Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans

Stichtingsdatum: 1 februari 2007


"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"

"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.

27 maart 2010

Miss Lente


LENTE


Het is lente!
De meisjes trekken
Korte rokjes aan.

De jongens
Korte broeken
Met een Aloha Hawaii blouse.

De vrouwen
Scheren hun benen.
De mannen knippen
Hun borstharen af.

De koeien liggen in de wei.

Schapen lopen langzaam
Te grazen zoals ze altijd doen.

Met lentegroet!

Hannie Rouweler

 

25 maart 2010


Wil Fraikin, verdediger van ’s werelds woordenbunker, geniaal dichter: gek, maar o zo origineel én creatief!



Wil Fraikin is schilder, beeldhouwer, dichter. Van zijn poëzie zegt hij zelf “dat het voetnoten zijn bij een wankele schepping”.
In 2008 ging één van zijn dromen in vervulling: een Poëziestraat in Amersfoort of gedichten achter de ramen.
In maart 2009 exposeerde hij foto's en gedichten in Utrecht. De collectie bestond uit 37 gedichten met 39 bijpassende foto's. Het idee van samenvoegen van tekst en beeld ontlokte volgende vraagstelling: wat gebeurt er met de lezing van een tekst als je eerst een afbeelding ziet, of wat gebeurt er bij het bekijken van een foto als je daarvoor eerst een gedicht hebt gelezen?

Mijn eerste ontmoeting met hem was een regelrechte catastrofe: ik kwam niet boven het maaiveld uit, ik schreef slecht en verbalistisch (en andere meer ronkende dooddoeners en hamergeklop die ik jou wil besparen en die mij niet zinnen), we voeren nog altijd een pennenstrijd, maar de hevigheid is verdwenen en mijn pantser is versterkt (na overleg).
Fraikin heeft geen hoge pet op van Vlaanderen en de Vlamingen, dito de dichters: ze zijn zo introvert, mijnheer, zo vol ontzag voor hiërarchie, zo verzuild en chauvinistisch, niet communicatief, met andere sociale manieren, d.i. stijf en niet flexibel.

Wil Fraikin is niet zo bekend in Vlaanderen. Ik keek dan ook verrast op gedichten van hem aan te treffen in een plaatselijk tijdschriftje als Art04 uit Harelbeke. Hij was in die stad echter één van de laureaten van de Poëzieprijs. Het is de goede (?) gewoonte van de redactie om de laureaat in zijn/haar euforie vriendelijk te vragen enkele gedichten van hem/haar te mogen plaatsen.
Ik was niet alleen verrast een Nederlander aan te treffen in het plaatsgebonden blaadje, maar vooral was ik “aangenaam” verrast door de kwaliteit van zijn poëzie.

Fraikin schrijft in eerste instantie over mensen, zichzelf incluis. De oude vraag over “schijn en wezen” wil hij door middel van poëzie opnieuw stellen.

Ik vond zijn poëzie hermetisch raadselachtig, niets zangerigs, barok. Ik begon te lezen en ervoer een dwingend dichterlijk vocabularium. Hij had een nieuwe taal, nieuw en toch begrijpelijker dan ik eerst vermoedde.

Lees mijn verhaal of noem het mijn reis doorheen het landschap van zijn poëzie.
Fraikin schrijft zintuiglijke gedichten, elk gedicht ruikt naar de geur van uitlaatgas. Hij valt niet in de valkuil van het sentiment, Fraikin is aards en toch geeft hij mij de indruk dat hij vanuit zijn hemel over mensen en dingen dicht.

Hij doet dit zonder maniërisme, wil zijn gedichten blijven sturen, zijn poëzie is niet multi-toepasbaar, maar duidelijk meervoudig. De innerlijke schoonheid van zijn gedichten vraagt inleving en zin voor ontdekken.

Fraikin heeft een eigen poëtische woordenschat waarmee hij de inhoudelijkheid van zijn verzen omfloerst. Hij lijkt mij een hedonist, minnaar van vrouw en aardse geneugten. Hij dialogeert met de vrouw, als eigenzinnig volgzaam dier, met zijn om-wereld, met de familie, het aardse bestaan, het geloof. Hij filosofeert over schuld en boete. Hij heeft lak aan hypocrisie, aan ingetogen introversie, aan eruditie, aan verbalisme dat hij omschrijft als “veel woorden om niets te zeggen”.

Zij leunt met haar voorhoofd
tegen jouw laatste toekomst aan

Geen ijs wordt meer gebroken
waar glas onzichtbaar in zichzelf gestoken is

Ligt ze met haar bent onduidelijk hier verloren
had ze zelf nooit voor discipelen gezorgd?
Uit: Eeuwige Moeders

De dichter creëert onbewust wantrouwen door de manier waarop hij wrang, indringend, soms agressief, provocerend de lezer plaagt, kwelt, lastig valt enerzijds. Hij schrijft “teasing poetry”.
Anderzijds is poëzie voor hemzelf loutering, hij wil orde scheppen, maar krijgt wanorde, hij komt in trance en wanneer hij uit zijn verrukking ontwaakt, wil hij erover reflecteren.
Zijn poëzie is duaal: trance en reflectie

U schept zich in deze fase zelf

de veiligheid …
is schijn

legt u zich hier maar neer
de tijdelijkheid wordt zo ingesteld
Uit: I. Aankondiging

Soms komt het mij voor dat hij evenwicht zoekt tussen twee ongelijke gewichten (ode en overgave) enerzijds - en dit lukt niemand - en tussen twee ongelijke zijnstoestanden (autistisch zingenot en intellectualistisch verbalisme). Hij is een reus met twee ongelijke benen: een langer (te lang) en een korter (te kort). Fraikin weet dit en wil deze handicap bezweren met drift, ironie, sarcasme. Hij stelt wellust voor als remedie, maar vlucht naar het innerlijke zelf om zijn eenzaamheid een gehoor te geven.

het hooglied wordt heden laag ingezet

… we verdenken
de overkanten ervan ons
elk zwaar verworven plezier te vergallen:

werd er nog iets gewonnen
kenden wij dit deuntje al - is dit de bedoeling -
was elke bagage slechts cosmetisch?
Uit: II Stage

het grondpatroon voor vandaag is nog aardig
inertie doet leven hierna maalt ieder er om

de levensboom wordt wederom getakeld
Uit: III Vertrek

Hij adoreert de vrouw niet, sterker: hij kent de vorm wel (het hoe), maar negeert de inhoud (bindingsangst, faalangst, traumatische ervaring(en). Hij schrijft over de erotiek, de liefdesdaad, de verwijdering die erin besloten ligt, hij benadert de vrouw veeleer tekstueel, met triviale taal, uit onmacht. Hij is niet in staat om zijn gevoelens voor haar in banale woorden uit te drukken. Hij twijfelt aan zichzelf, hij vlucht in zelfreflectie, hij kan zijn bronstigheid niet plaatsen, de dichter is gespleten, labiel, een meester in het toedichten van zijn frustraties.

Ook de andere spelers op ’s werelds schouwtoneel zijn voor hem lustkameraden, met wie hij triviale kletspraatjes voert. Dit maakt het de lezer moeilijk (maar het boeit hem/haar ook op), om de keuze van de dichter te weten te komen: reflectie of een eigen leven leiden, open of verdoezelen, communiceren of verbaliseren, reflecteren of kapot relativeren.

en temidden van deze werelden
het gedrentel en gedrang om haar gemaal

het samenspannen en weer hinkende uiteengaan
zoals de meeuwen: het levenslange zwerven

langs de kaderand werd dit haar waarneming:
het restant wordt nogmaals ingepakt: ijskoud -
dan gaan ze weer slapen - soms op één been.
Uit: Markt met vissen

Om Fraikin’s poëzie te begrijpen is indringendheid nodig, zonder is het niet mogelijk zijn perceptie te volgen in haar vele veranderingen, om de sleutels te vinden die hij aanreikt. De lezer moet ook weet hebben van de autobiografische verwijzingen.

