Redactie: Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Thierry Deleu (eindredactie), Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Jan Van Loy, Dirk Vekemans

Stichtingsdatum: 1 februari 2007


"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"

"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.

31 mei 2010

Liefdesgedichten Thierry Deleu



Ik leg het oor


Ik leg het oor op haar buik
en laat er rauwe bloemen achter,
eerst sneeuwklokjes, dan anemonen,
speenkruid en klaverzuring.

Haar buik een nest jonge eenden
peddelend in het dikke water.
Ik druk mijn stethoscoop tussen
de sleutelbloemen en viooltjes.

In haar heupen voel ik vogel
en vleugels beven als een riet.
Tussen haar oevers slijm is het
water dat zich traag beweegt.




Avontuur


In ‘t welig kruid van je huid ik
strijk neer en fluit van zotte vreugd
het lied van onze zondeval.
Een specht speelt solo op je dij.

En als water kirren duiven
onder de bloesems van je gezicht.
De knoppen van je borsten gloeien,
als je openbloeit een explosie

zo snel in de palm van mijn hand.
Een avontuur in jou te klimmen,
vol van zang en dol van zinnen,

maar als in hout letters kerven,
die je ook later ziet, kan ik niet.
Morgen fluit ik licht een ander lied.




Aan het water


De kleur van gras ben ik vergeten.
Zij kent de geur van hooi, de smaak
van water, het waaien van het riet.
Zij rekt zich uit als een konijn,

belust op 't zwoele minnespelen.
Ik vlij mij neer op 't slanke dier,
dat wuft en warm mij drijft naar
't wassend wier waarin mijn vinger sluit.

Aan de dode arm van de rivier
spreidt zij onbeschroomd gedwee
de twee verhalen van haar benen.
En de zon leest zich de ogen uit.




Wepele meeuw


Ik leg mijn oor in het zand en hoor
de zee zo-even aanstoot gevend.
De wind ontwaakt en gaat liggen
onachtzaam op zijn andere zij.

Met ringen van wier om de enkels,
zij voert de zee aan in mijn hemd,
in haar hand een wepele meeuw.
Zacht sluit haar mond mijn woorden af.

Ik proef het zout op haar lippen,
voel de storm groeien in mijn buik.
Heerlijk de liefde bedrijvend
als de zee aan haar lichaam kleeft.


 

In het duin


Met de veroveraarblik van
een kind op zijn hobbelpaard
maak ik jacht op de vlinder
tussen haar lippen gespeet

zijn vleugels beven als riet
als ik haar traag bevinger
stil en van goeden huize
verzwijg ik wat niet eerbaar is.

In het duin proeven wij na
van knappend brood kaas en wijn
als verfijnde dieren hebben
wij ons uit het zicht gelegd.




Een zomer in de Moeren


Een zomer in de Moeren
aan de bocht van Cabourg
tussen broek en schote
land van koolzaad en rapen

zij vlijt zich neer prooi
lenig dier dat half opgericht
mij zoent in tegenlicht
onder navel en lenden.

Ik verstijf tot pagode
op deze binnenduin
stokebrand geuzenstorm
Seinemolen zonder wieken.

Als zij openwaait delta
van genot moeras onderkomen
voel ik het koolwitje
beven in haar heup.


Thierry Deleu


Enge mensen van Martin Wings
naar vorm en inhoud kort ingeblikt. Zijn handpalmverhalen en korte vertellingen wettigen ons vertrouwen in werk van grotere omvang!


Martin Wings is geboren op 11 maart 1949 ter Brunssum. Sinds 1972 woont hij in Heerlen-Hoensbroek. Hij was resp. administratief medewerker, salarisadministrateur, leraar, zelfstandig ondernemer. Hij publiceert in literaire tijdschriften en online magazines. Hij zou “de meest vrouwonvriendelijke schrijver van Nederland zijn”. Is dit een compliment? Oordeel zelf!

Onlangs schreef ik een recensie over de nieuwe gedichtenbundel van Martin Wings, Alleen voor liefhebbers. Ik sloot af met de opmerking: “Martin Wings schrijft over dagdagelijkse ervaringen die hij een soort dieptedimensie geeft.”
Dit kan ook worden gezegd van zijn verhalen in Enge Mensen.

Toch wil ik eerst het genre dat hij hier beoefent, een naam geven. De dingen benoemen maakt het voor iedereen gemakkelijker.
Zijn het “Korte Verhalen”? 10 à 20 bladzijden, echte toppers (qua lengte) soms 30 bladzijden. “Korte Korte Verhalen”? Ben je dan nog geneigd om in het verhaal te duiken en/of een andere wereld op te roepen?
Het kortverhaal bestaat uit functionele prozateksten; het kwam vanaf de 19de eeuw tot bloei. Het aan elkaar vertellen van verhalen en anekdotes. Het moderne genre begint meestal midden in de handeling (“in medias res”) en stelt één personage en één gebeurtenis centraal, die licht werpt op het karakter of het leven van dit personage.
Schrijft Martin Wings handpalmverhalen? Ook. Hij schrijft echter meestal meer dan één bladzijde.
Wings kiest meestal voor het zkv of het zeer korte verhaal.

In 1987 lanceerde het Vlaams-literair tijdschrift “Gierik” (Antwerpen) het genre “Handpalmverhaal” met een “Handpalmwedstrijd”. De maximale lengte bedroeg 1001 lettertekens. Handpalmverhalen zijn een vinding van de Japanse Nobelprijswinnaar Yasumari Kawabata. Hij schreef ze voor Japanse tijdschriften.
Het opzet vereiste per definitie een uiterst literaire concentratie. Het literaire niveau van de inzendingen vertoonde alle schakeringen tussen het schoolopstel, het maakwerk en het kunstwerk. Kort genoeg voor de palm van je hand.

Ook in zijn gedichtenbundel Alleen voor liefhebbers kiest Wings voor één woord, één blik. Hij probeert zo compact mogelijk zijn gevoelens in dichtvorm te verwoorden.

Verhalen zijn de snoepjes in de literatuur. Je moet niet veel tijd maken om ze te lezen, je kunt ze overal lezen, in bad, bij de dokter, op de trein.
Hier moet ik aan denken als ik Enge Mensen van Martin Wings in mijn handen houd. Hij schrijft ultrakorte verhalen over enge mensen. Hij wil met hen niets te maken hebben. De pest is echter dat je niet om enge mensen heen kunt, ze zijn er nu eenmaal.
Vraag is: “Zijn de verhalen van Martin Wings literatuur? Overstijgen zij de banale vertelling? Zijn ze meer dan columns?” Dit wil ik onderzoeken.

Zeker is dat Martin Wings met zijn kortverhalen/ handpalmverhalen gedurfd zijn nek uitsteekt, want het korte (lees: ultrakorte) verhaal wordt nog altijd een beetje stiefmoederlijk behandeld. Een kort verhaal lijkt nog altijd een ondergeschoven kindje. In onze” contreien is het huilen met de pet op, zeker in Vlaanderen. Voor Wings is “writing short stories a joy”. En ik moet toegeven dat na een eerste lezing ik mij verplicht voel te schrijven dat hij het op een beslagen wijze kan.

Bij (ultra)korte verhalen gelden deels andere regels. Een roman heeft ruimte om gedegen aan karakterschets te doen, een kort verhaal stelt grenzen aan deze mogelijkheden. Wings maakt echter goed gebruik van de weinige ruimte. Of moet ik aan mijn vermoeden lucht geven dat hij in het korte verhaal zijn eigen beperktheid verdoezelt? De karakters krijgen geen kleur, ook de situatie- en sfeerbeschrijving is weinig uitgewerkt. Eén ding moet je hem wel aangeven: hij creëert spanning, hij maakt je kortademig, helaas resulteert dit niet altijd in een verrassende plot.

Hij schrijft vlot, ontvouwt een sober taalgebruik, in enkele van zijn verhalen is progressie duidelijk.
Een kortverhaal is dikwijls het begin van een prozaschrijver die uittest hoe lang hij zijn adem kan ophouden. Van kort verhaal naar roman, een logische stap? Is een kortverhaal de creatie van iemand die op weg is naar een lang(er) verhaal, dé roman? Heeft een kortverhaal korte beentjes? Moet iemand die een roman wil schrijven, eerst leren lopen?

Martin Wings kent het antwoord op vele van deze vragen. Ik stel vast dat hij erin slaagt zijn persoonlijke wereld te vatten in beelden. En hij doet dit soms al eens oppervlakkig, maar normaliter houdt hij zijn personages en de situaties overeind door emoties, twijfels en vragen die universeel zijn.

Zijn verhalen missen echter een lange adem, hij krijgt weinig greep op de grote wereld. Zijn specifieke woordkeuze, zijn ironische humor, de specifieke omgeving maken veel goed. Bedoel ik dat de schrijver zelf een beetje eng is? Doet hij mee, staat hij aan de kant, bekijkt hij de engerds? Bestaat het boek dan alleen uit kommer en kwel? Gelukkig niet! Er wordt ook gelachen, maar niet te lang en vooral niet te hard.

Wings is op zoek naar zin, schrijven is voor hem een therapie. Hij werkt graag met levensverhalen, kort en op een ongebruikelijke manier. Niet door veel te praten over het verleden, maar door het heden op te roepen via een veelheid aan korte verhalen die in handbereik van iedereen zijn. Zijn handpalmverhalen zijn als vingeroefeningen, korte aanzetten voor groter prozawerk, bv. een roman.
De auteur (de verteller) wil nog niet kiezen uit het aanbod aan thema’s, aan situaties, aan personages, aan decorum, hij blikt in weinig blik veel in, hij biedt een mix aan, alsof hij de lezer zelf wil laten kiezen. Een keuze maken met z’n tweeën, de schrijver en de lezer. Samen de uitdaging aangaan voor een werk van lange adem. Een kort verhaal van Stephen King heeft vaak iets van de 120 pagina's. Denk aan Apt Pupil en The Shawshank Redemption. Denk aan een novelle. Een fictionele prozatekst tussen de roman en het korte verhaal. Een eenvoudige structuur en een klein aantal personages over een bijzondere gebeurtenis.

Martin Wings hoeft deze keuze niet langer uit te stellen: hij heeft métier, beschrijvend vermogen en inleving.


Thierry Deleu

Martin Wings, Enge Mensen, formaat 13,5 bij 21,5 cm, 141 blz., paperback, ISBN 978-90-8666-111-4, 12,50 €

Aankondiging

herziene uitgave
PARCHMENT / TESTAMENT

Engelse dichtbundel van Joris Iven
vertaald door John Irons.
Brieven in gedichten, over liefde, verlies, verhalen, steden, ontmoetingen

Paperback, 72 pages
Price: €14.00
Ships in 3-5 business days

WEBSITE BOEK
www.lulu.com/content/2596122
http://www.lulu.com/product/paperback/parchment-testament/11068497

Joris Iven (°1954, Belgium) poet and translator, has published several volumes of poetry: Gallery The Yew (1987), Egyptian Black (1993), Split us (1994), Parchment/Testament (2001),  (2005). He has translated poetry of the Turkish poet Nazîm Hikmet, the Moroccan poets Abdellatif Laâbi and Tahar Ben Jelloun, the Indian poetess Sujata Bhatt, the American poets Raymond Carver, Tess Gallagher, Charles Simic, and many others. All poems by JORIS IVEN, in this poetry collection, are translated from Dutch into English by JOHN IRONS (Denmark).

