekendheid waardoor organisatoren, boekhandels, bibliotheken, culturele centra hun deuren openen. Status is aanzien, mee tellen, niet gediscrimineerd worden. Geconfronteerd met de malaise in de literaire wereld durf ik nogmaals stellen dat vooral de overheid verantwoordelijk is. Niet het distributiesysteem in se stel ik in vraag, maar wel de afwezigheid in de rotatie van debutanten en auteurs die geen “gevestigde” uitgeverij vonden of die niet bij een “commerciële” uitgever wensen te publiceren, vind ik discriminerend.

Uitgevers hebben het vaak over ramsj, (zo’n vulgaire naam aan een boek geven vind ik kwetsend voor de auteur). We weten dat bijna alle grote uitgevers overheidssteun genieten. Zou het kloppen dat grote uitgeverijen met zoveel hopen boeken blijven zitten zodat ze uit hun kosten niet komen?

Uitgevers voelen zich bedreigd door de overschotten, door de terugval van het aantal lezers (hun klanten), door de concurrentie op het Internet en vragen een verhoging van de overheidssteun. Indien hun analyse de juiste zou zijn, dan is hun diagnose zeker fout.
Ik bied nogmaals een oplossing aan: start het “Plan Boek” op en vertrek vanuit drie prioriteiten. Primo: een collegiale en transparante procedure tot aankoop van boeken, en/of subsidiëring van de auteur, secundo: een overheidscommissie die de ingestuurde boeken beoordeelt en afhankelijk van dit oordeel een aantal boeken aankoopt en./of de auteur bijkomende steun verleent, tertio: de creatie van een label van “Onafhankelijke Auteurs” (dit kunnen debutanten zijn, maar zeker degenen die in eigen beheer, in welke vorm ook, uitgeven). Deze drie prioriteiten kunnen enkel efficiënt werken mits het aanwenden van drie werktuigen. Eén: de samenwerking (juister: de inspanningsverplichting)) tussen overheid, uitgevers, auteurs en bibliotheken. Twéé: de coöptatie van auteurs in alle overheidscommissies die (ook) boekenbevoegdheid hebben; alle auteurs betekent hier: gekazerneerde én dakloze auteurs. Drie: een overheidsdistributiesysteem voor de uitvoering van prioriteit twee.

Het “Plan Boek” lijkt me wel iets. Waar zou dit eigenlijk naartoe moeten leiden?En hoe stel jij je dat voor?

Het resultaat van “Plan Boek” moet leiden tot een aangenaam retrogevoel: de tijd van administrateur-generaal Walter Debrock (de jaren ’70), toen boeken werden aangekocht van elke auteur en verdeeld over scholen en bibliotheken. Wat is de positie van de uitgever in dit voorstel? Nergens. De uitgever hoort thuis bij de commerciële ondernemers. Overheidssteun aan bedrijven hoort niet thuis in dit pleidooi voor gelijkwaardigheid. Daarom stel ik meteen ook voor om een nieuw decreet te schrijven, waarin de rol van elke overheidscommissie, die boeken onder haar bevoegdheid heeft, wordt beschreven en waarin de auteur op de eerste plaats komt.
Ik besef dat criteria aanleggen waarmee de aankoop van boeken en de steun aan de auteur worden gemeten heel moeilijk is. Geen enkel meetinstrument kan honderd percent objectiviteit of beoordelingscorrectheid garanderen. Daarom opteer ik om de lat niet te hoog te leggen en de marge breed te houden. Een officiële recensiedienst wordt in het leven geroepen die korte recensieberichtjes doorstuurt en/of doormailt naar alle bibliotheken. Deze dienst zorgt ook voor de informatie naar de boekhandel die daardoor niet alleen wordt gestuurd vanuit de uitgeverijen, maar ook geïnformeerd wordt over de publicaties die het label “Onafhankelijke Auteurs” dragen.

We weten dat “gevestigde” uitgeverijen het voor het zeggen hebben. Ik ken persoonlijk méér dan één uitstekende auteur, zoals jij, die een belachelijk antwoord kreeg toegestuurd als njet. Ik denk daarbij aan hetgeen op Internet te lezen staat omtrent uitgeefster Angèle Manteau:”Een refrein in het leven van de toen inmiddels tachtigjarige verkoopster van boeken, die met vrienden, vertrouwelingen, medewerkers pleegt om te gaan of het sigaretten zijn, naar willekeur op te steken, uit te blazen, onder de schoenzool te verpletteren. Daarna maakt ze van blijdschap een dansje door het huis.” Wellicht zou daar met “Plan Boek” grote verandering kunnen in komen?

Ik besef dat er nooit zekerheid zal bestaan over het onthaal van een boek bij de lezer. Dat is ook afhankelijk van de stijl, de impact van het onderwerp op de lezer, van de publiciteit, van de kritiek, de vakpers. Samengevat: de dominantie van de “gevestigde” uitgeverijen wordt met het nieuwe decreet en het “Plan Boek” in de kiem gesmoord. De prijs van de boeken is geen zaak van de overheid. De uitgever bepaalt de prijs en zodoende ook de winst. In slechte tijden, wanneer zijn winst vermindert of niet meet vergroot, moet hij zich bezinnen over zijn winstmarge, de productiekosten, de distributiekosten, het aantal titels. Hij moet overleg plegen met de boekhandel, zijn rechtstreekse afnemer. De uitgever drijft handel in ideeën en brengt hem winst op. Ook hij moet een strategie ontwikkelen om zijn producten aan de man te brengen. Dit is een puur economische realiteit.
De bibliothecaris is niet langer (ongewild) de handlanger van de uitgever en de boekhandel, maar hij treedt, in overleg met de gemeentelijke overheid, ongebonden op. Dat kan hij door beide kanalen van informatie te raadplegen, die van de uitgever en die van de overheid. Ik wil een oproep doen tot de media om meer aandacht te besteden aan het boek, aan de auteur, aan de literatuur in het algemeen. Deze fel verminderde interesse is bovendien mede oorzaak van de malaise in onze literaire wereld. Ik behoor tot de generatie die 1968 heeft beleefd en hoopvol gestemd was om de verbeelding de macht te gunnen die haar toekwam. Na ’68 werd de kapitalist echter een neo-kapitalist en de liberaal een neoliberaal. Dat betekende dat zij opteerden voor een vrije markt, maar nu met groeiende overheidssteun. En bizarre interpretatie van “sociale markt”.

Sinds iedereen vrij kan publiceren op Internet klinkt het woord “status” bijna belachelijk. Jij zult er wellicht ook al prachtige gedichten (en andere geschriften) gelezen hebben van totaal onbekende auteurs, of navigeer je weinig op Internet en verkies je te snuffelen in boeken?

Natuurlijk navigeer ik op internet en bezoek ik de literaire e-zines. Bovendien heb ik al vier gedichtenbundels gepubliceerd als e-book, respectievelijk bij Het Prieeltje Online Diest en bij De Geletterde Mens Oostduinkerke. Zo bied ik de lezer de kans mijn gedichten te lezen zonder (alweer) beroep te moeten doen op hun “vrijgevigheid”.
Als ridder bij het online riddergenootschap “The Knights of the Razorblades” www.knightsrazor.be zoek ik naar de Ultieme Verbinding.
Beide mogelijkheden bieden meer kansen: in boekvorm of als netbook. In beide is status te verwerven. Nogmaals, hiermee bedoel ik niet dat er een maatschappelijke ladder moet zijn: gelijkwaardigheid is status.

In je essay onder “Mijn keuze” vermeld je zowel dichters die papieren bundels bij reguliere en niet-erkende uitgeverijen uitgaven, als dichters die voor eigen beheer kozen, evenals dichters die gedichten plaatsten in tijdschriften en magazines. Je noemt 89 dichters bij naam. Het duizelde mij voor de ogen, niet alleen omwille van het aantal maar ook omwille van jouw smaak en jouw gevoel voor het gedicht. Kun je jouw keuze misschien wat nader toelichten?

Het is nooit mijn bedoeling geweest als een alweter en een geschifte poëziepaus de beste dichters van Vlaanderen aan te duiden. Ik heb gewikt en gewogen, mijn lijst gewijzigd na overleg met dichters en recensenten. Deze lijst zal nooit volledig zijn, noch in aantal noch in juiste keuze. Dit kun je bovendien zeggen van elke bloemlezing of die nu namen of gedichten selecteert. Poëzie is overal gelijk. Gedichten zeggen iets over de cultuur van een land of een regio, maar de spraakverwarring ontstaat bij de vraag: wat verstaat men onder poëzie en welke plek neemt zij in de cultuur in?
Het soort opwinding bij het “lezen” van “Mijn keuze” en de commentaren achteraf zijn welkom. De ervaring leert dat de meeste energie gestoken wordt in de poging de tegenstellingen zo te arrangeren (of ze nu daadwerkelijk bestaan of niet) dat het publiek denkt dat er nog iets anders aan de hand is dan de publicatie van het essay.
Ik hoop dat de criticaster dan verder komen dan hun “ironische” benadering en beter doen dan het verspreiden van lijkenlucht. En ja, ik heb mijn dichters getoetst aan mijn persoonlijke poëzieopvatting. De poëzie laboreert voort, hoewel dient gezegd dat ook de gedichten een retrobeweging maken tot kort voor de opkomst van het nieuw-realisme.

Omtrent het verschil tussen Nederlandse en Vlaamse dichters stel jij je zelfs de vraag of wij - Vlaamse dichters - minder degelijk, minder intellectueel, minder beschaafd zijn. Je stelt vast dat wij muzikaler zijn, met meer mystieke overgave, elan en spontaniteit dichten en je zegt “Het Vlaamse gevoel versus het Hollandse verstand” (Paul van Ostaijen). Ik denk dat van Ostaijen er volledig naast zat, alsof wij minder verstand zouden hebben dan de Nederlander, en de Nederlander minder gevoel dan wij. Ja, dat verwenste minderwaardigheidsgevoel waar ik een onbeschrijflijke hekel aan heb. Jij schijnt er ook ten dele mee behept te zijn, of vergis ik mij?

Ik ben er van overtuigd dat Vlaamse dichters een andere bedding hebben dan onze bovenburen, ja. Dit heeft niets met arrogantie te maken, maar, zeg nu zelf, Vlamingen dichten met meer charme, de problematiek is herkenbaarder, soms zijn ze stereotiep, maar de ondertoon is minder moraliserend. Zijn Vlaamse dichters minder degelijk, minder intellectueel, minder beschaafd? Ik stel vast dat zij muzikaler zijn, met meer mystieke overgave, elan en spontaniteit. Ik heb zelf geen minderwaardigheidsgevoel (toch niet in dit domein). Mijn poëzie wordt goed onthaald, ook (en misschien beter) in Nederland. Onze Vlaamse poëzie wordt echter te weinig efficiënt gepromoot in Nederland. Wij zijn niet goed bezig, aan de Nederlander wordt een vertekend beeld van de werkelijkheid geoffreerd. Ik word er hoorndol van! Ofwel verzuipen onze dichters in een bad met (te) veel Nederlanders, ofwel is het rokje dichter dan het hemdje en mogen enkel de vriendjes in het bubbelbad. Zou dit toch de juiste manier zijn om ons “schoongewassen” aan de buitenwereld te vertonen?

