Redactie: Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Thierry Deleu (eindredactie), Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Jan Van Loy, Dirk Vekemans

Stichtingsdatum: 1 februari 2007


"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"

"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.

31 juli 2009

De Geletterde Mens bij de Top 100!

Top 100 meest invloedrijke Vlaamse weblogs
update 24/07

De top 100 van meest invloedrijke Vlaamse weblogs die voortaan wekelijks wordt gepubliceerd op deze pagina. Deze lijst houdt geen rekening met de thema's en onderwerpen die op deze honderd blogs worden besproken en toont enkel een sortering volgens algemene invloed. De MetaTale rapporten gaan een stap verder en houden bij het berekenen van de influence ranking wél rekening met die thema's. Het cijfer tussen haakjes duidt overigens die influence ranking aan, op een schaal van 0 tot 25.

1 (20) www.gentblogt.be/
2 (20) www.netlash.be/
3 (20) www.holebifederatie.be/
4 (20) www.wouter.net/
5 (19) www.minorissues.be/
6 (19) www.crossthebreeze.com/
7 (19) www.tropicalidad.be/
8 (19) bvlg.blogspot.com/
9 (19) webpalet.titeca.net/
10 (19) www.zattevrienden.be/
11 (19) www.askatasuna.be/
12 (19) www.paulrigolle.be/arcadim
13 (19) blog.pictrix.be/
14 (19) tijsvrolix.be
15 (19) poezieinvlaanderen.blogspot.com/
16 (19) lienweb.be/
17 (19) blog.forret.com/
18 (19) www.pietel.be/
19 (19) www.bnox.be/
20 (19) www.emich.be/
21 (19) www.chateaubrys.be/
22 (19) smetty.be/
23 (19) www.jansoone.be/
24 (19) www.brakkehondblogt.be/
25 (18) www.ottenbourg.com/blog
26 (18) www.blogologie.be/
27 (18) www.edublogs.be/
28 (18) www.westoek.be/
29 (18) www.netlash.com/
30 (18) users.skynet.be/chipsandcookies/
31 (18) mouseover.be/
32 (18) tijd.blogspot.com/
33 (18) koenfillet.blogspot.com/
34 (18) www.ondernemeringent.be/
35 (18) www.bram.us/
36 (18) depblog.weblogs.us/
37 (18) www.karelschiepers.be/
38 (18) stew.be/stew
39 (18) www.clopin.be/
40 (18) www.planetgadget.be/
41 (18) redfox-babes.blogspot.com/
42 (18) www.ikbenpink.be/
43 (18) onderhond.blogspot.com/
44 (18) muzeval.blogspot.com/
45 (18) hoegin.blogspot.com/
46 (18) vkmag.com/
47 (18) frank.be/
48 (18) omtersaaist.net/
49 (18) bart.vanherreweghe.com/
50 (18) huugendruug.eu/
51 (18) debitches.be/
52 (18) inflandersfields.blogspot.com/
53 (18) www.smetty.be/
54 (18) schaaflicht.blogspot.com/
55 (18) www.hetgroteverlangen.be/
56 (18) www.unizo.be/
57 (18) www.elsvaneeckhaut.be/
58 (18) www.gizmodo.com/
59 (18) blog.johnbaeyens.com/
60 (18) dominiek.be/
61 (18) peterdedecker.net/blog/index.php
62 (18) soft.sietoebie.be/
63 (18) www.gigadesign.be/
64 (18) el73.be/
65 (18) www.asfaltkonijn.be/
66 (18) askatasuna.be/
67 (18) blitzkriegnoise.blogspot.com/
68 (18) blog.i-manuel.be./
69 (18) www.lvb.net/
70 (18) gizmodo.com/
71 (18) dhtheafter.blogspot.com/
72 (18) imkedielen.wordpress.com/
73 (18) loperlander.spaces.live.com/
74 (18) www.ottenbourg.com/blog/
75 (18) www.webstermc.be/
76 (18) blog.schuppe.be/
77 (18) www.feweb.be/blog
78 (18) www.kladblog.be/
79 (18) www.vanginderachter.be/
80 (18) www.soundscapes.be/blog/
81 (18) www.commissaresse.be/
82 (18) jurgenverstrepen.typepad.com/
83 (18) freaqshow.blogspot.com/
84 (18) blog.benjamincarlier.be/
85 (18) www.stopthekillings.be/
86 (18) spiritvoorgent.blogspot.com/
87 (18) www.snarf.be/
88 (17) www.kerygma.be.
89 (17) www.peterdecroubele.be/
90 (17) www.geletterdemens.blogspot.com/
91 (17) geertm.spaces.live.com/
92 (17) blog.elisehuard.be/
93 (17) pietr.wordpress.com/
94 (17) castfortwo.blogspot.com/
95 (17) arturian.wordpress.com/
96 (17) www.verbeelding.org/
97 (17) www.charlo.be/
98 (17) www.sloddervossen.be/
99 (17) koenblogt.be/
100 (17) langsvlaamsewegen.anucast.com/

Overgenomen van http://www.metatele.eu

Gastredacteur (zie linkerkolom) JAN HUYGHE - deel 1



























Jan Huyghe - Biografie

Jan Huyghe (°Veurne 1956) behaalde een licentie Germaanse Filologie aan de KU Leuven, met een uitgebreide verhandeling Volksliedonderzoek in groot-Veurne.
In de Westhoek was hij vijftien jaar beroepsjournalist voor diverse media. In die hoedanigheid won hij de Nationale Persprijs 1986 van het Gemeentekrediet, cat. Geschreven Pers, met de reportagereeks De Vlaamse Zeevisserij.
Van zijn hand verscheen in 1991 het verhaal De Hel(d) van het Noorden over de kasseienklassieker Parijs-Roubaix, en in 2007 het volksboek De Rosten Durang, ereburger van Koksijde en paardenvisser van Oostduinkerke, vertelt z’n peerdeleven.
Verder schrijft Jan Huyghe gedichten en liedteksten, o.a. voor de ceedees Kent gij de streek? (1996) en Levende Vers (2002) voor volksmuziekgroep Sinksenbruid waarvan hij zanger is.
Sinds 1996 is hij informatieambtenaar aan het gemeentebestuur van Koksijde.


Fragment uit De Hel(d) van het Noorden – Avontuur in Parijs-Roubaix (uitgegeven door De Rode Bles, 1991, 174 blz.)

Route forestière d’Arenberg

Situering
We hebben de doortocht van de renners op de kasseien door het bos van Wallers-Arenberg gemist. We waren te laat. Terug in de wagen starten we de achtervolging op het peloton, op de kasseien door het bos waar honderden toeschouwers uit wandelen…

Voor ons gaapt de donkere mond van de tunnel waaruit wel honderden mensen komen. Het woud spoelt de ingewanden. De massa hokt aan een traag debiet over heel de breedte van de weg. De straat versmalt. Onder een spoorwegbrug. Het nieuw contact met de stenen van het bos is ongemeen hard. Onmiddellijke verraderlijke putten. De Visboer rukt aan zijn stuur om langs de verzakkingen heen te rijden, maar toch bonken de wielen over de steenbrokken. Instinctmatig grijpen we allemaal naar steun.
Dit is het staatswoud van Wallers-Arenberg. Aan weerszijden van de kasseien opgeschoten magere bomen. De stammen slingeren zich grillig omhoog, splitsen in scherpe takken, verstrengelen in de top tot onontwarbaar vlechtwerk. Onderaan spietst kreupelhout door varens en netels. Versplinterd hout priemt als speerpunten door het struikgewas. Hier, op deze koude stenen, tussen het splijtende maquis van Wallers-Arenberg, worden de renners één voor één een doornenkroon op het hoofd geslagen. Wallers is de geseling vòòr de tocht naar Golgotha.
Hij wil sneller vooruit dan mogelijk is en schalt de claxon aanhoudend opdat de massa baan zou ruimen. We krijgen geen applaus, integendeel, er zijn er die woest in onze richting blikken.
“Vooruit!” gromt hij. “Ga toch rapper van die stenen af!”
Hij houdt de handen hoog op het stuur, voorovergebogen, krampachtig. Hij duwt ze het mos op, de modder in. Ouders trekken hun kinderen onder de oksels.
Het blijft moeilijk sturen. Overal diepe putten in de weg. De stenen liggen breed uiteen. Hele vlakken kantelen, randen brokkelen af naar de aarde. Deze doortocht moet een verschrikking zijn. De pijnlijke dans der stenen, de concentratiedans.
Op een open plaats leidt een andere kasseistrook dieper het woud in. Links staan de vrachtwagens van de Franse televisie. De doortocht komt elk jaar rechtstreeks op het scherm.
Het bos loopt aan weerszijden gelijkmatig leeg. Het volk stapt nu voor ons uit. Een paar honderd meter schieten we vlugger op tot een nieuw wandelend cordon opdaagt. Sommigen wijken vanzelf maar anderen verkeren in diepe onschuld. En dan wippen ze geschrokken op, slaan als kippen de armen en haasten zich naar de kant. Vijandige grimassen en hoongelach als we hen voorbijrijden. Zo dadelijk halen wij ons de volkswoede op de hals. Want zij verwachten geen voertuigen meer. Wij rukken ze ruw uit hun roes. Wie nu nog driftig door het bos moet, hoort er volgens hen zeker niet bij. En eigenlijk hebben ze gelijk.
Maar de Visboer moet zijn meesterschap tonen. Met beroemde renners heeft hij de kamer gedeeld. In Parijs liep hij Eddy’s ereronde mee, toen die de Tour won. Van zo’n man kan je niet verwachten dat hij als een schildpad door het bos van Wallers-Arenberg kruipt. Ik kan het de mensen natuurlijk niet kwalijk nemen dat ze zijn adelbrieven niet kennen.
Ik heb mijn deur vergrendeld. Stel je voor dat een woedende Fransman het portier openrukt en mij op de stenen sleurt. En wat daarna nog kan gebeuren, daar durf ik haast niet aan denken. Zie die grillige palen aan de rand van het mos? Met de dwarsliggers drie meter hoog. Over heel de afstand, zowel links als rechts en de rijen erachter. Misschien hangt op het eind wal Spartacus, de armen uitgerokken en de schouders verwrongen, naakt en stervend? Met steenblokken in een kring tegen de voet van zijn kruis gestapeld? Wallers-Arenberg, het woud van de dood..?
En toch is er ook pret in de Hel. Enkele mensen ondersteunen een dame. Ze staat op één been in de blubber, haar ander been hangt boven de grond, zonder schoen. Haar tenen zijn zwart. Ze lijkt wel een flamingo, maar dan zonder gratie want ze draait haar bekken rond en zwaait met de armen om het evenwicht niet te verliezen. Ik hoor nog vaag gelach als het tafereel achter me wegsterft.
Ineens zijn we niet meer alleen, er rijdt een Volkswagen kever voor ons. Waar komt die vandaan? Je kan hier niets op voorhand weten. Het volk vordert langzaam, in dichte pakken, het opent zich laat, sluit zich onmiddellijk. De straat is een slang met een glijdend konijn in het lijf.
Marc volgt hem op nog geen halve meter. Hij flitst de koplampen en schalt de claxon.
“Kom kerel, aan de kant, ga van die weg af!”
Ik denk dat de chauffeur van de kever bang is. Misschien gelooft hij wel dat wij belangrijk zijn. Want hij rijdt voorzichtig de zachte berm op. Marc stuurt naar rechts maar de banden schieten brutaal de stenen af. In eerste versnelling, en gas geven tot de motor huilt. Het achterwiel slingert een straal modder naar de gracht. De Volvo glijdt schuin over stenen en slijk, maar grijpt dan toch.
Hij zucht.
“Stel je voor dat we vastgeraakt waren! Wat komt die kever hier ook doen?”
“Ken jij een bos zonder kevers, Marc?” vraag ik lachend.
De massa wordt dunner en in de verte wenkt de klaarte van het open land.
Hij duwt een sigaret tussen de lippen. De vlam van de aansteker danst op en neer, met regelmaat, als de dans der banden over de stenen. Met zijn vrije hand houdt hij stevig het stuur vast. Hard en zeker ligt die hand, de vingers gespannen.
“Het bos van Wallers-Arenberg! Zijn we er doorgereden, of niet? Kijk eens hoe mooi het is! Jongens!”

