Stichtingsdatum: 1 februari 2007
"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"
"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.
30 juni 2009
Wat hebben wij geleerd vandaag (uit het nummer 2 van de 14de jaargang)?
1. Nieuw werk van de Heibelaars verschijnt bij Berghmans Uitgevers: Er zitten geen goudvissen meer in het Ven van Robin Hannelore en Het verborgen leven van Gerard Walschap van Frans Depeuter.
2. Hulde aan de Coburgers (Frans Depeuter), met de (belastingvrije) dotaties aan onze blauwbloedigen en de royale supplementjes, een overzicht van de bezittingen van het Koningshuis, de begroting 2007 van Fabiola en het gebruik van de legervliegtuigen voor vakantietrips.
3. Robin Hannelore maakt Bedenkingen bij de herlezing van Minne Poes van Felix Timmermans.
4. In een Open brief aan Jozef Deleu, met een appendix voor Gwij Mandelinck, maakt Marius Vanthomme cassante op- en aanmerkingen, zoals:
- “Van uw zelfverklaard rebelschap heb ik nog nooit een glimp mogen opvangen.”
- “U won op bedenkelijke wijze (met voorkennis van jurylid Hugo Brems) de West-Vlaamse Poëzieprijs (u zetelde bovendien in de commissie die de jury samenstelde).
- “Marc Reynebeau schreef een lovend artikel, onder de titel 'Op eenzame hoogte', over uw poëziebundeltjes die u gewoonlijk zelf massaal aankocht en gratis verspreidde. Sindsdien doet Marc zijn ding in het “Zwerfdeel”.
- “Kwam u niet graag ergens te laat, als iedereen al gezeten en uitgekucht was, bij voorkeur in het gezelschap van bijvoorbeeld meester Claus?”
- “U bent een van de twintig vooruitgeschoven intellopionnen van het tsjevendom.”
- “Uw verdienste bestaat ook hierin dat u de West-Vlaamse talenten uit uw omgeving monddood probeerde te maken.”
5. “Wie zorgt mee voor het merk Lannoye?” vraagt Frank Hellemans zich af.
6. Julien Vangansbeke bereidt zijn Hersentjes met appelmoes. Soms smaken ze bitter, zoals:
- “Het is schrijnend om op te merken hoe in de wekelijkse poll van de best verkochte boeken in de Standaardboekhandels nog nauwelijks een echte literaire roman wordt vermeld.”
- “In de ultieme bloemlezing van dichters die publiceerden na WOII, Hotel New Flandres, trof ik mijn naam niet aan.” (Ik ook niet, Julien.)
- “Bij de 20 meesterwerken die alle andere boeken overbodig maken (De Morgen) zocht ik vergeefs naar Fernand Auwera, W.F. Hermans, Ivo Michiels, Hugo Raes, Willy Spillebeen en de Heibeliers.”
- “Het viel me op dat er precies nu zo weinig bezoekers waren (over Gedichtendag 2009) en toch schreef de pers daags voor en daags na over het maatschappelijk belang van de hedendaagse Nederlandstalige poëzie.”
- “Was ik denk maar zo onbevangen als toen ik mij nog niet bewust was van de noodzakelijke intriges van de Westhoek tot in Limburg.”
7. Staf Versweyveld (wat een naam!) houdt het kort (maar raak) geknipt. Hij heeft het over “het voortreffelijke literaire fenomeen Paul Claes”, over Monika van Paemel of “de koningin van Poesele”, over de blaffende Brouwers en Komrij, “maar helaas, de karavaan trekt verder” en over SOS Piet Huysentruyt die in dit nummer vaker aan bod komt.
8. In een lijvig, goed gestoffeerd artikel prijst Frans Depeuter de poëzie van Jo Gisekin.
9. Depeuter heeft het ook over François Mitterand, Vincent Gounod, Koen Dillen. Vooral de Open brief over de censuur… gecensureerd valt mij op. Hoe Vlaanderens “kwaliteitskrant het nodig vond om zelf censuur toe te passen” op de Open brief omtrent de “politiek-correcte censuur” in Vlaanderen van de hand van Johan Sanctorum en mede ondertekend door een aantal lieden van diverse kleuren. Deze thematiek krijgt ook aandacht van de Nederlandse Vlaming Benno Barnard en liberaal-conservatief denker Matthias Storme.
10. Een mooi stuk van Frans (alweer) over het cordon sanitaire rond Erwin Mortier: Help! De kardinaal naait mijn muule dicht! Mooi stuk, dat wel, maar zo denigrerend over Lannoye, Hemmerechts, Nasr, Verhelst, Verbeke en Dimi Verhulst.
11. En om met treurnis af te sluiten herdenkt Styf Versweyveld zes “collega’s” die naar het Eeuwige Oosten zijn teruggekeerd: Maria Jacques (°1928), Jaap Kruithof (°1929), Patricia De Martelaere (°1957), Jenny Tanghe (°1927), Nand Buyl (°1923) en Fons Fraeters (°?).