Laat ons dan maar ongewassen blijven, Thierry, met de klei en modder plakkend aan onze kleren die naar ons geworpen wordt of werd. Toch schreef je dat Vlamingen Nederlandse poëzie schrijven. ‘Nederlandstalig’ klinkt beter, vind ik, nog beter is ‘Vlaams’ of Nederduits als je eeuwen terug wilt gaan. Denk je dat het nog lang zal duren eer Vlaamse auteurs zullen terugkeren naar hun wortels? Dat ze op eigen benen zullen staan? Dat ze niet langer zullen ingaan op de eisen van Nederlandse uitgevers (zijn er nog andere bij ons?) die verlangen dat alle Vlaamse woorden uit het œuvre geschrapt worden eer ze voor uitgave in aanmerking komen. Wil jij daarover iets kwijt?

Wij schrijven Nederlandstalige Vlaamse poëzie, akkoord. Ik blijf beweren dat onze Vlaamse overheid werkt met een fout decreet (ongelijke behandeling, geen subsidie meer voor literaire tijdschriften, te grote afhankelijkheid van commercie) en dat zij weinig onderneemt om onze poëtische kwaliteiten aan te prijzen enerzijds en anderzijds dat “het Vlaams” niet wordt geaccepteerd als een taal. Ik erger mij behoorlijk als onze Noorderburen te vaak de nadruk leggen op wat zij noemen: “Vlaamse dialectwoorden”.
De grens tussen dialect en taal is ook voor Nederland en Vlaanderen zeer problematisch. Al zolang als België als staat bestaat, vrezen de Vlamingen voor de teloorgang van het Vlaams. Er is niet alleen angst voor de invloed en de overheersing van het Frans, maar ook voor die van het Nederlands. Vlamingen dienen zich beter te profileren. Vele Vlaamse taalgebruikers, van De Panne tot Maaseik, weten meestal niet eens meer dat er een Vlaamse taal bestaat. Wij moeten ook een grotere belangstelling aan de dag voor de Vlaamse cultuur en geschiedenis.

Vlaams niet accepteren als taal berust op een vergissing van veel Vlamingen zelf, bezaaid als ze zijn met minderwaardigheiscomplexen. In het buitenland wordt onze Vlaamse taal nog altijd bij naam genoemd, vooral in Zuid-Amerika. De Nederlandse De Nederlander Karel Wasch, toch niet de eerste de beste, bewees me een grote dienst in een uitgebreid interview met volgende vraag: “Je beheerst verschillende talen (Frans, Duits, Engels, Spaans, Vlaams), is er verschil om er in te dichten en waarom koos je uiteindelijk voor Vlaams?” Waarop ik antwoordde:“Het verheugt me dat je zegt dat ik in het Vlaams dicht omdat het mijn moedertaal is.” Dat bedoel ik, Thierry: dat het vooral belezen en cultureel ontwikkelde mensen zijn - Nederlanders of Vlamingen - die onze taal als volwaardig beschouwen. Mensen die hun taal en zichzelf evenwaardig achten als andere talen en volkeren. Ik hoop dat ik nu niet als betweter overkom?


In de laatste vijftig jaar hebben de Vlaamse taalkundigen zich, tegenover het Frans, in plaats van zich als Vlamingen te profileren, tot het Nederlands gewend, misschien omdat ze zonder het zelf te beseffen de Franse kaart hebben getrokken en doorgegaan zijn het Vlaams als een soort minderwaardig Nederlands te beschouwen.

Precies. Vlaamse“taalkundigen (in het algemeen kennen veel Vlaamse auteurs hun taal veel beter dan deze taal-professoren) hebben geprobeerd een kuil te graven voor de prachtige Franse taal, en zijn in een Nederlands moeras terecht gekomen, waarin ze zichzelf aan het ingraven zijn. Door zich zo vaak te vergissen zijn ze ongeloofwaardig geworden. Wat denk jij van woorden als ruggengraat (als je het over je eigen rug of ruggegraat hebt, of over zielenpijn als je het over je eigen zielepijn of zielspijnen hebt). Wat vind jij van hun opgelegde stompzinnige dwangregels?

Ik dank je, Thierry, dat je mij zo welwillend en uitvoerig hebt geantwoord op alle vragen. Er zouden er nog een pak méér moeten komen doch de publicatieruimte in De Poëzietuin in het weekblad VM is beperkt. We hebben het de hele tijd over dichters en uitgeven gehad, en ik vind het gepast één van je uitstekende gedichten op te nemen, met jouw goeddunken, dat spreekt vanzelf. Het is een gedicht dat ik al lang koester en af en toe herlees. Het is er één dat ik bewaar tussen al mijn andere relikwieën. Het heeft iets elegisch, vooral door het woord ‘helmen’; het doet denken aan zoveel oorlogsdoden. Dit gedicht verheft ons ver boven alledaagse sleur en momenten van eenzaamheid.

Aan zee

De stad broedt de zomer uit, mijn kind.
Een late valk slaat de vlerken uit.
En in de verte kirren als vogels
meisjes op de schelpen van de zee.

Een vogel wiekt onhoorbaar naar de zon.
En killer voert de wind een snavel.
Een boot stoot schoorvoetend voorbij.
En kruiers voeren de zomer naar de haven.

De zee zet gretig haar lippen in het strand.
En witveren vogels schillen het schuim
met het scherp van hun vleugels.
En straks staat de kou op uit de helmen.

Hiermee kunnen we misschien afronden in de hoop dat de lezers met heel veel interesse jouw woorden zullen lezen, Thierry, en er de nodige gevolgen zullen aan geven. Met dit laatste bedoel ik diegenen die het voor het zeggen hebben in het onontwarbare kluwen van het Cultureel Beleid van de Vlaamse Regering.

Iris Van de Casteele - oktober 2010
AARDSE EEUWIGHEID



Een roemer wijn
een fraktie tijd
vervloeien in een perspektief
van eindeloosheid.
De dronk
van mond aan mond
der twee geliefden
verleggen in elkaar
een grens
van horizon
naar eeuwigheid.

Fernand Florizoone
september 1965
ruilhandel

- voor Thierry -


laten we onze woorden ruilen
zoals toen we jongens waren
de prentjes van een wielerheld

we deelden dezelfde adoratie
en nooit was de verzameling
voltooid

we leerden te leven
met ontbreken ondanks
een heimwee naar volledigheid

onze woorden getuigen
dat het huis blijft kieren
en we willen volkomen
omgeven zijn door luiken
en glazen deuren, door
levenden en doden

laten we ruilen, wetend
dat het andere over het zelfde
gaat: de dame aan tafel,
de deerne in bed

haar keel van nachtegalen
haar armen van ontfermen

we zijn grijs aan onze slapen
en vrezen de telbare dagen
en toch zijn we jongens
gebleven die schuilgaan
in hun woorden en hopend
op voltooiing het voorlopige
willen ruilen

Staf De Wilde

29 april 2011

DE WIND EN HET KIND



De wind
en het kind
bijten in de morgen,
de perzik
gelooft in de zon
zoals de stroom
in haar bron.

Maar vader
zegt vaker
'eerst zien'.
Heeft hij vragen
bij de wind
en het kind
gezien?

Fernand Florizoone
no peace for the wicked


dromen van vrede is hopen
op een hogere soort
na de bevruchting van een engel
wordt de geschiedenis herschreven

geen serpent meer dat kronkelt
om een boom, geen broedermoord
de hemel wordt een nomadentent
waar men thee drinkt en luistert

naar de verhalen van de wind
die om en om de aarde gaat
naar de liederen van de maan
die goedig alles gadeslaat

een soort zal nederdalen
die genoeg heeft aan voldoende
en begrijpen kan in alle talen

de mens behoort tot een barbaars
verleden, een beschaving
die aan zichzelf ten onder ging

geen vulkanen, geen meteoor
alleen de eigen waanzin,
de overmoed en het duivels
begeren van verder en meer

Staf De Wilde

28 april 2011

Huwelijk



Toen het oeverloze
hen vervoerde,
werden zij oeverloos elkaar
in ogenblikken eindeloosheid.


(1965)

Fernand Florizoone

TOMAS LAHODA

DEER PAINTINGS

U bent van harte uitgenodigd op de opening van de tentoonstelling
Kindly invites you at the exhibition
Inleiding door Dirk Pauwels (Dir. Kunstencentrum CAMPO)
Opening by Dirk Pauwels (Dir. Kunstencentrum CAMPO)
op vrijdag 6 mei 2011 om 20 u
on Friday 6 may 2011 8 pm

De tentoonstelling loopt van 6 tot 28 mei 2011
Open: w.t.f.s. 3 pm till 6 pm and on appointment
Exhibition from 6 till 28 may 2011
Matinees: open zondag 15 mei

Galerie S & H. DE BUCK
Deer painting series

The large paintings with the title Deer paintings are part of a long term project of Tomas Lahoda called „After“. Here, the starting point of departure for different series of paintings is the work of nonartists, people who are not in any way artistically educated nor have the aspirations to be artists. Often, they are even members of Tomas Lahoda´s family. Besides Deer paintings, there are other series that could be mentioned as being created under the cover of the After project: Ikebama series (the paintings painted by Tomas Lahoda after his own small drawings after photographs from a book of Ikebana when he was a child - the title beholds the wrong spelling from one of the childish drawings), Models (abstract paintings after the scribblings of his little baby daughter), Portraits (paintings after an album full of cut outs of the richest people in the world from newspapers and magazines, collected by a teenage girl, one of Lahoda´s far relatives), Ad paintings (paintings created as a cooperation with his little daughter on the theme of perfume advertisments), Last Monet paintings (painted after mediocre quality black and white book reproductions of Monet´s paintings) or Book paintings (painted after Wittgenstein´s quotations). All these series also reflect classical themes and genderes such as landscape painting, still-life, portraiture, flower painting, abstract expresionism etc. and the question of the possibilities of reworking them.

The series Deer paintings has two initial inspirations. First, there was the interest in reflecting the old theme of a roaring stag and transforming this prototype of a kitsch into a series of large format, beautiful, representational paintings. The second was a collection of Lahoda´s uncle Leonid´s photographs. He, as a proffesional huntsman and gamekeeper was also an eager amateur photographer taking pictures of stags, deer, wild pigs, and other wild animals of the forest while wandering through his hunting-ground.