ISBN 978-1-4452-9956-3
Copyright Joris Iven and John Irons (Standard Copyright License)
Edition Publisher Demer Press
Published May 29, 2010

Met vriendelijke groeten,

Demer Uitgeverij, Demer Press (Belgium)
Hannie Rouweler
info@demerpress.be
http://www.demerpress.be/
De kunstenaar


 
je maakte me deelgenoot
door je schrijven
onverwacht

kwam ik en zag
alsof in het zien
ik jou begluurde

hoe je hand
de lijnen
van je gedachten volgden

gevormd
in de diepe kracht
van je zijn

was ik jouw genodigde
even, in de stille ruimte
schoorvoetend

begrijpend
dat ik getuige werd
van het onvermoede

stil ga ik terug
naar de plaats
van mijn bestaan


Monique Verplancke



29 mei 2010

Vlaamse Vereniging
voor Familiekunde
afdeling Westkust vzw
Ondernemingsnummer: 080S 410 470


’t ZIT IN DE FAMILIE…
De voorouders van 350 burgemeesters van 28 voormalige gemeenten in het arrondissement Veurne 1830-2010


met genoegen nodigt de Vlaamse Vereniging voor Familiekunde afdeling Westkust vzw u uit op de voorstelling van het boek

't zit in de familie ... de voorouders van 350 burgemeesters van 28 voormalige gemeenten in het arrondissement Veurne (1830-2010)

zondag 6 juni 2010 om 11 u
in de Abtskapel van CC Abdijhoeve Ten Bogaerde
Ten Bogaerdelaan 12 te 8670 Koksijde

verwelkoming door Joeri Stekelorum
voorzitter VVF Westkust

toelichting bij de publicatie door Jan Van Acker historicus

aansluitend wordt u uitgenodigd op de receptie aangeboden door VVF Westkust

Deze unieke uitgave van 592 blz. is bij voorintekening en de dag zelf te verkrijgen aan 39 euro (nadien 42 euro), te storten op rek. nr. 979-6222864-28 van WF Westkust, p/a Proostdijkstraat I, 8630 Veurne

28 mei 2010

KUNSTGALERIJ MENS & NATUUR

MAENHOUTSTRAAT 75A SINT-MARTENS-LATEM

ELS VERMANDERE en RENAAT SIJOEN
Expositie ECHO

TENTOONSTELLING loopt nog tot en met 6 JUNI 2010
OPENINGSUREN: donderdag- , vrijdag- , zaterdag- en zondagnamiddag 14:00 – 18:00
en op afspraak ( 0496 80 57 99 - Arnold Eloy - arnold.eloy@skynet.be )

MEER INFO: http://www.mens-en-natuur.com/

ECHO
“Sommige gebeurtenissen laten een echo achter, zinderen nog lang na, misschien zelfs generaties ver. Weerspiegelen wij geen echo’s in deze eeuwenoude steen?...”

Els VERMANDERE
Zo’n twintig jaar geleden vond ik in de kelder van mijn studentenflat in Noorwegen, bij het afval, een grote rol tekenpapier. Ik sleurde die mee naar mijn kamer, scheurde er een groot vel van, en spijkerde het aan de muur. Ik nam een potlood, en begon toen, voor het eerst, aarzelend, voorzichtig zoekend te tekenen. Een hele wereld ging voor me open. Een wereld die me adem gaf en me voedde, waarnaar ik nog altijd weer hunker, die ik steeds opnieuw moet scheppen.
Het is de wereld waarin ik thuis hoor, en die ik ken vanuit het warme nest waarin ik ben opgegroeid. Mijn creatieve ouders, Willem en Chris, gaven het ons mee: het onstilbare verlangen om onze wereld te creëren in tekeningen, beelden, poëzie en muziek.

http://www.elsvermandere.be/

Renaat SIJOEN
Recent begonnen met het houwen van beelden in natuursteen maar al mijn hele leven met vorm en beweging bezig. Na een zoektocht van 30 jaar in boeken en talen en reizen en tevens geen antwoorden te hebben gevonden, kwam vanuit het niets, vanuit het ‘loslaten’ de impuls om me in steen uit te drukken. Moe van woorden, gepassioneerd door steen en zijn mogelijke vormen wierp ik mij volledig op deze kunstvorm. Mijn beelden ontstaan door een stille communicatie tussen mijzelf en de steen. Soms kijk ik uren naar de steen, het hoeft in geen enkele mate bedacht te worden. In feite is die ruwe steen op zich al perfect. Een steen die net uit de steengroeve komt bezit reeds alle karakter die zijn persoonlijkheid en vorm accommodeert… Wat ik doe zijn de lijnen van zijn persoonlijkheid/vorm versterken, zijn uitstraling benadrukken. Na enige tijd van voelen ontstaat er een wisselwerking en komt de vorm ‘vrij’.

http://www.renaatsijoen.be/

27 mei 2010

KunstDoel vzw presenteert


Onder vuur
aRtivistische optredens - DOELgericht voor MensenrechtenLIGA

vrijdag 2 juli, 20 uur
Inkom 2€ t.v.v. de Liga

Spreker Vlaamse Liga voor Mensenrechten
* Optredens: Mark Meekers - Peter Holvoet Hansen - Paul Vincent - Dianne Nuyts - Bert Bevers - Frank De Vos
* Onthulling aRtivistisch Manifest
* Muzikale intermezzo's: Hans Gooris, dwarsfluit, en Lisa Geets, altblokfluit
Frank De Vos zingt Quirilian

Presentatie: Dianne Nuyts

Vrijzinnig Ontmoetingscentrum (VOC),
Karel Cuypershuis, Lange Leemstraat 57, Antwerpen
Deuren om 19u30

26 mei 2010


Tussen schaduw en schittering


een uitgave van Demer Uitgeverij
Nieuwe gedichten van Marleen De Smet


Voorziene publicatiedatum: augustus/september 2010.
Eyskens, Minister van Staat:
"Marleen beseft ten volle dat poëzie nooit af is en dat de poëzielezer verondersteld is het gedicht ‘mee te maken’, in de dubbele betekenis die dit werkwoord in het Nederlands heeft. Aldus ontstaat een creatieve intimiteit tussen de dichter en de poëzieminnaar. De bundel Tussen schaduw en schittering getuigt van een uitzonderlijke fijngevoeligheid. …"

Fragment van Thierry Deleu (uit het nawoord)
“Marleen De Smet slaagt erin om het heel persoonlijke toch in universele gedichten te verwerken. Door middel van taal schept zij een eigen universum, waarin je (bijna moeiteloos) kunt doordringen tot onbekende gebieden, die verrassen. Woorden zijn de handvatten die toegang geven tot een niet-eindigend leven. Haar poëzie is zo rijk aan beelden, vergelijkingen dat je spontaan bij de gedachte komt dat de dichter een picturale geest heeft. Schrijven is eigenlijk het lezen van beelden, die voortdurend om je heen veranderen. Van deze overweging zijn de gedichten in Tussen schaduw en schittering een bijzonder geslaagd voorbeeld.”

De afbeelding op de cover is een ontwerp van Rudy Baeten.
Er zijn twee uitvoeringen:
Hardcover, 48 pages - €18.00 (exlusief verzendingskosten)
Paperback, 48 pages - €12.95 (exclusief verzendingskosten)

U kunt tot half mei een exemplaar reserveren via een mailtje naar desmet.marleen@telenet.be
Daarna dient u de bundels te bestellen via:
www.lulu.com/content/8453383

* voor de uitvoering paperback - formaat: 19 x 19 cm, gebonden uitgave.
Boekprijs via website: €12,95 (exlusief verzendingskosten)
Tevens leverbaar via Demer Uitgeverij.

* De uitgave is ook als hardcover verkrijgbaar, uitsluitend via onderstaande website en niet via Demer Uitgeverij:
www.lulu.com/content/8283963
voor de uitvoering hardcover - formaat: 20 x 27 cm

Indien u belangstelling heeft, kunt u deze uitgave rechtstreeks bestellen, waarover hieronder info:
1. Inloggen als nieuwe klant bij Lulu en uw adresgegevens invullen.
2. Betalingsmogelijkheid: credit card, visa card - deze gegevens invullen.
3. U gaat naar bovenstaande website in uw browser en de boekgegevens verschijnen en klikt op “bestellen” of “add to cart” (in het Engels).
4. Vervolgens wordt het boek en de prijs vermeld op uw scherm en ziet u factuurgegevens.
5. Verdere aanwijzingen wijzen zichzelf uit (u ziet links bovenaan scherm uw adres vermeld, waar het boek naartoe moet).
6. Verzendingsmogelijkheden, of “shipping”, vanuit de drukkerij van Lulu in Londen.
7. U kiest voor “mail” - de goedkoopste verzending, per post (kan 4 tot 6 wkn duren, voordat u het boek per gewone post thuis bezorgd krijgt).
8. U kiest voor “ground”, iets duurdere verzending, koerier die het boek aan huis bezorgt, binnen ± 2 of 3 weken.

De uitvoering paperback daarentegen (gebonden uitgave 19 x19) kunt u bestellen bij Demer Uitgeverij
info@demerpress.be
of
hannierouweler@telenet.be
€15 (incl. verzendkosten)

25 mei 2010

Size Does Not Matter


Some of us a large, too big to get around
The heart may suffer greatly, that’s what doctors found
Yet that should not deter, the need to get outside
Yes, out you get and exercise, do not stay inside.

I look too fat in shorts so swim is what I’ll do
Then my figure hides and stays right out of view.
But swimming can get boring, I need another skill
Ah yes, I know what I will do, I know what fits the bill.

Ah this is just the ticket. I’m afloat and on my way
I’ve never been so happy, as I am this sunny day.
So if I pass you by, as you sail in your sail boat
I am a rare sight so please do take note!

Miller Caldwell
(Dumfries, GB/Scotland)

UNTIED LACES
Miller's Autobiography Published
Order Your copy now!
SOCIETY of AUTHORS

24 mei 2010

Belle Epoque


Hippodroomwijk… Oostende
prachtige belle-époque woningen
te bewonderen
jaarlijks herleeft de tijd van toen

heren in pitteleer met hoge hoed
begeleiden hoffelijk de in lange jurken
getooide dames, kunstige kapsels
onder de parasol

authentieke sjampetters
evenwichtige fietsers op een bicyclette
magnifieke oldtimers
orgeldraaier, caroussel

‘belle epoque bar’ heden absint
Eric die net als Pessoa porto lust
bracht een toast op Baudelaire,
Verlaine en Rimbaud

de geur van anijs
groenkleurig in de zon
klinkend op poëten
zin om te schrijven

een versgevangen visje
gebakken terwijl je wacht
groeten naar vrienden
Marleen en haar hond

kuierend langs brocante
boeken gekocht
hebbedingetjes spotgoedkoop
onweerstaanbaar

een dag om in te kaderen

Suzanita
opgedragen aan Marleen en Eric

23 mei 2010

Lexicon van West-Vlaamse Schrijvers

Begin mei verscheen deel 3 van het
Lexicon van West-Vlaamse schrijvers



In dit lexicon - dat in totaal uit zes delen zal bestaan - worden alle levende en overleden auteurs uit de provincie West-Vlaanderen gepresenteerd.
Hoofse zangers en rederijkers staan naast eigentijdse romanciers, dichters, jeugdauteurs en schrijvers van kinderboeken.
Ook volkskundigen, historici, wetenschappers, filosofen, heemkundigen, politici en figuren uit de show- en mediawereld komen aan bod.
In totaal zullen meer dan 3.500 schrijverslemma's in het lexicon verschijnen.

In deel 3 staan zo'n 625 lemma's.
Het boek telt 152 pagina's en bevat 50 schrijversfoto's.
ISBN 9789072390325
De bijdragen zijn geschreven door 12 medewerkers.
Koen D'haene is hoofdredacteur, Renaat Ramon vormgever.
Het lexicon is een uitgave van VWS met de steun van het Provinciebestuur West-Vlaanderen.

Elk deel van het lexicon kost 18 euro.
De boeken kunnen besteld worden bij:
VWS-Lexicon
p/a Marcel Vanslemboruck
Weidestraat 11
8820 Torhout
marcel.vanslembrouck@scarlet.be
http://www.vwscahiers.be/

Verhalenbundel bij Demer Uitgeverij!

15 Beroemde CHAGGA VERHALEN / 15 Famous CHAGGA STORIES - TANZANIA
(rondom de berg Kilimanjaro, Tanzania)

Onlangs verscheen bij Demer Uitgeverij een bijzonder mooie en leuke verhalenbundel met 15 Chagga verhalen.

Ik wil u graag nog eens opnieuw de aandacht vragen voor deze mooie bundel.
Tweetalig: Nederlands en Engels.

De verhalen zijn opgeschreven door O. Mtuweta H. Tesha (vm ambassadeur Tanzania in o.a. India, Maleisië, Singapore, Indonesië, Nepal) vertaald, vanuit het Engels, door zijn kleindochter Melissa Yvonne Tesha, 15 jaar oud, die in Rotterdam woont.

Redactie vertalingen: Hannie Rouweler

Deze uitgave is uitsluitend rechtstreeks via deze website te bestellen:
http://www.lulu.com/content/7647756
(verzendkosten vanuit de drukkerij, Londen, ± euro 6)

Fragment uit een verhaal:
Kutoliye begon met één enkele koe die zijn vader hem gaf als erfenis, met een gebed dat zij moge groeien en vermenigvuldigen. Zijn vrouw gaf een overvloed van veevoeder aan het dier zodat ze snel en groot groeide– shima nyi kimndo. Tijd ging voorbij, met Kutoliye en zijn vrouw die een kudde van verscheidene vee opbouwde die op de originele koe was gebaseerd. Zijn welvaart was zo echt dat zijn vriend Myamu hem om een koe op lening vroeg. Dit was een reeds lang gevestigde traditie waarbij de ontvanger het dier als zijnde van hemzelf behandelt. De eerste nakomelingen - iwache lyesauwo zouden naar Kutoliye gaan, de tweede naar Myamu terwijl de derde met de verouderende koe aan de eigenaar, Kutoliye zou worden teruggegeven. Dit systeem om koeien op huur te lenen – iare umbe maakt het voor elke volwassene mogelijk om wat vee te houden en te bezitten.

