Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans

Stichtingsdatum: 1 februari 2007


"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"

"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.

31 maart 2011

AANKONDIGING/UITNODIGING



DEMER UITGEVERIJ DIEPENBEEK PUBLICEERT MIJN
NIEUWE VERZAMELBUNDEL

STRANDJUTTER

ingeleid door de bekende Leuvense dichter/essayist en beeldend kunstenaar
Mark Meekers/Marcel Rademakers.

INDIEN JE NAAR DE PRESENTATIE KOMT
(WAT IK BIJZONDER OP PRIJS ZOU STELLEN)

BETAAL JE 16 €
bij verzenden 18 €

Het boek wordt voorgesteld in de mooiste raadzaal van Vlaanderen
Gemeentehuis Koksijde
Zeelaan 333
op zaterdagmorgen
21 mei om 10 u.

PROGRAMMA
Ilse Chamon verwelkomt.
De burgemeester houdt het openingswoord.
Mark Meekers verzorgt de inleiding.
Ilse Chamon leest een drietal gedichten.
De auteur overhandigt eerste ex. aan de burgemeester.
Ilse Chamon nodigt uit op de receptie

Tijdens de receptie wordt de bundel te koop aangeboden.
De auteur signeert.

HET ZOU MIJ VEEL GENOEGEN DOEN INDIEN JIJ OOK OP DE VOORSTELLING ZOU AANWEZIG ZIJN.
ZEGT MEN NIET:
“EEN VRIENDSCHAP DIE EINDIGT, IS NOOIT BEGONNEN”?

De bundel kan worden besteld bij de auteur
Thierry Deleu, Zandzeggelaan 18, 8670 Oostduinkerke,
op rekeningnummer 000-0900214-54
(vermeld dat je naar de voorstelling komt)
0475/811763
WK Veldrijden 2010


Zie ze zwoegen zweten
fietsen lopen struikelen
door ‘t mulle zand voor eer
en land, op tanden bijten

billen spannen, zie hoe hard
ze duwen grommend god
verdommend de zee
verwensen, adem happen.

Ruik je hun zilte geuren,
zoute smaak van lippen,
hoe wind striemt hun huid?
Bek open tong halfstok

gebogen over hun stuur,
potdoof voor luid geroep,
ogen staar voor zich uit.
Daar gaat de bel, laatste

ronde, voorste kijkt om
ziet hijgende lijven,
zucht en gapt naar lucht,
einde nabij, de pijngrens

bereikt, handen in de lucht,
brede lach de dag kan
niet meer stuk, massa juicht,
Koksijde triomfeert.


Thierry Deleu

vrouw met waaier

          naar Paul Gauguin

gezeten op een ronde stoel met troonallures
de blik op oneindig
de witte lavalava geknoopt onder haar borsten
het lichaam - ongemakkelijk
leunend op haar linkerarm
is daar prinses Tohotaua
de vrouw van de kok

haar rechter arm rust op haar schoot
tussen haar vingers houdt zij een witte veer hoog
die mij aanstaart met haar blauw-wit-rode oog

zij heeft er allemaal niets mee te maken
zij weet dat zij voor haar schilder en meester
slechts een deel is van het decor
opgeslorpt door de confuse massa van roze en oker achter haar

muurbloem zoals die blauwe daar rechtsboven
daimon van de kunst die het Franse moederland
door middel van zijn schandelijke zoon
naar de antipoden heeft verkast
met de opdracht die ook op die manier te koloniseren


het werkvolk
          naar vier schilderijen van J.F. Cantré

hoe licht wegen lede ogen
van een vrouw en een kind
in de balans met de meerwaarde
hoe licht weegt het loon van de arbeid

god-nog-aan-toe op kistjes in talloze exemplaren
kruis-kras op elkaar gestapeld
met bovenaan zwartkaps knekelhand

iets achterop buigen bescheiden
vaders en moeders
hun vermoeide hoofden
over het niet meer te keren noodlot

met de handboeien gehuwd
in een bad van doornstruiken
een jonge rebel en een oude rot
in het vak van de weerspannigheid
zij laten niet los
ondanks de lonkende muil van de wet achter hen
die hun samenhorigheid verbiedt

het geblokte werkvolk
besnord en baardig
soms toch beheersen zij het slagveld
van de fabrieken met hun opgeheven schouwen
als zij elkaar ontmoeten in een warme greep
hun handen spreken dan
de schuttingtaal van de solidariteit
waarvan iedere letter een ster wordt
een lont aan de hemel
nu in lichtelaaie

FRANCIS CROMPHOUT

29 maart 2011

Ida



Ida mythisch wezen half leeuw
half lam wachteres van de zon
met vleugels hittebestand
die impressionant de hemel

bevliegen, om je cryptische
vragen bekend je ronde ogen
die niet liegen je doordachte
wendbaarheid draagster van veel

onduidelijkheid, je lichaam
gemodelleerd je geest niet licht
bevlogen, je onderzoekende
blik weegt mooie woorden of

gevlei, je bent sfinx en ook
bewogenheid als vrouw dominant
dauwdruppel op orchideeplant
je woorden omzichtig gezegd.


Thierry Deleu

28 maart 2011

Ann Decaestecker-Paya Germonprez-Stefaan Van Biesen

U bent van harte uitgenodigd op de opening van de tentoonstelling
Inleiding door Filip Van de Velde (S.M.A.K.)
op vrijdag 8 april 2011 om 20 u

De tentoonstelling loopt van 9 tot 30 april 2011

Galerie S & H. DE BUCK
Fotokabinet:Jan Van Den Abbeel : "Zurück aus Amsterdam"
Zuidstationstraat 25 9000 Gent Tel.0032/09/225 10 81
sdebuckskynet.be - www.siegfrieddebuck.be/galerie

Siegfried De Buck: Deelname tentoonstelling: "Je suis dada" Madrid tot 30 april 2011, "Pôle bijoux" Baccarat (Fr) tot mei 2011
Permanent: hedendaagse juwelen en zilveren ontwerpen van zijn hand bij Galerie S&H DE BUCK

Stefaan Van Biesen: werd genomineerd voor de Grand Prix fotofestival 2011 met "Geist"
Blog: WATERSCHOENEN

Bericht: Kennismaking met Ann Decaestecker tijdens een atelierbezoek in Gent

Geert De Smet: Beeldend werk Film Boris Kuijpers /concept Honingman expo: Tweebronnen Rijschoolstraat 4 3000 Leuven
25/03/2011 tot 01/05/2011
Galerie S&H DE BUCK Zuidstationstraat 25 9000 Gent (B) 0032/09/225 10 81 www.siegfrieddebuck.be/galerie
Open: w.d.v.z.: 15 u tot 18 u en op afspraak.
Foto: Jan Van Den Abbeel: in bijlage

ONEINDIG BESPEELBAAR


De ochtend is niet zoals je denkt
een havik hoe hij heeft geroken
weerloos het verdriet
onzegbaar zalig is de ochtend

achter de strandhuisjes
op een tong van de zee
liggen zij uit de wind
handtastelijk de vroege knapen

dit is de ochtend proeven
in hun keel de hete holte
van het zand ontelbaar tellen

zij weten het zij hebben het achterhaald
de ochtend is een feest
blondgehaard en oneindig bespeelbaar.

Thierry Deleu
LENTE

vertaald naar Printemps van Maurice Carème


Roekoe, roekoe kraai en duif
de aarde kirt en fuift
zij toont haar jonge buik,
de hemel is vedrliefd herboren
een wolkje lippenstift vlucht oost
terwijl het haantje op de toren
plots als een appelbloesem bloost

vert. Fernand Florizoone

26 maart 2011

DE TIJD HANGT IN EEN SCHOOLBEL


De tijd hangt in een schoolbel,
rinkelt knapen in een rij,
de boeken: aardse wijsheid in gewichten
en cijfers: tellers van oneindigheid,
voor dromers wast een wingerd rond een stelling algebra
en de meester die nog veel meer weet.

De schoolbel is een pijplijn tijd
van trage uren,
binnen de muren ontleding van de mens,
de aarde van pool tot pool geprojekteerd,
op de dakgoot zit een mus
terwijl de meester nog veel meer weet.

De laatste schoolbel slaat een wereld open
over ijzererts en koninkrijken,
langs de zandweg blauwt een braambes,
in haar bitterheidje zoeter dan een cijfer
smaakt spijt braam en doorn de vrijheid door
wat de wijze meester ook wel weet.

Fernand Florizoone
(NE.ON nr 6 - 1966)
Het ontwaken
              voor Ginette

Langs een ladder van zon huiverend
sijpelt het licht de kamer in.
Zij glimlacht vaag en rekt zich uit,
haar zilte haar berijmd als loof.

Zacht als een marmot om te strelen,
haar huid mooier dan de rankste ree.
Ik proef de wijnen van haar bloed,
De geurende amber van haar leden.

In het nachtwoud van haar haar
fluister ik gedichten en gebeden.
Mijn hand glijdt naar haar schoot
en loopt verrukt haar lichaam in.

Zij smacht nu onder de dekens,
ik ben te laken, te loef, te lij,
verstrooi in reeksen kreten
de huiver van haar kleine meeuwen.

 
Thierry Deleu
(Uit: Ik, een naaktloper, 1977 - 2de druk 1979)

25 maart 2011

EEN DAG


De morgenkoelte stond rijzig
in een ranonkel naast de poel,
ik trap de dag tot klaarte, zei de fiets,
waar is mijn liefje, vroeg de vlinder?
Koortsig groeide het gras tot een groene dag
en de kever schreef een haaggedicht,
een jager schoot een haas,
in China baarde een moeder haar kind
en de forsythia bloeide

Fernand Florizoone
1976
DE WIND EN HET KIND



De wind
en het kind
happen in de morgen,
de perzik
gelooft in de zon
en de stroom
in haar bron.

Maar vader
zegt vaker
"eerst zien".
Heeft hij vragen
bij de wind
en het kind
gezien?

(verscheen in NEON 1966)
Fernand Florizoone
Vlaamse schrijver is armoezaaier

Staf De Wilde

In onze zogeheten kwaliteitskranten van vrijdag 25 maart verschijnen artikelen over de benarde pecuniaire toestand van onze auteurs. In feite zeggen die weinig nieuws: op enkele uitzonderingen na heeft nooit een Vlaams auteur van zijn literaire pen kunnen leven.

Wat mij stoort in het artikel, is deze denigrerende zin: "Het beeld van de Vlaamse schrijver als leraar of ambtenaar die na zijn uren schrijft, klopt allang niet meer" (zegt Patrick de Rynck van de Vlaamse Auteursvereniging).