12. Vervolgens wordt Heibel dik gemaakt met lof en stank voor Hilde Sabbe, Siegje Spruyt en Goedele Wachters. Vooral de vrome onschuld van deze laatste brengt Depeuters hoofd op hol. Goedele is zijn geheime liefde. “Je bent echter niet alleen, Frans!”
Wat hebben wij geleerd?
Veel, maar niets om lang te onthouden. Heibel heibelt zich een weg door de lichtheid van ons bestaan. En dit heb ik graag!
Thierry Deleu
Heibel, 14de jaargang, nummer 2, redactiesecretaris Frans Depeuter, losse nummers 10 €, een abonnement 25 €. Rekening nummer: 979-3986331-24.
Kunst & Cultuur in Vlaanderen
IK STEL VAST…
“Het gaat cultureel Vlaanderen voor de wind,” horen wij iedere dag en iedere keer sta ik versteld over deze… boutade. Enerzijds zijn er de nieuwe Vlaamse rijken die van geld en bezit hun cultuur hebben gemaakt, anderzijds is er de al even welvarende groep die zich vastklampt aan de traditie en daarnaast is er een derde groep die het elementair geloof in zichzelf heeft verloren en alles opoffert aan de veramerikanisering van onze (Vlaamse) samenleving. Tussen die groepen in moet ik mij staande zien te houden. Geen evidente zaak, want zich kritisch en intellectueel opstellen in Vlaanderen wekt achterdocht.
Het gebrek aan intellectuele voeding ligt mee aan de basis van onze culturele vervaging. De artistieke en culturele wereld heeft (door jarenlange horigheid aan de zuilen) enorme behoefte aan intellectuele injecties.
Er heerst in Vlaanderen nog altijd geen klimaat van vrijmoedigheid, onafhankelijkheid en wederzijds respect. De vele Vlaamse “geletterden” zijn in de gouden kooien van de zuilen getemd en bestaan nauwelijks als autonome kracht. Een kritische intelligentsia bestaat nauwelijks.
De discrepantie tussen onze welvaart en de intensiteit van ons intellectuele en culturele leven is schrijnend. Het weegt zwaar op ons maatschappelijk leven. Wij mogen onze emancipatie niet uitsluitend meten aan de verworven welvaart, maar vooral oog hebben voor de kwaliteit en de creativiteit van onze kunstenaars en onze intelligentsia.
Overheid en privé - en bij beide de intelligentsia die er deel van uitmaken - hebben op cultureel vlak een viervoudige functie: een maatschappelijke, een creatieve, een bevrijdende en een kritische functie die gericht is op de mondigheid en de kritische instelling van de Vlaming. De Vlaming moet zijn “cultureel gezicht" een facelift geven. Hij moet zich “cultureel kapitaal” kunnen verwerven.
Deze (inleidende) beschouwingen heb ik geschreven na een aantal zure oprispingen. Ik heb er enkele geselecteerd, niet die met de bitterste nasmaak, maar wel zij die ik met veel moeite kon doorspoelen.
1. De kunstenmakerij is een ziekte van de tijd. Op winst beluste handelaars (zeg maar commerçanten) en kunstenaars hebben geen zittend gat. Dat weten we. Zij razen van het ene ‘opvallende’ isme naar het andere. Dit valt te begrijpen. Denk maar even aan de duizendjarige traditie waaruit zij gretig - en bodemloos - kunnen putten voor hun creaties.
Ik neem het hun niet kwalijk. Je moet als beschouwer maar voldoende nieuwsgierig zijn om deze vaart te kunnen bijhouden. En om wie weet elke keer weer warm te lopen voor het laatste wonder. Mij stoort echter de manier waarop zij zich meester maken van een traditie, van een van oudsher erkende taal, om haar op feestelijke manier te verkrachten. Ik ga akkoord dat altijd - en ook nu - ruimte gereserveerd moet worden voor het experiment. De slogan "de verbeelding aan de macht" is niet zo hol als hij wel leek te worden na zijn verrassend debuut in 1968.
Uiteraard hebben de scheppende geesten (de kunstenaars, de cineasten, de fotografen, de schrijvers) meer dan om het even wie (daar horen alle anderen bij) het recht om nieuwe wegen te banen naar de menselijke gevoeligheid, naar de menselijke geest. Je noemt daarom echter een konijn nog geen karper... Dankzij de technologie en de barnum publiciteit worden her en der (denk aan Kassel) grootse artiestenforen georganiseerd. In naam van de ‘kunst’ zijn daar alle vrijheden toegelaten en alle andere ‘verboden’. Het is de kunstenaar niet meer gegund om academisch te werken, of klassiek, of doodgewoon goed en eerlijk. ‘Alles is kunst’, behalve wat ik hiervóór opnoemde. Zijn eigen penis fotograferen, een kazuifel aantrekken, de warme bloedende inboedel uit de buik van een dier op een liefst naakte vrouw laten neerploffen, stenen mooi in een cirkel schikken, woorden projecteren op een muur, enkele donkere streepjes op een witte wand tekenen, het is allemaal kunst en als je het niet meteen vat, kun je de catalogus raadplegen. De rebelse geest, in de zin van continue opstandigheid en ordinaire acts, vlijen er zich in al hun wulpsheid neer. Om van te watertanden.