* * * * * * * *

Twee gedichten uit de bundel Koppen van het Noorden - Gedichten over de wielerklassieker Parijs-Roubaix (onuitgegeven, zomer-herfst 2003)

Vlaamse kermis in Arenberg

wel duizend koppen telt
het vlaamse legioen dat
vol van drift en zot geweld
voert ’t bandeloos beleg
tussen het woud en overweg
met luim en leeuw omhangen

gulzig dik zo zwelt hun kop
bij elk verhaal van roem en roes
bij elke biergulp door hun krop
buld’ren ze bruut van driest genot
en uit hun onbeschaamde strot
brallen ze wilde zege-zangen

dan brengen ze een dwaze groet
stappen betoeterd in ’t gelid
wanneer de majorettenstoet
van kleine meisjes defileert
en zij op voet en been verkeerd
weer joelend sluiten alle rangen

les godfordoum zijn weer op pad
ze vreten friet met frikandel
heel Arenberg slaan ze patat
gewapend met palm en geschreeuw
wachten zij op jowan museeuw
en branden vurig van verlangen

* * * * * * * *

Chemin des Prières – Chemin des Abattoirs
(Twee kasseistroken dragen werkelijk deze namen…)

Is dit gejuich? Of grimmig jouwen?
Van hen die wrede vuisten ballen,
als bandhonden bloeddorstig snauwen
en hitsig vuige kreten brallen?

Ziet hoe hun ruige handen steken,
hoe vonken in hun ogen gloeien,
zij kwijl tussen de kaken kweken,
en horens uit hun schedel groeien.

Zij dreigen met hun hellebaarden,
slaan in de wind hun rode klauwen,
hun tongen vunzig likkebaarden,
van gal achter tanden gebrouwen.

Ach, moet ik door die duivelsbende,
op stenen die mijn lenden breken,
mijn scheurend lijf, één stuk ellende,
die marteltocht, in smart’lijk smeken.

Ik haat u, Koppen van het Noorden,
Gij doet mijn polsen, knieën kraken,
uw putten, punten, brokken, boorden
doen mij m’n buik en borst uitbraken.

O Heer, kalvariewaarts geslagen,
op uw kapotgeschopte leden,
help mij dit duivelskruis verdragen
langsheen de weg van de gebeden…

Hoort niemand dan mijn bitter wenen?
Ontveld, ontvormd, ten einde krachten,
resten mij enkel koude stenen,
de laatste weg van het afslachten…

30 juli 2009

vzw Symbiose en kunstentaverne De Kleine Notelaar nodigen uit voor:

Doel, mijn stervend kind, een poëzie en filmavond rond het bedreigde polderdorp
op zaterdag 22 augustus 2009 vanaf 20 u
in De Kleine Notelaar, Vlassenbroek 222 te Baasrode-Vlassenbroek (Dendermonde),
voorbij het kerkje van Vlassenbroek ong. 200 m richting Baasrode afdalen naast de vijver (parking naast de dijk)

- Gastheer Frank De Vos, dorpsdichter van Doel leidt de avond in;
- Poëzie door verschillende dichters rond het thema ‘Vergankelijkheid’. Dit is meteen ook het thema voor de jaarlijkse gedichtendag met wedstrijd uitgeschreven door kunstenvereniging vzw Symbiose (info en reglement: www.bloggen.be/patricia52);
- muzikale omlijsting door Bernard Bertoni (Frankrijk - viool) en Yoanna Mihai (Roemenië - piano) beiden leerlingen master Conservatorium Brussel.

Inkom: 5 € - info: 0494/60 19 61 of 052/21 11 80

29 juli 2009

woensdag 29 juli 2009

Bedichting van een dorp

Vers van de pers: Bedichting van een dorp, met poëzie die werd geschreven bij het met uitsterven bedreigde Scheldedorpje Doel. Samengesteld door de dorpsdichter van het plaatsje, Frank De Vos. 4.

De bloemlezing bevat gedichten van Bert Bevers, Dirk De Boeck, Catharina Boer, Hilde Van Cauteren, Herman J. Claeys, Hendrik Carette, Martin Carrette, Bert Deben, Thierry Deleu, Ferre Denis, Pieter Gabriëls, Karine De Gucht, Tine Hertmans, Peter Holvoet-Hanssen, Ivan Jacobs, Mark Meekers, Dianne Nuyts, Didi De Paris, Willem Persoon, Tony Peirsman, Brigitte Strick, Dirk Vekemans, Dirk Veron, Paul Vincent en Frank De Vos.
Het boekje is verluchtigd met sterke foto's van Richard De Nul.

Geplaatst door Bert Bevers op 2:57

28 juli 2009

NOTEER NU IN JE AGENDA
ZODAT JE GEEN DOUBLE DATE HEBT!

KAN LIEFDE ZÓ GROOT ZIJN ALS IN DE ZESDE ROMAN VAN

THIERRY DELEU

LIEFDE EN DOOD
OP SINT-ANDRÉ

Razor's Edge Editions

Voorstelling van het boek:

op 5 december, om 11.00 u.,in de Kok-pit van het (nieuwe) gemeentehuis Koksijde

Inleiding: Ilse Chamon, woordkunstenares
Welkom: Marc Vanden Bussche, burgemeester & Vlaams parlementslid

Receptie aangeboden door de gemeente
SCHEPPINGE

God heeft de werelt door onsichtbare clavieren
Betrocken als een luyt met al sijn toebehoor.
Den hemel is de bocht vol reyen door en door,
Het roosken, son en maen die om ons hene swieren.

Twee grove bassen die staech bulderen en tieren
Sijn d’aerd en d’oceaan: de quinte die het oor
Verheuget, is de locht: de reste die den choor
Volmaket, is t’geboomt en allehande dieren.

Dees luyte sloech de Heer met sijn geleerde vingers,
De engels stemden in als treffelicke singers,
De bergen hoorden toe, de vloeden stonden stil:
Den mensch alleen en hoort noch sangeren noch snaren,
Behalven dien ’t de Heer belieft te openbaren
Na zijn bescheyden raet en Goddelijcken wil.

Jacobus Revius (1630)


CREATION

God with his wires invisible has strung the world
As ’twere a lute, with all of its accoutrements.
The welkin is the bowl, full-ribbed from end to end,
The rose, the sun and moon whose orbits round us twirl.

The two coarse bass strings that forever boom and roar
Are earth and ocean: the high chanterelle, so sweet
Upon the ear, the sky: the others that complete
The choir are the trees and beasts of every sort.

This lute th’Almighty plucked with His accomplished fingers,
The angels then joined in as His proficient singers,
The mountains listened rapt, the rivers all stood still:
And man alone hears neither singers nor the strings,
Unless it please God to reveal to him such things
According to His prudent plan and heav’nly will.


Translation: John Irons
Peter Sloterdijk Het Kristalpaleis: een filosofie van de globalisering


