Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans
Stichtingsdatum: 1 februari 2007
"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"
"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.
Stichtingsdatum: 1 februari 2007
"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"
"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.
30 oktober 2010
29 oktober 2010
dederdeoever vzw en galerie arte libro nodigen u van harte uit op de vernissage en de tentoonstelling
Vernissage op zondag 31 oktober 2010 om 11 uur
Inleiding door Roel Richelieu van Londersele
Muziek : Griet en Roland De Winter
De tentoonstelling is geopend van zondag 31 oktober 2010 tot 21 november 2010, op zaterdag en zondag van 14 tot 18 uur
Open op 1 november van 14-18 uur en alle dagen op afspraak.
arte libro
hekkergemstraat 79, 9260 schellebelle
tel: 09.369.90.41
http://www.libro.be/
De poëziewandeling ‘Tussen blad en wijn’ in de Kalkense Meersen met gedichten van Landschapsdichter 2010 Roel Richelieu van Londersele en met werken en installaties van Roland De Winter, Marf en Rik Vermeersch blijft toegankelijk tot en met zondag 21 november 2010.
Vertrek aan de veerboot, routebeschrijving ter plaatse.
http://www.dederdeoever.be/
Met dank aan gemeente Wichelen en de provincie Oost-Vlaanderen
ROLAND DE WINTER
MARF
RIK VERMEERSCH
Vernissage op zondag 31 oktober 2010 om 11 uur
Inleiding door Roel Richelieu van Londersele
Muziek : Griet en Roland De Winter
De tentoonstelling is geopend van zondag 31 oktober 2010 tot 21 november 2010, op zaterdag en zondag van 14 tot 18 uur
Open op 1 november van 14-18 uur en alle dagen op afspraak.
arte libro
hekkergemstraat 79, 9260 schellebelle
tel: 09.369.90.41
http://www.libro.be/
De poëziewandeling ‘Tussen blad en wijn’ in de Kalkense Meersen met gedichten van Landschapsdichter 2010 Roel Richelieu van Londersele en met werken en installaties van Roland De Winter, Marf en Rik Vermeersch blijft toegankelijk tot en met zondag 21 november 2010.
Vertrek aan de veerboot, routebeschrijving ter plaatse.
http://www.dederdeoever.be/
Met dank aan gemeente Wichelen en de provincie Oost-Vlaanderen
Duidelijke keuze voor poëtisch profiel
Eric Vandenwyngaerden
de nieuwe stadsdichter van Diest
Vier jaar geleden werd Ina Stabergh de eerste stadsdichter van Diest. Gisteren nam de stad afscheid van haar opvolger, Marcel Van Passel. De volgende twee jaar is Eric Vandenwijngaerden de literaire vertegenwoordiger van Diest.
Duidelijke keuze voor poëzie
Schepen van cultuur Marc Florquin verduidelijkte de keuze van de jury. ‘Er waren zes sterke kandidaten’, zei Florquin in zijn speech. 'Uiteindelijk kreeg Vandenwyngaerden de voorkeur op basis van een sterk dossier, zijn lange literaire carrière en zijn profiel dat een duidelijke poëtische klemtoon meedraagt. Op dat vlak verschilt de nieuwe stadsdichter manifest van zijn voorganger die veeleer een verhalende stijl heeft.'
Verrassende maidenspeech
In zijn maidenspeech verraste Vandenwyngaerden de talrijke aanwezigen. Hij pakte uit met een performance waarbij hij literatuur en zang vermengde. De nieuwe stadsdichter betrok ook het publiek bij zijn act door een spelletje met een tekstballon.
‘Dichters neigen vaak naar een wat droevige intonatie’, verklaarde Vandenwyngaerden achteraf. ‘Daar wil ik niet echt in meegaan. Ik kies voor een speelse en ritmische stijl. Vandaar ook mijn keuze om werk te brengen van Herman van Veen. Het spelletje met het publiek had vooral als bedoeling om mijn zenuwen onder controle te houden.'
Ruime belangstelling
Er kwam veel volk opdagen voor de bekendmaking van de nieuwe stadsdichter van Diest. ‘We hebben vooral de mensen van de cultuurraad en de vaste gasten van ons literaire programma uitgenodigd’, zei cultuurbeleidscoördinator Falke Lambrechts. 'Maar het feit dat hier vandaag meer dan honderd mensen aanwezig zijn bewijst dat er in Diest een actieve belangstelling voor cultuur en voor literatuur in het bijzonder is.'
Die aanwezigen kregen overigens een sterk gesmaakt programma voorgeschoteld. De twee vorige stadsdichters lazen voor uit hun recente werk en plaatselijke troubadour Marc Bellen zorgde voor de muzikale noot. Het Gildenbier, één van de culinaire parels van Diest, zorgde tijdens de afsluitende receptie voor de nodige inspiratie.
28 oktober 2010
“Wanneer op een dag de Boekenbeurs ook wordt bezocht door mensen uit mijn wijk, wanneer er meer en meer schrijvers met een Marokkaanse of Turkse naam hun boeken presenteren, dan pas zal ik me niet enkel de taal hebben eigen gemaakt, maar zal ik dit land ook het mijne noemen.”
Met deze harde woorden vroeg Rachida Lamrabet zich luidop af waarom zo weinig allochtone lezers en schrijvers hun weg vinden in de Vlaamse boekenwereld. Boek.be nodigde Demos uit om de uitspraak van Lamrabet aan te kaarten tijdens de Boekenbeurs editie 2010. Stichting Lezen, het Vlaams Fonds voor de Letteren, Het Beschrijf, PEN-Vlaanderen, Wablieft en MO* schoven mee in dit verhaal.
DEBAT LITERATUUR & INTERCULTURALITEIT
Wij nodigen u graag uit om mee te debatteren op dinsdag 9 november. Vier duo’s gaan met elkaar in gesprek op zoek naar bouwstenen voor een ‘interculturele’ literaire toekomst. We confronteren Rachida Lamrabet en Tom Van Imschoot; Harold Polis en Keltoum Belorf; Inan Akbas en Kristien Hemmerechts en Ronald Bos en Yamila Idrissi met spitante stellingen onder moderatie van Gie Goris. Waarom wordt etnisch-divers schrijftalent meteen gebombardeerd tot ‘allochtone’ auteur? Draait de Vlaamse literaire wereld teveel in eigen kring? Wat met schrijvers zonder allochtone roots, maar met interculturele ervaringen? En hoe zit het met de lezers en het publiek?
DE FATIMA’S OP DE BOEKENBEURS
De Fatima's (Ikram Aoulad, Keltoum Belorf en Pieter De Vos) engageerden zich om ons hun kijk op lezen, boeken en literatuur te geven. Ze doorkruisen dit jaar de boekenbeurs om - met fikse dosis humor en cynisme - bezoekers, exposanten en schrijvers te bevragen over interculturaliteit en literatuur. We nemen hun videoclips mee in het debat. In de aanloop daarvan kunt u hun reportages online bekijken op www.boekenbeurs.be.
Datum: dinsdag 9 november 2010 - van 19u30 tot 21u30
Adres: ANTWERP EXPO
Rode Zaal
Jan Van Rijswijcklaan 191
2020 Antwerpen
Prijs: Het debat is gratis, u betaalt enkel een toegangsticket voor de Boekenbeurs
Tickets:
8 €
6 € aan verminderd tarief
groepsticket vanaf 15 personen
Online: www.boekenbeurs.be
www.demos.be/interculturaliteit/boekenbeurs-2010
LITERATUUR & INTERCULTURALITEIT
dinsdagavond 9 november 2010 – Boekenbeurs Antwerpen
Met deze harde woorden vroeg Rachida Lamrabet zich luidop af waarom zo weinig allochtone lezers en schrijvers hun weg vinden in de Vlaamse boekenwereld. Boek.be nodigde Demos uit om de uitspraak van Lamrabet aan te kaarten tijdens de Boekenbeurs editie 2010. Stichting Lezen, het Vlaams Fonds voor de Letteren, Het Beschrijf, PEN-Vlaanderen, Wablieft en MO* schoven mee in dit verhaal.
DEBAT LITERATUUR & INTERCULTURALITEIT
Wij nodigen u graag uit om mee te debatteren op dinsdag 9 november. Vier duo’s gaan met elkaar in gesprek op zoek naar bouwstenen voor een ‘interculturele’ literaire toekomst. We confronteren Rachida Lamrabet en Tom Van Imschoot; Harold Polis en Keltoum Belorf; Inan Akbas en Kristien Hemmerechts en Ronald Bos en Yamila Idrissi met spitante stellingen onder moderatie van Gie Goris. Waarom wordt etnisch-divers schrijftalent meteen gebombardeerd tot ‘allochtone’ auteur? Draait de Vlaamse literaire wereld teveel in eigen kring? Wat met schrijvers zonder allochtone roots, maar met interculturele ervaringen? En hoe zit het met de lezers en het publiek?
DE FATIMA’S OP DE BOEKENBEURS
De Fatima's (Ikram Aoulad, Keltoum Belorf en Pieter De Vos) engageerden zich om ons hun kijk op lezen, boeken en literatuur te geven. Ze doorkruisen dit jaar de boekenbeurs om - met fikse dosis humor en cynisme - bezoekers, exposanten en schrijvers te bevragen over interculturaliteit en literatuur. We nemen hun videoclips mee in het debat. In de aanloop daarvan kunt u hun reportages online bekijken op www.boekenbeurs.be.
Datum: dinsdag 9 november 2010 - van 19u30 tot 21u30
Adres: ANTWERP EXPO
Rode Zaal
Jan Van Rijswijcklaan 191
2020 Antwerpen
Prijs: Het debat is gratis, u betaalt enkel een toegangsticket voor de Boekenbeurs
Tickets:
8 €
6 € aan verminderd tarief
groepsticket vanaf 15 personen
Online: www.boekenbeurs.be
www.demos.be/interculturaliteit/boekenbeurs-2010
LITERATUUR & INTERCULTURALITEIT
dinsdagavond 9 november 2010 – Boekenbeurs Antwerpen
Aan Mijn Vader [Fête des Morts]
daar in de mist gehuld in nevel en deemoedige dauw
(de paarden hollen bij valavond over een tapijt van planeten en kometen)
in de stilte de stille vergetelheid het welslagen van stomme vogels
(ondermaans de steden die verzuipen in wat nog rest aan meer en zee)
mijn gedachten die vloeibaar vluchten en daaromheen mijn gestrekte benen
zwijgzaam midden zwijgende bloemblaadjes en een kring van herfstige bewonderaars
met hun gelaten en verslagen zweem van gerechtigheid
(hier mogen nu woorden gaan kolken en schuimbekken
hier hoort het zinnen te braden aan het spit van nachtmerries)
wat? zie ik daar hun golvende trots die de tijd trotseert en op horizonten botst?
als een golf verdwijnt en weer verschijnt verdwijnt en weer verschijnt
(zowaar een ganse verzameling: hengsten, hobbelpaarden en circuspony’s)
dat is wat ik zeggen wou
als iets dat ik elke dag wel zeggen kan
binnensmonds
Ware het niet dat het midden januari was zó vol penetrante Siberische kou zodat hun zever bevroor in hun mond, ze hadden Hem gewis in het gras te drogen gelegd! Niemand tot voorbeeld.
Of er na Hem nog mensen komen? Peu importe!
Eric Rosseel
daar in de mist gehuld in nevel en deemoedige dauw
(de paarden hollen bij valavond over een tapijt van planeten en kometen)
in de stilte de stille vergetelheid het welslagen van stomme vogels
(ondermaans de steden die verzuipen in wat nog rest aan meer en zee)
mijn gedachten die vloeibaar vluchten en daaromheen mijn gestrekte benen
zwijgzaam midden zwijgende bloemblaadjes en een kring van herfstige bewonderaars
met hun gelaten en verslagen zweem van gerechtigheid
(hier mogen nu woorden gaan kolken en schuimbekken
hier hoort het zinnen te braden aan het spit van nachtmerries)
wat? zie ik daar hun golvende trots die de tijd trotseert en op horizonten botst?
als een golf verdwijnt en weer verschijnt verdwijnt en weer verschijnt
(zowaar een ganse verzameling: hengsten, hobbelpaarden en circuspony’s)
dat is wat ik zeggen wou
als iets dat ik elke dag wel zeggen kan
binnensmonds
Ware het niet dat het midden januari was zó vol penetrante Siberische kou zodat hun zever bevroor in hun mond, ze hadden Hem gewis in het gras te drogen gelegd! Niemand tot voorbeeld.
Of er na Hem nog mensen komen? Peu importe!
Eric Rosseel
27 oktober 2010
Over alles/wat niet deugt (protestgedichten)
Beste dichter, lieve dichteres,
“Een kunstenaar die niet revolteert en protesteert is geen kunstenaar.”
(Mark Meekers)
Na enkele weken, vooral de afgelopen week, van verzet en enige ontregeling bij mijzelf over zoveel dingen die alleen al in ons kleine land gebeuren (NL en BE) heb ik voornemens een bloemlezing samen te stellen met als titel en thema: Over alles / wat niet deugt (protestgedichten).
Een en ander begint mij behoorlijk “dwars” te zitten, of op te breken.
U kunt zelf een gedicht schrijven, over een onderwerp, wat u het diepst raakt en tegen staat.
Enkele suggesties (die mij zelf bezig houden / hielden):
. discriminatie van minderheden: het proces tegen Geert Wilders die met zijn uitspraken de islam ernstig beledigt (er wonen een miljard moslims over de hele wereld, w.o. ook veel gematigden, niet extremen, niet met uitvoering van al de sharia’s, Koran) en daardoor onrust en onnodige haat zaait (tegen een minderheid in NL, d.w.z. 1/16 van de totale Nederlandse bevolking; in Vlaanderen nog minder)
. de uitspraken van de kardinaal in België m.b.t. aids (intussen, uiteraard, weer iets afgezwakt maar de woorden blijven evengoed bestaan)
. de parachute moord in Limburg: vrouw beschuldigt van moord (meteen v.a. het begin beschouwd als de enige dader, terwijl meerdere in aanmerking kunnen komen) zonder een enkel bewijs (without a shred of evidence) : ze gaat in hoger beroep nadat ze tot 30 jaar veroordeeld is in Tongeren (rechtbank)
- discriminatie van homoseksuelen en holibi’s (vaak verborgen)
. alles i.v.m. incest, wat veel voorkomt (meer dan men denkt; lang niet altijd wordt aangifte gedaan) binnen familie’s, scholen, jeugdclubs, r.k. kerk, etc.
. dierenmishandeling
. milieu zaken (vervuiling, CO2 uitstoot)
. elk ander onderwerp, waarvan u vindt dat het niet deugt
Het zijn maar een paar voorbeelden.
Mocht u belangstelling hebben: laat het mij per omgaande weten.
hannierouweler@telenet.be
Ik plan deze uitgave in 2012 als er tenminste 30 deelnemers zijn.
Uiterste inzenddatum gedicht: oktober 2011.
Hannie Rouweler
Demer Uitgeverij, ePublisher
(Diepenbeek)
“Een kunstenaar die niet revolteert en protesteert is geen kunstenaar.”
(Mark Meekers)
Na enkele weken, vooral de afgelopen week, van verzet en enige ontregeling bij mijzelf over zoveel dingen die alleen al in ons kleine land gebeuren (NL en BE) heb ik voornemens een bloemlezing samen te stellen met als titel en thema: Over alles / wat niet deugt (protestgedichten).
Een en ander begint mij behoorlijk “dwars” te zitten, of op te breken.
U kunt zelf een gedicht schrijven, over een onderwerp, wat u het diepst raakt en tegen staat.
Enkele suggesties (die mij zelf bezig houden / hielden):
. discriminatie van minderheden: het proces tegen Geert Wilders die met zijn uitspraken de islam ernstig beledigt (er wonen een miljard moslims over de hele wereld, w.o. ook veel gematigden, niet extremen, niet met uitvoering van al de sharia’s, Koran) en daardoor onrust en onnodige haat zaait (tegen een minderheid in NL, d.w.z. 1/16 van de totale Nederlandse bevolking; in Vlaanderen nog minder)
. de uitspraken van de kardinaal in België m.b.t. aids (intussen, uiteraard, weer iets afgezwakt maar de woorden blijven evengoed bestaan)
. de parachute moord in Limburg: vrouw beschuldigt van moord (meteen v.a. het begin beschouwd als de enige dader, terwijl meerdere in aanmerking kunnen komen) zonder een enkel bewijs (without a shred of evidence) : ze gaat in hoger beroep nadat ze tot 30 jaar veroordeeld is in Tongeren (rechtbank)
- discriminatie van homoseksuelen en holibi’s (vaak verborgen)
. alles i.v.m. incest, wat veel voorkomt (meer dan men denkt; lang niet altijd wordt aangifte gedaan) binnen familie’s, scholen, jeugdclubs, r.k. kerk, etc.
. dierenmishandeling
. milieu zaken (vervuiling, CO2 uitstoot)
. elk ander onderwerp, waarvan u vindt dat het niet deugt
Het zijn maar een paar voorbeelden.
Mocht u belangstelling hebben: laat het mij per omgaande weten.
hannierouweler@telenet.be
Ik plan deze uitgave in 2012 als er tenminste 30 deelnemers zijn.
Uiterste inzenddatum gedicht: oktober 2011.
Hannie Rouweler
Demer Uitgeverij, ePublisher
(Diepenbeek)
26 oktober 2010
De islam. Kritische essays over een politieke religie
belooft een referentiepunt in het islamdebat te worden, met 34 essays en een indrukwekkende lijst van 30 auteurs uit binnen- en buitenland.
Wim van Rooy en Sam van Rooy nodigen u vriendelijk uit op de voorstelling van dit boek op de boekenbeurs op zondag 31 oktober om 13.30 u (oranje zaal), waar schrijver Benno Barnard een aantal auteurs zal interviewen (arabist Hans Jansen, historica Amanda Kluveld, publiciste Nahed Selim en schrijver Hafid Bouazza) en niemand minder dan oud-eurocommissaris Frits Bolkestein een exemplaar in ontvangst zal nemen en zijn opinie zal geven over de islam.
