ZEEMEEUW
De breedgebouwde schouderzee
die weemoed draagt in glazen schuiten
en stalwaarts in de regen kruipt;
in haar lucht hijs ik jouw zeemeeuw.
Ik schuif te hoog wellicht de vogel
in de windweg van haar adem;
hij gooit zijn vlerken uit op haar
dijen en bijt een vis in de kuit.
Zie hoe hij slalomt door de lucht
zich een weg geselt tegen wind
en moe gestreden doorgeregend
bakzeil haalt in het warme zand.
VOOR LATER
De grote, witte regenvogel,
landingsgereed de ogen zichtbaar
laag over lege zee hysterisch
zwart schreit hij de lucht voor later.
Een late krekel zingt van het blad
op zijn partituur springt een sprinkhaan
een sprinkhaan achterna een derde
en een vierde bezat bezeten.
Een jonge zuster in Ter Duinen,
badend haar borstjes met bleekwater,
innig blozend nu zij naakt, kijkt
door het raam. Mijn ogen schieten
beelden voor later. Snel nijpt de zee
de lippen stijf de horizon dicht
een Jan van Gent schreeuwt windkrachtig
de laatste wandelaars van de dijk.
AAN ZEE
De stad broedt de zomer uit, mijn kind.
Een late valk slaat de vlerken uit.
En in de verte kirren als vogels
meisjes op de schelpen van de zee.
Een vogel wiekt onhoorbaar naar de zon.
En killer voert de wind een snavel.
Een boot stoot schoorvoetend voorbij.
En kruiers voeren de zomer naar de haven.
De zee zet gretig haar lippen in het strand.
En witveren vogels schillen het schuim
met het scherp van hun vleugels.
En straks staat de kou op uit de helmen.
IK BEN DE ZEE
Ik ben de zee mijn meeuwen krijsen
onhoorbaar wuivend in het licht
als droeve wimpers van de stad.
Mijn zee is honderd daken breed.
Van stugger hout en ander water.
In mij groeien vele zeeën,
cirkelen blinde vogels van angst
rond de boten die begeven.
En komt over zoveel water heen
mijn bruid gedobberd uit de mist.
Ik plant mijn adem op haar mond
vloeibaar tenger als wat dauw.
De golven ruisen hun armen open.
En meeuwen verblinken haastig
aleer de zee in erectie
zich optilt in een kraag van zand.
DIT IS MIJN LAND
Het land staat in lege halmen rietgras
te kleumen aan de waterkant.
Het is najaar en weer wachten wij.
De wind krimpt. Achter de kim in een
buil van licht schuilt hoog zwanger een
zachte regen. Ineens voluit
als een open mond verbazing
stort het licht in weidse akkers neer.
Lui ligt de zon op haar rug, te
stoeien op het watervlak. Even
maar beroer ik haar met mijn pink.
Dit is mijn land mijn vrij asiel.
OCHTEND AAN ZEE
De aarde ruist van kleine geluiden
die me bekend in de oren klinken.
Over de straat hangt in scheur en leur
het licht in honderd vaantjes weemoed.
Koukleum sta ik in de prille ochtend.
Straks komen de mensjes aangerold:
schriele rilde meisjes naakte knapen.
Op de dijk staat stram de wind te blaten.
Een meeuw in bloot onderlijf wuift mij aan,
het truitje tot boven haar navel.
Met bevende hand trek ik een cirkel
om mij heen en verdwijn alweer.
EEN REIGER
Een reiger bij de poel bespieden.
Als hij opstijgt, met je hand raken
even maar zijn dij, boven de knie.
Ineens scheurt hoog de stilte open.
De vogel steigert binnen zijn lijf.
In de zon kijken schielijk een blik,
de moeren springen vol gele vlekken
als gloeiende kolven van licht.
Een spiering in zijn keel van lood
de vogel valt als een steen, - dood.
Door mijn lichaam heen ziet de zon
het ontij aan de overzij.
IN DIT LANDSCHAP
Tot de knieën in het water
de kraag rechtop het rietland
laat plots al zijn vogels los.
De wind fluit de bomen uit en
proeft het mos van schors en varen.
In dit landschap met regenmond
ligt achter halmen van gras
de zon met weitas en geweer.
Tussen haar lippen gekruist hangt
een vlinder in een spinnenweb.
Boven het water even talmt
een vogel waar een vis opstuift.
IN HET DUIN
Met de veroveraarsblik van
een kind op zijn hobbelpaard
maak ik jacht op de vlinder
tussen haar lippen gespeet
zijn vleugels beven als riet
als ik haar traag bevinger
stil en van goeden huize
verzwijg ik wat niet eerbaar is.
In het duin proeven wij na
van knappend brood kaas en wijn
als verfijnde dieren hebben
wij ons uit het zicht gelegd.
EEN ZOMER IN DE MOEREN
Een zomer in de Moeren
aan de bocht van Cabourg
tussen broek en schote
land van koolzaad en rapen
zij vlijt zich neer prooi
lenig dier dat half opgericht
mij zoent in tegenlicht
onder navel en lenden.
Ik verstijf tot pagode
op deze binnenduin
stokebrand geuzenstorm
Seinemolen zonder wieken.
Als zij openwaait delta
van genot moeras onderkomen
voel ik het koolwitje
beven in haar heup.
VINKEM OP DE SCHREVE
Ik heb op zijn Frans gemind
in dit koninklijk bordeel
Vinkem op de Schreve.
Sedert is zij in al mijn
zinnen vrouwe Camelot
teugel van mijn Pegasus.
Haar huid zit om de perzik
in mijn hand het parfum
van haar lichaam hangt in
de lucht die ik adem.
In de wiekslag van een meeuw
hoor ik haar schaterlach.
Zij is mijn evangelium
geen vrucht smelt in mijn mond
of ik denk aan haar.
Vinkem op de Schreve.
SINT-FLORA
Wij snuffelen de berm op
in de wei liggen schapen
uit de hemel gevallen
meteorieten een reiger
komt aan de einder neer.
Zij ruikt naar pas gemaaid gras
haar lippen beginnende dauw
dauwdraden waaraan vlinders
zinderen. Ik voel hun vleugels
trillen als zij kreunend
openbarst haar schoot mijn
bloeiende dood. De aarde
duizelt als wij huistoe
schrijden een paard met kar
schudt als een natte poedel
de geluiden van zich af.
DE REIGER ZWEEFT
In dit verzopen land
ogenver van mensen
op een grasspriet van het
water in dit landschap
dat geen landschap is
liggen wij een vogel
dichterbij op hoge poten
loopt zich krom
klimt stijgt tegenzon
hapt naar wind hinkstapsprong
op zijn kruin draden van
zilver kousjes van grijs
in ontstellend geel
de reiger zweeft zij beeft
als zij haar lippen
om mijn voorhuid legt.
Thierry Deleu
Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans
Stichtingsdatum: 1 februari 2007
"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"
"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.
Stichtingsdatum: 1 februari 2007
"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"
"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten