Redactie: Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Thierry Deleu (eindredactie), Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Jan Van Loy, Dirk Vekemans

Stichtingsdatum: 1 februari 2007


"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"

"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.

30 december 2009

Gastredacteur (zie linkerkolom) Alphonse D'Heye - deel 1


                                                                           Alphonse D'Heye


Vernam net van Willem M. Plugge dat vandaag, dinsdag, in de namiddag, Herman J. Claeys aan een hartstilstand is overleden.

Info over begrafenisplechtigheid volgt zodra meer info beschikbaar.


Roger Nupie.

De Geletterde Mens wordt gretig gelezen

Visits

Total ....................... 19.872
Average per Day ................. 99
Average Visit Length .......... 2:31
This Week ...................... 692

Page Views

Total ....................... 31.953
Average per Day ................ 159
Average per Visit .............. 1.6
This Week .................... 1,113

http://sm1.sitemeter.com/stats.asp?site=sm1derek

Kerst- en nieuwjaars(weder)wensen van (8)

Luc C Martens
Chantal Soenen
Hugo Verstraeten
Ghislain Sere
Yvonne Né
Rik & Magda Stekelorum
François Vermeulen
Lidy De Brouwer
Freek Neirynck
minister Schauvliege
Alphons D'Heye
Maarten van den Elzen
Genoveef Lukassen
Freddy Degrendel
Hilde Buggenhoudt
Jo Neirynck
Jan Verbeke Producties nv
Trees Van Aerdebrugge
Mark Meekers
Julie Goderis

Nieuws

Vlaamse tijdschriftenwereld verder uitgedund


Het Vlaamse literaire landschap wordt komend jaar verder gekortwiekt. Weblog De Papieren Man meldt dat een aantal Vlaamse literaire tijdschriften ermee zal ophouden, waaronder Het Trage Vuur, Revolver en Met Andere Zinnen. Het Vlaams Fonds der Letteren (VFL) heeft daartoe besloten. Gelukkig behouden Spiegel der Letteren, DW B, De Leeswelp, De Brakke Hond, Zacht Lawijd en Deus ex Machina hun financiële ondersteuning.

Administratieve lasten zijn een groot probleem, zo blijkt, als we naar de motivatie van de drie gestopte tijdschriftredacties kijken. "De Adviescommissie tijdschriften betreurt het stopzetten van drie literaire tijdschriften op initiatief van de redacties," zo luidt het in een persbericht. "Dat de hoofdreden voor het stopzetten van Revolver de toegenomen administratieve last is, vindt de commissie extra spijtig." En: "Vooral de tijdschriften die geregeld werken met auteurs die in het buitenland gevestigd zijn, kreunen onder het toegenomen papierwerk."

Bron: http://papierenman.blogspot.com


30 januari: Walter Haesaert - 75 jaar
De Stad Tielt viert Walter Haesaert naar aanleiding van zijn 75ste verjaardag op zaterdag 30 januari 2010 om 20u30 in theater Malpertuis.

Op zaterdagavond zit hij mee aan tafel met vier gereputeerde collega’s: Hugo Brems, Bernard Dewulf, Koen Stassijns en Jooris Van Hulle. Het wordt een gesprek onder vrienden-dichters over poëzie in het algemeen en over de poëzie van Walter Haesaert in het bijzonder.

Af en toe schuift ook Wim Opbrouck bij voor een muzikaal intermezzo.

Dit huldebetoon is een organisatie van theater Malpertuis met als partners: de Stedelijke Bibliotheek, de Stichting Jean Lemey en de Stedelijke Raad voor Cultuurbeleid.

Het initiatief wordt gesteund door het Poëziecentrum, de stad Tielt, de Uitgeverij Lannoo en de Vossen van Malpertuis.

Gedichten Luc Martens

MIJN BLOED IS MOE


a. het gazon parelt

het gazon parelt een nieuwe dag.
met champagnekurken staat geschreven
dat ik niet meer vloeibaar ben
al sinds een halve eeuw.

ik nam feilloos de klip en zuig
nog met vaste voet de dauw;
vruchtwater van alle tijden dat
- pas gebroken - mij zal leiden
naar een land van herfst en sneeuw

maar bij het kimmen van de zon
is alles groen en wit en blauw
en zingt mijn tuin benauwd.
waarom vergrijsde blaren harken
terwijl de agapanthus bol te leven staat
en ik een afspraak heb met specht en spreeuw

b. wanneer mijn bloed

wanneer mijn bloed straks stil staat
laat dan de gordijnen open.
geen zwarte sluier rondom de catalpa,
tussen de lavendel geen chrysanten.
snoei de buxus niet voor juni.

droom in duinen van Monnet,
breek met vaste voet de golven.
verover verzande luchtkastelen,
drink een blos op je wangen.

ga juichen in het zuiden, bewandel elke dijk,
drink op je balkon een liter sangria
en bekèn de warmte van zoveel dagen.

sta dan stil en voel de droge gloed
van mijn verstrooid verleden.

geef de geraniums elke avond water.

selectie Jules Van Campenhoutprijs (2008)

c. mijn bloed

mijn bloed is moe, verzuurd van luie regen
versperd de wegen die ik nog wilde gaan
verplicht te rusten onder vroege palmen,
onverwachte bloemen van onrijpe vruchten
groen van onmacht, klein ontdaan.

mijn bloed is moe, vertraagd door teveel stikstof
gestolen de zuurstof die ik nog wou delen
met jonge bomen en het verwelkte water
in mijn hoofd regent het dagen
die ik allemaal moet gaan

Cyclus gepubliceeerd in GIERIK en NVT
jaargang 27, zomernummer 103, 2009

zus

achter glas naait zij. op planken.
in de gaten van jaren. een rechte steek,
een kruisjessteek, mijn naam.
met schoenveters of scoubidou.
ze blijft kleuren tussen te dikke lijnen.
puzzelt alleen, met grote stukken.
maar weet altijd en overal de weg,
leest dikke catalogen, over alles.

in haar dubbele brilglazen
het archief van duizend foto’s.
altijd mooi zijn. altijd zondag.
wat ziet ze in de spiegel ?
een gevallen steek ? een puzzel
waar een stuk ontbreekt ?
ze zoekt achter glas waarom zij
het verkeerde water kreeg.

2de prijs ACW poëzie prijs “Zo zal ik je schrijven” regio Gent-Eeklo -2009

Cyclus: De dans der dwazen

a. in Afrika

in donker licht van duizend sterren,
honderd witte discotanden
bezoek aan het zwart gezicht
van een dorp dat weer ontwaakt

op het ritme van haastige djembés
dansen barvoetse vrouwen
de dans van de pelikaan
alsof het hun laatste was.

wij proberen op het geschoeide zand,
swing, quickstep-slow of foxtrot;
de kalabas verliest zijn kadans
in onze dans der dwazen.

b. in Japan

witte hemden, zwarte broeken
halen de ochtend in
op het ritme van elk voetpad
beweegt een duizendpoot.

niemand struikelt, niemand valt
niemand te laat, niemand kwaad
een gespleten wereld
vol rauwe, korte klanken,
de glimlach verkrampt.

witte hemden, zwarte broeken
lopen voor de avond uit,
dansen op elk zebrapad
de dans der dwazen.

Het gedicht ‘In Japan’ was genomineerd voor de poëzieprijs vzw Symbiose van de stad Dendermonde

c. in het Midden-Oosten

tussen zand, versteende rozen
dragen woestijnschepen hun water
voor thee onder dak van nomaden
of voor grillen van oliesjeiks

die hun ogen laten wennen
aan het groen van èchte bomen,
bevloeid met kilometers water
geruild voor olie in de pijp.

op tapijten tussen vele kussens,
door appels en tabak verleid, lurk ik
op het ritme van het noorden de waterpijp,
dans veel te vroeg de dans der dwazen.

Luc.C.Martens

29 december 2009


Hond en kat en andere beestjes


by Hannie Rouweler, verschillende dichters
Paperback, 32 pages
Print: €14.00
Download: €4.00

Gedichten over dieren.
Uiteenlopende dichters publiceren in deze bundel gedichten over een dier.
Met dierengedichten van Catharina Boer, Floris Brown, Miller Caldwell, Jenny Dejager, Thierry Deleu, Tjarda Eskes, Christina Guirlande, Joris Iven, Mark Meekers, Roger Nupie, Hannie Rouweler, Annmarie Sauer, Patty Scholten, Lucienne Stassaert, Rose Vandewalle, Wim van Til, Henk van Zuiden, Erik Verstraete en Leo Vroman.
Opbrengst van de uitgave is bestemd voor de Dierenbescherming.

Nederland: ING/Postbank 3424272 t.n.v. J.R.M. Rouweler, Diepenbeek, Belgie
Belgie: Fortis 001-4253999-43 t.n.v. J.R.M. Rouweler, Diepenbeek.
Buitenland (Z. Afrika): voor 1 bundel/1 exemplaar, incl verzendkosten: euro 20.
IBAN: NL 19 PSTB 0003 424272 BIC PSTBNL21 (Nederland!): bankrekening 3424272 t.a.v. J.R.M.
Rouweler, Diepenbeek, Belgie (2 ex. zijn ook mogelijk, indien wenselijk, ad euro 38, incl verz. kosten)

28 december 2009

splitsing



Als stiltes vallen door zwijgen
het donker en kil is in je ziel.

De zon voor jou wil schijnen, je
ogen het licht niet willen zien.

Je op een splitsing staat even
de weg bent kwijt geraakt.

Niet meer weten welke kant je
moet kiezen of zal verder gaan

Met een hart vol van twijfel,
of geluk nog voor jou zal bestaan.

Kom dan bij mij laat me je
helpen de goede weg te vinden.

Waar je weer het zonlicht maar
ook het geluk zal hervinden.

Paula Hagenaars
Langs beide oevers van de Maas


Naar aanleiding van het honderdjarig bestaan van het Limburgse volkslied heeft Hannie Rouweler 42 Nederlandse en Vlaamse dichters uitgenodigd om een gedicht over Limburg te schrijven. De gedichten zijn samengebracht in de bundel Langs beide oevers van de Maas. Bovendien schreef Joris Iven een beknopt overzicht van de Limburgse poëzie dat aan deze bundel is toegevoegd. De bundel werd mede mogelijk gemaakt door de ondersteuning van de provincies Nederlands en Vlaams Limburg en de stad Venlo.

16 euro
te bestellen:
uitgeverij@kleinood-en-grootzeer.com

Kerst- en nieuwjaars(weder)wensen van (7)

Tine Hertmans
Peter Motte
Pier Bossuyt-Byttebier
Stefaan Bral
Elisabeth Busschaert
Job Degenaar & Tine Bruin
Martin Wings
Johan Vanhoutte

KERSTVERHAAL

De laatste tijdelijk uit zijn inrichting ontsnapte echte katholiek, stond luidkeels zijn kerstboodschap te verkondigen in een drukke winkelstraat van een middelgrote provinciestad.

Het ging over matigen, eenvoud, geluk en over een dakloos echtpaar dat met een ezel, een stal had betrokken in Verweggistan.

De meeste voorbijgangers schonken geen aandacht aan hem en liepen gehaast door, op weg naar meer, steeds meer, als het maar lawaai maakte, glinsterde of met lichtjes knipperde.

Maar soms maakte iemand een praatje met de katholiek, zoals het meisje dat tegen hem zei, dat zij de boodschap begrepen had en haar kleding eenvoudig zou houden met kerstmis. Ze zou alleen een rode puntmuts dragen met ingebouwd lichtje, rode laarsjes, en een minuscuul rood tangaslipje. Neen, ze ging nergens naar toe met kerst, ze bleef lekker thuis.

Een dakloze sprak de katholiek aan over matigen, dat zou hem de eerste tijd niet lukken, dit omdat hij het te druk had met alle voor daklozen georganiseerde kerstvieringen.

Om geen enkele bijeenkomst te missen had hij zich zelfs verplicht gevoeld om een agenda te stelen.