Laten we eens een paar namen noemen en met twee grote stilisten beginnen: Jeroen Brouwers is lector geweest bij Manteau, Paul de Wispelaere was eerst leraar en daarna professor. Boon heeft altijd voor een krant gewerkt. Claus moest "schnabbeltjes" aanvaarden zoals vertaal- en reclamewerk. En in een verder verleden had je bakker Stijn Streuvels.

Kortom, romanschrijvers en dichters hebben in Vlaanderen nooit van hun pen kunnen leven. Dat heeft hen niet belet om uitzonderlijk werk te produceren. Je kan natuurlijk de vraag stellen of zij nog meer en beter hadden voortgebracht, indien zij zich volledig aan het schrijven hadden kunnen wijden. Misschien wel, misschien niet: de voorbeelden uit grotere taalgebieden lijken erop te wijzen dat een volledig engagement tot betere resultaten leidt. Maar dan staren wij ons blind op een kleine minderheid van wie het werk werd vertaald of verfilmd.

Artistiek niveau heeft naar mijn mening te maken met een overmaat aan creatieve energie: van Boon bijvoorbeeld wordt gezegd dat hij creëerde als een bezetene. Inderdaad had deze man een rusteloosheid in zich die hem dwong artistiek bezig te blijven, was het niet als schrijver dan als plastisch kunstenaar.

Het is waar dat je vaak moet vaststellen dat een schrijver of dichter moet aanleunen tegen een partner die voor een veilig inkomen zorgt. Dat is echter en misschien nog meer het geval voor onze plastische kunstenaars, zolang ze niet zijn doorgebroken of door een kunstpaus uitverkoren.

Laten we niet mekkeren: ons taalgebied is zo klein dat het slechts uitzonderlijk zal gebeuren dat een auteur van zijn pen kan leven. Tenzij hij of zij een "commercieel genre" beoefent, zoals de thriller. Ik krijg er de slappe kak van als ik weer eens moet lezen dat onze literatuur bedreven wordt door schoolmeesters. Alsof het onderwijs per definitie dodelijk zou zijn voor de creativiteit. Zoiets zal je nooit lezen over Elsschot die een zakenman was. Blijkbaar is de commercie minder schadelijk voor de kunst dan het lesgeven. Quod non.

Staf De Wilde,
De Haan 25 maart 2011


zonder subsidies


prijs de schrijver
zonder prijzen
hij heeft een zuiver hart

loof hem, geloof hem
zijn woord is onbesmet
het slijk der aarde
heeft het niet aangeraakt

weet je: wie bezeten is
zal bezig blijven, hij rolt
zijn steen de heuvel op

en soms wordt hij
aan een rots geketend
wanneer hij het vuur
der goden rooft

van licht droomt hij:
woorden die de ogen
openen, de genade
der frasen die bloeien
aan een eenzame boom

dagelijks beleeft hij een lente
wanneer uit het lege blad
het leesbare verschijnt
door er een toverpoeder
op te strooien, een geheimschrift
slechts door ingewijden te begrijpen

neen, geen pecunia heeft hij
nodig, geen aalmoes
van verwaten heren,
wel het moeizame verstaan

en de betovering van wie
nog steeds als kinderen zijn
want een kind is hij gebleven
verwond door verwondering
en door verwondering gedreven

Staf De Wilde

22 maart 2011

Zojuist bij Demer Uitgeverij nieuwe gedichtenbundel met hardcover 

TUIN VAN EDEN
van dichteres Tine Hertmans

64 pagina's
Prijs: €20.00
 
Illustraties van Tony De Bruycker.

"De bundel dient als eerbetoon aan alle slachtoffers, in het bijzonder diegenen wier stem nooit is gehoord, die hun wonden niet hebben overleefd en hun geheimen met zich meenamen in het graf." (De auteur)
"Woorden geschreven met de kracht van woede, gevoed door onmacht en schuldgevoel. Het verbaast mij steeds weer dat mensen, die zo zwaar zijn vernederd en geraakt in hun diepste ik, toch de sterkte vinden om hun gevoelens te uiten en zo een deel van hun verleden te verwerken. Deze bundel is daar een mooi voorbeeld van. Ik hoop dan ook dat hij door heel wat slachtoffers, maar ook door hulpverleners aandachtig zal gelezen worden." (Dr. Johan Marchand, vertrouwensarts)

Uitgever Demer Uitgeverij
15.2 breed × 22.9 hoog
http://www.lulu.com/content/10345819

1. Inloggen als nieuwe klant bij Lulu http://www.lulu.com/ en uw adresgegevens en telefoonnummer invullen
2. Betalingsmogelijkheid: credit card, visa card, pay pal – deze gegevens invullen
3. U gaat naar bovenstaande boekwebsite in uw browser en de boekgegevens verschijnen en klikt op “bestellen” of “add to cart” (in het Engels)
4. Vervolgens wordt het boek en de prijs vermeld op uw scherm en ziet u factuurgegevens
5. Verdere aanwijzingen wijzen zichzelf uit (u ziet links bovenaan scherm uw adres vermeld, waar het boek naartoe moet)
6. Verzendingsmogelijkheden, of “shipping”, vanuit de drukkerij van Lulu (Amerikaans bedrijf)
7. U kiest voor “mail” – de goedkoopste verzending, per post (kan soms 5 tot 6 wkn duren, voordat u het boek per gewone post thuis bezorgd krijgt)
8. U kiest voor “ground”, duurdere verzending, koerier die het boek aan huis bezorgt, binnen ± 2 of 3 weken, soms iets later

N.B.:
De eerder verschenen gebonden uitgave Tuin van Eden (19x19 cm) is nog steeds te bestellen via Tony De Bruycker
tony.de.bruycker@pandora.be (€14, excl. verzendkosten)

Hannie Rouweler
Demer Uitgeverij
Voor Ginette en Thierry

Toen bloeide het uur,

de vriendschap zat aan tafel,

elk woord droeg een hart.

Fernand Florizoone

21 maart 2011

Terugblik



even alleen
tussen film
en gedicht

worden sporen zichtbaar
onder afgeblazen stof
van beroerde tijden

ongekunsteld
de werkelijkheid
in vertaalde jaren

van niet ingeschatte
realiteit in diep
begraven woorden

even alleen
tussen film
en gedicht

valt de schaduw
van het glas
op onbedrukte bladen

om toekomst
te verhalen
die wonden vervaagt

zodat herinnering
aan voorbije tijden
zich onder het stof

van oude letters
kan begraven
ver van het licht

even alleen
tussen film
en gedicht

©2011 Monique Verplancke
Enkele Meester-dichters in het 2de jaarboek van het gelijknamig dichtersgenootschap

Waar is de tijd?

Zoek mij op de proclamatie van de eerste lichting Normaalschool Kortrijk, 1962
Nawoord


“Laat je niet misleiden door Ruth Stone, de 87-jarige dichteres die onlangs de National Book Award won,” schreef Dinitia Smith in The New York Times op 10 december 2002. Intussen is Ruth Stone 95 jaar en daarmee een van de oudste levende dichteressen van de Verenigde Staten. Bovendien kreeg ze in 2002 ook nog de Wallace Stevens Award voor haar bundel In de volgende Melkweg (2002).

Verder schreef Dinitia Smith: “Ze zit in het huis van haar dochter Phoebe, kwiek en mooi, een hennaspoeling door het haar en, zelfs hoewel ze blind wordt, met de wijd open bruine ogen vast gefixeerd op haar interviewer. Ze lacht, haar stem is zacht, welgemanierd. Maar ze is geen schattige oude dame.” Er waren vier dagen feest gevolgd op de ceremonie met de prijsuitreiking van de National Book Award in Manhattan en ze had nog last van een kater. “Ik denk dat ik eens ga stoppen met wijn drinken,” giechelde ze. Toen ze de prijs in ontvangst nam, had ze tegen het publiek gezegd: “Ik denk dat ze me hem hebben gegeven, omdat ik al oud ben.”

Ruth Stone heeft een hard leven gehad. Ze is geboren als Ruth McDowell in Roanoke, Virginia, in een familie van dichters en schilders op amateurniveau. Eigenlijk is ze geboren in het huis van haar grootouders en was ze voortdurend omringd door familieleden die poëzie schreven, schilderden, advocaat waren of les gaven. De bibliotheek van haar grootouders bevatte zoveel boeken, waar ze nieuwsgierig naar was, dat ze op haar derde al kon lezen.

Haar vader Roger McDowell was een schilder, maar hij was ook een drummer die vaak thuis speelde. Haar moeder Perkins reciteerde het In Memoriam van Tennyson, terwijl ze borstvoeding gaf. Later zou ze Ruth een penny geven om gedichten voor haar op te zeggen.

Toen Ruth McDowell drie jaar was, verhuisde de familie naar Indianapolis, waar ze leefden bij de grootouders aan vaderszijde. Ze groeide daar verder op tussen literatuur, poëzie, schilderkunst en muziek.

Toen ze negentien was, is ze getrouwd met een zekere Cross en ze verhuisde met hem naar Urbana, Illinois, waar ze beiden studenten waren aan de universiteit van Illinois. Ze kregen een dochter, Marcia.

Maar in Urbana ontmoette Ruth dan Walter Stone, student en dichter. Ze scheidde en trouwde met Walter Stone. Ze volgde hem naar Harvard, waar hij nog student was, en tenslotte naar Vassar, waar hij een baan kreeg in het onderwijs.

Ze begon gedichten te publiceren en won er een Kenyon Review beurs mee, waarmee ze een boerderij kocht in Goshen, Vermont. De bedoeling was om daar te gaan schrijven en de zomers door te brengen.

Voor Walter Stone leek de wereld aan zijn voeten te liggen: hij had gedichten en korte verhalen gepubliceerd in The New Yorker en een voorschot van een uitgever gekregen om een roman te publiceren. Hij en Ruth Stone waren een gouden stel, beiden met dichtbundels die spoedig zouden verschijnen. Ze hadden twee dochters, Phoebe en Abigail.

Maar in 1959, op 42-jarige leeftijd, pleegde Walter Stone zelfmoord. Ruth heeft nooit begrepen waarom hij zelfmoord pleegde. Het gezin was in Londen, waar Ruth Stone een sabbatjaar doorbracht. Hij was haar beginnen te vertellen dat hij vreemde gedachten had. “Hij zei, ik denk dat ik mijn verstand aan het verliezen ben,” zou Ruth Stone later daarover zeggen. “Ik kon hem niet redden,” voegde ze eraan toe. “We waren een gelukkig gezin. Het was alsof er een rotsblok uit de hemel viel,” zei ze. Er was nooit iemand anders geweest, niet voor hem, niet voor haar. “Ik verloor de enige man die ik ooit heb willen hebben.”

Als dichteres is Ruth altijd liefdesgedichten blijven schrijven voor Walter Stone, “love poems, all written for a dead man”.