Sloterdijks boek Het Kristalpaleis eindigt voor mij op een ontnuchtering waarop ik gelukkig voorbereid was. Een pleidooi voor een plat Duits lokalisme, protectionisme en nationalisme dat veel gemeen heeft met de kern van het nationaal-socialisme: de verbondenheid met de eigen aardse grond, Blut und Boden dus, die Sloterdijk als de oeressentie presenteert van wat het betekent mens te zijn of van de menselijke tegenwoordigheid op deze planeet. Want na het débâcle van de poging van de Duitse bourgeoisie op het einde van de 19de eeuw om ook een imperialistische Natie te worden zoals Engeland en Frankrijk, om ook een “imperium” op te bouwen, een poging die met Wereldoorlog I spaak liep, focuste de Duitse filosofie zich met Heidegger inderdaad op de vraag “waar is de mens (i.e. de Duitser)?” en is de Duitse politiek geobsedeerd door haar (tekort aan) Lebensraum. Reeds na het lezen van Sloterdijks magnus opus Sferen, de trilogie die hij schreef tussen 1997 en 2003, worstelde ik al, na wel enorm veel aangename inzichten te hebben opgedaan, met een vermoeden van deze “Duitse” nationaal-socialistische kern van Sloterdijk. Ik heb er geen probleem mee om het “Eigen Volk Eerst” als een actuele werkelijkheid te (h)erkennen. Maar om deze als “natuurlijkheid” - en zeker als ENIGE “natuurlijkheid” - te ervaren, gaat me jandorie toch te ver, en nog veel meer om ze mezelf als “wenselijk” of als “ideaal” voor te houden. Sloterdijks conclusie lijkt me een perfecte weerspiegeling van de Duitse binnenlandse en buitenlandse politiek anno 2009 (met o.a. het recente verdict van het Duitse Grondwettelijk Hof dat de Duitse Grondwet primeert op Europese Verdragen en andere internationale overeenkomsten, plus het protectionisme dat er sinds het uitbreken van de “crisis” heerst, zij het niet alleen in Duitsland uiteraard). Ik kan niet anders dan pogen te berusten in het actuele gegeven dat waar we in Europa ook naar kijken we alleen kunnen vaststellen dat we (“Europa”) volkomen strop zitten en dat een nieuwe “totale wereldoorlog” voor de deur staat. En dan maar hopen dat dit dan eindelijk eens de oorlog zal zijn “die een einde zal maken aan alle oorlogen”. Ik word inderdaad misantroop.
Sloterdijk gaat ervan uit dat het Griekse schrift (met de invoering van klinkers) de basis heeft gelegd voor een historische dwaaltocht in een wereld die we ons VOORSTELLEN in plaats van op te gaan in de wereld waar we daadwerkelijk deel van uit maken, onze werkelijk geleefde en beleefde wereld, ons “binnen” dat ons immuun maakt voor een vijandig “buiten”. (Wat het Griekse schrift daarmee te maken heeft is me volkomen onduidelijk en lijkt me hier als deux ex machina ingevoerd te worden; de wereld als voorstelling bestond reeds lang vooraleer het schrift maatschappelijk invloedrijk was.) Sloterdijks voorkeur om een mensengemeenschap in eerste instantie te omschrijven met het begrip immuunsysteem dat beschermt tegen een buitenwereld (dus ook “vreemde” gemeenschappen) bezorgt me dan ook nog meer dan na het lezen van Sferen een bittere en wrange nasmaak. Ook het nationaalsocialisme beschouwde immers de “buiten-mensen” (Joden, communisten, vrijmetselaars, homoseksuelen, zigeuners, gehandicapten, geesteszieken) als “luizen”. Luizen die een levensgevaarlijke bedreiging vormden voor de lichamelijke en geestelijke hygiëne van de Duitser (of de Arische mens) en voor diens voortbestaan. Sloterdijk heeft zich eerder reeds in Het Kristalpaleis terloops laten ontvallen dat de woorden “buur” en “vijand” eigenlijk al altijd synoniemen zijn geweest. Dat lijkt me voor een etymologiedeskundige als Sloterdijk heel vreemd. “Buur” is namelijk hetzelfde woord als “boer” (landbouwer), het Duitse “Bauer” (het Engelse “(neigh)bour”). Het woord betekende oorspronkelijk een “bouwwerk” en dat kon zowel een akker als een huis of woning zijn, cf. het Franse “agriculteur” (agri-culteur) voor “akkerbouwer” of “landbouwer” (het Latijnse werkwoord “colo” waarvan “cultuur” is afgeleid, verwijst zowel naar bouwen als wonen; zo betekent het woord “occult” – “ob-cultus”, in het Latijn - eigenlijk “binnenshuis”, dus “zaken die geheim gehouden worden voor niet-ingewijden en buitenstaanders”, zoals in de term “occulte wetenschap” of “occulte kennis”). Sloterdijks terloopse opmerking over “buur” en “vijand” herinnert me aan de uitspraak van de bekende en eerbiedwaardige Duitse nazifilosoof Carl Schmitt dat de Staat primair “een vijand nodig heeft” en dat het eerste onderscheid dat mensen ooit gemaakt hebben dat tussen “vriend” en “vijand” is. Een visie die uiteraard een vrijgeleide voor oorlog oplevert, wat de Duitsers in de vorige eeuw overigens een paar keer op opvallende wijze hebben laten zien.
Sloterdijk associeert de “voorgestelde wereld” (versus de “beleefde” wereld) met het verschil tussen “het leven leven” en “het leven lezen”. Bij het “lezen” wordt de context weggelaten en neemt men niet deel aan de wereld waarin men zich lijfelijk bevindt. De “lezende” mens is de “theoretische mens” die in de wolken leeft (zoals de Oud-Griekse filosoof Thales die, volgens de legende, al ‘zwevend’ in een put viel). Het weglaten van de context leidt volgens Sloterdijk tot een samenpersen van de ruimte, zoals de globalisering en de elektronische communicatie alle afstanden vernietigen en samenpersen. Sloterdijk ontwaart een verzet tegen deze vernietiging van de ruimte en van de uitgebreidheid, een hernieuwd denken in termen van de deelname aan een plaats waar gewoond wordt, wat hijzelf aanduidt als “lokalisme” of “het ‘reactionair’ ruimtedenken”: “Het nieuwe ruimtedenken is de opstand tegen de ingekrompen wereld.” (p.276) Uiteindelijk spreekt hij van een “foyer-solidariteit”: de voorrang aan de “haard” dus. “De elementaire foyer-solidariteit, als men het zo mag noemen, is een grondlaag van het vermogen om Wij te zeggen.” (p.278). De conclusies die hij hieruit trekt zijn inderdaad “reactionair”, zoals hij ook voorziet dat ons in de komende decennia een “zwartgroene” politieke heerschappij te wachten staat. “Zwart” (lokaal-egoïsme, nationalisme, nazisme) plus “Groen” (ecologisme); wat dat inhoudt qua verlies aan de vrijheid en de vrijheden die we nu kennen, daarover zegt Sloterdijk eigenlijk koeltjesweg: “Dat zullen we dan wel zien!”
Sloterdijks conclusies centreren zich rond het begrip “asymmetrie”. De verhouding tussen “binnen en buiten”, tussen “wij en zij” is er één van een wezenlijk niet te overbruggen verschil, wat eigenlijk ook impliceert dat “wij” superieur zijn. “Eigen volk” versus “vreemdelingen”. (Alsof er aan de “haard”, binnen de eigen kring dus (“familie”, “dorp”, “buurt”), alleen maar vrede, vriendschap en solidariteit zouden heersen.) Zo komt Sloterdijk tot een “lof van de asymmetrie”, in wezen een complete anti-gelijkheidsvisie. “Het mag dan in hyperbolische zin waar zijn dat alle standsverschillen en al het stabiele verdampen, in feitelijke zin is het onwaar.” (p.280). Zo komt Sloterdijk uiteindelijk tot vrij bedenkelijke uitspraken: dat de “globalisering” maar een potpourri is van “vereenvoudigde fantasieën en vormen van paniek voor huis- en staatsgebruik”, die vooral spreken “over de noodzaak om met onzichtbaren te concurreren die niet schromen het meeste beter en goedkoper te produceren – zoals die schaamteloze tandheelkundigen uit Hongarije en Polen die gebitten voor de helft van de gangbare prijs vervangen.” (p.41). Je vraagt je bij het lezen hierbij af waarom de mensen zich ooit genoodzaakt zagen uit de apenbomen te komen en zich over de aardbol te verspreiden en waarom de Germanen zich ooit vanuit het Oosten op de grond die nu Duitsland heet, gevestigd hebben. Sloterdijk heeft het over globaliseringsvisies als “populistische dwaallichten”, maar als zijn eigen zinnen geen plat populisme zijn dan weet ik het niet meer. Ik kan er alleen maar uit afleiden dat de Duitse tandartsen blijkbaar hun vak niet al te goed kennen en klagen over een tekort aan klanten. Sloterdijk heeft natuurlijk gelijk te stellen dat de meeste economische transacties zich nog altijd binnen één natie voltrekken en dat de export in de eerste plaats de directe buurlanden betreft. “De binnenlandse vraag is en blijft overal de ziel van de reële economie; de Amerikaanse auto-industrie, om een bekend voorbeeld te noemen, doet allang zelfs maar geen pogingen meer om haar producten buiten de grenzen te slijten. De meerderheid van de Fransen brengt de vakantie nog altijd door in het zuiden van hun eigen land, om het even of ze chauvinisten of atlantici zijn en ongeacht of ze mondialisation of globalization zeggen.” (p.281). Tja, de Amerikaanse auto-industrie slijt ondertussen gewoon niets meer en waar gaan de Fransen van Marseille, Montpellier en Avignon dan wel op vakantie? In het zuiden van hun eigen land? Ik kan alleen maar vaststellen dat er op de plaats waar ik woon in ieder geval geen aardappelen, tandpasta of auto’s worden gefabriceerd en of die nu in Volkswagen-Vorst, in de USA of in China gemaakt worden, in ieder geval ergens anders. Wat wil Sloterdijk nu eigenlijk meer zeggen dan dat die Hongaarse en Poolse tandheelkundigen op zijn zenuwen werken? Sloterdijk beseft blijkbaar niet dat er in de 19de eeuw nog niet eens een Duitse natie was. Zijn ultieme argument is dan dat de voortplanting en opvoeding van kinderen hoe dan ook lokaal en plaatsgebonden zijn. “Naast de biologische voortplanting leveren het opgroeien en scholing van de kinderen, het doorgeven van de cultuur en de aanvaarding van deze offerte door de ontvangende generaties de meest overtuigende paradigma’s voor het niet-samenpersbare, dat zich in hardnekkig asymmetrische processen ontvouwt. Leren leven betekent: op plaatsen leren zijn; plaatsen zijn per definitie niet-verkleinbare sferische uitgestrektheden, die door een kring van weggelaten en op afstand blijvende dingen omgeven zijn.” (p.282). Alsof kinderen per definitie opgroeien waar ze geboren zijn. En alsof het tegenwoordig nog nodig is dat een penis in een vagina moet om een embryo/foetus/kind voort te brengen. Sloterdijk vervalt uiteindelijk in een plat nationalisme en in pure vreemdelingenhaat. Zoals, naar men mij zegt, Duitsers door de band ook zijn: “Wij zijn Duitsers en wij zijn beter dan jullie en al de rest!” (Ik zelf maakte, als ik met de wagen door Duitsland moest reizen, na één weliswaar niet-veralgemeenbare xenofobe ervaring in Frankfurt in 1975, in ieder geval altijd dat ik zo snel mogelijk doorheen dat land was.)
En dus kan Sloterdijk uithalen met: “Het principe van de asymmetrische uitbreiding is niet alleen kenmerkend voor microsociologische fenomenen of voor taalontwikkeling en hoogculturele competenties. Het dringt ook door tot het kerngebied van de politieke sfeer – in de eerste plaats het staatsburgerschapsrecht, dat de verzameling van de levende ongevederde tweevoeters in uitgesproken asymmetrische deelverzamelingen splitst, de leden en de niet-leden van een natie. Dezelfde wij-zij-differentie nestelt zich in het hart van de op solidariteit gebaseerde vangnetstructuren, in het bijzonder van het pensioenstelsel, waarbij er met legitieme afgunst op moet worden toegezien dat de aanspraken aan evenredige prestaties van de betrokkenen worden gekoppeld; hier hangt alles af van het vermogen van het systeem om met succes een asymmetrie tussen contribuanten en niet-contribuanten tot stand te brengen en de ondermijning door ‘sociale parasieten’ binnen de perken te houden.” (p .283). Dat klinkt aantrekkelijk: nu de Staat blijkbaar geen geld meer wil of kan opbrengen om de eigen onderdanen een pensioen te bezorgen, moet men het in Duitsland zeker niet aan de Turken aldaar verspillen. Maar Sloterdijk vergeet dat naties pas sinds twee eeuwen bestaan en dus ook weer kunnen verdwijnen. En de wij-zij-differentie bij de toekenning van de nationaliteit is NIET dezelfde als deze bij het sociale zekerheidsstelsel zoals ziekteverzekering en pensioenen! En vergeten we niet dat bij ons bijvoorbeeld de Limburgers van de streek rond Hasselt zich pas sinds een paar decennia Vlamingen noemen en pas sinds ongeveer 175 jaar Belgen. Sloterdijk kan blijkbaar niet anders dan op de trein te springen van vreemdelingenhaat en uitzichtloos nationalisme, waarvan hij meer dan wie ook hoort te weten dat ze de anti-chambre is van nieuwe Holocausten en genociden. Ik weet ook niet hoe we uit de tegenwoordige “crisis” moeten geraken, maar meedrijven met tijdelijke trends en modes is nooit mijn sterkste kant geweest en ik prijs me daar gelukkig om. En inderdaad: misschien rest mij dan alleen maar de misantropie.
En zo krijgen we dan volgende paragraaf te lezen: “Politiek is het plaatselijke krachtenveld niet, voor zover er collectieve affecten in circuleren - anders zou de politiek slechts de emanatie van lokale strubbelingen en perfidieën zijn; het is politiek voor zover de gemeenschap, de stad of de natie (misschien ook de groep naties), de realisatie van een op zijn plaats belichaamde bereidheid is om door middel van het uitgevochten verschil van meningen en hartstochten erkende problemen op te lossen en gevonden oplossingen aan hertoetsing te onderwerpen. Dat lukt alleen als de politieke plaats zich lokaalegoïstisch en lokaalenthousiast in de toekomst projecteert - dat wil zeggen als de plaats sterker is dan de ideologieën en als de burgerlijke commune aantrekkelijker blijft dan de multinationale sektes die de staat belagen. Als ik niet provinciaal kan voelen, komt de politiek voor mij niet als beroep in aanmerking. De res publica functioneert slechts als een parlement van genii loci.” (p. 284). Tja, dat is wat we inderdaad zien in tijden van stilstand en achteruitgang: nu Vlaanderen zich mentaal van België heeft losgescheurd, beginnen de steden (Antwerpen, Gent, Hasselt, Mechelen, Brugge, etc.) er plezier in te vinden elkaar vliegen af te vangen. Straks is het weer wijk tegen wijk, gehucht tegen gehucht, straat tegen straat, huis tegen huis, verdieping tegen verdieping en kamer tegen kamer. Het brengt Sloterdijk er als Duitser tenslotte toe Hitler te omschrijven als het “prototype van de vreemdeling”, een “passerende ideoloog en sekteleider” die zich onrechtmatig heeft meester gemaakt van de Duitse samenleving. Vermoedelijk zal voor Sloterdijk ook Beieren een stuk Duits buitenland zijn. Als een dergelijk xenofoob en in zichzelf geborgen en verborgen lokalisme het alternatief moet zijn voor “het kapitalisme als religie”, dan vrees ik het ergste. Want dit is inderdaad het alternatief dat anno 2009 overal in het stervende en suïcidaire continent Europa opgang maakt.
Tegenover het vage en verwarrende universalisme van de 20ste eeuw (een universalisme dat inderdaad vaag was en veelal alleen met lippendienst bedacht werd) stelt Sloterdijk dan de “uitgebreidheid van het met succes geleide leven, dat niet wordt hoe het kan worden zonder immuun, zelfbevoordelend, exclusief, selectief, asymmetrisch, protectionistisch, niet-samenpersbaar en irreversibel te zijn.” (p.286). Sloterdijk erkent dat zijn opsomming klinkt als een “rechts-radicaal partijprogramma”, maar het is volgens hem in wezen “aards links”: “een lijst van karakteristieke trekken die inherent zijn aan de infrastructuur van het groeien in reële menselijke sferen.” Maar Sloterdijk wil natuurlijk ook “edelmoedig” blijven, zoals hij het zelf noemt. Alleen als men zich eerst aan deze eerste lijst houdt, is een opening mogelijk naar een universalisme (“hemels links”) waar alle mensen gelijk zijn en alle mensen gelijke rechten hebben.
Voilà! Dat was Het Kristalpaleis van de controversiële filosoof Peter Sloterdijk.
Ik ga een sigaret roken in de hoop dat de nacht snel valt. Zou ik de Internationale laten klinken? De Provinciale heb ik in ieder geval niet in huis!



Eric Rosseel
http://zarathoestra.wordpress.com

27 juli 2009

Jan Huyghe, onze nieuwe gastredacteur!






















Foto: Dirk Vanhove

OM ALLE (4) BIJDRAGEN VAN ONZE (MAANDELIJKSE) GASTAUTEUR TE KUNNEN LEZEN, DIEN JE OOK DE BUTTON "OUDE BERICHTEN" AAN TE TIKKEN.

DE BIJDRAGEN VAN ONZE GASTAUTEURS WORDEN ROOD GEPLAATST.

DE GELETTERDE MENS ZOEKT NAAR DE MOGELIJKHEID OM DE ZICHTBAARHEID TE VERGROTEN! WIE EEN OPLOSSING VINDT, WORDT VRIENDELIJK VERZOCHT DIE TE MAILEN AAN
thierry.deleu@skynet.be.

DE GASTAUTEUR VOOR DE MAAND AUGUSTUS WORDT AUTEUR JAN HUYGHE, Communicatie, onthaal en protocol gemeente Koksijde
Redactie Tijd-dingen, taal- en stijlcontrole, redactie speeches & persberichten

Remco Campert 80!

