Staf De Wilde
de eerste sneeuw
kom, gebaart ze en wijst
naar het raam: een wereld
verdween, een wereld verscheen
en weer is ze het meisje
met de slede, ze weet van wanten
het oud verhaal toen in tuinen
met buishoed en bezem
heertjes verrezen
van verse sneeuw
jonger word je van een winters
verleden: vader was een veulen
hij trok de slede en gleed
voor je uit
en moeder bleef bezig
aan het warmste van de aarde:
een dikke uiensoep
waar je korstjes in doopte
een wereld verscheen
en je lacht als een pop
met kolen in de mond:
verdwenen is het huis
waar je slede stond
Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans
Stichtingsdatum: 1 februari 2007
"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"
"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.
Stichtingsdatum: 1 februari 2007
"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"
"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.
30 november 2010
Ik heb de weg
Ik heb de weg alleen gelopen
vol hobbels en kuilen met
stenen in elke vorm en kleur.
Ik zocht er naar antwoorden
uit mijn verleden die mij weer
nieuwe kracht zouden moeten
geven voor nu en in het heden.
Het was een woordeloos zwijgen
tot ik plots warmte in mijn hart
naar binnen voelde stromen er
werd overspoeld met mijn emotie
die zich eindelijk bevrijden mocht.
Paula Hagenaars
Ik heb de weg alleen gelopen
vol hobbels en kuilen met
stenen in elke vorm en kleur.
Ik zocht er naar antwoorden
uit mijn verleden die mij weer
nieuwe kracht zouden moeten
geven voor nu en in het heden.
Het was een woordeloos zwijgen
tot ik plots warmte in mijn hart
naar binnen voelde stromen er
werd overspoeld met mijn emotie
die zich eindelijk bevrijden mocht.
Paula Hagenaars
VREEMDE TOEGANKELIJKHEID
OF POEZIE MET INSPANNINGSVERPLICHTING
Thierry Deleu
Maularia Fist (° 1987) is het pseudoniem van Maurits Sterkenburg. In 2007 publiceerde hij zijn debuutbundel Voorgaande Naloper bij dezelfde uitgeverij, met name Razor’s Edge Editions (B).
In mijn recensie schreef ik toen:
"Debuutbundel van Maularia Fist: Vreemde eend in de bijt!
Buitengewone, van de regel afwijkende gedichten (en dit is geen waardeoordeel). Gedichten om te worden voorgedragen op een podium of onder de douche. Maularia Fist schrijft: gedichten zijn “gemoedstoestanden”, “de ogen zijn de illusie van wat de dichter denkt erin te aanschouwen.”
Cynisch, soms vergald, zegt hij ongezouten eerlijk zijn gedacht of veeleer vertaalt hij open minded wat hij aanvoelt tegenover mens of situatie. Het gif dat hij bij (k)wijlen uitspuwt, is niet gevaarlijk, het hoort bij het leven, bij het spel van verweren en overleven.
In het openingsgedicht “voorgaande naloper” zet de dichter onmiddellijk de toon, de juiste toon, zijn toon: hij relativeert en toch vindt hij gedichten schrijven mentaal zwaar werk. Deze tegenstelling duikt vaak op in de bundel: dichten is ernst, maar het blijft een spel. De keuze van de titel is dan ook raak en origineel, doet nadenken: voorgaande - naloper.
Wie is de dichter? Wat stelt hij voor? Wat is het motief, de drijfveer? Welke zijn de werktuigen?
Een dichter is vol mooie woorden, abstracte gedachten die alleen met verdovende middelen in staat is tot schrijven. Met “verdovende middelen” bedoelt Maularia Fist de roes, de inleving.
Gedichten zijn emotief, gerockt uit reinste woorden, sterk aftreksel, de dichter verheft zijn stem in stilte, hij is een jammerende ziel.
Hij dichter beseft dat hij navelstaart, maar hij vindt dit niet erg, de lezer moet er leren mee omgaan, hij moet wat hem aanbelangt of aanspreekt verwerken. Met andere woorden: ook de lezer heeft een taak die Maularia Fist omschrijft als het bekijken van jezelf in de spiegel/met je eigen gelaat en uit de confrontatie van jezelf met de woorden van de dichter uit de knoop raken.
De dichter doet alsof hij alles onder controle heeft (zijn geforceerd relativeren), maar toch scheurt uit het lichaam Bundel een getormenteerd alter ego die het uitschreeuwt van ellende.
Met deze debuutbundel dient Maularia Fist zich aan als een getalenteerde dichter. Hoewel hij zijn gevoelens soms rauw en ruw vertaalt of zijn beelden put uit de gewone dingen des levens (in heel duidelijke, niet mis te verstane bewoordingen), geniet ik toch van de plasticiteit waarmee hij ze kneedt tot lyrische ontboezemingen. Dit is een “gave” die hem wel op de rand kan brengen van het poëtische, maar in voorgaande naloper omzeilt hij dit risico alsnog.
Ik heb genoten van de kruisbestuivingen tussen lyriek, epiek en drama, waardoor zijn poëzie een ongewone dynamiek verkrijgt. Een enkele keer neemt hij de bocht te snel en vervalt hij in ludiek spel. Poëzie moet “poëticiteit” blijven: dit betekent dat het woord als woord wordt ervaren en niet louter als het benoemen van het object!
Het gedicht moet een “abnormaliteit” blijven, een onderbreking in de stroom van gebeurtenissen. Het gedicht is een stilstand.
Maularia Fist is een mix van performer en dichter, zijn gedichten komen het best tot hun recht als hij ze zelf voordraagt. Dichter en gedicht zorgen voor de communicatie met de luisteraar. Hij doorbreekt graag de structuur van het gedicht om te kunnen zeggen wat hij bedoelt en hoe hij het wil laten horen. Door zijn ongestructureerd rijmen (binnenrijm en eindrijm) trekt hij de aandacht en verleent zelfs aan de banaalste werkelijkheid een muzikaal air.
Zonder aarzeling durf ik hem een aanwinst noemen in het Nederlandstalige poëtische landschap. Hij heeft het ritme beet om een creatie te verwoorden, nu nog met meer zin voor “surplace” werken aan beeldvorming: poëzie schept leven, het gedicht leeft een eigen leven, de beelden zijn vaak de levensaders.”
Ook in zijn tweede bundel, Subtiela Bombastica, een tocht op gevoel, zijn bovenstaande ingrediënten gul aanwezig. Zijn openingsgedicht “Volle Zinnigheid” neemt de lezer onmiddellijk bij de kraag: dit is dichten: letters op papier die opzwepen, een hart diep raken, schrijven in waanzin; dit is dichten: een parodie op een “tekstig” woordenspel, of onzin. Dichten eindigt bij de dood.
In het titelgedicht zet de dichter zijn programma uiteen: ik zet m’n ziel op de tocht/en laat de gevoelens stromen. De bundel (het gedicht) is een tocht op gevoel. Hij gaat bombastisch te keer, hij is een beetje contactgestoord.
bombastisch ga ik tekeer
subtiel als een debiel
in de op- en afbouw
(p. 13)
Maularia Fist schrijft met passie, hij heeft hiervoor het juiste ritme en de juiste vorm gevonden: geen vaste structuur (vaak structuurloos), geen behoefte aan begrenzing of beperking van vers en woord, hij laat zich drijven op de stroom van zijn gevoelens.
zo lang al als ik schrijf, zo lang dan ook
zal ik blijven drijven en schrijven
(p. 21)
De dichter en de mens Maurits Sterkenburg zijn elkaars alter ego. Zij kennen elkaar door en door, soms lopen zij van elkaar weg, kort, want de drang tot eenheid is groot. Hun identificatie loopt parallel.
Maularia Fist is een creatief virus, veroorzaakt door hemzelf, met de bekende ziekteverschijnselen. Plotselinge waanbeelden, koude rillingen door de ruggengraat en een hevig maar gezond ziektegevoel. Hij is ziekelijk artistiek. Omdat elke ziel deze ziekte verdient. Tegenstellingen creëren, contradicties die elkaar afzwakken of juist versterken. Het onoverzichtelijke inzichtelijk maken, zoeken naar verbondenheid, onlogische en logische verbanden met elkaar in verbinding brengen. Met humor en een eigen lichaamstaal.
De identiteit van de dichter is al in de titel te vinden: hij is subtiel of fijnzinnig, hij reageert teer en gevoelig op het hoogdravende, pompeuze, pathetische. Hij is een bombastische dichter.
Soms ontkent hij de grens tussen realiteit en fantasie. Dit is zijn (broos) verweer tegen zijn eigen natuur: werkelijkheid en spel, maar wat hij spel noemt, is rauwe realiteit.
een droge en benige tik
op mijn schouder
ik zag hoe mijn handen
knekelige kootjes zonder huid werden
ik speelde tikkertje met de Dood
(p. 29)
Wanneer hij rust vindt, - tot rust komt, is de betere omschrijving, - weet hij het tijdelijke te vertalen in een van zijn betere gedichten.
tijdelijk hardhout
de zon streelt bladeren
zachtjes een zinderend warme gloed
waarbij de wind over ze gaat vaderen
en hij laat ze hangen
een briesje heeft hier vrij spel
geen probleem, waai maar aan
vol vlagen vrolijkheid
bij ontlading naar de grond
wat een eeuwige vreugde, zou je denken
ik vermaakte me alleen een poos
terwijl ik onder een beuk zat
op een vierpotige windhoos
(p. 33)
De zon /…/ zachtjes zinderend is het kind dat de hand voelt van zijn vader waarbij de wind over ze gaat vaderen, het briesje verwekt vlagen vrolijkheid, en ook eeuwige vreugde. De dichter zit onder een beuk en geniet (tijdelijk) van zijn fantasie.
In dit gedicht zijn alweer de tegenstellingen het fundament ervan: zachtjes en zinderend, waait en hangen, eeuwige vreugde en alleen een poos.
Het cynisme (in de bundel relativeert Maularia Fist vaker symptomen van onze welvaartsstaat) druipt ervan af in het mooie gedicht “Levenloos Liesje”. Hij hekelt de commercie, hoe zij levenloos Liesje tot leven wekt: je boetseert borsten en billen, dompel het geheel in sletterige waren, geef haar en gitaar, vergeet de botox niet en de siliconen bij te pompen, neem een hit, maak een diepte-interview en Liesje wordt een pop-idool, niet onbesproken, verdacht van hoererij, slachtoffer van incest.
leve commercie, leve impresario’s
lang leve Levenloos Liesje
ze verloor eens een vliesje
(p. 36)
Contactgestoord, droombeeld, verveling, stemmen, verlatingsangst, complotten, gesticht, mentale coma, zoveel aspecten van een “getormenteerde” dichter op dreef (bijna schreef ik: op de vlucht), maar hij heeft één zekerheid:
de onzekerheid
maakt dat ik zeer zeker weet
er is niks zeker
(p. 27)
Maularia Fist lijkt mij een uit de hemel gevallen meteoriet, een gevallen engel die demonisch om zich heen slaat, op zijn huid (lit)tekens van Provo en Meirevolutie, hij reikt de hand naar Vinkenoog, zijn voorbeeld, hij deelt met hem de chaos in het dagelijkse leven en de relatie van dit soort chaos met de verbeeldingskracht.
Ik heb genoten van deze buiten-het-gewone gedichtenbundel, niet alleen om de grilligheid, het psychedelische, de losbandigheid (in de zin van structuurloos), maar ook om de originele manier van “verbeelden, ontbeelden en ombeelden” van de werkelijkheid tot een verdraaglijk leven.
Thierry Deleu
Maularia Fist, Subtiela Bombastica, een tocht op gevoel, Razor’s Edge Editions (B), 2010
OF POEZIE MET INSPANNINGSVERPLICHTING
Thierry Deleu
Maularia Fist (° 1987) is het pseudoniem van Maurits Sterkenburg. In 2007 publiceerde hij zijn debuutbundel Voorgaande Naloper bij dezelfde uitgeverij, met name Razor’s Edge Editions (B).
In mijn recensie schreef ik toen:
"Debuutbundel van Maularia Fist: Vreemde eend in de bijt!
Buitengewone, van de regel afwijkende gedichten (en dit is geen waardeoordeel). Gedichten om te worden voorgedragen op een podium of onder de douche. Maularia Fist schrijft: gedichten zijn “gemoedstoestanden”, “de ogen zijn de illusie van wat de dichter denkt erin te aanschouwen.”
Cynisch, soms vergald, zegt hij ongezouten eerlijk zijn gedacht of veeleer vertaalt hij open minded wat hij aanvoelt tegenover mens of situatie. Het gif dat hij bij (k)wijlen uitspuwt, is niet gevaarlijk, het hoort bij het leven, bij het spel van verweren en overleven.
In het openingsgedicht “voorgaande naloper” zet de dichter onmiddellijk de toon, de juiste toon, zijn toon: hij relativeert en toch vindt hij gedichten schrijven mentaal zwaar werk. Deze tegenstelling duikt vaak op in de bundel: dichten is ernst, maar het blijft een spel. De keuze van de titel is dan ook raak en origineel, doet nadenken: voorgaande - naloper.
Wie is de dichter? Wat stelt hij voor? Wat is het motief, de drijfveer? Welke zijn de werktuigen?
Een dichter is vol mooie woorden, abstracte gedachten die alleen met verdovende middelen in staat is tot schrijven. Met “verdovende middelen” bedoelt Maularia Fist de roes, de inleving.
Gedichten zijn emotief, gerockt uit reinste woorden, sterk aftreksel, de dichter verheft zijn stem in stilte, hij is een jammerende ziel.
Hij dichter beseft dat hij navelstaart, maar hij vindt dit niet erg, de lezer moet er leren mee omgaan, hij moet wat hem aanbelangt of aanspreekt verwerken. Met andere woorden: ook de lezer heeft een taak die Maularia Fist omschrijft als het bekijken van jezelf in de spiegel/met je eigen gelaat en uit de confrontatie van jezelf met de woorden van de dichter uit de knoop raken.
De dichter doet alsof hij alles onder controle heeft (zijn geforceerd relativeren), maar toch scheurt uit het lichaam Bundel een getormenteerd alter ego die het uitschreeuwt van ellende.
Met deze debuutbundel dient Maularia Fist zich aan als een getalenteerde dichter. Hoewel hij zijn gevoelens soms rauw en ruw vertaalt of zijn beelden put uit de gewone dingen des levens (in heel duidelijke, niet mis te verstane bewoordingen), geniet ik toch van de plasticiteit waarmee hij ze kneedt tot lyrische ontboezemingen. Dit is een “gave” die hem wel op de rand kan brengen van het poëtische, maar in voorgaande naloper omzeilt hij dit risico alsnog.
Ik heb genoten van de kruisbestuivingen tussen lyriek, epiek en drama, waardoor zijn poëzie een ongewone dynamiek verkrijgt. Een enkele keer neemt hij de bocht te snel en vervalt hij in ludiek spel. Poëzie moet “poëticiteit” blijven: dit betekent dat het woord als woord wordt ervaren en niet louter als het benoemen van het object!
Het gedicht moet een “abnormaliteit” blijven, een onderbreking in de stroom van gebeurtenissen. Het gedicht is een stilstand.
Maularia Fist is een mix van performer en dichter, zijn gedichten komen het best tot hun recht als hij ze zelf voordraagt. Dichter en gedicht zorgen voor de communicatie met de luisteraar. Hij doorbreekt graag de structuur van het gedicht om te kunnen zeggen wat hij bedoelt en hoe hij het wil laten horen. Door zijn ongestructureerd rijmen (binnenrijm en eindrijm) trekt hij de aandacht en verleent zelfs aan de banaalste werkelijkheid een muzikaal air.
Zonder aarzeling durf ik hem een aanwinst noemen in het Nederlandstalige poëtische landschap. Hij heeft het ritme beet om een creatie te verwoorden, nu nog met meer zin voor “surplace” werken aan beeldvorming: poëzie schept leven, het gedicht leeft een eigen leven, de beelden zijn vaak de levensaders.”
Ook in zijn tweede bundel, Subtiela Bombastica, een tocht op gevoel, zijn bovenstaande ingrediënten gul aanwezig. Zijn openingsgedicht “Volle Zinnigheid” neemt de lezer onmiddellijk bij de kraag: dit is dichten: letters op papier die opzwepen, een hart diep raken, schrijven in waanzin; dit is dichten: een parodie op een “tekstig” woordenspel, of onzin. Dichten eindigt bij de dood.
In het titelgedicht zet de dichter zijn programma uiteen: ik zet m’n ziel op de tocht/en laat de gevoelens stromen. De bundel (het gedicht) is een tocht op gevoel. Hij gaat bombastisch te keer, hij is een beetje contactgestoord.
bombastisch ga ik tekeer
subtiel als een debiel
in de op- en afbouw
(p. 13)
Maularia Fist schrijft met passie, hij heeft hiervoor het juiste ritme en de juiste vorm gevonden: geen vaste structuur (vaak structuurloos), geen behoefte aan begrenzing of beperking van vers en woord, hij laat zich drijven op de stroom van zijn gevoelens.
zo lang al als ik schrijf, zo lang dan ook
zal ik blijven drijven en schrijven
(p. 21)
De dichter en de mens Maurits Sterkenburg zijn elkaars alter ego. Zij kennen elkaar door en door, soms lopen zij van elkaar weg, kort, want de drang tot eenheid is groot. Hun identificatie loopt parallel.
Maularia Fist is een creatief virus, veroorzaakt door hemzelf, met de bekende ziekteverschijnselen. Plotselinge waanbeelden, koude rillingen door de ruggengraat en een hevig maar gezond ziektegevoel. Hij is ziekelijk artistiek. Omdat elke ziel deze ziekte verdient. Tegenstellingen creëren, contradicties die elkaar afzwakken of juist versterken. Het onoverzichtelijke inzichtelijk maken, zoeken naar verbondenheid, onlogische en logische verbanden met elkaar in verbinding brengen. Met humor en een eigen lichaamstaal.
De identiteit van de dichter is al in de titel te vinden: hij is subtiel of fijnzinnig, hij reageert teer en gevoelig op het hoogdravende, pompeuze, pathetische. Hij is een bombastische dichter.
Soms ontkent hij de grens tussen realiteit en fantasie. Dit is zijn (broos) verweer tegen zijn eigen natuur: werkelijkheid en spel, maar wat hij spel noemt, is rauwe realiteit.
een droge en benige tik
op mijn schouder
ik zag hoe mijn handen
knekelige kootjes zonder huid werden
ik speelde tikkertje met de Dood
(p. 29)
Wanneer hij rust vindt, - tot rust komt, is de betere omschrijving, - weet hij het tijdelijke te vertalen in een van zijn betere gedichten.
tijdelijk hardhout
de zon streelt bladeren
zachtjes een zinderend warme gloed
waarbij de wind over ze gaat vaderen
en hij laat ze hangen
een briesje heeft hier vrij spel
geen probleem, waai maar aan
vol vlagen vrolijkheid
bij ontlading naar de grond
wat een eeuwige vreugde, zou je denken
ik vermaakte me alleen een poos
terwijl ik onder een beuk zat
op een vierpotige windhoos
(p. 33)
De zon /…/ zachtjes zinderend is het kind dat de hand voelt van zijn vader waarbij de wind over ze gaat vaderen, het briesje verwekt vlagen vrolijkheid, en ook eeuwige vreugde. De dichter zit onder een beuk en geniet (tijdelijk) van zijn fantasie.
In dit gedicht zijn alweer de tegenstellingen het fundament ervan: zachtjes en zinderend, waait en hangen, eeuwige vreugde en alleen een poos.