Onmiddellijk na dit aangrijpende voorval zijn Ruth Stone en de kinderen teruggekeerd naar de Verenigde Staten. Dat jaar, in 1959, publiceerde ze haar eerste dichtbundel, In een regenboogkleurige tijd.


Ze kreeg hiervoor een beurs van het Radcliffe instituut en de dichter Richard Wilbur bezorgde haar een baan als fotosamensteller voor de Weekly Reader, een weekkrant voor kinderen. Maar dat kon ze niet aan. “Mijn psyche was in elkaar gestort,” zei ze, “ik kon de baan niet aanvaarden.”

Ze vertrok en nam haar drie dochters weer mee naar Goshen, Vermont. Om in haar levensonderhoud te voorzien en haar drie dochters op te voeden, is ze beginnen les te geven in creative writing aan verscheidene universiteiten in de Verenigde Staten, onder meer in Illinois, Wisconsin, Californië en New York. In de zomer keerden ze altijd terug naar Goshen.

In Goshen was aanvankelijk geen stromend water en geen centrale verwarming, maar ze hadden er wel zo’n vijfduizend boeken. Er was geen tv, maar de meisjes lazen en zetten toneelstukjes in elkaar. Phoebe en Abigail werden beiden schrijfsters, de andere dochter, Marcia Croll, is een psychologe.

Terugdenkend aan vroeger zei Ruth Stone over het schrijven: “Ik glipte gewoonlijk even mijn bureau binnen om te schrijven, toen ze nog klein waren. Ik zat dan op de grond met mijn typemachine op mijn benen en met mijn voeten tegen de deur om de kinderen buiten te houden. Ik liet grote spaties op het blad, zodat ik die later kon opvullen, omdat ik toen de tijd niet had om dat onmiddellijk te doen.”

Er lag een periode van twaalf jaar tussen de publicatie van de eerste bundel en de tweede bundel, Topografie en andere gedichten (1970), van Ruth Stone. Daarna verschenen de bundels op een regelmatige basis, en zo kwamen ook de literaire prijzen, maar niet de algemene erkenning.

Ruth Stone werd dan wel de Amerikaanse Achmatova genoemd, omdat ze ook zo onverzettelijk schreef over passie en ondraaglijk verlies, maar ze bleef gelden als een “geheime dichteres”. Haar gedichten bleven in tijdschriften verschijnen, de bundels verschenen regelmatig, ze heeft talloze poëzielezingen gegeven, haar werk werd opgenomen in diverse bloemlezingen en ze was haast vijfenveertig jaar actief als professor creative writing.

Zo heeft Ruth Stone dertien dichtbundels geschreven, waarvoor ze diverse prijzen en onderscheidingen kreeg. In 2002 ontving ze de National Book Award en de Wallace Stevens Award, zoals al werd vermeld. Maar in de jaren voordien had ze al veel andere prijzen ontvangen, zoals de Shelley Memorial Award (1964), twee Guggenheim Fellowships (1971 en 1975), en met één ervan liet ze een nieuw dak op haar huis leggen, de Delmore Schwartz Award (1983), een Whiting Writer’s Award (1986), waarmee ze het sanitair van haar huis vernieuwde, de Paterson Poetry Prize (1988), de National Book Critics Circle Award, de Eric Mathieu King Award van de Academy of American Poets, de Cerf Lifetime Achievement Award van de staat Vermont. In juli 2007 werd ze benoemd tot poet laureate van de staat Vermont. Maar dit alles heeft niet kunnen bijdragen tot de algemene erkenning als een van de grootste levende dichteressen in de Verenigde Staten.

Het was pas toen Ruth Stone 72 jaar was, dat er een eind kwam aan het doceren van creative writing op een losse en tijdelijke basis. Toen werd ze beloond met een vaste benoeming aan de staatsuniversiteit van New York in Binghamton. Maar in 1999 moest Ruth Stone daar al op pensioen gaan. In die tijd werd haar zicht al veel slechter.

Ze heeft nog altijd haar huis in Goshen. Maar in de winter leeft ze afwisselend bij een van haar drie dochters, die een huis hebben in Middlebury, Vermont. Ze kijkt ernaar uit om een flat te kopen in Middlebury voor het winterseizoen, zodat ze in de zomer kan teruggaan naar haar boerderij in Goshen.

Abigail helpt haar moeder door haar gedichten op een pc in te tikken en ze vervolgens in een vergroot formaat uit te printen, zodat Ruth Stone de gedichten nog kan lezen en redigeren.

*

De meest recente bundel van Ruth Stone, Waar het in de liefde om gaat (2008), werd ingeleid door die andere illustere Amerikaanse dichteres Sharon Olds. Haar inleiding op het werk van Ruth Stone geven we hieronder integraal weer.

Een gedicht van Ruth Stone komt tot leven in je handen – vurig, onafhankelijk en rusteloos. Een gedicht van Stone beweegt voort als een uitstekende ontvanger met groot bereik – het heeft “lege ruimte” (het vermogen om van richting te veranderen, plots, op snelheid, naar links of rechts, met grote precisie); het draait met zijn heupen en beweegt.

De gedichten van Ruth Stone zijn mysterieus, lachwekkend, krachtig. Ze zijn begrijpelijk, vaak heel duidelijk aan de oppervlakte, maar niet eenvoudig – hun intelligentie is knetterend en gecompliceerd. Haar gedichten zijn muzikaal en hun muziek is ongedwongen, niet te gekunsteld, fris.

Halverwege in mijn tienerjaren had ik het voorrecht om Ruth Stone te ontmoeten, en in mijn late tienertijd en vroeg in de twintig had ik het geluk om Ruth Stone en haar dochters te bezoeken in Vermont. Zij gaf me de indruk van een genie aan het werk. Ze leek zelf de locatie te zijn van een demon; ze was een plek waar het leven in kunst werd omgezet. Ze was een vrouw die hout hakte voor het haardvuur en water aansleepte, in de winter, vanuit de rivier – eerst hakte ze een gat in het ijs met een bijl. Ze was een grote schoonheid (met een geweldig melodieus gekwebbel uit West Virginia) die een oude slappe spijkerbroek droeg en mannelijke (van een beminde man) Oxford hemden. De uitstraling van haar ogen was bijzonder helder, warm en bemoedigend, en ze was verliefd op de poëzie.

Ik zag haar een leven leiden van een poëzie die gemeenschappelijk was – niet dat ze lezers uitzocht in de grotere wereld; het leek alsof ze geen gedichten naar tijdschriften stuurde, of geen boeken naar uitgevers – maar de lezers waren er, in de woonkamer, in Brandon, Vermont. Wanneer je daar was, dan voelde je je aanwezig in het midden van de poëziefamilie.

De grote flitsende straling van haar ogen, de grote flitsende straling van haar hart, beroerde zachtjes de aarde, het huis. Haar zintuigen leken net zo scherp als die van een uil. In zekere zin leek ze het personage te zijn van een knap warmbloedig klein zoogdier, een sneeuwwitte marter, misschien, of een Amerikaanse haas – geen roofdier maar een van de slachtoffers – maar als dichter was ze een groot jager, geluidloos, scherp, opgewekt, mooi, liederlijk en angstaanjagend in het maanlicht, en haar gedichten waren levend, levendig: zij waren de uilen. (Nu herinner ik me dat er een uil in dat huis zat – een opgezette uil, in de werkkamer van haar overleden man, de dichter Walter Stone. Toen ik hem zag, dacht in aan een teruggekeerde uit de dood, en aan Minerva, de godin van de kennis, gezocht en niet bewust gezocht.)

Ik bracht één Kerstmis met sneeuwstormen door in Vermont bij Ruth en haar familie. Wat een giller! Ik hield van het paar roze onzinnige katoenen slipjes die een van de verrassingen waren in mijn kous (waarop een haard, en vuur, en een grote kandelaar in vilt stonden afgebeeld). We speelden elke dag urenlang het Poëziespel – ieder bedacht één woord, dan legden we ze bij elkaar, en dan schreven we gedichten, die allemaal al de bij elkaar gelegde woorden bevatten. Het eten en de borden waren ongeveer tegelijk leeg en dan gingen we verder met de thee en de verbeelding.

Ruth, een groot, grootmoedig beoordelaar kon de vonk van leven zien in elk gedicht. Ik herinner me haar felle, liefhebbende aandacht als er iemand las, haar kinderlijk plezier en scherpte, haar vreugde in de poëzie, haar behoefte eraan, en de schoonheid van haar lichaam, meisjesachtig en genietend, wanneer ze daar zat en luisterde – en haar steelse humor, en haar bewondering.

Ze is een dichteres van de tragedie, en ze is een luchtige dichteres, niet netjes, haar werk heeft niet de preutsheid van de middenklasse. Ze is een dichteres met een grote humor – zelfs spottend – en een scherp oog, niet gehoorzaam. Er zit een oneerbiedigheid in haar gedichten, een vrijheid die ze zich heeft genomen, die bij mij aanvoelt als de macht van uit hun rechten gezette mensen.

De gedichten van Ruth zijn direct en flexibel, haar onopgesmuktheid is elegant en knap, haar muzikaliteit is fundamenteel, klassiek; ze voelt even echt aan als de voortgang van iets. Als we een eerste regel van Stone horen, dan is het alsof we deze stem de hele dag al in ons hoofd hebben gehoord, en net nu worden de woorden echt hoorbaar. Ze is een ziener, die gemakkelijk duidelijke waarheden uitspreekt, die op de een of andere manier tot dusver onvermeld bleven. En je voelt voldoende lucht in haar gedichten – ze tillen je op.

Ik houd van de ironie van Ruth Stone, en van de melodie van haar ironie. In veel van haar gedichten horen we de muziek van de rustige, diepe moedeloosheid van de armen, mensen die zich niet voor de gek laten houden.

De dingen in de gedichten van Stone zijn vaak tegelijkertijd gewoon en onvatbaar. Ruth heeft een soort sober religieus gevoel dat ook politiek is. Ze heeft soms de kracht van een profeet. Ze geeft ons visies op het gebruik van macht. Ze richt haar blik op de politieagenten en de academici, ze kijkt naar geslacht en ras en klasse, en ze oordeelt. Dit zijn de oordelen van iemand die een grotere hoop heeft gehad voor de mensheid.

Ruth Stone “danst” ook “de clubmuziek met een gekreukelde knie” (In een iriserende tijd) – ze heeft een leuke eigenschap die die van de dwazen benadert, de “schunnerds”. Ze heeft soms iets van een gehinnik, een spottende aantekening over seks. Haar scherpe scherpstelling wordt niet beneveld door welgemanierdheid. Ze heeft een prettig gebrek aan respect; ze dolt met wat gewichtig is. Soms is haar op de hak nemen lichtjes genadeloos, of bitter – een met gelijke munt betaald zettende scherpte voor een mannelijke academicus of een mannelijk chirurg. Ze heeft een wrede kosmische visie. Haar wreedheid is vaak een vrouwelijke wreedheid – ze kiest altijd voor de aarde, voor de gekwetste moeder.