Kutoyile began with a single cow which his father gave him for his inheritance, with a prayer that she may increase and multiply. His wife gave plenty of fodder to the animal so that she grew fast and big – shima nyi kimndo. Time passed, with Kutoyile and his wife building a herd of several cattle based on the original cow. His prosperity was so real that his friend Myamu asked him for a cow on loan. This was a well-established tradition whereby the receiver takes care of the animal as his own. The first offspring – iwache lyesauwo would go to Kutoyile, the second to Myamu while the third would be given back with the aging cow to the owner, Kutoyile. This system of giving out cows on hire – iare umbe makes it possible for every adult to keep and possess some cattle.

Met vriendelijke groeten,

Hannie Rouweler
Demer Uitgeverij, E Publisher
Website Demer Uitgeverij/Demer Press:
http://www.demerpress.be/

UITNODIGING

Op vrijdag 21 mei 2010 om 20 uur organiseert het Artiestencollectief Kunsthuis XIII te Aalst een poëzieavond.
Poëzie wordt er voorgedragen door leden en vrienden van Kunstkring DE BLAUWE ENGEL:

Vincent Bio (Antwerpen)
Karin Dée (Mechelen)
Erika De Stercke (Gent)
Kerima Ellouise (Leopoldsburg)
Gust Moens (Hombeek)
Maarten Peeters (tisselt)
Virginie Platteau (Mechelen)
Lucie Putzeys (Maldegem)
Theo H. A. Slachmuylders (Hombeek)
Ann Van Dessel (Wespelaar)
Guy Van Hoof (Antwerpen)
Eddy Verbinnen (Schriek)
Hilde Vlyminck (Ninove)

Bedrijvige Demer Uitgeverij!


Demer Uitgeverij heeft het grote genoegen een bijzonder mooie full colour uitgave aan te kondigen: Van binnen uit verlicht.


In deze editie werden van Mark Meekers, Xtine Mässer, Roger Nupie, Willie Cools, Guy Commerman en Hannie Rouweler zowel 2 gedichten als 2 afbeeldingen van hun beeldend werk opgenomen.

Van binnen uit verlicht

Samenstellers: Roger Nupie & Hannie Rouweler

Deze uitgave is verkrijgbaar in hardcover én gebonden pocket uitgave.
De uitgave is als hardcover, formaat 20 x 27 cm , nu al rechtstreeks te bestellen via:
www.lulu.com/content/8191146
Prijs: 20 euro. Verzendkosten vanuit Londen ± 7 euro.

Indien u bij de uitgever wenst te bestellen, dan graag vooraf bericht, vanwege de beperkte voorraad van de hardcover editie.
1 exemplaar (incl. verzendkosten): 22,50 euro
2 exemplaren (incl. verzendkosten): 45 euro
Levertijd hardcover: juli / augustus a.s.

Vanaf juli/augustus is eveneens rechtstreeks ter beschikking bij de uitgever een gebonden pocket editie:
www.lulu.com/content/8829780
Prijs: 17 euro. Verzendkosten vanuit Londen: 6 euro.

Bestellingen via Demer Uitgeverij:
1 exemplaar (incl. verzendkosten): 19 euro
2 exemplaren (incl. verzendkosten): 36 euro

Nieuwsbrief Demer Uitgeverij

Hallo dichter, dichteres,

Wellicht vind je het leuk te weten, dat bundels (waar gedichten van jou in staan, of een essay van Thierry DELEU) verzonden zijn naar Roemenie.
Daar woont al jarenlang (in SIBIU) een Belgische vriend van Joris Iven en mij, vm hoogleraar Frans a/d Univ. v. Sibiu, inmiddels gepensioneerd.
Hij vroeg om uitsluitend Franse teksten (bundels) van Joris en mij, i.v.m. mogelijke vertalingen (in het Roemeens).

Daarnaast stuurde ik hem enkele boeken van Demer Uitgeverij:
Saturnus boven de Schelde
Hond en Kat en andere beestjes
Dichters dromen lucide (essays Thierry Deleu)

Ik breng je maar op de hoogte!
Induien hij iets hieruit zou willen vertalen in het Roemeens, laat ik je dat zeker weten.

Hartelijke groet,
Hannie Rouweler,
uitgeefster

Verlaten coulissen


zou je ooit vergeten
de stille woorden
die ik tegen jou zei

verscholen
tussen zinnen
van ongekunstelde rijm
trillend gespannen
vioolspelend

zou je ooit vergeten
de stille woorden
die jij tegen me zei

van hoopvolle noten
steeds aanwezig
in de partituur
van luisterend zijn

verlaten coulissen
van pijn
jouw afwezigheid

© 2010 Monique Verplancke

13 mei 2010


ZACHT

voor Ginette


Zachtheid die zoveel woorden vergt
zo teder zij mijn wonden zalft
haar naakte hand satijn breekbaar
elk gebaar

wat zij aanraakt dauw gestreeld
tranend in haar ogen zie ik
het glanzen van de dag diepzee
van mijn denken de ochtend

in al zijn facetten nacht
geslepen witte parels
om haar hals
kraalogen op mij gericht.

 

Thierry Deleu





12 mei 2010

Mooi gedicht van Jenny Dejager!

Angst is altijd meer voor mij



Het is een kalender in de maag
met de uurregeling voor elk gevoel
dat wordt aangeraakt.

Er zit een dagindeling in mijn hoofd
met een klok die salvo’s huichelt
op elke onvolkomenheid.
Het poetst en zwijgt.

Er zit een seconderegeling in mij
die mij overstelpt
met duizenden ongewilde daden
die mij beladen.
Ondertussen zwem ik rondjes
in het bassin van de goudvis.
Op zijn minst eis ik een rechthoekig bassin
om de strijd aan te gaan.
Mijn oor blijft doof al weerlegt mijn oor niet
dat het moet luisteren.

Als een garnaal verorbert het afval
eigert het vissenvoer.
En morgen
zal mijn verlangen minder wegen dan vandaag.

 
Jenny Dejager

11 mei 2010

Botticelli


ik kijk naar de zee
en bezwanger haar meteen
met de infrastructuur van zwoel schuim
waar Venus het overtollig water
van de schouders schudt
als een boodschap van algemeen nut
met liefde een blik werpen op
het geweld de veelvoud aan ongehoorde dingen
als een milde dan weer wilde schare
van herrezen zeemeerminnen
draken en monsters die de aarde signeren
en de lucht op kruispunten en straathoeken
de fotogenieke sirenen op de zandbanken
en de dakterrassen ze ontdoen me
van een poriëndempende laag vernis
en een volle kerstmisnacht denken en dromen:
deze wereld gaat definitief onder
in het Westen

 
Eric ROSSEEL
Dragend nabij



ik telde de dagen
zwanger van geluk om jou
en blijf je verder dragen
ook de momenten
dat je rilt van de kou

als het ragfijne web
jouw kwetsbaarheid
gevangen neemt
in gespleten draden
van oude pijn

en je ogen nevelig
de tranen weerhouden
omdat je steeds opnieuw
sterk wil zijn

weet dan
dat ik nog steeds
de sporen van je draag
diep in mijn hart

niet verzand
uitnodigend
om even samen
te vertoeven


© 2010 Monique Verplancke

10 mei 2010

Bijdrage van Derek van 't Gulle Zand, Meester-Ridder van het Rozenscheermes

De Kerk in haar hemdje!


Hoe komt de Kerk nog in het reine met dit onvergeeflijke wangedrag (“verschrikkelijke misdaden” zegt aartsbisschop Robert Zollitsch van Freiburg)? Wat verklaart de Kerk?

Eerste foutieve stelling: seksueel misbruik door geestelijken heeft niets te maken met het celibaat.
Protest! Je kunt niet ontkennen dat het misbruik ook voorkomt in gezinnen, scholen, associaties en kerken zonder celibaat. Maar waarom komt het zo bijzonder vaak voor in de katholieke kerk met celibataire leiders? Uiteraard is het celibaat niet de enige oorzaak van het wangedrag. Maar het is de belangrijkste oorzaak.
De Roomse celibaatregel moet worden afgeschaft.

Tweede foutieve stelling: het is ‘volledig fout’ om de gevallen van misbruik terug te voeren op een systeemfout binnen de Katholieke Kerk.
Protest! De celibaatregel bestond praktisch niet tijdens het eerste millennium van de Kerk. Hij werd in de elfde eeuw geïntroduceerd in het Westen door monniken (die in volle vrijheid voor het celibaat kozen) - in het bijzonder door paus Gregorius VII - en werd opgelegd in weerwil van hevig verzet van de geestelijkheid in Italië en Duitsland. Duizenden priesters protesteerden tegen de nieuwe wet.
De celibaatregel - samen met het verplicht klerikalisme - is een van de centrale steunpilaren van het “Roomse systeem”. Het verplichte celibaat is de belangrijkste reden voor het rampzalige tekort aan priesters. Die gevolgen worden gemaskeerd door de versmelting van plaatselijke parochies tot regionale ‘pastorale zones’, met totaal overwerkte priesters. Wat zou de beste oplossing zijn voor het probleem van de rekrutering van toekomstige priesters? Heel simpel: afschaffing van de celibaatregel, de wortel van al dit kwaad.

Derde foutieve stelling: de bisschoppen hebben voldoende verantwoordelijkheid op zich genomen.
Uiteraard is het goed te horen dat er concrete maatregelen worden genomen om gevallen van misbruik aan de oppervlakte te brengen en om ze in de toekomst te vermijden. Niettemin moet de vraag gesteld worden of de bisschoppen zelf niet verantwoordelijk zijn voor de decennialange praktijk om gevallen van misbruik toe te dekken, waarbij ze vaak niet meer deden dan de misdadiger in het geheim een nieuwe standplaats geven. Zijn de wegmoffelaars van het verleden plotseling geloofwaardige ontmaskeraars geworden? Moeten geen onafhankelijke commissies worden opgericht om met dat soort gevallen om te gaan?
Een daad van berouw moet worden verbonden met een daad van herstel: de celibaatregel afschaffen!


Derek van ’t Gulle Zand

Read more: http://www.knightsrazor.be/
DIT KIND


Dit kind
nieuwsgierig alfabet
op een wolk te paard
spelt de hemel van de melkweg

over alle kleuren
en de witste woorden
deelt het de kleuren
van zijn moeder uit.

 
Fernand Florizoone


KIND

Dit kind
nieuwsgierig
als het alfabet
spelt
de hemelen van de melkweg

hinkelend
over de witste woorden
deelt
het de kleuren
van zijn moeder uit.


Fernand Florizoone

Gelezen Gedichten, een installatie van Jan Theuninck, mei 2010

Er worden duizend maal meer gedichten geschreven dan er gelezen worden......
Het windje

"Alleen voor intelectuelen!"


Waarom wordt er gelachen met een windje?
Of hij nu komt van man, vrouw of een kindje,
Het is toch echt puur natuur,
Zelf gemaakt, luchtig van structuur,
En wat kan het een opluchting zijn
Zo'n windje te laten, gedaan de pijn
Vooral in je darmkanaal,
Windjes laten we allemaal.
Er zijn er die worden gelaten
Alsof twee mensen met elkaar praten,
Sommige komen fluisterend naar buiten,
Zijn er ook wel die piepen of fluiten
Wat er ook gebeurt, eender welk geluid
Eens gevormd moeten ze eruit.
Zo'n wind voelt zich beter in de wijde wereld
Dan in de ruimte van je enge buik.
Knijp je billen dus niet meer dicht
Laat gaan die wind en voel je verlicht
Doe niet meer achterbaks, wees spontaan
En zeg 'sorry, ik heb het gedaan',
'ik zal in het vervolg naar buiten gaan'

N. Erkelens


8 mei 2010

Moeder


In het geluid van mijn woorden
hoor ik de klanken van jouw stem.
Mijn wankel evenwicht zoekt
de lichtheid van het bestaan

die jij mij voorhield als spiegel.
Mijn nieuwzucht jouw ongeduld
en andersom, in ambitie
herken ik jouw zachte hand.

Jouw schaterlach giert in mijn oor
alsof leven één groot feest.
Ik voel jouw adem in mijn nek,

loop voor je uit zoals het hoort.
In ondoordacht moment spel
ik je naam achterstevoren.