Alle info over het boek vindt u hier: http://aspeditions.be/asp_mailing/islam/deislam.html
Over de boekenbeurs: http://www.boekenbeurs.be/boekenverdieping/de-vele-facetten-van-de-islam
Facebook: http://www.facebook.com/pages/De-Islam-Kritische-Essays-over-een-Politieke-Religie/104592529604667 (ook voor wie geen account heeft)
Sam van Rooy-Wim van Rooy
belooft een referentiepunt in het islamdebat te worden, met 34 essays en een indrukwekkende lijst van 30 auteurs uit binnen- en buitenland.
Wim van Rooy en Sam van Rooy nodigen u vriendelijk uit op de voorstelling van dit boek op de boekenbeurs op zondag 31 oktober om 13.30 u (oranje zaal), waar schrijver Benno Barnard een aantal auteurs zal interviewen (arabist Hans Jansen, historica Amanda Kluveld, publiciste Nahed Selim en schrijver Hafid Bouazza) en niemand minder dan oud-eurocommissaris Frits Bolkestein een exemplaar in ontvangst zal nemen en zijn opinie zal geven over de islam.
Alle info over het boek vindt u hier: http://aspeditions.be/asp_mailing/islam/deislam.html
Over de boekenbeurs: http://www.boekenbeurs.be/boekenverdieping/de-vele-facetten-van-de-islam
Facebook: http://www.facebook.com/pages/De-Islam-Kritische-Essays-over-een-Politieke-Religie/104592529604667 (ook voor wie geen account heeft)
Sam van Rooy-Wim van Rooy
Nieuwe gedichtenbundel bij Demer Uitgeverij!
IK BEN DIT LAND VAN MIJ
(48 blz.)
(dichters uit Zuid-Afrika)
vertaald en ingeleid door Joris Iven
Presentatie: vrijdagavond, 20.00 uur, 4 februari 2011, Bibliotheek Diepenbeek - i.s.m. de gemeente Diepenbeek
De presentatie is geheel in handen van de dichter/vertaler Joris Iven
Iene Mesotten, hoofd Vrije Tijd en Cultuur, gemeente Diepenbeek, treedt op als gastvrouw en opent de avond
Jo Claes uit Diepenbeek (werkzaam programma manager bij ziekenhuis ZOL, Genk - tevens buurman,
rockzanger, en goede vriend!) is vervangend uitgever en neemt plaats achter de uitgeverstafel
De bibliotheek ligt op het MARKTPLEIN 24A, centrum Diepenbeek
(Bij het Gemeentehuis straat inslaan, naar het plein, auto parkeren. De bibliotheek is goed zichtbaar en verlicht.)
Boekwebsite: www.lulu.com/content/9481942
Gedichten (vertaalde poëzie: Engels-Nederlands) van zwarte dichters uit Zuid-Afrika. MAZISI KUNENE, DENNIS BRUTUS, JAMES MATTHEWS, SYDNEY SIPHO SEPAMLA, MONGANE WALLY SEROTE en OSWALD MBUYISENI MTSHALI.
Vertaald in het Nederlands en ingeleid door Joris Iven. Hij vertaalde reeds eerder meerdere dichters uit het Afrikaanse continent.
Te bestellen: info@demerpress.be
€ 16 (bundel + verzendkosten binnen BE en NL)
Nederland: ING 3424272 t.n.v. J.R.M. Rouweler, Belgie
(zonder Iban)
Met Iban/Bic:
IBAN: NL67INGB0003424272
BIC: INGBNL2A
Belgie: BNP Parisbas Fortis 001-4253999-43 t.n.v. J.R.M. Rouweler, Diepenbeek
BIC GEBABEBB / IBAN BE66 0014 2539 9943
Voor verdere inlichtingen: Joris.iven@telenet.be
Hannie Rouweler
Demer Uitgeverij, ePublisher
http://www.demerpress.be/
25 oktober 2010
Een bedenking... sans rancune!
Sommige tijdschriften eisen het alleenrecht op van een recensie. Ik heb de (slechte?) gewoonte mijn recensies en essays aan te bieden aan zoveel mogelijk tijdschriften en e-zine. Zo probeer ik aan mijn geschriften een brede(re) verspreiding te geven. Deze manier van werken is (meestal) ook voordelig voor de gerecenseerde.
Ik wens alleen het recht op exclusiviteit toe te staan aan het tijdschrift dat mij een honorarium uitbetaalt. Dit is de logica. Voor gesubsidieerde tijdschriften en e-zines is deze vergoeding natuurlijk geen probleem. Anderen kunnen wegens hun financiële beperkingen geen bedrag uitbetalen, wat ik begrijp. Zou het dan niet auteursvreindelijk(er) zijn ook de exclusiviteit niet op te eisen?
Graag reactie. Bereid tot wijziging van mijn standpunt.
Thierry Deleu
Sommige tijdschriften eisen het alleenrecht op van een recensie. Ik heb de (slechte?) gewoonte mijn recensies en essays aan te bieden aan zoveel mogelijk tijdschriften en e-zine. Zo probeer ik aan mijn geschriften een brede(re) verspreiding te geven. Deze manier van werken is (meestal) ook voordelig voor de gerecenseerde.
Ik wens alleen het recht op exclusiviteit toe te staan aan het tijdschrift dat mij een honorarium uitbetaalt. Dit is de logica. Voor gesubsidieerde tijdschriften en e-zines is deze vergoeding natuurlijk geen probleem. Anderen kunnen wegens hun financiële beperkingen geen bedrag uitbetalen, wat ik begrijp. Zou het dan niet auteursvreindelijk(er) zijn ook de exclusiviteit niet op te eisen?
Graag reactie. Bereid tot wijziging van mijn standpunt.
Thierry Deleu
Gedichten Derek van 't Gulle zand voor eerste cd-rom van "The Knights of the Razorblades" (2005)
DEREK VAN ‘T GULLE ZAND
Meester-Ridder van het Rozenscheermes
Parcilot tot ridder geslagen
Vader o vader mag ik naar ‘t hof
van Montsalvat? Mag ik? Parcilot
vroeg het op zijn beide knieën
het hoofd een beetje schuin omhoog
als heiligen doen. Toen hij daar aankwam
werd hij geschrobd geknipt gepoederd
van top tot teen de meisjes dansten
om Koning Arthurs jongste heen.
Parcilot werd page aan tafel
en in hun vertrekken bediende
hij de oude heer en zijn madam.
De jonge Parcilot onderging
gedwee werd zedig in taal houding
bij het eten drinken van wijn.
Hij kende de regels zegde die
zonder verlet vóór ’t avondgebed.
“Met keurige nagels aan tafel
gordel aan niet losgeriemd
brood niet tegen de borst geklemd
vingers niet in mosterd zout en
schotel niet smakken oprispen
vóór ‘t drinken de mond afgeveegd
niet vooroverbuigen of op
d’ ellebogen leunen de tanden niet
stoken met het mes” Parcilot
werd schildknaap leerde paardrijden
steenwerpen wapens hanteren
springen dansen zingen vrouwen
versieren. Toen op zekere dag
ontving hij plechtig de ridderslag
Parcilot geridderd verwierf
ros schild maliënkolder harnas.
Genovere en het Oog van het Kwaad
Genovere blozend om zoveel lieve woordjes,
- hoewel schoonzus had gezegd
op haar qui-vive te zijn -,
knielde neer en kuste zijn amb’ren ring
“Dank monseigneur, uw woorden
zijn als muziek in de oren,
ik ben het niet weerd dat u tot mij komt,”
prevelde Genovere, helemaal gaga
en versuft. De kardinaal boog zich voorover
en fluisterde in haar rechteroor:
“O springgazel van mijn geest, kon ik maar
strelen de enkels van je kleine voetjes.”
Van die woorden schrok Genovere
en deinsde achteruit - zij herinnerde zich
de woorden van haar broeders gade -.
Een vrouwenloper, een vies oud ventje?
De kardinaal zag de twijfel in haar blauwe ogen,
trok zijn vlezige vingers terug:
“U hoeft niet bang te zijn, mijn kind,
het zijn woorden Gods die mijn respect
verwoorden voor je maagdelijkheid.”
Mans glimlach kon Genovere niet bekoren,
zij vluchtte weg over de binnenkoer
de kasteelmuur op, dook in ’t slotwater,
zwom naar de overkant waar het gras
veel groener was. Ontdaan druipnat
betraand viel zij languit op haar buik
in ’t warme hooi bewust van zonde.
Genovere op vrijersvoeten
Toen koets de Creuse doorkruiste
stak Genovere haar hoofdje buiten
verwonderd over zoveel groen
gele brem luchtte zij haar gemoed
tegen de ruiter op de bok
die op de rem ging staan de paarden
bij de teugels trok en vroeg: madam
voel jij je niet op je gemak?
Genovere stapte uit schikte
haar drietrapskleed in zeven haasten
liep naar de graskant volumineus
vlijde ze zich neer keek amechtig
naar de hemel en klapte in haar
handjes. Toen bracht de koetsier
de picknickmand dichterbij gevuld
met tommycake en droog fruit
nam plaats naast zijn meesteres plukte
bloempjes om ‘r heen een boeketje
slaafse gehoorzaamheid Genovere
spreidde haar rokken over zijn kroes
de oude bok lustte nog wel een
groen blaadje. Toen de haan driemaal had
gekraaid vervolgden zij hun weg
Parcilot droeg hoorns vervuld van trots.
Ridder Yvan ontmoet Genovere
Geradbraakt zeven estafettes
van Russia tot in de Highlands
verscheen ridder Yvan aan de poort
van Koning Arthurs buitenverblijf.
Schildwachten haalden de brug op
paard en ruiter schreden het slot in
de binnenkoer op laatste stuiptrekking.
Het schuimende paard verdween stalwaarts.
Blote Yvan onder de koude douche
afgedroogd besprenkeld ingepakt
de trap op gebracht naar Arthurs verdiep.
Aan ‘t voeteinde wachtte Genovere.
Arthur uithuis bekommerde zij zich
toegewijd om de gasten. Met de
nodige égards ontving ze hen
in de grote slaapkamer zoals
dat toen gebruikelijk mode was.
Yvan kende die gewoonte niet
en vroeg zich af wat mooie Genovere
in het schild voerde. Hij deed een wens
voelde geilheid tot toren zwellen.
Genovere boog zich naar hem toe
en sprak op zachte wijze de woorden:
“U bent wel erg voorbarig, heer.”
Rolling Stone
Wanneer de minstreel glariënd
binnenkomt als bij wonder
op gezichtjes van deernen en
maagden een blos een glimlach
Rolling Stone back in castle
de zoetgevooisde. Genoveer
klimt op haar toonladder hofnar
houdt de stijlen zij plukt noten
klapt in haar handjes welkom
de minstreel buigt voorover
de gasten leggen stemvork neer
muzikanten nemen hun gerief
bazuin herderspijp schalmei
het strijkje speelt Stone zet de toon
mist hoogte heft aarzelend een
lied in zijn blik paniek schroom
vlug zet Genoveer de toon
murmelend trekt de zanger
zich op dreef uit volle borst
diepe decolleté valt zij in
wenkt de zanger aan haar zij
hoor hoe zij zingen voorspel
pièce de résistance naspel
pousse-café in volmaakt akkoord.
De Noormannen
Aan de einder stip op zee een vaartuig
stevent snedig smalle drakenkop
dichterbij. Parcilot handen als
dak boven wenkbrauwen vrouwen
kringelschuiven om hem heen en weer
vragende blikken wegen wikken
de angst in d’ ogen van hun mannen
wat beogen de vikingen hoe
stout zijn hun plannen? Parcilot geeft
zijn bevelen uit schorre kelen
klinkt de echo van zijn woorden
achter staketsels staan honderden
schutters met pijl en boog hoog in de
lucht sliert een zwerm meeuwen voorbij
landinwaarts naar veiliger oorden
aan moorden hebben zij een vleugel lam.
Het drakenschip nadert op het dek
stoere mannen met gekrulde snor
witte baard lange lokken eerste
kreten snijden door de lucht op een
zucht van de ridders beschermheren
van vrouwen weduwen wezen
beschaving tegen barbaarse
plunderaars stokebranden oorlog.
Uitgeregend
De Moren bezetten de terrassen
- stilte hangt dreigend over de heuvel -.
Waarom is Álora tot strijd bereid?
Geen mens die het weet geen Moor of ridder.
Oorlogen worden niet in vraag gesteld.
Amfetamine wordt rij per rij
doorgegeven één tablet één slok water.
Een hinnikend paard uitverkozen
houdt zijn soortgenoten wakker.
De zon priemt door donkere wolken.
Appelsienen als bleekscheten.
Als Parcilot het schouwspel gadeslaat
weet hij raad noch daad te verzinnen.
Heeft hij zich van plaats en tijd vergist?
Van achter stugge Moorse ruggen
treden ineens blanke maagden ten tonele.
Ze zingen treurig a capella
over wijn overdaad en verkrachting.
Zij schitteren lampions schone schijn.
De Moren grijnzen. De belagers veinzen.
Parcilots page slaat de trom één-twee-drie
één-twee-drie hij weet van tijd noch uur.
De regen valt met emmers uit de lucht.
De meisjes vluchtten over de kim.
De Moren drogen hun kaken met blaren
van gescalpeerde fruitbomen.
Parcilot pleegt overleg besloten wordt
indien de regen zich niet terugtrekt
de aftocht te blazen in alle
toonaarden. De Moren lopen niet weg.
Wie weet? Het Westen druipt af. Het Oosten
triomfeert. Vrede heerst een regen lang.
De Guldensporenslag
Nazaten van Parcilot verbeten
strijden zij aan onze zijde
de Engelsen onze vrienden
‘t economisch belang primeert
een opgepoetste stofwolk waait
de grens over houdt ineens
de benen stil bij de Gaverbeek
ridders uit Frankrijk gekomen
om die bastaards verdacht zootje
ongeregeld kopje kleiner
te maken paarden stuiven uiteen
“Liquidation rapide messieurs!”
Uit één keel weergalmt “Vlaand’ren
die Leeuw!” Het veld kleurt rood
temidden van de wei wappert
onze vlag een heidense draak
zonder vleugels de Engelse
luipaard klimt tegen de rug van
de vijand op zie hoe de Liebaert
van Vlaand’ren zijn tong uitsteekt
rood als zijn klauwen de Fransen
wijken bezwijken onder de
mokerslagen druipen af de staart
tussen bescheten achterbenen.
Brief aan Hélène
Hélène hitsige maagd op kousenvoetjes
de lange puntstaart van je kornet
krult zich over je rug kwispelt over
de grond gekrulde fallus in erectie
zachte stokebrand zet de tobbe uit
hits het water op prikkel mijn zinnen
schrob mijn knoken hard mijn eikel
kom wijdbeens over dat ik oprollen kan
je kleed tot aan je lenden schouwspel
cinema in geuren en kleuren en
als ik oprijs tsunami zoen ik jou
als een ontdekkingsreiziger
roep america en vaar landinwaarts
voorbij de klippen je baai binnen
de zon steekt het water schuimkopt
jij koert en kirt ik gier van pret.
Middeleeuws overspel
In ‘t groenlachende woud verspert
een hegge de toegang tot de
tuin van onkruid en lust.
Achter het raam prijkt de heks
in al haar verdorven naakt.
De pages rijden voorbij
apegapend links rechts
op het ritme van hun ros.
Wie is zij? Allochtone?
Autochtone? Wat maakt het uit,
ze is rein en ervaren,
heeft geleden en verzucht,
mannen opgegeild tot zij
hun laatste adem bliezen.
De pages begraven het
geheim. Ze hebben zwijgplicht.
De ridder in zijn kist wordt
geloofd om zijn man’lijkheid.
Door een kier in het struikgewas
kijkt zij geamuseerd toe
Ode aan Gentse wever
Vlaand’ren tussen Scheld’ en Noordzee,
Brabant, Henegouwen, Aartrijk,
volslanke maagd in Frankenland,
begeerd besprongen verwenst,
aan uw stuwende boezem laaft
Gent zich dronken van glorie,
door overvloed verwend.
Wever Kobe, strop en poorter,
dankt zijn welvaart aan ’t fijn gestreept
laken en de plaats van wieg en
water samenvloeiing van Lei’
en Scheld’, Gent tweestromenland.
Hij koopt beste wol in Eng’land,
verkoopt lakens in Rijnland,
op jaarmarkten van Champaan,
in Noord-Duitsland, Spanje,
Portugal, Gibraltar via
westvaart over Franse oceaan.
Kobe, strop en poorter, dankbaar
onderweg met paard en kar
pelgrimstocht naar Santiago
de Compostela. Broeierigheid
gaat over in regen, druppels
slaan fel uiteen tegen kar.
Boven heuvels donkert de lucht.
In de verte dreigt gerommel.
Kar hobbelt over karrensporen.
Kobe zalft zijn blauwe plekken.
Kobe, strop en poorter, op beevaart,
komt Italianen tegen,
Duitsers, Catalanen, paters
op sandalen, Tempelridders,
op Franse markten kermissen.
In zijn logboek lees ik nog:
“Dorpelingen op wegen
onderweg naar steden, waar zij
ambacht leren, kraampjes opslaan
in nauwe straatjes, winkeltje
spelen, bakker, slager, slotenmaker.”
Een nieuw’ mens priemt zich door
vruchtbare grond: de middenstander.