Fraikin is een humanist, niet zo grootmoedig, maar aards, belerend en toch worstelend met zelftwijfel. Zijn constructies zijn luchtig en open, dwingend maar bescheiden. Uit alles blijkt dat hij een vat is vol tegenstellingen (een cliché, maar o zo duidelijk): zekerheid, twijfel, éénduidig en dubbelzinnig, illusie en werkelijkheid, descriptie en beeldspraak, aangeschoten maar rebels.

Wat mij bijzonder opvalt bij Wil Fraikin, is de suggestie, iets oproepen dat niet gezegd wordt, weinig logica. Is poëzie een soort van waarheidsvinding? Deze juridische term vind ik in bijna alle geschriften van Fraikin: consequent en compromisloos poëzie schrijven. Dichten heeft veel met mentaliteit te maken, met de wijze van denken en voelen, de dichter als zijn/haar eigen mental coach. Het gedicht geeft Fraikin goede energie, geestelijke adrenaline. Ben je niet meer met waarheidsvinding bezig, dan ben je niet meer toerekeningsvatbaar, je bent psychisch niet meer in orde. Kun je dan nog mooie gedichten schrijven? Waarom niet? Eén voorwaarde: bijzonder talentrijk zijn!

Het is weer zo fijn die natuur die stille mensen
krampjacht luidrucht de gewaande vrede trekt ons
tot elkaar een bomgordeltje lente vers afval
zou uitbottend wel zo mooi zijn!
Uit: “Im Frühling wenn die Hähne krähen”

Fraikin’s poëzie prikkelt mij, daagt mij uit, doet mij vloeken en glimlachen, geeft mij energie, ik verzuip in zijn verzen.
Ik las voor het eerste gedichten van hem in Art04 (zoals ik al zei).
Eerste indruk: moeilijke poëzie (naar inhoud en vorm), experimenteel, vrije opbouw, lijkt mij van iemand die handelt uit een kinderlijke behoefte om regels en regelgeving te ontlopen.
Fraikin wil echter deuren die op een kier stonden en slechts met mondjesmaat nieuw leven toelieten, opengooien (denk aan de experimentele poëzie van de vijftigers en vijfenvijftigers); hij heeft het lef om te experimenteren. Hij wil geen betreden en vertrouwde paden bewandelen. Hij wil geen beperking, maar de bevrijdende kracht van het experiment. Hij wil geen programma opdringen, geen school, geen vakvereniging, geen partij, hij wil free speech, lees: het vrije woord, hij wil de poëzie haar soevereiniteit teruggeven. Dit betekent: de dichter kiest de regels en kan die ook veranderen tijdens het spel. Hij is speler en scheids.

Het gaat bij hem niet om een nieuwe vorm en eigenlijk ook niet om een nieuwe inhoud of hoe je het noemen wilt, maar om een nieuwe poëzie, beter gezegd, een andere poëzie. Hij wil een nieuw geluid brengen en is daarbij hardnekkig individualist.

Zo ervaar ik ook zijn gedichten. Zijn poëzie lijkt gebouwd op geen enkele traditie. Dada? Misschien. Surrealistisch? Misschien. Hoe ontregeld hij ook dicht, nooit wijst hij de scheiding af tussen vorm en inhoud. Hij zoekt naar een samensmelting tussen vorm en inhoud, naar een zelfstandige eenheid.

in het humus van hun donker
rafelen ze een week
intiem complot uiteen

nog onbesproken bleef hoeveel verlangen er uit
gaat

Niets nieuws aan het innerlijke front
een zonnige dekadentie-oefening volgt

achter de ogen de rits gesloten
in een vers vergroeid verbond.
Uit: Het Grote Kwijtraken 3

Met de drie gedichten van Het Grote Kwijtraken won Fraikin in 2007 de Gelderse Poëzieprijs van het tijdschrift Parmentier.

Hij verzet zich tegen de dictatuur van het abstracte denken. Hij streeft naar lichamelijkheid. Fraikin’s poëzie drijft op het wankel evenwicht tussen vorm en inhoud, tussen lichaam en geest, tussen vorm en vent. Juist in het toedichten van deze dualiteiten is hij een meester! Hij improviseert doordacht (paradox 1), hij zoekt het juiste spoor en is niet bang voor spontane spoorwisselingen. Hij rijdt solo (paradox 2). Hij denkt logisch, maar schrijft overwegend associatief (paradox 3).

Zijn poëzie geeft het gedicht weer een stoffelijke functie en pure menselijke ervaringen, zoals voelen, zien, horen, bang zijn. Zijn gedichten zijn geen geïmiteerde realiteiten, maar een in zichzelf besloten acties, spanningen die opgewekt werden door beelden en betekenissen.
Toch verrast hij mij door zijn wispelturig woordgebruik, hij leeft zijn eigen wetten niet na, hij tart zijn eigen logica, hij gaat voor nieuwe inzichten, hij construeert en jongleert, soms doet hij mij aan een alchemist denken. Het boeit echter (op), want het raakt de essentie van de creativiteit. Het is een aanval op de banaliteit. Riskante gevoelens die aan een kooi van huid ontglippen.
Eén van zijn mooiste gedichten is Middagspleen:

Ze pleegt van boven wangedrag
voor de spiegel op een leeg bord
wordt engelse drop omgekeerd en uitgesmeerd

iets pakt er steeds verkeerd uit op mijn
rangeerterrein heerst lichaamstaal nieuws
en opinies echoën weg van alle taluds

iets schrijnt

aan de wereld wordt nog gesleuteld
dan gaan we in onze taalstoel zitten
verstrijken de dagen met kralenkettingen
vergen niets meer in de handen dan edeltarwe

kijken naar de eindeloosheid
van steigers vlonders bergen
zand en kleding zelfs tuinkabouters

herinneren ons aan kroos de waterlelies
lisdodden dode vissen liggen
tegen de kanten.

We scheppen het leeg en keren onze borden om.

Taal in het algemeen schreeuwt om experiment. Het is het geschiktste werktuig voor gevoel- en kennisoverdracht. Zo universeel en zo hallucinant. Taal is echter een delicaat werktuig voor klankwaarneming , veelheid van betekenis en zinsbouw. Taal is in essentie een middel om iets weer te geven. Haar mogelijkheden zijn (bijna) grenzeloos. Woord is onmacht, taal is macht! Zij jent, gaat tekeer, blundert en pakt beet. Taal vertelt ons dat er iets is dat er eigenlijk niet is.
Fraikin experimenteert met woorden, doet aan geen wetenschap, hoezeer hij ook zijn best doet om het de lezer te doen geloven. Hij heeft geen objectieve kijk op de dingen. Zijn experimenteren met woorden leidt soms tot soms kakofonie, vervoering, vluchtige metaforen. Hij gaat een spel met de taal aan en verliest al eens de controle.
Zoals elke dichter wil hij een constructie met woorden maken die bepaalde beelden en klankeffecten bevat om te ontroeren of te overtuigen of te verrassen of te imponeren. Normaliter kiest deze dichter dan niet voor het riskante experiment. Fraikin wel.
Bij Fraikin is dichten niet alleen een spel met woorden dat uitblinkt in beeld- en taaleffecten, dit is het ook, maar meer dan dat: hij wil de woorden doen verdwijnen en een illusie creëren.