Het cynisme (in de bundel relativeert Maularia Fist vaker symptomen van onze welvaartsstaat) druipt ervan af in het mooie gedicht “Levenloos Liesje”. Hij hekelt de commercie, hoe zij levenloos Liesje tot leven wekt: je boetseert borsten en billen, dompel het geheel in sletterige waren, geef haar en gitaar, vergeet de botox niet en de siliconen bij te pompen, neem een hit, maak een diepte-interview en Liesje wordt een pop-idool, niet onbesproken, verdacht van hoererij, slachtoffer van incest.
leve commercie, leve impresario’s
lang leve Levenloos Liesje
ze verloor eens een vliesje
(p. 36)
Contactgestoord, droombeeld, verveling, stemmen, verlatingsangst, complotten, gesticht, mentale coma, zoveel aspecten van een “getormenteerde” dichter op dreef (bijna schreef ik: op de vlucht), maar hij heeft één zekerheid:
de onzekerheid
maakt dat ik zeer zeker weet
er is niks zeker
(p. 27)
Maularia Fist lijkt mij een uit de hemel gevallen meteoriet, een gevallen engel die demonisch om zich heen slaat, op zijn huid (lit)tekens van Provo en Meirevolutie, hij reikt de hand naar Vinkenoog, zijn voorbeeld, hij deelt met hem de chaos in het dagelijkse leven en de relatie van dit soort chaos met de verbeeldingskracht.
Ik heb genoten van deze buiten-het-gewone gedichtenbundel, niet alleen om de grilligheid, het psychedelische, de losbandigheid (in de zin van structuurloos), maar ook om de originele manier van “verbeelden, ontbeelden en ombeelden” van de werkelijkheid tot een verdraaglijk leven.
Thierry Deleu
Maularia Fist, Subtiela Bombastica, een tocht op gevoel, Razor’s Edge Editions (B), 2010
29 november 2010
PERSBERICHT
Nieuwe gedichtenbundel bij Demer Uitgeverij (januari 2011)
PROTESTGEDICHTEN
(tegen geweld, discriminatie, corruptie, kindermisbruik, asielbeleid etc.)
(tegen geweld, discriminatie, corruptie, kindermisbruik, asielbeleid etc.)
Over alles wat niet deugt
Boekwebsite: www.lulu.com/content/9579557
(reeds te bestellen via deze website)
Paperback, 48 pages
Price: €14.00
Protestgedichten over maatschappelijke onderwerpen zoals: discriminatie, misbruik kinderen, geweld, asielbeleid etc. Bijdragen van Blauwhartje, Catharina Boer, Hilde Boulanger, Staf De Wilde, Frank Decerf, Jenny Dejager, Thierry Deleu, Tjarda Eskes, Julie Goderis, Christina Guirlande, Tine Hertmans, Joris Iven, Marije Kos, Mark Meekers, Y. Né, Edith Oeyen, Suzanne Pyra en Hannie Rouweler.
Enkele afbeeldingen (zwart wit) van kunstwerken zijn opgenomen in de bundel.
Inleiding: Hannie Rouweler.
ISBN 978-1-4461-0474-3
Copyright alle dichters en kunstenaars (Standard Copyright License)
Edition 2011
Demer Uitgeverij
Vanaf januari 2011 leverbaar bij Demer Uitgeverij: € 16 (incl. € 2 verzendkosten).
info@demerpress.be
Met vriendelijke groeten,
Hannie Rouweler
Demer Uitgeverij, ePublisher
http://www.demerpress.be/
CHAOS - Thierry Deleu (een selectie) - cerebrale poëzie
1
Chaos slaat toe in mijn verbeelding
ik bied geen verweer ik leef
met de gedachte dat hij mijn
uitvinding is mijn tijding.
Begint chaos niet met de schepping?
Eindigt de schepping niet in chaos?
Eureka! Ik heb het wiel der
verbeelding uitgevonden!
Chaos slaapt zijn roes in de
armen van Gaia, ik ben Eros,
kijk bewonderend toe hoe een
gapende leegte de vorm krijgt
van een Madonna met kind.
Ik ben kosmisch geladen
androgeen voel creatieve
spanning tussen hemel en aarde.
2
Ik loop de Melkweg af bewaar
het evenwicht tussen hemel
en aarde een kloof gaapt mij na
de hemel een kip op eieren
met een ellips als een slang rond
het middel. Ik zit wankel, boven
mij dagelijkse werkelijkheid
onder mij de Onderwereld
ik houd mij vast aan het handvat
der verbeelding bereik de
Koninklijke weg die naar de
goden leidt ben eerste mens.
3
In mijn hand versnipperde foto
willekeur wanorde chaos
kosmisch concept van god godin
in bewegend water stroom
naar volgende generatie
conflict tussen god en mens
mens vindt het gespaakte wiel rijdt
chaos naar orde stroom valt
stil stilstand statisch proces.
Ik doorbreek wereldorde
met epische poëzie.
Preek de chaosrevolutie.
4
Chaos blijft op zijn hoede. Orde
dreigt bedreigt creativiteit.
Ik loop de spuigaten uit en
suggereer weerstand leg rituele
basis voor moord. Wie verzet zich
tegen eigen schepping? Wie vergalt
wat zijn fantasie creëert?
Het prematuurtje wordt zoon van
alle goden Drievuldigheid
schepping verbeelding chaos
embryo's vermenigvuldigen zich.
Het is tijd dat liefde overwint.
5
Wij hebben de gewoonte gewoonten
te hebben zij nestelen zich warm
in de goddelijke attractor de
theologie van de ordehandhavers.
Indien gewoonte diepe richel wordt
schept zij uit het niet de mythe van
herhaling. Ik hou niet van evidente
verhalen, ik lust geen kaas van gestuurde
resonantie, zij versmachten de link
tussen chaos en verbeelding. Mensen
raken overwoekerd door patriarchen
die huik ontzettend naar de wind zetten.
6
Afgod Patriarch verbant chaos
hij wil wet en orde, zijn visie
doodt leven vergalt liefde. Verman
jullie mannen vrouwen laaf jullie
niet aan droge bronnen verwek geen
potentiële aanhangers van
axioma's, chaos is vrouwelijk
intuïtief flirt met taal chaos
verleidt tot grootse dingen. Mens zit
geklemd tussen het alledaagse
en het extreem verhevene, tussen
vrijheid en solidariteit.
7
De dichter wettelijke erfgenaam
van goddelijke verbeeldingskracht
dit is zijn geboorterecht zijn
poëtisch vermogen. Hij is in staat
tot creëren van ideale
schoonheid. Dichters hebben een geheime
geschiedenis, hun traumatisch verleden,
hun relatie met fijnbesnaarde
intelligentie en ongebreidelde
creatie. Ik ben geen haar beter,
ik leef in dynamisch evenwicht
met de natuur, wil die link niet kwijt.
8
Een dichter kan nooit op dieet. Is dit
niet gelijk aan het verhinderen van
zijn ego? Ik wil geen verklaring, zij
verstoort mijn woorden, zij bedreigt mijn
hallucinogene taal. Op dichten
zit geen rem, dichters leven in ontucht,
hun zelfbeeld is waardeloos, hoogstens
kan religie hen bekoren, alleen
om als kankerende aberratie
snel over te vloeien in een nieuw soort
gedrag dat chaos toegang verleent.
Een onbegrensde grens. Geen code.
9
Ik voel de chaos trillen in mijn lijf
ik word gedefinieerd in termen van
controle, ik word gemodelleerd, ik
wil geen insluiting. Die vrees creëert
twijfel rommeligheid ik zoek geen
waarheid maar spel verbazing, ik zet
een project op stapel, lees: ik span
een verbeeldingsnet in de oceaan
van de chaos, ik dobber, vis nieuwe
ideeën op. Opgelet, dit is
geen model maar een uithaal naar standaard
netten en wetten, regelgeving.
10
's Nachts word ik verscheurd, keer terug
naar de dag, kruip onder mijn bed, bid,
tot de kleine wezens verdwijnen,
dit is leven boven het maaiveld
van verbeelding en angst, metafoor
van idee-jagen, dit is eten
en drinken, kunst die neerdaalt uit de
hemel het gebied waar platonisme
schittert en straalt. Zei Plato niet dat
het Goede het Ware was en dat
beide Mooi zijn? Ik voel de kracht tot
in mijn botten, chaos is opslagplaats
van schoonheid, geen wanorde te bespeuren,
geen tijd en ruimte, orde op
ingebedde verwarring. Ik voel
de kracht in mijn letterlijke droom.
Thierry Deleu
Reactie
Beste Thierry
Gelukgewenst en gefeliciteerd met de kosmossuite.
Ik vind het kwalitatief en inhoudelijk gedichten die overeind blijven en ik ben zeer onder de indruk.
Het is verstaanbaar en het heeft diepgang, zodat het makkelijk lijkt, maar dat is bedrieglijk want het eist wel degelijk veel inspanning om zo ver te komen dat je dit kunt doen.
Beste groeten
Peter Van Breusegem (Dirk van Babylon)
28 november 2010
Pro memorie!
Beste lezer,
Revolver, opgericht in 1968, zet met het dubbeldik decembernummer een punt achter zijn bestaan. Het tijdschrift is het slachtoffer geworden van een nieuwe fiscale wet van 16 juli 2008. De vzw Revolver, uitgever van het blad, wordt belast met de verplichte bronheffing van een roerende voorheffing van 15% op de auteursrechten. De vzw doet nu werk dat het Ministerie van Financiën in het verleden zelf deed.
De nieuwe maatregel is voor de in België wonende auteurs bijzonder voordelig maar betekent voor een literair tijdschrift een extra-administratieve rompslomp. Kafkaiaans hierbij is dat buitenlandse medewerkers (Nederlanders bijvoorbeeld) gedwongen worden formulieren in te vullen en dan op hun belastingskantoor officiële stempels te halen, willen ze hun gelden ontvangen. Revolver heeft altijd Nederlandse en Vlaamse auteurs op gelijke voet behandeld gezien de eenheid van taal en literatuur. Dat dit nu niet meer kan, is voor het tijdschrift onaanvaardbaar.
Revolver is een financieel gezond blad met trouwe abonnees, een goede verkoop van losse nummers en voldoende gesubsidieerd. De almaar toenemende administratieve taken en de daaruit voortvloeiende groeiende verantwoordelijkheden zijn nu helaas te zwaarwegend geworden. Ze zetten duidelijk een verstikkende domper op het redactionele, op de ‘echte’ missie van Revolver: het uitgeven van een degelijk literair tijdschrift.
Tweeënveertig jaar on the road is mooi geweest. Wij danken allen die dit hebben mogelijk gemaakt: auteurs, kunstenaars, gast- en eindredacteurs, organisaties, sponsors, subsidiënten – het Vlaams Fonds voor de Letteren in het bijzonder – en last but not least alle lezers.
De stichters: Gerd Segers en François De Bauw
Revolver, opgericht in 1968, zet met het dubbeldik decembernummer een punt achter zijn bestaan. Het tijdschrift is het slachtoffer geworden van een nieuwe fiscale wet van 16 juli 2008. De vzw Revolver, uitgever van het blad, wordt belast met de verplichte bronheffing van een roerende voorheffing van 15% op de auteursrechten. De vzw doet nu werk dat het Ministerie van Financiën in het verleden zelf deed.
De nieuwe maatregel is voor de in België wonende auteurs bijzonder voordelig maar betekent voor een literair tijdschrift een extra-administratieve rompslomp. Kafkaiaans hierbij is dat buitenlandse medewerkers (Nederlanders bijvoorbeeld) gedwongen worden formulieren in te vullen en dan op hun belastingskantoor officiële stempels te halen, willen ze hun gelden ontvangen. Revolver heeft altijd Nederlandse en Vlaamse auteurs op gelijke voet behandeld gezien de eenheid van taal en literatuur. Dat dit nu niet meer kan, is voor het tijdschrift onaanvaardbaar.
Revolver is een financieel gezond blad met trouwe abonnees, een goede verkoop van losse nummers en voldoende gesubsidieerd. De almaar toenemende administratieve taken en de daaruit voortvloeiende groeiende verantwoordelijkheden zijn nu helaas te zwaarwegend geworden. Ze zetten duidelijk een verstikkende domper op het redactionele, op de ‘echte’ missie van Revolver: het uitgeven van een degelijk literair tijdschrift.
Tweeënveertig jaar on the road is mooi geweest. Wij danken allen die dit hebben mogelijk gemaakt: auteurs, kunstenaars, gast- en eindredacteurs, organisaties, sponsors, subsidiënten – het Vlaams Fonds voor de Letteren in het bijzonder – en last but not least alle lezers.
De stichters: Gerd Segers en François De Bauw
Debuut Luc Bentein
Luc Bentein is na zijn pensionering als schooldirecteur achter de spiegel gaan staan en heeft er doorheen gekeken naar zichzelf. Om afstand te nemen en als catharsis een aantal ervaringen van zich af te schrijven. Aan de andere kant van de spiegel ziet hij zichzelf en schrijft over het ik alsof het een ander is. In het boek wordt de auteur aangeduid door middel van hoofdletters om geen verwarring te scheppen met anderen.
Hij heeft het over verleden en heden. Over zijn afkomst, zijn passies, pijn en vreugde. Over persoonlijke gebeurtenissen, onderwijs, vrijmetselarij, de erfenis van 68 en de maatschappij vandaag, steeds met reserve en zonder opgeheven vingertje.
Hij schrijft zijn verhaal in korte hoofdstukken, zonder literaire pretenties. Het boek is een zeer persoonlijke getuigenis van iemand die de noodzaak voelde om dit neer te schrijven, nu hij er de tijd voor had. De hoofdstukken hebben ook geen chronologische logica. In een soort postmodernistisch en existentialistisch elan heeft Bentein neergeschreven wat hem op het moment in het hoofd kwam.
GEBROKEN SPIEGEL (103 pp, beperkte oplage) kan besteld worden door overschrijving van € 13 op rekening nr. 850-8123402-38Met vermelding “GEBROKEN SPIEGEL” + code:
A = afhaling ter gelegenheid van de opening “Zelfportret”
B= wordt u bezorgd (zonder portkosten), persoonlijk of per post
Hij heeft het over verleden en heden. Over zijn afkomst, zijn passies, pijn en vreugde. Over persoonlijke gebeurtenissen, onderwijs, vrijmetselarij, de erfenis van 68 en de maatschappij vandaag, steeds met reserve en zonder opgeheven vingertje.
Hij schrijft zijn verhaal in korte hoofdstukken, zonder literaire pretenties. Het boek is een zeer persoonlijke getuigenis van iemand die de noodzaak voelde om dit neer te schrijven, nu hij er de tijd voor had. De hoofdstukken hebben ook geen chronologische logica. In een soort postmodernistisch en existentialistisch elan heeft Bentein neergeschreven wat hem op het moment in het hoofd kwam.
***
Het boek GEBROKEN SPIEGEL verschijnt op 23 januari 2011, ter gelegenheid van de opening van de tentoonstelling “Zelfportret” door Luc Bentein om 11u30 in de Geuzetorre te Oostende.
***
GEBROKEN SPIEGEL (103 pp, beperkte oplage) kan besteld worden door overschrijving van € 13 op rekening nr. 850-8123402-38
A = afhaling ter gelegenheid van de opening “Zelfportret”
B= wordt u bezorgd (zonder portkosten), persoonlijk of per post
Sorry, vrienden,
Waarschijnlijk is in de vorige mail een foutje opgetreden, bij sommige mensen waren de adressen niet zichtbaar, vandaar een nieuwe versie.
Herwin Vangaever - Pittellioen Claudine en vzw Ex-Libris gaan verhuizen van de:
Hoflandstraat 8 te 8640 Oostvleteren
naar de:
Kasteelstraat 47 te 8640 Oostvleteren.
Mailadressen en telefoonnummers blijven onveranderd.
Het oude Kunsthuis 'Ex-Libris' staat te koop, indien interesse neem een kijkje op onze site:
http://users.telenet.be/herwinvangaever/mijnweb
Vriendelijke groetjes.
Herwin en Claudine
Waarschijnlijk is in de vorige mail een foutje opgetreden, bij sommige mensen waren de adressen niet zichtbaar, vandaar een nieuwe versie.
Herwin Vangaever - Pittellioen Claudine en vzw Ex-Libris gaan verhuizen van de:
Hoflandstraat 8 te 8640 Oostvleteren
naar de:
Kasteelstraat 47 te 8640 Oostvleteren.
Mailadressen en telefoonnummers blijven onveranderd.
Het oude Kunsthuis 'Ex-Libris' staat te koop, indien interesse neem een kijkje op onze site:
http://users.telenet.be/herwinvangaever/mijnweb
Vriendelijke groetjes.
Herwin en Claudine
26 november 2010
Even was er
Even was er een witte wolk
omkranst met zonnestralen
die zweefde in het stille blauw
over het heldere water
langs velden met zonnebloemen
waar jij altijd zoveel van hield.
Daarin voelde ik jouw liefde, met
de wind stuurde je me ook kracht
die ik soms zo hard nodig had.
Moeder je bent me nog steeds zo nabij.
Paula Hagenaars
Even was er een witte wolk
omkranst met zonnestralen
die zweefde in het stille blauw
over het heldere water
langs velden met zonnebloemen
waar jij altijd zoveel van hield.
Daarin voelde ik jouw liefde, met
de wind stuurde je me ook kracht
die ik soms zo hard nodig had.
Moeder je bent me nog steeds zo nabij.
Paula Hagenaars
poëzievoorstelling
Korte kuch in bijster avondrood
met
dichter Paul Cox
finger-style gitarist Francis Vangheluwe
vertelster Katrien Ryserhove
… in de ‘Appel van Verleiding’ - Merendreedorp 56 – 9850 Merendree
zondag 28 november 2010 om 17.00u.
… info en reservatie: 09/3720588 - of - appelvanverleiding@ryserhove.be
… prijs: 8 euro / appelpitjes (leden) 7 euro
Van harte welkom!
Katrien Ryserhove
Korte kuch in bijster avondrood
met
dichter Paul Cox
finger-style gitarist Francis Vangheluwe
vertelster Katrien Ryserhove
… in de ‘Appel van Verleiding’ - Merendreedorp 56 – 9850 Merendree
zondag 28 november 2010 om 17.00u.
… info en reservatie: 09/3720588 - of - appelvanverleiding@ryserhove.be
… prijs: 8 euro / appelpitjes (leden) 7 euro
Van harte welkom!
Katrien Ryserhove
Demer Uitgeverij heeft het grote genoegen de nieuwe dichtbundel Langs wegen en omwegen aan te kondigen van dichter Francis De Preter.
Publicatiedatum: maart 2011.
Voor een gesigneerd exemplaar kunt u vooraf contact opnemen met de dichter: francis@francisdepreter.be
Een presentatie zal op 1 maart gehouden worden in de bibliotheek Heist-op-den-Berg, waarover hij u verder kan informeren.
Langs wegen en omwegen (80 blz)
Met enkele pentekeningen van Francis De Preter
Boekwebsite: www.lulu.com/content/8763319
€16.00
Nieuwe gedichten van Francis De Preter. “De Preter mag dan in zekere zin niet echt een onderschat dichter zijn, maar te weinig bekendheid geniet hij alleszins. In 1962 verscheen zijn bundel Stilte rapen, gevolgd door de bundels o.a.: Bitterzoet, Nachtegaalrecht, Gedichten 1980-1992. Voor die laatste kreeg hij de A. Merghelynckprijs van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. De Preter trekt zich terug, en schrijft bovendien op zijn eigen manier, in een volstrekt eigen stijl, over de natuur versus de stad, de verloedering en wat verloren is gegaan. Geen sentimenteel gedoe, helemaal niet, wel degelijk onderschraagde poëzie vol klank en kleur. Een mystiek, of religieus dichter dus? Nee, gewoonweg een schrijver die ver af staat van alle commerciële gewoel en een unieke sfeer weet op te roepen.” (persberichten, ingekort, Guy van Hoof)
De bundel is m.i.v. 1 maart leverbaar bij Demer Uitgeverij
€ 18 (incl. € 2 verzendkosten)
Met vriendelijke groeten,
Hannie Rouweler
Demer Uitgeverij
http://www.demerpress.be/
24 november 2010
OPSTEL
Het jaar dat Lapebie won in de Tour,
ik speelde graag huisje in een gedicht:
Zondag in een fabel,
huismusen namen een stuifbad,
Sylveer Maes kwam als eerste over de Tourmalet,
wij waren veldkinderen
en zaten vlinders met blauw-witte vleugels achterna,
's avonds was het zomerwarm onder de dakpannen.
s'Anderendaags
in de klas zei de meester:
kinderen zijn dichters
en ze weten het niet.