 
Thierry Deleu

7 mei 2010

Onbereikbaar


waarom
kunnen mijn woorden
je niet bereiken
in de verzen
waar tranen rollen
vanuit mijn diepste pijn

waarom
schrijf ik in nevels
van donkere sporen
zoekend de weg
waar jij mij begrijpt

waarom
zo gehaast het lezen
waardoor je blik
niet merkt
wat de stilte verraadt

in subtiele woorden gegeven
schroomvol
in de hoop
dat jij het verstaat

 
Monique Verplancke ©



6 mei 2010

De steen van hoop


 
Ik leg een steen op de
weg waarop ik loop.

Ben je de weg kwijt zoek
dan naar de steen.

Zorg dat je hem vindt het
is de steen van hoop.

Hij geeft je kracht laat de
schaduwen verdwijnen.

Loop je op de goede weg
zal de steen je beschermen.

Hij zal je gaan vergezellen
op je verdere levenspad.

Paula Hagenaars

Aankondiging nieuwe gedichtenbundel

Demer Uitgeverij heeft het genoegen de NIEUWE GEDICHTENBUNDEL van TINE HERTMANS
aan te kondigen!

De geur van akkerwinde (104 blz)


De bundel is vanaf juli te bestellen bij de uitgeverij.

Euro 18 (incl. verzendkosten).

Vanaf heden te bestellen via deze website:
www.lulu.com/content/8463366

In de Inleiding schrijft Thierry Deleu o.a.:
“Vertoonde de euforie in haar debuutbundel vlug scheuren, nu verdraagt zij beter de zon, zij laat de zee niet zo makkelijk los, de dag blijft langer open en helder. Zij holt het leven niet meer na, zij relativeert, zij geniet. Deze nieuwe visie op haar leven verwoordt zij sober, wat haar zo menselijk maakt, kwetsbaar, zij beleeft hoop, verdringt vrees, wil aan de andere kant van haar leven de warmte vinden van het existeren, zij zoekt met weinig woorden naar de grootste bedding.”

Met vriendelijke groeten,

Hannie Rouweler
Demer Uitgeverij
Mailadres: info@demerpress.be
Website: www.demerpress.be

4 mei 2010

Een bundel met loopbruggen

Albert Hagenaars over Beelddicht van
Winarko Bazoeni Boesrie


Een van de spannendste confrontaties in de poëzie is die tussen twee waardesystemen met grote onderlinge verschillen. Denk aan het onderscheid tussen bijvoorbeeld liefdeslyriek en sociaal realistische heilzangen, of tussen religieuze gedichten en onderzoeken die de taal zelf centraal stellen.

Poëzie uit een ander werelddeel dan dat van de lezer kan een nog grotere kloof laten zien en daarmee een groter beroep doen op het interpretatievermogen.

Voor me ligt Beelddicht van de Indonesische dichter Winarko Bazoeni Boesrie (familienaam Boesrie), een bundel met 21 gedichten die bovenstaande overwegingen opriep. Boesrie is een Javaanse auteur die in 1951 in Surabaya geboren werd. In 1992 verscheen van zijn hand de bundel Sajak sajak. Hij schrijft niet in het Javaans maar in de in 1928 gekozen en in 1945 geëffectueerde eenheidstaal Bahasa Indonesia (bahasa betekent taal) die, afkomstig uit het gebied dat nu Maleisië heet, al vanaf de 7de eeuw de lingua franca was langs de kusten van de eilanden en schiereilanden van Zuidoost-Azië.

Elk gedicht wordt ter rechter zijde geflankeerd door een vertaling in het Nederlands, waar Suci Wahyuningsih, Ferdinand Tung en Paul Thung jr. verantwoordelijk voor zijn, maar niet altijd alle drie tegelijk.

Het openingsgedicht luidt:

VOOR R.


Gisteren vandaag en morgen
Verkondigd de betekenisvolle liederen
Die boven de witte doek
Boven de stenen weer klinken
Verzamelt alle mystiek en mysterie
Niemand kan het raden
Het doek en de stenen houden elkaar stevig vast
Komen samen en mengen tot één
Lachen en huilen, niemand die het weet
Slechts een raadsel blijft over
Een raadsel van oost en west
Eén gemaakt
Pas dan komt betekenis
Deze eeuwige betekenis
Voor gisteren
Voor vandaag en morgen
Met witte heldere touwen
Symboliseert een verbintenis
Sterk en vast
Mystiek
Een ziel
Weerklinkt
En draagt bij tot een verhaal

Meteen al dit openingsgedicht, ‘Untuk R.’, zorgt voor een beproeving van het duidvermogen. De drie tijden in de eerste regel geven een algemene situatie aan maar het voltooid deelwoord waarmee regel 2 begint, maakt duidelijk dat er een activiteit is geweest die nog nawerkt, namelijk het verkondigen van liederen vol betekenis. Het vermelde ‘morgen’ zou er dan op kunnen wijzen dat het effect ook na vandaag nog zal voortduren. Je mag het ook lezen op een wijze die inhoudt dat de liederen elke keer opnieuw verkondigd worden. En dat is merkwaardig want bij liederen verwacht je dat ze gezongen worden, niet aangekondigd. Met andere woorden, ze zullen gezien de doorlopende tijd nooit te horen zijn wat toch weer in strijd is met de bewering in regel 4!

Dan die ‘witte doek’ in regel 3. Doek, met lidwoord de, doet denken aan een poetsdoek, een handdoek, een theedoek. Die varianten in betekenis lijken niet veel zin te hebben, al kun je met de kleur wit symbolisch verschillende kanten op. In regel 7 keert ‘doek’ echter terug, ditmaal voorafgegaan door het lidwoord het. Interessant, denk je dan, want het Nederlands voorziet wel degelijk in die mogelijkheid. De associatie is in het tweede geval al gauw ‘filmdoek’, en dat is een dankbaar motief voor projecties. Maar in het BI staat tweemaal ‘kanvas’, van het Engelse canvas, en dat betekent vooral zeildoek. Bovendien is ‘de doek’ in het algemeen in het BI ‘kain’ of ‘lap’ (uit het Nederlands) en ‘het doek’ layar’. Waarom zou Boesrie dan, mocht hij al aan zuiveren én afbeelden gedacht hebben, ‘kanvas’ gebruiken? De vertaling is op dit punt ofwel bedenkelijk vrij ofwel gewoon fout.

De volgende vraag die opdoemt betreft het subject van ‘verzamelt’. Wie of wat ‘verzamelt alle mystiek en mysterie’? De volgende regel kan ook daar op slaan: ‘Niemand kan het raden’.

Inmiddels is al wel duidelijk dat Boesrie poëzie maakt, die zich niet één twee drie geeft. Je krijgt er moeilijk vat op, in elk geval met onze gebruikelijke, rationeel gerichte manier van benadering. ‘Mystiek’ en ‘mysterie’ zijn al duidelijke signalen om niet alleen dusdanig te werk te gaan maar achterin het boekje staat onder een korte biografie een nog duidelijker boodschap: “In tegenstelling tot de Nederlandse dichtkunst, die veel taliger is en waar grote gevoelens op veel indirecter wijze naar buiten komen, past het werk van Winarko B. Boesrie meer in de traditie van de Indonesische poëzie. Dit aldus Indonesië-kenner Kees Snoek. De Indonesische poëzie is over het algemeen veel retorischer en tendentieuzer dan men in Nederland gewend is. Poëzie wordt in Indonesië bij voorkeur gelezen in grote zalen: hoe groter, hoe beter.”

Snoeks beweringen kloppen. Ik heb nog nooit Indonesische poëzie gelezen die gekenmerkt wordt door het overwegend verstandelijke karakter van zoveel Nederlandse gedichten, al zijn er zeker genoeg onderlinge verschillen tussen de Indonesische dichters. Ook heb ik in het land een aantal poëziebijeenkomsten bijgewoond, o.a. in Jakarta en Yogya en op Bali en inderdaad, die werden druk bezocht. Er werd goed geluisterd maar het publiek liet door soms uitbundige reacties merken meer te willen zijn dan passieve consumenten, namelijk deelgenoot in een sociaal spel.

De gedichten van Beelddicht kun je misschien beter verkennen als surrealistische teksten, die zich juist bewust, en dat is een tegenstrijdigheid, onttrekken aan formele criteria. De nadruk komt dan te liggen op het beleven en, eventueel, aangeven van onverwachte verbanden in plaats van ze te onderzoeken. Dat heeft echter negatieve consequenties voor de eisen van de kritiek, die zo tot een reactie teruggebracht wordt.

Boesries verbanden zijn zeker raadselachtig maar toch niet genoeg om zijn gedichten als puur surrealistisch te betitelen. Hij heeft namelijk wel degelijk een boodschap die hij wil laten ontvangen. Zo heeft hij het bijvoorbeeld, nog steeds in dit eerste gedicht, over doek en stenen die bijeenkomen en samenvallen, een koppel dat verbonden wordt met twee andere: lachen en huilen, oost en west, die eveneens één worden. Drie maal onderstreept Boesrie dat het opheffen van tegenstellingen tot betekenis leidt, een betekenis die niet alleen boven de tijd staat maar ook een verbintenis symboliseert die, in de slotregels, ineens toch weer diffuus overkomt maar uiteindelijk bijdraagt tot een verhaal. De verbintenis kan verlegd worden naar ‘sterk en vast’ maar al heel wat minder vanzelfsprekend naar de woorden in de volgende drie regels. ‘Mystiek’ valt ook zelfstandig te benoemen evenals de daaropvolgende ‘ziel’ maar het past in de lijn van het gedicht, waarin immers zoveel samenvalt, om ook deze beide begrippen te vereenzelvigen. ‘Weerklinkt’ (één woord) springt dan zowel in klank als betekenis terug naar de eerste regels met ‘weer klinken’ (twee woorden). Wat een mooi effect, de betekenis ook qua vorm zo toepasselijk tot een eenheid te verbinden! Dit moet volledig op het conto van de vertalers geschreven worden want in de oorspronkelijke tekst hanteert Boesrie ‘bernada’ (regel 4) wat klinken betekent en ‘bergema’ (voorlaatste regel), dat eerder echoën, weergalmen is. Dat is weliswaar ook een uitstekend passende oplossing maar de Nederlandse vertaling is nog net iets principiëler, zuiverder. Met een grote zwaai terug vinden de beginregels, aanvankelijk zo duister, hoe dan ook een zinvolle vervulling.

Niet alle teksten zitten op een dergelijke vernuftige en toch schijnbaar los overkomende manier in elkaar maar ze getuigen allemaal wel van bijzonder ongewone beelden. Om een paar voorbeelden aan te halen:

Gedachten vliegen naar het einde van de hemel (uit ‘Gedachten’);

Stoppen ligt nog op zijn vingerpunt (uit ‘Een stap’);

Aan het einde van de nacht / converseert hij de droom met een andere droom (uit ‘Droom I’);

Mijn reis is een stap boven de droom (uit Droom III);

Duizenden stiltes schudden elkaar de hand (uit ‘Stilte’);

Ik bevind mij op de hoek van de mening / die vastzit (uit ‘Bericht’) en

De moeheid van gisteren / is als een verhaal dat nog niet eindigt (uit ‘Moe’).

Nog een ander aspect; hoeveel Nederlandse dichters zullen schrijven: ‘mijn verlangen verlangt’, of ‘nat zweet’, of ‘tijd wordt opgeslokt door tijd’, om slechts een kleine greep uit de vele zinsneden met pleonasmen, tautologieën en personificaties te doen?. Boesrie doet zoiets ongegeneerd, met respectievelijk ‘rinduku rindu’, ‘basah keringat’ en ‘Jaman dimakan jaman’, en dat heeft veel, zo niet alles te maken met zijn Indonesische achtergrond.

Overlapping en herhaling worden in Bahasa Indonesia veel meer gebruikt dan in het over het algemeen (we laten onze vele bloemrijke uitdrukkingen even buiten beschouwing) zo efficiënte en scherp omlijnde want functioneel gerichte Nederlands. Meervoudsvorming krijgt er bijvoorbeeld geen suffix als -s en -en of -eren maar vindt z’n beslag door een woord te verdubbelen: ‘boeken’ wordt dan bijvoorbeeld ‘buku buku’, ‘drie boeken’ is simpelweg ‘tiga buku’ ofwel ‘drie boek’. De taal heeft er zelfs een speciaal tekentje voor; in plaats van ‘buku buku’ kun je ook schrijven als buku², wat een populair gebruik is. Verdubbeling drukt behalve veelvoud ook gradatie uit: ‘hijau’ is ‘groen’ dus ‘hijau hijau’ groen groen maar eveneens ‘groenachtig groen’ en ‘veel groen’. Zweet is per definitie nat dus waarom zeggen dat zweet nat is, denkt een Nederlandse lezer. ‘Basah keringat’ kun je derhalve beter lezen als overvloedig veel zweten, overal zweten, zweten als een otter en dergelijke.