't Is feest op ‘t Slot
De fine fleur, haute-volée, slotheren, slotvrouwen,
schrijlings of in amazonezit rijden zij
de ophaalbrug over, strojonkers, vlaggenjonkers, pages,
schildhouders, wapendragers houden meester en paard
bij de teugels, Joris slaat nauwlettend zijn Heer gade,
Parcilot, Genoveres favoriete ridder,
de ridders van het Scheermes komen thuis van de
dertiende, de kruistochten zijn in trek, trendy reizen
naar verre warme landen, grootdadig streden zij
voor het goede doel: het Heilig Land ontfutselen
aan de zwarte moren, Diederik en Filips van den Elzas,
de vaders van Robert van Bethune en Gwij van Dampierre,
neven en ‘nichten’ gingen vrede stichten in Jeruzalem,
“Parcilot heeft zijn sporen verdiend,” fluistert stiekem
Genovere tegen een fellen met een baard scheel
van dorst, ’t was een lange voettocht van zon naar maan,
van ginder tot hier, van warm naar koud, de faam snelde
hen vooruit, de vijand deed hen wijken, de strijd was
ongelijk, de moren bliezen zich op, hun kijvende
vrouwen ingepakt, donkere spoken die zich
omzichtig voortbewogen op het slagveld, lijken
pikkend, adelbrieven gebruikend als pasmunt,
de gate scharniert open, een stille stoet trappestapt
binnen in rijen van twee links rechts de binnenkoer op,
Parcilot glijdt van zijn ros, Genovere begroet
haar Heer met een dikke knuffel, het edelmetaal
tegen haar borst drukkend, een zoen op zijn gebarsten
lip, de freules en knapen juichen hun meester toe,
hij die zonder blaam of vrees henenging, trompetten
schallen, de paarden hinniken hees, de stalknechten
geuren naar vers stro en haver, de Heer wenkt zijn kompanen,
de wastobben worden buiten gezet, de ridders ontdoen zich
van hun bast, gieten seulen water over hun hoofd,
straks is het feest op ’t Slot van here Parcilot,
met clubkaart en gesloten deuren, de trouvères
schrapen hun keel, de deernen hun gat tot laat in de nacht.
(Thierry Deleu)
Meester-Ridder van het Rozenscheermes
Parcilot tot ridder geslagen
Vader o vader mag ik naar ‘t hof
van Montsalvat? Mag ik? Parcilot
vroeg het op zijn beide knieën
het hoofd een beetje schuin omhoog
als heiligen doen. Toen hij daar aankwam
werd hij geschrobd geknipt gepoederd
van top tot teen de meisjes dansten
om Koning Arthurs jongste heen.
Parcilot werd page aan tafel
en in hun vertrekken bediende
hij de oude heer en zijn madam.
De jonge Parcilot onderging
gedwee werd zedig in taal houding
bij het eten drinken van wijn.
Hij kende de regels zegde die
zonder verlet vóór ’t avondgebed.
“Met keurige nagels aan tafel
gordel aan niet losgeriemd
brood niet tegen de borst geklemd
vingers niet in mosterd zout en
schotel niet smakken oprispen
vóór ‘t drinken de mond afgeveegd
niet vooroverbuigen of op
d’ ellebogen leunen de tanden niet
stoken met het mes” Parcilot
werd schildknaap leerde paardrijden
steenwerpen wapens hanteren
springen dansen zingen vrouwen
versieren. Toen op zekere dag
ontving hij plechtig de ridderslag
Parcilot geridderd verwierf
ros schild maliënkolder harnas.
Genovere en het Oog van het Kwaad
Genovere blozend om zoveel lieve woordjes,
- hoewel schoonzus had gezegd
op haar qui-vive te zijn -,
knielde neer en kuste zijn amb’ren ring
“Dank monseigneur, uw woorden
zijn als muziek in de oren,
ik ben het niet weerd dat u tot mij komt,”
prevelde Genovere, helemaal gaga
en versuft. De kardinaal boog zich voorover
en fluisterde in haar rechteroor:
“O springgazel van mijn geest, kon ik maar
strelen de enkels van je kleine voetjes.”
Van die woorden schrok Genovere
en deinsde achteruit - zij herinnerde zich
de woorden van haar broeders gade -.
Een vrouwenloper, een vies oud ventje?
De kardinaal zag de twijfel in haar blauwe ogen,
trok zijn vlezige vingers terug:
“U hoeft niet bang te zijn, mijn kind,
het zijn woorden Gods die mijn respect
verwoorden voor je maagdelijkheid.”
Mans glimlach kon Genovere niet bekoren,
zij vluchtte weg over de binnenkoer
de kasteelmuur op, dook in ’t slotwater,
zwom naar de overkant waar het gras
veel groener was. Ontdaan druipnat
betraand viel zij languit op haar buik
in ’t warme hooi bewust van zonde.
Genovere op vrijersvoeten
Toen koets de Creuse doorkruiste
stak Genovere haar hoofdje buiten
verwonderd over zoveel groen
gele brem luchtte zij haar gemoed
tegen de ruiter op de bok
die op de rem ging staan de paarden
bij de teugels trok en vroeg: madam
voel jij je niet op je gemak?
Genovere stapte uit schikte
haar drietrapskleed in zeven haasten
liep naar de graskant volumineus
vlijde ze zich neer keek amechtig
naar de hemel en klapte in haar
handjes. Toen bracht de koetsier
de picknickmand dichterbij gevuld
met tommycake en droog fruit
nam plaats naast zijn meesteres plukte
bloempjes om ‘r heen een boeketje
slaafse gehoorzaamheid Genovere
spreidde haar rokken over zijn kroes
de oude bok lustte nog wel een
groen blaadje. Toen de haan driemaal had
gekraaid vervolgden zij hun weg
Parcilot droeg hoorns vervuld van trots.
Ridder Yvan ontmoet Genovere
Geradbraakt zeven estafettes
van Russia tot in de Highlands
verscheen ridder Yvan aan de poort
van Koning Arthurs buitenverblijf.
Schildwachten haalden de brug op
paard en ruiter schreden het slot in
de binnenkoer op laatste stuiptrekking.
Het schuimende paard verdween stalwaarts.
Blote Yvan onder de koude douche
afgedroogd besprenkeld ingepakt
de trap op gebracht naar Arthurs verdiep.
Aan ‘t voeteinde wachtte Genovere.
Arthur uithuis bekommerde zij zich
toegewijd om de gasten. Met de
nodige égards ontving ze hen
in de grote slaapkamer zoals
dat toen gebruikelijk mode was.
Yvan kende die gewoonte niet
en vroeg zich af wat mooie Genovere
in het schild voerde. Hij deed een wens
voelde geilheid tot toren zwellen.
Genovere boog zich naar hem toe
en sprak op zachte wijze de woorden:
“U bent wel erg voorbarig, heer.”
Rolling Stone
Wanneer de minstreel glariënd
binnenkomt als bij wonder
op gezichtjes van deernen en
maagden een blos een glimlach
Rolling Stone back in castle
de zoetgevooisde. Genoveer
klimt op haar toonladder hofnar
houdt de stijlen zij plukt noten
klapt in haar handjes welkom
de minstreel buigt voorover
de gasten leggen stemvork neer
muzikanten nemen hun gerief
bazuin herderspijp schalmei
het strijkje speelt Stone zet de toon
mist hoogte heft aarzelend een
lied in zijn blik paniek schroom
vlug zet Genoveer de toon
murmelend trekt de zanger
zich op dreef uit volle borst
diepe decolleté valt zij in
wenkt de zanger aan haar zij
hoor hoe zij zingen voorspel
pièce de résistance naspel
pousse-café in volmaakt akkoord.
De Noormannen
Aan de einder stip op zee een vaartuig
stevent snedig smalle drakenkop
dichterbij. Parcilot handen als
dak boven wenkbrauwen vrouwen
kringelschuiven om hem heen en weer
vragende blikken wegen wikken
de angst in d’ ogen van hun mannen
wat beogen de vikingen hoe
stout zijn hun plannen? Parcilot geeft
zijn bevelen uit schorre kelen
klinkt de echo van zijn woorden
achter staketsels staan honderden
schutters met pijl en boog hoog in de
lucht sliert een zwerm meeuwen voorbij
landinwaarts naar veiliger oorden
aan moorden hebben zij een vleugel lam.
Het drakenschip nadert op het dek
stoere mannen met gekrulde snor
witte baard lange lokken eerste
kreten snijden door de lucht op een
zucht van de ridders beschermheren
van vrouwen weduwen wezen
beschaving tegen barbaarse
plunderaars stokebranden oorlog.
Uitgeregend
De Moren bezetten de terrassen
- stilte hangt dreigend over de heuvel -.
Waarom is Álora tot strijd bereid?
Geen mens die het weet geen Moor of ridder.
Oorlogen worden niet in vraag gesteld.
Amfetamine wordt rij per rij
doorgegeven één tablet één slok water.
Een hinnikend paard uitverkozen
houdt zijn soortgenoten wakker.
De zon priemt door donkere wolken.
Appelsienen als bleekscheten.
Als Parcilot het schouwspel gadeslaat
weet hij raad noch daad te verzinnen.
Heeft hij zich van plaats en tijd vergist?
Van achter stugge Moorse ruggen
treden ineens blanke maagden ten tonele.
Ze zingen treurig a capella
over wijn overdaad en verkrachting.
Zij schitteren lampions schone schijn.
De Moren grijnzen. De belagers veinzen.
Parcilots page slaat de trom één-twee-drie
één-twee-drie hij weet van tijd noch uur.
De regen valt met emmers uit de lucht.
De meisjes vluchtten over de kim.
De Moren drogen hun kaken met blaren
van gescalpeerde fruitbomen.
Parcilot pleegt overleg besloten wordt
indien de regen zich niet terugtrekt
de aftocht te blazen in alle
toonaarden. De Moren lopen niet weg.
Wie weet? Het Westen druipt af. Het Oosten
triomfeert. Vrede heerst een regen lang.
De Guldensporenslag
Nazaten van Parcilot verbeten
strijden zij aan onze zijde
de Engelsen onze vrienden
‘t economisch belang primeert
een opgepoetste stofwolk waait
de grens over houdt ineens
de benen stil bij de Gaverbeek
ridders uit Frankrijk gekomen
om die bastaards verdacht zootje
ongeregeld kopje kleiner
te maken paarden stuiven uiteen
“Liquidation rapide messieurs!”
Uit één keel weergalmt “Vlaand’ren
die Leeuw!” Het veld kleurt rood
temidden van de wei wappert
onze vlag een heidense draak
zonder vleugels de Engelse
luipaard klimt tegen de rug van
de vijand op zie hoe de Liebaert
van Vlaand’ren zijn tong uitsteekt
rood als zijn klauwen de Fransen
wijken bezwijken onder de
mokerslagen druipen af de staart
tussen bescheten achterbenen.
Brief aan Hélène
Hélène hitsige maagd op kousenvoetjes
de lange puntstaart van je kornet
krult zich over je rug kwispelt over
de grond gekrulde fallus in erectie
zachte stokebrand zet de tobbe uit
hits het water op prikkel mijn zinnen
schrob mijn knoken hard mijn eikel
kom wijdbeens over dat ik oprollen kan
je kleed tot aan je lenden schouwspel
cinema in geuren en kleuren en
als ik oprijs tsunami zoen ik jou
als een ontdekkingsreiziger
roep america en vaar landinwaarts
voorbij de klippen je baai binnen
de zon steekt het water schuimkopt
jij koert en kirt ik gier van pret.
Middeleeuws overspel
In ‘t groenlachende woud verspert
een hegge de toegang tot de
tuin van onkruid en lust.
Achter het raam prijkt de heks
in al haar verdorven naakt.
De pages rijden voorbij
apegapend links rechts
op het ritme van hun ros.
Wie is zij? Allochtone?
Autochtone? Wat maakt het uit,
ze is rein en ervaren,
heeft geleden en verzucht,
mannen opgegeild tot zij
hun laatste adem bliezen.
De pages begraven het
geheim. Ze hebben zwijgplicht.
De ridder in zijn kist wordt
geloofd om zijn man’lijkheid.
Door een kier in het struikgewas
kijkt zij geamuseerd toe
Ode aan Gentse wever
Vlaand’ren tussen Scheld’ en Noordzee,
Brabant, Henegouwen, Aartrijk,
volslanke maagd in Frankenland,
begeerd besprongen verwenst,
aan uw stuwende boezem laaft
Gent zich dronken van glorie,
door overvloed verwend.
Wever Kobe, strop en poorter,
dankt zijn welvaart aan ’t fijn gestreept
laken en de plaats van wieg en
water samenvloeiing van Lei’
en Scheld’, Gent tweestromenland.
Hij koopt beste wol in Eng’land,
verkoopt lakens in Rijnland,
op jaarmarkten van Champaan,
in Noord-Duitsland, Spanje,
Portugal, Gibraltar via
westvaart over Franse oceaan.
Kobe, strop en poorter, dankbaar
onderweg met paard en kar
pelgrimstocht naar Santiago
de Compostela. Broeierigheid
gaat over in regen, druppels
slaan fel uiteen tegen kar.
Boven heuvels donkert de lucht.
In de verte dreigt gerommel.
Kar hobbelt over karrensporen.
Kobe zalft zijn blauwe plekken.
Kobe, strop en poorter, op beevaart,
komt Italianen tegen,
Duitsers, Catalanen, paters
op sandalen, Tempelridders,
op Franse markten kermissen.
In zijn logboek lees ik nog:
“Dorpelingen op wegen
onderweg naar steden, waar zij
ambacht leren, kraampjes opslaan
in nauwe straatjes, winkeltje
spelen, bakker, slager, slotenmaker.”
Een nieuw’ mens priemt zich door
vruchtbare grond: de middenstander.
't Is feest op ‘t Slot
De fine fleur, haute-volée, slotheren, slotvrouwen,
schrijlings of in amazonezit rijden zij
de ophaalbrug over, strojonkers, vlaggenjonkers, pages,
schildhouders, wapendragers houden meester en paard
bij de teugels, Joris slaat nauwlettend zijn Heer gade,
Parcilot, Genoveres favoriete ridder,
de ridders van het Scheermes komen thuis van de
dertiende, de kruistochten zijn in trek, trendy reizen
naar verre warme landen, grootdadig streden zij
voor het goede doel: het Heilig Land ontfutselen
aan de zwarte moren, Diederik en Filips van den Elzas,
de vaders van Robert van Bethune en Gwij van Dampierre,
neven en ‘nichten’ gingen vrede stichten in Jeruzalem,
“Parcilot heeft zijn sporen verdiend,” fluistert stiekem
Genovere tegen een fellen met een baard scheel
van dorst, ’t was een lange voettocht van zon naar maan,
van ginder tot hier, van warm naar koud, de faam snelde
hen vooruit, de vijand deed hen wijken, de strijd was
ongelijk, de moren bliezen zich op, hun kijvende
vrouwen ingepakt, donkere spoken die zich
omzichtig voortbewogen op het slagveld, lijken
pikkend, adelbrieven gebruikend als pasmunt,
de gate scharniert open, een stille stoet trappestapt
binnen in rijen van twee links rechts de binnenkoer op,
Parcilot glijdt van zijn ros, Genovere begroet
haar Heer met een dikke knuffel, het edelmetaal
tegen haar borst drukkend, een zoen op zijn gebarsten
lip, de freules en knapen juichen hun meester toe,
hij die zonder blaam of vrees henenging, trompetten
schallen, de paarden hinniken hees, de stalknechten
geuren naar vers stro en haver, de Heer wenkt zijn kompanen,
de wastobben worden buiten gezet, de ridders ontdoen zich
van hun bast, gieten seulen water over hun hoofd,
straks is het feest op ’t Slot van here Parcilot,
met clubkaart en gesloten deuren, de trouvères
schrapen hun keel, de deernen hun gat tot laat in de nacht.
(Thierry Deleu)
Poëem
Het staat in menig poëem:
waarom sterven wij?
Vogels en vlinders verzinnen dageraden,
krekels dichten de zomer
en kinderen spelen huisje met twijgen en zand,
maar in elke tuin
wiedt ook de dood.
Een woord groeide mij tegemoet,
ik vroeg aan de nacht:
waarom leven wij?
En de dag antwoordde
met het Hooglied aan mijn raam.
Fernand Florizoone
23 oktober 2010
Onderwijs, een (oude) dada
Een gezonde geest in een gezond lichaam!
Met de regelmaat van een Zwitserse klok voel ik als oude schoolvos (directeur secundair onderwijs - kabinetsmedewerker Onderwijs) de behoefte om een opiniestuk te plegen over het onderwijs bij ons. Of ruimer: aan het maatschappelijk debat hierover deel te nemen.
Tijd en ritme zijn de sleutelwoorden. Devies: een gezonde geest in een gezond lichaam! Werktuigen: het hoofd en de benen. Studiegroep: leerlingen S.O.
Voorstel: Iedere dag krijgen de leerlingen les van halfnegen tot halftwee. Daarna trekken zij hun baskets aan. Op het einde van de dag volgen zij een lesuur theorie of kiezen een van de technische modules. Tussen 14.30 u. en 16.30 u. hebben zij bewegingsleer: turnen, dans, sport en spel. In plaats van een speeltijd om halfelf krijgen zij om 11 u. een gezonde maaltijd met veel rijst en groenten.
Voor de sport- en spelactiviteiten in de namiddag sluit de school convenanten af met de gemeente en/of met allerlei sportverenigingen.
Voordelen:
1. De lessen (lesuren) verlopen vlot(ter), indien je weet dat je je in de namiddag kunt ontspannen.
2. De leerling is performanter in de voormiddag.
3. Hij/zij komt tevreden naar school.
4. Met een lichte maag (geen volle maag) kan hij/zij beter de fysieke activiteiten aan.
Thierry Deleu
Met de regelmaat van een Zwitserse klok voel ik als oude schoolvos (directeur secundair onderwijs - kabinetsmedewerker Onderwijs) de behoefte om een opiniestuk te plegen over het onderwijs bij ons. Of ruimer: aan het maatschappelijk debat hierover deel te nemen.
Tijd en ritme zijn de sleutelwoorden. Devies: een gezonde geest in een gezond lichaam! Werktuigen: het hoofd en de benen. Studiegroep: leerlingen S.O.