Gedichtje voor Remco
(80 jaar)

Als je tachtig bent hoeft zoveel niet meer.
Je zit meer thuis. Reizen doe je eerder
Door je hoofd als je dat (bijna) altijd al niet deed.
Dat is niet erg, grote denkers, filosofen zaten

Meestal thuis te werken. Nietzsche kwam zelfs
Nauwelijks de deur uit. Als je genoeg stoelen
Hebt voor prettig bezoek dan ben je niet alleen.
En het is goed nog goesting te hebben, in alles.

Hannie

25 juli 2009

Die dag
voor Marcel van Maele +


Marcel mei ’68 waaide je mijn huis
binnen verwaaid gehaaid alsof je vreemd was
gegaan samen met Spillebeen, Deflo, Margo
net afgehaakt van ’s werelds Kreatief tot

ergernis van medemens Deflo Margo
leek verbaasd om zoveel lef die ik zelden
had getoond no doubt wie had mij 30
zilverlingen verloond? Willy keek zedig

stichtelijk door zijn bril waarom ik de
kans niet bij het nekvel om samen revolutietje
te spelen met woordjes in de wind?
toen begreep ik het niet hoewel ik redde mijn vel

met koffie cola zat verveeld onbeholpen
te lachen geen boodschap kon hen overtuigen
dat ik erbij hoorde die historische dag
toen zij gingen hing ik mij op tot ’s anderdaags.


Thierry Deleu

* Kan iemand mij zeggen waar ik Walter kan treffen?

+ Marcel van Maele

Saturday, July 25, 2009

Death of a poet: Marcel Van Maele

A great Flemish poet passed away July 24th. He was a non conformist, baroque and exuberant in his word-choice, a splendid drunk, a friend of my late husband. To honor Marcel Van Maele a poem translated into English and ok'd by him. His words and artwork will be remembered.

And when he spoke

And when he spoke
it was time and he thought
I'll celebrate the years with water and fire
stalk heaven and earth.

A handful of sounds,
muffled cries, mumbles
of Tartarians and barbarians,
comments of prophets.
Moldered gestures and ten fingers
to see.

Rumble of clouded tongues of fire and we
hardly awaiting our survival
hopefully sit on a dry limb while
the omnipotent magic man dances for rain.

With the crack of thunder all is stilled
a petrified salute
a frozen spring breeze.
The poplars standing there, stare
at the full moo, a green longing
covered with a sheen of seemingness.

Respect Marcel.

Marcel van Maele is overleden. Op Annmarie Sauers blog staat een kort in memoriam aan hem + bovenstaand mooi gedicht van Marcel door Annmarie Sauer.
http://muddyroadsdustytrails/blogspot.com

Kunstgalerij Mens & Natuur - Sint-Martens-Latem

_________________________________________________
AGENDA: > De Galerie is gesloten vanaf 3 augustus t.e.m. 21 augustus
> Opening nieuwe tentoonstelling: zaterdag 22 augustus
Marjolein Kruijt – Mystieke natuur
> Muziekavond vrijdag 4 september om 20 uur: Fred Abbingh en Marten Scheffer
Muzikale reis door tijd en ruimte
_________________________________________________
NOG TOT ZONDAG 2 AUGUSTUS:

Tentoonstelling
20 juni – 2 augustus 2009
Vera Putman
Stilte Landschap Sensibiliteit

Vera Putman (Gent, 1954) volgde gedurende 12 jaar lessen aquarel bij Gilbert Declercq en verder workshops bij Nadine Fassin en Lut D’Havé. Heeft reeds aan diverse groepstentoonstellingen deelgenomen, o.a. Buiten Bodem in Atelier Jean Le Noble in Boschoord (Ned., 2007) en recent Sereniteit in Abdij Maagdendale in Oudenaarde. In Atelier Jean Le Noble had ze in 2006 ook een eerste solotentoonstelling.
Als aquarellist en yoga-adept tast ze de wereld rond haar ‘zijn’ af. Haar landschappen ademen als stille gevoelige impressies waarin de wisselwerking met de eigen beleving wordt geregistreerd.


Openingsuren Galerij:
donderdag-, vrijdag-, zaterdag- en zondagnamiddag 14:00 t.e.m. 18:00 uur
en op afspraak
http://www.mens-en-natuur.com/ - http://www.man-and-nature.com/

In de Galerij permanent werk van:
Miejef Callaert, Geert De Kockere, Hilde Geelen, George Hezemans, Olga Gorokhova, Romain Witdouck
Organisatie: Arnold Eloy, Tel. 0496-805799 - E-mail: arnold.eloy@skynet.be

24 juli 2009




Het elektronische boek
25-07-2009

door Lisa Kuitert, Yra van Dijk, Piet Gerbrandy, Carel Peeters.

Gaan we binnenkort allemaal massaal aan het elektronische boek? Of wordt de e-reader een flop? Hoe werkt zo'n ding eigenlijk? Dichter/classicus Piet Gerbrandy, neerlandica/nrc-recensente Yra van Dijk en VN-redacteur Carel Peeters doen een test, hoogleraar boekwetenschap Lisa Kuitert leidt in.

Yra van Dijk: Het gebeurt niet
Als ik de e-reader uit de doos haal, droom ik spontaan over ontrouw aan mijn oude papieren vrienden in de boekenkast. Wat is dat ding licht! Mijn fantasie slaat op hol. Nooit meer met een koffer vol boeken op vakantie. Wat een zegen, vooral voor iemand als mijn rijbewijsloze moeder, wier spierkracht niet in verhouding staat tot haar leeshonger. En wat te denken van fietsvakanties, beter nog: wandelvakanties? Zo zit ik in een jury met iemand die in de zomer alleen de te jureren dichtbundels mee kan nemen - de romans zijn te zwaar voor de rugzak. Voorbij, voorbij en voorgoed voorbij.
Terwijl ik het ding nog steeds niet aan de praat heb, mijmer ik: we lezen natuurlijk niet alleen maar boeken. Nooit meer wegwaaiende drukproeven lezen op een terras. Nooit meer met honderd eerstejaarswerkstukken in de trein stappen. Nooit meer aan studenten hoeven uitleggen dat hun scriptie per ongeluk een beetje kwijt is geraakt tussen andere paperassen. Nooit meer op een congres zitten waar je de papers van de collega's bent vergeten uit te printen. De e-reader is niet in de eerste plaats concurrentie voor het papieren boek, maar vooral voor al die pakken onwelkom papier die hier jaarlijks de deur inkomen en in de oud-papierbak belanden. In plaats daarvan stromen de digitale bestanden het huis licht en geruisloos binnen via de kabel.
We zullen zien. Ik heb het ding inmiddels aan de praat. Terwijl de kinderen zich enorm vermaken met het pennetje waarmee je er notities in (of op?) kan maken, vraag ik De Arbeiderspers om een pdf-file van een roman waarvan ik de onhandzame drukproef op mijn bureau heb liggen ter bespreking. Het bestand komt dezelfde dag nog binnen, dus dat gaat soepel. Ik zet hem op een usb-stick, en doe de stick vervolgens via een tussenstukje in de reader. So far so good. Het schijnt nog makkelijker te kunnen via Bluetooth - het ding maakt zelf verbinding met je computer.
Ik word al enthousiaster - je kunt met het bijgeleverde pennetje ook je aantekeningen over de roman in de tekst zelf schrijven, of in de kantlijn. Hoewel - welke kantlijn? Wil de tekst prettig leesbaar zijn, dan moet je hem zo opblazen dat je ongeveer een kwart A4 tegelijk op je scherm hebt. Een hele pagina tegelijk zien kan wel, maar zelfs voor mijn nog scherpe ogen zijn de letters dan oncomfortabel klein.
Of het daardoor komt, is me onduidelijk, maar het gebeurt niet. Ik lees niet op de e-reader. Het platte, lichte en kekke ding ligt een maand op mijn bureau en ik gebruik hem niet. Niet voor werkstukken, niet voor drukproeven en zelfs niet voor de internationale kranten die hij zo aardig - geheel uit zichzelf - dagelijks downloadt.
Ik begin te begrijpen waarom een beroemde Britse romanschrijfster zo stellig zei: 'No one is going to read from a twitching little screen, ever.' Hoewel de geschiedenis haar zeker ongelijk zal geven, gaat haar uitspraak voor mij voorlopig wel op. Misschien zou het anders zijn als hij een A4-formaat had en dus prettiger in het gebruik was. Of als ik meer op reis was. Thuis voegt hij nog weinig toe.
Tevreden staan de oude boeken in de kast op hem neer te kijken - van dat ding hebben ze voorlopig niets te duchten.

Piet Gerbrandy: De nieuwe boekenrol
Verschanst in mijn met boeken beklede studeerkamer, waar ik het merendeel van mijn dagen vul met lezen en schrijven, tracht ik mij soms een tekstloos leven voor te stellen, een leven van fysieke arbeid en louter directe contacten met medemensen, zonder e-mail, briefverkeer, telefoon, kranten en boeken. Dat is een bijna onmogelijk gedachte-experiment.
Het is heilzaam je te realiseren dat de schriftcultuur binnen de geschiedenis van de mensheid voorlopig niet meer is dan een interessant incident. We schrijven pas sinds een millennium of vijf, en er is geen reden om aan te nemen dat we er altijd mee zullen doorgaan. Er zullen ongetwijfeld minder omslachtige communicatiemiddelen uitgevonden worden, maar tot het zover is, behelpen we ons met letters op papier en computerschermen.
Het schrift heeft verschillende functies. Enerzijds vervult het de rol van extern geheugen, in het vastleggen en bewaren van belangrijk geachte taaluitingen. In deze functie vereist het een robuust, liefst onverslijtbaar materiaal. Nadeel is wel dat het bewaren ervan veel ruimte in beslag neemt. Anderzijds treedt het schrift in de plaats van directe communicatie: zodra de boodschap is overgebracht, kan ze gewist worden. Voor dergelijke teksten, laten we ze brieven noemen, is vluchtig materiaal toereikend, zoals papier.
De twee belangrijkste revoluties in onze schriftcultuur zijn in gang gezet door technologische vernieuwing: de uitvinding van de boekdrukkunst in de vijftiende eeuw en de digitalisering eind twintigste eeuw. De eerste maakte het mogelijk teksten in grote aantallen onder het publiek te brengen en is daardoor van onschatbare waarde geweest voor de groei en wereldwijde verspreiding van kennis. Omdat de tweede revolutie nog gaande is, weten we niet wat haar uiteindelijke effect op de cultuur van het lezen en schrijven zal zijn, maar dat er veel gaat veranderen, staat buiten kijf. In de directe communicatie heeft de digitalisering al veel teweeggebracht: e-mail, sms, chatten en twitteren zijn niet meer uit de openbare ruimte weg te denken. Maar hoe zit het met de functie van schrift als extern geheugen? Kunnen digitale netwerken de rol van musea en bibliotheken overnemen? Worden boekenkasten overbodig?
Als ik voor mijn eigen terrein mag spreken, de klassieke filologie en de moderne literatuur, dan zijn de vooruitzichten hoopgevend. Het digitaal archief van teksten uit het verleden groeit met de dag, zodat een paar muisklikken volstaan om binnen te treden in de complete werken van Homeros, Vergilius en Dante, waarop je ook nog eens handige zoekfuncties kunt loslaten. Er zijn echter ook nadelen. Ten eerste verloopt de technologische ontwikkeling zo stormachtig dat teksten die nu gedigitaliseerd worden al na enkele jaren onleesbaar zijn geworden; wat dat betreft is een perkamenten codex uit de tiende eeuw stabieler. Ten tweede is de kwaliteit van de op het web aangeboden teksten vaak mager, enerzijds omdat iedere gek ze erop kan zetten, anderzijds omdat op moderne en betrouwbare edities natuurlijk copyright rust. Dat heeft nog een derde consequentie, namelijk dat teksten van contemporaine auteurs überhaupt niet beschikbaar zijn, of tegen betaling van een bedrag waarvoor je net zo goed een papieren boek kunt kopen. Zolang het probleem van het auteursrecht niet is opgelost, zal het boek, als driedimensionaal object, niet verdwijnen.