Woorden zijn pure willekeur; taal echter is een geheel van regels die Fraikin met graagte overtreedt. Soms is er geen overeenkomst tussen het woord en de taal. Woorden kunnen denkbeeldig zijn; bij deze dichter is ook taal niet altijd legaal. En precies dit maakt zijn poëzie tot lustoord van tegengestelde gevoelens en provocerende gedachten. Of nog anders gezegd: Fraikin legt zijn wil niet op aan het woord, wat hij uitbeeldt, is niet altijd in woorden voorradig.
Een Franse reis is voor hem een surreëel gegeven, een evenwichtsoefening tussen realiteit, fictie en beoogde realiteit:

er lag een zorgzame oever bleek
aan een plas alles leek net echt gelegd

ondertussen ver koebelgeluid
stationair om niet te worden opgemerkt

gezond doorstappen
betekende merktekens poten in nat zand

we spelevaarden
zo ontspannen en bijziend als we waren
naar die zuivere oeverlijn vol drijfzand liefde
Uit: De Franse reis

De poëzie van Fraikin is compact, samengebald (in tegenstelling met de wijdlopigheid van de roman), poëzie is voor hem een soort van placenta: een intermedium tussen schaamte en aanpassing. Van de dichter eist hij vakbekwaamheid, inzichtverstrekkend, hij is echter een weifelaar, een twijfelaar, een recapituleerder, een alternatiefloze idealist, kortom: een moeilijk mens voor zichzelf (en de ander). Poëzie moet als het leven zijn: lichamelijk, emotief, het ontstijgt het kleinburgerlijke, de schijn en de status. Fraikin wil ook intelligente poëzie, ambigu, ambivalent, vrouwelijke poëzie door mannen geschreven. De mens is vervangbaar, de dichter niet.

woordenstrijd

na de taalslag
bouwde hij een woordenbunker
tegen de dooddoeners
een staalharde stelling met gewapende gezegdes

na ketsende opmerkingen
en zinnen als dynamiet met
het fluistermortier op mondhoogte gezet
dreven blindgangers hem uit

hem kan niemand meer onhoorbaar naderen
aan flarden geschoten
werd er een grindpad van gelegd
de brokken werden gladde stenen als clichés
de ruwe verliefde trefwoorden
het steengruis in de zandloper gestopt

Ik zocht verwoed naar de sleutels die hij plaagziek verbergt en slechts als je dichterbij komt, roept hij als een kind: “Het brandt!” Ik vond er tien: tijdelijkheid, de zelfkant, de gewaande vrede, spleen, moeder, schaamte, innerlijkheid, afscheid, liefde, de overkant. Een bos sleutels, ik vrees dat er enkele fictieve bij hangen. Ik probeerde ze gewoon uit en ik zag dat ik zijn hortend verhaal beter snapte. Beter, niet helemaal. Waarom maakt Fraikin het mij zo moeilijk? Ik hoor het hem al schrijven: “Je bent potdoof, blind en vlug ontmoedigd!”


Thierry Deleu


lente


Als ik de bloemen weer zie
die voorzichtig gaan bloeien
een veulentje zie staan op
zijn wankelende pootjes.

Lammetjes vrolijk zie
dartelen in de groene wei
de vogels hoor fluiten tussen
de bloesem in de boom.

Voel ik de levensvreugde
in mij naar binnen stromen
krijg ik weer nieuwe kracht
zodat ik kan gaan genieten
van iedere nieuwe lentedag.

Paula Hagenaars

23 maart 2010

Patricia De Landtsheer, auteur, Davidsfonds Dendermonde en Uitgeverij Davidsfonds

nodigen u van harte uit op de voorstelling van het boek

Genummerd voor het leven

De laatste getuigen van de kampen, het verzet, politieke- en krijgsgevangenen, partizanen, ondergedoken kinderen, naar aanleiding van 65 jaar bevrijding op 8 mei 2010

Op dinsdag 27 april 2010 om 19.30 u in ‘De Steenpoort’ (bijhuis CC Belgica)
Kerkstraat 115 te Dendermonde (centrum)

Programma
Verwelkoming door Pascale Roels, voorzitter Davidsfonds
Muzikaal intermezzo : Bernard Bertoni, viool-Frankrijk,
Lezing over het tot stand komen van het boek en de problematiek gangbaar in de periode 40 – 45
Fotoreportage over Auschwitz door fotograaf Etienne Van den Bulcke.
Intermezzo ‘De laatste uren’ (Melissa Leboeuf, stem – Bernard Bertoni, eigen compositie)
Vragenstelling aan de eregast-getuigen na de voorstelling
Receptie

Inkom: 5 € (leden 3 € - student 1 €)

Om praktische redenen gelieve u uw aanwezigheid te bevestigen op
052-21 48 51 052-21 11 80 0496/60 19 61

22 maart 2010

Gedicht van Leo van der Sterren (N)

Meuk




De koningsappelman zit op de centen.
En dat ofschoon hij er heel veel van heeft.
Hij hoort vast bij het gilde van de krenten:
zo druk met hebben dat men er niet leeft.

Het geld groeit op zijn rug en in de bomen,
daar in die bongerd van hem met die muur,
waar buitenstaanders nimmer mochten komen,
zo zocht hij achter ieder zoetje zuur.

De koningsappelman z’n dood was schurft.
Hij kwam ten leste aan een tragisch einde.
Een rover die zijn geld wou, sloeg hem murw
Toen was het uit, als centenzitter zijnde.
Dat strekte de fazantenzot tot lering:
wees rijk, wist hij, maar toon slechts slechte nering.


Leo van der Sterren

Voorstelling "Klaprozen en Kamermuziek" op hoog peil!



Alle foto's van de hand van Dirk Van Hove



MOOIE VOORSTELLING VAN DE BUNDEL

KLAPROZEN EN KAMERMUZIEK

IN DE KOK-PIT VAN HET GEMEENTEHUIS IN KOKSIJDE

*****************************************************

Ilse Chamon, het culturele gezicht van Koksijde, heet de talrijke aanwezigen uit Nederland en Vlaanderen hartelijk welkom. Van de 10 geselecteerde dichters zijn er negen aanwezig: Bert Bevers, Jenny Dejager, Thierry Deleu, Floor Deroo, Marleen De Smet, Fernand Florizoone, Paul Gellings, Hannie Rouweler en Joris Iven. Guy van Hoof was afwezig.

Onder de aanwezigen zijn naast schepen Frédéric Devos en enkele gemeenteraadsleden ook de schrijvers Fernand Laforce, Hervé Casier en Patricia Lasoen.

Burgemeester-volksvertegenwoordiger Marc Vanden Bussche, wijst in zijn gesmaakte toespraak erop dat Koksijde altijd een inspirerende badplaats voor kunstenaars is geweest. Hij dankt zijn buur, Thierry Deleu, omdat hij zo frequent Koksijde op de artistieke kaart plaatst. “Hij heeft een heel groot en genereus hart voor de literatuur, niet alleen voor zijn eigen creaties, maat evenzeer voor die van zijn collega’s.”

Hierna overhandigt Thierry Deleu het eerste exemplaar aan de burgemeester en dankt hem voor het vriendelijk onthaal. Hij herhaalt dat Koksijde een culturele en artistieke sfeer uitademt, waar elke kunstenaar zich goed bij voelt. “Koksijde inspireert.”

Daarna leidt Thierry Deleu op ludieke wijze de tien dichters in: spontaan, met humor en opmerkingen in de kantlijn, maar accuraat, to the point, kort maar duidelijk.
Hij steekt eerst de loftrompet over Hannie Rouweler als uitgeefster en initiatiefnemer van de bundel. Hij drukt ook zijn tevredenheid uit over het feit dat vier dichters uit de Westhoek werden geselecteerd: Fernand Florizoone, Thierry Deleu, Jenny Dejager en Floor Deroo.