Voorstel: Iedere dag krijgen de leerlingen les van halfnegen tot halftwee. Daarna trekken zij hun baskets aan. Op het einde van de dag volgen zij een lesuur theorie of kiezen een van de technische modules. Tussen 14.30 u. en 16.30 u. hebben zij bewegingsleer: turnen, dans, sport en spel. In plaats van een speeltijd om halfelf krijgen zij om 11 u. een gezonde maaltijd met veel rijst en groenten.
Voor de sport- en spelactiviteiten in de namiddag sluit de school convenanten af met de gemeente en/of met allerlei sportverenigingen.
Voordelen:
1. De lessen (lesuren) verlopen vlot(ter), indien je weet dat je je in de namiddag kunt ontspannen.
2. De leerling is performanter in de voormiddag.
3. Hij/zij komt tevreden naar school.
4. Met een lichte maag (geen volle maag) kan hij/zij beter de fysieke activiteiten aan.
Thierry Deleu
DE RABIJN EN HET MEISJE
Een rabijn in zwart habijt
en een meisje rose
wandelen in de avond,
op een tak roest een merel.
Wat zegt een rabijn
tot een meisje rose
dan dat de avond
rose is en zwart de merel?
PICASSO
Hij bundelt stemmen onderweg,
de donkerte van de stier
bloedt in zijn verzen,
hij durft de gloed in de ogen zien,
zijn tederheid is van blauw,
hij draagt dauw naar de droogte,
tot op hoge leeftijd
zwaait hij met de muleta
en biecht luidop
de vruchten van de bekoring.
Fernand Florizoone
Een rabijn in zwart habijt
en een meisje rose
wandelen in de avond,
op een tak roest een merel.
Wat zegt een rabijn
tot een meisje rose
dan dat de avond
rose is en zwart de merel?
PICASSO
Hij bundelt stemmen onderweg,
de donkerte van de stier
bloedt in zijn verzen,
hij durft de gloed in de ogen zien,
zijn tederheid is van blauw,
hij draagt dauw naar de droogte,
tot op hoge leeftijd
zwaait hij met de muleta
en biecht luidop
de vruchten van de bekoring.
Fernand Florizoone
22 oktober 2010
EEN ZOMER IN DE MOEREN
Een zomer in de Moeren
aan de bocht van Cabour
tussen broek en schote
land van koolzaad en rapen
zij vlijt zich neer prooi
lenig dier dat half opgericht
mij zoent in tegenlicht
onder navel en lenden.
ik verstijf tot pagode
op deze binnenduin
stokebrand geuzenstorm
Seinemolen zonder wieken.
Als zij openwaait delta
van genot moeras onderkomen
voel ik het koolwitje
beven in haar heup.
Thierry Deleu
Een zomer in de Moeren
aan de bocht van Cabour
tussen broek en schote
land van koolzaad en rapen
zij vlijt zich neer prooi
lenig dier dat half opgericht
mij zoent in tegenlicht
onder navel en lenden.
ik verstijf tot pagode
op deze binnenduin
stokebrand geuzenstorm
Seinemolen zonder wieken.
Als zij openwaait delta
van genot moeras onderkomen
voel ik het koolwitje
beven in haar heup.
Thierry Deleu
con sordino
thans ontwaar je witte zeilen
boven een lage ochtendwaas
heel de wereld lijkt te glijden
de stilte verslaat een ver geraas
thans ontvouwt zich een vrede
van glas, een vaas aan de rand
van een tafel en je vreest
je vreest de dag die open slaat
als een schaterlach, een bulderlach
die op de tafel zal beuken – liever
hou je de ogen halfgesloten,
gericht op velden van vroeger
omzoomd door hazelaar,
de dichte heesters
liever schuif je een gaas
voor het uitzicht zodat
het lijkt op een verte
waar je wel eens heen zal gaan
en ook de terugweg is een reis
Staf De Wilde
thans ontwaar je witte zeilen
boven een lage ochtendwaas
heel de wereld lijkt te glijden
de stilte verslaat een ver geraas
thans ontvouwt zich een vrede
van glas, een vaas aan de rand
van een tafel en je vreest
je vreest de dag die open slaat
als een schaterlach, een bulderlach
die op de tafel zal beuken – liever
hou je de ogen halfgesloten,
gericht op velden van vroeger
omzoomd door hazelaar,
de dichte heesters
liever schuif je een gaas
voor het uitzicht zodat
het lijkt op een verte
waar je wel eens heen zal gaan
en ook de terugweg is een reis
Staf De Wilde
Een ootje verbazing
De zomer is voorbij
en de raten rijk
ik ruik honger en honig
een bleekgroene zon
met sluikhaar kijkt
door de beginnende regen
ik loop dicht naast haar
zij rilt het afgeworpen
water dwarrelt neer
met haar duim wrijft ze
de laatste druppels uit
haar navel haar borstjes
spannen als een b.h.
ze heeft gezwollen voetjes
op haar dunne mond
een ootje verbazing.
Thierry Deleu
EEN PAUZE VOOR PASSIE
DEBUUTROMAN VAN JENNY DEJAGER
STEMT MIJ HOOPVOL!
Een pauze voor passie is het prozadebuut van Jenny Dejager. De eerste roman van Jenny Dejager is een “curieus, vreemd, raar” boek. Een boek met rare sprongen. Een boek dat zijn schepper soms in het nauw drijft. Toch heeft het de verdienste iets anders te willen dan het gangbare. Dit kan mensen boeien. Jenny Dejager kan bij meer beheersing een plaats krijgen onder degenen, die onze literatuur “beoefenen”.
Het boek begint met een warrige ouverture, waar moeilijk een touw aan vast is te knopen, die zoveel elementen (personages) bevat die tot verwarring leiden of op zijn minst de lezer onderdompelen in een bad van informatie.
Als je verder leest, komt alles echter keurig op zijn pootjes terecht. Na het lezen van het boek concludeer ik graag: Een pauze voor passie is een prozadebuut dat hoop wettigt.
“Het verschijnen van je eerste boek is zonder twijfel het leukste moment in je leven. Dan ben je zó in de gloria. Een jaar lang ben ik high geweest van vreugde. Ik stond 's ochtends op en begon meteen te dansen,” zegt Renate Dorrestein in een interview.
Haar personages zijn heel stereotiep, maar daarom niet minder realistisch: het mailverkeer is niet voor de eerste keer uitgeprobeerd, maar het plaatst je wel in een bekende ruimte.
De roman in briefvorm is al eeuwenoud. Les liaisons dangereuses van Choderlos de Laclos uit 1782 is misschien wel de bekendste brievenroman. In 1991 schreef ex-cabaretier Henk Elsink, onder het pseudoniem Elsinck, de thriller in faxvorm Moord per fax.
De brief, bestaat die nog? En wie faxt nog tegenwoordig? Dus zijn er nu ook romans die geheel uit een e-mailcorrespondentie bestaan. Een roman in e-mailvorm. Goed idee, al worden niet alle goede ideeën ook goed uitgevoerd.
Je kunt, zoals Jenny Dejager, ook e-mails gebruiken als kapstok waar je het verhaal aan ophangt.
Dat mailcontact leent zich tot een uitwisseling van gedachten en verwachtingen. Het zijn vraag- en antwoordspelletjes, waarin de hoofdpersonages en de auteur zich blootgeven.
Wat deze roman krachtig en spannend had kunnen maken, is het gegeven dat een echte ontmoeting tussen Leonie en Eva steeds wordt uitgesteld, maar het werd niet echt uitgewerkt. De digitale briefwisseling brengt (nog) te weinig schot in de zaak. Spijtig, want een roman met e-mailverkeer als uitgangspunt, zou kunnen aanleiding geven tot een onverwachte wending of tot vlotte dialoog en omarmende ontboezemingen.
De auteur bekijkt het verhaal niet door de bril van één persoon, maar zij beleeft het via verschillende personen (in hoofdzaak Leonie en Eva). Dit is een oud, maar geschikt procedé, omdat je zo niet alleen de verschillende karakters kan zien, maar ook dat iedereen zijn eigen mening heeft. Zijn eigen leugen. Zijn eigen gewaarwording.
Leonie is zelfingenomen, vindt van zichzelf dat ze mooi is, analyseert de dingen onophoudelijk, is rationeel. Eva is voorzichtig, niet roekeloos, timide. Ook van uiterlijk verschillen ze: Leonie heeft nu kort geknipt ros haar (na de dood van Manu, om er vrolijker uit te zien), Eva heeft blond haar, is mollig, draagt paardenstaart, is onopvallend.
De lezer verneemt ook dat Leonie een verwarde geest is (na wat zij de laatste jaren heeft meegemaakt), zij kan niet (meer) logisch denken, zij voelt zich geen goede moeder, is wereldvreemd, stuurloos, frigide, zij kan geen vaste relatie (ook geen vriendschap) aan.
Beiden, Leonie en Eva, drinken. Eva is een kip zonder kop, is altijd te vinden voor een goedkope flirt, geeft toe dat zij bi is en is stapel verliefd op Ed.
Met deze gegevens kan een spannend verhaal worden opgezet, maar de auteur verliest zich soms te veel in beschouwend proza enerzijds en in sommige e-mails in poëtische sfeerschepping anderzijds. De e-mails hadden een springplank kunnen zijn naar een boeiend verhaal van overspel, jaloezie, lesbische toestanden. Pauze voor passie straalt minder passie uit dan je zou verwachten.
Leonie en Eva komen via e-mail met elkaar in contact. Leonie is een leerkracht zedenleer die het onderwijs vroegtijdig verliet en Eva is een psychotherapeute op zoek naar een luisterend oor. Er ontstaat een spontane e-mailcorrespondentie, soms geselend, soms verademend. Beiden schrijven over hun liefdesleven en beiden vallen op foute mannen. Een verhaal en een verhaallijn die mogelijkheden bieden.
Het oneigenlijk gebruik van sommige leestekens stoort mij. Maar wat mij vooral stoort is de taal van de mailberichten: te literair en te hoogdravend, zodat de spontaniteit wegebt. Ik kan mij moeilijk voorstellen dat dit voor de auteur een bewuste keuze is geweest.
Het genre lijkt mij dubieus: is het een prozadebuut, of een debuutroman, een psychoanalytische of psychologische roman? Ik houd het bij het laatste genre.
De roman begint met een hypothese: stel dat Emmanuel Tack dood is, wat moet ik, Leonie, met mijn leven aanvangen? Dit is Leonie: depressief, lethargisch, zwijgzaam, introvert. Aaron, haar minnaar, is getrouwd met zijn werk (bankier), samen hebben zij een wankelende relatie van jaren. Ook een dode Manu (van wie Leonie de minnares is geweest) gunt haar geen rust. Dit gegeven vat gevat de roman samen.
Leonie vindt in haar mailbox een berichtje van een onbekende vrouw, Eva. Zij is psychotherapeute en rechterhand van een psychiater. Leonie mailt terug: “ik ben een leerkracht die om gezondheidsredenen op vervroegd pensioen ben gegaan”.
Wanneer Aaron iedere keer weer voorrang geeft aan zijn dochter, is de onbekende Eva een verademing. Daarnaast heeft Leonie met haar zoon, Anton, een goede band. Hij is opgegroeid in co-ouderschap.
Wanneer Eva een nieuw bericht stuurt, begint het verhaal definitief. Zij spuwt haar gal uit over haar werkomstandigheden en haar collega’s. Ook over haar baas, Ed Colombier, is zij dubieus: enerzijds verwijt ze hem zijn zwak karakter: overbeschermd, opgegroeid als supertalent, wereldvreemd, anderzijds is zij verliefd op hem.
Het boek begint met een eerste hoofdstuk “Zij is allang zijn lief niet meer”, maar nergens vind ik een nieuwe titel voor een tweede, derde hoofdstuk. Waarom de eerste en enige titel dan? Moet hij de samenvatting zijn aan het verhaal? Pas dan - en dan nog - zou hij enige zin (betekenis) hebben.
De thema’s die aan bod komen, zijn: de werkvloer, hun gemoedsstemming, verveling, agressie, verwantschappen, de slachtofferrol, hun frustraties. Stuk voor stuk thema’s die veel mogelijkheden bieden voor diepgang, gefilosofeer, spanning, maar deze zijn slechts met mondjesmaat aanwezig. Een gemiste kans. Dit is echter geen verrassing bij een beginnend schrijver: hij/zij focust zich vaak te veel op zijn/haar “eerste ingeving”, op zijn/haar “vondst”, met andere woorden: op het “plan”. Hierdoor wordt de verhaallijn te transparant, mist mysterie, de inhoud wordt te “volmaakt”, “begrijpbaar”, te “openbaar”. De lezer verliest zijn aandacht, hij/zij wil dat de auteur een uitvinder is, desnoods een insectenverdelger.
Neen, dit is geen afwijzend oordeel over de debuutroman van Jenny Dejager. De mailberichten van de twee hoofdpersonages zijn trucs om een verhaal op gang te brengen en op gang te houden. Daar is niets mis mee. Vraag is of uit dit schrijfproces goed proza voortkomt, en indien ja, dan heb je het bewijs geleverd van goed schrijverschap.
Bovendien komt het e-mailverkeer vreemd over. Kunnen de twee vrouwelijke hoofdpersonages “het verhaal” reconstrueren aan de hand van deze e-mails? Er worden sprongen gemaakt of met opzet e-mails weggelaten. Dat laatste zou spijtig zijn, want de roman zou aan spankracht hebben gewonnen indien hij haast volledig als een roman in e-mailvorm zou zijn uitgewerkt.
Ik heb het boek graag gelezen, helaas was het soms net ietsje te onduidelijk en verwarrend. De vonk is er, maar ze wil niet overspringen. Een pauze voor passie haalt iets te weinig niveau in de breedte.
Eén van de mooiste passages in het boek lees ik op pagina 56, in een mail die Leonie stuurt aan Eva en waarin zijn het over haar overleden minnaar, Manu Tack, heeft. “De afwezigheid van Manu overmant haar met een ankerkracht.” Het is ook één van de langste mails in het boek.
Hier wordt het verhaal spannend, levensecht, aanvoelbaar, hier wekt Leonie (de schrijfster) mijn aandacht, ik lees haastig verder, met hoge verwachtingen.
Deze mail onthult werelden van verschil, tussen Ed en Eva, tussen Leonie en Eva, tussen Manu en Ed. De auteur maakt dankbaar gebruik van deze verschillen. Ze zijn inspirerende ingrediënten om het verhaal te stofferen.
Halfweg de roman verrast de auteur de lezer met een zo verhoopte meerwaarde in het verhaal: Leonie bekent Eva dat wat zij haar mailt maar een verhaal is en dat zij eraan twijfelt om ermee door te gaan. Bovendien ontmoet zij Tom, een ex-collega.
Ook Eva heeft niet af. Zij vraagt zich af: hoeveel van Leonies verhaal is nu fictie en wat is er non-fictie? Voor Eva is het een nieuwsgierigheid waaraan zij verslaafd is geraakt en voor Leonie blijkbaar een dwingend spelletje.
Het e-mailverkeer trekt zich weer op gang. Opvallend hierbij is dat Eva eigenschappen (kenmerken) vertoont van Leonie: ook Eva stuift rond in haar kleine wereld, kent dezelfde buien van twijfel, voelt zich onzeker. Beiden kiezen ervoor “zich te laten drijven op het leven”.
Ik sta ook even stil bij de lectuur die Leonie opsomt: het gedicht “Jonge sla” van Rutger Kopland, de romans Geheime kamers van Jeroen Brouwers, Lilith van Remi de Gourmont, de film en het boek Gejaagd door de wind van Ashley Wilkes, Malinche van Laura Esquival, Foute mannen van Olivia Goldsmith, David Grossman en De Seizoenen van Clem Schouwenaars. Vooral dit laatste boek roept reminiscenties op.
Bij de meeste boeken heb je een vervelend stuk waar je doorheen moet. Ook bij deze roman. Het boek leest vrij vlot, de aanloop naar de spanning gaat niet altijd in crescendo, maar het loont de moeite verder te lezen.
Wat mij stoort is de vraag: “Is het verhaal nu een hoofdlijn of een sublijn?” Soms zijn de fragmenten tussen de e-mails niet relevant of verliezen aan relevantie door overbodig uitweiden.
De pikante titel? Behalve de mooie alliteratie vind ik niet dat de vlag de lading dekt. Waarom “een pauze”? Waarop slaat de passie? Vertelt Leonie haar leven aan Eva via e-mails? Is Een pauze voor passie de wereld van Leonie die Manu voor haar achterliet? Is Eva het alter ego van Leonie? Is Leonie de schrijver?
Pas laat begon Jenny Dejager met schrijven (aanvankelijk het schrijven van gedichten). Vanuit welke impuls weet ik niet. Uit frustratie(s)? “Ik ben altijd een opstandig kind geweest,” zegt ze van zichzelf. “Ik heb over bruggen gelopen met kleine kasseien (kleine verdrieten), grote kasseien (grote verdrieten). Maar ik heb ook over Zonnesteen gelopen, (de leeuw brult maar lacht ook vaak). Nu schrijft Zonnesteen mij terug. Ik heb lang getwijfeld of ik mijn oor hiervoor mocht lenen.” Schrijven is altijd toch een droom geweest: “een laagje poedersneeuw bedekt de angst om nooit te versagen aan de droom.”
Zij publiceerde vier gedichtenbundels in eigen beheer: De smaak van stilte, In vlindervlucht naar de regenboog, Twee voetstappen later, Naast de liefde. Haar vijfde bundel, De aanhalingstekens van liefde en troost, verschijnt in het voorjaar van 2011.
Haar inspiratie put zij uit dagelijkse ervaringen, zoals: kinderen, gezin, (nieuwe) liefde, het ouder worden en afstand nemen. Thema's zijn: pijn, verlies, eenzaamheid, woede en verzet. Mij valt op (en ook nu in haar eerste roman) hoe zij schrijft over de kleine kosmos van huwelijk en gezin.