Fernand Florizoone
Het jaar dat Lapebie won in de Tour,
ik speelde graag huisje in een gedicht:
Zondag in een fabel,
huismusen namen een stuifbad,
Sylveer Maes kwam als eerste over de Tourmalet,
wij waren veldkinderen
en zaten vlinders met blauw-witte vleugels achterna,
's avonds was het zomerwarm onder de dakpannen.
s'Anderendaags
in de klas zei de meester:
kinderen zijn dichters
en ze weten het niet.
Fernand Florizoone
23 november 2010
22 november 2010
nieuwe dichtbundel/groepsbundel:
VOICES FROM EVERYWHERE
Internationale Engelse dichtbundel (dichters uit verschillende landen en continenten), Demer Press, België
Publicatie: Januari 2011
Paperback, 104 pages
English poems by poets from different parts of the world: Joe Hakim (England), Rona Laban (U.S.A.), Mark Walmsley (England), Albert Hagenaars (The Netherlands), Joris Iven (Belgium), Hannie Rouweler (The Netherlands/Belgium), Miller Caldwell (Scotland), Julie Corbett (England), Robert Swan (England), Gary Clark (England), Ioana Cozmuta (Romania/U.S.A.), Mike Watts (England), Martin Willitts Jr (U.S.A.), Karel Sergen (Belgium), Dave Windass (England), Chahra Beloufa (Algeria), Frank Decerf (Belgium) and Floris Brown (South-Africa).
Leverbaar v.a. half januari 2011.
€ 17 (incl. verzendkosten NL & B)
Demer Press
ePublisher Belgium
VOICES FROM EVERYWHERE
Internationale Engelse dichtbundel (dichters uit verschillende landen en continenten), Demer Press, België
Publicatie: Januari 2011
Paperback, 104 pages
English poems by poets from different parts of the world: Joe Hakim (England), Rona Laban (U.S.A.), Mark Walmsley (England), Albert Hagenaars (The Netherlands), Joris Iven (Belgium), Hannie Rouweler (The Netherlands/Belgium), Miller Caldwell (Scotland), Julie Corbett (England), Robert Swan (England), Gary Clark (England), Ioana Cozmuta (Romania/U.S.A.), Mike Watts (England), Martin Willitts Jr (U.S.A.), Karel Sergen (Belgium), Dave Windass (England), Chahra Beloufa (Algeria), Frank Decerf (Belgium) and Floris Brown (South-Africa).
Leverbaar v.a. half januari 2011.
€ 17 (incl. verzendkosten NL & B)
Demer Press
ePublisher Belgium
Beste,
Nog tot en met 15 december kunt u voorintekenen (en genieten van een voordelige prijs) op het boek
MARCEL KINT. De langst regerende wereldkampioen ooit
In plaats van 25 euro betaalt u dan 22 euro (en wordt uw naam in het boek vermeld).
Het volstaat het gewenste bedrag (+ eventueel 3 euro portkosten) over te schrijven op rek.nr. KBC IBAN BE 26 7380 3135 1129 van Uitgeverij Groeninghe in Kortrijk (met vermelding ‘Marcel Kint’ + naam en adres).
Tegelijk stuurt u best een mailtje naar groeninghe@belgacom.net.
Het boek wordt officieel voorgesteld tijdens VeloFollies in Kortrijk Xpo, op zaterdag 22 januari 2011.
Zij die de portkosten willen uitsparen, kunnen hun exemplaar daar komen afhalen (ook op 21 en 23 januari, op de stand van Fietsen Kint).
Anderzijds kunnen voorintekenaars terecht op de wielerbeurs van Herentals op 5 februari, bij de bvba Fietsen Kint, Proosdijstraat 21 in Kortrijk of bij Uitgeverij Groeninghe, Belfaststraat 12, eveneens in Kortrijk.
De biografie MARCEL KINT. De langst regerende wereldkampioen ooit zal 224 bladzijden tellen,
rijkelijk geïllustreerd met meer dan 200 vaak nooit eerder gepubliceerde foto’s en documenten.
Het is een beklijvend verhaal, over wielrennen net voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog.
Een uniek wielerhistorisch document ook, met alle zeges en uitslagen die Marcel Kint tussen 1931 en 1951 behaalde.
Marcel Kint is de wereldkampioen van 1938 en won verder o.a. het Belgisch kampioenschap, Parijs-Roubaix, 3 keer de Waalse Pijl, Parijs-Brussel, Gent-Wevelgem, 6 ritten in de Ronde van Frankrijk, enz.
MARCEL KINT. De langst regerende wereldkampioen ooit
auteur Patrick CORNILLIE - Uitgeverij Groeninghe Kortrijk
Nog tot en met 15 december kunt u voorintekenen (en genieten van een voordelige prijs) op het boek
MARCEL KINT. De langst regerende wereldkampioen ooit
In plaats van 25 euro betaalt u dan 22 euro (en wordt uw naam in het boek vermeld).
Het volstaat het gewenste bedrag (+ eventueel 3 euro portkosten) over te schrijven op rek.nr. KBC IBAN BE 26 7380 3135 1129 van Uitgeverij Groeninghe in Kortrijk (met vermelding ‘Marcel Kint’ + naam en adres).
Tegelijk stuurt u best een mailtje naar groeninghe@belgacom.net.
Het boek wordt officieel voorgesteld tijdens VeloFollies in Kortrijk Xpo, op zaterdag 22 januari 2011.
Zij die de portkosten willen uitsparen, kunnen hun exemplaar daar komen afhalen (ook op 21 en 23 januari, op de stand van Fietsen Kint).
Anderzijds kunnen voorintekenaars terecht op de wielerbeurs van Herentals op 5 februari, bij de bvba Fietsen Kint, Proosdijstraat 21 in Kortrijk of bij Uitgeverij Groeninghe, Belfaststraat 12, eveneens in Kortrijk.
De biografie MARCEL KINT. De langst regerende wereldkampioen ooit zal 224 bladzijden tellen,
rijkelijk geïllustreerd met meer dan 200 vaak nooit eerder gepubliceerde foto’s en documenten.
Het is een beklijvend verhaal, over wielrennen net voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog.
Een uniek wielerhistorisch document ook, met alle zeges en uitslagen die Marcel Kint tussen 1931 en 1951 behaalde.
Marcel Kint is de wereldkampioen van 1938 en won verder o.a. het Belgisch kampioenschap, Parijs-Roubaix, 3 keer de Waalse Pijl, Parijs-Brussel, Gent-Wevelgem, 6 ritten in de Ronde van Frankrijk, enz.
MARCEL KINT. De langst regerende wereldkampioen ooit
auteur Patrick CORNILLIE - Uitgeverij Groeninghe Kortrijk
20 november 2010
Beste Vrienden,
Mag Egamar u uitnodigen op de vooropening met vernissage op de tentoonstelling van Elly Bosman, keramiek-raku en Egied Steylaerts, olieverf-grafiettekeningen. Tevens ook de voorstelling van Egied zijn 11de gedichtenbundel, Rhaxma Sauda, op 25 maart 2011 te 20 u in de St.-Gummaruskapel, Vonckstraat, Herenthout.
Inleiding Chris Roobrouck.
Officiële opening door burgemeester Roger Gabriels.
De tentoonstelling is open op 26-27 maart, 1-2-3- april 2011 telkens van 14 u tot 19 u
Met dank aan het gemeentebestuur en Cultuurraad Herenthout.
Rhaxma Sauda is Swahilli voor: Lief donkere schone. De auteur Egied, beleeft opnieuw: de grote trek, naar Zuid - Afrika. Hij schrijft met zijn pen hoe dierbaar dit land voor hem is geworden. Met poëtische woorden spreekt hij van: Mijn Afrika, mijn land van eeuwige zon.
Je geeft mij een droom waarin de zon mij zal bekoren.
Vanuit Mpumalanga, ( vroegere Transvaal, ) gaat zijn tocht langs mooie landschappen, dorpen en steden. Zijn liefde gaat uit naar de schoonheid van dit land. Vol bewondering staat hij te dromen voor de bruisende oceanen.
Sierlijk slapen baobabsbomen als een open scherm. De vrede is de nectar uit de ziel. De thuishavan is van rode aarde, je hut is je leven.
's Avonds droomt hij weg bij het stille panorama van meer dan duizend sterren en onder het Zuiderkruis. Door deze romantische stilte laat hij zijn dromen bewegen.
Deze poëziebundel is een reis door het land van vrede, zon, blauwe oceanen en duizend watervallen.
Voorinschrijving voor de gedichtenbundel, € 12, t/m 25 maart. Nadien € 15. op rekening 833-5672081-70, Indien niet aanwezig portkosten € 2,50
Hartelijk welkom,
Egied
Mag Egamar u uitnodigen op de vooropening met vernissage op de tentoonstelling van Elly Bosman, keramiek-raku en Egied Steylaerts, olieverf-grafiettekeningen. Tevens ook de voorstelling van Egied zijn 11de gedichtenbundel, Rhaxma Sauda, op 25 maart 2011 te 20 u in de St.-Gummaruskapel, Vonckstraat, Herenthout.
Inleiding Chris Roobrouck.
Officiële opening door burgemeester Roger Gabriels.
De tentoonstelling is open op 26-27 maart, 1-2-3- april 2011 telkens van 14 u tot 19 u
Met dank aan het gemeentebestuur en Cultuurraad Herenthout.
Rhaxma Sauda is Swahilli voor: Lief donkere schone. De auteur Egied, beleeft opnieuw: de grote trek, naar Zuid - Afrika. Hij schrijft met zijn pen hoe dierbaar dit land voor hem is geworden. Met poëtische woorden spreekt hij van: Mijn Afrika, mijn land van eeuwige zon.
Je geeft mij een droom waarin de zon mij zal bekoren.
Vanuit Mpumalanga, ( vroegere Transvaal, ) gaat zijn tocht langs mooie landschappen, dorpen en steden. Zijn liefde gaat uit naar de schoonheid van dit land. Vol bewondering staat hij te dromen voor de bruisende oceanen.
Sierlijk slapen baobabsbomen als een open scherm. De vrede is de nectar uit de ziel. De thuishavan is van rode aarde, je hut is je leven.
's Avonds droomt hij weg bij het stille panorama van meer dan duizend sterren en onder het Zuiderkruis. Door deze romantische stilte laat hij zijn dromen bewegen.
Deze poëziebundel is een reis door het land van vrede, zon, blauwe oceanen en duizend watervallen.
Voorinschrijving voor de gedichtenbundel, € 12, t/m 25 maart. Nadien € 15. op rekening 833-5672081-70, Indien niet aanwezig portkosten € 2,50
Hartelijk welkom,
Egied
19 november 2010
Boekwebsite: www.lulu.com/content/9345928
Blauwe Oogst
Gijs Gellings
Paperback, 40 pages
Price: €14.00
Ships in 3–5 business days
17 november 2010
Een “document humain”
Tuin van Eden van Tine Hertmans is een “document humain”, een getuigenis. Hoeveel sterker zijn haar woorden, - zij die zelf slachtoffer is geweest, - dan de uitleg die hulpverleners vaak verstrekken, hoe goed zij het ook menen. Haar woorden zijn geschreven met de kracht van woede, onmacht en schuldgevoel.
De toelichting die de dichteres bij haar bundel geeft, is niet alleen mooi verwoord, maar zij omschrijft ook treffend haar missie en de wijze waarop zij die in poëzie structuur geeft, een schoolvoorbeeld van hoe inhoud en vorm één kunnen zijn.
Doorstaan leed representeren is een daad van moed, van durf ook om het stilzwijgen te doorbreken. Tine Hertmans vond dat de tijd rijp was om dit te doen. Op haar manier. Door middel van wat zij het beste kan: de poëzie. Zij wil niet alleen zichzelf bevrijden, proberen die knagende pijn los te laten, “out with it!”, maar met haar bundel wil zij ook alle slachtoffers eren, in het bijzonder diegenen wier stem nooit is gehoord.
Tuin van Eden is een poëtisch pamflet tegen diegenen die kinderen, - vaak jonge kinderen, - misbruiken of misbruikt hebben.
In het openingsgedicht dat de titel van de bundel draagt, voel je hoe wanhoop tergend traag hoop wordt, hoe de dichteres lijdt, elke dag, dagen na elkaar, - levenslang, - hoe zij hunkert naar verlossing, maar weet dat alleen de dood haar echt bevrijden kan.
op een dag ben ik vrij van zorgen
dan slaap ik vredig onder jouw voeten, morgen
(p. 9)
Hoe schrijnend verwoordt zij incest, hoe sterk voel ik mijn lichaam ineenkrimpen, mijn geest zich in mist hullen, dit is geen poëzie, dit is veel meer, dit is de klaagzang van een stervende zwaan, dit is tragiek zoals ik nog niet van een dichter heb gelezen, dit is verwoorde treurigheid die je raakt tot in de vezels van je ziel.
als ik mijn ogen sluit, zie ik nog steeds die grijnzende grimas
ik raak het nooit meer kwijt, ik word niet meer degene die ik was
(p. 10)
Tuin van Eden is een getuigenis die je niet meer loslaat, je wordt erdoor bevangen en gevangen, ware het niet dat het om poëzie gaat en ik de bundel recenseer, ik zou hier honderduit mijn verachting, mijn afkeer, mijn hoon, uitschreeuwen over hen die kinderen misbruiken. Ik zou vooral diegenen die ons de les lezen, met striemende woorden veroordelen en vervloeken. Maar dit is niet de plaats en ook mijn opdracht niet.
Wanneer de dichteres de liefde vindt, wordt zij geconfronteerd met haar onmacht. Zij is angstig, zij voelt zich klem gezet, zij heeft hartkloppingen, zij is vertwijfeld:
haar kille lichaam raakt zijn warme huid
ze schrikt heel even, ontspant en rekt zich uit
hij houdt van haar en zij van hem
waarom zit voelen in een gevangenis klem
haar ogen staren in het nachtelijk duister
ontdaan is de realiteit van glans en luister
(p. 11)
In deze bundel, waar het leed in zoveel onverwachte gedaanten de dichteres overvalt, - incest, wankel evenwicht, miskraam, ziekte, kanker, chronische vermoeidheid, - is de gestigmatiseerde Hertmans een woordkunstenares bij de gratie Gods, al weet ik dat deze uitdrukking alleen nog overleeft als historisch en cultureel gebruik. Ik vind ze bij deze dichteres als uitdrukking van een roeping.
Ik bewonder enerzijds haar moed en anderzijds haar talent. Ik zal mij in deze recensie verder beperken tot dit aspect van haar wezen.
Zij koos voor haar gedichten strofen van twee versregels met eindrijm. Een bewuste keuze om het korset waarin ze zich gevangen voelt, ook in de vorm op te roepen. Geen keuze van het gemak maar een uitdaging om, ondanks de vormbegrenzing, toch poëzie te schrijven die je pakt. Soms krijg ik de indruk dat zij door dit veelvuldig eindrijm haar leed wil indammen in zichzelf, als het zingen van liederen door slaven en galeiboeven. Zij ontgrenst haar boodschap, zij maakt haar aanklacht universeel, zij nodigt uit om mee te zingen in het koor der hetaeren, hier: de slavinnen, slachtoffers van macht en lust.
hij regeert vanuit de hel, rusteloos op zoek naar zijn beloning
in het duister is hij heerser, hier is hij de koning
(p. 17)
ik, geofferd aan de god eros
mijn schreeuwen uitdeinend in de kosmos
ik, onrijpe vrucht van de boom geplukt
gewelddadig afgerukt
voor niets ontziende goden
die onschuldige kinderzielen doden
(p. 21)
Tine Hertmans slaagt erin, in de weinige ruimte die zij in een gedicht tot haar beschikking heeft, zoveel mogelijk betekenis en gevoelswaarde op te roepen.
Hoewel zij koos voor eenvoud in strofe-indeling, metrum, rijm, alliteratie, assonantie, enerzijds en anderzijds zich als dichter begrenst, zelfs isoleert, weet zij op meesterlijke wijze indrukken, innerlijkheid, verlangens, gevoelens, dromen uit te drukken. Haar poëzie kenmerkt zich door herhaling: inhoudelijk komt het thema van het lijden op verschillende manieren, in woorden en beelden, aan de orde. Herhaling die bijdraagt aan de samenhang en eenheid binnen elk gedicht.
Hertmans weet ook haar gekwetst ratio te bewegen tot ambiguïteit, - en dit maakt haar poëtische outing zo indrukwekkend mooi, - zij is een vakman die haar piëta de mooiste uitstraling geeft van schrijnend leed. Haar poëzie is schrijn in “schrijnende pijn” die zij met zin voor kunst in een “schrijn” bewaart (elke gedicht in het bijzonder en de bundel in het algemeen).
schrijnende wonden wegens seksueel uitgebuit
onpeilbaar verborgen, diep onder de plooien van mijn huid
(p. 28)
van kleins af aan geleerd mijn lichaam systematisch te negeren
geen wonder dat mijn lijf zich ooit tegen mezelf zou keren
(p. 33)
dragend ongewild mijn stigma
illusie, opstand begraven onder flegma
met mijn rugzak vol verdriet
zal ik gaan tot daar waar je me niet meer ziet
(p. 35)
Tuin van Eden is de schreeuw van een getormenteerde ziel en een gehavend lichaam. Ik zal de bundel koesteren in mijn hart en mijn pen zal nog dikwijls woorden eruit reproduceren. Tine Hertmans heeft in de complexiteit van haar leed de gave van de dichtkunst gevonden, voor haar misschien een magere troost, maar toch een troost waar velen zich aan kunnen laven.
Thierry Deleu
Paperback, 64 blz.
Rechtstreeks vooraf te bestellen bij Tine Hertmans (gesigneerd exemplaar) via mailadres: tony.de.bruycker@pandora.be
Publicatiedatum: maart 2011.
Boekprijs: € 14 (excl. verzendkosten)
Uitgeverij Demer
Tuin van Eden van Tine Hertmans is een “document humain”, een getuigenis. Hoeveel sterker zijn haar woorden, - zij die zelf slachtoffer is geweest, - dan de uitleg die hulpverleners vaak verstrekken, hoe goed zij het ook menen. Haar woorden zijn geschreven met de kracht van woede, onmacht en schuldgevoel.
De toelichting die de dichteres bij haar bundel geeft, is niet alleen mooi verwoord, maar zij omschrijft ook treffend haar missie en de wijze waarop zij die in poëzie structuur geeft, een schoolvoorbeeld van hoe inhoud en vorm één kunnen zijn.
Doorstaan leed representeren is een daad van moed, van durf ook om het stilzwijgen te doorbreken. Tine Hertmans vond dat de tijd rijp was om dit te doen. Op haar manier. Door middel van wat zij het beste kan: de poëzie. Zij wil niet alleen zichzelf bevrijden, proberen die knagende pijn los te laten, “out with it!”, maar met haar bundel wil zij ook alle slachtoffers eren, in het bijzonder diegenen wier stem nooit is gehoord.
Tuin van Eden is een poëtisch pamflet tegen diegenen die kinderen, - vaak jonge kinderen, - misbruiken of misbruikt hebben.
In het openingsgedicht dat de titel van de bundel draagt, voel je hoe wanhoop tergend traag hoop wordt, hoe de dichteres lijdt, elke dag, dagen na elkaar, - levenslang, - hoe zij hunkert naar verlossing, maar weet dat alleen de dood haar echt bevrijden kan.
op een dag ben ik vrij van zorgen
dan slaap ik vredig onder jouw voeten, morgen
(p. 9)
Hoe schrijnend verwoordt zij incest, hoe sterk voel ik mijn lichaam ineenkrimpen, mijn geest zich in mist hullen, dit is geen poëzie, dit is veel meer, dit is de klaagzang van een stervende zwaan, dit is tragiek zoals ik nog niet van een dichter heb gelezen, dit is verwoorde treurigheid die je raakt tot in de vezels van je ziel.
als ik mijn ogen sluit, zie ik nog steeds die grijnzende grimas
ik raak het nooit meer kwijt, ik word niet meer degene die ik was
(p. 10)
Tuin van Eden is een getuigenis die je niet meer loslaat, je wordt erdoor bevangen en gevangen, ware het niet dat het om poëzie gaat en ik de bundel recenseer, ik zou hier honderduit mijn verachting, mijn afkeer, mijn hoon, uitschreeuwen over hen die kinderen misbruiken. Ik zou vooral diegenen die ons de les lezen, met striemende woorden veroordelen en vervloeken. Maar dit is niet de plaats en ook mijn opdracht niet.