Het is inderdaad geen punt of men (nog) schildert zoals Rubens of Picasso, of beeldhouwt zoals Michelangelo of Zadkine. Helemaal niet, je moet in de eerste plaats knutselaar zijn (wat zeker niet fout is, vermits Leonardo da Vinci ook knutselde!), je moet technologische appetijt hebben, spirit en verstand - of voldoende waanwijs zijn, indien je de andere vereisten zou mankeren. Maar... wat je zeker niet mag doen, is blijven luisteren naar je hart, of er traditionele gevoelens op nahouden. Je hoort tout court de voorafbeelding te zijn van een nieuwe mens.
Ik maak deze kritische bedenkingen na inzage van het aanbod op artiestenbeurzen en individuele tentoonstellingen dat ongetwijfeld ook in 2007 aanleiding zal geven tot niet relevante recensies die onze vaderlandse (kunst)markt beïnvloeden, lees bezoedelen. Onze plastische creaties hebben steeds meer woorden nodig om tot hun recht te komen. Wie zich nu als beschouwer laat opnemen in de maalstroom van beelden en ideeën, krijgt meer te verwerken dan een normale maag vermag. Sommige kunstevenementen hebben alles van een artistieke supermarkt. Qui m’aime me suive!
De meeste kunstmanifestaties zijn een equivalent van het concours "Lepine" en van de uitvindersbeurs in Brussel. Men probeert niet te sensibiliseren, men zoekt enkel te intrigeren, te choqueren, het publiek kippenvel te doen krijgen, de kritiek, de kunstenaars, de politieke wereld op stang te jagen. De drijfveren heten frustratie, nijd en ontgoocheling.
Dit alles is misschien fascinerend, zeker arrogant en hol als het holste vat, want men is heel vlug uitgekeken op dingen die het hart niet raken, op ‘kunstgreepjes’, kneepjes, ja lees maar trucjes, die af en toe ook transcendent blijken te zijn.
In vele galerijen en exporuimtes loop je in veelvoud extravagante stromingen tegen het lijf, snobismen, gebrouwd in een of andere menselijke geest. Ik ontken niet dat kunst uit zieke geesten kan komen, ook bij werken die later tot de klassieke canon zijn gaan horen, maar wel dat de ‘ziekte’ vaak wordt geveinsd! Veel van die dingen verkeren nog in het stadium van het ‘prototype’. Er is praktisch niets dat de naam ‘oeuvre’ verdient, vermits het werk zich nog in zijn experimentele fase bevindt. Het jargon is er de voertaal en je hebt er het raden naar wat er eigenlijk in de geest van deze ‘artiesten’ omgaat. Alles is voor alles en iedereen een ‘alternatief’. De kunstenaar houdt zich voor de redder van de mensheid die zonder hem definitief kapot zou gaan aan banaliteiten en huiselijke flauwekul.
De producten van hen die zich als de vernieuwers aankondigen, zijn echter allerminst fascinerend, soms stierlijk vervelend. Je voelt sterk aan dat men de schildersezel wil dynamiseren. Sommige schilders en beeldhouwers verloochenen hun opleiding, hun métier, hun materialen, maken zich los van doek en steen en komen zo gevaarlijk dicht bij het charlatanisme. De charlatan wordt naast de authentieke kunstenaar geplaatst. In plaats daarvan komen de spelletjes van architecten die zich niet langer bekommeren om de praktische uitvoerbaarheid van hun project, van cineasten die niet eens nog publiek nodig hebben, van toneelschrijvers die zich geen vragen stellen over de vertolking van hun stuk (want zij hebben enkel uitstaans met hun unieke gebazel).
Men wil het imago zelf van de schilderkunst en beeldhouwkunst tenietdoen. En na alles, waarom niet? Laten ze dan ophouden met vals spelen. Laten ze nu eens ernstig werk maken om van wat misschien morgen een nieuwe manier van zien, leven en voelen zou kunnen zijn, ingang te doen vinden in de catacomben van de menselijke geest, waar – wie weet het? – een opleving kan ontstaan die even verruimend is als de exploratie van de sterren.
Laten we in godsnaam een kat... een kat noemen.
2. “Ik ben toch niet de enige die zo over kunst nadenkt?” denk ik elke keer dat ik een stukje pleeg voor een krant of tijdschrift. Als criticus - recensent klinkt ook al aardig - ben ik een intermediair. Ja, zoals de galeriehouder ook een bemiddelaar is. Maar dan wel van een andere soort. Je staat tussen de kunstenaar en het publiek, in ons geval de lezer. Dit is een niet comfortabele positie.