De roman is strak gestructureerd, te hecht gebonden aan de e-mails (het procedé), te weinig een krachtige explosie, nog te veel een doordacht werkstuk.
Jenny Dejager heeft voorraad, heeft “inhoud”, heeft levenservaring, ambitie, om een goede roman te schrijven, - of is het nood aan een lang antwoord aan hen die haar nooit hebben begrepen? -. De aanzet met Een pauze voor passie belooft veel goed.
De schrijver zit nog te strak in het pak. Ze houdt de schrijfpen te hard in bedwang. In de passages waarin zij vergeet dat zij de auteur is, is zij op haar best: suggestief, raak schetsend, ongedwongen, niet geremd.
Een pauze voor passie heeft mij niet teleurgesteld. Een goed debuut dat mij hoopvol stemt.
Thierry Deleu
Jenny Dejager, Een pauze voor passie, Uitgeverij Aspekt, Soesterberg, Nederland, ISBN 978-90-5911-985-7 - te koop op www.uitgeverijaspekt.nl
Een bliksemflits... en toen de nacht!
(Baudelaire)
'Nacht' als thema van Gedichtendag 2011 op 27 januari a.s. heeft na de bekendmaking tot veel enthousiaste reacties geleid, net als het nieuws dat Remco Campert de Gedichtendagbundel 2011 schrijft. Inmiddels weten we ook wie het Gedichtendagessay schrijft en afgelopen maandag is ook nog eens bekendgemaakt wie de genomineerden zijn voor de VSB Poëzieprijs 2011 die op de vooravond aan Gedichtendag wordt uitgereikt.
Op de website http://www.gedichtendag.com/ vind je steeds het laatste nieuws over Gedichtendag: over het thema 'Nacht', over de lessuggesties, over de prijzen die worden uitgereikt, maar ook en vooral over alle activiteiten die overal in het land worden georganiseerd. Kijk dus snel. En organiseer je een actviteit voor Gedichtendag, vergeet die dan niet online te zetten.
Jan Lauwereyns schrijft Gedichtendagessay 2011
De Vlaamse dichter, wetenschapper en expat Jan Lauwereyns (°1969) is de auteur van het vierde Gedichtendagessay. Het essay is de beschouwende tegenhanger van de Gedichtendagbundel. Jaarlijks nodigt het Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL) een bekende Vlaamse dichter uit tot het schrijven ervan. Lauwereyns' essay ‘De smaak van het geluid van het hart’ is een hoogstpersoonlijk pleidooi voor de poëzie.
Het Gedichtendagessay verschijnt op Gedichtendag en wordt uitgegeven en verspreid door het Poëziecentrum (Vlaanderen) en De Bezige Bij (Nederland).
Gedichtendag wordt gecoördineerd door Poetry International (Nederland) en Stichting Lezen (Vlaanderen) en mede mogelijk gemaak door Turing Foundation.
(Baudelaire)
'Nacht' als thema van Gedichtendag 2011 op 27 januari a.s. heeft na de bekendmaking tot veel enthousiaste reacties geleid, net als het nieuws dat Remco Campert de Gedichtendagbundel 2011 schrijft. Inmiddels weten we ook wie het Gedichtendagessay schrijft en afgelopen maandag is ook nog eens bekendgemaakt wie de genomineerden zijn voor de VSB Poëzieprijs 2011 die op de vooravond aan Gedichtendag wordt uitgereikt.
Op de website http://www.gedichtendag.com/ vind je steeds het laatste nieuws over Gedichtendag: over het thema 'Nacht', over de lessuggesties, over de prijzen die worden uitgereikt, maar ook en vooral over alle activiteiten die overal in het land worden georganiseerd. Kijk dus snel. En organiseer je een actviteit voor Gedichtendag, vergeet die dan niet online te zetten.
Jan Lauwereyns schrijft Gedichtendagessay 2011
De Vlaamse dichter, wetenschapper en expat Jan Lauwereyns (°1969) is de auteur van het vierde Gedichtendagessay. Het essay is de beschouwende tegenhanger van de Gedichtendagbundel. Jaarlijks nodigt het Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL) een bekende Vlaamse dichter uit tot het schrijven ervan. Lauwereyns' essay ‘De smaak van het geluid van het hart’ is een hoogstpersoonlijk pleidooi voor de poëzie.
Het Gedichtendagessay verschijnt op Gedichtendag en wordt uitgegeven en verspreid door het Poëziecentrum (Vlaanderen) en De Bezige Bij (Nederland).
Gedichtendag wordt gecoördineerd door Poetry International (Nederland) en Stichting Lezen (Vlaanderen) en mede mogelijk gemaak door Turing Foundation.
Als de zee
voor F.F.
Als zee haar driften botviert,
overvloedige vloed, water
mij naar de keel grijpt, ga ik aan
land droom bloesems aan de bomen
vogels in de lucht zucht van wind,
als de zon door de wolken piept,
zee verzadigd inslaapt, ga ik
schelpjes rapen, streel potvis
op strand, overmand door verre
einder loop ik met het water
mee, eindeloos de zee in mijn
mistige blik, land in zicht.
Thierry Deleu
20 oktober 2010
PATRICK VERMEER INTERVIEWT
IRIS VAN DE CASTEELE
(2005)
Inleiding
Toen mij enkele weken geleden werd gevraagd om een gesprek te hebben met de dichteres Iris Van de Casteele, t.g.v. de poëtische namiddag "Lettergeknetter", te Adegem, heb ik vrijwel zonder aarzelen ingestemd. Omdat ik er naar uitkeek om na bijna drie jaar, want zolang is het geleden dat we mekaar zagen, weer eens van gedachten te wisselen met deze Adegemse dichteres.
We kennen mekaar twintig jaar. Het was in de lente van 1985 toen Mevrouw Van de Casteele aan de jonge radioman Patrick Vermeer voorstelde enige aandacht te willen besteden aan haar eerste bundel Witte Silhouetten op de lokale radio van Maldegem. Na dat eerste gesprek, waarbij haar man, gitaar- en harpvirtuoos Cacho Aguirre, haar muzikaal begeleidde, volgden er nog enkele in de loop der volgende jaren. Tweemaal was zij te gast ter gelegenheid van een poëzieavond in Maldegem, die ik zelf mee gestalte mocht geven.
Meerdere malen waren we in de daaropvolgende jaren bij haar te gast te Asse bij Brussel, naar aanleiding van een jaarlijks zomerfeest dat gehouden werd ter gelegenheid van de verjaardag van Cacho. We herinneren ons de ontzaglijke gastvrijheid, de Latijns-Amerikaanse muziek, live gebracht door Cacho en z'n vrienden, de heerlijke barbecuespijzen, bereid met liefde en zuiderse zon.
Vooral ons eerste bezoek aan Iris en Cacho in de zomer van 1985, kort na dat eerste radio-interview, zal ons altijd bijblijven: het was op weg naar de Ardennen voor een korte kampeervakantie, dat Ann en ik besloten, als korte tussenstop, Iris even een bezoekje te brengen. Even … Vierentwintig uur later werden we uitgewuifd, vol van spijs, drank en poëzie, en konden we onze reis naar de Ardennen verder zetten!
In de loop der jaren hebben we Iris leren kennen, als een optimistische, welbespraakte vrouw, met evenwel een melancholische ondertoon, die ze via haar poëzie en haar literaire bijdragen in o.m. "De Poëzietuin" in het weekblad Vrij Maldegem tot uiting brengt.
Denkend aan Iris en lezend in haar talrijke bundels kwam mij vorige week plots het woord "lava" voor de geest. Ik ging de precieze omschrijving opzoeken in het woordenboek. "Naam van alle stoffen die in gesmolten toestand bij een vulkanische uitbarsting worden uitgeworpen en vervolgens tot gesteenten van verschillende samenstelling stollen".
Dat zijn Iris en haar literatuur, dacht ik. De hevige emoties, met zowel de diepe weemoed en het heimwee, e hunker naar liefde en zon als het felle uithalen naar alles wat haar dwaas en onrechtvaardig overkomt, zijn als lava uit het binnenste, het allerdiepste zelf van de vulkaan Iris, lava dat stolt tot verzen, tot poëzie… En Iris verwoordt het zelf in een van haar gedichten: "een zilveren lepel vuur ben ik".
Het is met deze Iris Van de Casteele dat we vandaag praten. En we hebben ook voor enkele korte muzikale intermezzi gezorgd. Dochter Sarah speelt voor ons enkele harpcomposities. Misschien is haar interesse voor dit instrument wel ontstaan drie jaar geleden toen zij de harp en de muziek van Cacho als zevenjarige leerde kennen.
Het gesprek
Iris, we zijn vandaag te gast in Adegem, jouw geboortedorp, het dorp van je jeugd, niet weg te denken uit je poëtisch oeuvre. Vele van jouw gedichten lijken immers gerijpt in de velden, tussen de dennenbossen van toen, in de kleigronden van de Campelstreek. En ook de mensen van weleer breng je weer tot leven in je poëzie.
Hoe belangrijk is het dorp van weleer?
In het Adegem van nu herken ik het dorp van weleer niet meer, Patrick. Alles is veranderd: de dorpskern, de wegen, de huizen, zelfs de mensen. Veel beukenhagen zijn verdwenen en er meanderen ook geen beekjes meer langs de veldwegels waaruit kikkers opsprongen toen ik langs de binnenwegen naar school liep. Beken, sloten en grachten werden gedempt, de bossen van de Zandakkers werden gekapt, werkmanshuisjes en boerenhuizen werden afgebroken en vervangen door huizen die heel veel over hun bewoners vertellen. Nochtans zal Adegem voor mij belangrijk blijven al was het maar omdat ik er de beenderen begraven weet van vele dierbaren.
Hoe belangrijk zijn de mensen van toen, de voorvaderen voor jouw poëzie?
Hoe kan het anders dan dat de mensen van toen -de voorvaderen van de mensen van nu- voor mij heel belangrijk zijn gebleven. Zij zijn het die me hebben gevormd en gekneed tot wat ik geworden ben. Alles is mij bijgebleven en staat in mijn geheugen gegrift, niet alleen het uiterlijke van mensen en dingen maar ook de geuren, zelfs de geluiden uit de smidse die ik poëtisch weergegeven heb.
Reliek
eind januari
langs de dijk gegaan
om te zien
of de berk er nog stond
dit jaar was het anders
geen scherpe oostenwind blies
geen schelp lag verweesd
in het poldergebied
er zweefde een luchtballon
over Zuidzande
hier stond ik
met zoveel stad in mijn hart
met in mijn handen genageld
het fossiele
van haaientanden
Je woont al jaren in de grootstad, de Basiliek van Koekelberg op wandelafstand. Toch lijkt de hunker naar het land en het landleven met de jaren zelfs eerder toe te nemen. Wat vind je hier, dat je ginds niet vindt? "Hier stond ik, met zoveel stad in mijn hart" …
De versregel die je aanhaalt uit één van mijn gedichten kan misleiden want wat groen en bomen betreft valt Brussel te vergelijken met Asunción del Paraguay waar ik gewoond heb. Wanneer je Brussel binnenrijdt heb je al meteen het Laarbeekbos, vlak daarna de Zavelenberg, dit is weidegrond, hectaren groot, waarop koeien grazen op een paar honderd meter vóór de voet van de Basiliek van Koekelberg die haar eigen park heeft. Dan zijn er het Scheutbos, het Poelbos, de Kattebroek, de vele stadsparken en parkjes, het park van Laken, het Egmontpark met zijn zwarte notelaar, een deel van het uitgestrekte, prachtige Zoniënwoud, het Terkamerenbos, en het Schaarbeekse Josephatpark, een plek waar ik als jong meisje uren vertoefde. De Groeselenberg, die ik laat heb leren kennen, mag ik ook niet vergeten.
In tegenstelling tot wat je zou kunnen denken gaat mijn hunker niet uit naar het land of het landleven maar eerder naar een plek waar ik graag zou begraven worden, ergens helemaal alleen, zonder zerk of inschrijving, maar wel onder een boom. Brussel is voor veel Vlamingen een ongeliefde stad omdat ze nooit tot haar volle recht komt, noch op Ansichtkaarten, noch op TV. Voor velen die er hun beroep uitoefenen is ze slechts afstelplaats voor hun wagen, of af- en opstapplaats voor trein of bus. Verder wordt ze tot vervelens toe overspoeld door politieke berichtgevingen e.d. Wie Brussel kent zoals ik haar ken heeft het hart ervan vol. Je hoeft geen dagen ver te reizen om er alle talen door elkaar te horen spreken of om er zuiderse of exotische vruchten te vinden. En er zijn de vele musea en bibliotheken.
Dat ik nooit een dichtbundel aan Brussel heb gewijd mag daaraan liggen dat ik alles wat ik voel nu nog niet kan verwoorden. Doch ik geef de moed niet op, ik zal een keertje mijn humushanden moeten aanspreken. In Ganshoren, waar Cacho en ik wonen, zijn er wat genoemd wordt "De Rivieren". Ze vormen een moerasachtig gebied bestaande uit rietvelden, vochtige weiden en een beek die gevoed wordt door méér dan één bron, en dat alles, omlijst door boomgaarden, moestuinen en bosjes. Het prachtig heuvellandschap is een inspiratiebron voor heel wat kunstenaars doorheen de vier jaargetijden. Ganshoren is door natuurliefhebbers geliefd om haar flora en fauna, o.m. haar 80 verschillende vogelsoorten.
Bij onze woning hoort een tuin van 8 x 22 meter en dat in volle stad. Alle ons omringende huizen bezitten dezelfde natuurlijke tuin waarin hoge bomen en zingende en kwetterende vogels. Wie zou zich niet gelukkig prijzen daar te mogen wonen? Alle moderne faciliteiten op een boogscheut en toch middenin de natuur. Vergeef me, Patrick, indien ik misschien een beetje teveel mijn liefde voor Brussel laat blijken, maar deze grootstad heeft me alles gebracht wat ik nodig had en in mijn geboortedorp nooit had kunnen vinden. Het waren toen andere tijden, vooral voor het jonge meisje dat ik was. In een kroostrijk gezin waren het bijna altijd de jongens die verder mochten studeren, vooral de jongste. In Brussel kon ik studeren, mezelf ontplooien, de nodige vrijheid van geest en lichaam genieten, kortom de mens worden die ik geworden ben.
Je hebt veel gereisd, je spreekt verschillende talen, woonde zelfs een aantal jaren met je man Cacho in Zuid-Amerika. Heeft deze brede kijk op de wereld, de confrontatie met andere culturen, zeden en gewoonten een invloed gehad op je dichterschap? Ik twijfel er niet aan.
Door in aanraking te komen met andere volkeren en culturen heeft er misschien een verandering in mijn gewoonten plaats gevonden waarvan ik me niet bewust ben. Zo drink al jaren thee in de plaats van koffie, om maar iets te zeggen. Mijn ruim denken zal ook wel daarmee te maken hebben ofschoon ik meen dat je ook innerlijk kunt reizen om heel wat levenservaring op te doen; goede boeken en goede leraars zijn daartoe een grote hulp. Onlangs was ik op bezoek bij Amanda Lievens, een oud-lerares van Adegem, die al jaren in Kontich woont. Ze zei ooit 'Iris, jij hebt toch wel alle boeken van de hele bibliotheek van Adegem uitgelezen". Dat bewijst dat ik als kind en jong meisje al een leesrat was. Natuurlijk zal alles wat van elders komt wel zijn stempel op mijn dichterschap gedrukt hebben, vooral omdat ik me zo goed kan inleven in vreemde talen en hun zo helemaal anders klinkende klanken en intonaties; iets van de ziel van andere volkeren zet zich dan af in je eigen ziel, ik denk vooral aan de Russische, en aan die van de Guaraní en de Charrúa, die leerde ik het best kennen.
Je bent dus al van toen je klein was bezig met taal, met poëzie. Hoe is het begonnen?
Begonnen is het toen ik nog geen negen was, zittend op de rand van een beekje, dat Eede heet, indien ik me niet vergis. Het zuiver kabbelend beekje is intussen een nauwe, onfrisse sloot geworden, maar ik heb er wel mijn eerste inspiratie als dichteres aan te danken. Ik rijd er soms nog voorbij denkend aan de tijd van meer dan zestig jaar geleden; je weet, Patrick, dat mijn grootouders van moeders zijde aldaar, op de Campelberg, een hofstede uitbaatten. Verder kan ik kan mij de klanken en het ritme herinneren die uit de gedichten sprongen die we op school moesten voordragen, of die voorgedragen werden door de lerares. Ik zat altijd heel aandachtig te luisteren of probeerde zelf het beste uit klanken en ritme te halen. Wat deze dingen betekenen hoef ik je niet uit te leggen, Patrick, jij met je warme stem als geschapen om zonder aarzelen voor te dragen. Ik ken niemand die mijn gedichten ooit zo ontroerend voordroeg en voordraagt als jij dat kunt en doet. Dat kan niet alleen aan de vriendschap liggen die we voor elkander voelen.
Zijn er mensen die je tot het schrijven hebben aangezet? Zijn er andere dichters of schrijvers die invloed hebben gehad op jouw werk?
Iemand die een Kinderhoekje verzorgde in een Gentse krant moedigde mij aan als twaalfjarig dichteresje, bij hem kon ik terecht. Ik zou wel eens "een groote Vlaamsche dichteres" kunnen worden, schreef hij.Toen ik bijna veertien was schreef hij mij twee persoonlijke brieven omdat hij voelde dat ik de kinderschoenen ontgroeid was en het tijd was om zijn Kinderhoekje te verlaten. Op volwassen leeftijd werd ik eerder belemmerd dan aangemoedigd om te publiceren. Als dichteres heb ik veel te danken aan dhr Albert Van Hoestenberghe die mij al jaren het volste vertrouwen schenkt; mij een volledige pagina van zijn weekblad Vrij Maldegem kosteloos ter beschikking stellend, waar ik de poëtische vruchten van anderen en mijzelf kan onderbrengen in "De Poëzietuin". Dit is een uiterst geschikt forum voor de poëzie en haar liefhebbers.