Hij rende van hot naar her, kerstpakket afhalen bij de voedselbank, nieuwe kleding passen bij de kledingbank, kerstontbijt in het slaaphuis, kerstdiner bij de dagopvang, tweede kerstdag eten bij het open huis, oudejaarsviering bij het Leger des Heils en zo ging het maar door. Pas na de nieuwjaarsreceptie van de sociale dienst zou hij aan matigen en rust toekomen.

Een overigens keurige oudere dame had hem zelfs bij haar thuis uitgenodigd om kerstavond met haar door te brengen, maar dat ging hem wat ver, dakloos is dakloos toch? Die dame moest haar geluk maar bij iemand anders zoeken.

De laatste echte katholiek begon wat schor te worden, boodschappen verkondigen viel warempel nog niet mee en het werd koud en donker en hij had dorst. Een slok bier uit het blikje van een langskomende alcoholist had hij geweigerd, het was zijn merk niet, of eigenlijk, het was geen merk. Langzaam werd het stiller om hem heen, het einde van de koopzondag, maar toen hij om negen uur s’avonds nog stond te krakelen, werd hij opgepakt door een langsrijdend politiebusje en terug naar de inrichting gebracht. Waar mee ik maar wil zeggen dat er best nog wel goede mensen zijn, die het beste met úw wereld voor hebben.

Martin Wings
http://www.martinwings.nl/

27 december 2009

Uit het archief: brief dd. 14 februari 2008

Beste vriend,

Jouw stilzwijgen hangt mij de keel uit. Ik weet nochtans dat je de stilte verfoeit, dat je binnensmonds brieven kauwt en herkauwt tot “terechtstellingen”. Vanuit de hoogte waar ook Claus vertoeft, Geeraerts en Brusselmans, kijk je op mij neer, weliswaar met een glimlach als een lieve vader die ook de kleinsten het kleine geluk gunt. Geluk? Dit is voor mij een hutsepot van respect, tolerantie en vriendelijkheid. Heb je van zo’n brij al eens geproefd, vriend? Doe het: het is heerlijk van smaak en het scherpt je geest aan tot biologische helderheid en normale proporties.

Ik werk thans ijverig aan het eerste jaarboek van “De 50 Meesterdichters van de Lage Landen bij de zee”. Vele meesterdichters kregen recent literaire prijzen, onderscheidingen en erkenningen. Zouden ze dan toch niet zo klein en onbekend zijn als jij dacht? Ik denk aan Frans de Birk (N), Martin Carrette, Greta Casier, Gwen Deprez, Marleen De Smet, Fernand Florizoone, Patricia Lasoen, Frédéric Leroy, Mark Meekers, Ruud Poppelaars (N), Ina Stabergh, Yerna Van Den Driessche. Zij vallen in de prijzen als blaren van de bomen in de herfst! Nu reeds zijn 150 ex. verkocht. Het boek wordt niet eens aan anderen met veel tamtam aangeprezen, een e-mail zal moeten volstaan. Ik hoop dat de pers en de bibliothecarissen, nu eens niet uit meevoelen, maar uit waardering, ruchtbaarheid zullen geven aan dit initiatief. (Tot op heden mocht ik niet klagen, hoor!) Het jaarboek wordt voorgesteld in Koksijde, vermoedelijk met een academische plechtigheid op het gemeentehuis.

Stilaan voel ik de last van mijn leeftijd (van ouderdom is nog geen sprake) op mijn schouders doorwegen. Ik werk hard en soms verkrampt en voel het einde mentaal naderbij komen. Gelukkig heb ik een pak mental coaches om mij heen: mijn vrouwtje, mijn kinderen en kleinkinderen, enkele (nieuwe) vrienden. Dit doet goed. Ik wens jou ook zoveel geluk, maar ik voeg hier onmiddellijk bij dat ik er moeite voor doe, elke dag, en… volgens ingewijden ligt dit niet in mijn aard. De verwijten ken ik nu stilaan wel: egocentrisme, nieuwzucht, van een andere wereld, ongeduldig, eigengereid, niet eeuwig dankbaar. Ik wil niet meer de moeite doen om deze dingen te weerleggen. Eén bedenking: ze zijn niet correct! Neen, ik laat mij niet graag leiden, begeleiden, indoctrineren, accapareren, inkapselen. Ik ben een vrij denkende mens die geen fundamenten tolereer die mij doen stagneren, die mij als een erkende fossiel doen leven. Ik ben echter geen grijze mus die door het labo van de fanatieke denkers werd ingespoten met “valse zekerheden”. En ik besef, je sais, je sais, dat dit aanstoot geeft tot misverstanden en veroordelingen. Tant pis!

O ja, sommigen zeggen dat ik hen in de steek laat “als een hond zijn stront”. Niet waar! Hebben zij zich al eens afgevraagd in welke habitat wij hebben geleefd? Ik heb altijd het beste van mezelf gegeven voor hen die op mij en mijn talenten een beroep deden. Werd ik hiervoor betaald? Meestal. Maar dit is niet het belangrijkste: werd ik ervoor bedankt, gerespecteerd? Of werd ik omwille van die talenten geweerd? O ja, in een ondergeschikte positie ben ik van goud, maar als mijn ambitie zichtbaar wordt, word ik op mijn plaats “gehouden”. Zeker in de politiek, ook in de literatuur, ook in de vriendschap.

Soit, ik ben wie ik ben. En wie denk ik dat ik ben? Een harde werker, ambitieus, met veel inzicht en doorzicht in mensen en dingen, een open boek, soms naïef, goedgelovig, te dikke vriend. En wie zijn de meeste anderen? Zij lachen in mijn gezicht, maar als ik mijn rug heb gedraaid, delen ze dolken uit voor wie de daad durft te stellen. Hieruit spreekt veel ontgoocheling in mensen, juist, maar eens moet je de dingen durven te zien zoals ze zijn. Ik kan voor wat ik beweer, vele, vele voorbeelden opgeven, maar ik maak geen oorlog, ik heb schrik van conflicten, niet omdat ik ongelijk zou hebben, maar omdat ik psychisch niet opgewassen ben tegen fysiek en verbaal geweld.

Morgen gaan mijn vrouwtje en ik, samen met Boris en Josephine, overnachten in “Auberge du Pêcheur” in Sint-Martens-Latem. Je weet, vriend, dat wij daar getrouwd zijn na vijfentwintig jaar samenwonen. We doen dit ieder jaar, maar nu de eerste keer met de kinderen, die op 15 februari zeven getrouwd zijn. Een etentje in de Orangerie, een nachtje in een sfeervolle kamer, een lekker ontbijt en een kunstwandeling in het dorp. Moet er nog zand zijn? Ik zal aan jou en je vrouw denken, jullie waren onze getuigen ten stadhuize! En toen gebeurde het allemaal: iedereen had er graag bij geweest, maar niemand werd uitgenodigd, bovendien trokken wij een jaar later naar zee, kwamen nog zelden naar Harelbeke of Kortrijk, zeker niet in gestructureerd verband. Redenen genoeg om ons uit te spuwen. En wie je liquideert, moet je niet meer vrezen of benijden!

Ik voel mij goed in mijn vel. De winter van mijn leven nadert (ik hoop niet met té rasse schreden), maar ik geniet van het schrijven, de vele reizen, ons restaurantbezoek, de liefde voor elkaar, de kleinkinderen. Te veel om nog veel andere verlangens te hebben!

Je vriend,

Thierry

Pas verschenen!

GEWAPENDERTAAL
PROVO, POLITIE, POËZIE

Monografie over
HERMAN J. CLAEYS

door RENAAT RAMON

UitgaveVWS - cahiers Brugge 2009
- Essay over werk en actie van Herman J. Claeys
- Uitgebreide bio- en bibliografie
- Bloemlezing met gedichten en prozafragmenten
- Foto’s.

Prijs : 5 euro.
Om het boek per post te ontvangen:
In België: verzendkosten 1,77 voor 1 of 2exemplaren, 2,95 voor 3 tot 8 exemplaren, aangevuld met zoveel maal 5,00 euro als het aantal gewenste exemplaren.
Storten op rekeningnummer 001-514083-306 op naam van:
Jan Bonneure
Fort Zevenbergen 8
B-82OO BRUGGE
Met vermelding: Monografie H. J. Claeys.

26 december 2009

Recente uitgaven van Razor's Edge Editions


Kerst- en nieuwjaars(weder)wensen van (6)

nY
Willy Vandemeulebroucke
Bob Mendes
Joris Vanhaelewyn
Frank Van Laecke
Ina Stabergh
Marleen De Smet
Willy Selleslagh
Jacques Santy
Herwin Vangaever


Liefde en dood op Sint-André


Hoeveel boeken over de liefde zouden er in de loop van duizenden jaren zijn geschreven? Het is een onnoemelijk lange rij. Dat de sleet nog altijd niet in het thema komt, is te danken aan het feit dat de ene liefde de andere niet is.
De zesde roman van Thierry Deleu, Liefde en dood op Sint-André, richt een virtuoos vergrootglas op de gapende wonden die de liefde kan opleveren en toont aan dat het thema nog even vers is als in de tijd van de Grieken.
Waarom zou je een boek lezen over de liefde en dood? De meeste lezers hebben genoeg aan hun eigen miserie op dit gebied. Maar het wordt anders als het verhaal uitstijgt boven het particuliere en daarbij zo prachtig en beeldend wordt verteld dat het op eigen kracht de aandacht van de lezer wint en vasthoudt.
Hoofdpersoon en verteller is Dirk Van de Zande, die totaal van slag is sinds hij door zijn partner Marie is verlaten. Het is aanleiding voor een diepgaand onderzoek naar hun liefde.
In zijn volwassen leven kent Dirk twee relaties. Over de eerste horen we weinig, maar met de tweede, Marie, beleefde hij de gelukkigste jaren van zijn leven. Ze passen bij elkaar, ze verschillen van elkaar in de ‘juiste verhouding’, met als resultaat dat ze elkaar nooit vervelen.
Tot Marie haar man verlaat voor een collega op school, met wie zij naar Zuid-Afrika vertrekt.
Dirk besluit zich terug te trekken nu hij zich in zijn hemd voelt staan. Maar vrienden, buren en een bijna nieuwe relatie doorbreken zijn isolement.
Wanneer Marie terugkeert, kan zijn geluk niet op. Zij wordt echter levensbedreigend ziek, maar herstelt.
Het derde deel van de roman wordt, op vraag van Dirk, geschreven door Marie zelf. Dirk is overleden aan een hartaderbreuk.
Dit verhaal wordt voorgesteld met zoveel ironische distantie, humor, liefde en intelligent gemopper dat je blij bent het te lezen. Elke gebeurtenis wordt in detail getekend en iedere keer wordt er filosofisch rond geborduurd.
In het derde deel wordt de liefde voor elkaar nu bezongen door Marie die haar tijdelijke ontrouw als een last met zich meedraagt.
Behalve over de liefde, gaat dit boek ook over de schaamte, de wroeging, de spijt.
Het verhaal kent een prachtig einde waarin er, ondanks de tragiek van de eenzaamheid, te lachen valt.
Er is een tweede laag in het boek. Dirk en Marie delen een ‘allesverorberende’ liefde.

Thierry Deleu heeft met zijn zesde roman niet alleen een hele mooie maar ook een moedige roman geschreven.
Liefde en Dood op Sint-André is méér dan een sleutelroman. De auteur stoeit met het autobiogenre dat zij zich toelegt op de adem van het onechte. Ook zijn als autobiografisch gepresenteerde proza leest als pure fictie. Op een wonderlijke manier lijken het heerlijke leugens, verzonnen verhalen. Of Thierry Deleu hierin slaagt, is een terechte vraag. Het lijkt mij dat hij door de keuze van het thema zichzelf minder speelruimte geeft als romancier dan hij zich had voorgenomen.

Is Liefde en Dood op Sint-André een therapeutisch sprookje? Wordt hier de verbeelding ingezet om een diepere werkelijkheid te verdoezelen? Dit zijn vragen waarop enkel de schrijver het antwoord weet.