Over Fernand Florizoone zegt hij: “Hij is de dichter van de stilte en de kwetsbaarheid.” Jenny Dejager typeert hij als “helder en toch omfloerst, open en toch bevangen”. Floor Deroo, de jongste in jaren van de tien, prijst hij om de eenvoud van haar vers, “vatbaar voor iedereen”. Marleen De Smet vindt “poëzie reizen in het hoofd, vanuit het hart”. Bert Bevers valt op door zijn sterke zegkracht, “hij balanceert tussen lyriek en parlando”. Guy van Hoof verwoordt als autobiografisch dichter zijn twijfel om zich weerbaar op te stellen. Joris Iven schrijft lucide pareltjes, eerlijk, toegankelijk, zonder pathetiek of theatraliteit. Paul Gellings vindt hij “ongewoon suggestief”. Hannie Rouweler “schrijft poëzie van innerlijke bewogenheid”.

“Over mijzelf praat ik niet graag,” zegt Deleu, “maar mijn vrouw weet beter.”

Van Klaprozen en Kamermuziek is ook een Engelse vertaling door de Claus-vertaler John Irons, Poppies and Chamber Music.

De dichters Fernand Florizoone, Joris Iven, Marleen De Smet, Bert Bevers en Paul Gellings lezen elk één gedicht voor.

Daarna is het de beurt aan voordrachtkunstenares, Ilse Chamon, die met warme stem gedichten leest van de dichters uit de Westhoek: Jenny Dejager, Thierry Deleu, Floor Deroo en Fernand Florizoone.

Talrijke fotografen zijn op de voorstelling aanwezig, wat de opmerking ontlokt van een van de dichters: “Het lijkt wel of Mathilde op bezoek is!”

Ilse Chamon weet aan enkele intimi te onthullen dat zij in verwachting is. Gefeliciteerd!

Tijdens de receptie wordt er gemoedelijk verbroederd en met lof gepraat over de mooie voorstelling, de mooie gedichten, de mooie uitgave en over de warme stem van Ilse Chamon. Ook uitgeefster Hannie Rouweler blikt met voldoening terug op deze activiteit.

Vele dichters zijn al van de dag voordien in Koksijde en zijn van plan nog een stevige strandwandeling te maken.

(meegedeeld)

Gedicht Monique Verplancke


gedichten die raken
als het water van de zee

doorsijpelend traag
de lege ruimte vullend
of overweldigend
schuimbekkend alles inpalmend

zacht deinend
beroerend
rakend datgene
wat niet meer zichtbaar is
maar steeds aanwezig

woorden die raken...
en vullen
het vat met tranen.

Monique Verplancke

21 maart 2010


BOEKENKARRETJE VAN KOKSIJDE


(Hannie met blauw karretje op terugweg naar gemeentehuis Koksijde)

Er was een dag dat ik veel boeken bij me had,
het was een mooie voorjaarsdag, misschien
wel gisteren.

De boeken waren zo zwaar dat ik de bibliotheek
binnenliep. Ik vroeg of ik een boekenkar mocht lenen.

De juffrouw gaf mij een blauwe boekenkar.
Zodoende kwam ik niet struikelend
en strompelend met dozen aan in de Kok pit, van glas.

Niets is gebroken. Ik liet het gebouw onbeschadigd
achter. Het bleef zo overeind staan, als het er eerder was.

De boeken vonden hun weg blindelings rollend langs ramen,
liften, op trappen, over tafels – ook waar jij en ik stonden -

naar handen die woorden openslaan. In al hun vluchtigheid.
Zoals een scheepje vouwen van papier en vleugels even
schitteren van fantasie op de golven van de zee.

Het blauwe karretje staat bij de Ingang. De deur was toe.
Het wacht, alles wacht, tot iemand naar binnen gaat.
Neem het dan voor mij mee a.u.b. Misschien haal ik het later op.

Hannie Rouweler




Klaprozen en Kamermuziek

De bundel Klaprozen en Kamermuziek werd samengesteld door Thierry Deleu, in samenwerking met Hannie Rouweler (door hem, Westhoeker immers, consequent Rouwelé genoemd) voor de Demer Uitgeverij in Diepenbeek. Het boek bevat van tien dichters elk zes verzen: Fernand Florizoone, Jenny Dejager, Paul Gelings, Thierry Deleu, Marleen De Smet, Joris Iven, Bert Bevers, Floor Deroo, Guy van Hoof en Hannie Rouweler.

Foto 2: van links naar rechts Paul Gellings, Jenny Dejager, Floor Deroo, Bert Bevers, Marleen De Smet, Hannie Rouweler, Thierry Deleu, Joris Iven, Marc Vanden Bussche en Fernand Florizoone.

Foto 3: er was behoorlijk wat publiek afgekomen op de presentatie. Die vond plaats in de raadzaal van de gemeente Koksijde, in de indrukwekkende Kok-pit in het nieuwe gemeentehuis aan de Zeelaan.

Foto 5: van links naar rechts Hannie Rouweler, Joris Iven (op de rug gezien), Bert Bevers, Fernand Florizoone.

Foto 6: burgemeester Marc Vanden Bussche heeft zojuist het eerste exemplaar ontvangen uit handen van medesamensteller Thierry Deleu. Links schepen Frederic Devos, rechts raadslid Albert Serpieters.

Foto 7: Bert Bevers brengt uit de verzamelbundel zijn Voertaal voor de microfoon.

Foto 8: Ook Fernand Florizoone, cultureel ambassadeur van de gemeente Koksijde, las tijdens de presentatie voor uit eigen werk. Links voordrachtskunstenares Ilse Chamon.

Foto 9: Marc Vanden Bussche, burgervader van de gemeente Koksijde, en Bert Bevers.

Tegelijk met Klaprozen en kamermuziek werd in Koksijde Poppies And Chamber Music ten doop gehouden, een Engelstalige uitgave. Een groot deel van het werk uit Klaprozen en kamermuziek (op dat van Deroo en Van hoof na) is daarin opgenomen in een vertaling van John Irons. Daarnaast zette Irons werk voor deze bundel werk van Roger Nupie en Albert Hagenaars naar het Nederlands om.

(overgenomen)

zondag 21 maart 2010


Poëzie aan de kust


Aan de kust geweest. Daar werd in het indrukwekkende nieuwe gemeentehuis van Koksijde de dichtbundel Klaprozen en kamermuziek voorgesteld. Van de tien auteurs van wie daarin poëzie werd opgenomen, waren er negen aanwezig. Ik bracht er Voertaal ten gehore.

Meer informatie:

20 maart 2010

Vage figuren


 
Dwalende gestaltes schaduwen
die leven tussen nacht en dag
vage figuren verborgen in de nevel.

Je zou ze willen herkennen
wilt zo graag dat ze bij je komen
je kunt ze maar niet bereiken.

Helderheid die is verdwenen toch
zijn het nog beelden uit een verleden
ze willen terug komen in het heden.

Maar ze worden niet meer bereikt
het blijven gedachten vergezeld door
schimmen uit een vroegere tijd.

Paula Hagenaars



19 maart 2010

Wij vernemen zojuist het overlijden van
Jaak Brouwers
erelid en oudbestuurslid van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen

Geboren op 28-02-1930
Overleden op 08-03-2010.

De crematie heeft in strikte intimiteit plaatsgehad op 17 maart 2010.

Rouwadressen:
Nekkerspoelstraat 308 2800 Mechelen
Kalverenstraat 73 2800 Mechelen

18 maart 2010

Recensies over "Liefde en dood op Sint-André" - Thierry Deleu

Thierry Deleu, Liefde en dood op Sint-André, roman, 236 blz. - Uitgeverij "Razor's Edge Editions", 2009.