Horatius op afroep
Toen ik van Vrij Nederland het verzoek kreeg een tijdje met een e-reader aan te rommelen, ben ik daar met genoegen op ingegaan. Ik ben een gretig lezer en omdat mijn studeerkamer en de plek waar ik college geef ongeveer tweehonderd kilometer uit elkaar liggen, zit ik wekelijks heel wat uren in de trein. Het idee te kunnen lezen zonder stapels dikke boeken mee te hoeven slepen, is uiterst aantrekkelijk.
Het apparaatje arriveerde in een forse doos, die ook allerlei snoertjes en vreemdsoortige hulpstukken bleek te bevatten waarvan ik de functie niet kon bevroeden. Helaas ontbrak een handleiding, zodat het me geruime tijd kostte voor ik er zelfs maar in slaagde het ding aan te zetten. Vervolgens, ik zal wel iets stoms hebben gedaan, liep het programma vast, het beeld bevroor, en er viel met geen enkel knopje meer beweging in te krijgen. Op de website van de fabrikant stond weliswaar een gebruiksaanwijzing, maar die bleek te gelden voor een nieuw type. Een bezoek aan een hoofdstedelijke boekhandel die pretendeert verstand van multimedia te hebben, resulteerde erin dat het apparaat, waarvan de batterij opgeladen bleek te moeten worden, weer in beweging kwam. Ook kreeg ik enkele summiere instructies mee, voldoende om een begin te maken.
Ik heb het ding te kort in huis gehad om een oordeel te hebben over het gebruik ervan op langere termijn, maar mijn eerste indrukken zijn heel positief. De iLiad - blijkbaar wordt het nog steeds chic gevonden naar de Griekse klassieken te verwijzen - vervult de functie van geheugen voorbeeldig, want de hoeveelheid tekst die erop kan worden opgeslagen is ontzagwekkend. Toen ik het apparaat ontving, bleken er al hoogtepunten uit diverse westerse literaturen van de laatste paar eeuwen op te staan, daarnaast slaagde ik er vrij moeiteloos in de halve Latijnse literatuur te downloaden, zodat ik, waar ik me ook bevond, de oeuvres van dichters als Catullus en Horatius op afroep paraat had. Dat is natuurlijk een feest. Met de Griekse literatuur lukte het, vanwege de afwijkende lettertekens, niet, maar dat lijkt me een kinderziekte die te overwinnen is (op een laptop kan het immers wel). Een site als die van het Project Gutenberg heeft meer literaire en filosofische teksten gratis in de aanbieding dan men in tien levens kan lezen - al gaat het vanzelfsprekend om boeken waarop geen copyright meer berust. Ik zou bijvoorbeeld graag de complete Lucebert, Kouwenaar en Faverey downloaden, maar begrijp dat de rechthebbenden daarvoor betaald willen worden. Dat moet te regelen zijn, lijkt me. Zelf zou ik best een regeling willen treffen om mijn eigen journalistieke, essayistische en literaire werk in de vorm van e-books beschikbaar te stellen. Iedere extra lezer is immers meegenomen. Ook voor noodlijdende kranten is de e-reader potentieel een uitkomst.
De bladspiegel oogt niet onprettig, het omslaan van de pagina's is gemakkelijk, je kunt aantekeningen maken en er is een bladwijzerfunctie. Onhandig is, net als bij boekrollen van papyrus, het terugbladeren: je kunt weliswaar een eerder gelezen pagina opzoeken, maar dan moet je wel weten welk nummer die heeft, anders moet je het gehele document weer afrollen. Misschien is ook dat een kinderziekte.
De e-reader zal het papieren, houten, perkamenten, bronzen of stenen boek niet overbodig maken. Maar zeker voor een professioneel lezer is hij een hoogst welkome bijdrage aan de hedendaagse schriftcultuur.

Carel Peeters: Een boek of een gadget
Er is altijd iets eenmaligs aan mensen
die een boek aan het lezen zijn. Ze individualiseren ter plekke. Je ziet het gebeuren op alle foto's die André Kertész van lezende mensen heeft gemaakt. Iemand die in een menigte een boek staat te lezen, springt er meteen uit. Ontstegen aan de massa. Iemand die in een park in het gras op zijn rug ligt te lezen, verandert in een afgezant van het geheel intacte Arcadië.
Om te kunnen lezen, moet je jezelf terugtrekken in je eigen domein. De laatste resten van de menselijke autonomie aan het werk. De wereld gaat zijn gang maar, ik lees mijn boek.
De vraag is: is van dit individualiserende lezen ook sprake wanneer je niet een echt boek in handen hebt, maar een e-book, een elektronisch of digitaal boek? Een boek of een grijs apparaat dat eruitziet als vroeger een leitje, inclusief stift. Een apparaat dat geen diepte of volume heeft, geen tactiele eigenschappen heeft, zoals een boek dat dik of dun kan zijn, groot of klein, gebonden of een paperback, een omslag heeft, een grote of kleine letter.
Ik denk dat het niet veel verschil maakt, omdat het de lezer in eerste instantie gaat om wat hij aan het lezen is. Zolang het handzaam is, is de vorm van het boek ondergeschikt aan de inhoud. Een e-book is net zo handzaam als een gewoon boek. Alleen: handzaam is niet het enige criterium voor de aantrekkelijkheid van wat voor een boek ook.
Erg aangenaam is het lezen van een heel boek niet op een e-book, maar het is ook weer niet vervelend genoeg om niet door te lezen als je eenmaal begonnen bent. Het is overkomelijk. Het e-book is een handig ding. Het is vooral praktisch. Maar als het om lezen gaat, is 'praktisch' dan een goed criterium? Als je veel boeken mee op reis moet nemen, kan het e-book een uitkomst zijn, mits het mogelijk is om ook alles wat je moet lezen in gedigitaliseerde versie te krijgen. En het moet gedownload kunnen worden op een e-book.
Maar 'praktisch' is nauwelijks een criterium als het om lezen gaat. Vandaar dat het e-book het voorlopig niet verder zal brengen dan gadget, een speeltje naast echte boeken. Er is ook niets aan de hand met het gewone boek. Er is geen reden om het echte boek af te danken. De kracht van boeken is dat ze als object hun eigen charme hebben, net zoals auto's, fietsen, boten of huizen. Ze hebben een geschiedenis, een vormgeving, karakter, een rangorde, een plaats in de cultuur. Je hebt er vele soorten van. Er is sprake van wedijver om de mooiste, beste, duurzaamste, sierlijkste, begerenswaardigste.
Het e-book kan geen rol spelen in de wedijver rond de esthetische en tactiele aantrekkelijkheden die bij boeken en lezen een rol spelen. Het e-book is geen partij voor de Grote Belletrie- of Gouden Reeks van Athenaeum-Polak & Van Gennep, reeksen waarin klassiekers uit de wereldliteratuur, gebonden, in gerenommeerde vertalingen worden uitgegeven. Een boek met een aantrekkelijk en met de inhoud kloppend omslag versmelt met de reputatie die het krijgt wanneer het met waardering wordt ontvangen.
Het e-book is voorlopig vooral een gadget, een boek is een individu, net als de lezer.

Een nieuwe drager, een nieuw geluid
Door Lisa Kuitert

Over e-books horen we de laatste tijd alleen maar gunstige berichten. In Amerika is tussen 2006 en 2008 de omzet verdubbeld en benadert de opbrengst nu de zeventien miljoen dollar. Het aanbod van beschikbare Nederlandstalige e-books is verdubbeld en telt duizend titels. Verkoopcijfers zijn er niet, vermoedelijk omdat het nog om kleine aantallen gaat. Uitgeverij De Fontein heeft in 2008 zevenentwintig e-books van Appie Baantjer verkocht, Contact wist er een vergelijkbaar aantal van Renate Dorrestein te slijten.
De apparaten waarop je ze leest, zoals de Sony en de Kindle, worden steeds geavanceerder; ze zijn vederlicht, van zonlicht heeft het scherm geen last meer, de batterij gaat bijna tienduizend bladzijden mee. Hoe meer titels, hoe sneller de consument overstag zal gaan, is de verwachting. En e-readers én e-books moeten goedkoper worden. Herman Kochs Het diner kost als e-book € 15,95, op papier € 19,95.
Een e-book is natuurlijk ontzettend handig. Op een klein apparaatje neem je een hele bibliotheek overal mee naartoe. Nog een pluspunt is de zoekfunctie. Vroeger bestond er alleen op de Bijbel een 'concordantie', zoals dat heet. Er was jaren aan gewerkt. Nu is via websites als Google Books, Google Scholar, DBNL en kranten-historisch.startpagina.nl een groot deel van alle beschikbare teksten op ieder denkbaar woord na te zoeken. En boeken, goed of slecht, oud of nieuw, krijgen in digitale vorm het eeuwige leven, want blijven leverbaar.
Is de e-reader daarom een zegen? Jaren geleden ontstond er ook al grote opwinding over een nieuw apparaat: de Zyliss Blitzhacker, waarvoor Tel Sell-achtige reclames ons lekker hadden gemaakt. Met een druk op de knop kon je zonder huilen uien snijden. Na drie weken verdween het als 'onmogelijk schoon te maken' onder in de kast. Een onschuldig geval van volksverlakkerij waar ik weleens aan terugdenk als er opgewonden verhalen over e-books rondgaan. Libris-inkoper Caroline Damwijk zei onlangs in Boekblad: 'In de USA is het e-book al een hype. Zelfs veertigplusvrouwen, van wie altijd aangenomen werd dat het e-book niets voor hen was, worden verliefd op de Kindle.' Die Kindle komt pas in oktober in Europa op de markt, en de hoop is dat er net als bij de iPhone een run op komt. Een hype dus, volgens de een. Een Blitzhacker volgens de ander.De meeste mensen gebruiken al 'e-books' zonder dat ze zich ervan bewust zijn - wie leest er nu niet eens lappen tekst vanaf een laptop, mobieltje of pc? Maar hardwarefabrikanten en uitgevers willen graag dat wij overstappen op een nieuw medium, en het papieren boek als passé beschouwen - ook het literaire boek.
Het valt ze nauwelijks kwalijk te nemen; ons leesgedrag verandert. Het CPB heeft uitgezocht dat van de jongeren die iets te weten willen komen 75 procent naar het internet reikt en slechts 5 procent naar een boek. Alle leeftijdsgroepen zijn tussen 1975 en nu minder boeken gaan lezen. In Duitsland zijn jongeren bijna twee uur per dag op de computer bezig, zo wees een onderzoek van Der Spiegel uit. De gegevens werden in maart geopenbaard op een studiedag van de boekenbranche. Boekhandelaren en uitgevers schoven ongemakkelijk op hun stoelen. De branche zoekt een manier om die jonge lezers te winnen: een nieuwe drager, een nieuw geluid!

De schrijver als popster
Voordelen voor de uitgevers zijn er te over: geen voorraden meer, geen papier, geen inkt, eenvoudige distributie. Maar wat zullen de gevolgen zijn voor de literatuur? Hoe is het om een e-book te schríjven? Schrijvers van onder meer De Arbeiderspers en De Bezige Bij kregen onlangs van hun uitgever per brief tekst en uitleg. Bezwerende woorden: 'We willen geen verkoop missen, we moeten er in meegaan, er komen goede afspraken met auteurs, deze zomer al zullen e-books worden uitgebracht...'
Op www.torrentz.com kun je zien welke e-books al illegaal te downloaden zijn, waar je helemaal geen nieuw apparaatje voor nodig hebt. Van Dan Brown tot Gore Vidal; nog geen Nederlandse namen, maar dat lijkt een kwestie van tijd. Torrentz werkt met peer-to-peer: het brengt particulieren die bestanden willen uitwisselen met elkaar in contact. In de muziekbranche beweert men dat downloads vooral als eerste kennismaking fungeren, daarnaast worden nog altijd cd's gekocht en concerten bezocht. Het loopt dus zo'n vaart niet, het kan zelfs een positief effect hebben op de literatuur, hoor je handige jongens zeggen. Maar welke schrijver wil graag als een popster de bühne op? En als je nieuwe boek meteen gratis te downloaden is, waar moet je dan van leven? Voor amateurs breken gouden tijden aan: een e-book maken kan iedereen en kost niks. Maar de literatuur krijgt het zwaar en de lezer die uit al die rommel de krenten moet vissen ook. Het is nog lang geen lente, volgens mij. In de verte hoor ik het geluid van de Blitzhacker.

Uit Vrij Nederland

23 juli 2009












Thierry Deleu:
“Dichten is zonder gêne je gat oplichten? Misschien. Ik ben een naaktloper. Schrijven is een therapie, zich afschrijven, masturberen. Schrijven over wat voorbij is, om morgen niet vergeten te zijn!”


Schrijf ik autobiografisch? Ja, zeker? Is dit niet voor alle schrijvers gelijk: een mix van fictie en non-fictie? Bij mij is dit zeker het geval en dit stoort mij niet, soms mijn vrouw en mijn vrienden. Verklaart dit mijn drang tot schrijven? Niet meer, laat ons zeggen tot aan de gedichtenbundel De kiemjaren, later niet, ik schrijf graag, omdat ik wil overleven.