Al eerder heeft Deleu semi-autobiografische romans geschreven waarin zijn vrienden voorkomen, maar deze keer lijkt de noodzaak voor deze roman urgenter te zijn dan voorheen. Pijn is een terugkerend element in het boek: de pijn om achtergelaten te worden. Deze pijn moet ongedaan worden gemaakt en dat kan alleen door na te denken over wie je bent en waar je vandaan komt en door onder woorden te brengen waardoor de relatie zou kunnen zijn stukgelopen.

Mooi geformuleerd en je leest continu van die mooie zinnen. Het is de verdienste van Thierry Deleu dat hij van zo’n onderwerp een roman heeft gemaakt die echter nergens larmoyant of klagerig overkomt. Een roman die tot nadenken stemt en toch veel humor bevat. Dit is gewoon goede literatuur.

Dat het werk van Deleu ook de weg naar een breder publiek weet te vinden, is niet helemaal vanzelfsprekend. Wie aan een heldere plot met een kop en een staart hecht, is bij hem niet altijd aan het juiste adres en wat dat aangaat, is Liefde en dood op Sint-André vooral een boek voor liefhebbers van stilistisch vakmanschap. De zinnen ontrollen zich als statige lopers: goed doordacht en vaak geestig. Ze schetsen het leven van de hoofdpersoon Dirk die wij leren kennen op het moment dat zijn vrouw hem verlaat.
Hij probeert de regie over zijn leven te behouden zodat hij niet hulpeloos rondzwerft, maar zijn leven verschilt echter hemelsbreed met het leven voordien. Hij heeft de neiging zich af te sluiten van de buitenwereld, terwijl hij zich wentelt in een zelfmedelijden dat naar depressiviteit neigt.
De roman gaat echter niet alleen over de liefde, maar ook en misschien vooral over eenzaamheid, ontgoocheling, zelfonderzoek, verraad, verlies, verbittering, negatieve gevoelens die even rap weer omkeren in nieuwe liefde als zijn vrouw, Marie, terugkeert. Dan slaat echter het noodlot toe: Marie wordt ernstig ziek en wanneer zij geneest, krijgt Dirk een hartstilstand en sterft.
Het is het bekende motief van twee mensen die niet zonder elkaar kunnen. Maar het is ook een roman over isolement of eenzaamheid die ontstaat wanneer een van de geliefden er niet meer is.
Marie vlucht voor een tijd naar haar vrijheid terug. Ze komt echter snel terug naar haar 'allesverorberende' liefde.

Literair-historische motieven die in de roman nog een rol spelen, zijn de man-vrouw-kindverhouding, de eenzaamheid en het isolement, de dood, de seksualiteit in een relatie en de mythische opvatting over samenleven.

Liefde en dood zijn thema’s van alle tijden. Niet voor niets is dood het laatste woord in de titel, want na liefde volgt in Deleu’s gedichten en romans onherroepelijk de dood.

Joris Dewolf

Thierry Deleu, Liefde en dood op Sint-André, Razor's Edge Editiions, 2009
15 € op 000-0900214-54 van de auteur
IBAN BE42 0000 9002 1454
BIC BPOTBEB1
LOVE

pour Ginette, l'amour de ma vie

Avec plus de soin que les papillons
à repasser mes lèvres sur vos épaules.
Tout à l'heure à nouveau. Si il a neigé
à les mouettes qui se balançaient.

L'amour est frissonnant. De gourmandise.
De la bouche et des dents, mordre et
gratter et la tendresse de plumes d'oiseaux.
L'amour est également la chasse, princesse,

le chat à vos yeux,
les petits dans vos chevilles,
les gazelles de votre esprit.
L'amour ne détruit pas, princesse.

Sa maîtresse proie,
ma baguette de son reptile foi.
L'amour est à chaque heure, si la longueur
d'une flamme dans la fumée et les cendres.

Thierry Deleu
IL BARONE


Alla memoria di Antonio Bellomo, mio padre, che non fu mai barone.


- Qu’est-ce que c’est que la mafia?
- C’est bien compliqué à expliquer, répondit Bellodi. C’est… C’est incroyable : voilà !

Leonardo Sciascia, Il giorno della civetta

- La Repubblica, Professore?
- Si, come sempre, ma mi dia anche Il Giornale di Siracusa.
La vendeuse du kiosque de la Piazza Pancali, regarda d’un air étonné son client, qui, comme chaque mardi et jeudi, petits yeux noirs mouvants derrière le masque du visage, moustache poivre et sel soignée, venait, à neuf heures pile du matin, une fois déposé par le taxi, lui acheter son journal. Toujours le même, se dit la vendeuse, et rien d’autre. En plus le canard local commandé exceptionnellement ne lui semblait nullement convenir au niveau intellectuel de son client. Bah ! Il aura ses raisons, se dit-elle et lui remit les deux quotidiens. Son client déposa un billet de cinq euros sur le comptoir, n’attendit pas le change, mit les journaux dans sa serviette de cuir brun et sortit sur un « Salve ! » rapide en direction du Corso Mateotti.

Contrairement à son habitude, il ne gratifia d’aucun regard les Temples d’Apollon et d’Artémis qu’il pouvait en fait se représenter de mémoire dans tous leurs détails et qu’il laissa sur sa gauche. Il parcourut à la hâte la rue commerciale où se succédaient les boutiques branchées d’Ortygie couronnées de leurs loggias et balcons en fer forgé et arriva à la place Archimède. Il ne put éviter la vue de l’affreuse scénographie de la fontaine de Diane que les débuts du vingtième siècle avaient déposées sur la place dédiée au plus illustre des citoyens de Syracuse.

Mais il s’en détourna au plus vite en se faufilant dans la ruelle à sa droite. Celle-ci l’introduisit de suite dans le labyrinthe de pierre de l’isola di Ortigia, construite en un premier temps par ses grecs à lui, puis développée par les seigneurs qui s’étaient succédés dans la longue et mouvementée histoire sicilienne. Plus tard elle fut détruite par un tremblement de terre et par après reconstruite, avec des allures beaucoup moins aristocratiques, suivant l’esprit retors baroque des dix-septième et dix-huitième siècles. Ces ruelles aux maisons tassées les unes contre les autres, ses courettes et passages, ses loggias à colonnade, lui apportaient à chaque fois l’apaisement auquel il aspirait. On pouvait y déambuler sans jamais se perdre, sous la coupole du ciel bleu ou gris-bleu selon la saison, sachant qu’on aboutirait de toute façon au même bleu ou gris bleu de la mer ionienne qui tenait l’île dans son étau.

Les habitants d’Ortygie, habitués à la présence discrète et rêveuse du personnage, toujours vêtu d’un costard impeccable, gris clair ou foncé selon les semaines, le saluèrent comme « il Professore », le titre sous lequel il enseigna l’Histoire de l’Antiquité à l’Université de Catania. Mais entre eux il l’affublaient d’un autre titre, celui de « il Barone ». Ce par quoi ils faisaient allusion au palazzo de ses ancêtres et son musée dont il était devenu le conservateur. C’était un vrai baron et de plus de souche ancienne. Au quatorzième siècle Ferdinand d’Aragon voulut récompenser un de ses ancêtres, capitaine d’armée, qui avait aidé sa mère, Constanza d’Aragon dans la conquête de la Sicile contre les ambitions papales, lequel soutenait les revendications de la maison d’Anjou. Il lui donna un fief avec le titre de baron, dans la campagne palermitaine et un merveilleux palazzo. Celui-ci fut bâti par les soins du légendaire Federico Svevo de Hogenstaufen, à deux pas du Castello Maniace, fortin construit pour la défense du port de Syracuse par ce même grand seigneur et qui devint le siège de la Camara Regionale de Syracuse dirigée par Constanza et ses gouverneurs catalans. Les tombes ornementales de deux d’entre eux avaient trouvé un dernier refuge dans le Palazzo.

Son enfance, lorsque ses familiers l’appelèrent encore tout simplement Angelo, il la vécut dans le sombre quartier de la Kalsa, à Palerme, dans une grande demeure en ruine, infestée, d’après ce qu’on lui avait fait croire, par des signureddi, ces petites dames invisibles qui s’obstinaient à cacher ses jouets et la nuit lui tiraient les pieds. Cette maison hantée avait été chargée de toute la tristesse de la déchéance de ses parents et grands-parents, des galantuomoni au fatalisme rêvasseur. Ceux-ci vivaient chichement des oliviers et agrumes, produits de leurs terres, laissées aux mains d’intendants malhonnêtes envers eux et cruels envers leurs fermiers dont ils taxaient injustement les récoltes. Cela en attendant que les revendications paysannes mettent un point final à leurs revenus. Situation qui l’avait révolté par son impuissance devant la passivité de ses familiers, murés dans un pesant loisir sans curiosités, ne cultivant plus que leur blason. Ce dernier était constitué d’un champ bleu orné de quatre griffes de lion dorées, placées deux par deux et encadrant la couronne de la baronnie. Un exemplaire en pierre ornait encore toujours la cour intérieure du Palazzo qui lui était confié.

Ces indignes héritiers d’une glorieuse lignée de barons et de chevaliers de l’Ordre de Malte, comme il les considérait alors avec la sévérité implacable de l’enfant, se contentaient de quelques rares moments de gloire fallacieuse, dans une loge d’Opéra par exemple, où des envieux naïfs venaient les reluquer comme des pièces de musées. Comme l’étaient les meubles et lustres recouverts de housses et les portraits de famille craquelés et embués de son enfance, qui se cachaient dans le salon d’apparat aux persiennes closes, fermé la plupart du temps. Cette ancienne blessure, qu’il croyait cicatrisée grâce aux efforts de son intelligence et son engagement honnête envers la culture de sa terre natale, il la sentit se rouvrir, malgré la consolation que lui prodiguait le labyrinthe des petites rues d’Ortygie.

C’était un mal qui lui rongeait le cœur, une inquiétude, que le journal qu’il venait d’acheter ne pourrait que nourrir davantage. Il serra sa serviette d’un geste incontrôlé, hésitant s’il allait l’ouvrir ou non. Un frôlement obscur l’en dissuada. C’était, devant lui, sur le fond bleu de la mer rejoignant le ciel, là où débouchait la ruelle, un grand papillon aux ailes jaunes, bordées et tachetées de noir. Son vol lent et recueilli se déroulait devant ses yeux comme un tapis qui aurait été tissé au fur et à mesure de son vol. Il l’invitait à le suivre jusqu’au Passaggio Adorno qui surplombait le môle du Foro Italico donnant sur le Grand Port de la presqu’île. Lorsqu’il s’en rapprocha, l’insecte, imposant et solitaire comme lui, abandonna son mouvement majestueux et disparut en une rapide esquive.

- Papillon de mauvais augure, pensa-t-il. Le besoin d’apaisement et de consolation n’en devint que plus pressant. Il descendit le passage en accélérant le pas. Devant lui se trouva une petite place aux allures amènes. Un bar célèbre pour ses gelati, un restaurant un peu plus loin et en contre-bas, entre le bleu de la mer et la blancheur écrue de la pierre de la rue et des façades, une petite mare verdâtre où barbotaient canards et cygnes entre les papyrus. Du monde tout autour déjà, malgré l’heure matinale. Des touristes, s’extasiant dans toutes les langues de Babel sur la mystérieuse flaque verte. Le Baron se remémora les vers de Pindare et de Virgile, évoquant les amours malheureuses d’Alphée, fils d’Océan et de la nymphe Arétuse, servante d’Artémis. Poursuivie par son fougueux prétendant, la nymphe se serait jetée à la mer afin de rejoindre l’île. Artémis, pour la soustraire aux recherches de l’importun Alphée, l’aurait changée en source d’eau douce. Le fils d’Océan s’étant plaint auprès de Zeus, ce dernier le changea à son tour en un fleuve sous-terrain lui permettant sous cette forme liquide de rejoindre l’objet de son désir en mélangeant ses eaux à celles de l’aimée.