Wanneer de dichteres de liefde vindt, wordt zij geconfronteerd met haar onmacht. Zij is angstig, zij voelt zich klem gezet, zij heeft hartkloppingen, zij is vertwijfeld:
haar kille lichaam raakt zijn warme huid
ze schrikt heel even, ontspant en rekt zich uit
hij houdt van haar en zij van hem
waarom zit voelen in een gevangenis klem
haar ogen staren in het nachtelijk duister
ontdaan is de realiteit van glans en luister
(p. 11)
In deze bundel, waar het leed in zoveel onverwachte gedaanten de dichteres overvalt, - incest, wankel evenwicht, miskraam, ziekte, kanker, chronische vermoeidheid, - is de gestigmatiseerde Hertmans een woordkunstenares bij de gratie Gods, al weet ik dat deze uitdrukking alleen nog overleeft als historisch en cultureel gebruik. Ik vind ze bij deze dichteres als uitdrukking van een roeping.
Ik bewonder enerzijds haar moed en anderzijds haar talent. Ik zal mij in deze recensie verder beperken tot dit aspect van haar wezen.
Zij koos voor haar gedichten strofen van twee versregels met eindrijm. Een bewuste keuze om het korset waarin ze zich gevangen voelt, ook in de vorm op te roepen. Geen keuze van het gemak maar een uitdaging om, ondanks de vormbegrenzing, toch poëzie te schrijven die je pakt. Soms krijg ik de indruk dat zij door dit veelvuldig eindrijm haar leed wil indammen in zichzelf, als het zingen van liederen door slaven en galeiboeven. Zij ontgrenst haar boodschap, zij maakt haar aanklacht universeel, zij nodigt uit om mee te zingen in het koor der hetaeren, hier: de slavinnen, slachtoffers van macht en lust.
hij regeert vanuit de hel, rusteloos op zoek naar zijn beloning
in het duister is hij heerser, hier is hij de koning
(p. 17)
ik, geofferd aan de god eros
mijn schreeuwen uitdeinend in de kosmos
ik, onrijpe vrucht van de boom geplukt
gewelddadig afgerukt
voor niets ontziende goden
die onschuldige kinderzielen doden
(p. 21)
Tine Hertmans slaagt erin, in de weinige ruimte die zij in een gedicht tot haar beschikking heeft, zoveel mogelijk betekenis en gevoelswaarde op te roepen.
Hoewel zij koos voor eenvoud in strofe-indeling, metrum, rijm, alliteratie, assonantie, enerzijds en anderzijds zich als dichter begrenst, zelfs isoleert, weet zij op meesterlijke wijze indrukken, innerlijkheid, verlangens, gevoelens, dromen uit te drukken. Haar poëzie kenmerkt zich door herhaling: inhoudelijk komt het thema van het lijden op verschillende manieren, in woorden en beelden, aan de orde. Herhaling die bijdraagt aan de samenhang en eenheid binnen elk gedicht.
Hertmans weet ook haar gekwetst ratio te bewegen tot ambiguïteit, - en dit maakt haar poëtische outing zo indrukwekkend mooi, - zij is een vakman die haar piëta de mooiste uitstraling geeft van schrijnend leed. Haar poëzie is schrijn in “schrijnende pijn” die zij met zin voor kunst in een “schrijn” bewaart (elke gedicht in het bijzonder en de bundel in het algemeen).
schrijnende wonden wegens seksueel uitgebuit
onpeilbaar verborgen, diep onder de plooien van mijn huid
(p. 28)
van kleins af aan geleerd mijn lichaam systematisch te negeren
geen wonder dat mijn lijf zich ooit tegen mezelf zou keren
(p. 33)
dragend ongewild mijn stigma
illusie, opstand begraven onder flegma
met mijn rugzak vol verdriet
zal ik gaan tot daar waar je me niet meer ziet
(p. 35)
Tuin van Eden is de schreeuw van een getormenteerde ziel en een gehavend lichaam. Ik zal de bundel koesteren in mijn hart en mijn pen zal nog dikwijls woorden eruit reproduceren. Tine Hertmans heeft in de complexiteit van haar leed de gave van de dichtkunst gevonden, voor haar misschien een magere troost, maar toch een troost waar velen zich aan kunnen laven.
Thierry Deleu
Paperback, 64 blz.
Rechtstreeks vooraf te bestellen bij Tine Hertmans (gesigneerd exemplaar) via mailadres: tony.de.bruycker@pandora.be
Publicatiedatum: maart 2011.
Boekprijs: € 14 (excl. verzendkosten)
Uitgeverij Demer
Vertel het me nog eens en leg het me
opnieuw uit, hoe het was en is geweest.
Ik keek naar water, de golven bewogen
heel licht in die lange stroom naar de einder
en langs het riet zwommen enkele eenden,
verderop een reiger aan de waterkant.
Je zei dat woorden altijd kunnen wachten
op het goede moment, en dat dat zo moet zijn,
en dat de lucht hier erg strakblauw is,
groots in z’n oneindigheid,
en dat de tijd zich verplaatst tussen een steen
en een andere steen, van boterbloem naar
pinksterbloem, een lijn langs de weg,
in het gras, over prikkeldraad naar daarginds,
die alsmaar grazende koeien in de wei.
Zeg me nog eens hoe wegen
uiteen gaan, zich verplaatsen in
tegenovergestelde richtingen en donkere wolken
boven de horizon één kant opdrijven.
Hoe dit alles op één dag in leegte verdwijnt,
terwijl ik hier nog sta, nog zo dicht
bij dat water, die lucht, dezelfde stenen.
Uit: Rozen verwelken, bloemen, 2006.
(gedicht over Groningen)
Foto: Groningen, 2008, tijdens presentatie
UIT HET NOORDEN WAAIT DE MUZE AAN
(bloemlezing gedichten over Groningen)
Hannie Rouweler
60.777 + 25.000 = 85.777.
De Geletterde Mens
(sm1derek)
Visits
Total ....................... 38,725
Average per Day ................. 69
Average Visit Length .......... 1:40
This Week ...................... 485
Page Views
Total ....................... 60,777
Average per Day ................. 93
Average per Visit .............. 1.3
This Week ...................... 651
http://sm1.sitemeter.com/stats.asp?site=sm1derek
(sm1derek)
Visits
Total ....................... 38,725
Average per Day ................. 69
Average Visit Length .......... 1:40
This Week ...................... 485
Page Views
Total ....................... 60,777
Average per Day ................. 93
Average per Visit .............. 1.3
This Week ...................... 651
http://sm1.sitemeter.com/stats.asp?site=sm1derek
"Wulpen, in nevel van tijd" - Thierry Deleu
Beste Thierry,
Wulpen, in nevel van tijd.
Onder deze mooie titel, las ik met veel plezier jouw nieuwe gedichten.
Meteen al viel ik in -en ook op- de sfeer die jouw bundel oproept: de oude tijd, de noeste arbeid van eenvoudige mensen, vissers aan het water, armoede.
Je volgt daarbij de geschiedenis. Je noemt de aanwezigheid van Willibrordus, de beeldenstorm, de pest en de Franse revolutie.
Een oude molen is getuige van een lang verhaal.
Ik vind het sterke en directe gedichten, geen woord teveel, met veel klankverwantschap en binnenrijm.
Dat laatste vind ik gedichten vaak aan zegkracht doen winnen en het past hier zo mooi bij jouw kwinkslagen.
Je gedicht 1789 bijvoorbeeld - ik zie die boerenmensen in hun avondlijke huiskamer nog altijd tobberig het hoofd schudden, over zoveel onheil.
Zij leven nog, zij krijgen nog altijd gelijk.
Het spelen met het woord Wulp en de overeenkomst met de gelijknamige vogel, kon natuurlijk niet uitblijven.
Je gedicht de Wulpse Wulp is een prachtig sfeervol gedicht!
We bevinden ons hier in een contemplatief gebied met water, rust.
Tegenwoordig ook in een wereld, zo blijkt uit de toegevoegde tekst, van schilders, dichters en dromers.
Woorden als: zeestier, ter ommeloop, bezige bonken, masteluinbrood, priorin en vele anderen dragen bij aan het plaatselijke en historische van Wulpen.
Al met al heb jij Wulpen opnieuw op de kaart gezet met een, aldaar, historische familiegeschiedenis.
Dat alles maakt dat ik, ongekend, van zo'n omgeving zou kunnen houden.
Catharina Boer (Nederland)
Wulpen, in nevel van tijd.
Onder deze mooie titel, las ik met veel plezier jouw nieuwe gedichten.
Meteen al viel ik in -en ook op- de sfeer die jouw bundel oproept: de oude tijd, de noeste arbeid van eenvoudige mensen, vissers aan het water, armoede.
Je volgt daarbij de geschiedenis. Je noemt de aanwezigheid van Willibrordus, de beeldenstorm, de pest en de Franse revolutie.
Een oude molen is getuige van een lang verhaal.
Ik vind het sterke en directe gedichten, geen woord teveel, met veel klankverwantschap en binnenrijm.
Dat laatste vind ik gedichten vaak aan zegkracht doen winnen en het past hier zo mooi bij jouw kwinkslagen.
Je gedicht 1789 bijvoorbeeld - ik zie die boerenmensen in hun avondlijke huiskamer nog altijd tobberig het hoofd schudden, over zoveel onheil.
Zij leven nog, zij krijgen nog altijd gelijk.
Het spelen met het woord Wulp en de overeenkomst met de gelijknamige vogel, kon natuurlijk niet uitblijven.
Je gedicht de Wulpse Wulp is een prachtig sfeervol gedicht!
We bevinden ons hier in een contemplatief gebied met water, rust.
Tegenwoordig ook in een wereld, zo blijkt uit de toegevoegde tekst, van schilders, dichters en dromers.
Woorden als: zeestier, ter ommeloop, bezige bonken, masteluinbrood, priorin en vele anderen dragen bij aan het plaatselijke en historische van Wulpen.
Al met al heb jij Wulpen opnieuw op de kaart gezet met een, aldaar, historische familiegeschiedenis.
Dat alles maakt dat ik, ongekend, van zo'n omgeving zou kunnen houden.
Catharina Boer (Nederland)
theater à la Pessoa
laten we het verleden
delen als een deken
van eendendons: wie
ligt er met zijn voeten
buiten, wie haalt weer
alles naar zijn kant?
hoe langer geleden
hoe warmer het wordt:
je kan meer vergeven
en meer dan vroeger
kom je tot het besef:
ik ben het, ik besta
uit deze verleden tijd
een grote Portugees
heeft het geschreven:
ons hoofd is een theater
en personages botsen
tegen elkander op,
ze praten in vreemde talen
jij bent de vader, de beul
zonder genade, de tedere
schoot van sprookjes, je bent
al dood waar een moeder stierf
meer woorden heb je nodig
om het weer goed te maken
en praatvaardig verder te gaan
waar het gesprek werd afgebroken
dat is de scherpste kou, nooit
ben je naakter dan in het verzwegene,
in de streling die niet werd ondernomen
scènes blijven zich herhalen
je woont ze bij in je dromen
je mag toekijken op de eerste rij
jouw hoofd is het theater
je hoort de botsende personages
en de regisseur dat zijn zij
Staf De Wilde
laten we het verleden
delen als een deken
van eendendons: wie
ligt er met zijn voeten
buiten, wie haalt weer
alles naar zijn kant?
hoe langer geleden
hoe warmer het wordt:
je kan meer vergeven
en meer dan vroeger
kom je tot het besef:
ik ben het, ik besta
uit deze verleden tijd
een grote Portugees
heeft het geschreven:
ons hoofd is een theater
en personages botsen
tegen elkander op,
ze praten in vreemde talen
jij bent de vader, de beul
zonder genade, de tedere
schoot van sprookjes, je bent
al dood waar een moeder stierf
meer woorden heb je nodig
om het weer goed te maken
en praatvaardig verder te gaan
waar het gesprek werd afgebroken
dat is de scherpste kou, nooit
ben je naakter dan in het verzwegene,
in de streling die niet werd ondernomen
scènes blijven zich herhalen
je woont ze bij in je dromen
je mag toekijken op de eerste rij
jouw hoofd is het theater
je hoort de botsende personages
en de regisseur dat zijn zij
Staf De Wilde
16 november 2010
Micheline Cuypers in "De Geletterde Mens"
in een wirwar van gedachten
sloeg de klok in jou 'ik moet nu gaan'
je jas stond je reeds op te wachten
en de deur wankelde in zijn evenwicht
je kuste de kamer niet eens een vaarwel
en de dichtbundel klapte dicht
niet meer wetend welke zinnen nog te blozen
til me op
voorbij je nevelsluiers
fluisterde ik wanhopig
neem me mee in je grenzen
die schuifelend heel dicht bij je komen
middernacht stond eenzaam onder een lantaarnpaal
en jij
jij leek het niet te horen
---------------------------
hoe eenzaam stil is het kind
nu ze tuimelt
in de berm van de verwarring
alleen een doornstruik lijkt haar te begrijpen
kruipt wat dichter tegen haar aan
en vraagt hoe het voelt
nu hij zijn handen schaamteloos in haar gevoelens boort
in haar herinnering
fluistert de onschuld vlechtjes in haar lokken
en ruikt die ene bloem naar moedertje spelen met haar poppen
------------------------------------------------
soms droomt ze levensadem
zuurstof liefde voor het marmeren kind
lijkt het alsof wangen gloeien
en de betovering een glimlach kneedt
op lippen die ijskoud niet meer bewegen
gekraakt doolt ze in de slapeloze stilte
wil de beelden die vervagen in haar zakdoek wikkelen
en de tranen die levenslang schreien
bloeden mistroostig in haar schoot
-------------------------------
ik heb het aan de meeuwen verteld
hoe ik eens moe gewandeld
dat ene bankje zag
half verscholen tussen het duinblos van verlangen
hoe jij daar voor je uit zat te staren
ik aan je vroeg
of ik naast je mocht zitten
we zeiden niet echt veel
luisterden naar de taal van de zee
of het je ook bekoorde
fluisterde ik met stille stem
we hongerden een zonsondergang
het duurde niet echt lang meer
zei je
het was eind oktober
en ik kreeg het koud
je zag hoe ik beefde
sloeg je arm om me heen
ik legde mijn hoofd op je schouder
en voelde hoe een hittegolf in me stroomde
------------------------------------------
vertel me hoe het voelde
fluistert die ene zwam
mijmerend naar het herfstblad
die ene windzucht nam me eindelijk mee
en ik
ik dwarrelde nieuwsgierig naar benee
zo dieprood
betoverd door het licht van de oktoberzon
niet te snel
ik wilde nog wat zweven
zachtjes vallen op een bed geurend naar intens verlangen
en weet je
jou had ik helemaal niet gezien
ach ja
ik droomde najaarsdromen
tot je plots die tak losliet
en ik witte stippen bloosde
en groeide om dicht bij jou te zijn
-------------------------
ik trek mijn jas wel aan
glimlach voor jou een blanco blad
zodat je eindelijk een voetstap zet
voorbij de grens van verder gaan
ik zal niet langer ploeteren
in de poel zo diep gekwetst
wil kopje onder gaan
en verdrinken in het vergeten
ik wil wel mompelt de vrouw
maar weet je mijn zielsmeisje
het knelt nog steeds
gisteren was er nog een knipoog die in me keek
en ik
ik weefde lichtzinnen gewikkeld in vertrouwen
pelde lagen die dat ene iets alleen begreep
en nu
nu sijpelt de wonde weer net als voorheen
en tussen jou en mij
kreunt een bloedbad zwarte letters
Micheline Cuypers
sloeg de klok in jou 'ik moet nu gaan'
je jas stond je reeds op te wachten
en de deur wankelde in zijn evenwicht
je kuste de kamer niet eens een vaarwel
en de dichtbundel klapte dicht
niet meer wetend welke zinnen nog te blozen
til me op
voorbij je nevelsluiers
fluisterde ik wanhopig
neem me mee in je grenzen
die schuifelend heel dicht bij je komen
middernacht stond eenzaam onder een lantaarnpaal
en jij
jij leek het niet te horen
---------------------------
hoe eenzaam stil is het kind
nu ze tuimelt
in de berm van de verwarring
alleen een doornstruik lijkt haar te begrijpen
kruipt wat dichter tegen haar aan
en vraagt hoe het voelt
nu hij zijn handen schaamteloos in haar gevoelens boort
in haar herinnering
fluistert de onschuld vlechtjes in haar lokken
en ruikt die ene bloem naar moedertje spelen met haar poppen
------------------------------------------------
soms droomt ze levensadem
zuurstof liefde voor het marmeren kind
lijkt het alsof wangen gloeien
en de betovering een glimlach kneedt
op lippen die ijskoud niet meer bewegen
gekraakt doolt ze in de slapeloze stilte
wil de beelden die vervagen in haar zakdoek wikkelen
en de tranen die levenslang schreien
bloeden mistroostig in haar schoot
-------------------------------
ik heb het aan de meeuwen verteld
hoe ik eens moe gewandeld
dat ene bankje zag
half verscholen tussen het duinblos van verlangen
hoe jij daar voor je uit zat te staren
ik aan je vroeg
of ik naast je mocht zitten
we zeiden niet echt veel
luisterden naar de taal van de zee
of het je ook bekoorde
fluisterde ik met stille stem
we hongerden een zonsondergang
het duurde niet echt lang meer
zei je
het was eind oktober
en ik kreeg het koud
je zag hoe ik beefde
sloeg je arm om me heen
ik legde mijn hoofd op je schouder
en voelde hoe een hittegolf in me stroomde
------------------------------------------
vertel me hoe het voelde
fluistert die ene zwam
mijmerend naar het herfstblad
die ene windzucht nam me eindelijk mee
en ik
ik dwarrelde nieuwsgierig naar benee
zo dieprood
betoverd door het licht van de oktoberzon
niet te snel
ik wilde nog wat zweven
zachtjes vallen op een bed geurend naar intens verlangen
en weet je
jou had ik helemaal niet gezien
ach ja
ik droomde najaarsdromen
tot je plots die tak losliet
en ik witte stippen bloosde
en groeide om dicht bij jou te zijn
-------------------------
ik trek mijn jas wel aan
glimlach voor jou een blanco blad
zodat je eindelijk een voetstap zet
voorbij de grens van verder gaan
ik zal niet langer ploeteren
in de poel zo diep gekwetst
wil kopje onder gaan
en verdrinken in het vergeten
ik wil wel mompelt de vrouw
maar weet je mijn zielsmeisje
het knelt nog steeds
gisteren was er nog een knipoog die in me keek
en ik
ik weefde lichtzinnen gewikkeld in vertrouwen
pelde lagen die dat ene iets alleen begreep
en nu
nu sijpelt de wonde weer net als voorheen
en tussen jou en mij
kreunt een bloedbad zwarte letters
Micheline Cuypers
Tuin van Eden
gedichtenbundel van Tine Hertmans
Nieuwe gedichten van Tine Hertmans over misbruik van kinderen. Illustraties van Tony De Bruycker. "De bundel dient als eerbetoon aan alle slachtoffers, in het bijzonder diegenen wier stem nooit is gehoord, die hun wonden niet hebben overleefd en hun geheimen met zich meenamen in het graf." (De auteur) "Woorden geschreven met de kracht van woede, gevoed door onmacht en schuldgevoel. Het verbaast mij steeds weer dat mensen, die zo zwaar zijn vernederd en geraakt in hun diepste ik, toch de sterkte vinden om hun gevoelens te uiten en zo een deel van hun verleden te verwerken. Deze bundel is daar een mooi voorbeeld van. Ik hoop dan ook dat hij door heel wat slachtoffers, maar ook door hulpverleners aandachtig zal gelezen worden.” (Dr. Johan Marchand)
In Tuin van Eden beschrijft Tine Hertmans op indringende en schrijnende wijze de ellende en angsten die iemand meemaakt in zijn kindertijd, en jeugd, die te maken heeft gehad met een ernstige vorm van kindermisbruik.