Deze roman is samengesteld uit drie delen: 'Ongeposte brieven', 'Terug thuis' en een 'Epiloog'. Die delen zijn opgebouwd met respectievelijk 18, 17 en 5 korte hoofdstukjes.

In deel één vernemen we dat het ene hoofdpersonage Marie het andere hoofdpersonage Dirk Vandezande, gepensioneerde schooldirecteur, verlaten heeft. Ze is er vandoor gegaan met Jan en is vertrokken naar Zuid-Afrika, zonder een adres achter te laten. In 18 hoofdstukjes schrijft de directeur, die ook schrijver is, 18 fictieve brieven aan zijn vrouw. Hij zal die uiteraard nooit verzenden. Hij beschrijft in deze brieven zijn ontreddering. We vernemen er ook stukje bij beetje het leven dat hij tot nog toe geleid heeft. Ondanks er geen vaart zit in de gebeurtenissen, omdat ze fragmentarisch in losse volgorde genoteerd worden tussen bedenkingen en vragen door, blijft de tekst van deze brieven boeien en krijgen we volledig inkijk in leven en denken van Vandezande.

In deel 2 komt Marie ontgoocheld terug tot groot geluk van haar partner. Het lijkt erop dat ze de draad weer zullen oppakken en verder leven in geluk en vrede, hoewel de vrouw licht dominant is op de man en volgens de man de slimste van de twee is. Maar er is altijd de deus ex machina van het dagelijkse leven. Dit deel is chronologischer geschreven en daardoor komt er wat vaart in het boek, wat goed is naar het einde toe van het verhaal. Hebben de hoofdpersonages teveel gevergd van hun incasseringsvermogen of zijn ze te nonchalant omgegaan met hun gezondheid of hadden zij gewoon brute pech, wie zal het zeggen?

In de 20 bladzijden lange of korte epiloog vernemen we wat er aan drama is gebeurd, eerder vaststellend, afstandelijk bijna soms, zonder al te veel vraagstelling.

Deleu heeft met Liefde en dood op Sint-André (een plaats in de duinen van Koksijde) een goed boek geschreven, dat blijft boeien en dat aangenaam leest en levensecht overkomt. De auteur leeft zich duidelijk in zijn personages in. De fragmentarische opbouw van het eerste deel, gevolgd door de meer chronologische opbouw in het tweede deel en de afronding in de epiloog, lijkt mij een goede keuze. Graag gelezen.


Hervé Casier
VKH-info, januari 2010




Ik heb genoten van dit boek, het eerste dat ik las van Deleu. Genoten, maar heel vaak omdat de tranen me nader stonden dan het lachen! Of omdat wat ik las me zo herkenbaar leek.

Mensen die houden van avonturen met veel peripetieën, raad ik de roman niet aan. Maar wie houdt van een prachtig weergegeven sfeer, van mooie beschrijvingen, van gevoelens, van filosofische bespiegelingen tussen de regels door, zullen dit boek met veel empathie lezen! En genieten. En waarschijnlijk, net als ik, af en toe hun lectuur even moeten staken. Niet omdat het vervelend wordt, want dat wordt het nooit, maar omdat het verhaal echt te aangrijpend, te ontroerend, te levensecht overkomt. Alles wordt zo intens, zo diepgaand verwoord (en is tegelijk zo eenvoudig mooi) dat het lezen soms te zwaar wordt. Net als een Ierse ballade dat kan zijn (deze vergelijking kwam bij mij op nog voor ik las dat Dirk, het hoofdpersonage, van die muziek houdt).

De roman bestaat uit drie delen. Omdat ik het verhaal niet wil verklappen (jawel, hoor, er zit een heel mooi verhaal in!) ga ik niet vertellen in welke volgorde ze voorkomen. Wie zich het boek aanschaft, zal het wel vanaf de eerste bladzijde doorhebben (tja, zodra je begint te lezen is het gegeven wel een beetje voorspelbaar). Maar in welk boek is dat niet het geval? Een detective zal altijd aan het einde van een politieverhaal de dader vinden, geliefden zullen op de laatste bladzijde altijd ofwel verenigd ofwel gescheiden worden, en aan het einde van een biografie mag je enkele regels over de dood verwachten. Alles is immers al geschreven, dus als je nog romans leest in deze tijd, is het vooral om de manier waarop ze geschreven zijn, niet?

In een van de delen lees je een aantal bladzijden ‘geschreven door Dirk’ die geniet van het gezelschap van de liefde van zijn leven, Marie. Dirk is een heel gevoelige man, een dichter, met een groot ‘kosmosgevoel’ dat hem in deze tijd echt siert, want hij neemt geen vrede met de uitleg van actuele wetenschappers dat ons leven zich alleen hier en nu afspeelt. Marie gaat niet altijd met hem akkoord, maar ze vormen een prachtig duo.

En dan wordt Marie heel ernstig ziek. Nee, ik vertel niet wat ze aan de hand heeft. Zal ze sterven? Dirk vreest het even.

In een ander deel van de roman lees je Marie (in een heel andere stijl!) spreken over Dirk die ze zo mist. Ze beseft maar al te goed dat hij de man van haar leven is geweest. Dat ze soulmates zijn. Heeft Dirk haar verlaten? Nee, ik verklap niets!

En dan is er nog het deel waarin je brieven leest. Van Dirk aan Marie, die in dit deel niet lijfelijk aanwezig is. Brieven die nooit werden verzonden.

Dat deel heeft me, eerlijk gezegd, het meest aangegrepen. Omdat het je Dirk (toch de hoofdpersoon van het boek) zo goed leert kennen (en dus waarschijnlijk ook iets zegt over de auteur). Hoewel? Ik heb van mijn meest fantasierijke boek zo vaak moeten horen dat het wel heel autobiografisch moest zijn! Alleen mijn echtgenoot en onze kinderen zagen meteen in dat de meeste zaken uit mijn fantasie waren geboren.

En omdat het bij mij reminiscenties oprakelde. Aan brieven die ik elke dag schreef aan mijn grote liefde die ten gevolge van een hartinfarct drie weken in het ziekenhuis verbleef. Brieven waar alles aan bod kwam: wat ik deed, wat ik dacht, wat ik hoopte, wat ik miste, herinneringen, verwachtingen, bespiegelingen, filosofische bedenkingen, enz.

Hij ontving die brieven wel, in tegenstelling tot Marie uit Liefde en dood op Sint-André, maar daar hij geen schrijver is - ook geen brievenschrijver - bleef ik drie weken zonder klankkast. Nu, Dirk bleef twee jaar zonder respons, en Marie kreeg de brieven zelfs niet aan.

Ik weet dat een boek alleen maar ophemelen heel ongeloofwaardig overkomt. Dus nu nog even enkele negatieve puntjes.
Soms gebruikt Deleu Vlaamse woorden in plaats van AN-woorden (bijvoorbeeld ‘zetel’ versus ‘luie stoel’, ‘verhuis’ versus ‘verhuizing’, enz.). En af en toe kom je een slecht geplaatst afbrekingsteken tegen. Maar dat ligt volgens mij niet aan de auteur!

Jessy Maesen




LAATSTE DEEL DOOR ANDER GESCHREVEN IN AANGRIJPENDE ROMAN


Een wat oudere man wordt in de steek gelaten door zijn echtgenote. Tegen verwachting, maar zoals hij bleef hopen, komt zij weer bij hem terug, waarna zij een aantal gelukkige jaren doormaken. Een eenvoudig thema, reeds tienduizenden keren beschreven. Toch weet de Vlaamse schrijver, dichter en essayist Thierry Deleu er een beklemmende roman over te schrijven. Hij stelt onontkoombare vragen over ouder worden, liefde en werk, leven en dood. Deleu heeft deze roman in de vorm gegoten van een autobiografie. Zelf spreekt hij van een ’fictieautobiografie’.