Je hebt tonnen papier van je afgeschreven?
Toch wel een paar ton minder, hoor. Bovendien moet je dit niet altijd omschrijven als frustraties van je afreageren, ik schrijf ook veel over blije, gelukkige momenten, over verwondering, ontmoetingen. Mijn leven was en is geen hel, ik ben een gelukkige man, met een knappe vrouw, goede kinderen en schattige kleinkindjes.

"De Kiemjaren gaat over zijn jeugd. Dichters wonen in een huis met vele kamers. Carl Gustav Jung zei: “Het ene boek zal het andere openen.” Misschien is dit ook zo met een huis: “De ene deur zal je naar een andere deur brengen,” zei Ludo Geloen op de voorstelling.
“Mijn huis heeft vele kamers en wanneer je naast het huis kijkt, zie je de tuin. Aan de tuin kent men de bewoner. Wanneer De kiemjaren gaan over mijn jeugd, dan zijn het de kiemzaden van de man van vandaag. De kiemjaren deed mij naast mijn eigen zelf kijken. In onze jeugd worden wij gevormd: het zaad is gepland en de jaren dienen eroverheen te gaan, met veel zon en regen. Poëzie is dus een remedie tegen het vergeten.”

Ik leerde Deleu kennen via zijn publicaties. Ik las zijn romans en vele van zijn gedichten. Toen ik hem ontmoette, drie jaar geleden, was hij kleiner dan ik dacht en zijn stem was hoger. Van dat stemgeluid heb ik voluit kunnen genieten, want Thierry Deleu is een babbelaar (als hij eenmaal zijn eerste schroom heeft overwonnen). Hij was nog niet ingeburgerd in zijn nieuwe stek: Oostduinkerke, op enkele stappen van de duinen, het strand en de zee en daarom stelde hij zijn nieuwe bundel in Harelbeke voor waar hij vandaan komt.

Deleu is ongetwijfeld één van de beste liefdespoëten in Vlaanderen en Nederland. In zijn gedichten roept hij herkenning op, identificatie, gevoeligheid die herkenning evoceert. Als lezer word je soms in de rol van voyeur geduwd. Je voelt er je onwennig bij. Moet je lachen of huilen? Is het cynisch of is het triestig? Zoals het met een ironisch mens vergaat, weet je nooit echt wat sneer is en wat als verbloeming is bedoeld. Wat grap is, en wat droefgeestigheid.

Dat Deleu kan schrijven, daar is iedereen het erover eens. Dat hij veel schrijft, ook. Als dichter heeft hij zijn literaire sporen verdiend, hij is zonder meer een van de betere liefdespoëten van de Lage Landen bij de zee. Ook als essayist en biograaf is hij niet meer aan zijn proefstuk. Ik wil het echter hebben over Deleu als romanschrijver.

Deleu - die lesbevoegdheid voor Nederlands en geschiedenis heeft - werkte van 1962 tot 1999 in het onderwijs. Eerst als leerkracht, daarna als directeur secundair onderwijs en vier jaar vóór zijn oppensioenstelling als kabinetsattaché bij de Vlaams minister van Onderwijs.
Zijn omvangrijke oeuvre bevat drie hoofdbestanddelen: poëzie, romans en essays. Deleu schreef een omvangrijk oeuvre bij elkaar, dat niet altijd in de picture kwam, enerzijds door de eigengereide koers die de schrijver volgde en anderzijds door het feit dat hij zijn gedichtenbundels, essays, biografieën, ofwel in eigen beheer, ofwel bij Het Schaap (van 1982 tot 1987 zijn eigen uitgeverij), of bij bevriende uitgevers zoals Paradox Pers, De Gebeten Hond en Razor’s Edge Editions uitgaf.
In 1966 richtte hij met Lionel Deflo het tijdschrift "Kreatief" op. Hij verliet twee jaar later de redactie en schreef, in opdracht van uitgeverij De Sikkel, enkele leerboeken Nederlands voor het beroepsonderwijs. Met Marcel Coolsaet richtte hij het tijdschrift "Boulevard" op (1970-1980). Van 1981 tot 1987 was hij, samen met Guy van Hoof, hoofd van uitgeverij Het Schaap, die vooral poëzie van nieuwkomers uitgaf.

Een gesprek met Thierry Deleu verloopt verward, omdat mens en auteur zo bevlogen zijn. Op 69-jarige leeftijd maakt Deleu nog plannen als een jonge snaak die nog een heel leven heeft te gaan. Boeiend, onthullend, onthutsend.
“Ik ben niet bang dat ik je niets nieuw te vertellen heb,” lacht hij. “Ik ben nog niet zo oud om slechts iets oud te herhalen.”

Thierry Deleu en zijn vrouwtje Ginette spoelden in 2002 aan in Oostduinkerke, bijna letterlijk, want ze gingen wonen aan de voet van de duinen, het strand en de zee. Ook daar zit Thierry niet stil. Hij schreef er zijn vierde, vijfde en zesde roman, twee gedichtenbundels en stichtte “De 50 Meesterdichters van de Lage landen bij de zee”, een Vlaams-Nederlands dichtersgenootschap dat opkomt voor de auteur en tegen de discriminatie van de minder bekende dichter.

Mijn mooiste plek?
Ongetwijfeld de plek waar wij wonen, aan de voet van de duinen, op een stap van het strand en de zee, naast de drukte van de dijk. Sint-André lijkt mij het aards paradijs op aarde.
Oostduinkerke heeft een handvol troefkaarten! De rust, de vriendelijke mensen, het mooie strand, de mooie villa’s achter de grote weg, kringelend naar het dorp toe. Ik stel vast dat wij het betere volk aanzuigen. Oostduinkerke is het betere Knokke aan de Westkust.

Waar ik naar opkijk?
In de eerste plaats naar mijn vrouw. Zij is knap in alle betekenissen. Ik heb ook veel bewondering voor mensen met gezond verstand. Indien je dit kunt combineren met intelligentie en flexibiliteit, ben je mijn soulmate.
Hier, in Koksijde, kijk ik op naar mijn buur, de burgemeester, op de wijze waarop hij de gemeente, de coalitie en de vrienden bijeenhoudt.

“Je roots liggen in Harelbeke,” zeg je altijd, “maar is dit ook zo?”
“Ja, ik weet dat je allusie maakt op het feit dat ik van Wevelgem kom, dit is juist, maar ik heb in Harelbeke zo lang gewoond en gewerkt en actief deelgenomen aan het verenigingsleven, dat het mij lijkt alsof ik er niet ben aangeland maar geworpen.”

Schrijven is aangenaam - zegt hij zelf in het gesprek -, maar het valt mij op dat hij zich druk maakt om de discriminatie van de kleine auteur. Zo (be)noemt hij de schrijvers die niet worden gesubsidieerd. Hij waagt zich zelfs aan het herschrijven van het Decreet dat overheidssteun aan de literatuur in Vlaanderen regelt.
Daarnaast probeert hij ook greep te houden op de werkelijkheid die hem omringt. Naar zijn overtuiging zijn mens en werkelijkheid heel complex. De mens is een mysterie en steeds is hij op zoek naar het eigen “ik”. Wie ben ik? Waar kom ik vandaan? Waar ga ik naar toe?
Hij zet zich ook geregeld af tegen machtsstructuren die de mens conditioneren.

Heb je geen spijt dat je naar Oostduinkerke verhuisde?
“Neen hoor, een mens moet geregeld breken met zijn omgeving, om niet te verzeilen in sleur en routine. En dit betekent helemaal niet dat ik mijn vrienden van toen ben vergeten, neen, maar ik heb nu nieuwe. En nieuwe vrienden bieden je de kans om te herademen, om je opnieuw te positioneren, om een ander leven te leven. De Harelbeekse bibliothecaris, Jan van Herreweghe, schreef eens dat ik drie levens leid. Ik leef vooral leven na leven.”

Met Eindterm en Amélie Laforêt heeft Deleu zich expliciet geplaatst bij de Vlaamse auteurs die in het literaire werk een menselijke “getuigenis” zien en minder een zuivere taalcreatie. Ook de historische roman Arsène du Frêne, heer van La Vallade is een vluchtpoging in een vorm van literaire neoromantiek. Ook Klamme handen hoort bij het episch genre waarbij de auteur meer nadruk legt op de psychische toestand van zijn personages dan op de gebeurtenissen. Het is een “psychologische” roman. Na zijn “Creuse Trilogie” (drie romans met als decorum de Creuse) en de psychologische roman Klamme handen, waagde de auteur zich aan een politieroman, De doden zwijgen niet (2008). Hij leest als een trein; de spanning jaagt de lezer bladzijde na bladzijde naar de ontknoping; de personages zijn mensen van vlees en bloed. Een verhaal dat gebakken koek is voor een filmscenario.

Dit jaar verschijnt je zesde roman, Liefde en dood op Sint-André. Autobiografisch?
“Zowel mijn gedichten als mijn romans zijn een mix van fictie en non-fictie. Ook in deze roman is dit het geval. Ik beschrijf de liefde van een koppel dat ineens uiteengaat, maar opnieuw samenkomt. Daartussen spelen verdriet, ziekte en dood een grote rol.”

“Word je gelezen? Of beter: word je voldoende gelezen en gewaardeerd als schrijver?”
“Zeker, het valt bovendien op dat mijn ‘bekendheid’ vergroot naarmate ik ouder word. Misschien omdat ze denken: we zijn er bijna van af. Maar ook hierin vergissen ze zich.”

Ook “Wie schrijft, die blijft” wordt dikwijls te berde gebracht. De auteur beseft dat ook zijn eigen leven voorbijgaat. Met zijn werk wil de auteur sporen laten in de tijd en zo een vorm van “onsterfelijkheid” bereiken.

“Geloof je in een leven na de dood?”
“Geen commentaar. Zoals je weet, schrijf ik al vijf jaar aan een essay dat antwoord zou kunnen bieden aan vele levensvragen. De publicatie is voorzien voor 2010 of 2011.”

“Heb jij het geloof teruggevonden?
“Welk geloof? In de Kerk? Neen. Ik hoop dat enkele van mijn gedichten zullen overleven. À propos, ik ben geen hermetische dichter, dat is onzin, ik schrijf glashelder voor wie moeite doet.”

“Ben je ontgoocheld in de mens?”
“Moeilijke vraag of niet soms? Neen, in sommige mensen wel natuurlijk, maar dat zal wederkerig zijn. Ik ben een gelukkige mens, ik heb een liefhebbende vrouw en ik zie ze graag, ik heb goede kinderen en schattige kleinkinderen. Ontgoocheld? Neen, sedert wij in Oostduinkerke wonen, voelen wij ons elke dag in kermisstemming. De zee, het strand, de duinen, de toeristen, de vriendelijkheid van de inwoners brengen ons altijd in een hoerastemming.”

“Mag ik nog eens aandringen: mis je Harelbeke niet?”
“Wat wil je dat ik zeg? Ik gaf er les van 1962 tot 1989, - dat jaar werd ik directeur van de Middenschool in Tielt, - ik woonde er van 1976 tot 2000, ik speelde er toneel, ik schreef mappen teksten voor de lokale politici, ik zorgde voor vernieuwing in de SP, ik had er veel vrienden, een groot sociaal netwerk. Ik mis dat alles niet, maar ik denk er wel eens aan. Logisch toch?”

“Plannen?”
“Ik schrijf elke dag, uren bijeen, samen met Ginette doe ik veel daguitstapjes, we zijn er altijd voor onze kleinkindjes, en anders zijn wij op reis, vaak meermaals per jaar. Daarin een evenwicht vinden is de kunst en die kunst beheers ik goed. Leven is méér dan schrijven, leven is ook liefhebben! En wie liefheeft, is bang dat de dood daar een einde aan maakt. Dit is realiteit.
Plannen? Een nieuwe roman (2009), een nieuwe gedichtenbundel (2010), een essay (2011). Momenteel werk ik aan een biografie.”

“Ja, over wie?”
“Top secret, maar hou 2010 in de gaten.”

“Dank voor het gesprek.”

Georges de Courmayeur

Joris Dewolf stelt juiste diagnose!

99% terug aan afzender!

Wanneer je op zekere dag zegt: “Ik wil een roman schrijven,” zul je kort erop worden geconfronteerd met de vraag: “Wie zal het boek uitgeven?” Ik bedoel: een uitgever investeert niet zomaar in een schrijver. Dit is zo. Al degenen die al eens een manuscript naar een uitgeverij hebben opgestuurd, zullen weten dat het zo is.

Deze vaststelling is niet bedoeld om chagrijnig af te geven op al die mensen die graag hun boek willen uitgeven, maar om informatie te geven. Wat gebeurt er met zo'n manuscript op een uitgeverij? Waarom gaat meer dan 99% van die manuscripten weer terug naar de afzender?