Kun je ons vertellen, Iris, wanneer en hoe een gedicht ontstaat? Gaat er een incubatieperiode aan vooraf, gevolgd door een rijpingsproces? Of dringt een gedicht zich zomaar plots aan je op? Wordt er veel gecorrigeerd?
Een van mijn oudere gedichten "Oertaal", nog nooit gepubliceerd, begint aldus: "Een gedicht ontstaat / vanuit zijn oorspronkelijk zijn / het hangt in je hoofd te bengelen / soms te spartelen / tot je er aandacht aan schenkt /…/"... Mijn gedichten moeten groeien en rijpen eer ze het licht kunnen zien, daarom valt er achteraf weinig aan te corrigeren. Wat het zich opdringen betreft: dat doet het, vooral de eerste regel, ik zou niet graag de keren bijeentellen die ik 's nachts ben opgestaan om de eerste regel op te schrijven, vaak ook het hele gedicht, (zo ziet het dan letterlijk en figuurlijk het licht). "Oertaal" eindigt met deze regels: "/ het is niet wat het is / er staat niet wat er staat / het is bijna niets / het is onmaakbaar / het is onvatbaar // dat alleen al zou moeten volstaan / om het als lucht in te ademen /" .
En nog een stap verder: hoe komt een gedichtenbundel, een hele cyclus met een welbepaalde thematiek tot stand? Schrijf je naar een thema toe of blijken een aantal gedichten achteraf samen te horen?
Ik ben voortdurend met poëzie bezig zonder dat ik mij daar bewust van ben. De poëzie maakt deel uit van mijn ziel; ze is aangeboren. Het gedicht "Dichten", waarvan hierna een paar regels, die je net voorlas, getuigt daarvan:
Ik heb vertaald tot bloedens toe,
tot in het gloeien van mijn ingewanden,
tot in het merg, tot op het been,
hetgeen onzegbaar is. //
// Een zilveren lepel
vuur ben ik, zo meegenomen //
In deze tijd, waarin de meest gruwelijke dingen gebeuren, vinden het hoofd en het hart geen rust. Het is vooral het leed dat anderen aangedaan wordt dat mijn eigen leed wordt. Ik heb al veel mensen en dieren zien lijden waarbij ik machteloos moest toekijken. Ik heb eens een periode gekend waarin ik een soort innerlijke rust gevonden had, geen inspiratie had, tot ik iemand zei: "ik zou een keer goed moeten kunnen afzien om opnieuw te kunnen dichten". Dat 'afzien' heeft zich eerder voorgedaan dan ik had kunnen voorzien.
Er is ons vanmiddag onvoldoende tijd gegund om een complete analyse te maken van je werk, Iris. Ik ben bovendien geen letterkundige. Maar misschien kunnen we toch wel even "grasduinen" (!) in je werk, waarbij ik me dan vooral laat leiden door wat me bijzonder heeft getroffen, heeft aangegrepen, een aantal "rode draden", herhaaldelijk terugkerende thema's in telkens weer andere vormen weliswaar …
Ik begrijp wat je bedoelt met "rode draden". De dingen die jou aangrijpen laten de lezers en luisteraars ook niet onverschillig, ik heb daar voldoende bewijzen van. Bijna heel mijn poëtisch oeuvre lijkt te zijn ontstaan uit een vulkaan die zijn gloeiende lava uitspuwt. Die lava zou kunnen vergeleken worden met brandende pijn; pijn en nog eens pijn, afgezien van het vuur door hetwelk men sowieso wordt verteerd. Ik heb een biografisch boek geschreven getiteld "De slagen zijn geteld". Het is nutteloos hier uit te weiden over de vreselijke gebeurtenissen die in mijn leven plaatsvonden, vooral in mijn jeugdjaren. Eén ding moet je echter weten: wanneer de lavastroom uitgedoofd is, en zich voorgoed aan de aarde heeft gehecht, maakt hij de grond uiterst vruchtbaar. De vulkaan is dan weer een tijdje rust gegund.
Ik vind, Iris, dat de gedichten over je vader tot de beste behoren in je hele oeuvre. Er spreekt zo'n warme genegenheid uit, zo'n weemoed …
Het doet me goed te horen dat mijn vadergedichten je raken, ze zijn de neerslag van mijn liefde voor hem. Eigenlijk zijn er geen woorden die kunnen omschrijven wat een mens vermag te voelen of aan te voelen. Paul de Wispelaere heeft zijn vader ooit omschreven als iemand die hem de natuur en de vogels heeft leren kennen, zo deed ook mijn vader. Ik ken mensen die mij doen denken aan hem; dezelfde glimlach, dezelfde warmhartigheid, dezelfde intelligentie, dezelfde uitstraling, dezelfde eerlijkheid. Hen ontmoeten maakt mij blij maar soms ook niet omdat er dan een steek door mijn hart gaat die me dagen onrustig en verdrietig maakt. Ik voel dan weer hoe diep mijn vaders leed in mij geworteld zit, en tegelijkertijd dat van zijn eigen moeder, en wie weet bij welke voorouder nog; nooit zal ik weten wanneer of bij wie het wortel schoot. Toch troost ik mij bij de gedachte dat ik de laatste van de getekenden ben (om maar niet het woord gedoemden te gebruiken); dat na mij het leed geleden zal zijn; dat alles volbracht en het lot bezworen, aangezien ik geen kinderen heb.
Ode aan een mijnwerker
Hoelang is het geleden
dat je het vlakke land verliet
een handvol aarde in je hand
waarin je eigen vader
zijn noden had gezaaid
akkers vol zand
pijnbomen alom
en jij met negentien
op weg naar een bestaan
de lange reis
van licht naar duister
donkere schachten
geen straaltje zon
hoelang is het geleden
dat je me schreiend hebt verwekt
tussen het afscheid en het wennen
tussen het komen en het gaan
hoelang is het nu vader
dat ik een handvol aarde nam
en je heb toegedekt
Naast de vader is er ook de moeder, waarbij de ambivalentie manifest aanwezig is. Eerst was er het kleine kind, later het oudere kind, dat naar liefde hunkerde, maar vond dat het er niet genoeg kreeg en zich onbegrepen voelde. Ik heb de indruk dat je je steeds als het ware een "vreemde eend in de bijt" hebt gevoeld temidden dat grote gezin. Hoe heeft de relatie met je ouders, met je "thuis", jouw poëzie getekend?
Van mijn moeder heb ik veel gehouden; heb veel begrip opgebracht voor wie en wat ze is geweest. Nochtans werd ik als kind al heel vroeg door haar verstoten en toch had ik haar daarom niet minder lief, integendeel. Ik denk dat ik mezelf een beetje moet vergelijken met een hond: hoe meer slaag en hoe minder te eten krijgen hoe aanhankelijker. Op latere leeftijd zijn we elkaar nader gekomen, dat ging een jaar of twintig goed tot ze het gedaan kreeg mijn zieke vader te verbannen uit zijn eigen huis na een halve eeuw huwelijksleven. Ze wees me toen de deur omdat ik hem opving en bij mij liet inwonen; hij was toen al dicht zijn levenseinde genaderd. Zijn zielspijn, die hij goed verborg, werd telkens weer aangewakkerd door dit soort tragische gebeurtenissen. Het kan dan ook niet anders als dat mijn poëzie daar de merktekens van draagt, tenslotte is mijn dichtwerk mijn gecondenseerde biografie.
Bij het lezen van vele van jouw gedichten en bundels komen mij vaak beelden voor de geest van verweerde vlakten, moerassen zelfs, waar het water eeuwig borrelt en gorgelt, tussen de rotsen, tussen het lis. Met hier en daar een knoestige boom, groot in zijn verlaten eenzaamheid, zijn kleinheid.
Je noemt precies die dingen waarin ik opga. Dit komt omdat ik mij als dichteres lichaamloos voel, etherisch. In jouw inleiding zei je dat ik je aan lava doe denken; ja, mijn dichterswezen kan daarmee vergeleken worden. In de Franstalige dichtbundel 'Virelais' (uit de titel kan men benevens de naam van een dans, mijn moeders naam en de mijne halen), staat "un atome de femme / qui incite le volcan…/"… waarin ik het besef heb niets te zijn dan 'lapilli'; lavastofdeeltjes. Jij kon dat niet weten, Patrick, want je bezit of las de bundel niet, en toch vergelijk je mij met hetgeen ik vroeger zelf al omschreven heb. Je moet mijn poëzie dus wel heel goed ontgonnen hebben, en je meer dan één keer verdiept hebben in mijn gedichten.
Je zegt zelf Iris, in het voorwoord van Adíos Adingahem: "ik vergelijk mezelf graag met een BOOM". En in een vroeger gesprek: "weten dat ik later zal rusten onder een of andere boom stemt me rustig, want met bomen heb ik iets. Die zijn sowieso heilig". En in een van je recente bundels: 'maar het zijn de bomen / de ontzaglijke bomen / die in hun winterse naaktheid / uiteindelijk alles verklaren'. In 'Naveltekens' schrijf je: "in het diepst van mijn gemoed ben ik een boom". En in "Omhels deze boom" "Wat mij ontroert / zijn de wortels/ hopen / verstrengelde knopen /...". Dat vraagt om een woordje uitleg.
Een boom moet je aanvoelen om ermee één te kunnen worden. Je moet hem omarmen, met hem spreken, hem troosten, hem blij maken, je lippen op zijn schors drukken. Hem laten voelen dat je er bent voor hem. Een boom is een uitzonderlijk, wonderbaar, inspirerend wezen. Hij biedt beschutting en behuizing, vaak geeft hij vruchten, zelfs zijn wortels zullen spreken als je maar lang genoeg luistert. En luisteren naar de bomen heb ik gedaan, mijn hele leven al. Wie van goede muziek houdt zal weten dat er zonder de bomen geen instrumenten zouden bestaan die de uitvoering ervan mogelijk moeten maken. Luister maar hoe jouw dochtertje Sarah ons verwent.Een boom is voor mij even zo heilig als een moederkoe: ze geven allebei alles wat ze hebben en zijn. Er zijn zoveel dingen waarom ik mij graag vereenzelvig met een boom. Mijn diepste genegenheid gaat uit naar bomen, groot of klein, mooi of lelijk, dik of dun. De jonge auteur Kirstin Van Lierde scheef me onlangs: "Bomen ... ik heb heel lang het gevoel gehad dat zij de enigen waren die mij niet veroordeelden om dingen die ik was of niet was." In die ene zin zit alles samengevat wat ik bedoel.
Het wegsterven
En dat ik dit mag zijn
een levend teken van de boom
die naar zijn sterven neigt
dat ik zijn deelgenote ben
dat ik in hem mag voortbestaan
terwijl zijn hart voor altijd zwijgt
in rakelings gescheerde takken
dat ik zijn ziel mag zijn
terwijl hijzelf wordt weggeveegd
mee met de tranen van de wind
mee met het lied van duizend vogels
dat ik zijn herfst ben en zijn zomer
dat ik zijn winter verder leef
terwijl hij door de lagen tast
van opgestapeld merg en been
dat ik de aarde ben
die hem voortdurend zal omarmen
dat ik met humushanden
zijn laatste blad vergaren zal
om mij aan vast te klampen
nadat hij is vergaan
Dank, Patrick, dat je dit gedicht voorlas. Zo zie je dat ik de boom de eer geef die hem toekomt; hem niet altijd verhef tot symbool van mijn eigen wezen.
Een andere dichter, Denijs Van Killegem, zei het je eerder al: iets van rusteloosheid en eeuwig zoeken zitten in je werk...
Ja, die rusteloosheid en die hunker naar liefde; dat ondefinieerbaar verlangen … Ik vraag me af of anderen daar ook zo mee geplaagd zitten. Toen ik nog een klein kind was zat ik mij al af te vragen hetgeen de einder zou kunnen verbergen. Grote dingen, dacht ik. Iemand die je tegemoet komt uit de verste verte en heel veel om je geeft.
Ook de hunker naar liefde vind ik er in terug. Je zei zelf ooit: "ik heb vaak en veel liefgehad, bijna iedereen en alles".
Die grote hunker van toen is gebleven. De "grote liefde" is er echter nooit gekomen, of misschien toch, maar dan versnipperd in duizenden snippers die ik nog altijd aan het vergaren ben. Goed dat ik naast mens en dier even zoveel van zelfs een stuk boomschors kan houden. Ik heb er trouwens twee in mijn jaszakje zitten. Ik ben altijd bevreesd ze te zullen verliezen. Ik brak ze af van een boomstam die gehalveerd was. Daar stond die ooit reuzengrote boom helemaal alleen, zijn hoofd en de helft van zijn stam weggezaagd. Ik heb mijn armen om zijn romp gelegd zo ver en zo wijd ik kon, hij was niet veel hoger meer dan ik, en heb hem getroost. Weeral iets dat me zal blijven kwellen wanneer ik zoals nu aan hem denk.
Het ouder worden, het afscheid nemen van geliefden, van vrienden. Als je lang genoeg leeft, besef je wellicht plots dat er meer vrienden dood zijn dan levend. Het verdwijnen van de geuren en de landschappen van toen, de bossen die gerooid worden, niets dat nog is wat het vroeger ooit was. Spijt hierom. … Ik vind sporen van dat alles terug in je werk. Mag ik het gedicht "Curriculum vitae" lezen als illustratie:
Toen ik werd geboren
was het hoog seizoen voorbij
maar op de zolder lag het graan
in korrels bij elkaar
zo weet ik dat het ooit bestond
het koren
wat van papavers overbleef
werd gloed bij avond
vroeg ging ik houden van rood
nog eer ik wist
dat deze kleur zou kleven
aan mij zoals ze kleeft
aan vuur en dood
want allen zijn gegaan
die in mijn wijde armen woonden
het kind de vader en de hond
gekapt het bos de bomen
mij is gebleven
het fluisteren van gras
op mijn nu koele huid
het droppelen van water
het water -ach- het water
waarvoor ik zoveel verzen schreef
dat zich met levend wier omgaf
terwijl het zong zijn raadsels
vanuit de diepte der bron
Het eerste vers van dit gedicht bevat een dubbele laag. Met 'het hoog seizoen' bedoel ik de tijd toen mijn ouders zich leerden kennen en verliefd werden op elkaar. Later lagen wij, de negen kinderen, 'als korrels bij elkaar' op de zolder van het huisje waarin we woonden midden in de bossen. Zo weet ik dat ze ooit bestond de liefde (hier koren genoemd) tussen mijn ouders omdat ze o.m. samen zoveel kinderen hebben verwekt. Ja, Patrick, ik mis oneindig veel dat door niets of niemand vervangen kan worden; / want allen zijn gegaan die in mijn wijde armen woonden / het kind de vader en de hond / gekapt het bos de bomen /…
Als een mens het geluk heeft te blijven leven, wordt hij ouder. Heeft het ouder worden invloed op je schrijven, je poëzie? Blijf je naar de pen grijpen, ook na zovele bundels?
Jawel, het ouder worden heeft invloed op mijn dichten en schrijven, dat merk je aan De Poëzietuin; ik vertoef er niet zo vaak meer als vroeger. Ik heb nog wel inspiratie en ideeën doch er is een soort van "uitstellen" op gang gekomen. Dingen die me ontroeren waaraan ik vroeger een gedicht, of een of ander poëtisch opstel wijdde, laat ik langzaam uitdoven zonder er veel aandacht aan te schenken. Ik neem alles nog wel in me op, heb nog altijd evenveel oog en hart voor alles wat me omringt, doch de vulkaan barst niet meer uit, het onderbrengen in verzen of geschriften ervaar ik steeds minder als zachte dwang; de energiereserves raken stilaan opgebruikt.
Zijn er nog vragen, ben je nog zoekende?
Zolang de hunker er is naar iets ondefinieerbaars, beter gezegd: naar het onbereikbare, blijft het hart rusteloos. Het mijne staat in ieder geval nog altijd wijd open voor nieuwe belevenissen en "uit te dagen bezweringen". Toch ben ik niet meer zo intens zoekende omdat ik meen veel dingen te hebben begrepen, vooral wat betreft leven en dood. Wie beseft dat we minder zijn dan een stofdeeltje in het heelal, en daar vrede mee kan nemen, mag met gerust gemoed zijn resterende maanden of jaren genieten. Wanneer je hebt geleefd naar best vermogen volgens je hart en je geweten, hoeft het ouder worden geen kommer en kwel te betekenen, integendeel, elke leeftijd heeft zijn zon- en schaduwzijde.
In een recentere bundel, toen je een levensbedreigende ziekte had overwonnen, schrijf je: "op één vraag na / alles beantwoord: wat is sterven?"
Zoals je weet heb ik de laatste zes jaar veel gesukkeld met mijn gezondheid. Het was toen, nadat ik door het oog van een naald ben gekropen, dat ik ten volle heb beseft hoe kortstondig en vergankelijk alles is. Ik denk dat ik intussen wel weet wat sterven betekent. Dat de dood de uiteindelijke verlossing brengt, daaraan twijfel ik niet. Dat te beseffen brengt rust en tegelijk ook zoiets als droefheid met zich mee omdat ik aanvoel dat ik nooit ten volle begrepen zal zijn geworden als dichteres. De meeste mensen zijn te nuchter om dieper op het soort dingen in te gaan die ik voor mezelf als vanzelfsprekend beschouw. Wanneer ik schrijf 'een zilveren lepel vuur ben ik' overstijgt de kosmische dimensie daarvan hun bevattingsvermogen.