De dichteres Tine Hertmans schrijft in haar verantwoording: “Deze bundel is een document, een getuigenis. Bovendien is het werk zo opgevat dat de woorden bijna als nederige dragers fungeren van het gerepresenteerde leed. Door de bewuste keuze voor een strak stramien verkrijgt het geheel een zeker monotoon ritme, alsof de droge snikken van een kind zelf erin verschuilen”.
Paperback, 64 blz. Rechtstreeks vooraf te bestellen bij Tine Hertmans, voor een gesigneerd exemplaar.
Boekprijs: € 14 (excl. verzendkosten)
via mailadres: tony.de.bruycker@pandora.be
Graag nodigen we u uit tijdens de opening van volgende tentoonstelling
Dick Schreinders (NL) Schilderijen -
Gilbert Degryse (B) Sculpturen
op zondagnamiddag 21 september tussen 14 en 18 uur.
Tentoonstelling van 21 november t.e.m. 19 december 2010
Openingsuren tijdens de tentoonstelling: zondagnamiddag tussen 14 en 18 uur.
Anders ook altijd na afspraak.
Stefaan Goethals
Vooruitgangsstraat 8
8900 Ieper
Tel / Fax : +32 (0)57 209333
E-mail : stefaan@hartistic.com
http:// www.galerijhartistic.tk
Dick Schreinders (NL) Schilderijen -
Gilbert Degryse (B) Sculpturen
op zondagnamiddag 21 september tussen 14 en 18 uur.
Tentoonstelling van 21 november t.e.m. 19 december 2010
Openingsuren tijdens de tentoonstelling: zondagnamiddag tussen 14 en 18 uur.
Anders ook altijd na afspraak.
Stefaan Goethals
Vooruitgangsstraat 8
8900 Ieper
Tel / Fax : +32 (0)57 209333
E-mail : stefaan@hartistic.com
http:// www.galerijhartistic.tk
14 november 2010
Uit het schoolblad De Schakel, nr. 1, 2010 enkele onuitgeven verzen:
De streling
voor Paul Baeteman
Met hartwarmte
heeft hij zijn marmeren eenzaamheid
gepolijst
zielsliefde nam de vorm aan van de geliefde
een streling
zachter dan zijde.
- - - - - -
voor Henri Decorte
Grashalm zijn liefje,
de melkweg zijn hemelbed,
de haiku zijn thuis.
- - - -
voor Charles Pil
Hij plukt de dagen
als plukrijpe appelen
van goud is zijn herfst.
- - - - -
De ronding
voor Luc Ledene, beeldhouwer
Tot volheid gerijpt
de omarming van zijn ontroering
zijn handen spraken het woord uit
waarin zijn geliefde slaapt
als een zachte ronding.
Fernand Florizoone
De streling
voor Paul Baeteman
Met hartwarmte
heeft hij zijn marmeren eenzaamheid
gepolijst
zielsliefde nam de vorm aan van de geliefde
een streling
zachter dan zijde.
- - - - - -
voor Henri Decorte
Grashalm zijn liefje,
de melkweg zijn hemelbed,
de haiku zijn thuis.
- - - -
voor Charles Pil
Hij plukt de dagen
als plukrijpe appelen
van goud is zijn herfst.
- - - - -
De ronding
voor Luc Ledene, beeldhouwer
Tot volheid gerijpt
de omarming van zijn ontroering
zijn handen spraken het woord uit
waarin zijn geliefde slaapt
als een zachte ronding.
Fernand Florizoone
Nietzsches Bastaard ! *** Eric Rosseel's Recentste Blog
12 november 2010
meander: stootoevers, glijoevers & hoefijzermeren
Eergisteren of zo maakten we melding van een interview dat het poëzie-internetmagazine Meander in de loop van de voorbije maand van ons afnam, maar waarvan we uiteindelijk de publicatie hebben geweigerd. De samenvatting die op basis van onze antwoorden was gemaakt, was ons te karikaturaal: wij herkenden er onszelf niet in.
****
1. Sinds wanneer is dichten voor u een serieuze bezigheid geworden?
Twee periodes in mijn leven is dichten (of wat ervoor moest/moet doorgaan) een ‘serieuze bezigheid’ geweest, in de zin dat ik me er quasi volledig mee vereenzelvigde. Als kind was lezen al mijn geliefkoosde bezigheid. Mijn vader was weliswaar een ongeschoold bouwvakker maar hij las kranten en tijdschriften en maandelijks kwam er via de post een pakketje boeken aangewaaid, ‘serieuze’ boeken gaande van (semi-)porno tot redelijk zware non-fictie. Met poëzie kwamen we eigenlijk pas in aanraking in de lessen Latijn toen ik 12-15 jaar was: Horatius, Vergilius, Ovidius. Ik probeerde toen zelf Latijnse gedichten in versvoeten te schrijven, maar verder dan een halve regel ben ik nooit geraakt. Ik herinner me uit die tijd een paar occasionele gedichtjes (in het Nederlands). In het schrijven vond ik pas echt mezelf terug toen ik sociaal geïsoleerd geraakte door het tweede huwelijk van mijn moeder met een tirannieke stiefvader, wat toevallig samenviel met het verder zetten van mijn studies in de stad Oostende waar ik in eerste instantie als een ‘boerke van de buiten’ werd beschouwd. Toen, op mijn 15de jaar, zei ik mezelf dat ik schrijver wou worden: dat betekende dat ik ‘goed’ wou kunnen schrijven, niet dat ik veel boeken of zo zou verkopen. Er waren in mijn omgeving ook geen schrijvers van vlees en bloed te bespeuren waaraan ik me had kunnen spiegelen. Ik schreef toen zowel proza (een roman, kortverhalen) als gedichten. Wat ik schreef was wel ‘geheim’, het was iets tussen mij en mezelf. Veel daarvan is verloren gegaan, maar wat ik ervan heb bewaard, beschouw ik nog steeds als ‘persoonlijk’. Wat ik schreef was met andere woorden geen communicatie, er zat geen ‘boodschap’ in, het was niet bedoeld om met anderen te delen. Rond mijn 15-16de (dat moet de winter 1965-1966 zijn geweest) nam ik dan deel aan wat we nu een workshop zouden noemen, waar een drie- of viertal gedichten van Hugo Claus helemaal ondersteboven en buitenstebinnen werden gekeerd, een beetje op zijn ‘psychoanalytisch’. Dat heeft me meer dan sterk beïnvloed omdat ik er een weg in ontdekte om transparante dingen niet alleen onherkenbaar te maken maar ook om veel bredere thema’s te verwoorden door heel anders om te gaan met metaforen, metonymiën en andere stijlfiguren. In die vorm deelde ik mijn gedichten wel met één of twee vrienden of met vertrouwenspersonen; het puur persoonlijke dat ik zelf herkende in woordkeuze etc. hoefde ik nu immers niet prijs te geven. Die manier van schrijven heb ik zeker twee volle maanden dagelijks ingeoefend tot ze een soort gewoonte was geworden en de regels ergens anders vandaan kwamen dan uit mijn persoonlijk bewust gevoelsleven. Op mijn 17de werd dan een gedicht van me dat gepubliceerd was in het scholierentijdschrift van het Atheneum Oostende, door de leraar Esthetica (“whatever this may mean”) een lesuur lang regel per regel geanalyseerd in de zin van “wat bedoelt de dichter hier?”, waarbij uiteraard mijn mening niet 1 keer werd gevraagd. Ik zou overigens vermoedelijk iets gezegd hebben in de trant: “Dat lijkt me maar een dwaze vraag!” Hoe dan ook, die gebeurtenis was een aanmoediging maar tegelijk betekende het ook dat dichten niet meer zo hoefde. Ik had als het ware bewezen dat ik ‘goed’ kon schrijven, want geen enkele andere leerling die iets in dat scholierentijdschrift kreeg, viel de eer te beurt ‘geanalyseerd’ te worden. En inderdaad schreef ik sindsdien gedichten veel meer occasioneel en ook meer proza dan poëzie. Een jaar later schreef ik ook nog een gedicht in kramakkelig Engels dat de lyrics werd voor een song van een Vlaams pop-duo Dempsey & Dover, een song die 2 weken nummer 1 stond in de Vlaamse hitparade. Aan de Universiteit in Brussel leerde ik dan ‘echte’ schrijvers en dichters kennen in het zogenaamde avantgarde café De Dolle Mol, maar het dierlijke in de mens associeerde en associeer ik nog altijd met andere zaken dan de dierlijkheden die daar als ‘artistieke provocatie’ werden opgevoerd en waarvan ik hoogstens het burleske kon smaken. Ik raakte ook meer en meer in de ban van ernstig mens- en maatschappijwetenschappelijk werk waaruit mijn professionele loopbaan is gegroeid – of om het literair te zeggen: het essay. Poëzie of een verhaal schrijven werd een ‘tussendoortje’.
Een tweede soortgelijke levensperiode waarin poëzie mijn dagen en nachten beheerste, was in de herstelperiode na mijn zware ziekte van 1999-2003 en voortijdige opruststelling toen ik nog amper mijn handtekening kon zetten. Naarmate ik weer klaar en helder zag, kwam uiteraard de drang terug om over 1 & ander ‘mijn gedacht te zeggen’. Overigens ook dikwijls op aanvraag. Ik was nog steeds redacteur van een paar niet-literaire tijdschriften. Maar het schrijven van essayistische teksten kon ik blijkbaar nog niet onmiddellijk aan. Poëzie, in de zin van ‘schrijf maar wat’: dat lukte wel. In eerste instantie was mijn schrijven weer iets ‘tussen mij en mezelf’. Ik voelde duidelijk dat ik eigenlijk terug van nul af aan moest herbeginnen. De meest elementaire dingen zoals mijn woordenschat moest ik terug aanscherpen. Dat ging vlot vooruit in samenhang met mijn algemene gezondheidstoestand. Ik zocht wel een zekere erkenning en toetste in die periode ook mezelf op populaire poëziesites. En na een dik jaar kreeg ik een paar aanbiedingen van uitgevers die materiaal van me wouden uitgeven (wat effectief ook is gebeurd) en had ik blijkbaar ook een kleine schare ‘fans’. Kortom, ik was voor sommige mensen een ‘dichter’ geworden. Maar het effect van dat relatief succes liep parallel met de wijze waarop het in die jeugdperiode is verlopen. Een ervaring van: “Voilà, ik heb bewezen dat ik het kan, ik ben terug onder de mensen”. En vanaf 2007-2008 werd poëzie weer eerder een tussendoortje en was ik mentaal gefocused op het essayistisch neerschrijven van mijn bedenkingen bij de hedendaagse maatschappelijke en ‘culturele’ veranderingen en ontwikkelingen, wat eigenlijk dus in mijn beroepsleven ook de kern was geweest van mijn werk als vorser en ‘academicus’.
2. Welke dichters leest u graag?
Deze vraag doet me meteen denken aan de titel van een geestig boekje geschreven door de Franstalige Brusselse schrijver Denys-Louis Colaux “Je haïs les poètes (vivants).” “Ik haat de dichters (die nog in leven zijn).” (Dat boekje dateert van 2005 of zo.) Soit. Ik lees eigenlijk vrij weinig poëzie, ik heb doorgaans het gevoel dat ik niet snap waarover het gedicht gaat. En een inspanning wil ik niet doen: als het lezen van een gedicht een inspanning vraagt, is het volgens mij geen goede poëzie. Volgens mij uiteraard. Het liefst stoot ik ‘toevallig’ op een gedicht dat me treft, waar ik dan in gedachten een dag mee bezig kan zijn en dat mijn mens- en wereldbeeld een beetje op zijn kop zet. Gedichten die iets openen, iets reveleren dat blijkbaar bij mij ergens al aan het sluimeren was. Ik zou ze moeten natellen, maar ik denk niet dat ik in mijn boekenkast meer dan 20 dichtbundels heb staan en zeker niet van 20 verschillende dichters. Ik heb dit jaar maar één dichtbundel gekocht: Delphine Lecompte’s “De Dieren in mij”. Ik ken ook geen enkele schrijver of dichter persoonlijk, ik heb er ook geen behoefte aan. Integendeel: schrijvers/dichters in onze Lage Landen lijken me als maatschappelijk type (als type dus, niet individu per individu) pedante, arrogante, oninteressante en onvriendelijke mensen. Kortom, zoals ik zelf als psycholoog andere psychologen als type hoogst oninteressante wezens vond en dat nog steeds vind. Ik heb het in het algemeen niet voor éénzijdig gevormde mensen en zogenaamde specialisten die dan menen ook de waarheid in pacht te hebben over zaken die ze amper bestudeerd hebben en hen wezenlijk ook niet echt interesseren, zoals het allochtonenvraagstuk, jullie Geert Wilders of onze Bart De Wever, de ellende van de verkrachte vrouwen in Congo of de overstromingen in Pakistan. De uitgever-dichter van mijn “Vlees dat spreekt” kwam een foto van me nemen voor de achterflap: hij is gekomen, heeft een foto of drie genomen en na hooguit 30 seconden was ie weer weg: hij heeft me niet eens de hand geschud. Nou, dan had ik het wel gehad. Ik heb er ook niet echt behoefte aan om altijd maar over poëzie of literatuur te praten. Integendeel: ik weet niets over poëzie en bovendien hou ik van de uitspraak van de Franse filosoof Gilles Deleuze die ooit zei “Komt er iemand aan die met me over filosofie wil discussieren, dan maak ik me meteen uit de voeten. Discussiëren: dat maakt geen deel uit van de taak van een filosoof.” Dichters die de behoefte voelen om oeverloos te lullen over hun geliefdkoosde dichters (en vooral over de de dichters die ze maar niets vinden!), over wat poëzie is en wat het niet is: dat zijn doorgaans mislukkelingen (én ze weten dat ze mislukkelingen zijn). Waarbij ik niet beweer dat ik een ‘beter dichter’ zou zijn dan andere dichters. Het is overigens een vraag die me niet beroert. De meest getalenteerde hedendaagse Vlaamse dichter lijkt me Frédéric Leroy, maar ik weet niet of ie ‘beter’ is dan de rest, want de rest ken ik niet. Graag las ik ook de twee jaar geleden gestorven Michel Bartosik, maar die kende ik sinds mijn studententijd al min of meer persoonlijk. En vanuit mijn jeugdjaren herinner ik me als gesmaakte dichters Hans Lodeizen, Bert Schierbeek en Paul Snoek. Ik lees doorgaans ook liever werk van buitenlandse anderstalige auteurs. Mijn geliefkoosde periode uit de geschiedenis is de periode 1870-1920, wezenlijk ingezet door Baudelaire en Lautréamont. Dat is de periode waarin literatuur en vooral de beeldende kunsten overgaan van een representatie van een werkelijkheid naar een directe behandeling van het materiaal zelf waarmee voorheen de representatie geschiedde. Of zoals men zegt: “Nu gaat Kunst over Kunst” en poëzie gaat over ‘de Taal zelf’. Als ik idolen heb, dan zijn het Arthur Rimbaud, Fernando Pessoa (die ik liefst in het Frans lees) en Cesare Pavese (ik kan een beetje Italiaans lezen zonder om de seconde een woordenboek te moeten raadplegen), maar dat zijn drie lieden waarvan ook hun levensgeschiedenis me bijzonder heeft gefascineerd en nog steeds fascineert. ‘Sensation’ van Rimbaud: daar kan ik op YouTube als het ware uren naar luisteren. ‘Sigarenwinkel’ van Pessoa, vooral de aanhef en het slot, voert me altijd binnen in een filosofisch labyrint. Verder komen onmiddellijk in me op: Sylvia Plath’s ‘Lady Lazarus’ en ‘Daddy’, zeker op YouTube. Maar mijn absoluut lievelingsgedicht is ‘Francesca’ van Ezra Pound. Ik ken dat gedicht reeds van mijn 14-15de toen het opgenomen was in de roman ‘Een Eiland Worden’ van Paul De Wispelaere. Bijzonder graag luister ik ook naar John Cale’s live uitvoering van zijn muzikale versie van Dylan Thomas’ gedicht ‘Do Not Go Gentle Into That Good Night’ (zie YouTube): daar word ik heel stil van.
3. Hoe komt bij u een gedicht tot stand? Gebeurt dit een vlaag van inspiratie of door lang zoeken en schrappen?
De gedichten van mezelf die ik het meest waardevol vind, zijn bijna alle ontstaan als een spontaan opgekomen dagafsluiter, nadat ik soms urenlang gewerkt had aan een essay of artikel omtrent een maatschappelijk of cultureel thema. Mijn essays getuigen altijd van een overdreven perfectionisme en een welhaast pathologische drang tot volledigheid. Kortom, na urenlang hersenwerk is mijn kop dan gebroken. Wanneer ik er dan voor die avond een punt achter zet, neem ik een stevig biertje of een flink glas porto en overschouw het geleverde werk op tikfouten en onzuiverheden. Bij dat overschouwen verval ik aan de hand van een detail of een ander draadje dat soms al in de loop van de dag is ontstaan, in een soort contrapunt waarin het rationeel nadenken met zijn precieze onderscheiden tussen objecten, woorden en concepten volledig is opgelost. In die zin heb ik poëzie al tientallen jaren geleden eens klaar en duidelijk omschreven als los-bandigheid (met het streepje midden in het woord om de morele connotaties ervan op te heffen). De objecten met hun duidelijke contouren en hun connecties, de banden tussen de objecten zoals wij die in ons rationeel denken en in de ermee verbonden ‘werkelijkheid’ ervaren, vallen als het ware volledig weg. Nu: ik kan die uitleg achteraf alleen maar vaststellen. Hoe dan ook: er komt iets in me op en in 5 hooguit 10 minuten staat daar een gedicht dat mezelf bij het nalezen doorgaans volkomen verrast: ik weet bij het schrijven van de laatste regel eigenlijk niet echt meer wat de voorafgaande regels waren. Heel dikwijls zijn heel wat regels voor mezelf min of meer een raadsel. Ik weet precies wat met de eerste regel is bedoeld, maar de rest en het einde zijn nooit vooraf bepaald. Het overkomt me dikwijls dat ik bij het herlezen van een gedicht van een jaar of twee jaar geleden meen te ontdekken waarop een regel of een koppeling van woorden zou kunnen slaan of dat ik er retroactief plots ‘zinvolle’ dingen in zie waarvan ik me niet kan herinneren dat ze me bij het schrijven toen ook door het hoofd spookten. Op een bepaald moment voel ik bij het schrijven: hier sluit ik af! Het gebeurt wel regelmatig dat me tijdens de dag zo’n beginregel door het hoofd schiet, die ik dan vasthou om ze dan ‘s avonds of rond middernacht weer op te pikken en als ‘stimulus’ aan te wenden. Het zich overgeven aan die los-bandigheid, het doorbreken van de taal als rationele communicatie zoals in een essay, kan dan in mijn schrijven twee richtingen op: 1) de ‘stilte’ of de ‘schemer’ en 2) het ‘geweld’. Stilte en schemer staan beide voor vormloosheid; de gescheiden en onderscheiden vorm der dingen in de ‘normale’ en sociaal gedeelde werkelijkheid zijn verdwenen. Cf. ook de zee waarvan de golven eigenlijk geen objecten zijn en geen nummer of naam dragen: je kunt van de golven een foto nemen maar die golven zijn onmiddellijk weer verdwenen in een ‘niets’ waaruit ze ook zijn opgedoken. De stilte, de schemer, de mist en alle wazige, gasvormige of vloeibare ‘tijd-ruimtes’ vormen een ondergrond van naamloze mogelijkheden. Mijn gedichten komen me dan over als een momentane stolling en realisatie van die mogelijkheden of van een deel ervan, met onvoorspelbare connecties. De ‘geweld’-vorm treft me als ik opgewonden ben: dan verdwijnen de banden in de ‘werkelijke’ wereld niet, maar ze worden stukgeslagen en versplinterd als gevolg van een ontlading van surplus-energie. Extase dus. Het gebeurt dat ik vaststel dat ik een gedicht aanvat in de ‘schemer-vorm’ en eindig in de ‘geweld-vorm’ of vice versa. In dat kader lijkt het me vanzelfsprekend dat ik nooit schrap: wat er staat moet er om één of andere reden staan. Vandaar dat ik ook bijna steeds de datum en het uur van schrijven vermeld. Ik bewerk nooit een gedicht en ik zal ook nooit een gedicht beginnen om het op een later tijdstip af te werken. Of wat ik dan schrijf ‘poëzie’ moet genoemd worden, daar breek ik me het hoofd niet over. Het komt me wel voor dat in het algemeen mijn gedichten op twee punten gebrekkig zijn: ze missen muzikaliteit en, daarmee samenhangend, ze zijn spraakkundig gezien te prozaïsch. Ik voel hoe dan ook geen aandrang om anderen ertoe aan te zetten om op deze manier te schrijven. Ik heb alle respect voor mensen die bij het schrijven van poëzie uitgaan van een welomlijnd concept of voor dichters die urenlang al zwetend schaven en wroeten tot ze een bevredigend eindresultaat voor zich zien, of voor dichters die eerst de laatste regel van een gedicht in hun hoofd hebben voordat ze een bepaalde aanhef kiezen. Ik voel me altijd ongemakkelijk als mensen me gedichten sturen en me naar mijn mening vragen over de poëtische of literaire waarde ervan. Ik poog me dan zoveel mogelijk als mentor op te stellen en niet als leraar. En gelukkig gebeurt het hooguit 1 of 2 keer per jaar dat ik een dergelijke vraag op mijn bord krijg.