Stone is doortastend en rijkelijk in het beschrijven van planten en andere aardse dingen, en ze beschrijft ze niet in een overdreven mate zodat ze literaire artefacten worden eerder dan natuurlijke fenomenen. Wanneer zij ze overbrengt op de pagina, blijven ze hun formaat en vorm behouden, en hun wortels sterven niet af – zij herkent hun principe van integriteit, zodat hun levendigheid het overleeft.

Stone heeft een beeldrijke verbeelding. Ze lijkt te denken in beelden, visualiseert gemakkelijk het onzichtbare. Ze heeft een tragische humor met een uitgestreken gezicht: liefde en destructie liggen vlak naast elkaar.

De stem van Ruth Stone is niet sentimenteel. Ze heeft een enorme nauwkeurigheid, een enorm plezier in de dingen zoals ze zijn, zelfs wanneer ze onplezierig zijn, belachelijk, pathetisch. En de dingen die dansen in haar boeken! De stapels dozen met verschrompelde eieren! De fornuizen!

In het werk van Ruth Stone zit wijsheid, en het roekeloze straatlied. Er is een gebrek aan angst voor het groteske – vergankelijkheid maakt het grotesk.

De vooronderstellingen van veel van de gedichten zijn ongebruikelijk. Vaak is hun huiselijke locatie fris. En ze heeft de visie van een bazooka – ze geeft ons de meedogenloze humor van gewone ontzettende ellende. Ruth Stone raakt me als vrolijk en ernstig anti middenklasse, terwijl ze de pretenties en voorkeuren van bepaalde klassen doorziet. Soms gaan haar gedichten haast in de richting van de gedurfde sfeer van de onzin – soms verkoopt ze Onzin. Dit belichaamt de dwaasheid van de hoop, de domheid van ijdelheid en ordelijkheid. Men benadert hierin de randgebieden van een reusachtige verbittering, die zingt.

Vanaf de vroegste gedichten zien we haar moeiteloos talent voor een muzikale taal. Na zekere tijd is de muziek meer en meer complex geworden, alsof ze net zo goed danst met haar hersenen als met haar voeten. Zo veel noodzaak is er bijgekomen, in haar verbeelding en haar onderwerpen, en haar kunst liep daar zo mee gelijk, dat de gedichten werden samengeperst in een strenge tragikomische genialiteit; ze doen me vaak denken aan dingen die worden getransformeerd door krachten in de natuurlijke wereld. Stone lijkt een diep geworteld gevoel van tijd en ruimte te hebben. Ze geeft voldoende tijd aan zinnen die tot de spreektaal behoren; ze laat ze zich uitstrekken en hun natuurlijke loop hebben doorheen de lijnen. Ze heeft een fijn gevoel voor hoe lang de dingen mogen duren, voor duurtijd – hoe tijd aanvoelt, voorbij loopt.

De gedichten van Ruth Stone, in hun originaliteit en uitstraling, hun intelligentie en muziek en intense persoonlijke scherpzinnigheid, schijnen op hun plaats binnen haar generatie, tussen de pioniersvrouwen (Bishop, Brooks, Rukeyser). Haar ongebruikelijke gebrek aan zelfpromotie heeft als resultaat gehad dat haar werk langzaam zijn weg vindt naar zijn lezers. Maar haar lezers zijn hartstochtelijk in hun respect en liefde en verbijstering voor haar gedichten – de energie van de gedichten, hun frisheid, en hun durf, hun gesprek met ons leven. Deze bundel zou velen van ons moeten helpen haar te vinden; we zijn hongerig naar haar. De gedichten van Ruth Stone zijn het voedsel waar de geest naar hunkert, de blijvende voeding waar Louise Bogan naar verwees toen ze zei, “Hier hebben we een kruimel hiernamaals.” Stone geeft ons broden en broden van het hiernamaals, van Adamant hier en nu.


Joris Iven
augustus 2010


Een vrouw zijn

Je kunt alles wat je wilt tegen jezelf zeggen.
Je was toch de enige die ooit heeft gehoord
Wat je zei. En zelfs jij bent die stralende lichtflitsen
Vergeten die je van veraf zag, zoals Toledo
Dat broedde, oplaaide met het Moorse kromzwaard.

Weggezonken in het omber, verlicht vanuit de hoeken door de gepaste verlichting,
Trek je je terug in de buitenwijken. Verscholen in de schaduw van schuttingen
Spoor jij je hond aan om zijn poot te lichten tegen de struiken van de buren.

Soldaten komen dichterbij. Ze zijn overal.
Vanachter de lantaarnpaal stuurt de hond onbekende berichten
Naar de onbekenden. Een zinnige verbintenis van de zintuigen.
Het vrije ego maakt zijn eigen patronen.
De stem van de urine die zegt dat dit mijn zout heeft weggewassen,
Mijn mineralen. Mijn nieren zegenen je, dagen je uit, nodigen je uit
Te voorschijn te komen en het met me uit te schreeuwen in de schizofrene nacht.


De neus

Iedereen klaagt over de neus.
Als je goed kijkt, zit hij vast aan je gezicht.
‘s Ochtends zal hij rood zijn.
Als je een vrouw bent kun je hem met make-up bedekken.
Als je een man bent betekent dit dat je je de afgelopen nacht goed hebt uitgeleefd.
Neuzen zijn fallussymbolen.
Zo zijn vingers, monumenten, bomen en komkommers ook.
Het vertrouwde, “Hij kent zijn zaken,” zou eens moeten onderzocht worden.
Er is veel te doen in neus karweien.
De kleine neus heeft aan populariteit gewonnen tijdens de opkomst van het christendom.
Neuzen die ontwricht raken, betekent vanzelf een gebroken neus.
Is nooit hetzelfde als een gebroken hart.
Ze zeggen, “Het ga je goed.” “Schud handen.” “Snuit je neus.”
Wanneer je kust dan neig je naar een strijd van keuzes
Welke kant jouw neus zal opgaan.
Terwijl een bloedneus, samen met een goede huilbui, een natuurlijke toestand is;
Een bemoeiziek persoon zal je op het spoor komen en neerkijkend op je neus
Zul je scheel gaan kijken.
Hoewel de neus niet langer wordt gebruikt om te wroeten en te duwen,
Komt ze nog altijd op de gekste plaatsen terecht.
De oude gezegden: Hij won met een neuslengte, en,
Hij sneed zijn neus eraf om zijn gezicht te pesten,
Illustreert de waarde van de neus.
Tot besluit, drie van de vier kinderen
Zijn bij geboorte nog altijd uitgerust met een neus,
En de neus, vaker wel dan niet,
Vergezelt het lichaam naar zijn laatste rustplaats.


Tweedehands jas

Ik voel
In haar zakken; zij droeg mooie katoenen handschoenen,
Had een zakdoektasje, waste haar ondergoed,
At in de Holiday Inn, had een diepvries in de kelder,
Hoorde bij een bridge club.
Wanneer ik ’s ochtends wakker word denk ik
Dat ik ben veranderd in haar.
Ze hangt beneden in de hal,
Een schaduw met uitgetrokken draden.
Ik schuif haar over mijn armen, de huid van een matrone.
Waar ben je? Zeg ik tegen mezelf, tegen het verweesde lichaam
En haar jas zegt,
Pak je handtas, heb je je sleutels bij je?


Waar ik vandaan kwam

Mijn vader bracht me in mijn moeder
maar hij haalde me er niet uit.
Ik ben mijn eigen vlugge vrouw.
Wat trok hem aan in mijn moeder?
Het slaan met zijn trommelstokken
dacht hij – waarom niet?
En hij gaf haar een paraplu.
Hun huwelijk verliep ook zo.
Ze verstopte zich ironisch in haar schort.
Soms huilde ze in het koekendeeg.
Als ze ergens een punt van wilde maken
zou ze een hymne of een oud lied zingen.
Hij had losse voeten. Op hem kon je niet rekenen
tot zijn zakken leeg waren.
Als hij thuis was bonsden
de pauken, de roffeltrom,
de celesta, de triangel.
Terwijl hij hun bovenkanten wisselde,
weekten de trommelvellen in de badkuip.
In elkaar gekrompen en gerimpeld, dreven ze
als reusachtige gebruikte condooms.


Alle tijd is verleden tijd

Goliath is geraakt door de steen.
De steen verandert in een vogel.
De vogel zingt in haar raam.
Tijd is absurd. Hij vloeit terug.
Hij is getrouwd met het woord.

Dit is het raam van de ogen van de reus.
Dit is de vogel die alleen zingt.
Dit is de rivier van het vergeten.
Dit is de gekozen steen.
Dit is de weduwe van Goliath.

Geraakt door de steen springt hij
de toekomst in. Hij rust op
een monoliet, een rune, licht
van een verafgelegen ster. Zelfs geen bot
herinnert zich hem ooit te hebben voortgebracht.

Het lied is monotoon.
Zij is het woord en het raam.
Zij is de steen en de vogel.
Zij is de bedding van de rivier.
Mark Meekers
werd geschokt, overspoeld en gecontamineerd door de turbulente gebeurtenissen in Japan.
Hij schreef:



EINDFACTUUR

het hoofd verloren. enkel de ogen niet
meegespoeld. hij weent zijn haren grijs.
daar stond het huis. een flard behang
of een hemdsmouw wuift uit de wand.

een bankautomaat waar slechts angst uit
af te halen is. zijn toyota geen blik meer
waard. boeddha’s, bacteriën, pianotoetsen,
maar geen foto, geen schaduw of silhouet.

alles van alles verloren. kamer na kamer,
cabine na cabine opengebroken, breekijzers
op wanhoop, om slechts dood te begroeten.
hoe geliefde lijven onderscheiden van die

rottende ravage, geest van slijk? alles in
lijkenzak en as. koude vriest het tafereel
voor altijd in. krijgt hij ooit nog vaste grond
onder de voet, een haiku door de keel?


°

SCHOKGOLF

één rimpel in de pels veranderde de zee
in brullende tijgers, vlammenspuwende
reactoren. wegen van de baan, de huizen
afgedreven op fundamenten van water.

scholen worden lijkenhuis. er wordt met
zwart krijt geschreven. geen sneeuwman
vult de lege spiegels. uit dit niemandsland
steken enkel nog de kreten als splinters.

sporen van op hol geslagen paarden,
de ruiters van de Apocalyps afgeworpen.
welke kersenbloesem durft hier nog
bloeien? hoe in holle woorden wonen?

en toch wordt er opgebaard en gebaard,
zoekt een kind tussen steenbrokken en bre-
kende aardkorsten de hemel af naar zielen.
opgevlogen, dalen ze weer als vlokken.