- Et c’est ainsi que naissent les mythes fondateurs, songea-t-il, afin d’expliquer l’inexplicable, le mystère de ces eaux douces souterraines, occultes comme tout ce qui touche à cette ville aimée et crainte en même temps. Mystère parmi d’autres, dont certains n’en étaient que plus réels.

Il monta alors vers la via Capodieci, au fond de laquelle s’érigeait le bloc de couleur ocre du Palazzo, juste après l’Eglise des Bénédictines. Au dix-huitième siècle, lorsque la longue déchéance de sa famille avait commencé, celles-ci s’étaient installées dans la demeure de ses ancêtres, reconvertie, après les gloires passées, en dortoir et magasin pour les bonnes sœurs. La région sicilienne, se dit-il en esquissant un sourire, par cette ironie du sort qui caractérise si bien l’état d’être de sa terre natale, après la dernière guerre, s’était appropriée à son tour de l’édifice médiéval. Ce qui, lorsqu’on le nomma par la suite conservateur du musée qu’on y avait installé, s’avéra être sa bonne fortune.

Arrivé à destination, il prit un peu de recul. Il envisagea la façade de ce qui avait toujours eu l’allure d’une forteresse imprenable, défendue par le portail ogival, surmonté d’une demi-lune opaque qui couronnait l’imposante porte en bois brun au heurtoir de bronze en forme d’anneau. Les seules ouvertures étaient au rez-de-chaussée, à sa gauche - ce qui, par son asymétrie, donnait un air borgne et sournois à l’édifice - deux minces petites fenêtres en style gothique ancien. La fenêtre rectangulaire à droite était le fruit d’un forfait architectural de date récente.

Le Baron lissa sa moustache et souleva son bras gauche afin de regarder sa montre. Le cadran lui révéla qu’il était 9h.30 exactement. Contrairement aux coutumes de ses concitoyens, il s’était imposé, dès sa jeunesse une ponctualité sans failles. Il l’attendait aussi de ses employés. La porte s’ouvrit à l’instant. Dans son ouverture l’attendait Maria, sa fidèle assistante. Il franchit d’un pas décidé les quatre marches suivies du seuil et prit d’un « Grazie Maria ! » distrait l’enveloppe que celle-ci lui remit.

- Solo è arrivato questo, Professore, commenta-t-elle à son passage. Etrange et unique lettre, avait-elle pensé, d’un courrier d’habitude plus abondant, qui portait, outre le nom et l’adresse du barone, la mention dactylographiée en lettres capitales de « PERSONALE ». A première vue son patron ne semblait pas lui donner de l’importance. Il la mit d’un geste rapide dans sa serviette et s’enfonça dans le vestibule aux voûtes croisées, avec à la clef l’aigle des Hogenstaufen, pesant comme une menace ou l’accomplissement d’un quelconque destin venant d’un âge lointain.

- J’entre dans le palais de mes ancêtres, songea-t-il. Je lui appartiens. Aucune porte ne m’est close, aucune salle ne se refuse à moi. Il n’y a ni chambre interdite, ni passage secret et cependant, il m’est un mystère, entourant chaque pas que j’y fais d’une brume secrète et mouvante avec moi, qui m’est comme une sorte d’espace carcéral.

C’était comme s’il flottait plutôt que de marcher. Ses pas le menèrent comme malgré lui vers la cour intérieure édifiée en plein air par ses ancêtres dans le plus pur style gothique flamboyant. L’aspect massif de la construction Hogenstaufen s’était allégé. Les murs s’étaient ouverts en arcs doubles et triples, portés par d’élégantes colonnes, soutenant la galerie du second étage vers laquelle menait un escalier en forme de coude. Conscient de mettre ses pas dans ceux qui, des siècles auparavant, l’y avaient précédé, le Baron se laissa aspirer, sans y ajouter une réflexion de plus, jusqu’au premier étage. Arrivé là, il n’eut aucune hésitation. Au lieu de se diriger vers son bureau, situé au fond de la galerie qui s’ouvrait sur sa droite, il entra d’emblée dans la première salle qui se présentait, la n°6 où, encore aveuglé par le soleil qui baignait la courette, il se plongea dans l’obscurité profonde qui l’emplissait.

Il y trouva ce qu’il y cherchait, non pas l’obscurité, mais une sorte de lumière qui se dégageait des ténèbres, qu’en attendant la visite d’un touriste égaré, il y faisait régner à propos. Cette lumière prit sa source dans la partie centrale et inférieure d’une toile posée de biais, de façon à se laisser fertiliser par un rai de jour à peine perceptible que laissait filtrer, sur sa droite, un des volets clos par ses soins. Ce tableau était la création de cet autre Angelo, venu en Sicile au début du dix-septième siècle, de son nordique patelin de Caravaggio, après de multiples déboires, afin d’y fuir les sicaires du Grand Maître de Malte à qui il avait posé les cornes avec son page préféré.

Il s’agissait de la sépulture de la Sainte Lucie, martyre de Sicile. Il avait étudié le tableau sous toutes les coutures. Il l’avait non seulement regardé, consulté archives et légendes à son sujet. Il l’avait aussi rêvé, se l’appropriant par une empathie qui allait au-delà de toute quête intellectuelle. Destinée au fond de l’abside, derrière l’autel de l’église de Santa Lucia, la toile présentait une luminosité diffuse, offerte à la fenêtre percée dans le mur de droite qui était censé l’illuminer là-bas. Ce qui expliquait l’étrange position de la toile dans ce musée où elle avait atterri malgré lui. Dans l’antre de l’ennemi en fait, vu que ses ancêtres, en tant que chevaliers de l’ordre de la croix blanche sur fond rouge, avaient probablement été recrutés par leur Grand Maître afin de l’assister dans l’accomplissement de sa vengeance. Heureusement qu’ils avaient échoué. Angelo, ce frère homonyme lointain, non de sang, mais d’esprit et de coeur, n’aurait pas pu lui offrir ce tableau, ce miroir intime dont, à chaque visite du palazzo, il venait se délecter comme d’une drogue.

Ses yeux s’étant accoutumés à l’obscurité, il se rapprocha de la toile afin de voir de plus près le fin travail de pinceau par couches de peinture entre-tissées, qui constituait le fond du tableau, évoquant les arcades brunes que le peintre aura observées dans les catacombes de la même église. C’est là que Lucie aurait subi le martyre. On lui avait transpercé la gorge d’un poignard après lui avoir arraché les yeux. Ici la sainte aveugle, couchée sur le dos, les paupières closes, la blessure au cou encore visible, à travers sa mort, était devenue lumineuse. Cette luminosité rougeâtre, sanguinolente, il le savait, lui venait de l’étole que portait, derrière elle, l’évêque qui l’avait chastement aimée. Et puis il y avait la disproportion surprenante des deux fossoyeurs musclés au premier plan, qui captaient toute l’attention et la plus grande part de la lumière. N’était-ce pas une manière de les rehausser au niveau des bourreaux, substituant à l’enterrement la scène, bien plus cruciale encore, du martyre même ? Du sacre ? Sacre fatal auquel ce cher Angelo, au bout des persécutions et du désir, ne pouvait qu’aspirer.

A l’arrière-plan un autre personnage encore attira son regard. Il avait identifié, à côté de l’évêque un érudit de l’époque. Il se dit que s’il avait vécu alors, cela aurait pu être lui et qu’il aurait pu guider le grand Caravage dans les ruines grecques de la Neapolis dont l’administration lui avait été partiellement confiée. Le fait que le maître l’avait représenté là, renforçait la probabilité de ce que l’érudit ait effectivement fait découvrir au peintre les merveilles de la cité antique, la plus belle des villes grecques selon Cicéron. L’imposant théâtre, le plus grand de l’époque après Epidaure, sur les gradins duquel Platon s’était assis et où les Perses d’Eschyle avaient connu leur première. Puis l’étrange oreille de Dionyse, cette grotte de pierre poreuse, haute et profonde, du nom, non pas du dieu du théâtre, mais du tyran qui y enfermait ses prisonniers et, du haut de la falaise, pouvait entendre jusqu’au moindre secret chuchoté entre eux. Et encore ce temple d’Athéna aux robustes colonnes doriques sur la Place du Duomo de la presqu’île, avant que le fatras baroque qui le recouvrit après le tremblement de 1613, ne l’occultât aux pieux regards des passants distraits.

Un bruit de voix montant de la cour intérieure le fit sursauter. A contrecœur, le baron mit fin à sa méditation. Il regarda sa montre : dix heures passées : le musée était ouvert. Il fallait laisser la place. Il reprit sa serviette où l’attendait un journal et une enveloppe bizarre, qu’il se proposa de lire sans tarder et se dirigea vers son bureau.

La première chose qu’il fit, après avoir vidé sa serviette sur sa table de travail des journaux et documents qu’elle contenait, c’était d’ouvrir l’enveloppe. Elle ne révéla qu’un minuscule message dactylographié sur un feuillet blanc sans aucune en-tête ni autre identification :

COM’È BEN SAPUTO, EMPEDOCLE MORÌ PER LA SUA CURIOSITÀ

Et comment qu’il la connaissait cette histoire de l’infortuné Empédocle d’Acragas. Il se serait laissé engloutir par l’Etna, selon la légende, pour pouvoir y disparaître et ensuite renaître dans la mémoire des hommes pour le moins comme un demi-dieu, suicidé par vanité en quelque sorte. Vanité que le dieu du volcan aurait finement déjouée en recrachant ses sandales, laissées en évidence au bord du cratère. Bien que, à bien y réfléchir, n’était-ce pas plutôt par esprit scientifique, par sa passion de la vérité que, scrutant les secrets du volcan, Empédocle connut sa fin ?

Et nous y voilà, se dit le baron, dans le vif du sujet. Il y a quelques années la région sicilienne lui avait demandé de participer à la gestion de l’Institut Régional de Drame Antique (IRDA) afin d’étudier la façon de faire un usage responsable de l’amphithéâtre grec millénaire de Neapolis pour un cycle de représentations de théâtre classique. Dans le conseil de gestion il y avait à ses débuts son ami Filippo Lo Cascio, directeur artistique du théâtre de Catania, qui s’était malheureusement déjà retiré et un avocat inconnu de lui jusqu’alors, un certain Michele Celestre, lequel, à ce qu’on disait, se mouvait dans les milieux de la finance comme poisson dans l’eau et qui en plus venait d’être promu président de la chambre civile locale. Tout allait bien jusqu’au moment où un député de Palerme, présenta au Parlement Régional de Sicile un projet, confirmé par après sous forme de décret, qui destina à l’entreprise artistique en question un budget qui, en un premier temps lui paraissaient une aubaine, mais d’autre part lui semblait tellement excessif, vu qu’il surpassait par cinq fois la somme que la conseil de gestion de l’IRDA s’était permise de suggérer.


Une figure locale, qui devait avoir appris ses réserves quant à cette étrange allocation, lui rendit une visite non sollicitée. Le baron fit une mine de dégoût en se rappelant le personnage. La vulgarité de son complet blanc avec lequel contrastait le jaune aveuglant de sa cravate et la teinture noire de jais de ses cheveux et de sa moustache gominés, était totale. Ses manières et son parler délattaient le fourbe. Ce mélange de gentillesse et d’astuce, il l’avait tout de suite reconnu de l’époque de son enfance, celle des intendants des terres de son père et surtout aussi celle des chefs qui, dans la Kalsa de Palerme, contrôlaient toutes les activités économiques du quartier, des entreprises les plus prospères à la colocation des mendiants de la Piazza della Marina. Ils avaient tous les mêmes discours. Ils étaient tous nés pour être les bienfaiteurs de l’humanité, proposant leurs faveurs aussi bien à vous qu’à votre pire ennemi, en attendant le jour de votre réciprocité plus ou moins spontanée. Bref c’était pour nous faire plaisir - c’étaient les paroles que le baron se rappelait de cette conversation - que le budget de l’IRDA s’était quintuplé. En plus il disait être totalement convaincu que lui comprenait bien qu’il était également à son avantage de ne poser aucune obstacle au déroulement ultérieur de cette grande oeuvre culturelle, mais aussi économique et sociale, à laquelle ils allaient sûrement s’atteler ensemble.