Onze tijd is te beperkt om hier alle gedichten voor te dragen die ik uitkoos. Toch misschien nog even dit, Iris, omdat het mij bijzonder aanspreekt
Liefste
Als ik er niet meer ben
deel me dan uit als brood
onder de levenden
en weet
tussen de klaproos
en de korenbloem
stond ik te wuiven
als graan
gedenk mij
wanneer de halmen rijpen
of als de leeuwerik
ten hoogsten hemel stijgt
aanhoor de elegie
van pijnboom en plataan
denk hoe ik was genegen
het zachte oeverlis
onthoud de vuurdoorn
de zonnebloem
de goudenregen
en… liefste…
vergeet het wonder
van groeiend mos
tussen de stenen niet
Dit gedicht horen voordragen door jou, Patrick, geeft het nog meer betekenis, temeer omdat tussen het schrijven ervan en de dag van vandaag al jaren vergaan zijn. Het is een soort testament voor degenen die na mij zullen komen want ik zou elkeen 'liefste' willen noemen die me genegen is. Ik schreef het niet voor een specifiek iemand. Mag ik misschien nog een gedicht naar voren halen dat ik schreef voor mijn dokter; voor de chirurg die mij zes jaar geleden het leven heeft gered. Ik blijf hem in het hart dragen; hij heeft mij nadien door een moeilijke herstellingsperiode heen geholpen langs de vruchtbare gesprekken om die we hebben gehad, soms nog hebben.
De essentie der dingen
Mijn dokter en ik
en de bomen
van de Groeselenberg
we geven iets door aan elkaar
we ademen iets uit
waar de wereld beter van wordt
we praten met elkaar
de dokter en ik
we stellen ons vragen
maar het zijn de bomen
de ontzaglijke bomen
die in hun winterse naaktheid
uiteindelijk alles verklaren
In "Dagboek van een Kankerzieke" schreef ik dezelfde woorden waarmee ik graag op jouw laatste vraag zou willen ingaan, Patrick, je tegelijk dankend. "Ergens in de Chaco Boreal, of in het uitgestrekt Amazonegebied, zal een regenwolk zichtbaar worden die haar druppels zo zal doen zingen: 'Iris was een sacrale dichteres. Een zienster. Ze heeft niet vergeefs haar kosmische krachten positief aangewend en doorgegeven".
Het is deze Iris Van de Casteele die vandaag geprobeerd heeft een afdoend antwoord te geven op jouw zorgvuldig overwogen vragen.
Patrick Vermeer, november 2005.
IRIS VAN DE CASTEELE
(2005)
Inleiding
Toen mij enkele weken geleden werd gevraagd om een gesprek te hebben met de dichteres Iris Van de Casteele, t.g.v. de poëtische namiddag "Lettergeknetter", te Adegem, heb ik vrijwel zonder aarzelen ingestemd. Omdat ik er naar uitkeek om na bijna drie jaar, want zolang is het geleden dat we mekaar zagen, weer eens van gedachten te wisselen met deze Adegemse dichteres.
We kennen mekaar twintig jaar. Het was in de lente van 1985 toen Mevrouw Van de Casteele aan de jonge radioman Patrick Vermeer voorstelde enige aandacht te willen besteden aan haar eerste bundel Witte Silhouetten op de lokale radio van Maldegem. Na dat eerste gesprek, waarbij haar man, gitaar- en harpvirtuoos Cacho Aguirre, haar muzikaal begeleidde, volgden er nog enkele in de loop der volgende jaren. Tweemaal was zij te gast ter gelegenheid van een poëzieavond in Maldegem, die ik zelf mee gestalte mocht geven.
Meerdere malen waren we in de daaropvolgende jaren bij haar te gast te Asse bij Brussel, naar aanleiding van een jaarlijks zomerfeest dat gehouden werd ter gelegenheid van de verjaardag van Cacho. We herinneren ons de ontzaglijke gastvrijheid, de Latijns-Amerikaanse muziek, live gebracht door Cacho en z'n vrienden, de heerlijke barbecuespijzen, bereid met liefde en zuiderse zon.
Vooral ons eerste bezoek aan Iris en Cacho in de zomer van 1985, kort na dat eerste radio-interview, zal ons altijd bijblijven: het was op weg naar de Ardennen voor een korte kampeervakantie, dat Ann en ik besloten, als korte tussenstop, Iris even een bezoekje te brengen. Even … Vierentwintig uur later werden we uitgewuifd, vol van spijs, drank en poëzie, en konden we onze reis naar de Ardennen verder zetten!
In de loop der jaren hebben we Iris leren kennen, als een optimistische, welbespraakte vrouw, met evenwel een melancholische ondertoon, die ze via haar poëzie en haar literaire bijdragen in o.m. "De Poëzietuin" in het weekblad Vrij Maldegem tot uiting brengt.
Denkend aan Iris en lezend in haar talrijke bundels kwam mij vorige week plots het woord "lava" voor de geest. Ik ging de precieze omschrijving opzoeken in het woordenboek. "Naam van alle stoffen die in gesmolten toestand bij een vulkanische uitbarsting worden uitgeworpen en vervolgens tot gesteenten van verschillende samenstelling stollen".
Dat zijn Iris en haar literatuur, dacht ik. De hevige emoties, met zowel de diepe weemoed en het heimwee, e hunker naar liefde en zon als het felle uithalen naar alles wat haar dwaas en onrechtvaardig overkomt, zijn als lava uit het binnenste, het allerdiepste zelf van de vulkaan Iris, lava dat stolt tot verzen, tot poëzie… En Iris verwoordt het zelf in een van haar gedichten: "een zilveren lepel vuur ben ik".
Het is met deze Iris Van de Casteele dat we vandaag praten. En we hebben ook voor enkele korte muzikale intermezzi gezorgd. Dochter Sarah speelt voor ons enkele harpcomposities. Misschien is haar interesse voor dit instrument wel ontstaan drie jaar geleden toen zij de harp en de muziek van Cacho als zevenjarige leerde kennen.
Het gesprek
Iris, we zijn vandaag te gast in Adegem, jouw geboortedorp, het dorp van je jeugd, niet weg te denken uit je poëtisch oeuvre. Vele van jouw gedichten lijken immers gerijpt in de velden, tussen de dennenbossen van toen, in de kleigronden van de Campelstreek. En ook de mensen van weleer breng je weer tot leven in je poëzie.
Hoe belangrijk is het dorp van weleer?
In het Adegem van nu herken ik het dorp van weleer niet meer, Patrick. Alles is veranderd: de dorpskern, de wegen, de huizen, zelfs de mensen. Veel beukenhagen zijn verdwenen en er meanderen ook geen beekjes meer langs de veldwegels waaruit kikkers opsprongen toen ik langs de binnenwegen naar school liep. Beken, sloten en grachten werden gedempt, de bossen van de Zandakkers werden gekapt, werkmanshuisjes en boerenhuizen werden afgebroken en vervangen door huizen die heel veel over hun bewoners vertellen. Nochtans zal Adegem voor mij belangrijk blijven al was het maar omdat ik er de beenderen begraven weet van vele dierbaren.
Hoe belangrijk zijn de mensen van toen, de voorvaderen voor jouw poëzie?
Hoe kan het anders dan dat de mensen van toen -de voorvaderen van de mensen van nu- voor mij heel belangrijk zijn gebleven. Zij zijn het die me hebben gevormd en gekneed tot wat ik geworden ben. Alles is mij bijgebleven en staat in mijn geheugen gegrift, niet alleen het uiterlijke van mensen en dingen maar ook de geuren, zelfs de geluiden uit de smidse die ik poëtisch weergegeven heb.
Reliek
eind januari
langs de dijk gegaan
om te zien
of de berk er nog stond
dit jaar was het anders
geen scherpe oostenwind blies
geen schelp lag verweesd
in het poldergebied
er zweefde een luchtballon
over Zuidzande
hier stond ik
met zoveel stad in mijn hart
met in mijn handen genageld
het fossiele
van haaientanden
Je woont al jaren in de grootstad, de Basiliek van Koekelberg op wandelafstand. Toch lijkt de hunker naar het land en het landleven met de jaren zelfs eerder toe te nemen. Wat vind je hier, dat je ginds niet vindt? "Hier stond ik, met zoveel stad in mijn hart" …
De versregel die je aanhaalt uit één van mijn gedichten kan misleiden want wat groen en bomen betreft valt Brussel te vergelijken met Asunción del Paraguay waar ik gewoond heb. Wanneer je Brussel binnenrijdt heb je al meteen het Laarbeekbos, vlak daarna de Zavelenberg, dit is weidegrond, hectaren groot, waarop koeien grazen op een paar honderd meter vóór de voet van de Basiliek van Koekelberg die haar eigen park heeft. Dan zijn er het Scheutbos, het Poelbos, de Kattebroek, de vele stadsparken en parkjes, het park van Laken, het Egmontpark met zijn zwarte notelaar, een deel van het uitgestrekte, prachtige Zoniënwoud, het Terkamerenbos, en het Schaarbeekse Josephatpark, een plek waar ik als jong meisje uren vertoefde. De Groeselenberg, die ik laat heb leren kennen, mag ik ook niet vergeten.
In tegenstelling tot wat je zou kunnen denken gaat mijn hunker niet uit naar het land of het landleven maar eerder naar een plek waar ik graag zou begraven worden, ergens helemaal alleen, zonder zerk of inschrijving, maar wel onder een boom. Brussel is voor veel Vlamingen een ongeliefde stad omdat ze nooit tot haar volle recht komt, noch op Ansichtkaarten, noch op TV. Voor velen die er hun beroep uitoefenen is ze slechts afstelplaats voor hun wagen, of af- en opstapplaats voor trein of bus. Verder wordt ze tot vervelens toe overspoeld door politieke berichtgevingen e.d. Wie Brussel kent zoals ik haar ken heeft het hart ervan vol. Je hoeft geen dagen ver te reizen om er alle talen door elkaar te horen spreken of om er zuiderse of exotische vruchten te vinden. En er zijn de vele musea en bibliotheken.
Dat ik nooit een dichtbundel aan Brussel heb gewijd mag daaraan liggen dat ik alles wat ik voel nu nog niet kan verwoorden. Doch ik geef de moed niet op, ik zal een keertje mijn humushanden moeten aanspreken. In Ganshoren, waar Cacho en ik wonen, zijn er wat genoemd wordt "De Rivieren". Ze vormen een moerasachtig gebied bestaande uit rietvelden, vochtige weiden en een beek die gevoed wordt door méér dan één bron, en dat alles, omlijst door boomgaarden, moestuinen en bosjes. Het prachtig heuvellandschap is een inspiratiebron voor heel wat kunstenaars doorheen de vier jaargetijden. Ganshoren is door natuurliefhebbers geliefd om haar flora en fauna, o.m. haar 80 verschillende vogelsoorten.
Bij onze woning hoort een tuin van 8 x 22 meter en dat in volle stad. Alle ons omringende huizen bezitten dezelfde natuurlijke tuin waarin hoge bomen en zingende en kwetterende vogels. Wie zou zich niet gelukkig prijzen daar te mogen wonen? Alle moderne faciliteiten op een boogscheut en toch middenin de natuur. Vergeef me, Patrick, indien ik misschien een beetje teveel mijn liefde voor Brussel laat blijken, maar deze grootstad heeft me alles gebracht wat ik nodig had en in mijn geboortedorp nooit had kunnen vinden. Het waren toen andere tijden, vooral voor het jonge meisje dat ik was. In een kroostrijk gezin waren het bijna altijd de jongens die verder mochten studeren, vooral de jongste. In Brussel kon ik studeren, mezelf ontplooien, de nodige vrijheid van geest en lichaam genieten, kortom de mens worden die ik geworden ben.
Je hebt veel gereisd, je spreekt verschillende talen, woonde zelfs een aantal jaren met je man Cacho in Zuid-Amerika. Heeft deze brede kijk op de wereld, de confrontatie met andere culturen, zeden en gewoonten een invloed gehad op je dichterschap? Ik twijfel er niet aan.
Door in aanraking te komen met andere volkeren en culturen heeft er misschien een verandering in mijn gewoonten plaats gevonden waarvan ik me niet bewust ben. Zo drink al jaren thee in de plaats van koffie, om maar iets te zeggen. Mijn ruim denken zal ook wel daarmee te maken hebben ofschoon ik meen dat je ook innerlijk kunt reizen om heel wat levenservaring op te doen; goede boeken en goede leraars zijn daartoe een grote hulp. Onlangs was ik op bezoek bij Amanda Lievens, een oud-lerares van Adegem, die al jaren in Kontich woont. Ze zei ooit 'Iris, jij hebt toch wel alle boeken van de hele bibliotheek van Adegem uitgelezen". Dat bewijst dat ik als kind en jong meisje al een leesrat was. Natuurlijk zal alles wat van elders komt wel zijn stempel op mijn dichterschap gedrukt hebben, vooral omdat ik me zo goed kan inleven in vreemde talen en hun zo helemaal anders klinkende klanken en intonaties; iets van de ziel van andere volkeren zet zich dan af in je eigen ziel, ik denk vooral aan de Russische, en aan die van de Guaraní en de Charrúa, die leerde ik het best kennen.
Je bent dus al van toen je klein was bezig met taal, met poëzie. Hoe is het begonnen?
Begonnen is het toen ik nog geen negen was, zittend op de rand van een beekje, dat Eede heet, indien ik me niet vergis. Het zuiver kabbelend beekje is intussen een nauwe, onfrisse sloot geworden, maar ik heb er wel mijn eerste inspiratie als dichteres aan te danken. Ik rijd er soms nog voorbij denkend aan de tijd van meer dan zestig jaar geleden; je weet, Patrick, dat mijn grootouders van moeders zijde aldaar, op de Campelberg, een hofstede uitbaatten. Verder kan ik kan mij de klanken en het ritme herinneren die uit de gedichten sprongen die we op school moesten voordragen, of die voorgedragen werden door de lerares. Ik zat altijd heel aandachtig te luisteren of probeerde zelf het beste uit klanken en ritme te halen. Wat deze dingen betekenen hoef ik je niet uit te leggen, Patrick, jij met je warme stem als geschapen om zonder aarzelen voor te dragen. Ik ken niemand die mijn gedichten ooit zo ontroerend voordroeg en voordraagt als jij dat kunt en doet. Dat kan niet alleen aan de vriendschap liggen die we voor elkander voelen.
Zijn er mensen die je tot het schrijven hebben aangezet? Zijn er andere dichters of schrijvers die invloed hebben gehad op jouw werk?
Iemand die een Kinderhoekje verzorgde in een Gentse krant moedigde mij aan als twaalfjarig dichteresje, bij hem kon ik terecht. Ik zou wel eens "een groote Vlaamsche dichteres" kunnen worden, schreef hij.Toen ik bijna veertien was schreef hij mij twee persoonlijke brieven omdat hij voelde dat ik de kinderschoenen ontgroeid was en het tijd was om zijn Kinderhoekje te verlaten. Op volwassen leeftijd werd ik eerder belemmerd dan aangemoedigd om te publiceren. Als dichteres heb ik veel te danken aan dhr Albert Van Hoestenberghe die mij al jaren het volste vertrouwen schenkt; mij een volledige pagina van zijn weekblad Vrij Maldegem kosteloos ter beschikking stellend, waar ik de poëtische vruchten van anderen en mijzelf kan onderbrengen in "De Poëzietuin". Dit is een uiterst geschikt forum voor de poëzie en haar liefhebbers.
Kun je ons vertellen, Iris, wanneer en hoe een gedicht ontstaat? Gaat er een incubatieperiode aan vooraf, gevolgd door een rijpingsproces? Of dringt een gedicht zich zomaar plots aan je op? Wordt er veel gecorrigeerd?
Een van mijn oudere gedichten "Oertaal", nog nooit gepubliceerd, begint aldus: "Een gedicht ontstaat / vanuit zijn oorspronkelijk zijn / het hangt in je hoofd te bengelen / soms te spartelen / tot je er aandacht aan schenkt /…/"... Mijn gedichten moeten groeien en rijpen eer ze het licht kunnen zien, daarom valt er achteraf weinig aan te corrigeren. Wat het zich opdringen betreft: dat doet het, vooral de eerste regel, ik zou niet graag de keren bijeentellen die ik 's nachts ben opgestaan om de eerste regel op te schrijven, vaak ook het hele gedicht, (zo ziet het dan letterlijk en figuurlijk het licht). "Oertaal" eindigt met deze regels: "/ het is niet wat het is / er staat niet wat er staat / het is bijna niets / het is onmaakbaar / het is onvatbaar // dat alleen al zou moeten volstaan / om het als lucht in te ademen /" .
En nog een stap verder: hoe komt een gedichtenbundel, een hele cyclus met een welbepaalde thematiek tot stand? Schrijf je naar een thema toe of blijken een aantal gedichten achteraf samen te horen?
Ik ben voortdurend met poëzie bezig zonder dat ik mij daar bewust van ben. De poëzie maakt deel uit van mijn ziel; ze is aangeboren. Het gedicht "Dichten", waarvan hierna een paar regels, die je net voorlas, getuigt daarvan:
Ik heb vertaald tot bloedens toe,
tot in het gloeien van mijn ingewanden,
tot in het merg, tot op het been,
hetgeen onzegbaar is. //
// Een zilveren lepel
vuur ben ik, zo meegenomen //
In deze tijd, waarin de meest gruwelijke dingen gebeuren, vinden het hoofd en het hart geen rust. Het is vooral het leed dat anderen aangedaan wordt dat mijn eigen leed wordt. Ik heb al veel mensen en dieren zien lijden waarbij ik machteloos moest toekijken. Ik heb eens een periode gekend waarin ik een soort innerlijke rust gevonden had, geen inspiratie had, tot ik iemand zei: "ik zou een keer goed moeten kunnen afzien om opnieuw te kunnen dichten". Dat 'afzien' heeft zich eerder voorgedaan dan ik had kunnen voorzien.