Het basisprincipe waar ik altijd van vertrek, is: de kunstenaar heeft voorrang. Want zonder kunstenaar is er geen kunstwerk en zonder kunstwerk ook geen kunst. “Logisch toch?” zul je zeggen. Ja, maar hoeveel keer vertrekken wij niet van onze smaak of van onze geldbeugel of van de situatie waarin wij ons op het moment verkeren? Kijk, indien je niet vertrekt van de kunstenaar, dan maak je een inschattingsfout.
Wil dit nu zeggen dat je geen groot oor mag hebben (ik durf niet te schrijven: grote oren)? Maar neen. Je kunt de kunstenaar vragen: “Hoe heb jij dit gedaan?” Maar je mag iemand nooit als voorbeeld nemen. Een galeriehouder vertrekt van zichzelf. Hij moet weten: wat is mijn situatie, hoe moet ik overleven? Een criticus vertrekt van de kunstenaar. Beiden houden van schilderkunst. De eerste toont schilderkunst, de tweede bespreekt schilderkunst.
Meestal vertrekt de eerste van een trend, soms van een modernistische visie (zoals in de jaren ’80, toen werd beweerd dat ‘schilderkunst niet meer bestaat’ of ‘schilderkunst is dood.’) Nu nog vind je galerijen die geen schilderkunst meer durven te tonen. Ze tonen installaties b.v. In de jaren ’90 vonden de kunstenaars het weer kunnen zich als schilder te uiten.
Een goede Belgische galerij moet in eerste instantie werk tonen van mensen van hier, Belgen, Nederlanders, mensen van wie zij het oeuvre door en door kennen. Ze moeten dit werk op een internationaal forum plaatsen. En hier kan de criticus weer inkomen: ook de kritiek moet eigen mensen internationaal bekend maken. We hebben een gemeenschappelijke taak: het werk van jonge kunstenaars moet door zoveel mogelijk mensen worden gezien. De criticus bespeelt de media, de galeriehouder probeert in eerste instantie te verkopen aan musea, aan openbare collecties. De kunstenaar wil immers het liefst in een museum hangen. Dit spreekt toch vanzelf?
Ik geef toe dat een galeriehouder niet altijd controle heeft over allerlei speculatieve elementen. Hij wil de prijs ‘normaal’ houden. Veronderstel echter eens dat een koper nog dezelfde maand driemaal zoveel voor het werk krijgt, dan zit je als galeriehouder met een probleem. “Wat is de prijs die hij nu gaat vragen voor het volgende werk van deze schilder?” Ik geef toe: dit is een frustrerende bedoening. Gelukkig heeft de criticus van die marktsituatie geen last. Of toch? Ja hoor, ik heb een hartsgrondige hekel aan die marktmechanismen, aan dit speculeren met kunst. Kunst wordt op deze wijze elitair, discrimineert, krijgt on long terms het deksel op de neus. De jonge kunstenaar komt tussen twee stoelen te zitten: indien hij te laag prijst, wordt zijn werk niet als “vol” aangezien, noch door de koper (zelfs niet door hem die de hoge prijs niet aankan, ja, ja), noch door de criticus die zich afzet tegen het elitaire aspect van de kunst. Wanneer de prijzen de pan uitvliegen, wordt kunst uitsluitend nog een belegging voor “rijke mensen”, meer bepaald voor de nouveaux-riches”.
Hoe moet volgens mij een goede galeriehouder te werk gaan? Hij begint b.v. met twee jonge kunstenaars. Ik weet het: hiervoor is plicht en verantwoordelijkheid nodig. De naam die de galerij heeft, slaat over op de jonge kunstenaar: koopt men voor de kwaliteit van het werk van die kunstenaar of koopt men uit vertrouwen voor de galerij? De galeriehouder mag geen misbruik maken van deze situatie. Dit zou zijn symbolisch kapitaal naar beneden halen. Wat hij heeft opgebouwd, moet hij ook zien te houden. Dit wordt dus een evenwichtsoefening. De galeriehouder is een evenwichtskunstenaar.
Kunstenaars zijn een exponent van het vrije denken. Dit heeft niets te maken met zijn religieuze of filosofische ingesteldheid. Toch kan ook hij niet ontsnappen aan de tijdsomstandigheden of het politiek, economisch, filosofisch of godsdienstig systeem waarin hij werkt. Zolang hij zich niet (of zo weinig mogelijk) aan dit systeem verkoopt, komt zijn vrije denken niet in de verdrukking.
3. Ja, goed, ik hoor het jou al vragen: “Kunst en geld: contradictio in terminis?”
De relatie tussen kunst en geld heeft verschillende gezichten. Aan de ene kant schreeuwen kunstenaars en kunstminnaars hun verontwaardiging uit over de commercialisering van de kunst en aan de andere kant wijzen economen en managers uit het bedrijfsleven op de noodzaak aan een coherent kunstbeleid met aandacht voor cash flow en rate of return. Dreigt de kunst te verstikken onder druk van marketing, budgetten en winstmaximalisatie? Raakt de kunst besmet door economische principes? Of reikt de vrijemarkteconomie mogelijkheden aan die de kunst kunnen bevorderen? Vragen voor een breed maatschappelijk debat.
Dit debat wil ik op gang schieten met enkele bedenkingen. Wie zegt dat de prijs voor de consument ontzettend laag is en dat de waarde van kunst de waarde van het geheugen van de geschiedenis is, verkoopt bullshit! Kan de kunst slechts succesvol zijn indien ze kan inspelen op de vraag van de consument? Ja! Akkoord, er bestaat nog een ‘middenveld’: een institutioneel kader dat moet worden ‘bespeeld’. Zinvol! Ik verzet mij echter tegen de tendens dat kunst ondergeschikt moet worden gemaakt aan het economisch systeem. De autonomie van de kunst is primordiaal en de economie moet die autonomie respecteren.
Welke waarde heeft de kunst?
Er zijn twee manieren om de waarde te bepalen: enerzijds is de waarde afhankelijk van de hoeveelheid arbeid en kapitaal en anderzijds is de waarde afhankelijk van het nut dat de consument aan het werk toekent. De eerste benadering levert problemen op: een (beeldend) kunstwerk is meestal een uniek object dat niet vatbaar is voor reproductie. Bovendien is het op één ogenblik ontstaan uit de creatieve arbeid van één arbeider-kunstenaar. De kunstenaar maakt steeds een nieuw uniek object, zodat vergelijking met de inspanningen geleverd voor eerdere werken niet relevant is. Een grotere inspanning in termen van arbeidsuren garandeert niet dat het kunstwerk meer waarde zal hebben. De kostprijs staat dus niet garant voor de waarde. Ook bij de tweede benadering gooit de uniciteit van het kunstwerk roet in het eten: indien voor een kunstwerk op een bepaald ogenblik een bedrag X geboden wordt, leert ons dat iets over de bereidheid tot betalen voor dat kunstwerk op dat ogenblik. Dat is alles. De artistieke waarde van een kunstwerk is niet gelijk aan de economische waarde van het kunstwerk. Kostprijs noch marktprijs geeft uitsluitsel over de artistieke waarde van kunst. De veilingprijs echter kan een indicator zijn van de artistieke waarde van het kunstwerk, maar alleen omdat de artistieke waarde mee aan de basis ligt van deze veilingprijs.
Kortom: kunst en geld lijken zich slechts dan te kunnen verdragen wanneer economische overwegingen niet in de weg staan van een ruime stroom financiële middelen naar de kunstwereld. Economie wordt in deze gedachtegang gelijk gesteld aan (omgaan met) geld, de grote gelijkmaker. Geld maakt kunst alledaags, gewoontjes. Geld ontneemt kunst haar intrinsieke waarde.
Mijn vraag en deze van de meeste kunstliefhebbers luidt echter: “Kan de economische waarde van kunst worden gemanipuleerd?” De consument aanvaardt niet dat er een discrepantie bestaat tussen de economische waarde en hun esthetische waardering. Heeft hij/zij gelijk?
Enerzijds heeft hij/zij voor een groot deel van de kunst gelijk en anderzijds is economische manipulatie geen uitzonderlijke handeling maar de algemene regel van ons Westers systeem. Volgens mij heeft de kunstenaar iets van de wetenschapper en iets van de knutselaar. Door middel van handwerk vervaardigt hij immers een stoffelijk voorwerp, dat ook een object voor het kennen is. De wetenschapper brengt gebeurtenissen tot stand (hij verandert de wereld) met behulp van structuren, de knutselaar brengt structuren tot stand met behulp van gebeurtenissen. Anders gezegd: de kunstenaar-knutselaar beoefent een vorm van ‘wild denken’ en de geleerde-knutselaar behoort tot het ‘denken dat getemd is om rendement af te kunnen werpen’.
De vraag blijft: “Wat is de economische waarde van kunst? Is kunst niet duur? Te duur?”
De definitie van wat kunst is, gebeurt vandaag niet meer op basis van intrinsieke kwaliteiten, maar van institutionele. Het kunstwerk is kunst omdat het tot de kunstwereld behoort, b.v. tot het museum. Misschien moeten wij de vraag: “Wat is kunst?” vervangen door “Wanneer is een kunstwerk kunst?” Wanneer het in een museum hangt? Of in een galerij? Wanneer het van goede smaak getuigt? Wat is goede smaak en wat is slechte smaak? Zijn uitingen van smaak de bevestiging van iemands positie en vooral van zijn beweging op de maatschappelijke ladder? Hoe hoger op de maatschappelijke ladder hoe groter de kans dat iemand goede smaak heeft. Bullshit! Toch: men trekt zich graag op aan de groep boven zich, want die heeft een goede smaak. Is het niet? De (kost)prijs van kunst hangt af van het oordeel over goede smaak. Is dit oordeel algemeen, dan wordt het kunstwerk kunst en kan zijn prijs worden bepaald. Dit mechanisme noemen wij de algemene waardenoriëntatie. Deze kan veranderen wanneer het algemeen oordeel over goede en slechte smaak zich wijzigt.
Het is duidelijk dat economie en kunst niet zonder elkaar kunnen, maar die liefde verloopt niet altijd probleemloos. Kunst heeft immers steeds in een bepaalde mate autonomie. Absolute autonomie is kunst van autisten, maar een relatieve autonomie is een voorwaarde. Niet-autonome kunst is toegepaste kunst. Dit wil niet zeggen dat de kunstenaar geen oog moet hebben voor de wetten van de economie. Hij leeft immers in een maatschappij met een huiselijk reglement, met name de economie.
Wat denk ik er zelf van? Ik meen dat economie veeleer moet investeren in kunsteducatie zodat het publiek beter kunst begrijpt. Geld en kunst hebben een relatie, dit is onvermijdelijk, maar indien de economisten en de managers een betere kritische kennis van kunst zouden hebben, zou die relatie vlotter verlopen. Bovendien moet de overheid guller investeren in onderwijs: in elke studierichting vanaf de tweede graad van het secundair onderwijs zou een kunstvak moeten voorkomen. Een kunstvak in de opleidingen economie en een economievak in het kunstonderwijs zou een eerste stap kunnen zijn.
4. Stel jij ook vast dat destructie het basisprincipe van de 20ste-eeuwse kunst was (is)?
De moderne kunst werd bij het begin van de 20ste eeuw uit een big bang geboren. Een aantrekkelijk uitgangspunt dat recht doet aan de branie waarmee de pioniers een afbraak van de oude waarden en de idee van een maagdelijk nieuw begin propageerden. Destructie, deconstructie en creatie vormden een ijzersterk span. Voor verschillende generaties is het tot over de drempel van de 21ste eeuw de belangrijkste motor van de artistieke schepping gebleven (het postmodernisme inbegrepen).
Een terugblik.
Parijs was vanaf het einde van de 19de eeuw tot aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog de belangrijkste draaischijf van de avant-garde, om het met een vandaag totaal in onbruik geraakte term te zeggen. In mei ’68 was Parijs het centrale epicentrum van een originele revolte die alle macht voor de verbeelding opeiste. Zonder het gedachtegoed van mei ’68 zou een lichtvoetig, transparant, democratisch en vooruitstrevend cultuurcentrum als het ‘Centre Pompidou’ (1977) nooit opgericht zijn.
Destructie en creatie zijn gelden als de basisprincipes van de 20ste-eeuwse kunst. Allerlei stromingen getuigen daarvan. We denken aan: het expressionisme met zijn vervormde figuren, de deconstructie in het kubisme, de dynamitisering van de vorm in de abstracte kunst, de grote schoonmaak in anarchistische zin door dadaïsten, in strikt rationalistische zin bij de geometrisch-abstracten, de automatische schriftuur en de spotgeest van de surrealisten, de verheerlijking van afvalstoffen en van de massacultuur bij de popart, de relativering van de vorm door de conceptuelen en het oneigenlijke gebruik van de massamedia bij actuele kunstenaars.
In de 20ste eeuw volgden nieuwe richtingen elkaar in snel tempo op. Filosofisch zou ik die voorbije tijdsspanne veeleer comprimeren tot een aantal kernbegrippen, zoals destructie, constructie/deconstructie, archaïsme, seks, oorlog, subversie, melancholie, herbetovering (réenchantement).
Neem nu het geval Picasso (1881-1973). Een reus van een kunstenaar, maar ook een onverbeterlijke macho en een vrouwenvernietiger. Ook in zijn werk: de manier waarop hij het vrouwelijke lichaam deerlijk vervormde en aan stukken trok. Op vlak van deconstructie volgde Matisse (1869-1954) veeleer schoorvoetend. Grafisch was hij echter ruim de gelijke van Picasso en puur coloristisch overtrof hij hem zelfs. Eleganter, decoratiever en zachter dan welk werk van Picasso ook. Picasso’s eruptieve kracht lag elders. Hij haalde het lichaam uiteen om het op een goddelijke manier opnieuw in elkaar te zetten (‘Femmes devant la mer’). Overtrad het seksuele taboe met een maximum aan expressie (‘La pisseuse’, 1965). Greep terug naar de primitiefste beeldtaal om er hybridische wezens mee te maken (‘L’acrobate bleu’). Bedreef de subversieve vervorming van de figuur om lucht te geven aan zijn brutale gevoel voor het groteske (‘Le chapeau à fleur’).
Om de onttovering van het lichaam te tonen, heb je niet alleen topwerken nodig, zoals de bevreemdende, ontmenselijkte lijven van Francis Bacon, Willem de Kooning of Thomas Schütte. Die zien er nog overtuigender uit in het gezelschap van de doorschijnende ijlgestalten, zwevend boven de nachtelijke stad op een schilderij van Daniel Richter dat niemand kent (‘Duueh’, 2003).
Aan het eind van de 20ste eeuw valt dan toch het begin van een ‘herbetovering’ (réenchantement) te bespeuren. Zo begon een eeuw, die op 11 september 2001 al een big bang van formaat te verwerken kreeg, toch nog in het teken van de spiritualiteit en de hoop.