De vertalers hebben op dit punt dichtbij het Indonesische origineel willen blijven. Beelddicht onderscheidt zich daarmee duidelijk van welke direct in het Nederlands geschreven verzen ook. De Indonesische sfeer en vervreemdingseffecten blijven dwars door de vertaling heen voelbaar. Het maakt dat veel Nederlandse lezers zich dus regelmatig in de ogen wrijven maar een bijkomend voordeel is ontegenzeglijk elke keer een extra loopbrug tot in de oorspronkelijke opzet.

Hoewel er steeds meer Indonesische poëzie in het Nederlands verschijnt, is het aantal titels nog zo klein dat elke uitgave op zich al een gebeurtenis genoemd mag worden. Hopelijk volgen dus ook meer vertalingen van Boesries werk. Die kans is redelijk groot want hij woont in Nederland, in Delft om precies te zijn. In 1987 al, tijdens de dictatuur van Suharto, emigreerde hij naar ons land. Hij is getrouwd met beeldend kunstenaar Edith Bons, geboren in Merauke in het toenmalige Nieuw-Guinea, die de vormgeving van dit boek voor haar rekening nam en een van haar schilderijen, eveneens Beelddicht getiteld, als passende omslagillustratie gebruikte. Het doek toont hoe zij het hierboven overgenomen gedicht verwerkte in een voor haar zo typerende compositie.

Een derde bundel zou aanleiding kunnen zijn om in te gaan op verschillende andere aspecten van Boesries poëzie, waarvoor in deze bespreking geen plaats is, zoals zijn fascinatie voor de natuur en zijn maatschappelijke betrokkenheid.

Ik houd de geïnteresseerde lezer in elk geval graag op de hoogte.

BEELDDICHT - Winarko Bazoeni Boesrie; uitgave i.s.m. Pictoright,  2008 - ISBN n.v.t., 48 pagina’s, € 15,00.
SAJAK SAJAK - Winarko Bazoeni Boesrie, uitgave in e.b., 1992 - ISBN n.v.t., 24 pagina’s, € 10,00.


De uitgaven zijn te bestellen via: win_boesrie@hotmail.com en edith.bons@hotmail.com

De Verborgen Hoek, no. 8, maart 2010

2 mei 2010

Politieke cartoons HD

“MET KORTRIJK HEB IK EEN HAAT-LIEFDEVERHOUDING!”


(Thierry Deleu)


“Met Kortrijk heb ik een haat-liefdeverhouding. Niet zozeer om de nare herinneringen aan mijn verblijf daar als scholier, maar veeleer om de mentaliteit van vele “Kortrijkzanen”. Ook Conscience was dat niet ontgaan. In zijn boek De burgers van Darlingen schrijft hij over hun typisch burgerlijke geest, met veel aandacht voor geldkwesties en status. Hij had geen goed woord over voor zijn Kortrijkse periode die hij beschreef als een ballingschap in een klein stadje "vol vooroordelen, beheerst door een financiële aristocratie, die haar medeburgers minacht, met een ongelooflijke verwaandheid bezield is, zich opsluit in woningen somber en naar als kloosters, en treurig als lag in elk huis een dode".

Dat is fel overdreven. Ik denk dat wij - die van buiten Kortrijk kwamen - een reactie koesterden van selfdefence: wij waren verrast en verwonderd om zoveel savoir-vivre dat wij onze achterstand wegmoffelden achter hopen kritiek. Die houding is nogmaals gebleken bij de fusiegesprekken in 1976. Laat het mij zo formuleren: Kortrijk heeft veel te bieden, maar soms moet je de eigenwijsheid van haar burgers erbij nemen.”

Toen ik 12 werd (na het zesde leerjaar aan de gemeentelijke jongensschool te Wevelgem) werd ik voor vier (lange) jaren in quarantaine geplaatst. Ik werd intern in het Sint-Amandscollege te Kortrijk. We schreven 1 september 1952. Van Kortrijk kende ik toen alleen de Sarma en de Teco waar een blinde pianist regelmatig optrad.

De eerwaarde heren overtuigden mijn vader dat ik beter het zevende leerjaar volgde. Waarom? Omdat zij die van buiten de stad kwamen, niet slim genoeg waren om naar het 6de middelbare over te stappen. Een geintje natuurlijk, ze wilden hun zevende leerjaar bevolken, kwestie van opdrachten.

Vooral de slaapcouchettes zijn mij bijgebleven. Kleine kamertjes afgezet met houten schutten. Ik sliep naast “Wisty”, een jongetje wiens mama een bordeel openhield op de weg Kortrijk-Gent. Hij had een gaatje gemaakt in het schot en we konden gezellig maar héél stilletjes met elkaar praten. Of toch fluisteren. Wat goed deed, omdat het zo rebels overkwam.

Ik werd 10de op een 30-tal leerlingen. Niet slecht voor een werkmanskind.

Ja, je werd afgerekend op je afkomst toen. Mijn vader had mij ten strengste verboden te zeggen dat hij een socialist was. Om bij de high society te horen pochte ik dat mijn vader een vliegtuig had. Vaak vloog hij over (riep ik met mijn vinger in de lucht).

Eenmaal in de 6des ontpopte ik mij tot een klein duiveltje. Ik vloog achteraan in de klas en moest plaatsnemen op een oude bank die er was blijven staan na de renovatie. Dat vond ik minder erg dan wat er gebeurde met domme kindjes die lange oren opgezet kregen.

Ik had wel de sympathie van E.H. Dornez. Hij werd “de poes” genoemd. Toen hij nogal dikwijls in de refter te dicht bij hetzelfde nonnetje ging staan, werd er oorverdovend gemiauwd door de (stoute) kinderen. Ik herinner mij ook goed “Korkie”, onze surveillant (van het pensionaat). Een sportieve, soms onbeschofte, maar van inborst goede kerel die de voetbalcompetitie organiseerde. Wij hadden om de maand een partiële proef voor één bepaald vak. Soms legde ik die proef onberispelijk af en werd ik toen door hem en plein public gelukgewenst. Soms had ik een nul en toen schold hij mij in het openbaar uit voor domoor en suggereerde dat ik maar beter mijn bezatse zou nemen.

In het college heb ik vooral leren voetballen, leren liegen in de biechtstoel en een sterk samenzweerderig gedrag ontwikkeld.

Nog iets waar ik niet eens toen de draagwijdte van begreep: vriendjes van mij mochten geregeld naar de kamer van hun “geestelijke leider” en werden daar getrakteerd op gebakjes.

Och ja, ik wil niet natrappen. Het college was een goede school in beide betekenissen: goed onderwijs én een goede leerschool. In het 6de en het 5de werd ik 4de of 5de van de klas. Toen ik in de 5des zat, werd ik op een morgen uit de (dagelijkse) mis gehaald door E.H. Jan Carreer, surveillant van het internaat. Hij beweerde dat ik “lelijke manieren” had gehad op de slaapzaal. Samen met anderen had ik in een slaapcel een “orgie” georganiseerd. Toegegeven, ik was geen “braaf jongetje” meer, maar daar wist ik toen niets van. Hoe harder ik dat ook uitriep, hoe harder hij mij met zijn gordelriem sloeg op mijn blote benen. Ik moest vooraf op de leuning van een zetel gaan liggen. Toen de internen dat hoorden, organiseerden zij een zitstaking: niemand trok dat lesuur naar de klas. Van solidariteit gesproken! Toen mijn vader dat vernam, nam hij wijselijk het besluit om mij na de lagere middelbare naar het Koninklijk Atheneum te sturen.

Op het Atheneum viel ik “van de hel in de zevende hemel”: extern en met meisjes in de klas. Opgelet, een primeur: het waren de eerste meisjes die vanuit het lyceum bij jongens terechtkwamen. En het was er aan te zien! Ik werd verliefd op drie stuks ineens: een zwartje (zwart haar bedoel ik), met de look van een indiaantje (later werd ik bevriend met haar oudere zus), haar vriendinnetje die echter duidelijk liet blijken dat zij mij te min vond (een boerenjongen van den buiten) en een meisje uit mijn eigen gemeente die nog aan het Lyceum les volgde en met wie ik naar school reed. Met de fiets naar Kortrijk, elke dag, heen en terug. Resultaat van mijn liederlijk leven: overzitten! “Wat denkt die collegepiet wel,” moeten de leraars toen hebben gedacht, “we zullen hem eens een lesje geven!”

O ja, stel je voor: van intern naar extern, van streng jongensregime naar mixte klasjes, van gesloten naar een open gemeenschap, van gevangenschap naar absolute vrijheid. Wat ik daar toen miste, was het gevoel van solidariteit dat ik op het college wel ervoer. Maar ja, waarom nog samen rebelleren tegen het regime? Waarom nog samen toneel spelen? Waarom samen gaan voetballen? Iedereen trok na school naar huis of ging op café in de stationsbuurt. Of het onderwijs hier of daar beter of slechter was? Neen, wel integendeel: op het college hadden wij vaak te maken met leerkrachten die net voor hun legerdienst een jaartje les kwamen geven. Niet bevorderlijk voor de kennis en de tucht.

Of ik gelovig was? Of ik nog gelovig ben? Toen ik in het college belandde, wist ik alleen dat mijn moeder adoratie had voor Sint-Antonius, broeder Isidoor en Don Bosco. Ik deed dan ook een paar keer per jaar een novene te hunner ere. Negen dagen elke avond in mijn bedje las ik een gebed. Om gezond te blijven. Om te slagen voor de examens. Om niet gepest te worden. Iedere dag naar de mis, elke zondag driemaal ter kerke. Ik werd een fel bevraagde misdienaar. In één, twee, drie was de verplichte ochtendmis opgedragen. Toen de paters tijdens de retraite kwamen preken, kon ik wel even aarzelen over mijn toekomst. Maar algauw legde ik boven mijn “geestelijke lectuur” de Leeuw van Vlaanderen of een ander strijdlustig boek.

In het Atheneum volgde ik de lessen zedenleer. Veeleer uit nieuwzucht dan uit overtuiging. Die overtuiging kwam echter snel: ik vond het hoog tijd om vrij te kunnen denken en handelen. Vooral de lectuur van Spinoza betekende een keerpunt. Spinoza zei dat alles natuur was en hij vereenzelvigde Natuur met God. Hij zei dat God alles was, en dat alles in God was. Daarmee kon ik mij jaren verzoenen.

Ja, ik heb nooit onder stoelen of banken gestoken dat ik maçon ben. In 1966 was ik één van de jongste leden van de Loge in Vlaanderen. Een collega aan de Middenschool van het Gemeenschapsonderwijs (voorheen Rijksmiddelbareschool) had mij toch ervan kunnen overtuigen dat “God niet bestond”. Die vraag kwelde mij al vele jaren. Maar ik vond nergens houvast. Of mensen die mee-dachten. Ik werd een publieke vrijzinnige: vignet op de wagen, voorzitter van de Oudervereniging voor de Moraal, de eerste gedetacheerde leerkracht van Humanistische Jongeren Service, een vereniging die cursussen, sportkampen, kinder- en jeugdateliers en reizen organiseerde voor de (vrijzinnige) jeugd. Toen al beviel mij die opsplitsing, verkleuring, verzuiling van het vrije denken niet. Waarom aan gettovorming doen? Vrij denken is een individuele beleving, zoals (voor mij) godsdienst en religie. Die kanteling werd niet door alle vrijmetselaars toegejuicht. En ik evolueerde verder in de richting van het agnosticisme. Mijn devies werd: “Wat je (nog) niet met zekerheid weet, dat Onbekende, moet je een kans geven!”

Natuurlijk geloof ik in de wetenschap. Kun je echter over waarheid in de wetenschappen spreken? Sommige wetenschapsfilosofen zeggen dat wetenschappelijke theorieën gelden zolang ze niet worden weerlegd. Wat niet betekent dat zij per se waarheid verkondigen. In plaats van revoluties zien we vandaag meer een geschiedenis van continue vooruitgang. De wetenschap lijkt zich steeds bij te schaven en een zelfregulerend systeem te zijn.

Wat is dé waarheid? Bestaat er een waarheid? Indien deze bestaat, wie kent haar? De wetenschap? De filosofie? Een bepaalde godsdienst? Stel dat een bepaalde godsdienst de waarheid in pacht zou hebben, welke is dat? Het christendom, de islam, het boeddhisme, het brahmanisme of het Chinese universalisme?