One of the most famous paintings of the 19th century was the painting of a grand stag on the background of high scottish mountains with the title The Monarch of the Glen. It was painted in the year 1851 by an english painter, Sir Erwin Landseer, commissioned as part of a series of three panels to hang in the Refreshment Rooms of the House of Lords. Today, this picture is still reproduced on a number of products. Among others, the image became a trade mark of the scotch whisky Dewar´s, which, by the way, uncle Leonid loved to drink on festive occasions. The painting signified both mythic Scotland and high culture, perfectly embodying the necessary associations for Dewar’s. Prints of the painting became common in pubs. Through these reproductions the image was further disseminated, and further dissociated with the world of fine art. Dewar’s, however, was not the only whisky to use the Monarch of the Glen as its logo. The image of the stag was especially apt for Glenfiddich distillery, whose name comes from the Gaelic for “valley of the deer.” The stag image remains the logo and advertising identity of Glenfiddich, and has appeared on bottles, decanters, water jugs, print ads, key-chains, glasses, mirrors, bar mats and even a recent television ad campaign. The company claims the stag image embodies their latest tagline, “the independent spirit,” a pun referring to the whisky itself as well as “the continued family ownership of the brand.”

In the United States The Monarch of the Glen was further disseminated by yet another corporation, the Hartford Fire Insurance Company. Starting in 1861, a mere ten years after the painting’s completion, the Hartford began using a stag as its logo. The original design, while based upon Landseer’s Monarch, depicted the stag by a stream, creating a visual pun on the words ‘hart; and ‘ford.’ Divorced from any initial meanings regarding the Scottish nation or Victorian rule, the stag now came to represent strength, reliability and trustworthiness. As their British counterparts had, the Hartford used popular interest in prints as a marketing tool. In 1890 the John A. Lowell Company was hired to create a steel engraving of Landseer’s painting, which was distributed across the country. Throughout the years since the Hartford has used the image in countless ways. In addition to the Lowell Company’s engraving, the image has appeared on signs, plaques, cufflinks, pendants, children’s badges, and modernised posters, all serving the Hartford’s brand. Beginning in 1974 the company even used the image in television ads with a trained elk named Lawrence wandering through the commercials, while an announcer discussed the company. At the end of the ad, Lawrence struck the familiar pose of the original painting and then morphed into the company’s logo. This new meaning, strength, reliability and trustworthiness, was apparently widespread in America. The image appeared in other corporate logos, as if to certify that a product was of high quality. Most interesting of all, little over a decade after the painting’s completion, the Monarch appears on currency. In 1863 Abraham Lincoln convinced Congress to pass the National Banking Act, establishing a National banking system. These banks were to issue their own US paper currency, with US government securities backing the notes. At least two such banks, the Bank of Michigan and Allen’s College Bank in Pennsylvania, issued notes which featured an engraving of the Monarch of the Glen, distributing its likeness more widely than ever before.

The Monarch of the Glen has become a free-floating sign, which can be attached to any referent, from nations, to whisky, to fire insurance and currency, and whose continued popularity may stem from both its strength as an image and its malleability as a symbol.

However, the image of a roaring stag became to represent a prototype of a gender painting in the 19th century. The image became one of the most reproduced, popular mass clichés, just to be regarded as an embodyment of kitsch in the era of modernism.

This traditional motif expressing the urge for and nostalgia after beeing united with nature is in Lahoda´s series transformed and recycled into elegant saloon paintings with a fleur of pop art. In the Deer painting series, there are hidden references to classical academic painting, as well as to some iconic styles and expressoins of both old and modern art.

In the paintings with huge details of tree trunks in the foreground, two readings are possible. The stylized patterns of the bark of the birch tree in the foreground in a number of paintings can be seen as chineese ink paintings of landscapes with mountains scattered over empty spaces of fog and water with small blotches resembling sail boats.

In other paintings, the huge treetrunks appropriates the large paintings of Clyfford Still. A reminder that a gestural abstract expressionism has become another kind of contemporary mass clichés.

Fotokabinet:Jan Van Den Abbeel invites Meltem Elmas with "Dreams"
Zuidstationstraat 25 9000 Gent Tel.0032/09/225 10 81

E: sdebuckskynet.be I: www.siegfrieddebuck.be/galerie

Siegfried De Buck: Deelname tentoonstelling: Pôle bijoux Baccarat (Fr) tot mei 2011, Museum Sterckshof Hammerclub, tentoonstelling Recycling

Permanent: hedendaagse juwelen en zilveren ontwerpen van zijn hand bij Galerie S&H DE BUCK

Stefaan Van Biesen: werd genomineerd voor de Grand Prix fotofestival 2011 met Geist Lodz Polen.
Geert De Smet: Beeldend werk Film Boris Kuijpers /concept Honingman expo: Tweebronnen Rijschoolstraat 4 3000 Leuven 25/03/2011 tot 01/05/2011

Galerie S&H DE BUCK Zuidstationstraat 25 9000 Gent (B) 0032/09/225 10 81  www.siegfrieddebuck.be/galerie
Open: w.d.v.z.: 15 u tot 18 u en op afspraak.

26 april 2011

Les Tourelles



Les Tourelles au Crotoy
in die spitshoge ogen
van jou lees ik het verhaal
van nat zand kralen kreken

afwezigheid van zee en
glijdende schepen tastbaar
de uitgezette lijnen
aan de overkant op de toon

van meeuwen verdwaalde Jantjes
van Gent murmurerende
wezens vaar ik de Somme uit
de stilte breken is hier

meeuwenwerk de zon ligt
opgespannen op het strand
door de mazen van het net
ontsnappen zegekreetjes.


Chemin de Fer

Un sifflement a whistle ein Pfiff
in een schuit met stoomfluit rijden wij
80 jaar in tijd terug tussen
Le Crotoy en Saint-Valéry

langs met wilgen begroeide
waterkant door velden rietland
drassig groen gras zacht en zoutgekroond
wit vee zwarte schapen paardjes

van goud slank als anglo-araben
snuiven de geur van verbrande
steenkool bezwete blote lijven
zwarte mannen verleden tijd.


Les Tourelles aan de Somme

Les Tourelles in Le Crotoy dernière
arrêt met meeuwen besneeuwd zeezicht
eb en vloed grote kleine wijzer
zachte invasie van vergrijzing

geverfde oude mensjes trekken
zich op aan je viriliteit
hun blik gericht op oneindigheid
op witte zeilen van verbeelding

dansend op een slappe koord tussen
je twee torenspitsen ademloos
opsouperend de laatste loodjes
richting dood herinnering aan

witte zwanen halsreikend over
traag water door wind gerimpeld
uitdovende lichaamswarmte
Les Tourelles hemels eindstation.


Kort verblijf in de baai van de Somme
september 2005

Thierry Deleu
Wiegendood



Witte icoon
en kersenbloesem

ingesneeuwd
kind

aan de hand
van een engel.


Fernand Florizoone

24 april 2011


Fernand Florizoone en Thierry Deleu (archieffoto gemeente Koksijde)
Confolent


Uit mijn dagboek eind’ 90:
“Confolent la Creuse France
hier krijg ik zuurstof à volonté
uit brem netel blarenkruid

waan mij de dalaï lama
met dieren rondom simpele
mensen drankneuzen kaarters
kaartlegsters duivenmelkers

boeren vooral die stenen
uit Vlaamse grond klagen
hier leer ik de waarde van
kleine dingen kleine wensen

hier komt de muze elke dag
in de gedaante van een vliegend
paard samen vliegen wij over
weiden velden bos een lieve lust

voor het oog van bikers wandelaars
’s avonds gaan wij op stal
warm tegeneen geschoven ruiken
de geur van mest bezeikt stro

horen het gesnurk van ezels
het gepiep van puberkuikens
die de slaap niet vatten de zang
van barrevoetse ganzen.”

Thierry Deleu

Sfeerbeeld van mijn verblijf in Confolent
(in de Creuse) bij boer Warlop vóór mijn
oppensioenstelling
Roland met de bles
voor mijn vriend Roland De Busschere




Eyguières

In Eyguières ’t land van koning Eenoor
waar Saint Rémy het woord van God bracht
aan arme luizen barbaren uit
het Oosten Cimbren en Teutonen

daar leeft Roland met de bles in grote
tweezaamheid zich lavend aan fonteinen
die helder blauw water spuiten in
kruiken van wijn en pastis hij woont

bescheiden uit overweging
zelfs zijn woorden weegt hij af aan hun
duurzaamheid een macho in blik en blos
met een groot hart voor wie hem bevalt.


Vriend uit duizend

Oermens Popeye sailorman
archetype stuntman vriend uit
duizend dwarsligger klare
geest gezond verstand trouwe

minnaar brombeer blind voor
morgenstond security
agent voor wie hij zich
uitslooft wereldverbeteraar

mismeesterd gekneed Spartaans
gedrild koppig gebeiteld
vriend uit duizend en één nacht
bolsterzacht geschorst.

Thierry Deleu
Mijn vriend
voor Jan


Rusteloos zichzelf bekreunende verwarde
en verwarring stichtende bezige bij
mijn vriend chaos creërend orde scheppend
zeven boeken in de hand zeven boeken
aan de rand van zijn tafel hij consumeert
veelvraat onverzadigd onverzadigbaar

wat drijft hem? de levensvragen? indrukwekkend
als hij zich opblaast het uitproest van stil genot
pontificale provocatie met een knipoog
hij weet wat hij niet wil en wat hij niet kan
indien het al mag ambtenaar ambivalente
onruststoker opgejaagd om de eerste te zijn

hij gaat niet op café eet friet met frikadel
hongerstiller kunstobject hij voelt zich beeldend
een wereldverbeteraar rebel without a cause
adviseur voor kunst en vliegwerk in het geweer
voor experiment en tot kunst verheven ambacht
voelt zich als een vis op het droge in de ateliers

de donkere kamers van verwarde geesten
hij spreekt niet hij vertelt een verhaal geen toespraak
veeleer een anekdote hij gooit de kunstenaar
in de arena het volk ziet de waanzin in zijn
ogen de blik van de wijze verwaand gebukt
teneergeslagen door massale barbarij.