4. Op www.gedichten.nl staan maar liefst 58 gedichten van uw hand. Heeft u een speciale voorkeur voor deze site?
Het plaatsen van die gedichten aldaar dateert van de jaren 2004-2005, dit is de periode van het herstel na mijn zware ziekte toen ik de behoefte voelde om mezelf op mijn waarde te toetsen (zie supra). Ik plaatste toen stukken op deze site naast Poetry Alive (nu Dichttalent) en SchrijfNet. Ik heb me sinds ik in 2006-2007 mijn eerste bundels uitgegeven zag, alleen nog in min of meer langdurige periodes van ‘zwakte’ en verveling op dat soort sites begeven. En zoals voorheen is het telkens weer met herrie afgelopen. In de eerste plaats door mijn eigen koppigheid: ik had beter tijdig en op het gepaste moment afscheid genomen van het kleuterachtig gedoe op deze sites. Ik had er zo al een hekel aan dat op die sites kafkaïaanse redacties aan het werk waren die heel despotisch optraden en je bijvoorbeeld op de vingers tikten als je zelf geen bemerkingen plaatste onder andere gedichten en die je voor deze doodzonde zelfs ‘banden’ (‘bannen’ is wel de geliefkoosde bezigheid van dat soort poëziesite-beheerders, want van poëzie weten ze door de band niet zo heel veel af). Bijna alle tegenwoordig nog bestaande sites zijn opgezet onder het mom “elkaar helpen beter te schrijven door het leveren van kritiek op elkaars werk”. Heel dikwijls is dit een mooie rationalisatie voor sadisten die niets liever doen dan zich te moeien met andermans zaken en voor masochisten die niets liever hebben dan dat anderen zich moeien met hun zaken. Niet het schrijven van gedichten staat centraal maar het leveren van ‘kritiek’ op elkaars werk. ‘Kritiek’: wat is dat dan voor deze ‘poëzie-promotoren’? Dingen zoals “ik zou in je gedicht in strofe 3 het woord ‘dikwijls’ vervangen door ‘soms’ want ‘dikwijls’ heb je al in de tweede strofe gebruikt.” Of eindeloos gelul m.b.t. hoogst belangrijke kwesties zoals de vraag of alle versregels met een hoofdletter mogen/moeten beginnen of niet. Dat soort ‘kritiek’ krijg je dan van heel mediocre figuren die helemaal niet weten wat ‘literaire kritiek’ is, integendeel. Zelf reikt hun ‘poetica’, zoals ze dat dan zelf heel hoogmoedig noemen en waarbij ik me een kriek lach, soms niet eens hoger dan ‘het verwoorden van hoogst persoonlijke gevoelens of ervaringen’, ‘de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’ en dat soort blablabla. Maar die lieden menen wel in alle ernst en bescheidenheid dat ze je (en iedereen) voortdurend de les mogen én kunnen spellen over wat échte poëzie is en wat maar ‘gedichies’ zijn. De dichters die toonzetters zijn op deze sites, lezen een gedicht blijkbaar zoals een drukproef wordt nagelezen op drukfouten. En het resultaat van deze analytische lezing noemen ze dan ‘kritiek’. Ik heb het meer dan eens meegemaakt dat jonge talentvolle debutanten die zich voor hun eerste publieke stappen tot deze sites wenden en getuigden van een zeker eigenwaardegevoel door dat soort onnozele ‘kritiek’ terecht naast zich neer te leggen in plaats van onderdanig ‘dikwijls’ door ‘soms’ te vervangen, meteen werden neergesabeld en uitgerookt. Jonge debutanten die nu publiceren in erkende tijdschriften, een niveau dat de meeste van die moordende kritikasters nooit hebben bereikt en ook nooit zullen bereiken. Ik werd daar bepaald irritant van en de onnoemelijk grote dwaasheid die ik heb begaan, is dat ik, in plaats van simpelweg “Au revoir” te zeggen, me telkens liet meeslepen om me te verdedigen en te verweren tegen dat soort pedante en kleuterachtige feedback dat ik op mijn dak kreeg, tot ik finaal tegen windmolens ging vechten, een gevecht dat ik uiteraard verloor. Een gedicht, zo lijkt het me, kun je toch nooit smaken als je dat op zo’n analytische manier leest. En in al die jaren heb ik op deze sites ook nooit één kritische lezing van een gedicht aangetroffen, hooguit van één versregel. Wel merkte ik heel wat schaamteloos plagiaat en intellectuele oplichterij. Van lieden, ja zelfs van ‘redacteur-beheerders’, die op anderen neerkijken als op onnozele amateurs, maar zelf als ‘dichter-beheerder’ soms niet veel meer kunnen produceren dan wat ik onverbloemd zwendel noem. Mensen die, in de overtuiging dat op zo’n site toch niemand Latijn kent, met hoogdravende Latijnse titels komen aandraven die uiteraard geen correct Latijn zijn, verre van. Maar dat mag je dan niet zeggen, je krijgt een hoop modder van henzelf en van hun ter hulp geroepen vriendjes op je dak. (Wel merk je dan een week of twee later dat ze met de stille trom die titel toch maar veranderd hebben, precies in de zin zoals jij het hun in eerste instantie neutraal en emotieloos had voorgesteld!) Ach, die mensen die zo graag ‘beheerder’ of redactielid zijn van dergelijke sites en bijvoorbeeld denken dat het modefenomeen flarf of flarf-poëzie berust op de regel om op Google te browsen op twee los van elkaar staande woorden of begrippen! Als je in een positie bent om andere mensen van een site te bannen, zou je toch eerst mogen weten dat je voor een Amerikaans of Engels fenomeen beter de Engelstalige wikipedia raadpleegt. Maar nee: louter machtswellust en vriendjespolitiek heersen op die sites. Ik ben op de meeste van die sites geband. Gelukkig eigenlijk. Want ik ben ook niet bepaald gelukkig met de manier waarop ik daar uit de hoek ben gekomen. Het zal me niet meer overkomen enige erkenning te zoeken op dat soort plaatsen. Misschien had ik hier beter ook niet over die zaken gerept. Al ligt 1 & ander me nog zwaar op de lever, ik beschouw die fase als afgesloten. Tegenwoordig stuur ik af en toe eens iets naar Krakatau, Verlaine, Het Schrijverspodium of De Geletterde Mens (waar ik ‘Meesterdichter van de Lage Landen’ ben). In de jaren 2007-2008 publiceerde ik werk in een reeks erkende ‘betere’ literaire tijdschriften (de tijdschriften die je doorgaans ook wat ‘honorarium’ uitbetalen), maar het gebeurt nu nog zelden dat ik iets inzend naar dat soort tijdschriften. In een paar ervan wil ik onwille van hun strekking gewoon ook niet opgenomen worden. De literaire tijdschriften krijgen de laatste jaren massa’s inzendingen, heel wat meer dan 10 jaar geleden, denk ik, terwijl ze het net allemaal financieel heel moeilijk hebben. Als je niemand van de redactie persoonlijk kent, kom je m.i. alleen in aanmerking als men bij een nieuw nummer toevallig een paar lege bladzijden moet opvullen, tenzij je werk effenaf geniaal is en dat is het mijne zeker niet. Ik vind het niet leuk om plots uit het luchtledige vanwege iemand wiens naam me totaal niets zegt en die ook nergens te kennen geeft namens wie hij/zij me aanschrijft, een bericht te krijgen dat ‘na rijp beraad beslist is je werk niet te publiceren’. Dat moet dan blijkbaar betrekking hebben op gedichten die ik misschien een half jaar geleden ergens naartoe moet hebben gestuurd. Ik plaats wel mijn stukjes onmiddellijk op mijn blog die dagelijks gemiddeld 120 bezoekers haalt (waarvan vermoedelijk een heel pak verdwaalde surfers) en zo op Facebook een link naar mijn blog.
5. Tegenwoordig is het voor elke dichter zaak om zichtbaar te zijn en op podia en poeziëfestivals acte de presence te geven. Hoe graag doet u dit zelf?
Schrijven is me wezenlijk voldoende. Ik heb altijd een probleem gehad met publieke optredens en met vooraan op een podium staan. Ook in mijn beroepsleven toen ik geacht werd af en toe een lezing te geven en in ieder geval als onderdeel van mijn werk een aantal uur les moest geven. Wanneer ik een uitnodiging kreeg voor een ‘optreden’ ergens te lande, was ik op het moment zelf erg enthousiast, maar op de dag van de eigenlijke lezing had ik er dikwijls helemaal geen zin meer in en belde ik af. Wat ik weet, wat ik meen te weten of wat ik te zegggen heb, zeg ik liever in een gewoon gesprek tussen gelijken dan op een podium voor een anoniem publiek waarvan je niet weet of het applaus achteraf ingegeven is door beleefdheid of door oprechte appreciatie, een publiek waarmee je hoe dan ook geen authentieke interactie hebt. Ik word ook niet graag aangekeken als ‘de dichter’, zoals ik er in mijn beroepsleven ook een hekel aan had door te moeten gaan als ‘de alwetende professor’. In die zin ben ik geen vragende partij voor podiumoptredens of deelname aan poëziefestivals. Ik vermoed dat ik in al die decennia hooguit 5 maal poëzie heb voorgedragen in het kader van een specifiek poëzie-evenement. Het schijnt nochtans dat ik dat voorbeeldig deed en doe. Dat zou goed kunnen: als ik als lesgever in vorm was, was ik toen voor mijn studenten ook een waar genoegen. Maar ik ben onberekenbaar en ik kan er niet van uitgaan dat ik, laat ons zeggen op een poëzie-evenement op 15 januari eerstkomend, ‘in vorm’ zal zijn. Ben ik niet in goede doen, dan wordt het voor mij een ware marteling. Ik las eigenlijk altijd het liefst mijn gedichten voor aan mijn levenspartner en doorgaans was het voor mij voldoende dat zij enthousiast was. Ik lees inderdaad het liefst gedichten voor aan mensen die ik goed ken, op een moment in een gesprek dat een bepaald gedicht me ter zake lijkt. Ik vind het bijzonder fijn te weten dat een aantal mensen mijn werk appreciëren, maar de ambitie om als dichter of schrijver ‘beroemd’ te worden heb ik nooit gehad. Aan poëziewedstrijden heb ik ook nooit deelgenomen. Alleen al dat gedoe van “3 gedichten in vijfvoud onder schuilnaam in omslag 1″ en “in een 2de omslag je ware naam, etc”: dat is me gewoon al te omslachtig. En als ik moet vaststellen dat tegenwoordig de genomineerden voor de Gouden Uil of de Libris Literatuurprijs in een achterzaaltje van een televisiestudio als kleuters nagelbijtend zitten te wachten op de officiële proclamatie: nou, ik zou als schrijver beschaamd zijn. Ik zal ongetwijfeld ouderwets zijn: een schrijver hoort volgens mij nog altijd ergens een bohémien te zijn en geen MKB’er (of in het Vlaams: een KMO-er).
6. Bij uw inzending voor Meander vermeldt u dat poëzie een kwestie is “van leven of dood”. Wat bedoelt u daar precies mee?
Rond 1985 ‘ontdekte’ ik Fernando Pessoa (in Franse vertaling): dat was de periode waarin Portugese onderzoekers het materiaal uit Pessoa’s befaamde Braziliaanse kist stuk per stuk samenstelden en voor publicatie klaarmaakten. Naast Pessoa’s bekend werk verschenen dan in het Frans de eerste vertalingen van de inhoud van die welhaast onuitputtelijke schatkist. Bij de persoon van Pessoa viel me meteen iets op dat ik eerder ook al bij een paar andere schrijvers-dichters, met name Cesare Pavese en Arthur Rimbaud, had menen te mogen vaststellen, maar nooit bij schilders. Namelijk dat deze schrijvers vanaf een bepaald moment in hun kindertijd werden geconfronteerd met de fysieke of virtuele afwezigheid van hun vader: de vader was gestorven of had zijn gezin in de steek gelaten; of hij was oppervlakkig gezien in een mildere vorm mentaal onbereikbaar of ontoegankelijk. Een kind in een dergelijke situatie kan zich genoopt zien vroegtijdig zijn/haar taalvaardigheid en meer in het bijzonder de schrijfvaardigheid buitenmatig te ontwikkelen om zo vat te krijgen op de wereld waarin hij/zij vertoeft, op zijn/haar plaats in deze wereld en ook op de plaats van zijn/haar zelfbewustzijn en Ik-besef binnen zijn/haar leven en zijn/haar lichamelijkheid. Zoals men in het Frans zegt wanneer een kind een trauma moet verwerken: “Cela fera de la bonne littérature!” Deze strategie van hypertrofische taalvaardigheid die in wezen een overlevingsstrategie is, kan dan in de puberteit of de jonge volwassenheid uitgroeien tot een houding en ingesteldheid waarbij het schrijven de volledige manier van zijn en van leven in alle opzichten gaat kleuren en domineren. Leven = schrijven! Rimbaud’s ‘Une saison en enfer’ staat mij hierbij als voorbeeld onmiddellijk voor de geest. Binnen deze schrijvershouding zien we wel dikwijls een drang opduiken om te ontsnappen aan de druk van het zwaarmoedig Ik-besef via wat ik in die jaren omschreef als ‘de ceifeirische waan’ (naar het Pessoa-gedicht ‘Ceifeira’ – ‘De Maaister’). Met de ceifeirische waan verwijs ik naar het paradoxale verlangen het ‘bewustzijn’ te verliezen maar zich tegelijk ook bewust te zijn van deze ‘bewusteloosheid’. Ongeveer een beetje zoals zich bij mezelf na hoofdbrekens bij essayistisch werk de opwelling aandient om deze rationalistische en wetenschappelijke ingesteldheid te vernietigen. Het patroon dat ik hier beknopt schets, vind je naast Rimbaud, Pessoa en Pavese in één of andere vorm ook terug bij Edgar Allan Poe, Charles Baudelaire, Stéphane Mallarmé, Joris-Karl Huysmans, Rainer Maria Rilke, Franz Kafka, Sylvia Plath en ik vergeet er een paar. Fjodor Dostojevski en Vladimir Majakovski kunnen m.i. ook in het patroon gewrongen worden, maar ik ken de biografie van deze twee schrijvers niet zo goed. Ik heb bovenstaande analyse rond 1990 gepubliceerd in een hoofdstuk van een Engelstalig boek over zelforganisatie en cybernetica van de Gentse filosofe Gertrudis Van de Vijver. Ik heb daarna aan de zaak geen verdere aandacht meer besteed. Maar ik vermoed dat het patroon NIET meer opgaat voor hedendaagse schrijvers. Wat ik met dit ganse verhaal bedoel is dat voor de genoemde kleppers uit de wereldliteratuur schrijven manifest geen hobby of divertissement was. Schrijven was voor hen in geen enkel opzicht een manier om zichzelf of anderen te vermaken. Het was voor hen eigenlijk schrijven of sterven. Hun werk is dan ook niet bedoeld als slaapmutsje, kalmeerpil of relaxatiemiddel, zoals ik dat associeer met onze in Vlaanderen hooggeëerde dichter Herman De Coninck, maar bij mijn weten heb ik nooit een gedicht van De Coninck gelezen. Mijn voorkeur gaat ook uit naar poëzie die bij het lezen eigenlijk pijn doet, die de lezer met zichzelf confronteert en hem of haar uit zijn evenwicht brengt. Maar je kunt niet geforceerd naar een dergelijk effect toe schrijven, zoals sommigen dit willen doen in zogenaamde politieke poëzie. Expliciete politieke poëzie heeft naar mijn aanvoelen per definitie nooit politieke impact. Ze bevestigt alleen reeds bestaande overtuigingen. Maar goed. Dat schrijven ook voor mij in hoge mate een kwestie van leven of dood is ervaar ik wanneer het me door omstandigheden van welke aard ook meer dan een week of zo niet lukt om wat dan ook neer te schrijven, in de eerste plaats in essayistische zin. Ik heb mij als schrijver weliswaar door mijn beroepsloopbaan kunnen uitleven in wetenschappelijke of semi-wetenschappelijke artikels en boeken, in onderzoeksverslagen et cetera. Maar wanneer het me te lange tijd niet lukte om mezelf te verliezen in het schrijven van wat dan ook, voelde ik me bijwijlen een levend lijk. Als ik in zo’n periodes alleen met mijn gedachten op bed lig, moet ik soms de inbeelding van me afduwen dat ik erbij lig als een stervende. Inderdaad: de lichaamshouding die ik dan aanneem, staat in de yoga gekend als de dodemanshouding (‘savasana’). Kortom: schrijven, ook poëzie schrijven, is voor mij een doodernstige bezigheid. In die zin heb ik ook nooit een gedicht op ‘aanvraag’ of een gelegenheidsgedicht kunnen schrijven. Een evenement als Gedichtendag zegt me ook niets: ik voel me bij dergelijk corporatistisch pseudospektakel in het geheel niet betrokken. En deelname aan zogenaamde Benefiet-avonden voor delen van de wereld die overstroomd zijn of waar massaal vrouwen verkrachten worden, vind ik gewoon bedrog: de opbrengst gaat naar het zogenaamde Goede Doel, maar de optredende kunstenaars, zangers en schrijvers/dichters worden er wel financieel en qua reputatie beter van. Ik heb er geen probleem mee dat men optreedt in zo’n kader. Maar noem dit schijnvertoon asjeblief geen ‘solidariteit’. Want ondertussen hoor je, als je meevoelt met de mensen in probleemregio’s in de wereld, toch te weten dat bv. Bono van U2 veeleer een beursspeculant is dan een filantroop. Nu, aan de andere kant: met je dichtwerk op zichzelf zal je in Vlaanderen en vermoedelijk ook in Nederland nauwelijks je brood kunnen verdienen of je kunnen verrijken. Dat men echter op een gegeven moment op het idee is gekomen om een Gedichtendag te orkestreren, illustreert eigenlijk dat er helemaal geen echte maatschappelijke behoefte is aan het soort poëzie dat op die dag of op de 364/365 andere dagen van het jaar wordt tentoongesteld. En dat geldt uiteraard ook voor mijn poëzie.