Passant outre, avec l’appui de son ami Filippo, le conseil de gestion décida d’organiser un concours public pour la scénographie et les services divers que nécessitait l’organisation du cycle théâtral. Et c’est là que les choses se gâtèrent. L’offre de la coopérative Dramma Antico, connue pour sa compétence par l’homme de théâtre Lo Cascio, gagna le concours. Son prix était largement au-dessous du budget concédé et tout paraissait en ordre. Jusqu’au moment où Filippo lui téléphona pour lui dire qu’il renonçait à sa participation à la gestion des spectacles. A la question pourquoi, sa réponse avait été des plus évasives. Par après le baron allait se rendre compte qu’on l’avait intimidé en proférant des menaces contre sa famille. La direction de la coopérative avait subi des intimidations du même genre et retira son offre.

N’étant plus majoritaire dans le conseil de gestion, l’offre d’une autre entreprise, appelée Nuovo Teatro - c’était avec du neuf qu’on avait voulu faire du vieux, songea-t-il amèrement - réclamant le budget total mentionné dans le décret parlementaire, gagna le concours. Là-dessus le baron demanda au comptable - une connaissance de l’avocat Celestre, avait-il dû constater - de lui présenter un bilan complet de la comptabilité. Celle-ci s’avérait un fatras de chiffres sans queue ni tête. Des recherches plus avancées lui révélèrent ensuite que les entrées adjugées par le parlement sicilien n’étaient que très partiellement d’origine officielle et relevaient surtout de la bienfaisance. Le donateur principal était une entreprise inidentifiable au nom de Draminvest. Il y avait une bonne semaine que le baron avait réuni toutes ces données et, fort du dossier qu’il avait pu constituer autour de l’affaire, il en avait écrit la synthèse dans un article qu’il avait confié à la rédaction du Giornale de Siracusa. Et rirait bien qui rirait le dernier !…

La une du journal s’étalait maintenant devant lui. Aucun titre ne signalait le thème de l’article qui - le rédacteur en chef le lui avait assuré - devait paraître aujourd’hui. Le baron tourna les pages, une à une. Rien et encore rien. Il se sentit gagner par la colère. Cela était complètement inadmissible. Ce midi, après le déjeuner, il irait voir le directeur du canard.

***

Midi trente. Le baron, au téléphone, réserva une table chez Don Camillo, puis il appela son assistante :
- Maria, je vous invite ce midi à déguster le risotto chez Don Camillo.
- Merci beaucoup Professore, mais qui va garder le musée ?
- Nous fermerons d’ici une demi-heure. Entre-temps ne laisse plus entrer personne. D’accord ?… Sans attendre une réponse, il raccrocha et se mit à feuilleter le classeur qu’il avait posé sur son bureau.

Une demi-heure plus tard le baron rangea ses documents dans sa serviette et descendit l’escalier où l’attendait déjà Maria.

- Tout le monde est sorti ? Parfait. Allons-y !

Après avoir tiré derrière eux l’imposante porte du Palazzo, ils prirent la première rue à gauche, la via Roma, qui se terminait sur la Piazza Archimede qui donnait, tout de suite sur sa droite, sur la via Maestranza. Dans le dernier tronçon de la rue, sur la droite se trouvait le restaurant. En fait une chapelle du quinzième siècle transformée en resto. Décidément, songea Maria, le baron devait avoir une prédilection pour les voûtes catalanes. Mais ce qui ne gâchait rien c’était que dans ce local on servait les meilleurs plats de poissons et de fruits de mer de la ville.

Le restaurant était rempli lorsqu’ils entrèrent. Heureusement qu’ils avaient réservé. Le patron en tablier et chemise blanche vint en personne les saluer :
- Je vous ai réservé la douze, professore !…Ils prirent place à la table pourvue d’assiettes et de couverts soigneusement rangés sur une nappe blanche immaculée.
- Et que prendrez-vous ?
- Le risotto al pane in salsa di ricci, ça vous irait ? demanda le baron à son assistante. Et comme elle approuva de la tête, le patron reprit en direction du garçon qui tenait le bar:
- Due risotti in salsa di ricci. Et que boirez-vous ?
- Que nous réserve votre cantine comme vins blancs ?
- Je peux vous conseiller un Pietramarina de 2004…
- Va bene !…

Le baron avait invité son assistante dans l’idée qu’elle pourrait l’accompagner par après dans le taxi qui les conduirait jusqu’aux locaux de la rédaction du Giornale di Siracusa. Dans les circonstances données, il était plus prudent d’avoir un témoin. Et puis un bon repas se dégustait d’autant mieux si on était en agréable compagnie. Maria Landolfi était une jolie femme d’une trentaine d’années, habillée avec élégance, jupe noire, petite veste blanche, ongles et maquillage impeccables. C’est ainsi qu’il aimait la compagnie féminine, assortie à sa propre personne, discrète et bon genre. De quoi ne pas trop attirer l’attention non plus.

Cela ne s’appliquait pas au personnage qui, au moment du café, entra d’un pas traînant dans la salle et s’installa sur un tabouret devant le bar. Un petit voyou, sa faiblesse hélas !… Blond, athlétique, le petit cul serré dans un jean orné d’un gros ceinturon brun foncé. Les épaules et les abdominaux musclés révélés par un T-shirt blanc trop étroit, les biceps bandants comme s’il le faisait exprès. Son regard bleu-clair le défiait, l’air de ne pas le voir.

Le baron hésita un long moment, après quoi il confia sa serviette à son assistante et se dirigea vers le bar. Il régla l’addition et souffla quelques mots au gars. Ensuite il revint vers Maria et lui demanda de l’attendre une demi-heure, lui proposant de choisir un dessert.

Lorsqu’il sortit du restaurant, l’homme blond l’attendait déjà devant la porte.

- On prendra un dopopranzo au Blu, tu connais ?
- Sur la Via Nizza ?... Oui il connaissait.

A la fin de la via Maestranza ils prirent à droite et suivirent une rue qui longeait la mer jusqu’à une courbe surplombant une petite baie. Le Baron se laissa tenter par un regard sur la mer. Le blondinet se tenait à ses côtés. Il perçut son odeur, un parfum doux et âcre en même temps. Il se tourna vers son visage, vit ses yeux. Il se laissa aspirer par leur clarté bleue qui reflétait celle de l’infini qui s’étalait devant eux. Lorsque ses lèvres étaient sur le point de toucher celles de son compagnon, il fut surpris par un reflet.

Dans sa main droite le blondinet tenait un poignard. Le Baron n’avait pas l’occasion de se retirer. Une douleur aiguë apparut à l’emplacement de sa gorge et il vit son sang gicler sur le col de sa chemise. Au même moment une portière claqua derrière lui. Il n’eut pas l’occasion de se retourner. Déjà les deux hommes qui étaient sortis de la Fiat Croma blanche stationnée discrètement à l’autre côté de la rue, jetèrent le drap qu’ils tenaient à eux deux, au-dessus de sa tête. Il eut juste le temps de penser que la petite frappe était un appeau et le voilà empaqueté et ficelé. Seuls ses pieds restaient libres. On le coucha par terre et on lui ôta ses chaussures. Puis on l’embarqua dans la Fiat qui démarra de suite.

Un peu plus tard dans le restaurant de la via Maestranza, un homme demanda de voir Madame Landolfi. C’était de la part du professore, prétendait-il. Celui-ci priait Madame Landolfi de ne plus l’attendre. Il avait dit aussi qu’ils se verraient plus tard au musée et qu’il avait besoin de sa serviette que Madame pouvait lui confier à lui. Maria hésita un moment, mais finalement n’était pas dupe. Entre-temps l’homme avait déjà profité de son hésitation pour lui arracher la serviette et détaler.

A peine récupérée de son émotion, elle téléphona à la police. Ceux-ci arrivèrent au restaurant une demi-heure plus tard. Ils notèrent ses déclarations et lui dirent de retourner à son lieu de travail. Ils feraient tout ce qui était dans leur pouvoir pour retrouver il professore et lui promirent encore de la contacter avant ce soir même au musée.

Vers cinq heures et demi, les derniers visiteurs venaient tout juste de quitter le musée, une voiture de la police s’arrêta devant la porte du Palazzo de la via Capodieci. Deux personnes en uniforme, dont l’une tenait un petit paquet emballé d’une toile noire, se présentèrent devant Maria Landolfi. Une fois en présence de l’assistante du Baron, ils lui dévoilèrent le contenu du paquet. Il s’agissait des mocassins de son patron, elle les reconnut sur le coup.

- Et il Professore ? demanda-t-elle inquiète.
- Nous ne l’avons pas retrouvé, lui rétorqua un des policiers. Mais nous avons parcouru tout le Lungomare et dans une des petites baies, nous avons trouvé ses chaussures que devait avoir abandonnées là la marée basse.
- Est-il mort ?
- Nous ne le savons pas, Madame, mais nous vous promettons de continuer nos recherches…

***
Une semaine plus tard l’enquête sur la disparition du Baron fut définitivement close. La police conclut qu’il avait été victime d’une noyade accidentelle. Son corps ne fut jamais retrouvé.

Francis Cromphout

25 december 2009

Romans in 2009

Welke Nederlandstalige romans zullen dit jaar overleven? Eén conclusie: 2009 is geen geweldig boekenjaar.

Carolina Trujillo, De terugkeer van Lupe García. Deze intense, bij vlagen hilarische roman maakt pijnlijk duidelijk hoe de Zuid-Amerikaanse kinderen van de revolutie de strijd van hun ouders verwerken - of beter: niet verwerken. Bijzonder meeslepend.

P.F. Thomése, J. Kessels: the novel. Een mislukte aflevering van Derrick, gedrenkt in de walm van frikadellen, dood bier, shag en stront. En juist daarom superieure slapstick. Geschreven door een intellectueel die zich met genoegen neerzet als een morsige viespeuk.

Peter Terrin, De bewaker. Onderkoeld meesterwerk over twee mannen die in een ondergrondse parkeergarage elkaar begluren en ondertussen wachten op de messias.

Ook Bart Koubaa en Margot Vanderstraeten schreven met De leraar, respectievelijk Mise en place beklijvende romans die verschillende herdrukken beleefden. Tenslotte verraste Walter van den Broeck iedereen met zijn roman Terug naar Walden, een knotsgekke allegorie over de huidige banken- en vooral zincrisis.

Tommy Wieringa, Caesarion. Met treffende beeldspraak vangt Wieringa het vlieden van de tijd terwijl hij ondertussen zijn rusteloos hoofdpersonage over de aardbol jaagt op zoek naar zichzelf - en de verloren tijd. Nu al een tijdloze klassieker.

Jeroen Olyslaegers, Wij. Van de talrijke Vlaamse vaderromans die het voorbije jaar verschenen, schreef Koen Peeters met De bloemen de meest verfijnde, maar Jeroen Olyslaegers met Wij zonder twijfel de meest pregnante. Een roman die laat zien hoe het persoonlijke in het politieke schuift, splijtend in de dialogen en uitgesproken filmisch.

Peter Terrin, De bewaker. Met deze roman heeft Peter Terrin zijn literaire obsessies naar een dwingend hoogtepunt gedreven. Twee bewakers in een ondergrondse parkeergarage en een logica die steeds meer afgesloten raakt van de nauwelijks zichtbare wereld daarbuiten: meer heeft Terrin niet nodig om met veel gevoel voor detail een onheilspellende allegorie te tekenen van hoe de werkelijkheid dreigt te verdwijnen in onze fantasie over orde, duidelijkheid, veiligheid.

Thierry Deleu, Liefde en dood op Sint-André. De roman richt een virtuoos vergrootglas op de gapende wonden die de liefde kan opleveren en toont aan dat het thema nog even vers is als in de tijd van de Grieken. Dit verhaal wordt voorgesteld met zoveel ironische distantie, humor, liefde en intelligent gemopper dat je blij bent het te lezen. De auteur stoeit met het autobio¬genre dat zij zich toelegt op de adem van het onechte.