Voor mijn vriend Jan Van Herreweghe,
bibliothecaris
Openbare bibliotheek Harelbeke

Thierry Deleu
waarlijk opgestaan




de jubel van het vlees
terwijl gelovigen belijden:
de Heer is waarlijk opgestaan

en zij, vorstin van dit aardse
rijk is jou voorbij gegaan
een verschijning die naschemert
in je verblinding

beschrijven zal je niet,
geen lijnen, geen vorm
laat dat aan de heerschappij
der dromen

geloof me: omschrijven
is ontwijden, je moet
haar kleden in geheimen

alleen een schamele frase
geeft het aan, zo vaag
als een orakel en machtig
als een bezwering

het gaat om vrees, zo krachtig
is het beeld dat opstaat
voor je ogen; je noemt het
jubel van het vlees, een voorbijgaan
dat zal blijven terwijl je ongelovig
moet belijden: de Jongeheer
is waarlijk opgestaan

Staf De Wilde

23 april 2011

Gesprek met Thierry Deleu naar aanleiding van zijn zoveelste nieuwe bundel, Ebbe en vloed


We beginnen met een biografisch overzicht van Thierry Deleu. De auteur woonde tot 1976 in Wevelgem. In 1966 richtte hij met Lionel Deflo het tijdschrift Kreatief op. Daarna leerde hij de kunstschilder Marcel Coolsaet kennen, met wie hij het tijdschrift Boulevard oprichtte in 1970. Vanaf 1976 was Deleu woonachtig in Harelbeke, aan de Vlaanderenlaan, en bij zijn oppensioenstelling in 2000 verhuisde hij naar Oostduinkerke. Deleu stond beroepshalve in het onderwijs, respectievelijk als leerkracht, directeur en kabinetsattaché. Als auteur publiceerde hij gedichtenbundels, essays, romans, biografieën, bloemlezingen en leerboeken Nederlands. Thierry Deleu stond aan de wieg van meerdere literaire en culturele activiteiten. Hij organiseerde tentoonstellingen en belichtte uitvoerig de Harelbeekse burgemeester, wijlen Marc Bourry, de dichter André Velghe en de Antwerpse auteur Guy van Hoof. Met deze laatste begon hij de kleinschalige uitgeverij Het Schaap, als een uitloper van het tijdschrift Boulevard, waarin hij samenwerkte met beeldend kunstenaar Marcel Coolsaet. Hij publiceerde bijdragen in de belangrijkste tijdschriften van de Lage Landen bij de zee. De evolutie van zijn werk is terug te vinden in de twee essays die Guy van Hoof over hem schreef: Aan wat overblijft heb ik genoeg (1986), en Thierry Deleu, jager in zijn grondgebied (2000).

Eb en vloed is je laatste gedichtenbundel. Ik merk dat je af en toe bundels publiceert als netbook. Waarom?

Internet is een uitstekend medium om velen te bereiken. Maar ik beschouw deze wijze van publiceren ook als een soort van dankbaarheid aan mijn vele lezers. Een gratis cadeau uit erkentelijkheid. Maar dit is zeker geen signaal dat het boek in papiervorm zou zijn afgedaan, zeker niet, ik blijf het boek in zijn verpakte vorm koesteren. Eb en vloed zijn gedichten over reizen en thuiskomen, weggaan en terugkeren, ook in gedachten. De bundel kan als netbook worden gelezen op http://www.knightsrazor.be/xDocs/EvEnVloed.pdf

Geen heimwee naar Harelbeke?

Neen, wij wonen nu een kleine tien jaar aan zee in Oostduinkerke, op enkele stappen van de duinen, het strand en het water. Op het einde van een rustige, doodlopende laan. In een klein appartementsgebouw met slechts vijf gezinnen. Allen gepensioneerd, de meesten komen uit het onderwijs.
Natuurlijk volg ik nog een beetje de politiek in Harelbeke. Ten slotte heb ik er veertien jaar een actieve rol gespeeld, vooral echter achter de coulissen, als tekstschrijver en campagneleider. Tot 2006 stelde ik hier ook altijd mijn boeken voor in de stadsbibliotheek.
Bovendien heb ik er tweeëntwintig jaar les gegeven. In 1988 werd ik directeur secundair onderwijs in Tielt.

Wat denk je van het huidige politieke landschap in je oude gemeente?

Ik heb de coalitie CD&V en SP.a helpen op de rails zetten. Maar waar ik bijzonder trots op ben, is de verjonging van de lokale SP.a. Ik heb uitgevoerd wat ik altijd beloofd had: mijn generatie een stap opzij doen zetten voor een jonge, ambitieuze nieuwe generatie.

Van jou wordt gezegd dat je geen socialist was in hart en nieren. Is dat zo?

Dit moet ik toch even nuanceren. Indien je bedoelt dat ik enerzijds voor een links-liberale koers kies en anderzijds een Vlaming ben in hart en nieren, dan heb je gelijk. Radicaal links ben ik nooit geweest, maar wel sociaalvoelend en een fervente verdediger van de belangen van de kleine man. Op voorwaarde dat hij zich gedraagt en er niet op uit is om te profiteren van de sociale zekerheid. Laat ons zeggen dat deze houding mijn persoonlijk socialisme is. Bovendien heb ik nooit de ambitie gekoesterd om op een lijst te staan, wat gezien mijn plaats in de partij had gekund. Ik ben geen modale politicus.

Mag ik weten welke stem je nu uitbrengt?

Dat is privé. Maar laat mij het zo stellen: ik wil een doordacht confederaal België. Een land met vier deelstaten: Vlaanderen, Wallonië, Brussel en het Duitstalig landsgedeelte. België hoeft niet op te houden te bestaan, maar de gemeenschappen moeten bijna alle bevoegdheden in handen krijgen. Ook de koning mag blijven, maar dan met een bevoegdheid die nauwelijks indruk maakt en met een koninklijke familie die geen dotatie meer krijgt. Wie steenrijk is, hoeft geen beroep te doen op de kleine man, dit is immoreel.

Nu een eerste vraag over de aanleiding tot dit gesprek: je schrijft je te pletter.

Ja, ik geef toe: ik ben een veelschrijver. Ik schrijf gepassioneerd. Schrijven is geen hobby, maar een passie geworden sinds ik met pensioen ben. Vijf uur per dag. Drie dingen overheersen mijn laatste winter: reizen, schrijven en de kleinkinderen. Schrijven dus. Sinds ik met pensioen ben, schreef ik zes gedichtenbundels en zeven romans. Ook een paar essays waarvan er een al aan zijn tweede druk is.

Waarom zoveel gedrevenheid?

Of bedoel je: moet dit nog? Waarom niet? Ik zou kunnen antwoorden met een cliché: ‘om mij te bevestigen’, maar er is meer: schrijven is een nieuwe wereld creëren, een middel om je af te reageren, een extra kans om te overleven.

Een nieuwe wereld, zeg je. Je gedichten en je romans zijn pure fantasie?

Ik wist dat je dit zou vragen. Mijn boeken zijn deels autobiografisch, onder andere omdat ik kapstokken nodig heb om mijn verhaal aan op te hangen. Vele personages zijn deels fictief, deels niet-fictief. Vele situaties en personages zijn echt, maar met kleine wijzigingen om niemand te kwetsen. Vaak versmelt ik twee bekenden tot één fictief personage. Maar altijd heb ik bekende mensen in mijn blikveld. Tussen alle fictie ontwaart een aandachtige lezer veel herkenningspunten en dat maakt het lezen ook zoveel boeiender.

Dat je een goede schrijver bent, daar is iedereen het erover eens. Dat je veel schrijft, ook. Als dichter heb je je literaire sporen verdiend, je bent zonder meer een van de betere liefdespoëten van de Lage Landen bij de zee. Ook als essayist en biograaf ben je niet meer aan je proefstuk. Ik wil het echter hebben over Deleu als romanschrijver.

In 2002 verscheen je eerste roman, Eindterm, het eerste deel van een trilogie.
Die eerste roman ging in hoofdzaak over de tijd dat je op het kabinet Onderwijs werkte van 1995 tot 1999. Na dit eerste deel van de Creuse Trilogie verscheen in 2003 Amélie Laforêt en in 2004 de historische roman Arsène du Frêne, heer van La Vallade.
In Amélie Laforêt is het decor de Creuse, spec. de streek rond Confolent en La Vallade. Ook de historische roman Arsène du Frêne, heer van La Vallade speelt zich daar af, in de jaren na de opheffing van de Orde van de Tempeliers.

In Arsène du Frêne, heer van La Vallade onthul je ook inwijdingsrituelen, waarbij opvalt dat zij verwant zijn met die van de Loge. Is dit fictie?

Ik ben een niet meer actief lid van de Vrijmetselarij, maar ik zie ook wel de realiteit achter de boodschap. Ook hier, zoals in elke vereniging of genootschap, heb je met mensen te doen. Ik moet je niet uitleggen hoe mensen zijn. Of toch? Mensen hebben goede en slechte eigenschappen, deugden en ondeugden.
Mensen creëren complexe sociale structuren, die bestaan uit talrijke samenwerkende en concurrerende groepen. In dezelfde groep verschillen mensen opnieuw van elkaar vanwege onverenigbare ideeën. In dezelfde groep vind je tolerante mensen en fanatici. Ik heb de waarheid altijd gezocht tussen deze twee extremen.

Terug naar je romans. Na de Creuse trilogie kwam er een roman over psychiatrie en schizofrenie. Ook autobiografisch?

Klamme handen verscheen in 2006. Het is het verhaal van een zachtmoedige, enigszins eigenzinnige psychiater. Ik heb mij hiervoor grondig gedocumenteerd en ook met bevriende dokters gepraat. Ik kan niet verhelen dat ik de toestanden in een psychiatrische instelling goed ken. Ik heb mij vlot kunnen inleven in de wereld van de schizofrenie.

De vraag echter naar de verhouding tussen feit en fictie is een vraag die door de lezer vaak wordt gesteld en die ook nooit naar complete voldoening beantwoord wordt. Is dit niet zo?

Ja, dat is juist. Een roman zegt veel over de schrijver.

Na Klamme handen waag je je aan een politieroman, De doden zwijgen niet uit 2008.

Moord en wedermoord is de rode draad in het verhaal. Het is een literaire politieroman, waarbij ik probeer het onderzoek te beschrijven zoals dat het in de werkelijkheid zou plaatsvinden. Het wordt echter ingebed in een homofiele relatie en in de spielerei van een vrouwelijke rechercheur.

Ook “Wie schrijft, die blijft” breng je dikwijls te berde.

Ik besef dat ook mijn eigen leven voorbijgaat. Met mijn werk wil ik sporen laten in de tijd en zo een vorm van “onsterfelijkheid” bereiken.
Daarnaast probeer ik ook greep te houden op de werkelijkheid die mij omringt. Naar mijn overtuiging zijn mens en werkelijkheid heel complex. De mens is een mysterie en steeds is hij op zoek naar het eigen “ik”. Wie ben ik? Waar kom ik vandaan? Waar ga ik naar toe?
Schrijven is voor mij een zoektocht naar de eigen identiteit. Daarom heb ik het in mijn boeken - vooral in de romans, maar ook wel in mijn poëzie - over mijn eigen afkomst en over machten en machthebbers die mijn leven mee hebben bepaald. Macht staat niet los van personen, instanties en stelsels.