Er is ons vanmiddag onvoldoende tijd gegund om een complete analyse te maken van je werk, Iris. Ik ben bovendien geen letterkundige. Maar misschien kunnen we toch wel even "grasduinen" (!) in je werk, waarbij ik me dan vooral laat leiden door wat me bijzonder heeft getroffen, heeft aangegrepen, een aantal "rode draden", herhaaldelijk terugkerende thema's in telkens weer andere vormen weliswaar …
Ik begrijp wat je bedoelt met "rode draden". De dingen die jou aangrijpen laten de lezers en luisteraars ook niet onverschillig, ik heb daar voldoende bewijzen van. Bijna heel mijn poëtisch oeuvre lijkt te zijn ontstaan uit een vulkaan die zijn gloeiende lava uitspuwt. Die lava zou kunnen vergeleken worden met brandende pijn; pijn en nog eens pijn, afgezien van het vuur door hetwelk men sowieso wordt verteerd. Ik heb een biografisch boek geschreven getiteld "De slagen zijn geteld". Het is nutteloos hier uit te weiden over de vreselijke gebeurtenissen die in mijn leven plaatsvonden, vooral in mijn jeugdjaren. Eén ding moet je echter weten: wanneer de lavastroom uitgedoofd is, en zich voorgoed aan de aarde heeft gehecht, maakt hij de grond uiterst vruchtbaar. De vulkaan is dan weer een tijdje rust gegund.
Ik vind, Iris, dat de gedichten over je vader tot de beste behoren in je hele oeuvre. Er spreekt zo'n warme genegenheid uit, zo'n weemoed …
Het doet me goed te horen dat mijn vadergedichten je raken, ze zijn de neerslag van mijn liefde voor hem. Eigenlijk zijn er geen woorden die kunnen omschrijven wat een mens vermag te voelen of aan te voelen. Paul de Wispelaere heeft zijn vader ooit omschreven als iemand die hem de natuur en de vogels heeft leren kennen, zo deed ook mijn vader. Ik ken mensen die mij doen denken aan hem; dezelfde glimlach, dezelfde warmhartigheid, dezelfde intelligentie, dezelfde uitstraling, dezelfde eerlijkheid. Hen ontmoeten maakt mij blij maar soms ook niet omdat er dan een steek door mijn hart gaat die me dagen onrustig en verdrietig maakt. Ik voel dan weer hoe diep mijn vaders leed in mij geworteld zit, en tegelijkertijd dat van zijn eigen moeder, en wie weet bij welke voorouder nog; nooit zal ik weten wanneer of bij wie het wortel schoot. Toch troost ik mij bij de gedachte dat ik de laatste van de getekenden ben (om maar niet het woord gedoemden te gebruiken); dat na mij het leed geleden zal zijn; dat alles volbracht en het lot bezworen, aangezien ik geen kinderen heb.
Ode aan een mijnwerker
Hoelang is het geleden
dat je het vlakke land verliet
een handvol aarde in je hand
waarin je eigen vader
zijn noden had gezaaid
akkers vol zand
pijnbomen alom
en jij met negentien
op weg naar een bestaan
de lange reis
van licht naar duister
donkere schachten
geen straaltje zon
hoelang is het geleden
dat je me schreiend hebt verwekt
tussen het afscheid en het wennen
tussen het komen en het gaan
hoelang is het nu vader
dat ik een handvol aarde nam
en je heb toegedekt
Naast de vader is er ook de moeder, waarbij de ambivalentie manifest aanwezig is. Eerst was er het kleine kind, later het oudere kind, dat naar liefde hunkerde, maar vond dat het er niet genoeg kreeg en zich onbegrepen voelde. Ik heb de indruk dat je je steeds als het ware een "vreemde eend in de bijt" hebt gevoeld temidden dat grote gezin. Hoe heeft de relatie met je ouders, met je "thuis", jouw poëzie getekend?
Van mijn moeder heb ik veel gehouden; heb veel begrip opgebracht voor wie en wat ze is geweest. Nochtans werd ik als kind al heel vroeg door haar verstoten en toch had ik haar daarom niet minder lief, integendeel. Ik denk dat ik mezelf een beetje moet vergelijken met een hond: hoe meer slaag en hoe minder te eten krijgen hoe aanhankelijker. Op latere leeftijd zijn we elkaar nader gekomen, dat ging een jaar of twintig goed tot ze het gedaan kreeg mijn zieke vader te verbannen uit zijn eigen huis na een halve eeuw huwelijksleven. Ze wees me toen de deur omdat ik hem opving en bij mij liet inwonen; hij was toen al dicht zijn levenseinde genaderd. Zijn zielspijn, die hij goed verborg, werd telkens weer aangewakkerd door dit soort tragische gebeurtenissen. Het kan dan ook niet anders als dat mijn poëzie daar de merktekens van draagt, tenslotte is mijn dichtwerk mijn gecondenseerde biografie.
Bij het lezen van vele van jouw gedichten en bundels komen mij vaak beelden voor de geest van verweerde vlakten, moerassen zelfs, waar het water eeuwig borrelt en gorgelt, tussen de rotsen, tussen het lis. Met hier en daar een knoestige boom, groot in zijn verlaten eenzaamheid, zijn kleinheid.
Je noemt precies die dingen waarin ik opga. Dit komt omdat ik mij als dichteres lichaamloos voel, etherisch. In jouw inleiding zei je dat ik je aan lava doe denken; ja, mijn dichterswezen kan daarmee vergeleken worden. In de Franstalige dichtbundel 'Virelais' (uit de titel kan men benevens de naam van een dans, mijn moeders naam en de mijne halen), staat "un atome de femme / qui incite le volcan…/"… waarin ik het besef heb niets te zijn dan 'lapilli'; lavastofdeeltjes. Jij kon dat niet weten, Patrick, want je bezit of las de bundel niet, en toch vergelijk je mij met hetgeen ik vroeger zelf al omschreven heb. Je moet mijn poëzie dus wel heel goed ontgonnen hebben, en je meer dan één keer verdiept hebben in mijn gedichten.
Je zegt zelf Iris, in het voorwoord van Adíos Adingahem: "ik vergelijk mezelf graag met een BOOM". En in een vroeger gesprek: "weten dat ik later zal rusten onder een of andere boom stemt me rustig, want met bomen heb ik iets. Die zijn sowieso heilig". En in een van je recente bundels: 'maar het zijn de bomen / de ontzaglijke bomen / die in hun winterse naaktheid / uiteindelijk alles verklaren'. In 'Naveltekens' schrijf je: "in het diepst van mijn gemoed ben ik een boom". En in "Omhels deze boom" "Wat mij ontroert / zijn de wortels/ hopen / verstrengelde knopen /...". Dat vraagt om een woordje uitleg.
Een boom moet je aanvoelen om ermee één te kunnen worden. Je moet hem omarmen, met hem spreken, hem troosten, hem blij maken, je lippen op zijn schors drukken. Hem laten voelen dat je er bent voor hem. Een boom is een uitzonderlijk, wonderbaar, inspirerend wezen. Hij biedt beschutting en behuizing, vaak geeft hij vruchten, zelfs zijn wortels zullen spreken als je maar lang genoeg luistert. En luisteren naar de bomen heb ik gedaan, mijn hele leven al. Wie van goede muziek houdt zal weten dat er zonder de bomen geen instrumenten zouden bestaan die de uitvoering ervan mogelijk moeten maken. Luister maar hoe jouw dochtertje Sarah ons verwent.Een boom is voor mij even zo heilig als een moederkoe: ze geven allebei alles wat ze hebben en zijn. Er zijn zoveel dingen waarom ik mij graag vereenzelvig met een boom. Mijn diepste genegenheid gaat uit naar bomen, groot of klein, mooi of lelijk, dik of dun. De jonge auteur Kirstin Van Lierde scheef me onlangs: "Bomen ... ik heb heel lang het gevoel gehad dat zij de enigen waren die mij niet veroordeelden om dingen die ik was of niet was." In die ene zin zit alles samengevat wat ik bedoel.
Het wegsterven
En dat ik dit mag zijn
een levend teken van de boom
die naar zijn sterven neigt
dat ik zijn deelgenote ben
dat ik in hem mag voortbestaan
terwijl zijn hart voor altijd zwijgt
in rakelings gescheerde takken
dat ik zijn ziel mag zijn
terwijl hijzelf wordt weggeveegd
mee met de tranen van de wind
mee met het lied van duizend vogels
dat ik zijn herfst ben en zijn zomer
dat ik zijn winter verder leef
terwijl hij door de lagen tast
van opgestapeld merg en been
dat ik de aarde ben
die hem voortdurend zal omarmen
dat ik met humushanden
zijn laatste blad vergaren zal
om mij aan vast te klampen
nadat hij is vergaan
Dank, Patrick, dat je dit gedicht voorlas. Zo zie je dat ik de boom de eer geef die hem toekomt; hem niet altijd verhef tot symbool van mijn eigen wezen.
Een andere dichter, Denijs Van Killegem, zei het je eerder al: iets van rusteloosheid en eeuwig zoeken zitten in je werk...
Ja, die rusteloosheid en die hunker naar liefde; dat ondefinieerbaar verlangen … Ik vraag me af of anderen daar ook zo mee geplaagd zitten. Toen ik nog een klein kind was zat ik mij al af te vragen hetgeen de einder zou kunnen verbergen. Grote dingen, dacht ik. Iemand die je tegemoet komt uit de verste verte en heel veel om je geeft.
Ook de hunker naar liefde vind ik er in terug. Je zei zelf ooit: "ik heb vaak en veel liefgehad, bijna iedereen en alles".
Die grote hunker van toen is gebleven. De "grote liefde" is er echter nooit gekomen, of misschien toch, maar dan versnipperd in duizenden snippers die ik nog altijd aan het vergaren ben. Goed dat ik naast mens en dier even zoveel van zelfs een stuk boomschors kan houden. Ik heb er trouwens twee in mijn jaszakje zitten. Ik ben altijd bevreesd ze te zullen verliezen. Ik brak ze af van een boomstam die gehalveerd was. Daar stond die ooit reuzengrote boom helemaal alleen, zijn hoofd en de helft van zijn stam weggezaagd. Ik heb mijn armen om zijn romp gelegd zo ver en zo wijd ik kon, hij was niet veel hoger meer dan ik, en heb hem getroost. Weeral iets dat me zal blijven kwellen wanneer ik zoals nu aan hem denk.
Het ouder worden, het afscheid nemen van geliefden, van vrienden. Als je lang genoeg leeft, besef je wellicht plots dat er meer vrienden dood zijn dan levend. Het verdwijnen van de geuren en de landschappen van toen, de bossen die gerooid worden, niets dat nog is wat het vroeger ooit was. Spijt hierom. … Ik vind sporen van dat alles terug in je werk. Mag ik het gedicht "Curriculum vitae" lezen als illustratie:
Toen ik werd geboren
was het hoog seizoen voorbij
maar op de zolder lag het graan
in korrels bij elkaar
zo weet ik dat het ooit bestond
het koren
wat van papavers overbleef
werd gloed bij avond
vroeg ging ik houden van rood
nog eer ik wist
dat deze kleur zou kleven
aan mij zoals ze kleeft
aan vuur en dood
want allen zijn gegaan
die in mijn wijde armen woonden
het kind de vader en de hond
gekapt het bos de bomen
mij is gebleven
het fluisteren van gras
op mijn nu koele huid
het droppelen van water
het water -ach- het water
waarvoor ik zoveel verzen schreef
dat zich met levend wier omgaf
terwijl het zong zijn raadsels
vanuit de diepte der bron
Het eerste vers van dit gedicht bevat een dubbele laag. Met 'het hoog seizoen' bedoel ik de tijd toen mijn ouders zich leerden kennen en verliefd werden op elkaar. Later lagen wij, de negen kinderen, 'als korrels bij elkaar' op de zolder van het huisje waarin we woonden midden in de bossen. Zo weet ik dat ze ooit bestond de liefde (hier koren genoemd) tussen mijn ouders omdat ze o.m. samen zoveel kinderen hebben verwekt. Ja, Patrick, ik mis oneindig veel dat door niets of niemand vervangen kan worden; / want allen zijn gegaan die in mijn wijde armen woonden / het kind de vader en de hond / gekapt het bos de bomen /…
Als een mens het geluk heeft te blijven leven, wordt hij ouder. Heeft het ouder worden invloed op je schrijven, je poëzie? Blijf je naar de pen grijpen, ook na zovele bundels?
Jawel, het ouder worden heeft invloed op mijn dichten en schrijven, dat merk je aan De Poëzietuin; ik vertoef er niet zo vaak meer als vroeger. Ik heb nog wel inspiratie en ideeën doch er is een soort van "uitstellen" op gang gekomen. Dingen die me ontroeren waaraan ik vroeger een gedicht, of een of ander poëtisch opstel wijdde, laat ik langzaam uitdoven zonder er veel aandacht aan te schenken. Ik neem alles nog wel in me op, heb nog altijd evenveel oog en hart voor alles wat me omringt, doch de vulkaan barst niet meer uit, het onderbrengen in verzen of geschriften ervaar ik steeds minder als zachte dwang; de energiereserves raken stilaan opgebruikt.
Zijn er nog vragen, ben je nog zoekende?
Zolang de hunker er is naar iets ondefinieerbaars, beter gezegd: naar het onbereikbare, blijft het hart rusteloos. Het mijne staat in ieder geval nog altijd wijd open voor nieuwe belevenissen en "uit te dagen bezweringen". Toch ben ik niet meer zo intens zoekende omdat ik meen veel dingen te hebben begrepen, vooral wat betreft leven en dood. Wie beseft dat we minder zijn dan een stofdeeltje in het heelal, en daar vrede mee kan nemen, mag met gerust gemoed zijn resterende maanden of jaren genieten. Wanneer je hebt geleefd naar best vermogen volgens je hart en je geweten, hoeft het ouder worden geen kommer en kwel te betekenen, integendeel, elke leeftijd heeft zijn zon- en schaduwzijde.
In een recentere bundel, toen je een levensbedreigende ziekte had overwonnen, schrijf je: "op één vraag na / alles beantwoord: wat is sterven?"
Zoals je weet heb ik de laatste zes jaar veel gesukkeld met mijn gezondheid. Het was toen, nadat ik door het oog van een naald ben gekropen, dat ik ten volle heb beseft hoe kortstondig en vergankelijk alles is. Ik denk dat ik intussen wel weet wat sterven betekent. Dat de dood de uiteindelijke verlossing brengt, daaraan twijfel ik niet. Dat te beseffen brengt rust en tegelijk ook zoiets als droefheid met zich mee omdat ik aanvoel dat ik nooit ten volle begrepen zal zijn geworden als dichteres. De meeste mensen zijn te nuchter om dieper op het soort dingen in te gaan die ik voor mezelf als vanzelfsprekend beschouw. Wanneer ik schrijf 'een zilveren lepel vuur ben ik' overstijgt de kosmische dimensie daarvan hun bevattingsvermogen.
Onze tijd is te beperkt om hier alle gedichten voor te dragen die ik uitkoos. Toch misschien nog even dit, Iris, omdat het mij bijzonder aanspreekt
Liefste
Als ik er niet meer ben
deel me dan uit als brood
onder de levenden
en weet
tussen de klaproos
en de korenbloem
stond ik te wuiven
als graan
gedenk mij
wanneer de halmen rijpen
of als de leeuwerik
ten hoogsten hemel stijgt
aanhoor de elegie
van pijnboom en plataan
denk hoe ik was genegen
het zachte oeverlis
onthoud de vuurdoorn
de zonnebloem
de goudenregen
en… liefste…
vergeet het wonder
van groeiend mos
tussen de stenen niet
Dit gedicht horen voordragen door jou, Patrick, geeft het nog meer betekenis, temeer omdat tussen het schrijven ervan en de dag van vandaag al jaren vergaan zijn. Het is een soort testament voor degenen die na mij zullen komen want ik zou elkeen 'liefste' willen noemen die me genegen is. Ik schreef het niet voor een specifiek iemand. Mag ik misschien nog een gedicht naar voren halen dat ik schreef voor mijn dokter; voor de chirurg die mij zes jaar geleden het leven heeft gered. Ik blijf hem in het hart dragen; hij heeft mij nadien door een moeilijke herstellingsperiode heen geholpen langs de vruchtbare gesprekken om die we hebben gehad, soms nog hebben.
De essentie der dingen
Mijn dokter en ik
en de bomen
van de Groeselenberg
we geven iets door aan elkaar
we ademen iets uit
waar de wereld beter van wordt
we praten met elkaar
de dokter en ik
we stellen ons vragen
maar het zijn de bomen
de ontzaglijke bomen
die in hun winterse naaktheid
uiteindelijk alles verklaren
In "Dagboek van een Kankerzieke" schreef ik dezelfde woorden waarmee ik graag op jouw laatste vraag zou willen ingaan, Patrick, je tegelijk dankend. "Ergens in de Chaco Boreal, of in het uitgestrekt Amazonegebied, zal een regenwolk zichtbaar worden die haar druppels zo zal doen zingen: 'Iris was een sacrale dichteres. Een zienster. Ze heeft niet vergeefs haar kosmische krachten positief aangewend en doorgegeven".
Het is deze Iris Van de Casteele die vandaag geprobeerd heeft een afdoend antwoord te geven op jouw zorgvuldig overwogen vragen.
Patrick Vermeer, november 2005.
Dank, Fernand, vriend uit duizend!
DE SCHRIJVER-DICHTER
voor Thierry Deleu
Woorden
wellen
uit zijn letterbron,
vloeien
Bourgondisch mild
over zijn schrijftafel,
stromen verder
naar zee en oevers overzee,
o ridder te paard
rijdt
al over zijn landgoed
van epos en balladen
naar Arsène du Frêne,
Heer van La Vallade
en Isabelle de mooie
met minnezangen
in bladgoud geschreven.
(20 oktober 2010)
Fernand Florizoone
OVER DE WAARDE VAN ONWETENDHEID
door Francis Smets
Waarom is Denmark zo behept om dag na dag en met grote zorg alle letters uit boeken weg te snijden, weg te schuren, onleesbaar te maken... ?
Een kunstfilosofische benadering van het werk van DENMARK.
Deze lezing door Francis Smets, kunstfilosoof, vindt plaats op vrijdag 26 november 2010 om 20u.
Locatie: Glazen Rotonde Bibliotheek
Abonneren op:
Posts (Atom)