Mark Meekers
geen belet?




… breek dit beletselteken open
vraag aan de woorden:
is er geen belet

plaats elke (bewering)
tussen haakjes, een ?-teken
na elke frase

wordt een vers niet verraden
door een dubbele punt:
het eeuwige verklaren

het gedicht heeft het raadsel
lief, het gelooft wat aarzelend
wordt gesproken, het tast
zijn beelden af, de ronding
en de kloven

“aanhalingstekens” heb je
nodig en geen lezer
hoeft te weten wie
het eerst geschreven heeft:
de dichter of zijn dromen

schrijven is voorbij
dit teken… komen
en nooit de !!!
de uitroep en de kreten

Staf De Wilde
TUIN VAN EDEN

gedichten Tine Hertmans


Een afrekening met een (zeer) pijnlijk verleden

De meeste dichtbundels hebben uiteenlopende onderwerpen. Soms keren bepaalde thema’s terug, op een abstracte wijze vertolkt of in een verhaal gegoten. Ze behelzen verschillende manieren waarop men tegen hetzelfde aankijkt. Voor hetzelfde ding, feit, bestaan verschillende beelden, woorden en betekenissen.
Opvallend in de Tuin van Eden, die een reflectie inhoudt op zeer pijnlijke en traumatische herinneringen aan langdurig seksueel misbruik, van een kind en jong meisje door iemand uit de eigen familie, is de eenheid: alle gedichten horen bij elkaar. Er loopt een rode draad van pijn, vragen, misbruik, details door de hele bundel.
Wie een dergelijke ervaring heeft gehad, of zijdelings erbij betrokken was, zal veel raakvlakken terugvinden. De meeste gedichten zijn sterk vanuit het kind-gevoel geschreven en daardoor des te schrijnender, omdat dat – wat beschreven is op een vel wit papier – nog levende littekens laat zien, vuile sporen. Andere zijn een terugblik, vanuit een volwassen houding, waarbij de dichteres zoekt naar een reden, een verklaring, een oorzaak. Pas op latere leeftijd is men in staat het misdadige beter onder woorden te brengen. Een kind zoekt liefde en genegenheid, is onvoorbereid op het smerige spel dat misbruikers spelen waardoor een kind in de val gelokt wordt. Het is niet in staat, op zo’n leeftijd, dit in te zien of hiervan los te komen. De vertrouwensbreuk komt later.
Zelden heeft een dichteres zich zo open en moedig uitgesproken over wat haar als kind en jong meisje is overkomen op een toegankelijke, realistische en lyrische wijze die gevoelige snaren raakt, ook bij lezers die dergelijke ervaringen niet kennen.
Wat een Tuin van Eden, verwijzend naar geluk en gelukzaligheid, had moeten worden werd een tuin van (fysieke en geestelijke) martelingen en wandaden. De dubbelzinnigheid van de titel, de vele gedichten met vele gezichten, is een catharsis van een waarheid, die moeilijk onder ogen valt te zien, en te begrijpen voor wie zich niet voldoende bewust is van de gevolgen van zo’n wreedheid, misdaad.
De Tuin van Eden maakt ons bewust van het onzichtbare kwaad, dat toeslaat als de omgeving niet meer alert reageert, geen solidariteit opbrengt voor wie daar recht op heeft. Als er gezwegen wordt, waar woorden op hun plaats zijn.
De dichteres Tine Hertmans heeft met zeer veel moeite de juiste woorden gevonden. De verzen getuigen van een groot invoelingsvermogen, lyrisch van toon, ook waar wreedheden in een verwijt of onbegrip overgaan, omdat alle grenzen van het toelaatbare ernstig zijn overschreden.
Bundel is te bestellen via mailadres tony.de.bruycker@pandora.be
€ 14, excl. verzendkosten

Hannie Rouweler,
uitgever
Demer Uitgeverij

20 maart 2011

P E R S B E R I C H T



HILDE VAN CAUTEREN NIEUWE DORPSDICHTERDOEL

Hilde Van Cauteren is de nieuwe DorpsDichterDoel. Zij werd vanmiddag in literair café Den Hopsack in Antwerpen beëdigd. Van Cauteren won de poëziewedstrijd die de opvolger van Frank De Vos aan moest duiden met het gedicht Voor D. De andere genomineerden waren Walter Simons, Marie-Thérèse Van Aerdenbrugghe, Ann Van Dessel en Lies Van Gasse.

Het juryverslag werd deze middag gepresenteerd door Annmarie Sauer en muzikaal opgeluisterd door pianist Marc Clement. De voorlezing gebeurde door Mark Meekers, voorzitter van de beoordelingscommissie.

Hilde van Cauteren (º Hamme, 1967) studeerde aan Sint-Lucas in Gent en werkte een aantal jaren in lager en middelbaar onderwijs. Zij was jarenlang vrijwillig lesgever bij verschillende verenigingen. Momenteel zorgt ze voor een gezin met man en drie kinderen. Daarnaast is Hilde Van Cauteren (voor Groen!) actief bezig met lokale politiek. Zij was enige jaren OCMW-raadslid en zetelt momenteel in de gemeenteraad. Hilde Van Cauteren schrijft behalve poëzie ook proza. Zij is lid van de dichtersgroep Pazzi di Parole en behaalde met haar gedichten verschillende nominaties en prijzen. Begin april debuteert ze als jeugdauteur met Het Naveltheater, een roman over theater, vrijheid en gelijke rechten.

In een toelichting op haar benoeming liet Hilde Van Cauteren weten dat ze een actieve dorpsdichter wil zijn. "Telkens wanneer er in Doel iets gebeurt, zal ik er zijn met poëzie, die aansluit bij de actualiteit. Zo wil ik op 23 april, tijdens het dorpsfeest rond de 'frietmobiel', 'etiquette-gedichten' meebrengen, en voor de Scheldewijding breng ik (ge)wijde gedichten mee," aldus de kersverse DorpsDichterDoel. "Komt Doel om één of andere reden in het nieuws, dan zal ik daar poëtisch op aansluiten. Daarnaast ben ik van plan gedurende de twee jaar DDD-schap enkele keren naar Doel te komen om samen met andere dichters een project te realiseren. Wanneer ik buiten Doel op een podium sta, zal ik telkens de formule het toelaat één of meerdere Doelgedichten brengen." Hilde Van Cauteren, na Mark Meekers en Frank De Vos de derde DorpsDichterDoel, zal ook op het internet actief aanwezig zijn als poëtisch ambassadeur van Doel.

JURYVERSLAG VAN DE DORPDICHTERDOEL PRIJS 2011

De juryleden Bert Bevers, Hilde Coolen, Paul Vincent en Mark Meekers (voorzitter) kwamen op dinsdag 11 januari 2011 te Antwerpen samen. Dianne Nuyts en Willem Persoon waren wegens ziekte verhinderd en maakten hun evaluatie schriftelijk over. Frank De Vos fungeerde als (niet stemgerechtigd) secretaris.
De jury hield rekening met poëtische zeggingskracht, originaliteit en thematische verwoording. Nadat ze het evenwicht gevonden had tussen de beoordelingscriteria van 'vorm' en vent”', was ze blij verrast te kunnen vaststellen dat vier van de vijf nominaties naar dames gaan. “Wat een weelde!” riep zelfs een van de juryleden uit, “Je zou daarvoor aan de baxters willen gaan liggen. Driewerf uitroepteken!!!”

Het gedicht Plan B van Marie-Thérèse Van Aerdebrugge beschrijft op indringende wijze de eenzaamheid van de mensen en het dorp en laat ondanks de sloop een raam open op uitzicht. Ann Van Dessel was manifest aanwezig met twee krachtige gedichten. Vooral Kraakland werd geprezen: de kordate neo-realistische toon, scherpe realistische observaties, een kritische blik en een sterke metaforiek maken er een beklijvend geheel van. In Het huis is leeg komt een dichteres aan het woord die rijkelijk de metafoor hanteert. Lies Van Gasse weet daardoor de sfeer van verlatenheid doelgericht te suggereren. Walter Simons viel op met het gedicht Ruïnes, dat in een barokke stijl blijk geeft van een onstuimige, doch eerlijke en onbevangen verontwaardiging.

Ook Hilde Van Cauteren schreef twee homogene gedichten. De jury verkoos Voor D. boven In D. Ze apprecieerde de sterke, harmonische structuur, de directe taal en de rake tekening van het lege, doch levensvatbare dorp. Inhoudelijk sterk, met vlotte ritmiek, gedreven geschreven. Helderheid en toegankelijkheid zijn een extra troef: wie kan niet akkoord gaan met de slotzin: Want hoe zot moet ge zijn om een dorp te slopen / dat een haven was, voor mensen? Een ontroerende klassieker in de Doel-literatuur.

In opvolging van Mark Meekers (2007-2009) en Frank De Vos (2009-2011) wordt Hilde Van Cauteren voor de volgende twee jaren de nieuwe dorpsdichter van Doel. De jury wenst dat zij het mismeesterde dorp nog lang op de kaart kan houden.

Mark Meekers, juryvoorzitter

HET WINNENDE GEDICHT

Voor D.


Voor hopeloze liefdes en half vergeten dorpen
heeft men dichters nodig. Alleen zij lezen
lege huizen als witte regels, verlaten straten
als onvertelde verhalen en halve muren

als een afgebroken zin, omdat men al te ver was
en de wind uit een verkeerde hoek kwam.
Alleen zij horen in afgesloten winkelpanden
een dorp nog praten in de gaten van de dag

en zien de vegen van de gore gom, die naam
na naam uit het register wreef, tot slechts
een handvol overbleef. Zij brengen die vegen
in hun verzen aan, en elke veeg versterkt

de hopeloze liefde voor het halfvergeten dorp
dat halfvergeten, toch rechtop blijft staan.

© Hilde Van Cauteren

19 maart 2011

Bij Demer Uitgeverij verschijnt in september de nieuwe dichtbundel van Jenny Dejager

DE AANHALINGSTEKENS VAN LIEFDE EN TROOST

Met een bijzonder mooi en sprekend voorwoord van Thierry Deleu


U kunt contact opnemen met de dichteres, voor verdere informatie:
jenny.dejager@skynet.be

Pocketboek, 64 pagina's
Prijs: €15.00

Nieuwe gedichten van Jenny Dejager. Met enkele afbeeldingen kunstwerken (zwart-wit) van Paul Vanhee.