Je zesde roman, Liefde en dood op Sint-André, wordt door critici de beste tot op heden genoemd.

Voor mij zijn Eindterm en Liefde en dood op Sint-André de betere romans van de zes. In Liefde en dood op Sint-André richt ik een virtuoos vergrootglas op de gapende wonden die de liefde kan opleveren. Ik probeer aan te tonen dat het thema nog even vers is als in de tijd van de Grieken.
Het verhaal breng ik met zoveel ironische distantie, humor, liefde en intelligent gemopper dat de lezer er zich in herkent.
Behalve over de liefde, gaat dit boek ook over de schaamte, de wroeging, de spijt.

Fictie toch?

Ik stoei met het autobio-genre dat zich toelegt op de adem van het onechte. Op een wonderlijke manier lijken het heerlijke leugens, verzonnen verhalen.

Is Liefde en Dood op Sint-André een therapeutisch sprookje? Wordt hier de verbeelding ingezet om een diepere werkelijkheid te verdoezelen?

Ik heb al eerder semi-autobiografische romans geschreven, maar deze keer lijkt de noodzaak voor deze roman urgenter te zijn dan voorheen. Pijn is een terugkerend element in het boek: de pijn om achtergelaten te worden. Deze pijn moet ongedaan worden gemaakt en dat kan alleen door na te denken over wie je bent en waar je vandaan komt en door onder woorden te brengen waardoor de relatie zou kunnen zijn stukgelopen.
Liefde en dood op Sint-André gaat echter niet alleen over de liefde, maar ook en misschien vooral over eenzaamheid, ontgoocheling, zelfonderzoek, verraad, verlies, verbittering, negatieve gevoelens die even rap weer omkeren in nieuwe liefde.

Vindt je werk, zowel je poëzie als je romans, een breder publiek?

Nu nog meer dan vroeger. Dat zal - hoop ik - te maken hebben met de kwaliteit van mijn werk zelf, maar ook met de verbreding van mijn actieradius. Een tafelspringer word ik echter nooit.
Ik probeer de regie over mijn leven te behouden zodat ik niet hulpeloos rondzwerf, maar mijn leven nu verschilt echter hemelsbreed met het leven voordien. Ik sluit mij minder af van de literaire wereld. Ik durf de lat hoger leggen.
Liefde en dood zijn thema’s van alle tijden. Niet voor niets is dood het laatste woord in de titel, want na liefde volgt onherroepelijk de dood.

Ik zou het niet beter kunnen zeggen.

Liefde is altijd binnen handbereik en vormt meestal het thema, al loert onvermijdelijk de dood om de hoek en daar moet nog mee worden afgerekend. Liefde geeft mij een nieuw elan, een andere visie, terwijl onrust om de dood wordt omgezet in vitaliteit.

Wat staat er in 2011 op het getouw?

Binnenkort komt een biografie uit over een bekend politicus aan de Westkust. In mei geeft Demer Uitgeverij mijn nieuwe verzamelbundel Strandjutter uit. In september verschijnt een nieuwe roman, Niets is wat het lijkt en einde jaar redigeer ik het 2de jaarboek van “De 50 Meester-dichters van de Lage Landen bij de zee”. Deze drie uitgaven worden voorgesteld op het gemeentehuis van Koksijde.

Dank voor dit gesprek.

Georges de Courmayeur
Losse kanttekeningen



Op 21 oktober 1988 kreeg Mark Braet de 3de Schaap Prijs die hem werd overhandigd in het Ontmoetingscentrum te Harelbeke tijdens de opening van de tentoonstelling tekeningen en schilderijen van Henk Deleu. De Prijs was een initiatief van de “Orde van het Zwarte Schaap”. Dit genootschap werd opgericht te Beveren (Roeselare) op 6 maart 1982. Ik werd voorzitter in continuo. De “Orde” is al een decennium “in slaap” (in het Frans en het vaakst gebruikt: “en sommeil”).
Na de uitreiking zongen wij in café “Brouwputje” op de Marktstraat in Harelbeke luidkeels de Internationale. Ik geef het toe: onder invloed van (veel) drank.

Een confrérie van mannen en vrouwen die ijvert voor een open, verdraagzaam en pluralistisch Vlaanderen. Zij steunt op het modern humanisme dat aanzet tot nadenken en creatieve bezinning. Zij doet een beroep op menselijke vermogens die zij als positief ervaart, zoals redelijkheid, verantwoordelijkheid en kritische zin.

De 3de Schaap Prijs werd aan Mark uitgereikt voor zijn ijver om het humanistisch ideeëngoed ingang te doen vinden bij de Vlaamse intelligentsia, voor zijn bijdrage tot de Zuid-Nederlandse cultuur als auteur, vertaler en uitgever en voor zijn inspanningen om de toenadering tussen de volkeren te bevorderen.
Terloops: de 1ste Schaap Prijs werd in 1984 toegekend aan Guy Commerman. Guy publiceerde bij uitgeverij Het Schaap: Hoe iets aan het licht komt, gedichten, in 1982 en Kreet in krijt, gedichten, in 1986.

Mark en ik werden vrienden einde jaren ’70 toen wij elkaar af en toe ontmoetten op activiteiten van de Belgo-Sovjetse vereniging (vanaf 1977 Vereniging België-USSR). Hij werd in 1969 nationaal secretaris van de Vereniging. Ter gelegenheid van zijn opruststelling in januari 1986 hield ik de feestrede in café “Au Casino” (nu restaurant) op de Doorniksewijk in Kortrijk waar hij door de plaatselijke afdeling werd gehuldigd.

Toen hij in 1986, met Bart Vonck, het Pablo Nerudafonds oprichtte, vroeg hij aan Guy van Hoof om een essay over mijn poëzie te schrijven. Het essay kreeg als titel Aan wat overblijft heb ik genoeg.
Op verzoek van Koen D’Haene van de Vereniging van West-Vlaamse Schrijvers schreef diezelfde Van Hoof een monografie over mij voor de reeks VWS-cahiers. Als ik mij niet vergis, had Christiaan Germonpré (toen nog redacteur van de Cahiers) dit eerst aan Jan Van Herreweghe gevraagd.
Nog voor die vraag er kwam, was ik al op eigen initiatief bezig met een essay over Guy van Hoof, omdat het voor mij bovendien een gelegenheid zou zijn om mijn literaire carrière mee uit te schrijven. Het essay Dichter zonder kroon verscheen bij De Gebeten Hond in 2001.

Van Hoof en ik werkten 30 jaar samen. Eerst was hij vanaf 1972 redacteur bij Boulevard en later, in 1981, richtten wij de uitgeverij Het Schaap op. Dit is de achtergrondgeschiedenis, maar ik geef grif toe dat dit alles mij goed uitkwam. In Dichter zonder kroon schrijf ik ook over Boulevard, Het Schaap, mijn poëzie, mijn standpunten vis-à-vis de literaire wereld en enkele figuren en figuranten. Via o.a. André Velghe (Verslag van een literaire ontmoeting met André Velghe. De Gebeten Hond, 1998) vertel ik mijn eigen ding. Voor het nageslacht? Voor de herinnering? Voor de eeuwigheid? Drie retorische vragen.

Wie komt nog aan de beurt? Ik word oud. Nu eisen ook anderen hun plaats op in dit literaire tranendal door inleidingen te schrijven bij mijn werk. Ik denk aan In de weelde van de liefde en Ik zou liegen als ik het anders zei, ingeleid door Jan Van Herreweghe. Intussen schrijf ik aan een essay over de poëzie van een van de betere dichters in de Lage Landen bij de zee, met name Fernand Florizoone.

Ik herinner mij dat ik mij toen (in de jaren ’80 en ’90) nog druk kon maken om het feit dat de (regionale) pers de laatste tijd door de fusies en de besparingen werd gemuilkorfd en de fotografen vaker thuis zaten duimen te draaien, gelukkig waren er toen veel accidenten en branden, moorden en zelfmoorden. Gelukkig. Wat zou het leven anders saai zijn.

Op 27 februari 1986 viel het VWS-cahier van Guy van Hoof over mij in mijn bus. Sober, verzorgd, mooie foto’s (beter dan de originele), boeiende tekst. Op 9 maart werd het voorgesteld in de leesput van de bibliotheek van Harelbeke.

Mark Braet was 78 toen hij op 6 februari 2003 overleed. Guy Commerman schreef een mooi huldedicht: Zijn lach, een zachtheid,/zijn beweging, zeilen naar de tijd/van wachten en vertwijfeling./…/Zijn blik, een baken,/zijn verbazing, jagen op het uur/van licht en schoonheid./…/Zijn hand, een zekerheid,/zijn echo, dwalen in het dal/van labyrint en het verlorene.

Marks vader stamde uit de burgerij. Hij was een liberaal, progressief en vrijdenkend man die zijn afkeer verkondigde tegenover Kerk, gezag en geloof. Aannemer van openbare werken. Moeder Bertha Loobuyck kwam uit een heel katholiek landbouwersgezin met twaalf kinderen.

Hij kreeg les Nederlands van Karel Jonckheere aan de RMS te Nieuwpoort. Jonckheere inspireerde tientallen leerlingen tot het schrijven van gedichten of wat ervoor doorging. Op 23 juli 1939 schreef Mark zijn eerste gedicht: Ik/speel/een lied/op een viool,/idool,/uit mijn versmolten dromen.//Ik weet mijn handen beven gaan,/en ‘k voel mijn benen/knikkend staan,/terwijl mijn ogen wenen.

In 1950 verscheen zijn eerste gedichtenbundel. Daarop volgden nog 15 andere bundels en 2 essays. Hij maakte vertalingen van werken uit het Duits (Bertolt Brecht, Heinrich Heine), het Frans, en het Spaans (Pablo Neruda). Een keuze van zijn gedichten werden vertaald in Moscou, Leningrad en (Oost-)Berlijn. Gedichten verschenen in vertaling in buitenlandse tijdschriften (in Frankrijk, Hongarije, Griekenland, Bulgarije).

Hij was sterk maatschappelijk-cultureel geëngageerd als drager van een humanistisch ideeëngoed en getuigde van een bijzonder menselijk-gevoelige dichtkunst. In die zin is hij nog brandend actueel, omdat de samenleving zeker vandaag mensen met zijn waarden en talenten kan gebruiken.