24 december 2009

Reactie op "Respect"

Ik ben humanist in hart en nieren, in de zin dat ik denk dat in alle mensen goed en kwaad kan ontluiken.
Ik zie geloofstromingen als samenscholende mensen, met nuance verschil van inzicht als richters en richtingen die soms alle kanten op gaan, soms zelfs de goede, maar ook de verkeerde. Er zijn immers windstreken en nog veel halve waarheden en gecombineerde winden. Gelovigen lopen, net als in het echte leven, soms achter een van de vele herders aan, die een woord verspreiden, van wat eens waardevol was.
Er zijn vele dogma’s. Kerken doen mensen en meningen soms in de ban.
Vreemd denk ik en dacht ik als kind vaak.

Mensen hebben dan soms de neiging om zich zelf op een troon te plaatsen en zich meer te voelen dan anderen. Ze noemen zich plaatsvervangers van God of Mohammed. In plaats van oevers te verbinden, kappen ze de bruggen aan gort en durven amper samen op weg te gaan.
Hoe komen dan ooit hervormingen?

Men verstaat elkaar als sinds de Babylonische spraakverwarringen niet goed vanwege het onbegrip, het analfabetisme, de jalousie en de hebzucht naar macht (die toorn geeft(. Mensen willen soms anderen ook niet begrijpen, denken eenduidig, zonder te vatten dat een woord meer dingen kan duiden dan het in eerste oogopslag kan zeggen in geschreven tekst. Lezen is geen bron van ergernis, maar een instrument, zoals het brailleschrift dat gevoeld mag worden tot in je guts.

Een rij karakters om traag en zorgvuldig te lezen: met zorg via de monniken schrift geworden, in letters gezet. Taal werd door broekdrukkunst leesbaar en onderwijsbaar.

Als je geboren bent, heb je enkel twee zekerheden: je bent geboren en ooit blaas je je laatste adem uit en start je een andersoortig leven. Wel of niet afhankelijk of je gelooft in een leven na het huidige. Ik moet er, gezien bepaalde ervaringen waar ik niet over uit wil wijden, wel in geloven, al zou ik het niet willen. Het is voor mij een definitieve zekerheid. Twijfel is er niet. Ik ben dan ook niet bang voor de dood, noch bang van dingen die rondom het taboe dood hangen. Stilstand is achteruitgang en tijd staat niet stil. Het is van belang om elke klok te luiden, zodat mensen ontwaken en werkelijk iets doen aan de uitstoot. Ook op het gebied van de literatuur moeten alle tradities worden gerespecteerd, niet alleen die waar je zelf mee bent opgevoed. Agar is een bindmiddel bij puddingen zei ik ooit tegen iemand die iets sterker wilde maken en ik ken geen betere.

Het is onzinnig iemand zoals God steeds zo op een voetstuk te willen plaatsen en Hem na 33 jaar de dood in te jagen enkel om een kroon op Zijn hoofd te willen plaatsen. Dit zei ik ooit als kind tegen een monsieur van de katholieke kerk. Draag een hoed of een ander hoofddeksel of geen en laat de kroon in de bomen kroon zijn. De roem die mensen soms najagen op eigen ego om het geld te verdienen, zit menigeen in de weg. Indien je enkel roem najaagt in het echte leven, enkel winst en geldbejag najaagt, ontstaan er in de maatschappij hoge bonussen en zwartwerkers en zwartgeld en heb je weer te maken met mensen die belasting ontduiken.

Als je iets nieuw wilt vernieuwen, dan zal het verbeteringen mogen geven, anders had je het beter niet kunnen wensen te vernieuwen of veranderen.Ik hou van taal, ik hou mijn hele leven al van taal, maar kan me soms verwonderen over dingen, waarvan ik denk: taal is transparant maar onze ogen lopen soms een woud in zonder bomen of het bos te zien.

Er zijn beroepen waar de wereld zonder kan, maar zonder bakkers en leerkrachten, opvoeders, neen daar kan een wereld niet zonder.
Jammer dat ze soms de verkeerde krachten ontslaan of hun kunde direct in de kiem smoren. Ik ben geen sadist, gelukkig ben ik niet erfelijk belast met die dingen, omdat het onmacht is. Een combinatie van het woord sad verdrietig en dist, maar iemand iets opdissen, is niet nodig met taal, taal is immer vrij om te lezen en net als bij een radio of tv zit er een knop in je hoofd die je kunt omdraaien. Ik begrijp de herkomst vaak wel van mensen die er last van hebben, maar zal er zelf niet voor kiezen. Om de simpele reden dat bij de geboorte je een onbeschreven blad aangereikt krijgt, waarop je zelf je eigen leven leert beschrijven, niet een leven door anderen gevuld met gedachten die niet de jouwe zijn. God zie ik niet als marionettenspeler, wel als een drieluik in de zin van rails waar je van a naar b kunt komen met c in het midden als verbinder om goed te sporen.
Dan mogen wissels niet bevroren zijn, want anders is er nog geen vooruitgang.

Annemieke Steenbergen

In deze kerstdagen...




Respect


Respect voor jezelf wensen betekent dat je ook de ander respecteert! Dit is pure logica en toch zijn er zoveel mensen die dit niet (willen) begrijpen. Cultuur is dynamisch en wie met zijn tijd mee wil, moet zich voortdurend heroriënteren en heraanpassen. Wat wil ik hiermee zeggen? Simpel: wie niet bereid is om te evolueren, stelt zich nooit vragen en blijft op zijn standpunt. Stilstand is achteruitgang!

Het scheppingsverhaal vormt de basis van de Bijbel. Het (natuur)wetenschappelijke denken vormt de basis voor de rest van de wetenschap. Het idee van hoe de wereld tot stand kwam en in elkaar zit, is bepalend voor de culturele bovenbouw. Aan het scheppingsverhaal heb ik - als intellectueel van vandaag - geen boodschap.

Velen hebben schrik voor verandering of zijn “gehecht” aan de vertrouwde verklaringen. Deze twee categorieën zijn niet zo interessant, soms wel gevaarlijk wanneer zij fundamentalistische trekjes vertonen. Zonder opwaarderen, zonder aanpassing aan plaats, cultuur, persoon en tijd geraakt men de weg kwijt of verbijsterd in gehechtheid. Het resultaat is voorspelbaar: geen tolerantie, theologische verdeeldheid over een levende persoonlijke God, geen eenheid in verscheidenheid, wel fundamentalisme, heerszucht, minachting voor de ander.

Boeiend zijn alle groepen van mensen die er tussenin liggen.
Opvallend is dat deze boeiende categorieën van mensen minder (of geen) vriendjespolitiek kennen (nepotisme), niet (of bijna) nooit vervallen in een foute combinatie van verbondenheid, rijkdom en democratie (oligarchie).

Ik hoor bij een tussencategorie van mensen die geen behoefte heeft aan een kapitalistische dictatuur. Ik hou niet van een foute samengaan van kapitalisme en filosofie enerzijds en van een fout idee van politieke macht anderzijds.

Zij die dit aankleven zijn niet alleen zelfgenoegzaam en daardoor ook geneigd om minderheden te verdrukken en geweld aan te doen, maar de rest van de wereld ook onrechtvaardig te behandelen op basis van hun foute denken.

Ik pleit voor een nieuwe wetenschap van de politiek. Op deze wijze kunnen wij een nieuwe wereld creëren. Mensen moeten worden heropgevoed. Door filosofen, door leerkrachten die filosofisch zijn ingesteld en geschoold, door geestelijke leraars. Dit zijn heel andere typen leraars dan theologen, veeleer psychologen/psychotherapeuten die de studenten verlichting in filosofische zelfverwerkelijking bijbrengen. De wedijver die door de leraars van inwijding en instructie wordt onderwezen, moet worden omgebogen in respect door de leraars die (persoonlijke) beleving en introspectie bijbrengen.

Geloof en ongeloof zijn verouderde begrippen. Religie, hypocrisie, ethiek, relatie zijn de nieuwe deugden en ondeugden. Geloof is enkel nog reëel in seksgeloof en geldgeloof. Wie zich niet aanpast aan deze nieuwe werkelijkheid, wordt depressief en een depressieve mens is in drievoud gestoord in de tijd: het verleden ziet zwart, de toekomst is onzichtbaar en het heden is onaangenaam.

Wetenschappelijke verklaringen - hoe juist die ook kunnen zijn - ontsnappen niet aan deze nieuwe werkelijkheid. De tijd is niet absoluut in de snelheid van veranderen met het licht, maar de tijd is wel absoluut in de kwaliteit van het veranderen zelf. Alles is in beweging. Het heeft geen zin ons te hechten aan een theorie in weerwil van die verandering, in weerwil van het absolute gezag van de tijd. Dit betekent dat God - zoals die werd geopenbaard - dood is en dat de gemiddelde, mechanische tijd hopeloos is verouderd. Dat wil bovendien zeggen dat wie het geloof bestrijdt met bijtende spot en cynisme, zich niet kan losmaken van dit geloof. Dat wil bovendien zeggen dat wie zich in zijn geloof consolideert, sociopathisch reageert, als een stekelige cactus.

In mijn essay Schoon volk in de hemel dat verschijnt in het najaar van 2011, na zeven jaar onderzoek en literatuur, houd ik niet langer de schijn op van gezag, vooruitgang en beschaving. Ik maak mij los uit mijn “persoonlijk, intellectueel en sociaal failliet” om een nieuw pad te bewandelen. De weg van de kennis, de analyse, de discipline, het respect. Het mag duidelijk zijn dat je met een egobehoefte, met economisch/juridische argumenten, met een conservatieve ethiek, met begrip voor zwakte de wereld niet zult verbeteren. Bouwen aan de Tempel van de Mensheid is “drieledig” (drie werven): een omslag in ons denken en handelen vanuit substantieel onderzoek, wetenschappelijke nuchterheid en principiële spiritualiteit.

Zij die de Opperbouwmeester van het Heelal vrezen en zij die Hem afvallen, zullen nooit uit hun narcofiele en angst-neurotische obsessieve depressie en cynisme geraken. Laten wij bouwen aan een wereld waarin een rationeel/democratisch evenwicht heerst tussen het menslievende verlicht humanisme en het materieel gemotiveerde, traditioneel moralistisch/pragmatisme. Theologie en wetenschap zijn niet persoonlijk genoeg. Het is - voor mij - duidelijk dat wij, van de wetenschap via de spiritualiteit en de religie van persoonlijke bekentenissen en bekeringen, moeten evolueren tot een samenleving die deze planeet bij elkaar houdt.

Thierry Deleu

Kerst- en nieuwjaars(weder)wensen van (5)

Martien Valcke
Lieven Vanhoutte
Renzo Verwer
Alphonse D'Heye
Luc Verbrugge
Adriaan van Dam
Annemieke Steenbergen
Rinus Peere
DGZ-team
Jan Deloof
Lucien Posman

  (1) 't Zand op de dijk in Oostduinkerke
(2) "Mijn broer Honoré is veel bekender dan ik!" 


EEN KORTE BABBEL MET EEN SCHRANDERE BURGER

96 JAAR JONG:
JO LOONES


“Gezondheid!”
“Gezondheid!”
Jo en ik drinken een gancia in ’t Zand in Oostduinkerke. Bij zijn zoon Piet die de horecazaak uitbaat met twee kleinkinderen, Steven Loones (zoon van Koen) en Jan Stockelynck (zoon van Pat).
“Drink je ook graag een ganciaatje?”
“Waarom niet? ’t Is allemaal hetzelfde vergif. Het is een soort drug. Als het tegen de noen draait, drink ik graag een aperitiefje.”
Jo is 96.
Hij is geboren op vrijdag 7 november 1913 in Oostduinkerke. Georges (roepnaam Jo) is een zoon van Florent Loones en Maria Gabrielle Gauquie. Hij heeft twee broers: Honoré, geboren op vrijdag 22 april 1910 en Carolus, geboren op woensdag 29 maart 1911, in Oostduinkerke.
Jo en Maria hebben zes kinderen: Anne (1943), Koenraad (1944), Katherina (1946), Piet 1950), Dirk (1953) en Joris (1956).
Jo is eigenaar/uitbater op rust van het klasse hotel Die Prince in Oostende.