Fragment uit de Inleiding van Thierry Deleu: "De humor en de wijze waarop de dichteres relativeert, houden haar overeind. Het is overduidelijk dat zij lijdt aan liefdespijn en troost zoekt tussen de aanhalingstekens van het gedicht. Zij voelt zich vrouw tot in haar vezels, maar de vlinders komen haar buik niet uit. Wat heeft een dichteres meer nodig als motief om te schrijven? Zich afreageren en zich bevestigen, de twee drijfveren bij uitstek van zoveel schrijvers en dichters, beeldende kunstenaars en kunstenaars in het algemeen. Over één ding ben ik het eens: haar gedichten zijn gaaf, zij gebruikt eenvoudige, ongekunstelde woorden die bruisen van drift, in een vrije versvorm waarvan de taal een bijna perfect evenwicht vindt tussen spreektaal en gedichtentaal."

De dichtbundel is eveneens te bestellen bij de uitgeverij, vanaf september.
€ 17, inclusief € 2 verzendkosten (binnen België en Nederland)
info@demerpress.be

Hannie Rouweler,
uitgever
De leugen regeert de wereld


Al jaren loop ik met het idee een essay te schrijven over de leugen, of beter: hoe de leugen overheerst, hoe de leugen de wereld regeert, hoe met andere woorden de waarheid permanent in de verdrukking komt. Bij het schrijven van het essay Schoon volk in de hemel? had ik gezworen dat het mijn laatste boek zou zijn (uitgave voorzien voor 2012). Word ik niet te oud om mij nog “halsoverkop” te verdiepen in de roerselen van de menselijke geest? Wordt het niet stilaan tijd dat ik het korte stukje leven dat mij nog rest invul met (nog meer) op reis gaan en (veel meer) lezen? Op die twee vragen antwoordt mijn lief vrouwtje volmondig: “Ja!” Dit doet zij echter al heel “ons” leven: enerzijds stimuleert zij mijn creativiteit en anderzijds tempert zij mijn verstikkende gedrevenheid.

Ik kan het echter niet van mij af zetten: ik moet mijn medemens de ogen openen voor zoveel leugen en roddel, voor zoveel geschiedenisvervalsing, voor dat verzonnen verleden. Eerst dacht ik aan een essay, maar nu heb ik definitief geopteerd voor een artikel. De schrijfdrift blijft groot, maar ik voel de krampen in mijn vingers (ik bedoel: de druk in mijn vingertoppen en de pijn van mijn muistendinitis).

’t Kan mij geen zier schelen, ik ga er voor, - zij het nu met korte ademstoten, - ik wil de slechtzienden met hun neus op de feiten drukken en de slechthorenden aanmoedigen om beter te luisteren.

1.
Vooral de “ontdekking” van de Gentse archeologieprofessor Hugo Thoen heeft mij over de brug gehaald. Ik doe het! In “Het Laatste Nieuws” van 21 februari 2006 las ik de veelzeggende krantentitel: “Julius Caesar is nooit in onze streek geweest”. Met andere woorden: de Belgen verdienen de titel van dappersten onder de Galliërs niet. Want Julius Caesar, de Romein die ons in zijn boek De Gallische Oorlogen zo fijn omschreef, kon dat helemaal niet weten. Hij zette namelijk nooit één voet in onze streek. Hebben we ons dan met een bang hart aan de Romeinen overgegeven? “De verovering van Gallië is véél vredelievender gebeurd dan Caesar schrijft,” zegt de professor. “Via onderhandelingen.” 25 jaar lang woelde de archeoloog de Belgische grond om, op zoek naar resten van “de grote legerkampen” van Caesar. Zonder succes.

Duizenden leerlingen van de Latijnse laten elk jaar bloed, zweet en tranen op de vertaling van De Bello Gallico van Julius Caesar. En nu blijken grote delen rechtstreeks uit de “fabeltjeskrant” te komen. Caesar beschrijft trots hoe hij tussen 57 en 51 voor Christus de tegenspartelende Gallische volkeren één voor één veroverde met een massale troepenmacht. Maar tot op heden vond de professor geen archeologische sporen terug van die Romeinse legerkampen met afvalputten, grachten en potscherven.

Caesar was een politicus en wilde in Rome een goede beurt maken. Bovendien had hij de hoge functie van proconsul en reed nooit zonder militaire bescherming uit. Ja, ook Ambiorix, de aanvoerder van de Eburonen, heeft hij verzonnen. Buiten Caesar heeft niemand ooit over hem geschreven. Caesar zelf is ook nooit in de omgeving van Tongeren geraakt. Van één ding zijn we zeker: de benaming “Belg” komt van hem. Dat was “iemand die zich gemakkelijk kwaad maakte”.

2.
“De leugen regeert” is ook een uitspraak van de Nederlandse koningin Beatrix. Ze karakteriseerde in november 1999 in een gesprek met het “Genootschap van Hoofdredacteurs” van de belangrijkste Nederlandse media met deze woorden wat ze dacht over de kwaliteit van de Nederlandse journalistiek. Sinds september 2000 gebruikt de omroepzender VARA het citaat als titel voor een televisieprogramma waarin journalistieke uitglijders onder de loep genomen worden. Dit zou in Vlaanderen ook best mogen bestaan, hetzij in de vorm van een TV-programma, hetzij als website.

Wijst de Nederlandse koningin hier op de tendens naar mis- en desinformatie in de media? Of heeft ze het over de angst en krampachtigheid die er heerst in het algemeen en in de media in het bijzonder?

Een TV-programma waarin de kijker simpele vragen kan stellen over het hoe en waarom van bepaalde zaken die hij/zij vernomen of achterhaald heeft en die hij/zij behalve gecontroleerd/bevestigd ook nog toegelicht wil krijgen.

“De leugen regeert,”zei Beatrix en het Nederlandse joumaille schoot onmiddellijk in de verdediging en vanuit de heup terug: “Losse flodder... dit is niet bepaald een diepgaande analyse” (NVJ voorzitter R. Abram); “Mijn eerste reactie was: wat is de koningin op dit punt buitengewoon slecht geinformeerd” (J. de Berg, hoofdredacteur “Trouw”); “Ik vind het buitengewoon zorgelijk als de koningin echt zou vinden dat de leugen regeert in de media” (H. Laroes, adjunct-hoofdredacteur NOS Journaal); “De opleidingen voor de journalistiek zijn sterk verbeterd” (Volkskranthoofdredacteur P. Broertjes). Broertjes betreurt het bovendien dat de koningin geen onderscheid maakt tussen de serieuze pers en de roddelpers.

Maar als we er van uit gaan dat, wie halve waarheden vertelt, liegt, dan heeft Beatrix toch gewoon gelijk? De media vertellen immers halve waarheden als ze hoofdzakelijk over de slechte kanten van het nieuws berichten. Voor de pers is het glas half leeg in plaats van half vol; ze bericht meer over het vallen dan over het opstaan van mensen. De pers richt echter het overgrote deel van haar aandacht op het doorvertellen van de mislukkingen, de ongelukken, de rampen, de crisissen en de fouten. Als dat niet als roddelen mag worden aangemerkt, wat dan wel? En dus liegt en roddelt zelfs de “serieuze” pers.

Hoe kunnen de media ontkennen, dat de leugen regeert, als de cijfers uitwijzen dat er geen toename, maar een afname van misdaad en geweld is, terwijl de meeste Vlamingen door de berichtgeving in de pers zijn gaan geloven, dat het tegendeel het geval is?

Elke misser, misdaad, fout, blunder, crisis, ongeluk, ramp is blijkbaar wel nieuws om in een TV-journaal uit te zenden, of in de krant te zetten, dag in, dag uit. Waarom bv. is elke moeizame stap in het genezingsproces van mensen, die beschadigd, arm, invalide of gek zijn geworden van al die “missers”, ook geen nieuws? Waarom vertrekken de meeste journalisten nadàt het geweld is geëindigd en zodra mensen proberen om hun wonden te likken en hun leven weer op te nemen? Waarom is Zuid-Afrika nu veel minder in het nieuws dan in de tijd waarin geweld en vernietiging, moord en doodslag, nog voor het oprapen lagen? Waar is de berichtgeving over de wederopbouw na een orkaan, of na een aardbeving, een cycloon?

Waarom vindt de pers afbraak interessanter dan opbouw? Slecht nieuws is snel, niet moeizaam, goedkoop, verwijst naar geen enkel doel of ideaal en dus gemakkelijker (meteen) “objectief” te belichten, gemakkelijk te begrijpen ook zonder achtergronden, junkfood for the mind.

Goed nieuws is niet: de treinen rijden op tijd, het verkeer tussen knooppunten kan ongehinderd doorrijden. Goed nieuws is niet: er verandert niets en het is niet gewelddadig. Goed nieuws vereist meer dan oppervlakkigheid, vereist diep gravende betrokkenheid. Het kost meer uitzendtijd en krantenkolommen om een goed nieuwsitem over te brengen, omdat het niet kan worden beschreven als incident. Goed nieuws kan alleen worden beschreven vanuit de context van de moeizame inspanningen en vanuit verwijzingen naar een doel dat nog moet worden bereikt.

Voor de kritische “objectieve” (lees: onbetrokken) journalist, achter het scherm van zijn tekstverwerker, zijn opschrijfblok of achter de lens van de camera, is het blijkbaar minder gemakkelijk om groei, ontwikkeling, het vallen en opstaan, of het zoeken naar orde in chaos te beschrijven. Oh ja, de pers beschrijft maar al te graag de mislukkingen, de crisissen en de fouten, maar geeft niet thuis als er moet worden bericht over (kleine) stapjes vooruit.

Wat is informatie eigenlijk? Informatie is datgene, dat ons gedrag verandert, de rest is ruis. Alleen datgene dat ons motiveert om iets te doen of te laten, is informatie. De informatie uit televisie en krant geeft ons vooral een gevoel van machteloosheid. Is dat de bedoeling? En zo niet, waarom veranderen de makers van het nieuws dan hun attitude niet?

Wat ons motiveert tot handelen is het vermijden van pijn. Onze eigen pijn, niet de pijn van anderen, pijn waarmee we ons kunnen identificeren, niet de pijn van abstracte massa's ver weg. De pers zou over ver weg dus goed nieuws en successen moeten verhalen, en alleen slecht nieuws moeten brengen over die dingen die we ook kunnen beïnvloeden. Opvallend is, dat pers precies de omgekeerde normen hanteert, die kenmerkend zijn voor propagandadoeleinden: slecht nieuws over de boze wereld buiten ons gelukkig wereldje (den aan de lange rijen voor de winkels in de voormalige Oostbloklanden, maar niet de lange rijen voor de kassa's in onze onderbezette supermarkten) en goed nieuws over de wereld dichtbij: de economie gaat weer vooruit; enkele tienden van procenten beter dan in hetzelfde kwartaal van het vorige jaar!