Ik stel vast dat de mens in het algemeen en de kunstenaar in het bijzonder zich bewust zijn (worden) van hun aardse opdracht, met name het mensdom te ontvoogden, het te bevrijden van het juk van absolute vorsten, zowel in geestelijke (het verdoezelen of vervormen van waarheid) als in politieke zin (de geproclameerde verknechting). De kunstenaar moet voorgaan in een zachte oorlog tegen veinzerij, kitsch, buitensporigheid en boerenbedrog. Hij is een kruisvaarder die waarheid, kracht en schoonheid uitdraagt. Althans, dit hoop ik.
5. Wat mij troost brengt in deze discussie is de vaststelling dat kunst energie én metafoor is
Als Joseph Beuys (1921-1986 – Duits beeldend kunstenaar bekend om zijn conceptuele kunst) zegt: ‘Elke mens is een kunstenaar’, dan bedoelt hij dat iedereen het potentieel heeft om kunstenaar te zijn. Ik geloof dat hij wil zeggen: het herkennen van wie je bent, van je identiteit, je mogelijkheden en daar vorm aan geven.
Het feit dat je bestaan en je manier van vorm geven aan de dingen gelegitimeerd wordt op grond van je natuur en niet op grond van een diploma. Dit is eigenlijk kunstenaar zijn. Ik ben het met Beuys eens.
Kunst kan zo intens zijn, dat de esthetica achteraf komt. Bij anderen ligt de esthetica voorop. Bij nog anderen is het een en al wispelturigheid. In hun ideeën, hun themaontwikkeling. De meeste kunstenaars zijn zeer gecompliceerd en zoeken naar dingen, stelen, verbergen en camoufleren.
De kunstenaar zoekt naar ‘overleving’, naar ‘eindeloosheid’. Ik geloof dat ‘eindeloosheid’ bij elke kunstenaar die weet dat hij gelegitimeerd is, aanwezig is. Dit is bijna een reactie op de limieten die hij heeft.
Het perspectief van het einde maakt de kunstenaar. Vanuit dit perspectief kun je je wel degelijk inleven in zijn verlangen naar puurheid van kleur en licht.
Ik geloof dat ook alleen maar kunstenaars een streep kunnen trekken onder hun publieke rol. Dichters kunnen dit. Schrijvers kunnen dit. Die kunnen in het grootste isolement verder leven.
Vandaar een reden waarom sommigen hun helden zoeken in de wereld van de kunst. Sommige kunstenaars zijn misschien geen helden, maar ze hebben dan toch nagedacht over het begrip. Ook al camoufleren zij dit. Maar de held zit onderhuids in hun beste werken. Het heldhaftige, het tragische van de held.
De kunst geeft een grote steun aan de eindigende mens. Vooral de kunst met een sterke structurele energie. Of met een meditatief klimaat. Dit geeft ruimtelijkheid. Kunst betekent altijd: geen angst voor de dood. Een dialoog met de dood. De dood begrepen als energie. De dood is de impuls, omdat je weet dat je het allemaal moet doen voor je dood bent. Het perspectief van de dood geeft je energie. Dit geldt voor ieder van ons. Kunst nestelt zich in de manier waarop je de verbondenheid tussen leven en dood beleeft. Vandaar dat kunstenaars en kunstfanaten overdreven met kunst bezig zijn.
Overdrijving en levensdrift, waarbij de dood op een mooie afstand wordt gehouden.
Het lichaam is bovendien altijd de belangrijkste metafoor geweest in de kunst. Ook voor mij. Van de metafoor van het lichaam naar de held in de kunst is niet zo’n grote stap. Vechten om te overleven. Schrijven, tekenen, schilderen, beeldhouwen, componeren om te overleven. Dit is bijna een paradox. Zich met kunst bezighouden is onuitputtelijk. Dit is tegelijk het begin en het einde van alles. Het is de contaminatie van alle intensiteiten, die in verschillende richtingen verloopt, en zich dan opnieuw samenbalt. Dit is kunst voor mij. Al de rest is larie. Met respect.
Kunst is niet alleen energie maar ook metafoor.
Een kunstenaar beroert mij wanneer hij schilderijen en tekeningen maakt waarin gebeurtenissen/gevoelens veeleer metaforisch dan letterlijk worden uitgebeeld en geïnterpreteerd. Een echte kunstenaar denkt eerst broedend na en pas dan rukt zijn verbeelding over verschillende fronten op: uit het nadenken ontstaan verhalen zowel als beelden die elkaar onderling kunnen bevruchten. Het lichaam (in zijn breedste betekenis) komt er aanbeden, opgesmukt, verkracht, verminkt of verrezen uit. De spontane aanwas van betekenissen die de beschouwer aanbrengt, beschouwt de kunstenaar als een verlevendiging van zijn werk. Dit is de interactie in de kunst.