Hoewel het al zo’n twee jaar geleden is dat zijn vrouw met een nieuwe collega naar Zuid-Afrika afreisde, is Dirk allesbehalve over het verlies heen. Het lukt hem niet om een nieuw zelfstandig en evenwichtig leven op te bouwen. Zijn vrouw is zijn grote liefde; die liefde voor haar blijft ongebroken.

Langzamerhand raakt Dirk zijn vrienden kwijt; zijn vrouw blijkt een groot aandeel te hebben gehad in het onderhouden van de contacten. Hij heeft ook weinig behoefte aan contact; tegelijk verwijt hij ze weg te blijven. Een groot deel van zijn tijd besteedt hij aan het schrijven van brieven aan zijn vrouw. Die vormen het eerste deel van het boek. Deze brieven kan hij niet verzenden; haar adres weet hij niet. Hij kan dus weinig anders doen dan de brieven bewaren - voor als ze ooit terugkeert.

In deze brieven schrijft hij over zijn versleurde en leeg geworden dagelijks leven en betuigt hij zijn liefde aan haar. Voortdurend is hij bevangen door twijfel of hij wel genoeg heeft ’geïnvesteerd’ in hun relatie, is hij niet te egocentrisch geweest, heeft hij genoeg oog gehad voor haar behoeften? In de brieven kijkt Dirk terug op zijn verleden, zijn eerste huwelijk, zijn carrière tot dan toe, hij relativeert veel, en besluit dat zijn Marie de grote liefde van zijn leven is. Ondertussen lijkt hij ook te groeien, al contemplerend krijgt hij meer inzicht in zijn eigen leven, en weet hij bepaalde voorvallen beter te relativeren. Opvallend is dat de hoofdpersoon ’pas’ begin zestig is, denkt en redeneert als een oude man, die het einde van zijn leven binnen afzienbare tijd verwacht. In feite balanceert de hoofdpersoon in het eerste deel voortdurend op de rand van een depressie.

Het tweede deel van het boek wordt door de hoofdpersoon verteld. Daarin - schijnbaar tegen alle regels van de moderne roman in - komt Marie terug. De relatie met de man met wie zij was weggegaan is een afknapper geworden; ze ontdekte dat ook voor haar de relatie met Dirk de liefde van haar leven is. Hun relatie wordt opener. Zij brengen een heel gelukkige tijd door samen.

Toch voel je bij al dit geluk de nadering, heel langzaam, van dreigend onheil. Dat onheil komt, maar op een wijze die uiteindelijk volkomen onverwacht is. Het leidt ertoe dat de hoofdpersoon deel III niet meer schrijft.

Liefde en dood op Sint-André is een aangrijpend boek. Het confronteert de lezer onontkoombaar met de vragen van leven en dood, en de treurigheid van gemiste kansen. Door het gewone, dagelijkse taalgebruik, voor een lezer van boven de grote rivieren nog versterkt door het Vlaamse idioom, en de vaak in ’close-up’ beschreven dagelijkse kleine gebeurtenisen, zoals het boodschappen doen, het bezoek van iemand, een gewonde vogel die weer opknapt, komen de overpeinzingen en overwegingen des te confronterender aan.

Als de postbode de deur uit is, scheur ik driftig plastic verpakkingen, brieven, folders open. Ik zoek naar een spoor, een teken van jou, een brief aan jou gericht, een brief van jou aan mij gericht… Elke ochtend, elke dag en op zaterdag slaap ik lang uit. (blz. 85)


Herinner je je nog die namiddag, toen het ineens begon te pletsen en wij gingen schuilen in een schuur? We waren onderweg van Wulpen naar huis.


”Hoe doe je dat, geloven?” vroeg je mij.
Ik zei: ”Je doet het niet, het overkomt je. Je hebt het in jou, maar soms is een mens te trots om het toe te geven. Laat je gaan en wat moet komen komt.”
Je leek mij verward en onzeker. (blz. 115)

Het boek laat de lezer nadenken over zijn eigen leven. Het doet beseffen hoe gemakkelijk de moderne bezige mens zijn relaties en liefdes als vanzelfsprekend ervaart, en vergeet ze te onderhouden. En hoewel de toon vrijwel steeds melancholiek is, de hoofdpersoon zich steeds ouder lijkt te voelen dan hij is, is het geen treurig boek. Eigenlijk is het een vitale, levenslustige ode aan het leven, een oproep om zijn leven intense te beleven.

Geen licht boek, maar wel een aanrader!

Dick van Zijderveld

17 maart 2010

Nieuwe bundel van Paul Rigolle

Poëzie van een robuuste élégance

door Bert Bevers


Hij is al enige tijd uit, maar eindelijk is er een nieuwe bundel van Paul Rigolle. Het was al van 1986 geleden dat de laatste, Overal en op alle plaatsen, het licht zag. Da's al zowat een kwart eeuw geleden....Ik lees de poëzie van deze West-Vlaamse dichter al jaren erg graag. Hij schrijft gedichten om op te kauwen, om na te proeven, met straffe regels als Dit leert ons de verdoving: de bovenbouw / van de macht is een stadion vol strafschopgebieden. En een zomer die paarsgelakte nagels draagt alsof hij een begenadigd dichter was. En Stuurs: vóór de open wonde van het raam / spreekt een oude winter hardop voor zichzelf. Rigolle prikkelt je fantasie, zet je aan het denken. Met Om te zijn wat men al of niet wil zijn, moet men / in de polsen van nu en nooit. Met Heffen wij een loflied aan. Zuigen wij in Zijn naam // op de gekleurde rietjes van de eeuwigheid. Met Zomer zal het zijn als op mijn papier de hagel slaat. Nu voegde hij 43 gedichten aan zijn oeuvre toe. En ook die staan boordevol beklijvende beelden en regels.

De titel van de nieuwe bundel is Van het hart een steen. Hart is een woord waaraan Paul Rigolle (˚ 1953, Roeselare) trouw is. Het dook reeds in al zijn boeken op: Het hart bewoond, bezet / door de hondstrouwe gestalte van een blues (uit De gestalte van een blues, in Mond- en clownzeer uit 1980), Als een vorm rondom een inhoud / leg ik een hart onder een arbeidershand (uit de Epiloog van De Hel van het Noorden uit 1982) en Nooit zo kreupel lijkt weer het hout als jij / op de snelwegen van mijn razend hart verschijnt (uit Bulscampveld, in Overal en op alle plaatsen uit 1986).

In zijn jongste bundel duikt het (inclusief bijvoorbeeld hazen- en een winterhart) niet minder dan 9 keer op. En dan opent de bundel ook nog met het motto 'Het hart is een holle spier in de borst van mensen en hogere dieren'. Dat komt niet uit een literair werk, maar uit Van Dale, Groot Woordenboek der Nederlandse Taal, veertiende, herziene uitgave 2005, pagina 1328. Origineel.

Het wijst ook vooruit naar de regels die de auteur wijdt aan een minder aangename periode, waarin hij geconfronteerd werd met problemen met zijn eigen holle spier in de borst. In de cyclus Coronarografie refereert hij aan zijn pech: De chirurg spreekt zalvend. Het is zo geklaard. En: Hij spuit de antistoffen in. Het heeft een kleur, / alles heeft een kleur. Aders, vaten communiceren, / geven het ritme aan. En: Dat dwaze hart dat driest en dik na al die tijd nog altijd / alles wil [....]. Gelukkig voor zijn lezers is Paul Rigolle weer helemaal op oorlogssterkte, Alive and well.