Bij de grote literaire uitgeverijen van Nederland en Vlaanderen komen elke dag twee tot vijf manuscripten binnen. Bijna elke uitgeverij gaat daar anders mee om, maar geen een uitgeverij doet er helemaal niets mee. Ze worden altijd door iemand bekeken, of dat nu de uitgever zelf is of een secretaresse, dat heb je niet voor het zeggen.

In de meeste gevallen worden de manuscripten ingeschreven - in een computersysteem - voor er een eerste selectie plaatsvindt. Manuscripten zijn dan altijd te traceren: wanneer zijn ze binnengekomen, is er een ontvangstbrief gestuurd, wanneer ging het terug? Een van de redacteuren of een externe lezer maakt de eerste keus wat meteen terugkan: veel manuscripten hebben een genre die de uitgeverij niet uitgeeft en worden dus tevergeefs gestuurd. Meestal gaan ze meteen terug.

Na deze eerste selectie, wordt er echt gelezen. Door de uitgever, een redacteur of een externe lezer die de uitgeverij adviseert. Ook hier vallen in rap tempo manuscripten af. Vaak is al aan een paar alinea's te zien of het een goed boek gaat worden, of een boek voor de betreffende uitgeverij. Pas als een redacteur twijfelt of juist enthousiast is, leest een collega mee. In alle andere gevallen: return to sender.

Is de uitgeverij enthousiast, dan wordt er een afspraak gemaakt met de schrijver. In bijna alle gevallen zal de uitgeverij adviezen voor verbetering van het boek aandragen. Ook beroemde auteurs worden in hun schrijven begeleid en krijgen kritiek op de eerste versie van hun manuscripten, daar zijn de redacteuren per slot van rekening voor. Als de schrijver aan zijn boek wil werken, wordt er meestal eerst een volgende versie afgewacht alvorens hem of haar een contract wordt aangeboden. Dit gaat uiteraard allemaal in onderling overleg.
Is er eenmaal een contract dan begint het maken van het boek.

Waarom worden zoveel manuscripten afgewezen?
Er wordt altijd gezegd: van alle manuscripten die op de uitgeverij binnenkomen gaat 99,99% weer terug. Het getal zal niet zo hoog zijn, maar het komt er dicht in de buurt. Er zijn gevallen bekend van later beroemd geworden auteurs die “uit de post” gehaald zijn, of eerst jaren zijn afgewezen en toen topauteurs zijn geworden. Erg talrijk zijn die verhalen echter niet.

Wat zijn de meest voorkomende tekortkomingen van de ingestuurde manuscripten?
Er wordt alles aan gedaan om het boek spannend te maken. Literair spannend of thriller spannend. Alles wat er staat is op de plot gericht, het verhaal wordt ingewikkeld gemaakt en vele clous worden gegeven. Dat een boek onderhoudend moet zijn en niet alleen een skelet moet hebben maar ook vlees aan de botten, wordt soms vergeten.

De taal is “gewild literair”. De schrijver gaat literatuur schrijven en dat zal de lezer weten. Archaïsche woorden en bombastische metaforen volgen elkaar in rap tempo op en de ene ingewikkelde zinsconstructie volgt op de andere. Tenslotte valt de schrijver terug op clichés. Schrijven is echter je onderscheiden: niet alleen in het verhaal dat je vertelt, ook in de taal die je gebruikt.

In veel manuscripten zit geen humor of wordt niet gerelativeerd. De hoofdpersoon wordt uiterst serieus genomen en doet het altijd goed of altijd fout. Hij wordt daardoor niet een personage van vlees en bloed. Al zijn gedachten, overpeinzingen en de motivatie achter zijn handelingen worden beschreven, zodat er niets aan de verbeelding van de lezer wordt overgelaten. Juist door dingen echter niet allemaal uit te leggen, kun je een zekere spanning oproepen.

Geweld en sex: dat moet, vinden veel schrijvers. Zoals veel filmers denken: zonder sex-scène, geen goede film, zo zullen veel schrijvers denken: zonder sex geen literatuur. In een boek kun je die passages beter overslaan. De sex zit dan in het hoofd van de lezer.

Een gevoelig punt zijn de 100% autobiografische boeken, vaak met een tragische inhoud. Hoe hard het ook klinkt: vaak zijn die verhalen te privé om voor een breder publiek geschikt te zijn. Er komen allerlei namen en verwijzingen naar vroegere gebeurtenissen in voor die de lezer niets zeggen: hij is geen naaste familie, geen vriend en weet dus niets van wat er is gebeurd. Hier is belangrijk: om afstand te nemen tot het eigen verhaal en zich de vraag te stellen: wat kan een ander hiermee en waarom moet dit verhaal de wereld in? Het beoordelen van eigen werk is een van de moeilijkste dingen die er zijn. Laat het eerst een tijd liggen of vraag het aan een kennis die genoeg van de situatie weet om het verhaal te begrijpen en genoeg afstand heeft om het voor de buitenwereld te bekijken.

De lezer is héél belangrijk! De schrijver moet zich van een lezer bewust zijn en spelen met zijn aandacht. Waarom is een boek spannend? Omdat een schrijver maar stukje bij beetje prijsgeeft hoe de vork in de steel zit. Waarom is een boek romantisch? Omdat een van de personages verliefd is op een ander personage en het nog niet meteen duidelijk is of het wat gaat worden. Dit spel met de lezer geldt op alle niveaus: structureel, in de taal, maar ook in de humor, in het relativeren, in de keuze van het perspectief en zo voort. Leg dus niet teveel uit. Onderschat de lezer niet. Als de schrijver niet geïnteresseerd is in de lezer, waarom zou de lezer dan in de schrijver geïnteresseerd moeten zijn?

Joris Dewolf

Erotische poëzie - Thierry Deleu

Als een jager

Haar gezicht is wit van regen
een vensterglas waartegen mijn mond
proeft proevend het murwe water
dat hoorbaar schuchter huiveren doet.

Zij ziet mij en onze monden beven.
Van geur en kleur, en zinlijk herkennen
hoe ik ree lig voor de overval.
Als een jager in zijn grondgebied.

Ik hoor de schroom van elk sterven.
Met vingers die haar adem stokken
streel ik het dier achter in haar huid.
En zij stuiptrekt voor het geheim.


Na de dageraad

Verwekt uit zoveel handen zachtheid
en zo weinig harde aarde, zij ligt -
aan haar garstige adem slaap ik.
In de rimpels van haar huid brede

sporen van een man, gevlucht voor het
krijsen van een kleine kraai.
Na deze dageraad een nieuw kind
zal zij dragen, als een dracht waaraan

geen liefde vreemd gebleven is.
Ik voel de adems in mijn longen
openstorten. Elke dag, elk uur.
Als ik dit schrijf als een klaaglied,

dat zo weinig woorden weemoed zingt,
ben ik de fallus die zijn zaden plant.
Tot hoorbaar zacht de nacht als een
vogel over onze tempel wiekt.


En het water neemt je naam

De wind ligt languit op de dijk.
In de wolken ruik ik de adem
van het zout en de duinen.
Ik grijp de zon in het water

en giet haar uit over hoofd en hals.
Het zieke dier huivert in mijn
bloeiende heup - als regen op riet.
In het zand dat mijn voetstap draagt,

schrijf ik jou ten voeten uit.
En het water neemt je naam.
In het bange handgeklap
van een vogel hoor ik onweer.


Ik ben de lente niet

Ik ben de lente niet mijn kind.
Met bramenschrammen op mijn huid
en geur van regen luw als zoet geweld.
Ik zou wel kunnen sneeuwen

een stad een rijk in witte vacht.
Zeer zacht, zeer wit, waar hart inzit.
Met vrieslucht slechts om van te leven.
Misschien zal dit mijn laatste winter zijn.

Een dood wit paard drijvend op zijn zij.
Zolang nog zal ik blijven zingen.
Als een offer aan meeuw aan zeekrab
aan zeester en steenkrab dit lied.

Ik ben de lente niet mijn kind.
Maar een stille, schuwgeworden vogel
die verreisd neerstrijkt op je hand.
Tot het bloed weer steigert in zijn lijf.


Liefde

Voorzichtiger dan vlinders strijken
mijn lippen op je schouders neer.
Zo-even weer. Als het sneeuwen
van meeuwen op de wiegende zee.

Liefde is huiver. En gulzigheid.
Van mond en tanden, krauw en beet
en tederheid van vogelveren.
Liefde is ook jagen, prinses,

op de katten in je ogen,
op de welpen in je enkels,
de springgazellen van je geest.
Liefde vernietigt niet, prinses.

Haar prooi wordt meesteres,
mijn roede haar trouw reptiel.
Liefde is elk uur als de duur
van een vlam tussen rook en as.


Het ontwaken

Langs een ladder van zon huiverend
sijpelt het licht de kamer in.
Zij glimlacht vaag en rekt zich uit,
haar zilte haar berijmd als loof.

Zacht als een marmot om te strelen,
haar huid mooier dan de rankste ree.
Ik proef de wijnen van haar bloed,
het geurend amber van haar leden.

In het nachtwoud van haar haar
fluister ik gedichten en gebeden.
Mijn hand glijdt naar haar schoot
en loopt verrukt haar lichaam in.

Zij smacht nu onder de dekens,
ik ben te laken, te loef, te lij,
verstrooi in reeksen kreten
de huiver van haar kleine meeuwen.


Bergmeer

Je lichaam een argeloos bergmeer,
mijn hand wortelt naar je water,
waar ook ontwelt de nagelaten nacht
en 't reutelend ademen van de blaren.

Je haren losse teugels van de dood,
vinnig als de vinnen in je borsten;
ontwaken is langzaam opengaan,
als een hooidilt in de morgen

geurend naar de dracht van koeien.
Wij ruiken voos als de aarde
en vloeien in elkaar als water over,
in een traag gebaar mij telkens opwaarts

wendend mijn liefde zalft je schoot
En komt als vlottend wier weer boven;
lichaam dat zich met lichaam voedt,
zich vult van vingerkoot tot kruin.


Ik leg het oor

Ik leg het oor op haar buik
en laat er rauwe bloemen achter,
eerst sneeuwklokjes, dan anemonen,
speenkruid en klaverzuring.

Haar buik een nest jonge eenden
peddelend in het dikke water.
Ik druk mijn stethoscoop tussen
de sleutelbloemen en viooltjes.

In haar heupen voel ik vogel
en vleugels beven als een riet.
Tussen haar oevers slijm is het
water dat zich traag beweegt.


Avontuur

In ‘t welig kruid van je huid ik
strijk neer en fluit van zotte vreugd
het lied van onze zondeval.
Een specht speelt solo op je dij.

En als water kirren duiven
onder de bloesems van je gezicht.
De knoppen van je borsten gloeien,
als je openbloeit een explosie

zo snel in de palm van mijn hand.
Een avontuur in jou te klimmen,
vol van zang en dol van zinnen,

maar als in hout letters kerven,
die je ook later ziet, kan ik niet.
Morgen fluit ik licht een ander lied.


Aan het water

De kleur van gras ben ik vergeten.
Zij kent de geur van hooi, de smaak
van water, het waaien van het riet.
Zij rekt zich uit als een konijn,

belust op 't zwoele minnespelen.
Ik vlij mij neer op 't slanke dier,
dat wuft en warm mij drijft naar
't wassend wier waarin mijn vinger sluit.

Aan de dode arm van de rivier
spreidt zij onbeschroomd gedwee
de twee verhalen van haar benen.
En de zon leest zich de ogen uit.


Wepele meeuw

Ik leg mijn oor in het zand en hoor
de zee zo-even aanstoot gevend.
De wind ontwaakt en gaat liggen
onachtzaam op zijn andere zij.

Met ringen van wier om de enkels,
zij voert de zee aan in mijn hemd,
in haar hand een wepele meeuw.
Zacht sluit haar mond mijn woorden af.

Ik proef het zout op haar lippen,
voel de storm groeien in mijn buik.
Heerlijk de liefde bedrijvend
als de zee aan haar lichaam kleeft.


In het duin

Met de veroveraarblik van
een kind op zijn hobbelpaard
maak ik jacht op de vlinder
tussen haar lippen gespeet

zijn vleugels beven als riet
als ik haar traag bevinger
stil en van goeden huize
verzwijg ik wat niet eerbaar is.

In het duin proeven wij na
van knappend brood kaas en wijn
als verfijnde dieren hebben
wij ons uit het zicht gelegd.