Welke godsdienst staat het dichtst bij God? Of bestaat er geen God en is de mens weinig meer dan een geëvolueerde aap? Waarom leeft een mens? Is het leven een test waarna hij voorgoed naar de hemel of naar de hel gaat? Of zijn wij hier op aarde om onze soort in stand te houden? Bestaan er nog andere redenen voor ons verblijf hier op aarde? Dit zijn vragen die mij bezighouden.

Ja, ik schrijf al zeven jaar aan een essay dat deze problematiek behandelt. Luister, je bent voor of tegen God, maar nooit zonder God. God definiëren kan ik niet. Bovendien laat ik mij niet stigmatiseren. Het Goddelijke is een voorzichtige omschrijving. Het spirituele biedt mij mogelijkheden. Het beperkt echter mijn vrijheid (van denken en handelen) niet.

Dit essay over de wetenschap van het spirituele is voor mij een uitzonderlijk boek. Om velerlei redenen. In de eerste plaats wil ik komaf maken met mijn imago van “stupid atheïst”. Zowel binnen de (een soort van) vrijmetselarij als in de profane wereld wordt verondersteld dat alle leden van dit genootschap godloochenaars zijn. Bovendien wens ik niet opnieuw een “vals insigne” te worden opgespeld, zoals “bekeerde” of “(licht)gelovige” of “geprofeste”. Ik probeer voor mezelf en voor de lezers een verhelderend beeld te schetsen van de spirituele wereld. Hierbij heb ik naar affiniteiten gezocht tussen spiritualiteit en de principes van het vrij onderzoek. Ik ben er van overtuigd dat religie, spiritualiteit en wetenschap elkaar niet in de weg staan. Iedereen of welk instituut ook die het vlot verloop van de relatie tussen “alle zoekende mensen” verstoort, is voor mij nefast.

Iets helemaal anders: reizen. Ik heb altijd graag gereisd. Toen ik mij na 2000 terugtrok uit het actieve leven, zette ik een stap opzij, ging onwaarschijnlijk veel reizen met mijn favoriete muze (zo noem ik vaak mijn vrouw). Ook verbleven wij lange periodes in Frankrijk om er te genieten en proberen te overleven.

Ik ben altijd een plannenmaker geweest, hoor, ik verzon mensen en dingen, bouwde luchtkastelen, reisde de wereld rond in 7 dagen, tartte mijn verbeelding, dronk met mijn vrienden ad fundum en rookte hun sigaretten.

“Ik word nooit ouder dan twintig jaar,” schreef ik in een gedicht.

Ik voel dikwijls de behoefte om rustig afstand te nemen van de zaken en van de kleine menselijke kantjes. Is mijn startpunt de mens met al zijn fouten en gaven, dan wil ik diezelfde mens ook de nodige vrijheid gunnen om zichzelf te blijven. Dat afstand nemen kan soms exuberante vormen aannemen. Mijn voortdurende rusteloosheid (het steeds plannen maken voor nieuwe projecten) dwingt mij soms tot een “vlucht”. Dan loop ik het land uit: een ander zou zeggen dat hij op reis gaat; een reis die enerzijds moet zorgen voor enige ontspanning, maar die mij anderzijds dan weer inspireert tot nieuwe gedichten, nieuwe romans, nieuwe inzichten, nieuwe projecten.

Ja, er zijn nog plekken in Kortrijk die herinneringen oproepen of die mij beroeren. Ik denk aan het Groeningestandbeeld, - ik ben al sinds mijn collegetijd een fervente Vlaming die zich echter afzet tegen de rechtse, geïndoctrineerde, op revanchebeluste kliek die zich nestelt in het VB.

Ik denk aan de cafés “Piet Hein” en “De Tempelier”, aan “Bossuwé” aan het station waar wij zakken friet verorberden en meters frikadellen.


Thierry Deleu

Uit ons archief - "In de weelde van de liefde" - gedichten Thierry Deleu (tot 2002) - essay Jan Van Herreweghe


POËZIE TUSSEN EROS EN THANATOS
EEN NATUURLIJKE DAAD VAN BEVESTIGING


THIERRY DELEU 60


door Jan Van Herreweghe


Indien de wereld als beeld verdwijnt, overdekt een nieuwe werkelijkheid de hele aarde.
Octavio Paz (in: De wenteling van de tekens)

De dichter maakt woord van alles dat hij aanraakt, zonder de stilte en het wit in de tekst uit te sluiten.
Octavio Paz (in: De wenteling van de tekens)


Over poëzie schrijven is een hachelijk avontuur. Poëzie ontsnapt immers per essentie aan elke commentaar. Poëzie verklaren kan als een daad van verraad worden beschouwd. Beter is het misschien om de dichter te benaderen en met schamele woorden trachten iets weer te geven van een impressie, een contactname, een ontmoeting, een vluchtige illuminatie of een waarachtige verzinnebeelding.

Het schrijven over poëzie is immers een waagstuk. En toch gebeurt het. Wellicht omdat het in de aard van de mens ligt om, met de vaak overmoedige hoop, de dingen te willen ordenen en/of klaarheid te willen scheppen.

Eén van de meest intelligente auteurs die heel wat essays over poëzie publiceerde is de Mexicaanse schrijver en Nobelprijswinnaar literatuur Octavio Paz (1914-1998). Voor hem is poëzie een absolute levensvoorwaarde. Hij stelt onder meer: "Poëzie is taal in haar meest perfecte vorm", of "Poëzie is de centrale en universele bezigheid van de mens". Poëzie kan niet wereldvreemd zijn. Van kindsbeen af maken we vergelijkingen. De mens is een dier dat graag vergelijkt en dat onderscheidt hem van alle overige dieren. Zowel taal als filosofie en wetenschap berusten grotendeels op dat belangrijke principe, alleen krijgt de analogie in de onderscheiden disciplines op een heel eigen manier gestalte. In de poëzie wordt de analogie inderdaad meestal door de metafoor tot uitdrukking gebracht.

'ALS' - ook wanneer het achterwege blijft - verzoent tegenstellingen zonder ze te onderdrukken. Via analogieën stelt de dichter zich te weer tegen de verbrokkeling die hij om zich heen waarneemt; de metafoor is een instrument dat hem greep doet krijgen op de werkelijkheid. Analogieën zijn bij machte tijdelijk onze eenzaamheid op te heffen, kortstondig de illusie te doen ontstaan dat het universum organisch in elkaar zit. "Poëzie is aldus een levensvoorwaarde", "Poëzie, als een zoeken naar een nu en een hier".

Poëzie moet de weergave zijn van onmiskenbare momenten waarop de tijd als het ware stilstaat. Het zijn ogenblikken van hevige intensiteit die ons treffen als bliksemschichten. Wanneer we verliefd worden, wanneer iemand sterft die ons dierbaar is, of wanneer we vreselijk eenzaam zijn... ter gelegenheid van dergelijke ervaringen leren we onszelf kennen. De vluchtige stroom van de tijd wordt bruusk onderbroken, ons tijdsbesef wordt aangetast. Bij dergelijke 'gestolde' momenten probeert de poëzie door te dringen tot onontgonnen en soms onvermoede gebieden.

Het wezen van de poëzie krijgt in eerste instantie vorm bij de dichter en in tweede instantie bij de lezer. De draagwijdte en de appreciatie van poëzie heeft mijns inziens voor een groot deel te maken met sfeer. In deze fase stelt men niet meer de vraag: wat is poëzie?, maar wel: in welke omstandigheden leest men poëzie?

Spijtig genoeg wordt vandaag ook wel eens het nut van de poëzie in vraag gesteld. In deze tijden van genadeloze concurrentie waarin alles draait om rendement en winst wordt nogal eens geopperd dat poëzie onverkoopbaar is en in dat opzicht kan men zich afvragen waarom een dichter zich uit de naad blijft werken. In wezen zijn schrijvers en beeldende kunstenaars (zoals schilders en beeldhouwers) mensen die de tijd tegenwerken. Zij dwingen hun lezers of kijkers immers tot een inspanning die tijd vraagt. Versnelling is immers het sleutelwoord van onze tijd. Poëzie versnelt echter niet. Poëzie bepaalt geen agenda's. Poëzie volgt een eigen ritme. Soms slaat poëzie in als de bliksem, vaker echter dwingt poëzie tot traagheid. De traagheid van de poëzie is niet haar zwaarte, het is de genade van haar bestaan.

De arbeid van de dichter kruipt soms onmerkbaar vooruit. Hij aarzelt, de dichter, hij keert terug, hij zeeft, hij schudt dingen ondersteboven, hij wil niet rusten voor het gedicht de volmaakte staat van genade bereikt heeft. De dichter staat dichter bij de mens van de steentijd die zijn vuursteenbijl aanscherpt dan bij de jeugdige beurspresteerder die door agressieve transactieswitches zich performant naar de top van de kapitaalmarkt beweegt. Voor de dichter is traagheid een deugd. Volgens het marktdogma is traagheid een zonde.

Naast de vele essays die reeds over poëzie werden geschreven hebben heel wat dichters in de afgelopen eeuw gepoogd om het aanschijn van de poëzie in sloganeske zin te vatten.

Om het dichtwerk van Thierry Deleu nu in zijn geheel te definiëren ben ik geneigd tot de volgende uitspraak: "Poëzie tussen Eros en Thanatos, een natuurlijke daad van bevestiging", waarbij het tweede deel van de zin alludeert op de bekende uitspraak van de Vlaamse dichter Eddy Van Vliet.

De thematiek van Eros en Thanatos is omnivalent, werelds, van alle tijden. Omwille van zijn omnivalentie zou men geneigd kunnen zijn dergelijke poëzie als weinig origineel te beschouwen. Dit is echter een valse redenering. In alles geldt de stem van de dichter. Zijn eigen stem. Zijn eigen(gereid)heid. Het is vaak terecht dat een schrijver zich afvraagt waar hij mee bezig is. Zoals er in het leven een aantal wezenlijke dingen zijn zoals geboorte, liefde en dood, biedt de literatuur een aantal fundamenten waarin die wezenlijke dingen verwoord kunnen worden. Er is de poëzie, er is de roman, er is het toneel, het essay...

Het enige wat de schrijver kan doen is de vorm kiezen waarin hij die wezenlijke dingen wil verwoorden en dat bronnenmateriaal actualiseren vanuit zijn eigen gedrevenheid en temperament.

Zo zoekt de dichter zich een plaats in de literaire continuïteit met een authentieke beeldtaal, stijl, ritme die hij, vallend en opstaand, tracht te verwerven.

De grondslag van Deleus poëtica gaat terug op de periode van de Derde Experimentele Generatie die zich in de jaren zestig en zeventig manifesteerde. Deze generatie wordt nog eens opgesplitst in de 'post- experimentelen', de 'neo-experimentelen', de 'maniëristen', de 'pink poets', de '60-ers', de 'woorddichters'...

Thierry Deleu situeert zichzelf graag bij de 'Neo-experimentelen' en dweepte in die periode nogal met Paul Snoek (1933-1981). Snoek behoort tot de Tweede Experimentele Generatie, meer bepaald tot de '55-ers'. Snoeks poëzie werd destijds omschreven als de delfstof van Hugo Claus en de entstof van Hugues C. Pernath. Hij was vooral een (liefdes)zoeker ('ik zal een steiger zijn van liefde') die poogde de eenzaamheid te doorbreken. Met ritmische sonoriteit slaagde hij er soms in zijn klankgebeuren monumentale gestalte te verlenen. De verstenende eenzaamheid in haar klassieke sereniteit woog zwaar bij Paul Snoek, daarom was de liefde wellicht de grootste en onmisbare constante in zijn werk. Het verbaast me dan ook geenszins dat Thierry Deleu de poëzie van Paul Snoek erg waardeerde.

In die sfeer en met die achtergrond publiceerde Deleu in 1965 zijn debuutbundel Met de Teerling. Deze bundel bevat hoofdzakelijk gedichten die ontstaan zijn uit een persoonlijke ervaring. De thematiek is duidelijk, niet omfloerst - de vlucht, het op de vlucht zijn. De taal is rechttoe rechtaan en rechtstreeks tot de lezer gericht, hoewel soms een waas over de gedichten blijft hangen die de begrijpbaarheid dan weer enigszins afremmen. Maar dat is een bewuste schrijftechniek. Opvallende elementen in zijn poëzie zijn toch al de klankrijke lyriek, de alliteratie en de muzikaliteit.