Mark Braet was lid van de loge “La Flandre” Brugge (GOB) en “Tanchelijn” Brugge (GOB). Ook in de Tempel hebben wij elkaar enkele keren ontmoet.
Vrijmetselaars zijn mensen van vlees en bloed. Iedere vrijmetselaar kan van de broederschap een bijna fulltime bezigheid maken. Iedere week of om de twee weken woont hij de vergadering van zijn werkplaats bij, die in de vooravond begint. Het formele gedeelte duurt ongeveer anderhalf uur, tenzij met rituele omkledingen een nieuw lid wordt ingewijd of de spreker een uitgebreide uiteenzetting houdt en een levendige discussie op gang brengt. Daarna gaat hij aanzitten aan het broedermaal en blijft hij nakaarten in de bar of “vochtige kamer”. Als hij nog maar recent ingewijd is en als leerling een “salarisverhoging” wil verkrijgen en opklimmen tot gezel en weldra tot meester, woont hij regelmatig de “instructieloges” bij om zich vertrouwd te maken met de eigen wereld van de loges.
Om zijn kijk op de vrijmetselarij te verruimen, meldt hij zich regelmatig aan als bezoeker bij één of andere loge van de eigen of van een bevriende obediëntie.
Zo heb ik Mark ontmoet.

Op 27 februari 2007 vroeg ik mijn “inslaapstelling”.
Ik werd ingewijd in 1966 (toen de jongste maçon in Vlaanderen). Twintig jaar later werd ik Achtbare Meester. (Ik doorliep het hele gamma van functies: van ceremoniemeester over redenaar, secretaris, eerste opziener tot voorzitter). Tijdens mijn triënnium kwam “L’ Amitié” significanter dan voorheen op de kaart van de Belgische loges. Als tweetalige loge vervulde zij een voorbeeldfunctie. De Commissie schaarde zich unaniem achter haar voorzitter. Talrijke prominente broeders kwamen op bezoek. Er was “leven in de brouwerij”, letterlijk en figuurlijk.
In 1987 werd ik parlementair medewerker (bijberoep), in 1988 directeur secundair onderwijs. Ik werd veel gesolliciteerd en mijn maandagen waren benomen. Ik kon niet meer aanwezig zijn in mijn eigen werkplaats. Ik trad wel op als spreker op andere dagen in andere loges. Soms vergezelde ik mijn vrouw naar de gemengde loge Droit Humain “Klimop” (Kortrijk).
In 1995 werd ik kabinetsattaché van resp. Vlaams minister van Onderwijs, Luc Van den Bossche en Eddy Baldewijns. In deze laatste functie (vóór mijn oppensioenstelling) hielp ik een aantal broeders om aan hun eigen carrière of die van hun kinderen vorm te geven.
Toen ik in deze periode twee kandidaten voorstelde om lid te worden van onze werkplaats, werden die door de Commissie geweigerd. De reden van hun afwijzing was resp. tekort aan integriteit en mooipraterij. Uit betrouwbare bron kwam ik te weten dat vooral een joodse (aangespoelde) broeder uit Antwerpen zijn antipathie voor de politiek ventileerde op elke kandidaat-politicus. Anderen handelden als “mijn” inquisiteurs omdat “ik” niet meer naar de werkplaats kwam. Die laatste groep kwam vooral uit het onderwijs. Revancheerden zij zich uit naijver op mijn “manier van leven en handelen” (carrière)?
In al die jaren (twintig jaar) kwam er vanwege de werkplaats geen teken van leven. De Achtbare Meesters volgden elkaar op en blijkbaar was er geen enkele in staat om zich als een “sterke figuur” te profileren. Tot een telefoontje kwam begin 2007.
Ondertussen bleef ik een ijverige vrijonderzoeker, een vrijdenker à la lettre. Zowel in mijn creatief werk als in mijn essayistisch werk gaf ik de maçonnerie een plaats. Wat niet betekent dat ik mij niet kritisch zou hebben opgesteld (en opstel) en niet de durf had om mijn denken te confronteren en aan te passen aan nieuwe ideeën en feiten. Zes jaar geleden begon ik aan het essay Schoon volk in de hemel? dat normaliter in 2012 moet verschijnen. Hierin zoek ik een brug te slaan tussen het spirituele en de wetenschap. Hieruit blijkt eveneens dat ik afstand neem van de “stupid atheist” (van de religieuze fundamentalist was ik al veertig jaar verlost).

Deze nieuwe opstelling heeft mijn houding tegenover de Vrijmetselarij niet in die mate beïnvloed dat ik ervan afstand zou nemen. Neen, ik blijf een maçon. Een vrijmetselaar die zich echter vrij heeft gemaakt van elke hang naar “ingekapselde” en “geleide” structurering. Ik heb afstand genomen van om het even welk “a-priori aanvaard” gedrag, ik zoek ijverig naar de nuances in het leven, de mens en de wetenschap.
Neen, ik koester geen slechte gevoelens tegenover de maçonnerie in het algemeen en mijn broeders in het bijzonder. Ik blijf bij dat wedervaren sereen.

Ook met Mark Braet had ik in de loop van 1986 (publicatie Aan wat overblijft, heb ik genoeg) en daarna enkele gesprekken over het feit dat sommige broeders of zusters zijn na enige tijd ontgoocheld of niet meer geïnteresseerd door wat zich in de tempels afspeelt, hun activiteiten stopzetten. Meningsverschillen, beroepsnaijver, of uiteenlopendheid van karakters spelen soms een rol. Het is ook ontegensprekelijk dat een aantal leden naar de vrijmetselarij komen, omdat ze hierin een uitdrukking van hun steun aan de vrijzinnigheid zien, zonder dat ze zich daarvoor verder daadwerkelijk willen of kunnen inzetten. Anderen beschouwen hun lidmaatschap als een verzekeringspolis voor de dag dat ze de steun van de broederschap zouden behoeven.

Het boekje aforismen dat ik in 1981 publiceerde, onder de titel Ik heb de pastoors van mijn spijskaart geschrapt (Het Schaap), bracht Mark en ik voor de eerste keer samen. Toen het boekje een week uit was (tegen een briefje van 100), kwam E.H. Deken De Jaeger bij mij thuis en kocht een exemplaar. We hadden een leuke babbel. Op het einde van ons gesprek vroeg hij: “En mijnheer Deleu, is het waar dat u bij de Loge bent? Ik kan het niet geloven.”
De aforismen die ik toen bundelde, waren alle van Jan Vanspauwen, een goede vriend en vaste medewerker aan Boulevard. Hij overleed in 1979. Vanspauwen werd (zoals Persijn en Bolland) door de doelgroep voor wie hij schreef verdonkeremaand: een uitgelezen publiek, zijn bêtes noires, de intellectuelen (het venijnigste mensentype). In zijn Inleiding tot het manuscript De Mens, een Prototype (1970) schrijft hij verbitterd over die z.g. intellectuelen die “zich boven iedereen verheven voelen, maar zich bukken voor primitieve geesten, om wier gunst zij bedelen”.

Enkele aforismen en aforistische citaten van Vanspauwen:
- Geen mens trekt meer op een ouderwetse pastoor dan een vrijmetselaar.
- De penis staat vaak een bezadigd oordeel over de vrouw in de weg.
- De zwakke kant van de vrouw is haar oor.
- De meeste revolutionairen zijn slechts gefrustreerde bourgeois.
- Het einde van de vriendjespolitiek is het einde van de politiek!
- De eeuwige waarheden zijn de dagelijkse leugens.
- De schijnheiligen moet je tussen de heiligen zoeken.

Op 12 november 2004 werd het bestaan van “The Knights of the Razorblades” openbaar gemaakt. “The Knights of the Razorblades” is de eerste significante onelinerridderorde in Vlaanderen. Ik was nauw betrokken bij de (her)oprichting ervan.
Het genootschap is zowel een ludieke als een creatieve orde. “Kousenband”, “Halsband”, “Eikenkroon”, “Cordon Bleu”, “Gulden Vlies” waren (zijn) ook geen diepzinnige symbolen en toch waren (zijn) zij ridderorden.
“The Knights of the Razorblades” is nog wel iets anders zijn dan een serviceclub. De leden gaan verder in het promoveren van ethische waarden en persoonlijke vervolmaking. Op basis van symbolen en instructies ontwikkelen zij een originele methode van zelfkennis, zelfverbetering en universele solidariteit die verder reikt dan wat een serviceclub aanbiedt.
Los van een collectieve geloofsovertuiging ontwikkelen zij een wereldvisie waar gelovigen en ongelovigen zonder probleem kunnen samenwerken. Zij willen een maatschappij bouwen op basis van de vier absolute normen: waarheid, eerlijkheid, reinheid en onzelfzuchtigheid.
Hoewel “The Knights” voor een quasimiddeleeuwse constructie kiezen, zijn zij toch geen epigonen die retrogevoelens koesteren en bang weg vluchten in de veilige schoot van de duistere Middeleeuwen. “The Knights” transponeren het gedachtegoed in de toekomst. Ze zijn op hun tijd vooruit. Ze bevinden zich in de Melkweg van het Internet. Op zoek naar de Ultieme Verbinding. Ze willen helemaal niet het middelpunt van de wereld zijn, veeleer en met nadruk een Centrum van Eenheid.

Tijdens de vervolging van de Tempeliers zijn velen van hen gevlucht naar veilige oorden. Na verloop van tijd verenigden sommige ingewijde Tempeliers zich opnieuw en stichtten een nieuwe orde. Om alle kans op vervolging te voorkomen werd er gezocht naar een veilige naam: de “Orde van de Scheermessen”. Deze naam verwijst naar het feit dat vele ridders, tijdens hun vlucht, zich van hun baard ontdeden om iedere kans op herkenning te vermijden. In modernere tijden werd deze naam gewijzigd in de “Orde van de Scheermesjes”.
Op heden wordt dit ritueel symbolisch overgedaan door aan de leek de vraag te stellen of hij of zij (ridder of jonkvrouw) bereid is zich te laten scheren door zijn broeders en zusters. Via het scheren wordt de overgang van de Tempeliers naar de nieuwe orde gesymboliseerd.
Dit ritueel impliceert niet dat alle leden baardloos zijn. Dit is geen vereiste. De Orde laat zijn ridders volledig vrij. De symbolische bereidheid is voldoende en zorgt ervoor dat de ridder op de hoogte wordt gebracht van de voorgeschiedenis van de Orde.

D geopenbaarde “Knights of the Razorblades” streeft naar de totstandkoming van een netwerksamenleving met het internet als belangrijkste medium. De ingebakken flexibiliteit van het internet biedt de ridders ongekende voordelen in een omgeving gekenmerkt door constante verandering. Het internet is hun geprefereerd communicatiemiddel. Het maakt communicatie mogelijk tussen verschillende personen, op zelfgekozen tijdstippen en op globale schaal.
“The Knights of the Razorblades” moedigt haar ridders en jonkvrouwen aan tot het verwerven van doorgedreven muis en toetsenbordkennis. Via deze kennis tracht men de Ultieme Verbinding te verkrijgen.
Via de website http://www.knightsrazor.be/ bij sectie “ridders” krijgt de leek meer informatie over toetreding tot de orde. Man of vrouw, computeringewijde of leek, iedereen met een gezonde drang naar kennis en absurditeit, komt in aanmerking.