7. U heeft tot nu toe 5 gedichtenbundels uitgebracht. Wat zijn uw verdere toekomstplannen?
Het ligt niet in mijn aard wel doordachte toekomstplannen te maken. Zeker niet voor het ogenblik. Sedert ongeveer anderhalf à twee jaar ontdoe ik me niet van de indruk dat de gedichten die ik schrijf, veel stroever, geforceerder en meer beredeneerd zijn geworden. Ik ben er in ieder geval niet meer zo tevreden over. Ik schrijf ook veel minder. Om poëzie te schrijven moet ik me in een toestand van gelukzalige zelfvoldaanheid bevinden. Ik heb er de laatste jaren aan gedacht om poëzie te combineren met muziek of beeldende kunst. Poëzie in de vorm van zwarte letters op een wit blad papier of een witte achtergrond heeft volgens mij geen enkele toekomst. Maar ik ben niet gemakkelijk in het samenwerken met anderen en ik heb in die richting maar een paar nuchtere stappen gezet. Ik schrijf tegenwoordig ook in het algemeen veel minder. Ik heb, voor de eerste keer in mijn leven denk ik, geen vat meer op wat er in de wereld, lokaal en globaal, aan het gebeuren is. Ik lijd daaronder en met simplistische visies in het genre van ‘the good guys’ versus ‘the bad guys’ kan ik geen vrede nemen. Die intellectuele bezorgdheid en verwarring zorgt ervoor dat ik ook minder geneigd ben poëzie te schrijven of dat ik die intellectuele verwarring geforceerd in mijn gedichten wil stoppen. Ik heb me een jaar geleden overigens teruggetrokken in mijn jeugdgemeente, waar ik genoegen kan nemen met het praten over op het eerste zicht onbeduidende koetjes en kalfjes. Voor de rest ervaar ik voor het ogenblik de zaken zoals Fernando Pessoa het uitdrukte in zijn laatste (in gebrekkig Engels) geschreven woorden: “I know not what tomorrow will bring.”
maandag 25 okt 2010
12 november 2010
meander: stootoevers, glijoevers & hoefijzermeren
Eergisteren of zo maakten we melding van een interview dat het poëzie-internetmagazine Meander in de loop van de voorbije maand van ons afnam, maar waarvan we uiteindelijk de publicatie hebben geweigerd. De samenvatting die op basis van onze antwoorden was gemaakt, was ons te karikaturaal: wij herkenden er onszelf niet in.
****
1. Sinds wanneer is dichten voor u een serieuze bezigheid geworden?
Twee periodes in mijn leven is dichten (of wat ervoor moest/moet doorgaan) een ‘serieuze bezigheid’ geweest, in de zin dat ik me er quasi volledig mee vereenzelvigde. Als kind was lezen al mijn geliefkoosde bezigheid. Mijn vader was weliswaar een ongeschoold bouwvakker maar hij las kranten en tijdschriften en maandelijks kwam er via de post een pakketje boeken aangewaaid, ‘serieuze’ boeken gaande van (semi-)porno tot redelijk zware non-fictie. Met poëzie kwamen we eigenlijk pas in aanraking in de lessen Latijn toen ik 12-15 jaar was: Horatius, Vergilius, Ovidius. Ik probeerde toen zelf Latijnse gedichten in versvoeten te schrijven, maar verder dan een halve regel ben ik nooit geraakt. Ik herinner me uit die tijd een paar occasionele gedichtjes (in het Nederlands). In het schrijven vond ik pas echt mezelf terug toen ik sociaal geïsoleerd geraakte door het tweede huwelijk van mijn moeder met een tirannieke stiefvader, wat toevallig samenviel met het verder zetten van mijn studies in de stad Oostende waar ik in eerste instantie als een ‘boerke van de buiten’ werd beschouwd. Toen, op mijn 15de jaar, zei ik mezelf dat ik schrijver wou worden: dat betekende dat ik ‘goed’ wou kunnen schrijven, niet dat ik veel boeken of zo zou verkopen. Er waren in mijn omgeving ook geen schrijvers van vlees en bloed te bespeuren waaraan ik me had kunnen spiegelen. Ik schreef toen zowel proza (een roman, kortverhalen) als gedichten. Wat ik schreef was wel ‘geheim’, het was iets tussen mij en mezelf. Veel daarvan is verloren gegaan, maar wat ik ervan heb bewaard, beschouw ik nog steeds als ‘persoonlijk’. Wat ik schreef was met andere woorden geen communicatie, er zat geen ‘boodschap’ in, het was niet bedoeld om met anderen te delen. Rond mijn 15-16de (dat moet de winter 1965-1966 zijn geweest) nam ik dan deel aan wat we nu een workshop zouden noemen, waar een drie- of viertal gedichten van Hugo Claus helemaal ondersteboven en buitenstebinnen werden gekeerd, een beetje op zijn ‘psychoanalytisch’. Dat heeft me meer dan sterk beïnvloed omdat ik er een weg in ontdekte om transparante dingen niet alleen onherkenbaar te maken maar ook om veel bredere thema’s te verwoorden door heel anders om te gaan met metaforen, metonymiën en andere stijlfiguren. In die vorm deelde ik mijn gedichten wel met één of twee vrienden of met vertrouwenspersonen; het puur persoonlijke dat ik zelf herkende in woordkeuze etc. hoefde ik nu immers niet prijs te geven. Die manier van schrijven heb ik zeker twee volle maanden dagelijks ingeoefend tot ze een soort gewoonte was geworden en de regels ergens anders vandaan kwamen dan uit mijn persoonlijk bewust gevoelsleven. Op mijn 17de werd dan een gedicht van me dat gepubliceerd was in het scholierentijdschrift van het Atheneum Oostende, door de leraar Esthetica (“whatever this may mean”) een lesuur lang regel per regel geanalyseerd in de zin van “wat bedoelt de dichter hier?”, waarbij uiteraard mijn mening niet 1 keer werd gevraagd. Ik zou overigens vermoedelijk iets gezegd hebben in de trant: “Dat lijkt me maar een dwaze vraag!” Hoe dan ook, die gebeurtenis was een aanmoediging maar tegelijk betekende het ook dat dichten niet meer zo hoefde. Ik had als het ware bewezen dat ik ‘goed’ kon schrijven, want geen enkele andere leerling die iets in dat scholierentijdschrift kreeg, viel de eer te beurt ‘geanalyseerd’ te worden. En inderdaad schreef ik sindsdien gedichten veel meer occasioneel en ook meer proza dan poëzie. Een jaar later schreef ik ook nog een gedicht in kramakkelig Engels dat de lyrics werd voor een song van een Vlaams pop-duo Dempsey & Dover, een song die 2 weken nummer 1 stond in de Vlaamse hitparade. Aan de Universiteit in Brussel leerde ik dan ‘echte’ schrijvers en dichters kennen in het zogenaamde avantgarde café De Dolle Mol, maar het dierlijke in de mens associeerde en associeer ik nog altijd met andere zaken dan de dierlijkheden die daar als ‘artistieke provocatie’ werden opgevoerd en waarvan ik hoogstens het burleske kon smaken. Ik raakte ook meer en meer in de ban van ernstig mens- en maatschappijwetenschappelijk werk waaruit mijn professionele loopbaan is gegroeid – of om het literair te zeggen: het essay. Poëzie of een verhaal schrijven werd een ‘tussendoortje’.
Een tweede soortgelijke levensperiode waarin poëzie mijn dagen en nachten beheerste, was in de herstelperiode na mijn zware ziekte van 1999-2003 en voortijdige opruststelling toen ik nog amper mijn handtekening kon zetten. Naarmate ik weer klaar en helder zag, kwam uiteraard de drang terug om over 1 & ander ‘mijn gedacht te zeggen’. Overigens ook dikwijls op aanvraag. Ik was nog steeds redacteur van een paar niet-literaire tijdschriften. Maar het schrijven van essayistische teksten kon ik blijkbaar nog niet onmiddellijk aan. Poëzie, in de zin van ‘schrijf maar wat’: dat lukte wel. In eerste instantie was mijn schrijven weer iets ‘tussen mij en mezelf’. Ik voelde duidelijk dat ik eigenlijk terug van nul af aan moest herbeginnen. De meest elementaire dingen zoals mijn woordenschat moest ik terug aanscherpen. Dat ging vlot vooruit in samenhang met mijn algemene gezondheidstoestand. Ik zocht wel een zekere erkenning en toetste in die periode ook mezelf op populaire poëziesites. En na een dik jaar kreeg ik een paar aanbiedingen van uitgevers die materiaal van me wouden uitgeven (wat effectief ook is gebeurd) en had ik blijkbaar ook een kleine schare ‘fans’. Kortom, ik was voor sommige mensen een ‘dichter’ geworden. Maar het effect van dat relatief succes liep parallel met de wijze waarop het in die jeugdperiode is verlopen. Een ervaring van: “Voilà, ik heb bewezen dat ik het kan, ik ben terug onder de mensen”. En vanaf 2007-2008 werd poëzie weer eerder een tussendoortje en was ik mentaal gefocused op het essayistisch neerschrijven van mijn bedenkingen bij de hedendaagse maatschappelijke en ‘culturele’ veranderingen en ontwikkelingen, wat eigenlijk dus in mijn beroepsleven ook de kern was geweest van mijn werk als vorser en ‘academicus’.
2. Welke dichters leest u graag?
Deze vraag doet me meteen denken aan de titel van een geestig boekje geschreven door de Franstalige Brusselse schrijver Denys-Louis Colaux “Je haïs les poètes (vivants).” “Ik haat de dichters (die nog in leven zijn).” (Dat boekje dateert van 2005 of zo.) Soit. Ik lees eigenlijk vrij weinig poëzie, ik heb doorgaans het gevoel dat ik niet snap waarover het gedicht gaat. En een inspanning wil ik niet doen: als het lezen van een gedicht een inspanning vraagt, is het volgens mij geen goede poëzie. Volgens mij uiteraard. Het liefst stoot ik ‘toevallig’ op een gedicht dat me treft, waar ik dan in gedachten een dag mee bezig kan zijn en dat mijn mens- en wereldbeeld een beetje op zijn kop zet. Gedichten die iets openen, iets reveleren dat blijkbaar bij mij ergens al aan het sluimeren was. Ik zou ze moeten natellen, maar ik denk niet dat ik in mijn boekenkast meer dan 20 dichtbundels heb staan en zeker niet van 20 verschillende dichters. Ik heb dit jaar maar één dichtbundel gekocht: Delphine Lecompte’s “De Dieren in mij”. Ik ken ook geen enkele schrijver of dichter persoonlijk, ik heb er ook geen behoefte aan. Integendeel: schrijvers/dichters in onze Lage Landen lijken me als maatschappelijk type (als type dus, niet individu per individu) pedante, arrogante, oninteressante en onvriendelijke mensen. Kortom, zoals ik zelf als psycholoog andere psychologen als type hoogst oninteressante wezens vond en dat nog steeds vind. Ik heb het in het algemeen niet voor éénzijdig gevormde mensen en zogenaamde specialisten die dan menen ook de waarheid in pacht te hebben over zaken die ze amper bestudeerd hebben en hen wezenlijk ook niet echt interesseren, zoals het allochtonenvraagstuk, jullie Geert Wilders of onze Bart De Wever, de ellende van de verkrachte vrouwen in Congo of de overstromingen in Pakistan. De uitgever-dichter van mijn “Vlees dat spreekt” kwam een foto van me nemen voor de achterflap: hij is gekomen, heeft een foto of drie genomen en na hooguit 30 seconden was ie weer weg: hij heeft me niet eens de hand geschud. Nou, dan had ik het wel gehad. Ik heb er ook niet echt behoefte aan om altijd maar over poëzie of literatuur te praten. Integendeel: ik weet niets over poëzie en bovendien hou ik van de uitspraak van de Franse filosoof Gilles Deleuze die ooit zei “Komt er iemand aan die met me over filosofie wil discussieren, dan maak ik me meteen uit de voeten. Discussiëren: dat maakt geen deel uit van de taak van een filosoof.” Dichters die de behoefte voelen om oeverloos te lullen over hun geliefdkoosde dichters (en vooral over de de dichters die ze maar niets vinden!), over wat poëzie is en wat het niet is: dat zijn doorgaans mislukkelingen (én ze weten dat ze mislukkelingen zijn). Waarbij ik niet beweer dat ik een ‘beter dichter’ zou zijn dan andere dichters. Het is overigens een vraag die me niet beroert. De meest getalenteerde hedendaagse Vlaamse dichter lijkt me Frédéric Leroy, maar ik weet niet of ie ‘beter’ is dan de rest, want de rest ken ik niet. Graag las ik ook de twee jaar geleden gestorven Michel Bartosik, maar die kende ik sinds mijn studententijd al min of meer persoonlijk. En vanuit mijn jeugdjaren herinner ik me als gesmaakte dichters Hans Lodeizen, Bert Schierbeek en Paul Snoek. Ik lees doorgaans ook liever werk van buitenlandse anderstalige auteurs. Mijn geliefkoosde periode uit de geschiedenis is de periode 1870-1920, wezenlijk ingezet door Baudelaire en Lautréamont. Dat is de periode waarin literatuur en vooral de beeldende kunsten overgaan van een representatie van een werkelijkheid naar een directe behandeling van het materiaal zelf waarmee voorheen de representatie geschiedde. Of zoals men zegt: “Nu gaat Kunst over Kunst” en poëzie gaat over ‘de Taal zelf’. Als ik idolen heb, dan zijn het Arthur Rimbaud, Fernando Pessoa (die ik liefst in het Frans lees) en Cesare Pavese (ik kan een beetje Italiaans lezen zonder om de seconde een woordenboek te moeten raadplegen), maar dat zijn drie lieden waarvan ook hun levensgeschiedenis me bijzonder heeft gefascineerd en nog steeds fascineert. ‘Sensation’ van Rimbaud: daar kan ik op YouTube als het ware uren naar luisteren. ‘Sigarenwinkel’ van Pessoa, vooral de aanhef en het slot, voert me altijd binnen in een filosofisch labyrint. Verder komen onmiddellijk in me op: Sylvia Plath’s ‘Lady Lazarus’ en ‘Daddy’, zeker op YouTube. Maar mijn absoluut lievelingsgedicht is ‘Francesca’ van Ezra Pound. Ik ken dat gedicht reeds van mijn 14-15de toen het opgenomen was in de roman ‘Een Eiland Worden’ van Paul De Wispelaere. Bijzonder graag luister ik ook naar John Cale’s live uitvoering van zijn muzikale versie van Dylan Thomas’ gedicht ‘Do Not Go Gentle Into That Good Night’ (zie YouTube): daar word ik heel stil van.
3. Hoe komt bij u een gedicht tot stand? Gebeurt dit een vlaag van inspiratie of door lang zoeken en schrappen?
De gedichten van mezelf die ik het meest waardevol vind, zijn bijna alle ontstaan als een spontaan opgekomen dagafsluiter, nadat ik soms urenlang gewerkt had aan een essay of artikel omtrent een maatschappelijk of cultureel thema. Mijn essays getuigen altijd van een overdreven perfectionisme en een welhaast pathologische drang tot volledigheid. Kortom, na urenlang hersenwerk is mijn kop dan gebroken. Wanneer ik er dan voor die avond een punt achter zet, neem ik een stevig biertje of een flink glas porto en overschouw het geleverde werk op tikfouten en onzuiverheden. Bij dat overschouwen verval ik aan de hand van een detail of een ander draadje dat soms al in de loop van de dag is ontstaan, in een soort contrapunt waarin het rationeel nadenken met zijn precieze onderscheiden tussen objecten, woorden en concepten volledig is opgelost. In die zin heb ik poëzie al tientallen jaren geleden eens klaar en duidelijk omschreven als los-bandigheid (met het streepje midden in het woord om de morele connotaties ervan op te heffen). De objecten met hun duidelijke contouren en hun connecties, de banden tussen de objecten zoals wij die in ons rationeel denken en in de ermee verbonden ‘werkelijkheid’ ervaren, vallen als het ware volledig weg. Nu: ik kan die uitleg achteraf alleen maar vaststellen. Hoe dan ook: er komt iets in me op en in 5 hooguit 10 minuten staat daar een gedicht dat mezelf bij het nalezen doorgaans volkomen verrast: ik weet bij het schrijven van de laatste regel eigenlijk niet echt meer wat de voorafgaande regels waren. Heel dikwijls zijn heel wat regels voor mezelf min of meer een raadsel. Ik weet precies wat met de eerste regel is bedoeld, maar de rest en het einde zijn nooit vooraf bepaald. Het overkomt me dikwijls dat ik bij het herlezen van een gedicht van een jaar of twee jaar geleden meen te ontdekken waarop een regel of een koppeling van woorden zou kunnen slaan of dat ik er retroactief plots ‘zinvolle’ dingen in zie waarvan ik me niet kan herinneren dat ze me bij het schrijven toen ook door het hoofd spookten. Op een bepaald moment voel ik bij het schrijven: hier sluit ik af! Het gebeurt wel regelmatig dat me tijdens de dag zo’n beginregel door het hoofd schiet, die ik dan vasthou om ze dan ‘s avonds of rond middernacht weer op te pikken en als ‘stimulus’ aan te wenden. Het zich overgeven aan die los-bandigheid, het doorbreken van de taal als rationele communicatie zoals in een essay, kan dan in mijn schrijven twee richtingen op: 1) de ‘stilte’ of de ‘schemer’ en 2) het ‘geweld’. Stilte en schemer staan beide voor vormloosheid; de gescheiden en onderscheiden vorm der dingen in de ‘normale’ en sociaal gedeelde werkelijkheid zijn verdwenen. Cf. ook de zee waarvan de golven eigenlijk geen objecten zijn en geen nummer of naam dragen: je kunt van de golven een foto nemen maar die golven zijn onmiddellijk weer verdwenen in een ‘niets’ waaruit ze ook zijn opgedoken. De stilte, de schemer, de mist en alle wazige, gasvormige of vloeibare ‘tijd-ruimtes’ vormen een ondergrond van naamloze mogelijkheden. Mijn gedichten komen me dan over als een momentane stolling en realisatie van die mogelijkheden of van een deel ervan, met onvoorspelbare connecties. De ‘geweld’-vorm treft me als ik opgewonden ben: dan verdwijnen de banden in de ‘werkelijke’ wereld niet, maar ze worden stukgeslagen en versplinterd als gevolg van een ontlading van surplus-energie. Extase dus. Het gebeurt dat ik vaststel dat ik een gedicht aanvat in de ‘schemer-vorm’ en eindig in de ‘geweld-vorm’ of vice versa. In dat kader lijkt het me vanzelfsprekend dat ik nooit schrap: wat er staat moet er om één of andere reden staan. Vandaar dat ik ook bijna steeds de datum en het uur van schrijven vermeld. Ik bewerk nooit een gedicht en ik zal ook nooit een gedicht beginnen om het op een later tijdstip af te werken. Of wat ik dan schrijf ‘poëzie’ moet genoemd worden, daar breek ik me het hoofd niet over. Het komt me wel voor dat in het algemeen mijn gedichten op twee punten gebrekkig zijn: ze missen muzikaliteit en, daarmee samenhangend, ze zijn spraakkundig gezien te prozaïsch. Ik voel hoe dan ook geen aandrang om anderen ertoe aan te zetten om op deze manier te schrijven. Ik heb alle respect voor mensen die bij het schrijven van poëzie uitgaan van een welomlijnd concept of voor dichters die urenlang al zwetend schaven en wroeten tot ze een bevredigend eindresultaat voor zich zien, of voor dichters die eerst de laatste regel van een gedicht in hun hoofd hebben voordat ze een bepaalde aanhef kiezen. Ik voel me altijd ongemakkelijk als mensen me gedichten sturen en me naar mijn mening vragen over de poëtische of literaire waarde ervan. Ik poog me dan zoveel mogelijk als mentor op te stellen en niet als leraar. En gelukkig gebeurt het hooguit 1 of 2 keer per jaar dat ik een dergelijke vraag op mijn bord krijg.