In Met neergehurkte Adem (1967) keert de dichter zich als het ware in zichzelf. De vlucht in zichzelf, de vrees nutteloos te zijn vormen de rode draad die doorheen deze gedichten loopt en leggen de klemtoon op de vaststelling dat hij, vooral omwille van het dichterschap, met zijn omgeving in onvrede leeft en daardoor in disharmonie met zichzelf. Het besef dat zijn wortels elders liggen houdt hem voortdurend bezig. De titel wijst overigens op een zekere vermoeidheid, een zeker defaitisme.

De taal is hier eenvoudiger geworden, functioneel en suggestief gebruikt waardoor de lezer zich onmiddellijk aangesproken voelt. De dichter verrast geregeld ook door rake, ongezochte, woordspelingen, vernieuwde zingeving, zeer fraaie fragmenten en enkele voluit goede gedichten, zoals ‘Op de huiverlippen’ en ‘Rekwisieten bij een tijd’.

De gedichten in Postume gedichten (1970) zijn van ongelijk niveau. Inhoudelijk cirkelen de gedichten rond de polen vervreemding en erotiek. Wat Deleu hier bezighoudt is voornamelijk de man-vrouw verhouding. Hij schrijft daar afstandelijk over, als een koele, wat gelaten observator. Het thema blijft behouden, het oog van de camera heeft zich misschien iets scherper ingesteld en wat tot dan toe als pathetisch overkwam, wordt nu omgebogen tot een soepeler doorstromen van opgedane indrukken en al of niet verwerkte ervaringen. De poëzie evolueert van belijdenislyriek en ik-poëzie naar een nieuw-realisme dat op dat moment erg in zwang is. Niet toevallig heet het laatste gedicht van de bundel 'Concreet'. Deleu is nu zover dat hij in zijn gedichten het dagelijks woordgebruik, flarden gesprekken, losse invallen met een anekdotisch karakter gebruikt en verwerkt.

Met Postume gedichten sluit Thierry Deleu zijn experimentele periode duidelijk af en laat hij zich -tegen zijn zin, zoals hierna nog zal blijken - meeslepen in de toen aan gang zijnde hype van het Nieuw-Realisme.

Met Lionel Deflo richtte Thierry Deleu in 1966 het literair tijdschrift Kreatief op. Deflo hield er echter andere literaire opvattingen op na en in 1968 hield Deleu de medewerking aan het tijdschrift voor bekeken. Bovendien was Deleu druk in de weer met het schrijven van enkele leerboeken Nederlands. Deflo werd tot woordvoerder gebombardeerd van de Nieuw-Realisten die elkaar vooral vonden rondom het begrip 'verstaanbaarheid van poëzie'. Deze generatie vond dat een gedicht communicatief moest zijn en referentieel te duiden. Belangrijke namen waren o.a. Stefaan Van den Bremt, Patricia Lasoen, Herman De Coninck, Roland Jooris, Eddy Van Vliet...

Het feit dat Thierry Deleu in die groep belandde, kwam doordat de experimentele poëzie op een dood spoor was beland. De vele gesprekken over kunst en literatuur met vriend-kunstschilder Marcel Coolsaet leidden bij de schilder tot het schilderen van “een nieuwe werkelijkheid” (een schilderkunstige zelfstandigheid) en uiteindelijk tot het hyperrealisme (een schilderkunstige duidelijkheid) en bij de dichter tot een verstaanbare nieuw-realistische poëzie, met sloganeske invloeden en inspiratie uit reclameteksten.

Met Prenatale gedichten (1971) is Thierry Deleu helemaal in de nieuw- realistische stijl verzeild geraakt. Merkwaardig is wel dat in de titel van postuum naar prenataal wordt overgestapt. Het kan te maken hebben met het feit dat de dichter nog steeds zijn plaats zoekt binnen dit leven maar het heeft zeker te maken met de aan gang zijnde poëtische veranderende zienswijze. De neo-experimentele dichters worden wat weggehoond, vandaar een soort afscheid (postuum) en een nieuw begin (prenataal) als aanloop tot een nieuwe poëtica.

Deleu maakt nu gedichten waarin hij de werkelijkheid naar binnen haalt door middel van een verhalende praattoon en een objectieve camera-instelling. De triviale wereld die hij in zijn verzen oproept ligt in de zon te slapen, is zorgeloos zonder meer, maar wordt wel enigszins ironisch bekeken. Verpozende poëzie waarin de taal economisch wordt gebruikt.

In 1971 publiceert Thierry Deleu Punt uit!, of plagiaat onder voorbehoud. Deze gedichten verschijnen niet als een traditionele bundel maar als krantje, waarbij de gedichten onder en naast elkaar werden geplaatst. Hier treedt een terugkeer naar het verhalende op, in dit geval in de vorm van parodie of persiflage. De gedichten doen denken aan reclameteksten.

In zijn diepste binnenste worstelde de dichter met het aan gang zijnde Nieuw-Realisme. Hij nam er geen vrede mee. Het geflirt was dan ook van korte duur.

Met Staalkaart I (1971) en Staalkaart II (1972) publiceert Thierry Deleu snel na elkaar twee dichtbundels waarin hij al enigszins aangeeft dat het Nieuw-Realisme hem nauwelijks ligt. Hij onderzoekt daarentegen wel de mogelijkheden van woord, klank en ritme door ze uit te testen in een reeks wisselende combinaties van sloganachtige zinnen, als een monotone zang, een automatisch opgezegd refrein. Poëzie teruggebracht tot een kansspel, een litanie, een advertentietekst, een invuloefening. Op de duur valt de communicatie zelfs helemaal weg en vervalt de dichter in een spiraal van een eindeloze, absurde beweging waarbij woorden en zinnen bijna geen zin meer hebben. Het is overduidelijk: de dichter keert terug naar het experiment.

Nog in 1972 wordt de vriendschap en de samenwerking met Marcel Coolsaet bezegeld met de geboorte van Boulevard, een nieuw tijdschrift waarbij de kolommen worden opengezet voor jonge dichters en prozaschrijvers en voor hedendaagse filosofische en letterkundige opvattingen. Naast de literatoren krijgen ook de beeldende kunstenaars een plaatsje onder de zon.

Na vijf jaar stilte (een identiteitscrisis of een grote ontevredenheid over het literair gebeuren?) publiceert Thierry Deleu in 1977 Ik, een naaktloper. Het is duidelijk dat deze dichtbundel een terugkeer is naar zijn eerste experimentele periode en de poëzie sluit dan ook goed aan bij Met de Teerling en Postume gedichten. Het is in ieder geval een definitieve breuk met het Nieuw-Realisme. Deleu wil terug naar het beeld, het ritme, de muzikaliteit en de vorm. Hij gebruikt hier voor het eerst drie of vier strofen van vier regels, een vorm die hij zal liefkozen en die hij verder zal blijven hanteren tot in Val der Engelen, zijn voorlopig laatste dichtbundel.

Met de neoromantische poëzie staat de aandacht voor het leven, de liefde, de natuur en de dood opnieuw centraal. De werkelijkheid wordt gedragen in een melancholisch, zacht verdriet en in gekoesterde weemoed. De uitzichtloosheid haalt de bovenhand in een soms ambachtelijk bedreven en lijdend dichterschap. De Neo-Romantici willen zuivere poëzie brengen zonder noemenswaardige boodschap, engagement of filosofie, zonder vorm van maatschappijkritiek of visie. Geen belerende kunst, geen zakelijke notities, geen spitsvondigheden in strofen, maar dichtkunst, poëzie om de poëzie. Luuk Gruwez, Jotie T'Hooft, Daniel Billiet, Christiaan Germonpré, Miriam Van hee, Frans Deschoemaker en zelfs de jonge Tom Lanoye kleven deze poëzievisie aan. Thierry Deleu hoort daar zeker bij; hij voelt zich in deze poëzie thuis. Het is hem vooral te doen om op een mooie manier beeldend met taal om te gaan. Hij kiest daarbij voor een klassieke opbouw (met aandacht voor de vorm, het ritme), geënt op een zekere (taal)stroefheid met het doel, een nieuwe (beeld)taal te creëren om de aandacht van de lezer gaande te houden.

Met de titel Ik, een naaktloper (1977) suggereert de dichter een autobiografische inhoud, doch de gedichten zelf houden de identiteit van de dichter toch gedeeltelijk verborgen. Wat opvalt is de romantische vertolking. De beeldrijke taal is gegroeid vanuit een gevoelssituatie. De poëzie van Thierry Deleu geldt algemeen als sterk persoonsgebonden, autobiografisch en therapeutisch en deze dichtbundel beantwoordt daar perfect aan. De sleutel tot de poëzie is dezelfde gebleven, maar de aanwezigheid van vaak terugkerend water als symbool van loutering en verlangen naar de bron en het begin duidt op een gewijzigd gezichtspunt. De dichter is niet langer op de vlucht, hij voelt zich als een jager. De hele bundel ademt een verbondenheid van mens en natuur uit. Er zijn uiteraard ook het vergeefse, het onbehagen, het onbevredigd verlangen, de aanwezigheid van de dood... als typische elementen van een romantische poëzie. De dichtbundel vertoont ook een zekere eenheid: loutering, het afschudden van het verleden, het elke dag opbouwen van een bestaan waarin de dood gezel is, de liefde een tedere toevlucht. Het vluchten voor het onbewoonbaar huis is een romantische vlucht in de natuur geworden. Het wegebben van de jeugdervaringen heeft plaats gemaakt voor een opdoemend dreigend beeld van de dood.

Zeer mooi zijn de lyrische beelden die natuurimpressies en het eigen gevoelsleven tot een eenheid vlechten. Als een naaktloper staat de dichter tegenover zichzelf en zijn liefde; tegelijkertijd drukt hij in deze vloeiende harmonieuze verzen de drang uit naar een soort wedergeboorte. Verrassend eenvoudige en aanspreekbare verzen, die toch een innerlijke spankracht blijven behouden bij herhaalde lectuur. Deze coherente bundel is de beste die tot dan van Deleu verscheen.

Ik, een naaktloper mag als een prototype worden beschouwd van de neoromantische dichtkunst.

In dit landschap (1980) is een logisch verlengstuk van Ik, een naaktloper. De dichter lijkt zich van alles te hebben afgekeerd en klampt zich nog enkel vast aan de vrouw en de natuur. Hij bezingt de roes waarin hij verkeert en die roes is hoopvol, uitgelaten, verrukt.

In de vorige bundel was de erotiek al aanwezig, maar in deze bundel wordt ze nadrukkelijk en dwingend opgevoerd. De dichter schuwt ook de emoties niet, maar hij weet die perfect te kanaliseren. De ideale bemiddelaar is zonder twijfel de natuur. De dichter beleeft en ondergaat de natuur en neemt de beelden die hij eraan ontleent in zich op. Daarin vindt hij soelaas. Maar niet alleen de natuur verzacht de zeden. Ook de vrouw is belangrijk, de vrouw die hij absoluut wil behouden en zich niet meer wil laten ontglippen. Het landschap dat in de titel gesuggereerd wordt is een gefantaseerd decor waarin natuur en erotisch genoegen hand in hand gaan. Het is een paradijselijk oord dat een prachtig uitzicht biedt op het heden en het verleden ver achter zich heeft gelaten.

Enigszins anders van aard en sfeer is Jaren na Lichtmis (1984), een bundel verteldichten voor vader.

De gedachte aan zijn vader komt voor het eerst voor in het gedicht ‘Weinig’ in de bundel Ik, een naaktloper uit 1977. Daarin verzucht de dichter: 'Weinig heb ik begrepen vader / van de smaak van water en wingerdrank / .... / Zacht en onvoelbaar streelt het licht / dit landschap tussen droom en waken / als een vader het zeer jonge kind’.

De toon is badinerend, de sfeer gemoedelijk. De dichter wil door middel van zijn vader een verloren gewaande tijd terug oproepen: de kindertijd. En dit veertig jaren na lichtmismaand (Lichtmis vindt plaats begin februari, de maand waarin de dichter werd geboren). Ergens vindt hij het spijtig dat zijn vader niet zoveel tijd had om zich met zijn zoon bezig te houden en daarom houdt de zoon zich nu maar met zijn vader bezig; hij dwingt hem tot een luisterend oor. Want de dichter wil een en ander kwijt dat hij nooit eerder kon opbiechten in wat voor vorm dan ook.

De reden waarom hij zich tot zijn vader richt, is niet zozeer dat er noemenswaardige problemen waren, maar communicatief schortte er wel wat. Door de drukke bezigheden van vader (die wever was en met de duiven speelde) en moeder (die een winkeltje van textiel dreef), was het mondeling communiceren met hun enige zoon tot een minimum beperkt. Emoties werden naar de achtergrond verdrongen. Deze verteldichten zijn dan ook een passend antwoord op dat gemis.