Het hart is dus stevig verankerd in zijn werk. Rigolle is bepaalde woorden sowieso trouw. Neem, in deze bundel winter (inclusief verwanten als winterhart en hongerwinter) dat je 8 keer ziet verschijnen. Of foto (4), film (4), sneeuw (7) en licht (13). Spiegel, een woord dat je ook in al zijn eerdere bundels reeds tegenkwam, geeft in Van het hart een steen ook weer acte de présence. Betekent dit iets? Dat het sleuteltermen zijn, dat ze onvervreemdbaar onderdeel van zijn systeem uitmaken.

De bundel is onderverdeeld in zeven cycli van respectievelijk zes, zeven, negen, acht, drie, zeven en drie verzen. De eerste reeks, eerder gepubliceerd in het tijdschrift voor poëzie De Houten Gong, is Winterhart. De eerste regel is Lang was het stil, waarmee hij lijkt te refereren aan het gat van 23 jaar dat tussen de vorige en de onderhavige bundel ligt:

Gebaar


Lang was het stil. Stil als een taal die slaapt,
etmaal in een seizoen dat nooit zovel traagheid
kent als men het heeft gedroomd. Stil als tijd
die ongemerkt in een gezicht heeft uitgehaald.
Hoe men op een dag de toon, de toets,

het barre land terug moet vinden, is wat hem
voor ogen staat. Mager, roerloos, takken uitgesneden
in het ochtendlicht, heffen zijn armen zich
naar de hemel op;. Het lijkt op een gebed
voor wie hem niet verstaat. Dit is de ochtend

van het blind gebaar, hij breekt het licht weer aan.
Om alles wat wit zal zijn, om tijd die met hem
verstrijkt wil hij blijven tot het sneeuwt.

Meerdere gedichten uit deze bundel verschenen trouwens eerder in bloemlezingen en literaire tijdschriften. Ook werden er her en der reeds bekroond. Zo waren er goed voor de poëzieprijzen van Harelbeke, Merendree en Oostende.

Paul Rigolle is een dichter met een brede blik. Hij is geen navelstaarder, maar weet de wereld om zich heen. Wat hem daarin zoal raakt geeft hij een plaats in stevige gedichten. Want dat zijn ze, niet alleen inhoudelijk maar ook qua vorm: zijn poëzie staat letterlijk en figuurlijk als een huis. Het kortste gedicht telt nog altijd elf regels. Zijn verzen zijn over het geheel genomen breed. Zoals gebruikelijk heeft hij weer oog voor sport (Rigolle schreef ook wielerboeken: Op de helling en met - Patrick Cornillie - Vélo-dromen: het wielrennen in de Nederlandse literatuur). Stelde hij eerder scherp op onder meer roeiers, wielrenners en tennissers, deze keer komen schaatsers en zwemmers voor het voetlicht.

Zoals gezegd, geen navelstaarderij maar een weerspiegeling van het leven in alle faetten. "De poëzie van Rigolle karakteriseert zich door een complexe diagnose van het moderne bestaan, die veel dieper graaft dan alleen maar de blote expressie van vreugde en verdriet zonder noemer," noteerde Jef Boven al na lezing van De Hel van het Noorden. Die analyse blijft actueel.

Veel gevoel, dat zeker. Maar strak verwerkt in het grotere geheel. Of, zoals Philip Hoorne het in Knack verwoordde: "Paul Rigolle beteugelt zijn opwellende emoties even strak als zijn strofen. Korte zinnetjes en zinsdelen. Van komma naar komma tot punt bouwen de gedichten zich op in een immer krachtige taal." Een voorbeeld:

Lamp


Wat hem lief is heeft hem omringd. De dingen
vertellen meer dan hij dat kan. Alles op de tast.
Handgemaakt, een specht uit Praag die
klimt op eigen kracht. Renner van azuur,
Provencaals, de Mont-Ventoux. De danser

die met zijn voeten praat, de man die dacht
dat hij een schip kon zijn. Een kei, een kans,
het potlood dat om zijn geluid de voorkeur krijgt
op het goud van elke pen. Er gloeit een lamp.
Zijn vinger aait het hout, de verloren lomp

die in het papier verborgen zit. Zijn kleine handen
baden in een kring van licht. Hij schrijft de ochtend op
die hem, aanwezig in ieder ding, betrappen mag.

Ik vind dit mooie, geheimzinnige poëzie. Prikkelend, verrassend. De reeks Too late blues is deels geïnspireerd door de acteur-regisseur John Cassavetes en diens werk. Cassavetes (1929-1989) schitterde als jong acteur in de televisieserie Johnny Staccato (1959) en in de klassieker Rosemary's Baby (1968) en draaide zelf rolprenten als Shadows (1961) en A Woman Under The Influence (1970). Op de een of andere manier denk ik - dat zal door Johnny Staccato komen - bij de naam Cassevetes altijd in zwart-wit , en ook de poëzie van Paul Rigolle is voor mij zwart-wit. Niet inhoudelijk, maar qua sfeer. Ik zie er vaak kringelende rook bij, hoor er ijsblokjes bij in een borrel tinkelen, vermoed er broeierige muziek bij.

Een bijzonder mooi drieluik vind ik Insel Hombroich, geschreven naar aanleiding van een bezoek aan het adembenemend mooie openluchtmuseum in Neuss, nabij Düsseldorf (een aanrader, maar dit terzijde hier). Het laatste paneel daarvan:

III

Strompel maar aan gestalte, laat het hangen klank.
Groet en registreer wat telkens weer
in een toponiem herwonnen wordt.
Toren, kluis en labyrint. Melkweg, firmament.
Het gebouw als slak, het gebouw als hart.
Lang en breed, de weg ligt open, de weg ligt vast.

Deinend als een snek op een zee van groen
laten wij de grenzen varen. Verloren paradijs.
Droomland dat niets aan kracht heeft ingeboet.
Roep en roep opnieuw. Kwadrateer. Een glimlach
barst in ons in lachen uit. In een oogwenk
staat alles stil en opgeschort zoals het hoort.

Deze man kan, voorwaar, goed waarnemen. Bemerk dat ook hier weer het hart opduikt. De auteur zelf zei, op De Contrabas, over zijn jongste boek: "Ik hou wel van het geheel en het opzet van deze bundel. De metafoor van het hart loopt als een kleine rode wichelroede doorheen Van het hart een steen. Ook het gegeven dat het leven veel van deze gedichten in de jaren van hun ontstaan is komen nadoen, en niet omgekeerd, maakt de bundel voor mij speciaal. Het hart zelf sputterde in de loop van de jaren dat de gedichten geschreven zijn, zelfs letterlijk tegen. Als wilde het volop deelnemen aan deze gedichten. In die zin zit in veel van de gedichten in Van het hart een steen een pak 'voorzienigheid'." Van het hart een steen is wat mij betreft een van de sterkste bundels die onlangs verscheen. Paul Rigolle schrijft een poëzie die aan je blijft haken, poëzie van een robuuste élégance.