Vrijheid is de centrale waarde. De ridderorde wil zich niet integreren in het spanningsveld politiek civiele maatschappij internet. Ze wil zich wel organiseren via het net, niet alleen omdat het perfect aansluit bij haar losse netwerkstructuur, maar ook omdat het netwerk de dynamiek verandert van de samenleving.
In een wereld gekenmerkt door wijdverspreide crisis van politieke legitimiteit en onvrede vanwege burgers tegenover politici, acht “The Knights of the Razorblades” het internet een perfect middel om rust en evenwicht, respect en sereniteit te brengen, eerst bij haar leden en daarna in de omgeving van elk van hen. Deze ridderorde beschouwt het internet als bevrijdende technologie.
Een groot deel van de leden zijn héél creatieve mensen zijn. Auteurs, fotografen, beeldende kunstenaars, musici, maar ook onderwijsmensen, ambtenaren.

Razor’s Edge Editions huisvest de POD-uitgeverij van “The Knights of the Razorblades”. De modaliteiten om bij Razor’s Edge Editions een boek te laten drukken zijn eenvoudig: de auteurs mailen hun kopij door. In het geval van gedichten en korte verhalen maken zij zelf vooraf een selectie van wat zij wensen te publiceren. Dit maakt het de redactie gemakkelijker om een oordeel te vormen. Bij de e-mailzendingen voegen zij suggesties bij over de lay-out. Razor’s Edge Editions neemt het initiatief tot nieuw contact.

Het scheermesje staat symbool voor rein, ongekunsteld, eenvoudig, zonder aanstellerij, recht voor zijn raap, een man, een man, een vrouw, een vrouw, een woord, een woord, onbevooroordeeld, onbevangen, eerlijk. Deze principes zijn bovendien verwant met “goed voor de dag komen”, voortreffelijk, vriendelijk, deugdzaam, goedaardig, goedgeefs, goedheilig.
Terwijl de “Wereldlijke Arrogantie” zich afkeert van de Ultieme Verbinding en zich slechts met de zwakken gaat inlaten indien zij hierdoor macht verwerft en bovendien de wijdvertakte “wereldse verbinding” als het enige goed uitroept, moet “The Knights of the Razorblades” een beweging op het getouw zetten die soepel en minder evolutionistisch de slinger van Foucault zijn werk laat doen.
Het genootschap verzet zich hardnekkig tegen deze nieuwe “Wereldse Arrogantie” die alle krachten bundelen wil om een “cordon sanitaire” op te werpen tegen vrije en eerlijke mannen die door ideologie, altruïsme en onbaatzuchtigheid het ideaal van het gemeenschappelijk welzijn wil ontwikkelen.

De ware traditie van het ridderschap ligt in haar progressiviteit. Het prijst de scheppende arbeid waar hand en hoofd de levenloze stof tot schoonheid vervormen, arbeid die bevrijdt en waarin de mens zichzelf verwezenlijkt. Het is ook deze arbeid waaruit wetenschap en technologie gegroeid zijn die ons de mogelijkheden zal bieden om de Ultieme Verbinding te maken. Wetenschap en technologie zijn slechts middelen: zij kunnen hun taak alleen vervullen in een rechtvaardig georganiseerde maatschappij waar vrijheid en gelijkheid worden nagestreefd.
In een wereld gekenmerkt door wijdverspreide crisis van politieke legitimiteit en onvrede vanwege burgers tegenover politici, acht “The Knights of the Razorblades” het Internet een perfect middel om rust en evenwicht, respect en sereniteit te brengen, eerst bij haar leden en daarna in de omgeving van elk van hen. Deze ridderorde beschouwt het Internet als bevrijdende technologie.

Het riddergenootschap overweegt Mark Braet postuum de titel van “Prins van de Tempel” toe te kennen.


Thierry Deleu
Peter Holvoet-Hanssen laat zijn literaire sporen na in Hoboken.
Samen met dichters Bert Bevers en Frank De Vos schreef hij het gedicht ‘De inwijkeling’.


Het districtsgedicht is sinds december te zien op twee grote canvassen naast de Onze-Lieve-Vrouwekerk aan de Kioskplaats en ter hoogte van de Antwerpsesteenweg 195.

De stadsdichter vond een originele manier om het districtsgedicht een vaste plaats te geven in Hoboken. ‘De inwijkeling’ werd gedrukt op metalen platen die werden bevestigd aan een betonnen constructie in de Schelde naast de aanlegsteiger van het veer Hoboken-Kruibeke. Bij hoog water komen de platen gedeeltelijk onder water te staan.

Op zondag 8 mei wordt het gedicht officieel ingehuldigd. Om 11.45 uur vertrekt er een veerboot vanuit Hoboken naar Kruibeke op het einde van de Leo Bosschartlaan. De boot keert om 12 uur terug naar Hoboken. Bij aankomst staat Peter Holvoet-Hanssen klaar aan de kade om het gedicht voor te dragen. Het geheel wordt feestelijk afgesloten met een drankje en begeleid met een dixieband.

22 april 2011

Op datsi leren moghen wat liefte is ende wat minne

Inleiding tot een ridderlijke mix van woord en beeld, zang en muziek
Derek van ’t Gulle Zand


De Orde van de Scheermesjes valt onwaarschijnlijk sterk op door de creativiteit van haar leden. Of beter: door het grote aantal kunstenaars. Het is dan ook niet zó verwonderlijk dat deze cd-rom één van de eerste realisaties is van “Razor’s Edge Editions”, de uitgeverij van de Orde.

Bestaat er zoiets als “ridderkunst”? Ik denk het niet. Of toch, indien je de ridderpoëzie, de ridderromans, de ridderkronieken, de ridderleerdichten, de ridderlegenden, de ridderliedjes, het riddertoneel, de ridderboerden en de riddersproken “ridderkunst” noemt en niet kiest voor de betekenis stricto sensu: “kunst door ridders gemaakt”. Welnu, de ridderkunst is bij “the Order of the Razorblades” een realiteit, zowel in haar enge als in haar ruime betekenis. Tussen de haakjes: het behendig gebruik van wapens (de techniek) door de ridders werd eveneens “ridderkunst” genoemd.

Het kan geen kwaad even de historische context te schetsen van wat wij “ridderkunst” noemen.

De vrij strenge scheiding, die in de 13de eeuw nog te maken viel tussen de heldenepiek enerzijds en de hoofse epiek anderzijds, vervaagt in de late(re) Middeleeuwen. Zowel naar de vorm als naar de geest nemen beide van elkaar over. In de beste werken probeert men de ridderidealen te laten uitstralen in een “beschaafde” schittering. Vooral de liefde en de (fictieve) avonturen zijn de themata. De auteurs tonen het ridderwezen in zijn glans en grootheid aan de wereld. De geschiedenissen om Koning Artur, de Graal, Lancelot, Merlijn en soortgelijke blijven ook nu nog de aandacht van het volk trekken (volksboeken).

De ridderroman contamineert met de kroniek of het geschiedverhaal. De kronieken nemen de allures aan van heldendichten. Het besef van gebondenheid aan vorst of gewest of het eerste ontluiken van het nationaliteitsgevoel krijgt vorm. De kronieken zijn een spiegel van de maatschappij. Denk aan Van Maerlants’ Spieghel Historiael.

Het leerdicht is een typische uiting van de Middeleeuwen. Naast de uiteenzetting van het ridderwezen en van de symbolische betekenis van de plechtigheden bij de ridderwijding komt hier ook de overgang van oud naar nieuw tot uiting. De Roman van de Roos (van Guillaume de Lorris en Jean Chopinel de Meun, bewerkt door Hein van Aken) is hier een schitterend voorbeeld van: na een allegorie over de liefde wordt het leerdicht veeleer het werk van een polemist, een filosoof, een man van de wetenschap, een natuurdichter, een auteur geëngageerd in de problemen van zijn tijd. Het verhalend element wordt in deel 2 tot een minimum herleid.

Na de hoofse minnelyriek van Hendrik van Veldeke (1170) en de geestelijke minnelyriek van Hadewijch wijzen talrijke getuigenissen op het bestaan van een wereldse minnelyriek (midden 13de eeuw) die het werk zou zijn van edelen voor edelen. Hier wordt voor de eerste keer melding gemaakt van “ridderkunst” in zijn enge betekenis. Krijgsliederen, liederen over strijd en gevechten, dartele, zéér dartele liederen, al dan niet begeleid door muziek en dans. Varende zangers trekken door het land en menestrelen werken in vaste dienst van een edelman.

De oorsprong van een belangrijk deel van het middeleeuwse drama ligt in de Kerk. Gedialogeerde teksten in de kerkelijke liturgie ging men spelen. Het paasspel, het herdersspel bij de kribbe, het driekoningenspel. Uit dat liturgisch spel ontstond het kerkelijk toneel en kort daarna het profane toneel of het middeleeuws toneel (het episch theater).

De middeleeuwse kunstopvatting wil dat er niet wordt geabstraheerd op de wijze die de rederijkers later deden. De personages staan volop in het aardse leven, zij leven van de aarde, zij zijn concreet. De spelen (abelespelen, sotternieën) zijn ingedeeld in bedrijven, waarbij soms een bedrijf bestaat uit segmenten. De bedrijven worden door monologen afgescheiden en omringd. Het aantal spelers neemt per tafereel toe.

Naast de ridderroman bestaat ook het ridderverhaal. Korte verhalen, voortverteld van mond tot mond, van kermis tot kermis, van hof tot hof. Naast ernstige verhalen (sproken) werden er ook boerden (komische) verteld.

Wat heeft het genootschap "The Knights of the Razorblades" met deze historische schets te maken? Op het eerste gezicht weinig, maar denk toch aan de thema’s, de genres (poëzie, epiek), aan de actoren (ridders), aan de eenheid van tijd en plaats (de locatie), aan de geest waarin de ridders van onze Orde werken.

In de Middeleeeuwen waren er ook verschillende soorten muziek. De gregoriaanse is de oudste muziek van West-Europa. Een heel ander soort is de muziek van de troubadours (in het zuiden van Frankrijk) en de trouvères (in het noorden van Frankrijk en bij ons). De zangers in Duitsland werden de Minnesänger genoemd. Deze drie groepen brachten kunstliederen (liefdesliederen, drinkliederen, ballades, werkliederen, liederen bij jaarfeesten, strijdliederen). Ze werden door beroepsmuzikanten gebracht en vaak waren dat mannen van adel. Ze maakten gebruik van instrumenten en instrumentale muziek.