De wereld, zoals die ons door krant en TV wordt voorgespiegeld, lijkt vooral afbraak, geweld, gruwelijkheden. Niemand, waar ook, durft nog de straat op en blijft daarom maar binnen, veilig bij het slechte nieuws van de krant en de TV, waar wordt bevestigd dat we beter binnen kunnen blijven. Stel dat we zouden proberen om iets op te bouwen, dan wordt het immers toch weer afgebroken, niet? Dus waarom zouden we nog?

Is het misschien informatie voor de nieuwsmakers, dat 85% van de mensen vraagt om meer hoopvol nieuws, en dat slechts 12% dat niet nodig vindt (enquête van Ikon-TV, in 1994)? Hoe gaan de nieuwsmakers hun gedrag veranderen op basis van dit nieuws? Of erkennen ze er de nieuwswaarde niet van? Of blijven ze liever eenzijdig slecht nieuws brengen en dus liegen en roddelen?

3.
Opgelet, niet alleen in de media of in wetenschappelijke kringen, maar ook in bedrijven heerst er een terreurregime. Manipulatie en controle van informatie en van mensen door de leiding zijn er de regel, samen met heel wat “window dressing” en het verspreiden van onjuiste gegevens, intern en extern. Management via angst en leugens.

Ik troost mezelf bij de gedachte dat zo’n situaties niet kunnen blijven duren. Medewerkers hebben dit door, worden er gedegouteerd van en verlaten de organisatie of raken gedemotiveerd, “klanten” haken af. Wat men krampachtig probeert te verbergen of verhullen, zal ooit wel aan het licht komen of uitlekken. Dergelijke organisaties zijn op termijn gedoemd om te verdwijnen. Want openheid, transparantie en ethiek zijn even essentiële voorwaarden voor blijvend succes als deskundige medewerkers. Ik hoop hardnekkig dat enkelingen (zonderlingen) voor klokkenluider zullen spelen en de vuile was (het gesjoemel dus) naar buiten zullen brengen. Wellicht droom ik. Want de angst regeert.

We leven in een tijd van “vijanddenken”. We leven ook in een tijd dat de leugen ontmaskerd dient te worden om een transformatie naar vrede op deze planeet te realiseren. Deze vrede wordt momenteel nog louter afgedwongen door middel van machtsvertoon en het wordt steeds evidenter dat dit de weg niet is.

Ken jij jezelf en kun je tegen jezelf zeggen hoe vaak per dag je een leugentje om eigen bestwil hanteert? Is het 10 keer of misschien wel 100 als je jezelf (nog) beter observeert? Wat zijn die leugentjes meer dan je uit benarde situaties redden en/of een individuele overlevingsdrift? Wat is een leugen? Je zult direct zeggen dat een leugen onwaarheid verkondigen is. En wat te denken van een halve waarheid? Is dat ook geen leugen? Indien een halve waarheid een leugen is, dan liegt iedereen dat het gedrukt staat! Want je moet het met mij eens zijn dat niemand de waarheid in pacht heeft. Toch moet ergens de waarheid te vinden zijn. Men zegt van de Bijbel dat het een waarheidsboek is, maar dan zou die waarheid vele gezichten hebben en minstens zo veel als er geloofsovertuigingen zijn!

Is “waar” een abstractie, waar niet aan te tornen valt? Ongetwijfeld ken je het verhaaltje over God, die zich een veilig plekje zocht tegen de boze mensenwereld. De diepste zeeën en de hoogste bergen waren niet veilig genoeg. Zelfs de maan en andere planeten zouden de mensen gaan onderzoeken. Zo besloot hij zich uiteindelijk te verbergen in de mens zelf, wetende dat onze ogen slechts van ons afzien. Hij verstopte zich in het diepe weten, dat door het denken zou worden uitgeschakeld. Hij noemde de mens voor wie hij zich verstopte, zijn rechterhand Lucifer. Lucifer wordt echter in één adem genoemd met de Duivel of Satan.

In de Kerk (plaats én instituut) waar mensen God vereren, die in ons diepe weten schuilt, noemen ze de Duivel de Tweedrachtzaaier. Wat is de mens met zijn denken in termen van goed of kwaad meer of minder dan deze tweedrachtzaaier? Is het toeval dat ik, zoekend naar de oorzaak van ons lijden, het denken als oorzaak vond en dat dit bij de mens zo uitgesproken is, omdat de brug tussen denken en weten is dichtgeslibd? Het is ook geen toeval dat wij niet meer bij dat weten kunnen komen en dus niet meer weten dat dit het veiligste plekje voor God is.

In de nalatenschappen van de Oude Wijsheid van weleer (ik spreek over zo’n 6000 jaar geleden) werd alles onderverdeeld in yin en yang. Het yin vertegenwoordigde het diepe weten en het yang het egocentrisch denken. Het yin was de perfectie en/of de waarheid, waaraan niet te tornen viel. Het yang vertegenwoordigde de imperfectie en/of het gekonkel met de waarheid. Wat is konkelen met de waarheid anders dan een leugentje om bestwil?

Het denken is een proces dat door de eeuwen heen een grote evolutie heeft doorgemaakt. Zonder direct in te gaan op het fenomeen dat dit van vader op zoon en van moeder op dochter werd overgedragen, betekent dit dat wij als mensen steeds meer groeiden naar de imperfectie en/of het konkelen met de waarheid. Dit betekent bovendien dat “weldenkers” uit deze samenleving meer liegen en/of konkelen met de waarheid dan minder “weldenkenden”. Met andere woorden: wij worden geregeerd en gecommandeerd door de grootste leugenaars, die de wereld rijk is. Dáár en dáár alleen ligt het immense probleem van deze wereld, die nu dreigt naar de donder te gaan.

Dat deze superleugenaars moeilijk te vangen zijn en hun straf sowieso ontlopen, komt door het feit dat zij spreken en handelen namens een papieren systeem, wat zij ons door verlakkerij en/of brainwash hebben afgedwongen. Met andere woorden: ze zijn niet alleen de grootste leugenaars, maar dragen zelfs geen verantwoording voor hun daden.

Deze mateloze censuur die leugenaars in hun onverantwoord handelen beschermt, is een doorn in veler ogen. Dat hier steeds meer oppositie tegen komt, is dan ook enkel toe te juichen. Maar laten wij één ding voor ogen blijven houden: als het erop aan komt, liegen we allemaal.

In de Bijbel staat: “Zij die oordelen zullen veroordeeld worden” en “Wie zonder zonden is, werpe de eerste steen.” Ook zegt de Bijbel: “Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt hem wel.” Maar tot die tijd is het wel de leugen die regeert! Zo waarheidsgetrouw mogelijk.

Tik het woord “leugen” in bij Google (iedereen kan tegenwoordig aan research doen dankzij Google!) en je stuit op een aantal aardige feiten.

Via de site van de Wereldomroep stuit je op een aardig artikel over “leugendeskundige” Aldert Vrij. Hij is hoofddocent aan de universiteit van Portsmouth (Engeland) en doet sinds 1988 onderzoek naar liegen. Hierover schreef hij het boek De psychologie van de leugenaar. “Engeltjes bestaan niet,” is zijn conclusie. “Iedereen liegt, zelfs mensen die bij hoog en laag volhouden dat ze niet liegen.” Iedereen liegt. Maar liefst twee keer per dag, blijkt uit zijn onderzoek. Alleen willen we het liever niet weten, want liegen doe je niet. Hoe zit het dan met die kleine leugentjes om bestwil, dat verdoezelen van de waarheid, het weglaten van feitjes of de werkelijkheid mooier maken dan ze is? Driekwart van alle onwaarheden bestaat uit dit soort “sociale leugens” en wordt geaccepteerd. “Het glijmiddel van onze maatschappij,” noemt leugendeskundige Aldert Vrij ze.

Vroeger kon je als persoon of bedrijf nog wegkomen met een leugen, maar de kans dat het nu uitkomt is veel groter geworden. De media zijn machtiger geworden en zitten, onder druk van de concurrentie, boven op het nieuws. Alles wordt uitgeplozen, want een primeur is handel geworden. Daarnaast is de consument/burger ook mondiger geworden, hij/zij opent gewoon even een protestsite en begint een emailactie. En ja, de media zorgen ervoor dat je het idee krijgt beter te zijn geïnformeerd.

De situatie is duidelijk: je kunt je als “merk” geen leugen meer veroorloven en de toekomst behoort aan eerlijke bedrijven die transparant opereren. Want niet de misdaad loont, maar de waarheid.

4.
“Het gaat beter met de wereld dan ze zeggen.”
Wetenschappelijke feiten tonen dit aan.

Voorbeelden.
- De lucht is in de loop van de tijd schoner geworden. Door het gebruik van aardgas in plaats van steenkool is de luchtvervuiling nog maar een fractie van in de jaren ‘70.
- Ook de hoeveelheid fijn stof in de lucht (nu regelmatig in het nieuws) is niet te vergelijken met vroeger. Een Britse onderzoeker heeft berekend dat we momenteel nog maar 1% fijn stof hebben t.o.v. vorige eeuwen. Ook weer omdat we geen steenkool meer stoken.
- We werken gemiddeld nog maar 17 uur per week! Honderd jaar geleden was dat nog 60 uur per week.
- De afgelopen eeuw is er 50% bos bijgekomen.

Dat klinkt inderdaad allemaal niet slecht! Waarom horen we deze feiten dan nooit? Simpel: slecht nieuws verkoopt, goed nieuws niet. Er zijn natuurlijk heel wat groepen en instanties die er baat bij hebben zoveel mogelijk slecht nieuws te verspreiden. Subsidies, budgetten, arbeidsplaatsen zijn in het geding en teveel goed nieuws is natuurlijk niet de bedoeling. Stel je voor dat mensen erachter komen dat je als “vereniging” geen bestaansrecht meer hebt!

“Bomen schaden het milieu.” De journalisten hadden een pakkende kop en de Groenen hadden een week werk om alles in het juiste perspectief te plaatsen. De onderzoeker die in het wetenschappelijke tijdschrift “Nature” dit had verklaard, repte zich om zijn uitspraak recht te zetten. “Ja, planten kunnen methaan (een broeikasgas) afgeven, maar het opname effect van C0² is 50 x sterker!” Bomen blijven dus goed voor het milieu. Dat is geen nieuws, maar wel de waarheid.

Volgens een publicatie in het wetenschappelijke tijdschrift “Nature” nemen bomen niet alleen C0² op, maar produceren ze ook methaan (CH4). Dat is een sterker broeikasgas dan C0². Dat kan misschien waar zijn, maar bossen leggen hoe dan ook C0² vast. Het kan dus betekenen dat we veeleer veel meer dan minder bossen moeten aanplanten.