Mond- en clownzeer, Yang Poëziereeks, Gent, 1980
De Hel van het Noorden, Vers, Sint-Niklaas, 1982
Overal en op alle plaatsen, Crop & Sla, Ettelgem, 1986
Van het hart een steen, Poëziecentrum, Gent, 2009

Gedicht van Tine Hertmans

gedicht voor een dode poes


het kwam genadeloos
en hard
de dag bleef grauw
en roerloos hangen
verdriet vermengd
met oeverloos verlangen
naar wat nooit
meer komen zou
ik bleef achter zonder jou,
wanhopig en verward

ik hoorde weer je
pootje tikken op de ruit
omdat je binnen wou
ik voelde weer je
fijne natte snuit
zich ronkend nestelen
in mijn door koorts
geklitte haar,
want wijl ik mijn ziekte
onnoemelijk bevocht en
schamel restjes warmte zocht,
mijn poes, mijn troost,
was jij toch daar

je vacht was zijde
en je ogen vonkten vuur
'k was niet alleen
in menig pijnlijk uur,
totdat een mens
die doden tot een
passie had verheven,
zich aan je tenger leven
heeft vergrepen

tine hertmans

16 maart 2010

The Knights of the Razorblades


Beste vriend,
Lieve vriendin,
Geacht lid van “The Knights of the Razorblades”,

Je bent blijkbaar je eerste enthousiasme kwijtgespeeld. Daar kunnen vele redenen voor zijn.

- Een eerste die bij mij opkomt: de nieuwte is er af! Je bent (te) lang uit het ei, de kinderbroek is al jaren uitgedaan, de storm- en drangperiode is over, nieuwe bezems worden vlug oud.
- Of je verwart je edele titel met status, met een verdienste waarvoor je geen inspanning (meer) moet doen, de referentie en de buit zijn binnen, bij dit soort van mensen bestaat er geen inspanningsverplichting.
- Misschien werd jij (licht)geraakt door de kritiek van derden die jou wezen op verwantschappen die er niet in die mate zijn.
- Had jij meer verwacht van het initiatief? Zo ja, doe dan aan zelfkritiek in zijn puurste vorm. Is het niet naar je zin, doe er dan iets aan!
- Of zijn er onderhuidse ruziën?

“Waarom verschijn je nooit (meer) op tornooien? Waarom zie ik jouw vaandel niet meer, je schild, je (zege)kreet? Zijn er foute afspraken gemaakt? Of voel je je niet meer thuis bij dichters en andere kunstenaars? Of andersom?”

Reageer op de website van ons genootschap. Doe het eerlijk en vooral: doe suggesties. Maak op- en aanmerkingen op onze principeverklaring. Op onze statuten. Op onze werking. Op de site zelf.

De stichters van ons genootschap zullen al je suggesties en je ongenoegens onderzoeken. Zij hebben er alles voor over om een revival te krijgen.

Derek van ’t Gulle Zand,
Meester-Ridder van het Rozenscheermes
PRO MEMORIE

UITNODIGING
VOOR VRIENDEN EN TROUWE LEZERS

“Ik zou dolgraag hebben dat jij erbij bent!
Ook als je partner verhinderd is!”

(Thierry)


10 VLAAMSE EN NEDERLANDSE DICHTERS GEBUNDELD IN

KLAPROZEN EN KAMERMUZIEK


ONDER WIE VIER UIT DE WESTHOEK

Thierry Deleu (Oostduinkerke), Jenny Dejager (Lo-Reninge), Floor Deroo (Ieper) en Fernand Florizoone (Koksijde)

10 Vlaamse en Nederlandse dichters werden geselecteerd door Hannie Rouweler en Thierry Deleu voor de Vlaamse Demer Uitgeverij.

Een prestigieuze bundel met gedichten van Fernand Florizoone, Jenny Dejager, Paul Gellings, Thierry Deleu, Marleen De Smet, Joris Iven, Bert Bevers, Floor Deroo, Guy van Hoof en Hannie Rouweler.
De 10 dichters zijn een voor een gelauwerde poëten in binnen- en buitenland.
Klaprozen en kamermuziek is een nieuwe uitgave van Demer Uitgeverij!

VOORSTELLING:
Op zaterdag 20 maart 2010 in de Kok-pit van het nieuwe gemeentehuis in Koksijde, Zeelaan 333, om 11 u.

* Welkom pr cultuur, Ilse Chamon.
* Welkomstgroet burgemeester & parlementslid Marc Vanden Bussche (eventueel - hangt van hemzelf af).
* Overhandiging eerste ex. aan de burgemeester door Thierry Deleu.
* Thierry Deleu leidt de 10 dichters kort in.
* Dichters Fernand Florizoone, Joris Iven, Marleen De Smet en Bert Bevers en Paul Gellings lezen elk één gedicht.
* Voordrachtkunstenares, Ilse Chamon, leest van de dichters uit de Westhoek Jenny Dejager, Thierry Deleu, Floor Deroo en Fernand Florizoone (nogmaals) één gedicht voor.
* Thierry Deleu geeft korte uitleg over afhalen/verkoop boeken
* Ilse Chamon nodigt uit tot de receptie
* Receptie

Het boek kost 15.00 € (verzending excl.) en 17 € (verzending incl.)

13 maart 2010

Bomen


Herkenbaar zijn de bomen
nu ik terugkeer naar de
plek van mijn jeugd.

Zoek de sporen van mijn
voetstappen die in de jaren
zijn vervaagd door de tijd.

Huizen als stille schaduwen
die zijn omgeven met de
beelden uit een verleden.

Zal niet verdwalen maar
zoek naar een teken van
wat eens heeft bestaan.

Dwaal verder door bekende
straten op zoek naar een tijd
die voorgoed verloren is gegaan

Paula Hagenaars


Hond en kat en andere beestjes




Opbrengsten zijn bestemd voor de Dierenbescherming Nederland (Den Haag) en Gaia (België).
Paperback, gebonden uitgave, kleurendruk met afbeeldingen: 48 pagina's
€ 19,00

GEBONDEN POCKET UITGAVE. Gedichten over dieren, met afbeeldingen - in kleur - van verschillende dieren in de bundel. Uiteenlopende dichters publiceren in deze dichtbundel gedichten over een dier: Annmarie Sauer, Arjan Braam, Catharina Boer, Chris Van Buggenhout, Christina Guirlande, Cyriel Gladines, Erik Verstraete, F.A. Brocatus, Floris Brown, Hannie Rouweler, Henk van Zuiden, Herman Rohaert, Herwig Verleyen, Jeannette Coppens, Jenny Dejager, Joris Iven, Kristel D'Huysser, Leo Vroman, Lucienne Stassaert, Marije Kos, Mark Meekers, Marleen De Smet, Miller Caldwell, Patty Scholten, Paula Hagenaars, Pien Storm van Leeuwen, Roger Nupie, Rose Vandewalle, Rozemarijn van Leeuwen, Tanya van der Wacht, Theo van der Wacht, Thierry Deleu, Tjarda Eskes, Wim van Til en Yerna Van den Driessche.

We lezen en glimlachen bij gedichten over een waterhoentje, walvissen, poezen, een winterkoninkje, een bever, reigers, een merel. Opgenomen op de foto's kijken katjes, een hond en olifanten de lezer aan, terwijl op de achterflap een meisje een dolfijn zoent ... Het zijn momentopnamen van vrede en rust, die indruisen tegen de toenemende gewelddadigheid van deze tijd.

ERIK VERSTRAETE in ’t Pallieterke (februari 2010)

Mooi uitgegeven, mooi gedrukt, lieve inhoud, en mooi doel!
LEO VROMAN (U.S.A. / Texas, maart 2010)

Website boek: http://www.lulu.com/content/7817820
ISBN 978-1-4457-2011-1
Uitgever Demer Uitgeverij
© 2010 alle dichters (Standard Copyright License)

Nederlands
België
Page Count 48 pagina's
Grootte U. S. Handel
Perfect Bound
Interior Color Full-color

Ook rechtstreeks te bestellen bij Demer Uitgeverij, E Publisher
Euro 24
(inclusief internationale verzendkosten – bundel wordt gedrukt in Londen/Engeland -
en verzendkosten binnen Nederland en België)

info@demerpress.be
hannierouweler@telenet.be