In het middeleeuwse denken was de schoonheid van een kunstwerk onlosmakelijk verbonden met de betekenis. Daarin liepen technische en bovennatuurlijke aspecten door elkaar. De allegorische betekenis was in de eerste plaats bedoeld om er van te kunnen leren. De moralistische strekking kwam ongeveer overeen met wat nu het wervende of propagandistische karakter zou heten. Dat was de belangrijkste opgave die aan het kunstwerk werd gesteld met als doel het gedrag van de mensen te beïnvloeden.

Een belangrijk element in de middeleeuwse cultuur is het monachaal karakter. De Benedictijnse abdijen waren de belangrijkste centra van wetenschap en kunst. Uit de Benedictijnen kwam het grootste deel van de kunstenaars voort. Zij leverden een belangrijke bijdrage tot het ontstaan van de Romaanse stijl. Het Romaans in de architectuur is de voortzetting van het ideaal van Karel de Grote, met name het voortbouwen op de laatklassieke en vroegchristelijke vormgeving. Men pleegt de Romaanse architectuur wel eens aan te duiden met de benaming ‘rondbogenstijl’, maar er zijn veel andere kenmerken, zoals driebeukig, met hout gedekt en voorzien van een transept en een halfrond gesloten apsis. De sculptuur is heel decoratief, met een voorkeur voor vlechtornamenten en dierenmotieven.

In het begin van het Romaans ontbrak de beeldhouwkunst. Later bleef deze kunst altijd ondergeschikt aan de architectuur. De Romaanse beeldhouwkunst heeft een typologisch karakter, d.w.z. taferelen uit het Oude Testament worden naast die uit het Nieuwe Testament geplaatst om daarmee het leven, lijden en sterven van Christus te demonstreren. De muurschilderingen dienden om de ongeletterde gelovigen met de Heilige Schrift vertrouwd te maken en hun de christelijke moraal voor ogen te houden. De miniaturen verfijnden dan weer de verluchte handschriften. Vanaf midden 12de eeuw ontstond de edelsmeedkunst, die vooral werd gebruikt voor het kerkmeubilair.

Ongetwijfeld waren niet alle kunstenaars destijds monniken. Ook mannen van adel maakten kunst. Ook bij de ridderorden trof je kunstenaars aan, zoals schrijvers, zangers, schilders, tekenaars (miniaturen b.v.), beeldhouwers. Vooral na de opheffing van de Tempelorde en de vlucht van de ridders naar veiliger oorden wijdden talrijke “tempeliers’ zich aan de kunst. De meesten van onze ‘historische’ broeders vluchtten met een grote vloot naar Schotland, sommigen voegden zich bij andere orden (zoals de Broederschap van Sion, de Rozenkruisers, de Vrijmetselarij), anderen hielpen mee aan de ontdekking van Amerika, enkelen werden piraat en maakten de Middellandse Zee onveilig.

Om de kunst van de Middeleeuwen (in zijn breedste betekenis ‘ridderkunst’) goed te begrrijpen, moeten wij haar in verband zien met de Oosterse oorsprong van de christelijke kunst (de Griekse kunst, de kunst van Jeruzalem en de kunst van landstreken van Syrië). De kunstenaars die in dit netbook hun opwachting maakten, kregen van de Grootmeester van onze Orde zijn zegen (d.i. zijn goedkeuring).

20 april 2011

Literaire avond in het GoUdBLoMMeKe in PaPier.


Op donderdag 28 april om 20 uur organiseert de VVL (Vereniging van Vlaamse Letterkundigen) een literaire avond in samenwerking met de vzw Geert van Bruaene in het GoUdBLoMMeKe in PaPier Cellebroersstraat 55 1000 Brussel.

Lezen voor uit hun werk: Tony Rombouts, Frank Decerf, Richard Foqué, Bert Bevers, Erik Verstraete, Guy van Hoof, Ferre Denis, Roger Nupie, Rik Wouters, Willem M. Roggeman

(www.hetgoudblommekeinpapier.be)
De rozen die je (niet) aan de Pelgrim geeft

Episode I

Vannacht, vertelden onbekende mensen me dat jij tegen de maan praatte en daarna dode honden tot leven schreeuwde. En jij?
Je draait jouw hoofd af en vertelt dat het je niets interesseert. Morgen wil je op reis gaan. Goed, laat de zon dan maar buitelen in je haren terwijl ik me afvraag of je handen werkelijk zo blauw zijn als je ogen doen vermoeden?

“Je droomt teveel,” zeg je.
“Ja,” knik ik. “Het leven rent anders aan me voorbij.” “Ken je het gevoel niet dat de ruimte je aan wil vliegen?” “Iedereen het maar in de dertiende versnelling lijkt te doen?”
Je zwijgt verstandig en het vrouwmens blijft thuis. Zij luistert naar de noordenwind en denkt aan voorspoed.

De kaarten schudden zich uit over de tafel. De ziel is zoekende en jaagt het ego in het heelal op. Een droom is maar een halve wereld. Vandaag staat de Duivel voor me. Hij is de aarde: nu, schreeuwt het doodsverlangen pas echt. Sneeuwvlokken dalen naar beneden en als ik een ster zie vallen wil ik alleen nog maar de zee zijn. De golven mogen mij juichend voortbewegen.


Episode II

Hier is geen vast patroon te vinden. Ik zie een landkaart, maar begrijp de wegen niet. Het is geen makkelijke weg, doch ik vermaan mijzelf: “Jij maakte zelf deze keuze. “
Ja, alleen een man weet nog hoe ik me met zinsbeelden voed. Sta mij dit zout toe. En nee, verzoek me niet! Laten we het beest niet wakker maken. Houd de deuren gesloten. Je wilt jezelf tot de verbeelding blijven roepen.

Nee, ik draag de zonde hier. Toch ben je giftig schorpioen. Ik bewaar je gedachten tot de stilte echt zwijgt. Je hebt een man nodig die je ja of nee mag toezingen. Deze onzichtbare schaduw die over het papier heen valt en voor je ogen oplost. Eens zal ik mijzelf te boven groeien tot het water mij overspoelt en de zee mijn uiteindelijke aanbidder is. Uit de rivier zullen nieuwe kinderen worden geboren.

Jij reist verder met jouw ogen dicht en ik begin met zwemmen. Ver van de kust af, zie ik een gezicht. Jij bent het en ik. En wij weer in het volk. Slechts nietig in elkaars aanwezigheid. We verliezen en toch gaan we maar door en door. Nooit zal jij mijn minnaar zijn. We zijn onderdeel van - en ik draai deze wereld een andere kant op. Ons lichaam heeft het mens-zijn verlaten.


Episode III

“Lach niet vrouw,”zeg je.
“Nee, ik plaag je. “
En diep in gedachten wieg ik je in slaap. Laat je maar vallen in de wolken. Ssstt, ik ben je sprookjesverteller tot jij naar het altaar loopt dan blaas ik de kaars uit en zoek een andere ster.

Ik zal de weg van de zon volgen. Geen enkele herder zal daar nog op mij wachten. De tijd staat stil. Richtingloos, kom ik met mijn kompas uiteindelijk op de juiste plek aan. Hier zijn geen mensen. Je bestaat gewoonweg niet meer. En nu ik naar buiten kijk, het witte landschap zie, ja, bijna verwonderd ben, denk ik dat de waarheid vlakbij is. “Je zou eens duidelijker moeten spreken! “

Vannacht droomde ik van een man. We waren op de vliering. Mensen waren naar ons op zoek. Ik verstopte hem in een hoek. Daar zoenden we onbeschaamd. Het was heerlijk. Geef mij een biechtstoel en sluit de gordijnen. Door het gaas zie je toch niets. Ik zal rozenkransen voor jou tellen zonder ooit nog een religie aan te nemen en dan draai ik het boek van me af. Hoor jij ook het volk in de woestijn of is het slechts maar verbeelding?


Episode IIII

“Niets is op waarheid berust en alles wat je ziet reflecteer je op jezelf.”
Ik zet de televisie aan. Tanks rijden voorbij en in Gods naam schieten ze elkaar af. Het toestel gaat weer uit. Buiten zit een mannetje op de maan. Ik loop de tuin in maar vergeet hoe je hem moet aanspreken. Hij fietst weg nadat ik zijn banden heb lek geprikt. Ja, geef mij maar de schuld van alle stormen over de aarde heen.

Mogen de bladeren in elkaar dwarrelen?
Geduldig, zal ik ze dan op een hoop harken. Het katertje plaagt me, springt om mijn voeten heen en ik laat me demonstratief vallen in het natte gras. Het beestje nestelt zich op mijn warme lichaam. Over een paar uur heeft de kou mij overwonnen en ben ik een ijsblok. Niemand mag weten dat ik ooit een vrouw was.

Misschien moet ik mijn lange haren offeren aan de wind? Zal ik de veren van een meeuw in mijn paardenstaart steken en het geluid van een kolibrie nabootsen?
Ik ga naar binnen. Het katertje krijgt te eten. Hart en lever, lees ik. Zo eindigt een leven; met de hoeveelheid voedingswaarden erin -op een etiket neergeschreven. Jij vraagt je nu liever niet af wat zulke metingen over jouw lichaam zouden vertellen?


Episode V

De kaarten laat je links liggen, het hart klopt aldaar. Tussen twee vlammetjes verbind ik het kind en mijzelf met het goddelijke vuur. Wie ben je? Vroeg iemand.
Is het niet vreemd dat we elke dag met onszelf moeten leven?
Ik ken mijn gezicht in de spiegel. De rest van de tijd zie ik alleen maar componenten. Losse armen, benen en op het puntje van mijn neus een moedervlek.

Een mens krijgt vreemde gedachten als het in lotushouding de hemel probeert aan te roepen. De poes miauwt vanaf de vensterbank krols naar buiten. Ik sta op.
Je kunt ook heilig zijn met een sigaret in je mond en vallende sterren in je ogen, bedenk ik.
Met stoffer en blik veeg ik het stof weg. Alle ramen staan open. Ik sluit de deuren af. Indigo/incognito? Waarom lijken deze twee woorden op elkaar?

In het donker zie ik een meisje, stiekem haar daggeheimen opschrijven. De volwassen vrouw droomt van een man in een hoekje. Je denkt wit licht om hem heen. “Het is niet echt,“ zegt de Reiziger. “Het is allemaal een illusie.”
Gelukkig zijn er veel bomen waar we ons in kunnen verstoppen. “Tikkie, jij bent hem. “
Een vogel vliegt weg. Alleen aan de duiven vertel ik mijn diepste geheimen nog.


© Amanda Malinka
(voor Pelgrim)