“We hebben dezelfde leeftijd, Jo, maar de cijfers staan in een andere volgorde: 96 en 69.”
“Ik mag niet klagen, maar oud zijn is afzien. Er zijn vele dingen die je mist, die je niet meer kunt, je moet beroep doen op anderen, oud zijn moet je leren, je moet leren leven met je tekorten.”
Hij nipt aan zijn glas en vraagt: “Ben je naar de begrafenis van Karel geweest?”
“Neen, we waren in het buitenland. Maar ik heb Marc een brief geschreven.”
Jo bedoelt de vader van burgemeester Marc Vanden Bussche.
“Op zijn doodsprentje staat een mooie tekst van zijn zoon Luc die in Brugge woont.”

“Je ziet er echt goed uit, Jo.”
“Ja, ik klaag niet, ik heb nochtans veel gewerkt, ik heb de zaak hier zelf vijfentwintig jaar uitgebaat. Als ik de dienster nu met een plateau zie op en af gaan, reken ik uit hoeveel de bestelling kost, in Belgische frank natuurlijk.”
“Je kunt nog altijd goed hoofdrekenen?”
“O ja, de kindjes op school gebruiken nu een rekenmachientje. Ze kunnen niet meer rekenen.”
“Je hebt een goed geheugen, Jo?”
“Ja, ik mag niet klagen. Ik denk veel, ik filosofeer graag.”

Jo liep college in Roeselare.
“Ik ben daar Vlaamsgezind geworden.”
“Zijn er in Koksijde veel Vlaamsgezinden?”
“Ja, maar ze zitten een beetje overal, vroeger waren ze allemaal lid van de Volksunie.”
“Voor de oorlog had je het VNV en het Verdinaso.”
“Het Verdinaso helde een beetje over naar de Belgische kant,” zegt Jo.
Jo is nooit lid geweest van het VNV, maar indien ze het hem hadden gevraagd, zou hij ja hebben gezegd.

“Honoré (1) was tijdens de oorlog burgemeester van Oostduinkerke (van 23 februari 1944 tot 23 februari 1944). In november 1943 werd hij door gouverneur Bulckaert voorgesteld als nieuwe burgemeester van Oostende, ter vervanging van Albert Van Laere. Bulckaert wilde geen van beide Oostendse kandidaten benoemen. De eerste was lid van de DeVlag (2), de tweede was Serruys.”(3)

“Als burgemeester ontving mijn broer nog de Canadezen. Hij week niet van zijn post. Hij had zichzelf niets te verwijten. Zijn schepenen waren wel al naar huis gevlucht. De Duitse commandant had Honoré nog voorgesteld om zich met de Duitsers terug te trekken. Die bescherming had hij niet nodig. Als burgemeester had hij vele mensen in nood geholpen.”
Na de bevrijding werd hij strafrechtelijk vervolgd. Honorés vrouw, Rosa Dewitte, werd burgemeester van Oostduinkerke in 1953 (tot 1964)). Na zijn eerherstel in 1964 werd Honoré opnieuw burgemeester van Oostduinkerke. (4)
In 1976 fuseerde Oostduinkerke met Koksijde.
De periode als oorlogsburgemeester en de repressie nadien hebben bij de Loones’ geen trauma nagelaten. De Lijst-Loones kreeg al kort na de oorlog (1952) de absolute meerderheid.

Na de oorlog begon Jo met de uitbating van het hotel Die Prince aan de Albert I Promenade in Oostende. Nu wordt het hotel gerund door zijn twee zonen, Dirk en Joris.
Hij was goed bevriend met textielindustrieel Maurice Byttebier en drukker Goethals uit Kortrijk en met Wielsbekenaar Peter Debrabandere.
“Peter was een klant van het hotel en familie aan de ministers Albert en Stefaan De Clerck.”
“Ik ben met hen op reis geweest naar Arabië!”

“Jo, je hebt de moeder en de man van Irma Laplasse gekend?”
“Ja, volgens mij was Irma onschuldig. Ze wilde haar zoon vrij krijgen die door de Witte Brigade was opgepakt.” (5)
“Het gezin Laplasse was toch Duitsgezind? Haar man was lid van het VNV, dochter Angèle was lid van de Dietsche Meisjesscharen en zoon Fred was lid van het Nationaal Socialistisch Jeugdverbond.”
"Ja, dit is juist.”
“Wat denk jij van het proces en de veroordeling?”
“Ik weet dat Irma naar haar moeder is gegaan om te zeggen dat ze Fredje hadden opgepakt en dat hij in de gemeenteschool was opgesloten met nog anderen.”
“Dat de Duitsers toen naar de gemeenteschool zijn getrokken, is volgens jou toeval?”
“Ik weet het niet, maar Irma zal niet bewust zijn geweest dat haar vraag om Fredje te bevrijden zoveel ellende zou veroorzaken. Ik denk dat vele moeders in dezelfde omstandigheden hetzelfde zouden doen.”
“Er werd over de zaak-Laplasse heel veel gepraat en geschreven. Werd die gebeurtenis niet een beetje uitvergroot?”
“Ja, jaloezie zal ook wel een rol hebben gespeeld. Irma was vijftig, een mooie, aantrekkelijke vrouw.”
“Is de repressie ook niet deels een afrekening geweest, Jo?”
“Zeker, velen hebben ervan geprofiteerd om hun vetes te beslechten.”

Ginette komt bnnen. Tussen beiden volgt een geanimeerde babbel over koetjes en kalfjes, over gezondheid en ouderdomskwaaltjes, precies of zij elkaar al jaren kennen.
“Om twaalf uur moet ik weg,” zegt Jo ineens.
“Wanneer spreken wij nog eens af?”
“Ik geef jou mijn telefoonnummer.”
Het tweede gesprek vond nog niet plaats. Gezondheid, winterweer en drukke bezigheden verhinderden het.

Thuis las ik in het dossier De Zaak Irma Laplasse. Deel 2: Het Herzieningsproces:
In de voormiddag van 8 september 1944 werden levensmiddelen opgeladen in de “Ermitage”. Deze villa, gelegen in de Kluislaan te Oostduinkerke-bad, was tijdens de bezetting de verblijfplaats van de Duitse stafbatterij en deed ook dienst als lazaret.
Marcel Ingelbrecht werd ’s morgens door de Duitsers opgevorderd om een burgerauto te besturen, waarmee zij eventueel zouden proberen te vluchten. Het zou de auto van Jo Loones, de broer van Honoré Loones, zijn geweest. Honoré zelf was op dat ogenblik oorlogsburgemeester van Oostende.”


Thierry Deleu
(Wordt vervolgd)

(1)
Honoré is overleden op zaterdag 7 februari 1981 in Oostduinkerke. Hij was 70. Hij trouwde in 1943 met Rosa Dewitte. Zij hadden vijf kinderen: Wouter, Else, Beatrice, Jan en Herman.
Jan (°2 juni 1950), die Vlaams parlementslid is geweest voor de VU en later de NVA, trouwde met Karolien Chauvin. Zij hebben drie kinderen: Lotte, Sander en Miel.

(2)
DeVlag (uitspraak “deevlag”; samentrekking van Deutsch-Vlämische Arbeitsgemeinschaft) was een in 1936 door Vlaamse en Duitse academici opgerichte culturele vereniging voor de bestudering van de gemeenschappelijkheden van de Vlaamse en Duitse cultuur. Na de Duitse inval in België in 1940 ontpopte de DeVlag zich meer als een politieke nationaal-socialistische Groot-Duitse club dan als een culturele vereniging. DeVlag werd een felle concurrent van het VNV (Vlaamsch-Nationaal Verbond), dat weliswaar ook fascistisch was, maar in het begin wat meer aarzelde over zijn houding tegenover de bezetter, waarvan men niet wist of die een onafhankelijk Vlaanderen of Groot-Nederland zou toestaan.
Toen het veel grotere VNV echter voor de collaboratie koos, leek de rol van de DeVlag uitgespeeld. Veel leden van DeVlag (onder wie Jef Van de Wiele) vluchtten na de intocht van de geallieerden in België (augustus 1944) naar Duitsland.

(3)
Henri Serruys (Oostende, 25 april 1888 - 25 januari 1952) was een ingenieur en Belgisch politicus voor de liberalen. Serruys was burgemeester van Oostende van 1940 tot 1941 en van 1944 tot 1952. Naar hem is een ziekenhuis in Oostende genoemd.

(4)
Na de bevrijding werden resp. Firmin Vermeersch (van 1944 tot 1944), Omer Declercq (van 1944 tot 1947) en Aubrey Florizoone (van 1948 tot 1952) de nieuwe burgemeesters.

(5)
Het proces van deze landbouwersvrouw uit Oostduinkerke moest ruim vijftig jaar later (1995) worden overgedaan. Sinds Louis De Lentdecker in 1949 Het dagboek van Irma Laplasse had gepubliceerd, werd dit dagboek beschouwd als bewijs dat Irma onschuldig was en ten onrechte werd veroordeeld en terechtgesteld. Ook Karel Van Isacker was die mening toegedaan. De controverse nam daardoor alleen maar toe. Het blijft een feit dat een Duitse patrouille in aanval deed op de Witte Brigade in Oostduinkerke-Dorp.
Irma Laplasse verklaarde, in gevangenschap, dat “indien ik iets misdaan heb, is het wel uit liefde voor Fred geweest, maar ik reken dat niet als een misdaad, want wie mijn kinderen onrecht aandoet, zijn mijn vijanden” (blz. 36).

In Het Drama Irma Laplasse van prof. Karel Van Isacker lees ik in een kadertekst die het hoofdstuk 14 voorafgaat:
Maar er is meer. Later heb ik van twee personen vernomen dat Bert Mus hun ditzelfde verhaal al vele jaren eerder had verteld. Toen ik Mus nadien bij een nieuw bezoek hierover aansprak, herinnerde hij zich niet eens dat hij het nog aan iemand anders had gezegd!
Zijn herinneringen aan wat hij die voormiddag van 8 september nog meer heeft meegemaakt, zetten zijn verklaringen nog meer kracht bij. Hij is na zijn bezoek aan de batterij immers, met de fiets aan de hand, naar huis teruggekeerd in het gezelschap van Marcel Ingelbrecht. Duitse officieren hadden ‘Schutteltje’ - dat was zijn bijnaam - ’s morgens in de batterij opgevorderd om een burgerauto13 te besturen, waarmee zij eventueel zouden proberen te ontsnappen. Mus had er tijdens zijn bezoek aan de batterij echter voor gepleit Marcel Ingelbrecht vrij te laten. De auto is er wel achtergebleven.
Deze gedetailleerde voorvallen en omstandigheden omkaderen en bekrachtigen in alle geval Mus’ verklaringen aangaande zijn eigen aanwezigheid op 8 september 1944, op het terrein van de Duitse batterij Groenendijk. Hij had geen enkele reden om daarbij de aanwezigheid van Irma Laplasse te verzinnen; integendeel, hij kon maar al te goed beseffen dat zijn (laattijdig) verhaal hem heel wat narigheid zou bezorgen..."
13 Volgens Bert Mus wellicht de auto van Jo Loones, de broer van Honoré Loones. Die laatste was op dat ogenblik oorlogsburgemeester te Oostende.

23 december 2009

Kerst- en nieuwjaars(weder)wensen van (4)

Roger Nupie
David Troch
Fernand Laforce
Bert Bevers
Guido Decorte
Marc Bungeneers
Gronama
Wannes Deleu
Theo Gielen
Mia Kluysse
Lidy De Brouwer
Marleen Delanghe
Bernadet
Greta Holvoet
LEVEN


Een windvlaag een schim
in de donkere nacht.

Een rilling en warme
handen die me strelen.

Een mond die sust
me dan, zachtjes kust.