Het aanplanten van bossen zou echter minder effectief zijn dan we dachten, maar we moeten de methaanproductie niet groter maken dat zij is. Dit onderzoek geeft een verklaring voor iets dat we vroeger niet begrepen: op satellietbeelden zien wij dat erboven de tropische regenwouden relatief veel methaan in de atmosfeer zit. De uitkomsten van dit onderzoek vormen het laatste puzzelstukje. Ze kunnen de voorspellingen van het klimaat minder onzeker maken. Het effect van methaan is echter beperkt. Het totale aandeel van methaan in het broeikaseffect is slechts 20%, drie keer minder dan het aandeel van C0². Bovendien gaat het bij de emissie van methaan door bossen om slechts 1/3de van de totale emissie van methaan.

Na de publicatie in “Nature” kwamen andere onderzoekers tot de conclusie dat het planten van bossen niet averechts werkt, maar wel dat het effect van aanplanten met ongeveer 10% wordt gedempt. Bosgebieden die volgens de oude berekeningen nog zorgden voor 10 miljoen ton minder broeikasgassen, zullen voortaan in de boeken worden opgegeven met 9 miljoen ton minder.

Die 10% moet je zien als een orde van grootte, die vooral afhankelijk is van het soort bossen. Het dempende effect van de productie van methaan zal in tropische bossen groter zijn dan in de bossen in noordelijke streken. Hoe dan ook, met de uitkomsten van dit onderzoek zal moeten worden rekening gehouden bij de onderhandelingen over klimaatbeleid op langere termijn. Andere maatregelen dan het aanplanten van bossen worden door dit onderzoek natuurlijk relatief aantrekkelijker.

Uiteraard moeten wij verder maatregelen nemen tegen het broeikaseffect. We moeten echter voorzichtig zijn met de inzet van bossen als maatregel tegen het broeikaseffect. Er zitten altijd risico’s bij het aanplanten van bossen als maatregel, want bossen kunnen ook weer gekapt worden.

Het Wereld Natuur Fonds (WNF) wijst erop dat volgens het “Nature” onderzoek de methaanproductie niet zó groot is, dat het de positieve werking van het vastleggen van C0² door bossen overtreft. Daarmee blijft de positieve werking van bossen op de hoeveelheid broeikasgassen onverminderd belangrijk. Anderzijds valt het klimaatprobleem niet op te lossen door alleen het aanplanten van bossen. De echte oplossing van het klimaatprobleem ligt in het investeren in schone energie.
Het totale aandeel van methaan in het broeikaseffect is slechts 20%

5.
De media schuwden na “Eleven September” de grote woorden niet: “Dit was een aanval op het hart van onze Westerse beschaving. Dit kon niet ongestraft blijven. We zouden terug slaan.” In heel het Westen maakten de media ons rijp voor de “Oorlog tegen de Terreur”. De politiek was zich bewust van het belang van de media. Ze schakelde overal waar het kon de media in voor hun eigen agenda's.

Een journalistieke wet wil dat de aandacht voor een ramp wordt bepaald door het aantal slachtoffers gedeeld door de afstand. Afstand is niet alleen de fysieke afstand tussen ons en de slachtoffers, maar ook de psychologische afstand. Het verlies van een naaste doet nu eenmaal meer pijn dan de dood van een onbekende in een ver land.
Die journalistieke wet plus de politieke lotsverbondenheid en culturele verwantschap tussen Europa en Amerika maakten dat "11 september 2001" op ons netvlies gegrift blijft. Die dag stortten drie gekaapte vliegtuigen zich op gebouwen in New York en Washington. De beelden van de instortende Twin Towers gingen “life” de wereld rond. Ondanks het feit dat we op CNN bijna geen dode New Yorker te zien kregen, leefden we van minuut tot minuut met de getroffen Amerikaanse stadsbewoners mee.

Laten we even een “evaluatie” maken van de “grote woorden-politiek”.
Elke dag sterven er wereldwijd naar schatting 36.000 kinderen door honger en ondervoeding. Elke dag worden bloedige maar vergeten (burger)oorlogen uitgevochten in landen zoals in Congo (onze ex-kolonie). In Centraal Afrika alleen al vielen de jongste jaren meer dan drie miljoen doden, maar voor hen laten we onze slaap niet. De TV brengt er nauwelijks beelden van. De Congolese “lijken” lijken ook zo ver van hier. Hun dood is voor onze beschaving geen enkele bedreiging. Naar Congo gaan we niet werken of zonnen en de moordenaars die ginder actief zijn, werken voor de lokale slachtmarkt.
Vraag is wie bepaalt voor welke gebeurtenissen de formule van de extranieuwsuitzending wordt toegepast?

Een ander voorbeeld is Vietnam. In de jaren ‘60 werd heftig gedemonstreerd tegen de Vietnamoorlog; de media bleven echter voorzichtig om het Witte Huis niet te shocken. De oorlog duurde wel jaren en vaak hoor je nu dat de Amerikanen de Vietnamoorlog op de tv verloren hebben. Dat zou hun geen tweede keer overkomen. Denk aan de eerste Golfoorlog. Dat was er al één van enorme censuur. Ook van de oorlog in Afghanistan kregen we nauwelijks iets te zien.

De terroristen die op "11 september" toesloegen, wisten echter maar al te goed hoe zij de Westerse media moesten bespelen. De aanslag werd live door CNN uitgezonden en de terroristen lieten de vijandelijke media opdraaien voor de kosten van hun mondiale propaganda. Bovendien maakten zij de Amerikanen belachelijk door hun aanslag te ensceneren als een panoramisch spektakel. Door 's morgens toe te slaan zorgden zij ook nog voor een dagvullend TV-prograrnma.

De standpunten van de vredesbeweging(en) moest je in het begin zoeken op Internet of in “Solidair” (links weekblad). Toegegeven dat later ook “De Morgen” op de voorpagina erop wees dat de “vredelievende” standpunten in de media niet aan bod kwamen. Of toch té weinig. “De Morgen” had het wel over de Amerikaanse vredesbeweging.
Het viel overigens ook op hoeveel buitenlandse kopij er in onze kranten kwam, waardoor wij een buitenlandse bril opgezet kregen.

Wat is goed verkopend nieuws? Het belangrijkste criterium is dat de klant het nieuws weet te waarderen. Met als gevolg dat bestaande gevoelens van onbegrip jegens andere bevolkingsgroepen extra in de verf worden gezet. Of niet soms?
We worden ook overstelpt met “goed verkopende” berichten en programma’s over biologische en chemische wapens. Werd jaren geleden al niet het kapen van vliegtuigen in de hand gewerkt door de sensatieberichtgeving erover? Daardoor konden kapers zich wereldwijd in het nieuws werken. Vliegtuigkapers voerden via de TV “raids” uit op ons bewustzijn. De zelfmoordpiloten van "11 september" deden net hetzelfde. De terroristen weten sinds Vietnam dat je de televisie nodig hebt, als je de hele Westerse beschaving wilt raken.

De media hebben na de aanslagen van "11 september" de oorlogslogica even hard ondersteund als de militairen. Ze lieten allemaal dezelfde klok horen: de aanslagen waren een aanval op het Vrije Westen en dus moest het hele Vrije Westen terugslaan.

Vermits de kijkcijfers de reclame inkomsten bepalen wordt “spannend nieuws” (over oorlog, terreur en andere rampen) haast levensnoodzakelijk voor commerciële omroepen die zich in nieuwsvoorziening specialiseren. CNN bloeide op dankzij terreur en oorlog. Zou de zender er dan niet alles aan doen om de oorlogstoestand zo lang mogelijk te rekken?
En er is niet enkel CNN. Over heel de wereld namen omroepen elementen van CNN over. Zelfs regionale zenders spiegelden zich aan de omroep.
Ook het (gecommercialiseerde) Arabische Al Jazeera is in hetzelfde bedje ziek als CNN. Al Jazeera haalt heel controversiële figuren (fundamentalisten, oorlogsstokers... ) in de studio.

Conclusies.
1. Een eerste conclusie is dat kritische stemmen het vooral meteen na de aanslagen moeilijk hebben in de media. Door de overkill aan emotionaliteit wordt de rationele dwarsliggerij buitenspel gezet (niet in vredestijd).
2. Nu er steeds meer berichten uit de V.S. en Groot Brittannië komen over hoe de autoriteiten journalisten tegenwerken, is het ook bij ons oppassen voor nieuwe vormen van censuur.
3. In de geschreven pers ontstaat er nauwelijks enig debat over de rol die de media spelen. Dat een debat niet op gang komt de avond zelf, is normaal. Een wetenschapper moet afstand nemen. Maar na pakweg een maand moet hij/zij toch in de mot hebben wat er gaande is en zijn/haar stem laten horen. Waarom gebeurt dit zo weinig?
4. Ook op de Vlaamse televisie is er ook nauwelijks kritiek zicht of hoorbaar over het eigen reilen en zeilen. Daar waar zo’n kritiek nochtans perfect kan. Op de Waalse TV loopt er wel een programma waarin kijkers hun klachten over de omroep kunnen uiten.
5. Door hun oorlogszuchtige taal hebben de media de stemming onder de bevolking mee doen evolueren naar een opstelling “pro” Amerikaanse “vergeldingsaanvallen”. In plaats van een genuanceerder beeld op te hangen.
6. Opmerkelijk is ook dat de media die zogezegd de “publieke opinie” volgen, die publieke opinie niet volgen in haar angst voor nieuwe aanvallen van terroristen als gevolg van het militaire optreden van het Westen.
7. Ik stel vast dat ondanks de berichten dat de “strijd tegen de terreur” geen strijd tegen “de islam” is, de Vlaamse media door hun fixatie op “moslimterroristen”, de angst voor en de haat tegen al wat met de islam te maken heeft, in de hand werken.
8. Tenslotte wil ik opmerken dat de media door hun zucht naar kijk en leescijfers en dus naar sensatie, het binnenlands terrorisme stimuleren.

Wie troost zoekt, kan naar de eerste helft van de vorige eeuw kijken. Met twee wereldoorlogen en een holocaust behoort die tijd tot de donkerste periodes uit de geschiedenis. Maar nadien volgde (in het Westen toch) een lange periode van vrede.
Niemand kan de toekomst voorspellen. Hoe die zich ontwikkelt, zal altijd een kwestie van mensenwerk zijn. Belangrijk daarbij is het verenigingsleven, met al de varianten aan vrijwilligerschap die het bevat. Dat verenigingsleven is voedingsbodem én oplossing voor de verzuring van de samenleving.
De vraag die ik mij stel is: “Kunnen wij in Vlaanderen niet een soort van Bond Beter Mediagebruik oprichten?”
Daar het TV-kijken een passieve gelegenheid is waar je moeilijk mensen actief kunt rond verenigen, zou de BBM veeleer een “ontmoetingsforum” moeten zijn, zoals de Bond Beter Leefmilieu voor de milieubewegingen.

Thierry Deleu