4. Op www.gedichten.nl staan maar liefst 58 gedichten van uw hand. Heeft u een speciale voorkeur voor deze site?
Het plaatsen van die gedichten aldaar dateert van de jaren 2004-2005, dit is de periode van het herstel na mijn zware ziekte toen ik de behoefte voelde om mezelf op mijn waarde te toetsen (zie supra). Ik plaatste toen stukken op deze site naast Poetry Alive (nu Dichttalent) en SchrijfNet. Ik heb me sinds ik in 2006-2007 mijn eerste bundels uitgegeven zag, alleen nog in min of meer langdurige periodes van ‘zwakte’ en verveling op dat soort sites begeven. En zoals voorheen is het telkens weer met herrie afgelopen. In de eerste plaats door mijn eigen koppigheid: ik had beter tijdig en op het gepaste moment afscheid genomen van het kleuterachtig gedoe op deze sites. Ik had er zo al een hekel aan dat op die sites kafkaïaanse redacties aan het werk waren die heel despotisch optraden en je bijvoorbeeld op de vingers tikten als je zelf geen bemerkingen plaatste onder andere gedichten en die je voor deze doodzonde zelfs ‘banden’ (‘bannen’ is wel de geliefkoosde bezigheid van dat soort poëziesite-beheerders, want van poëzie weten ze door de band niet zo heel veel af). Bijna alle tegenwoordig nog bestaande sites zijn opgezet onder het mom “elkaar helpen beter te schrijven door het leveren van kritiek op elkaars werk”. Heel dikwijls is dit een mooie rationalisatie voor sadisten die niets liever doen dan zich te moeien met andermans zaken en voor masochisten die niets liever hebben dan dat anderen zich moeien met hun zaken. Niet het schrijven van gedichten staat centraal maar het leveren van ‘kritiek’ op elkaars werk. ‘Kritiek’: wat is dat dan voor deze ‘poëzie-promotoren’? Dingen zoals “ik zou in je gedicht in strofe 3 het woord ‘dikwijls’ vervangen door ‘soms’ want ‘dikwijls’ heb je al in de tweede strofe gebruikt.” Of eindeloos gelul m.b.t. hoogst belangrijke kwesties zoals de vraag of alle versregels met een hoofdletter mogen/moeten beginnen of niet. Dat soort ‘kritiek’ krijg je dan van heel mediocre figuren die helemaal niet weten wat ‘literaire kritiek’ is, integendeel. Zelf reikt hun ‘poetica’, zoals ze dat dan zelf heel hoogmoedig noemen en waarbij ik me een kriek lach, soms niet eens hoger dan ‘het verwoorden van hoogst persoonlijke gevoelens of ervaringen’, ‘de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’ en dat soort blablabla. Maar die lieden menen wel in alle ernst en bescheidenheid dat ze je (en iedereen) voortdurend de les mogen én kunnen spellen over wat échte poëzie is en wat maar ‘gedichies’ zijn. De dichters die toonzetters zijn op deze sites, lezen een gedicht blijkbaar zoals een drukproef wordt nagelezen op drukfouten. En het resultaat van deze analytische lezing noemen ze dan ‘kritiek’. Ik heb het meer dan eens meegemaakt dat jonge talentvolle debutanten die zich voor hun eerste publieke stappen tot deze sites wenden en getuigden van een zeker eigenwaardegevoel door dat soort onnozele ‘kritiek’ terecht naast zich neer te leggen in plaats van onderdanig ‘dikwijls’ door ‘soms’ te vervangen, meteen werden neergesabeld en uitgerookt. Jonge debutanten die nu publiceren in erkende tijdschriften, een niveau dat de meeste van die moordende kritikasters nooit hebben bereikt en ook nooit zullen bereiken. Ik werd daar bepaald irritant van en de onnoemelijk grote dwaasheid die ik heb begaan, is dat ik, in plaats van simpelweg “Au revoir” te zeggen, me telkens liet meeslepen om me te verdedigen en te verweren tegen dat soort pedante en kleuterachtige feedback dat ik op mijn dak kreeg, tot ik finaal tegen windmolens ging vechten, een gevecht dat ik uiteraard verloor. Een gedicht, zo lijkt het me, kun je toch nooit smaken als je dat op zo’n analytische manier leest. En in al die jaren heb ik op deze sites ook nooit één kritische lezing van een gedicht aangetroffen, hooguit van één versregel. Wel merkte ik heel wat schaamteloos plagiaat en intellectuele oplichterij. Van lieden, ja zelfs van ‘redacteur-beheerders’, die op anderen neerkijken als op onnozele amateurs, maar zelf als ‘dichter-beheerder’ soms niet veel meer kunnen produceren dan wat ik onverbloemd zwendel noem. Mensen die, in de overtuiging dat op zo’n site toch niemand Latijn kent, met hoogdravende Latijnse titels komen aandraven die uiteraard geen correct Latijn zijn, verre van. Maar dat mag je dan niet zeggen, je krijgt een hoop modder van henzelf en van hun ter hulp geroepen vriendjes op je dak. (Wel merk je dan een week of twee later dat ze met de stille trom die titel toch maar veranderd hebben, precies in de zin zoals jij het hun in eerste instantie neutraal en emotieloos had voorgesteld!) Ach, die mensen die zo graag ‘beheerder’ of redactielid zijn van dergelijke sites en bijvoorbeeld denken dat het modefenomeen flarf of flarf-poëzie berust op de regel om op Google te browsen op twee los van elkaar staande woorden of begrippen! Als je in een positie bent om andere mensen van een site te bannen, zou je toch eerst mogen weten dat je voor een Amerikaans of Engels fenomeen beter de Engelstalige wikipedia raadpleegt. Maar nee: louter machtswellust en vriendjespolitiek heersen op die sites. Ik ben op de meeste van die sites geband. Gelukkig eigenlijk. Want ik ben ook niet bepaald gelukkig met de manier waarop ik daar uit de hoek ben gekomen. Het zal me niet meer overkomen enige erkenning te zoeken op dat soort plaatsen. Misschien had ik hier beter ook niet over die zaken gerept. Al ligt 1 & ander me nog zwaar op de lever, ik beschouw die fase als afgesloten. Tegenwoordig stuur ik af en toe eens iets naar Krakatau, Verlaine, Het Schrijverspodium of De Geletterde Mens (waar ik ‘Meesterdichter van de Lage Landen’ ben). In de jaren 2007-2008 publiceerde ik werk in een reeks erkende ‘betere’ literaire tijdschriften (de tijdschriften die je doorgaans ook wat ‘honorarium’ uitbetalen), maar het gebeurt nu nog zelden dat ik iets inzend naar dat soort tijdschriften. In een paar ervan wil ik onwille van hun strekking gewoon ook niet opgenomen worden. De literaire tijdschriften krijgen de laatste jaren massa’s inzendingen, heel wat meer dan 10 jaar geleden, denk ik, terwijl ze het net allemaal financieel heel moeilijk hebben. Als je niemand van de redactie persoonlijk kent, kom je m.i. alleen in aanmerking als men bij een nieuw nummer toevallig een paar lege bladzijden moet opvullen, tenzij je werk effenaf geniaal is en dat is het mijne zeker niet. Ik vind het niet leuk om plots uit het luchtledige vanwege iemand wiens naam me totaal niets zegt en die ook nergens te kennen geeft namens wie hij/zij me aanschrijft, een bericht te krijgen dat ‘na rijp beraad beslist is je werk niet te publiceren’. Dat moet dan blijkbaar betrekking hebben op gedichten die ik misschien een half jaar geleden ergens naartoe moet hebben gestuurd. Ik plaats wel mijn stukjes onmiddellijk op mijn blog die dagelijks gemiddeld 120 bezoekers haalt (waarvan vermoedelijk een heel pak verdwaalde surfers) en zo op Facebook een link naar mijn blog.
5. Tegenwoordig is het voor elke dichter zaak om zichtbaar te zijn en op podia en poeziëfestivals acte de presence te geven. Hoe graag doet u dit zelf?
Schrijven is me wezenlijk voldoende. Ik heb altijd een probleem gehad met publieke optredens en met vooraan op een podium staan. Ook in mijn beroepsleven toen ik geacht werd af en toe een lezing te geven en in ieder geval als onderdeel van mijn werk een aantal uur les moest geven. Wanneer ik een uitnodiging kreeg voor een ‘optreden’ ergens te lande, was ik op het moment zelf erg enthousiast, maar op de dag van de eigenlijke lezing had ik er dikwijls helemaal geen zin meer in en belde ik af. Wat ik weet, wat ik meen te weten of wat ik te zegggen heb, zeg ik liever in een gewoon gesprek tussen gelijken dan op een podium voor een anoniem publiek waarvan je niet weet of het applaus achteraf ingegeven is door beleefdheid of door oprechte appreciatie, een publiek waarmee je hoe dan ook geen authentieke interactie hebt. Ik word ook niet graag aangekeken als ‘de dichter’, zoals ik er in mijn beroepsleven ook een hekel aan had door te moeten gaan als ‘de alwetende professor’. In die zin ben ik geen vragende partij voor podiumoptredens of deelname aan poëziefestivals. Ik vermoed dat ik in al die decennia hooguit 5 maal poëzie heb voorgedragen in het kader van een specifiek poëzie-evenement. Het schijnt nochtans dat ik dat voorbeeldig deed en doe. Dat zou goed kunnen: als ik als lesgever in vorm was, was ik toen voor mijn studenten ook een waar genoegen. Maar ik ben onberekenbaar en ik kan er niet van uitgaan dat ik, laat ons zeggen op een poëzie-evenement op 15 januari eerstkomend, ‘in vorm’ zal zijn. Ben ik niet in goede doen, dan wordt het voor mij een ware marteling. Ik las eigenlijk altijd het liefst mijn gedichten voor aan mijn levenspartner en doorgaans was het voor mij voldoende dat zij enthousiast was. Ik lees inderdaad het liefst gedichten voor aan mensen die ik goed ken, op een moment in een gesprek dat een bepaald gedicht me ter zake lijkt. Ik vind het bijzonder fijn te weten dat een aantal mensen mijn werk appreciëren, maar de ambitie om als dichter of schrijver ‘beroemd’ te worden heb ik nooit gehad. Aan poëziewedstrijden heb ik ook nooit deelgenomen. Alleen al dat gedoe van “3 gedichten in vijfvoud onder schuilnaam in omslag 1″ en “in een 2de omslag je ware naam, etc”: dat is me gewoon al te omslachtig. En als ik moet vaststellen dat tegenwoordig de genomineerden voor de Gouden Uil of de Libris Literatuurprijs in een achterzaaltje van een televisiestudio als kleuters nagelbijtend zitten te wachten op de officiële proclamatie: nou, ik zou als schrijver beschaamd zijn. Ik zal ongetwijfeld ouderwets zijn: een schrijver hoort volgens mij nog altijd ergens een bohémien te zijn en geen MKB’er (of in het Vlaams: een KMO-er).
6. Bij uw inzending voor Meander vermeldt u dat poëzie een kwestie is “van leven of dood”. Wat bedoelt u daar precies mee?
Rond 1985 ‘ontdekte’ ik Fernando Pessoa (in Franse vertaling): dat was de periode waarin Portugese onderzoekers het materiaal uit Pessoa’s befaamde Braziliaanse kist stuk per stuk samenstelden en voor publicatie klaarmaakten. Naast Pessoa’s bekend werk verschenen dan in het Frans de eerste vertalingen van de inhoud van die welhaast onuitputtelijke schatkist. Bij de persoon van Pessoa viel me meteen iets op dat ik eerder ook al bij een paar andere schrijvers-dichters, met name Cesare Pavese en Arthur Rimbaud, had menen te mogen vaststellen, maar nooit bij schilders. Namelijk dat deze schrijvers vanaf een bepaald moment in hun kindertijd werden geconfronteerd met de fysieke of virtuele afwezigheid van hun vader: de vader was gestorven of had zijn gezin in de steek gelaten; of hij was oppervlakkig gezien in een mildere vorm mentaal onbereikbaar of ontoegankelijk. Een kind in een dergelijke situatie kan zich genoopt zien vroegtijdig zijn/haar taalvaardigheid en meer in het bijzonder de schrijfvaardigheid buitenmatig te ontwikkelen om zo vat te krijgen op de wereld waarin hij/zij vertoeft, op zijn/haar plaats in deze wereld en ook op de plaats van zijn/haar zelfbewustzijn en Ik-besef binnen zijn/haar leven en zijn/haar lichamelijkheid. Zoals men in het Frans zegt wanneer een kind een trauma moet verwerken: “Cela fera de la bonne littérature!” Deze strategie van hypertrofische taalvaardigheid die in wezen een overlevingsstrategie is, kan dan in de puberteit of de jonge volwassenheid uitgroeien tot een houding en ingesteldheid waarbij het schrijven de volledige manier van zijn en van leven in alle opzichten gaat kleuren en domineren. Leven = schrijven! Rimbaud’s ‘Une saison en enfer’ staat mij hierbij als voorbeeld onmiddellijk voor de geest. Binnen deze schrijvershouding zien we wel dikwijls een drang opduiken om te ontsnappen aan de druk van het zwaarmoedig Ik-besef via wat ik in die jaren omschreef als ‘de ceifeirische waan’ (naar het Pessoa-gedicht ‘Ceifeira’ – ‘De Maaister’). Met de ceifeirische waan verwijs ik naar het paradoxale verlangen het ‘bewustzijn’ te verliezen maar zich tegelijk ook bewust te zijn van deze ‘bewusteloosheid’. Ongeveer een beetje zoals zich bij mezelf na hoofdbrekens bij essayistisch werk de opwelling aandient om deze rationalistische en wetenschappelijke ingesteldheid te vernietigen. Het patroon dat ik hier beknopt schets, vind je naast Rimbaud, Pessoa en Pavese in één of andere vorm ook terug bij Edgar Allan Poe, Charles Baudelaire, Stéphane Mallarmé, Joris-Karl Huysmans, Rainer Maria Rilke, Franz Kafka, Sylvia Plath en ik vergeet er een paar. Fjodor Dostojevski en Vladimir Majakovski kunnen m.i. ook in het patroon gewrongen worden, maar ik ken de biografie van deze twee schrijvers niet zo goed. Ik heb bovenstaande analyse rond 1990 gepubliceerd in een hoofdstuk van een Engelstalig boek over zelforganisatie en cybernetica van de Gentse filosofe Gertrudis Van de Vijver. Ik heb daarna aan de zaak geen verdere aandacht meer besteed. Maar ik vermoed dat het patroon NIET meer opgaat voor hedendaagse schrijvers. Wat ik met dit ganse verhaal bedoel is dat voor de genoemde kleppers uit de wereldliteratuur schrijven manifest geen hobby of divertissement was. Schrijven was voor hen in geen enkel opzicht een manier om zichzelf of anderen te vermaken. Het was voor hen eigenlijk schrijven of sterven. Hun werk is dan ook niet bedoeld als slaapmutsje, kalmeerpil of relaxatiemiddel, zoals ik dat associeer met onze in Vlaanderen hooggeëerde dichter Herman De Coninck, maar bij mijn weten heb ik nooit een gedicht van De Coninck gelezen. Mijn voorkeur gaat ook uit naar poëzie die bij het lezen eigenlijk pijn doet, die de lezer met zichzelf confronteert en hem of haar uit zijn evenwicht brengt. Maar je kunt niet geforceerd naar een dergelijk effect toe schrijven, zoals sommigen dit willen doen in zogenaamde politieke poëzie. Expliciete politieke poëzie heeft naar mijn aanvoelen per definitie nooit politieke impact. Ze bevestigt alleen reeds bestaande overtuigingen. Maar goed. Dat schrijven ook voor mij in hoge mate een kwestie van leven of dood is ervaar ik wanneer het me door omstandigheden van welke aard ook meer dan een week of zo niet lukt om wat dan ook neer te schrijven, in de eerste plaats in essayistische zin. Ik heb mij als schrijver weliswaar door mijn beroepsloopbaan kunnen uitleven in wetenschappelijke of semi-wetenschappelijke artikels en boeken, in onderzoeksverslagen et cetera. Maar wanneer het me te lange tijd niet lukte om mezelf te verliezen in het schrijven van wat dan ook, voelde ik me bijwijlen een levend lijk. Als ik in zo’n periodes alleen met mijn gedachten op bed lig, moet ik soms de inbeelding van me afduwen dat ik erbij lig als een stervende. Inderdaad: de lichaamshouding die ik dan aanneem, staat in de yoga gekend als de dodemanshouding (‘savasana’). Kortom: schrijven, ook poëzie schrijven, is voor mij een doodernstige bezigheid. In die zin heb ik ook nooit een gedicht op ‘aanvraag’ of een gelegenheidsgedicht kunnen schrijven. Een evenement als Gedichtendag zegt me ook niets: ik voel me bij dergelijk corporatistisch pseudospektakel in het geheel niet betrokken. En deelname aan zogenaamde Benefiet-avonden voor delen van de wereld die overstroomd zijn of waar massaal vrouwen verkrachten worden, vind ik gewoon bedrog: de opbrengst gaat naar het zogenaamde Goede Doel, maar de optredende kunstenaars, zangers en schrijvers/dichters worden er wel financieel en qua reputatie beter van. Ik heb er geen probleem mee dat men optreedt in zo’n kader. Maar noem dit schijnvertoon asjeblief geen ‘solidariteit’. Want ondertussen hoor je, als je meevoelt met de mensen in probleemregio’s in de wereld, toch te weten dat bv. Bono van U2 veeleer een beursspeculant is dan een filantroop. Nu, aan de andere kant: met je dichtwerk op zichzelf zal je in Vlaanderen en vermoedelijk ook in Nederland nauwelijks je brood kunnen verdienen of je kunnen verrijken. Dat men echter op een gegeven moment op het idee is gekomen om een Gedichtendag te orkestreren, illustreert eigenlijk dat er helemaal geen echte maatschappelijke behoefte is aan het soort poëzie dat op die dag of op de 364/365 andere dagen van het jaar wordt tentoongesteld. En dat geldt uiteraard ook voor mijn poëzie.
7. U heeft tot nu toe 5 gedichtenbundels uitgebracht. Wat zijn uw verdere toekomstplannen?
Het ligt niet in mijn aard wel doordachte toekomstplannen te maken. Zeker niet voor het ogenblik. Sedert ongeveer anderhalf à twee jaar ontdoe ik me niet van de indruk dat de gedichten die ik schrijf, veel stroever, geforceerder en meer beredeneerd zijn geworden. Ik ben er in ieder geval niet meer zo tevreden over. Ik schrijf ook veel minder. Om poëzie te schrijven moet ik me in een toestand van gelukzalige zelfvoldaanheid bevinden. Ik heb er de laatste jaren aan gedacht om poëzie te combineren met muziek of beeldende kunst. Poëzie in de vorm van zwarte letters op een wit blad papier of een witte achtergrond heeft volgens mij geen enkele toekomst. Maar ik ben niet gemakkelijk in het samenwerken met anderen en ik heb in die richting maar een paar nuchtere stappen gezet. Ik schrijf tegenwoordig ook in het algemeen veel minder. Ik heb, voor de eerste keer in mijn leven denk ik, geen vat meer op wat er in de wereld, lokaal en globaal, aan het gebeuren is. Ik lijd daaronder en met simplistische visies in het genre van ‘the good guys’ versus ‘the bad guys’ kan ik geen vrede nemen. Die intellectuele bezorgdheid en verwarring zorgt ervoor dat ik ook minder geneigd ben poëzie te schrijven of dat ik die intellectuele verwarring geforceerd in mijn gedichten wil stoppen. Ik heb me een jaar geleden overigens teruggetrokken in mijn jeugdgemeente, waar ik genoegen kan nemen met het praten over op het eerste zicht onbeduidende koetjes en kalfjes. Voor de rest ervaar ik voor het ogenblik de zaken zoals Fernando Pessoa het uitdrukte in zijn laatste (in gebrekkig Engels) geschreven woorden: “I know not what tomorrow will bring.”
maandag 25 okt 2010
Abonneren op:
Posts (Atom)