Jaren na Lichtmis bevat 34 gedichten die rechtstreeks aan vader worden verteld en handelen over schoolervaringen, belevenissen met vrienden, de eerste contacten met het andere geslacht en de vroegste erotische gevoelens.

Bewust doet Thierry Deleu hier afstand van zijn beeldende taal en hanteert hij een taal die vlot leest en gemakkelijk te begrijpen is, een vertellerstaal, want tenslotte gaat het hier niet om hoogdravende mededelingen maar over zaken van alledag. De chronologische ordening en de praatstijl zorgen voor een hechte eenheid waarin de ontwikkeling van kind tot jongeman op prachtige wijze wordt geschetst. De jeugd wordt waargenomen door de ogen van een volwassene van nu, die de feiten van vroeger thans met de nodige humor en ironie relativeert, maar toch niet altijd de sentimentaliteit kan onderdrukken, al heeft die natuurlijk ook zijn (zekere) charmes. Een rustige, verhalende toon overheerst en leidt de lezer binnen in een levensperiode waaraan de dichter zonder leugenachtigheid heeft willen over getuigen. Toch vraagt hij zich af, of bij die soms niet met eigen fantasie heeft aangevuld.

Jaren na Lichtmis (1984) bevat bijzonder geslaagde vadergedichten. Aanvaarding en relativering bepalen nu een zacht en oorspronkelijk realisme. Deleus poëzie oscilleert tussen de nood tot communicatie en het verlangen zich te kunnen terugtrekken binnen een afgebakend territorium.

Wat Deleu doet is de verplaatsing in de tijd aanvullen met de nuchtere relativering van nu. Aldus ontstaat een dubbelbeeld - ook al in het feit dat hij zijn vader tot getuige neemt en tezelfdertijd aanvoelt dat er een afstand is - dat vaak uitloopt op een verrassende conclusie, een gebalde samenvatting, een keiharde maar tegelijk spitse pointe. Humor en ironie zijn hier op hun plaats. Ze maken duidelijk dat het niet zozeer gaat om een louter therapeutische afrekening met een periode die radicaal voorbij is en toch in een klein (gekoesterd) plekje verder leeft, maar om het scheppen van klaarheid, van inzicht in zichzelf.

Toch tekent de dichter zich niet ten voeten uit: er blijft (gelukkig) een lichte waas over deze gedichten hangen, alsof de werkelijkheid niet echt kán worden prijsgegeven (en zodoende evenmin stukgemaakt).

Tien jaar na Jaren na Lichtmis verschijnt Memoires (1994), een bloemlezing waarmee de dichter een subtiele balans opmaakt van reeds eerder gepubliceerde gedichten als wilde hij zijn stilzwijgen vergoelijken. Drukke beroepsbezigheden als directeur secundair onderwijs en parlementair medewerker weerhielden hem echter van alle lyrische ontboezemingen.

Deze 'memoires' van Deleu zijn herinneringen aan wat zich in zijn leven afspeelde in het gebied van liefde, natuur en vergankelijkheid. Vooral het hechte verband tussen natuur en lichaam, tussen de geheimen die elk van deze elementen verbergt, tussen het landschap en de mens, valt in deze gedichten sterk op.

Wie zulke onderwerpen wil behandelen in de poëzie, kan dit alleen doen in een taal die doordrenkt is van die elementen. Tot de vreugde bij het lezen behoort het gewaarworden van die doordrenking, het doorzinderd worden van de woorden door geur, kleur, licht, vorm, lichamelijkheid.

Dit leidt hoegenaamd niet tot mimetisme: steeds weer verrast Deleu door wat hij met de vermenging van taal en realiteit weet te doen. Associatie, bi- en dissociatie, zin- en woordspeling, omkering: dit zijn enkele van de steeds spontaan aandoende middelen waarmee Deleu te werk gaat. Soms overheerst het nieuwe, pregnante beeld, dan weer is het de taal die zich optrekt aan de situatie en ze verandert door ze neer te schrijven. De gedichten van Deleu lezen, wil vaak zeggen een nieuwe visie krijgen op de natuur. Maar wat deze bundel toch beheerst zijn de memoires van de liefde. Lichaam en poëzie, liefde en gedicht, liefje en taal: de lezer bespeurt aanhoudend de overgang van het ene naar het andere.

Deleu hanteert een zeer soepele, lenige taal waarmee hij langs en in de dingen glijdt. Er zit weinig weemoed of verdriet in deze bundel. Waarschijnlijk heel bewust heeft Deleu het zo gehouden. Ook als bij het sterven het afscheid ter sprake komt, gaat het bijna verloren in de werveling, of wordt het feestelijke er zelfs nog van beklemtoond.

In 1997 verschijnt dan eindelijk een volledig nieuwe dichtbundel: Val der Engelen.

Val der Engelen bevat 35 gedichten die in de periode 1993-1996 werden geschreven. De thematiek is onmiskenbaar de verheerlijking van Eros, de liefde, met een sterke neiging tot erotiek, en met als decorum de natuur, die soms herkenbaar is... (de Bourgogne, de Auvergne, de Moeren, de Leie…).

De natuur is medeplichtig aan ons Zijn, is een factor die onze gemoedsgesteldheid kan beheersen. Zo kunnen we ons onrustig, troosteloos... enz. voelen als de wind rond het huis blaast, of kunnen we ons veiliger en geborgen voelen binnen de kleurrijke contouren van een zomerse tuin. De natuur past perfect in de nieuwe werkelijkheden die de dichter steeds voor ogen heeft.

Voor Thierry Deleu als dichter zijn dat geen nieuwe elementen. Zijn vroegere gedichten baadden reeds in dergelijke sfeer, waren reeds ondergedompeld in hetzelfde bad. Alleen is de dichter geëvolueerd, heeft hij zijn taal uitgezuiverd, heeft hij nog meer aandacht besteed aan vorm, ritmiek en structuur. Kenmerkend voor de schrijfstijl van de dichter zijn de vierregelige strofen die weliswaar niet afsluiten met een punt, meestal doorlopen, maar door hun lay-out een zelfvertrouwen in beeldvorming uitstralen.

Fantastische vondst vind ik de zgn. vogelgedichten. Het zijn er een zestal, ze vallen op omdat ze in een schuine letter werden gezet en ze zijn regelmatig over de bundel verspreid. Als we de andere gedichten beschouwen als een aardse beleving van de liefde en de erotiek, dan zijn de vogelgedichten hemels en bekijkt de dichter vanuit vogelperspectief en met een ongegeneerd voyeurisme het liefdesspel op aarde. Op die manier neemt de dichter voor een stuk afstand en relativeert hij zijn eigen betrokkenheid. Een mooi voorbeeld hiervan is ‘Aan de Leie’.

Enigszins nieuw is misschien wel de mystieke sfeer die de meeste gedichten kleurt, vooral dan in de reisgedichten met als decorum de Bourgogne en de Auvergne. De liefde is nog steeds het uitgangspunt, maar dat tikkeltje godsdienstigheid symboliseert een gevoel van ingetogenheid. Anderzijds wordt dat mystieke gevoel dan weer met opzet doorbroken door erotiek. Een mooi voorbeeld hiervan is ‘La Chapelle des moines’, dat overigens eindigt met de drie woorden die meteen als titel voor deze dichtbundel werden gekozen.

Het is een vaststaand feit dat het element Eros (de liefde) vaak in één adem wordt genoemd met Thanatos (de dood). Het is opmerkelijk dat in deze dichtbundel het Thanatos-gegeven volledig ontbreekt. Althans in de schriftuur. Val der Engelen bevat, naast 35 gedichten, immers ook 7 tekeningen van Henk Deleu die doordrongen zijn van een expressief geladen spanning die veelal het onvermogen tot communiceren en het macabere van de dood tot onderwerp heeft. Magere figuren in erotische houdingen, uitgemergelde figuren in een schijnbaar laatste stuiptrekking... Het werk van Henk Deleu symboliseert een pessimistische kijk op het leven. Een constante uitdrukking in die tekeningen is de open mond, een open gat als begin- of eindpunt, in dit geval steeds een eindpunt: de uiting van pijn, de laatste zucht, de schreeuw als hoogtepunt bij de seksuele beleving...

De tekeningen werden telkens naast de cursief gedrukte vogelgedichten geplaatst, maar betekenen daarom geen illustratie van de tekst. Ze staan er gewoon los van. Ze vormen zelfs een contrast, een tegengewicht. Eros tegenover Thanatos.


Coda

Als toemaatje wordt de lezer van In de weelde van de liefde verrast met drie nooit eerder gepubliceerde gedichten.

‘Vol van haar’ is een regelrechte liefdesverklaring met een erotische inslag waarbij geuren een belangrijke rol spelen. ‘Als ik aan land ga’ is eveneens een liefdesgedicht maar ditmaal zocht de dichter zijn beelden in het woordgebruik van de zeevaarder of de machtige zee. ‘Laatste duel’ is het laatste eerbetoon van een dankbare zoon aan zijn stervende vader.

Deze gedichten staan duidelijk op zichzelf; ze vielen wellicht uit de boot bij het samenstellen van eerder verschenen dichtbundels; toch vallen ze niet uit de toon wat de poëtica van Thierry Deleu betreft. Eros en Thanatos zitten er zeker in, en zodoende staan ze niet mis in deze Best of.

Ik eindig hier graag met enkele woorden die Geert Van Istendael neerschreef in zijn essay Van rijmelaars en makelaars, een artikel over het nut van de poëzie in deze supersnelle tijd dat verscheen in het Nieuw Wereldtijdschrift, jaargang 16, nr. 1: “Onze stem is niet sterk, maar ons gebied heeft geen eind. Gedichten zullen de wereld niet redden, maar de wereld is reddeloos zonder gedichten”.

Staten verdwijnen, poëzie blijft. Mensen overlijden, poëzie overleeft. Deleu leidde (leidt) – zeker in literair opzicht – een eigenzinnig bestaan. Hij heeft nooit veel drukte verkocht. Hij zocht geen andere dichters op; hij frequenteerde zelden literaire salons, soms een literair café – omdat het leek alsof hij in een kroeg zat.

‘Alles wat waar is, / kan zachtjes zijn. // Zachtjes rijpen de vruchten. / Bladeren vallen in stilte’, schreef de Oost-Duitse dichter Heinz Kahlau.


Bronvermelding

De ideeën over het wezen van de poëzie haalde ik grotendeels uit de essays van Octavio Paz. De vergelijkende elementen over het nut van de poëzie en de markteconomie heb ik grotendeels opgepikt uit het artikel Van rijmelaars en makelaars van Geert Van Istendael

Bij het beschrijven en becommentariëren van de dichtbundels die verschenen tussen 1965 en 1984 heb ik veel tekstgedeelten overgenomen uit diverse recensies in literaire tijdschriften van Guy Van Hoof, evenals uit diens boek Aan wat overblijft heb ik genoeg: over de poëzie van Thierry Deleu. Ik heb me daarbij soms laten verleiden om hele zinnen en paragrafen over te nemen omwille van het feit dat ik niets meer toe te voegen had aan de gedetailleerde bespreking ervan. Soms heb ik een aantal citaten wel ingekort, af en toe een woord aangepast, een tussenzin er bijgeschreven, eigen interpretaties er aan toegevoegd, daar waar ik dit nodig achtte.

Behalve de enorme dank die ik verschuldigd ben aan Guy Van Hoof raadpleegde ik volgende bronnen:

De boog en de lier. Het gedicht. De poëtische openbaring. Poëzie en geschiedenis / Octavio Paz
Amsterdam: Meulenhoff, 1990
- De droom van de poëzie / Jacques Hamelink
Amsterdam: De Bezige Bij, 1978
- De dichter is een koe: over poëzie / Hugo Brems
Amsterdam: De Arbeiderspers, 1991
- Op poëtische wijze: een handleiding voor het lezen van poëzie /
Ernst Van Alphen, Lizet Duyvendak, Maaike Meijer en Ben Peperkamp
- Droom en doem: Vlaamse poëzie 1960-1985 / Marc De Smet
Gent: Yang, 1985
- Aan wat overblijft heb ik genoeg: over de poëzie van Thierry Deleu / Guy van Hoof
Brugge: Pablo Nerudafonds, 1986
- Zonnesteen, voorafgegaan door Adelaar of zon? en gevolgd door drie essays /Octavio Paz
Amsterdam: Meulenhoff, 1990
- Van rijmelaars en makelaars / Geert Van Istendael
Nieuw Wereldtijdschrift: jaargang 16, nr. 1