Een nacht om de
liefde samen te beleven.

Een hart om weer
te voelen, dit is leven!


Paula Hagenaars
DE TIJD VAN TOEN WAS ZOVEEL BETER

BEWIJS: DE RETRO MODE!


Deze titel moet je natuurlijk met een ferme korrel zout nemen. Ik zocht een aantrekkelijke titel, een in-het-oog-springer zegt men in het vakjargon, een blikvanger. Was de tijd van toen beter? Driemaal neen, een kleine ja. Ja, als je poneert dat stress toen nauwelijks bestond.

Retro mode, hierover gaat het. Of moet ik schrijven: over recycling en hergebruik in de mode? Wordt er in de mode nog wel eens echt iets nieuws verzonnen? Of is het zogenaamde nieuwe slechts een nieuwe kijk op oude dingen?

In de mode worden stijlelementen voortdurend gerecycled om ieder jaar weer een nieuwe “look” samen te stellen. De illusie dat mode iets volkomen nieuws brengt, hoef je (niet) te geloven. Mode brengt nooit iets echt nieuws. Tenzij je “nieuws” noemt wat gemaakt is met behulp van “oude” componenten? Je moet echt leren door de lagen van oude dingen heen te kijken.

Is iets nieuws in de mode dan per definitie een combinatie van oude elementen? Niet twijfelen, ja zeker. Denk aan de enorme wijde mouwen bij Givenchy: een verwijzing naar de blouse uit de jaren ’50. Dries van Noten b.v. richt zich op andere culturen. Vivienne Westwood maakt gebruik van de kostuumgeschiedenis. Dior stelt de Chinese jurkjes voor. Fragmenten uit het verleden worden hergebruikt in plaats van het complete beeld. In de jaren ’70 droeg je omajurken uit de jaren ’20. Nu draag je een jasje uit de jaren ’70 en een blouse uit de jaren ‘60.

Mode betekent in feite: van oud nieuw maken.

De jaren ‘80 zijn terug in de mode of althans bij de haute-couture. Gelukkig maar, want die mode uit de jaren ’80 met vleermuismouwen, breedgeschouderde, oversized broekpakken en neonkleuren zijn mijn ding niet. Te schreeuwerig! In de reguliere modewinkels en de toonaangevende boetieks overheerst echter een ander modebeeld voor vrouwen: dat van een ingehouden, retro chic beeld met veel elementen uit Amerikaanse sportswear uit de jaren ’50. Denk aan de smalle baseballjacks, de poloshirts, de shorts, de krappe sweaters en de capri-broeken.

De retro mode charmeert mij. De modetrends van de jaren ’30 tot de jaren ’70 zijn de meeste vrouwen heel wat beter af. Het is draagbaarder, de kledingstukken laten zich makkelijker combineren. Louis Vuitton heeft b.v. prachtige, wijde rokken tot over de knie. Ook Prada met zijn strakke kokerrokjes.

Mijn persoonlijke voorkeur? Blij dat je het mij vraagt. Ik ben voor een frisse en blije kledij, met pasteltinten, zuurstokroze, marineblauw, camel en wit enerzijds en anderzijds is zwart mijn lievelingskleur voor bijzondere gelegenheden. Ik kijk vooral naar de begindagen van de rock & roll uit de jaren ’50 en begin ’60. Ik ben nu eenmaal van een generatie die toen van het dak sprong. Mode met een knipoog, enerzijds onschuldig, anderzijds rebellerend. De kunst zit in het juist niet letterlijk kopiëren van die jaren ’50, maar in het mixen naar eigen inzicht.

De haute-couture zoekt het vooral in de jaren ’80. Weet je dat de mensen (de vrouwen?) toen gierig waren? Er moest geld worden gemaakt en uitgegeven en je moest er onwijs goed uitzien terwijl je aan het uitgeven was. Overdreven, was het kenmerk toen. TV-shows als Dynasty en Dallas waren toen reuze populair: de hoofdpersonages waren behangen met juwelen en de glamour droop er af. Merkkledij was een uiting van succes voor de opkomende yuppie. Moeten wij daar heus naar terug? Neen toch, wakkere burger(es), houd het ethisch clean, er zijn zoveel mensen die in lompen lopen en honger hebben als honderd paarden tegelijk. Beckham en zijn “geprogrammeerde pop” kunnen mij niet bekeuren. En op de catwalk tref je al te veel aangeklede “pannenlatten”.

Georges de Courmayeur

De Geletterde Mens wordt gretig gelezen en/of geraadpleegd!

Visits

Total ....................... 19.178
Average per Day ................. 79
Average Visit Length .......... 1:35
This Week ...................... 551

Page Views

Total ....................... 30.836
Average per Day ................ 124
Average per Visit .............. 1.6
This Week ...................... 871

http://sm1.sitemeter.com/stats.asp?site=sm1derek
Potscherven bij het oude talud
Afgaande op de regels onder de schors
Even binnen met een boekje in een hoekje
Kundig oude letterbakken zetsels bekijken.
Zo verstil ik met mijn rug tegen de muur
Voel potscherven, houten oudere plankiers.

Waar mensen niet spreken spreken stenen
Er is geen verschil tussen ik kan het niet
Geen verschil met ik doe niet aan verdiepen.
Gedachtes opwekkend wakker maken is trouw
Elke steen een voor een aftastend tij ervaren.

Waar mensen niet spreken spreekt hout en steen
Over deze regels de zinnen van onder de schors
Hier woonden werkelijk vele monniken, Kartuizers.
Afgaande op houten splinters onder mijn hersenschors.
Pot ik ze op met de vingers van mijn geopende handen

21-9-2009
Annemieke Steenbergen-Spijkerman

22 december 2009

Een reis langs rood en wit


Gedichten
Hannie Rouweler


Roger Nupie

ELKE DAG OPNIEUW IN WOORDEN GROEIEN
Een nawoord

“De trein is altijd een beetje reizen” luidt de slagzin van de NMBS die te pas en te onpas gebruikt en vaak - met een ironische knipoog - misbruikt wordt. Lezen is ook altijd een beetje reizen, en niet zomaar een beetje. Je wordt als lezer meegesleurd in een nieuwe wereld. Poëzie doet nog meer: de lezer wordt uit zijn vertrouwd cocon gehaald en maakt via een gedicht een trip die hem, in hart en ziel kan raken. Anders dan bij de spoorwegen, heeft tijd hier geen belang: je valt als lezer buiten de tijd, komt in een ander universum terecht.

Waar Hannie Rouweler ons naartoe voert klinkt raadselachtig: Het wordt Een reis langs rood en wit - een intrigerende titel die de verbeelding prikkelt. De bundel is opgedeeld in drie cycli: “Rood en wit”, “Gedichten over kunst” en het leeuwenaandeel, “Andere gedichten”.

“Rood en Wit” is een schilderij van Edvard Munch. Rouweler liet zich inspireren door hem en vijf andere schilders waar ze werk van zag in Noorwegen en dat levert de ijzersterke gedichten op waarmee de bundel opent. Haar passie voor schilderkunst krijgt helemaal de vrije loop in de tweede cyclus, “Gedichten over kunst”, waar ze zich liet inspireren door notoir gezelschap als Ensor, Félicien Rops, Willem de Kooning, Picasso, Tony Mafia en Van Gogh.

In drie langere gedichten naar aanleiding van reizen is het engagement treffend. In “Rivier de Jordaan” lezen we: De wezenloze stilte van jonge soldaten die naar het front moesten,/ de Golan, Sinaï, / In volle trucks. Het meisje dat ik was en zwijgend naar hen keek en in “Een reis” klinkt het: Zo was ook de oorlog. Sommige mensen vertrekken en komen niet/ meer terug. Niemand weet waar ze bleven. In het al even aangrijpende gedicht “Strafpaal” waarbij mensen in Schotland die straf/ kregen voor overspel, diefstal, hekserij en moord./ Of een ander politiek standpunt innamen/of een geloof dat niet werd aanvaard door de gemeenschap lezen we welk wreed lot hen te wachten stond: Ze bonden hen in de modder vast/ aan een paal waarbij het water met de vloed gaat stijgen/ door het opkomend tij waardoor ze soms verdronken.

Er wordt heel wat afgereisd in deze bundel, al geeft dat een dubbel gevoel: Hier zou ik willen blijven als ik geen vaderland had. Geen/ vaste bodem zou mij weghouden bij jou, als jij zou bestaan./ Als jij mijn hand vastpakte. Als jij mijn hand niet losliet.

Als de dichteres in een gedicht bij een schilderij van Björn Carlesen opmerkt Ik laat de kleuren toe die achter de bomen omhoog stijgen, dan herkennen we een andere constante die steeds weer opduikt in haar poëzie: het landschap, als element van onschuld: Het landschap kan er niets aan doen./ De bomen dragen geen schuld. Het landschap dat vertrouwd is en toch telkens weer opnieuw verrast: Het landschap is oud en nieuw. Landschappen en de natuur schemeren in heel wat gedichten door. Vogels, appels, tulpen en bomen krijgen een eerbetoon toegedicht en ook hier is het engagement niet ver weg: Wie met bomen is begaan/ is dat ook met de mensheid. Het bezwerende “Waarschuwing met water” klinkt als een smeekbede: Stroom niet verder door deze poel van verderf,/ de stank van chloor en venijn, afvalstoffen zink en bitterheden/ ga terug en: laat water/ opnieuw stromen bij de bronnen van goed en kwaad.

In de cyclus “Andere gedichten” baden heel wat gedichten in een serene sfeer van bezinning en melancholie: “De huizen waarin ik woonde”, “Woning” (De nacht is/ nog jong al is het verleden kwetsbaar en klinkt/ gemis in mijn woorden, stamelend, als ik mijn mond/ op jouw zinnen leg en een hand jouw leegte streelt.) “Uit de oude doos”, “Moeders van toen” en “Wachten op je dochter”, over wie ze elders schrijft: Het kind draag ik in gedachten/ mee, op welke reis dan ook. Mijn liefde voor haar kent/ geen grenzen.” En ook, in “Na al die tijd en vage dromen”: Ik vergeet bijna dat ik je moeder ben. Zoveel afstand/ is genomen. Zoveel andere bruggen over dezelfde rivier./ Niets kan ons scheiden. Je blijft mijn kind. Alles hetzelfde.

Maar Hannie Rouweler raakt evengoed geïnspireerd door de meest uiteenlopende onderwerpen, van “De Lange Wapper”, de omstreden brug die er al dan niet in Antwerpen zou komen en Kim Gevaert (“Koningsnummer”) tot een naaimachine (“De oude Singer”). Alsof nog moet bewezen worden hoe veelzijdig haar poëzie is, kan ze ook speels uit de hoek komen, zoals in het gedicht “Pornocrates”, bij een schilderij van Félicien Rops, of ironisch, als ze het heeft over de perikelen bij het verzenden van een “Postpakket voor Oostende” of in het eerder genoemde “Een reis”: …We hebben veel afgeschaft, Freud bleek/ een oplichter eerste klas en iets van hem/ bleef hangen in bibliotheken van pseudologen.

Wie reist, wordt graag verrast. Wie rondreist in deze bundel van Hannie Rouweler, krijgt een caleidoscoop van thema’s en stemmingen aangeboden. Wie verliefd wordt op een bestemming, keert er graag naar terug. “Een reis langs rood en wit” is een bundel waar je als poëzielezer graag in verdwaalt en naar terugkeert: een reis langs gedichten waarin het voor elke poëzieliefhebber blad na blad aangenaam vertoeven is.

Je zit zo lang te wachten/ op dit godvergeten station/ tot iemand je koffers oppakt/ en tegen je zegt: ik ga met je mee. Hannie Rouweler is met deze bundel, “Een reis langs rood en wit”, de ideale reisleider in dit poëtisch avontuur.


Roger Nupie

Een reis langs rood en wit
Hannie Rouweler
ISBN: 978-1-4092-9893-9
Demer Uitgeverij
e-adres: info@demerpress.be
website: www.lulu.com/content/7589959