Het is zomer

Meisjes met groene ogen kirren
als vogels tegen het felle licht,
mannetjes slaan hun vlerken uit,
dravend op hun driften. Het is zomer.

Ik stijg uit, gestalte krijgen
de vele dimensies van een golf
die aanzwelt als een waterorgel,
zich opdringt even maar verstomt.

Samen pootjebaden, naar meeuwen
kijken die bestrijken, verstillen
tot de praat ze overvalt. Uitgebreid
zoen ik de gladheid van haar hals.


Mijn heks

De oude nacht is helder
en met adems bezaaid,
de zomer gloeit uit de grond,
mijn kleine heks waart

op het uur dat mij bekoort.
In de spiegel van de vijver
zie ik hoe nabij zij nijgt
en plukt haar minnekruid.

Schichtig kijkt zij op,
herkent mij aan mijn manen.
Even ritselt het in de struiken
als zij aan mijn zicht

onttrekt haar drieste tepel.
Zij staat paard, ik ben haar ruiter.
Dravend door de nacht
lispel ik haar vele namen.


La Chaise-Dieu

In La Chaise-Dieu in portieken
en om de hoeken godsdienstig
besluipen wij de liefde,
wij maken kleine geluiden,

drinken ice-tea au citron.
De zon kruipt over ons heen,
beneemt ons de adem als wij
stijgen naar La Casa Deï.

Wij rusten er met de dieren,
warm nestelt zich de wijn
in de roes van ons verhaal.
In het gastenboek schrijf ik

de initialen van je naam,
de bruine glimlach van je ogen,
de goede geur van je oksels,
de merknaam van je huid.


Brioude

In Brioude naar lachende
knieën kijken zij legt haar ogen
tussen de bladen van Benoîte Groult's
Les Vaisseaux du coeur heel even

kijkt zij op - haar witte dijen
laten zich niet snel lezen.
Zoomloos spant zich mijn huid op
ik wijzig de loop van mijn adem.

Onder de banier van de jacht
verblinde ruiter van de behoefte
loop ik op haar af behoedzaam
beruik ik haar tot op kniehoogte.

De jacht is open - in de verte
jagers janken tegen elkaar
als honden. Praatziek de paarden
als het gehinnik van hun ruiter.


Lavaudieu

In Lavaudieu kocht ik
een snoer van honderd kralen
dat je hals bij elke adem
honderdmaal mijn liefde voelt.

Mijn liefde wijzer dan verstand,
jij bent in elk woord in elk ding
overal een nieuwe kwelling
dit spel met jou is leven.

Leven in af-en-toe een dorp
waar men met ons deelt brood kaas
druiven oud ritueel als had
geen tijd de eeuwigheid gekruist.

Wij kruisen schapen paarden
die zich laven aan de dorpsfontein,
in de kapel een schrijn ben ik
hoofser dan een menestreel.


Een zomer in de Moeren

Een zomer in de Moeren
aan de bocht van Cabourg
tussen broek en schote
land van koolzaad en rapen

zij vlijt zich neer prooi
lenig dier dat half opgericht
mij zoent in tegenlicht
onder navel en lenden.

Ik verstijf tot pagode
op deze binnenduin
stokebrand geuzenstorm
Seinemolen zonder wieken.

Als zij openwaait delta
van genot moeras onderkomen
voel ik het koolwitje
beven in haar heup.


Zonsopgang

Haar oor tegen mijn wang aan
op een grasspriet van het water
in verwondering kijken hoe
een waaier van pasteltinten

verkleurt van verwaterd groen
naar dieproze - zonsopgang
als een koperen bol spat
de nieuwe dag open overgiet

de natuur met verblindend licht
een kraai verbazend dicht
schaterlacht de stilte open.
Behoedzaam knoop ik de bloemen

van haar katoenen jurkje los
waar zij is uitgegroeid.
De geur van verse koemest
prikkelt onze zinnen.


Beeldenstorm

Vluchtende monniken dansende
monniken witte benen
tussen reikhalzende schapen
die als juffers opgejaagd

over het plein tippelen.
In bruinharen pijen gehuld
hun kappen vallen als maskers
van hun kruinen lopen zij

de dieren voor de voeten.
Kreunend uit haar acht hoeken
luidt de klok de beeldenstorm.
De bliksem slaat in de oppers

de boeren met heiligenbeelden
onder de arm verdwijnen
in hun houten huizen.
De herder fluit op zijn vingers

over de heuvelkam blaft
de hond zijn schapen bijeen.
Op enkele vamen vandaan
dring ik in jou als halewijn.


Vinkem op de schreve

Ik heb op zijn Frans gemind
in dit koninklijk bordeel
Vinkem op de Schreve.
Sedert is zij in al mijn

zinnen vrouwe Camelot
teugel van mijn Pegasus.
Haar huid zit om de perzik
in mijn hand het parfum

van haar lichaam hangt in
de lucht die ik adem.
In de wiekslag van een meeuw
hoor ik haar schaterlach.

Zij is mijn evangelium
geen vrucht smelt in mijn mond
of ik denk aan haar.
Vinkem op de Schreve.


La Chapelle-des- Moines

In Berzé-1a-Ville als uit een wolk
gevallen de blijde boodschapper
hij heeft de stem van vader
de klank van zijn dialect.

Op zijn teken een paard draaft
voor mijn voeten teugels of zweep
heb ik niet geen karos en
profanen gedragen zich alsof

het een remake is déjà-vu.
Man en paard geil en hijgend
bereiken La Chapelle-des-Moines.
Majesteitelijk meewarig

kijkt de Heer op ons neer
zij trekt haar jurk boven de dijen
ik strooi mijn zaad in een lege
hemel de val der engelen.


Sainte-Madeleine de Massac

Ik leg mijn kleed af naakte
jager poreuze huid verklein
de afstand tussen jou en mij
mijn handen pezig spannen

een koord tot boog bevende
bode pijlsnel opgebrand.
Zij gooit haar rozenkrans
naar de overkant zwijgend

de handen voor zich uit
in wedloop met het licht
de van troost beroofde.
In het diepe gras beneden

meten meisjes knapen
als dieren vermomd hun liefde
tussen ruisende blaren.
Op menselijke wijze.


Sint-Flora

Wij snuffelen de berm op
in de wei liggen schapen
uit de hemel gevallen
meteorieten een reiger

komt aan de einder neer.
Zij ruikt naar pas gemaaid gras
haar lippen beginnende dauw
dauwdraden waaraan vlinders

zinderen. Ik voel hun vleugels
trillen als zij kreunend
openbarst haar schoot mijn
bloeiende dood. De aarde

duizelt als wij huistoe
schrijden een paard met kar
schudt als een natte poedel
de geluiden van zich af.


Een ootje verbazing

De zomer is voorbij
en de raten rijk
ik ruik honger en honig
een bleekgroene zon

met sluikhaar kijkt
door de beginnende regen
ik loop dicht naast haar
zij rilt het afgeworpen

water dwarrelt neer
met haar duim wrijft ze
de laatste druppels uit
haar navel haar borstjes

spannen als een b.h.
ze heeft gezwollen voetjes
op haar dunne mond
een ootje verbazing.


Vol van haar

Voorzichtig streel ik haar dijen
als zij naast mij te geuren ligt,
als een heerlijke zinspeling
dit parfum dat mij overspoelt.

Wat ik begeer reikt zij mij aan,
mijn hand luistert naar haar stem.
De wind slaat mijn adem aan,
reikt mij een geurdraad van melk

honingzoet waarin beschuit oplost.
Haar lichaam geurt als zeewind,
de talg van haar haar notenolie,
als abrikozenbloesem haar huid.

Tot in het kleinste detail wil ik
haar leren kennen, elk geheim.
Langzaam buig ik mij over haar,
ruik de waterlelies van haar geslacht.


Als ik aan land ga

In gespreide slagorde
voert zij haar oorlog
eeuwig zwanger zijn
van haar grote koning

zij lacht als op een party
haar buik de zee die ik
bevaar onder piratenvlag.
Als ik aan land ga

in haar hoogrankende delta
staat mijn schip op het spel
de meeuwen slaan
aan 't muiten.


Spelletje

De zomerzon gedempt ondergaand,
bomen staan star en roerloos, onder
de takken nachtdonker geuren
van bloemen en gestoofde aarde

ik verdwijn onder een muur van
over elkaar schuivende blaren
schijnsel van zon, spot op stichtend spel,
het fijne bleke gezichtje onder

het blonde haar kijkt mij aan:
heeft niemand ons gezien? Niemand
beginformule van ons leuk
spelletje poesje kut Pietjekru.


Nicht

Ik bewonder haar als een
betovering een grillige zus
excentriek geestelijk een kind
uiterlijk een jonge vrouw

aangegaapt en opgeborgen
is zij voor mij mijn kleine meid
intens moeder meisje maatje
urenlang kan ik haar gadeslaan

zij spaart tijd in Liebig punten
in tegenlicht blank en tenger,
haar donker haar omlijst gezicht,
dekt zij mijn schamelheid toe.


Historisch ogenblik

Haar rokje valt op de grond dorre
blaren zij stapt er trappend uit
verlegen haast bekijk ik haar
broekje bloempjes op een roze

veld zij drukt mijn hand tegen haar
tuintje alsof zij mij betovert
streel ik zachtjes gekrulde vingers
gekrulde zinnen haar gezicht

een engel transparant wit haar
loshangend nat vlas op blozende
wangen als eensklaps haar vader
roept op dit historisch ogenblik.


Liefde

Wie de liefde van zijn leven kent,
- voorrecht dat mij elke dag overkomt, -
moet niet zweven om verwelken te
voorkomen of fantasieën

ontplooien tot een ongeschreven
boek, wie de vrouw van zijn dromen
lijfelijk en aanspreekbaar heeft
ontmoet, leeft bij de gratie Gods

een leven dat tegenslag negeert
en het geluk als een paternoster
van momenten aan elkaar rijgt.
Alleen te sterven blijft ondraaglijk.


Vlinders

De vlinders in je buik
vliegen uit prikken
zich op jouw topje
naast een tepel wepel

fladderen hun vleugels
krijgen alle kleuren
van de regenboog
het oog wordt verwend

tot ineens de vlinders
zijn verdwenen zo vergaat
het verliefdheden
zo hevig kort van duur.


De jonge Hélène

Verbazing overvalt mij
mijn ogen haken zich vast
Hélène de jonge Hélène
komt op onze tafel af

de vlucht in haar ogen
haar tuitende lippen
gulzig de contouren van haar
volle mond de vaste tred

de glimlach als ze me aanspreekt
mix van schroom sensualiteit
de welving van haar borsten.
Ze kan mijn dochter zijn, zegt

de vrouw rechtover mij
in haar ogen bewondering
twijfel weemoed, dat ook.
Die nacht droom ik overdadig.


Meisje met paardenstaart

Meisje met paardenstaart hoe zacht
streel jij mijn kaken wijdbeens
voor mij uit met grote ogen
kijk ik je aan peil zonder

verpinken naar wat je wilt
duw mijn hoofd tegen je borstjes
ondeugend de oogjes neer
een glimlach die mij charmeert

hemels hoe je mond tuitend mijn
hals beroert de zon priemt op mijn rug
de wind speelt in mijn manen en
met je wit vijftrapszomerkleed

als je in mijn neusgaten blaast
nies ik oorverdovend de stilte
die jij met fluistertoon bedaart
vliegen stuiven van mij weg.


Brief aan Hélène

Hélène hitsige maagd op kousenvoetjes
de lange puntstaart van je kornet
krult zich over je rug kwispelt over
de grond gekrulde fallus in erectie

zachte stokebrand zet de tobbe uit
hits het water op prikkel mijn zinnen
schrob mijn knoken hard mijn eikel
kom wijdbeens over dat ik oprollen kan

je kleed tot aan je lenden schouwspel
cinema in geuren en kleuren en
als ik oprijs tsunami zoen ik jou
als een ontdekkingsreiziger

roep america en vaar landinwaarts
voorbij de klippen je baai binnen
de zon steekt het water schuimkopt
jij koert en kirt ik gier van pret.


Middeleeuws overspel

In ‘t groenlachende woud verspert
een hegge de toegang tot de
tuin van onkruid en lust.
Achter het raam prijkt de heks

in al haar verdorven naakt.
De pages rijden voorbij
apegapend links rechts
op het ritme van hun ros.

Wie is zij? Allochtone?
Autochtone? Wat maakt het uit,
ze heeft geleden en verzucht,
mannen opgegeild tot zij

hun laatste adem bliezen.
Pages hebben zwijgplicht.
Door een kier in het struikgewas
kijkt zij geamuseerd toe