Kunst kan (moet) openbarend, direct, ritualistisch, licht ironisch zijn en toch sereen. Of de verbeelding aan de macht in al haar facetten: lief, verleidelijk, listig, gemeen, zacht, driftig. Verbeelding is geslachtloos, schroomvallig, kwetsbaar, pudistisch, intelligent en humoristisch. Wanneer de verbeelding moralistisch wordt, werkt zij contraproductief. Zij verliest haar invloed, zij behoudt slechts de fantasie van haar verpakking.
Kunst is metafoor. Kunst zonder metafoor is hyperrealistisch. Of massahysterie, lees: het product van commercialisering en mediatisering, van critici die ‘meehuilen met de wolven in het bos’.
Poëzie en beeldende kunsten zijn uitgesproken metaforische kunsten. Dat sommige kunstenaars er anders mee omgaan is hun keuze. Toch begrijp ik niet altijd - en steeds minder - waarom zij aan fotorealisme (om één voorbeeld te geven) andere verdiensten toekennen dan het louter métiermatige.
Vele dichters zijn gefascineerd door de verhouding tussen taal en wat zij eigenlijk willen zeggen (of de relatie tussen taal en werkelijkheid, of beter: voor de vaak als pijnlijk ervaren afwezigheid van deze relatie). Zij constateren dat diezelfde taal het aflegt. Het woord schiet te kort, omdat het nooit samenvalt met het gevoel of met een aspect van dit gevoel, maar er slechts naar verwijst.
Maar tegelijk stelt het taalmeesterschap van de dichter hem in staat op de wijze van de poëzie, dus met diezelfde woorden, glashelder te formuleren wat per definitie duister en dus onbereikbaar is. En hoe kan hij dit beter doen dan met de metafoor?
De dichter doet bij herhaling pogingen eeuwig te maken wat aan vergankelijkheid onderhevig is, stil te leggen wat in voortdurende en niet te stoppen beweging is.
In dit licht is het niet verwonderlijk dat de dood, de volmaakte, want definitieve sloper, een centrale rol speelt in het werk van de dichter.
De problematiek van tijd en eeuwigheid én de rol die de taal daarin kan spelen, houden de dichter bezig.
Poëzie is niet gemakkelijk, integendeel: zij is hermetisch, vol met duistere referenties en allusies, paradoxaal, ambigu, polyinterpretabel. Poëzie is in haar diepste wezen altijd moeilijk, ze is dat altijd geweest en zal het altijd blijven. Ik wil hiermee zeggen, dat het verwijt van onbegrijpelijkheid, van duisterheid, niet eerst met de hermetische kunst in de wereld is gekomen. Men heeft altijd moeten wennen aan een andere wijze van zeggen, van zien, van waarnemen. De welwillende lezer - dat wil zeggen degene die bereid is het onbekende niet a-priori als waardeloos te verwerpen - doet pogingen om een nieuw kader te scheppen waarin het onbegrepene wordt omgezet in het begrijpbare. Wie meent in een oogwenk lyrisch ontroerd te worden, koestert verkeerde illusies. Wanneer het na enige tijd én de nodige moeite duidelijk wordt volgens welke regels het spel gespeeld moet worden, ontstaat eren precair, wankel evenwicht tussen dichter en lezer. Dit spanningsveld in het literaire verkeer wordt door de metafoor fascinerend maar niet langer onbegrijpelijk.
Deze beschouwingen gelden ten dele voor de plastische kunsten. Nemen we het tekenen als voorbeeld. Tekenen is toch de meest directe beeldscheppende vorm. Haar volkomen vrijheid, haar autonomie, haar creatieve betekenis, haar communicatieve waarde, haar geestelijke geconcentreerdheid, haar ruime mogelijkheden dankt de tekening aan de uiterste eenvoud van haar eerste uitdrukkingsmiddel: de lijn. Met deze lijn wordt de vorm van het object omschreven. Schaduwen en toonwaarden worden eraan toegevoegd door arceren en wassen. Dat is “beeldende taal”. Of “beeldende taal” in relatie met wat de kunstenaar maximaal wil zeggen. En hoe kan jij dat beter doen dan met de metafoor?
Er is immers geen beter werktuig dan de metafoor om kernachtig en direct zijn gewaarwordingen, zijn inzichten en dromen in inventieve vormen uit te schrijven. De metafoor helpt de kunstenaar om het essentiële van wat hij “ziet”, van wat hij denkt, van wat hij betracht, van wat hem ontroert, kortom, van wat hij innig beleeft, maximaal tot uiting te brengen.
Om te besluiten wil ik nogmaals poneren dat volgens mij de schoonheid van een kunstwerk niet wordt bepaald door de natuurgetrouwe weergave waarmee de kunstenaar de werkelijkheid kopieert. In esthetisch opzicht kan een werk mooi zijn door de kleurharmonie, de verhouding, de compositie. In geestelijk opzicht is het de mate van zegkracht: hoe sterk drukt de kunstenaar zijn innerlijke en uiterlijke wereld uit? En dat hangt in grote mate af van de metafoor.
Kunst is geen kunst bij namaak, valsheid, wanverhouding, technische onkunde, karakterloosheid, fantasieloosheid.
Net zoals in de namaakantiek worden kitschschilderijen aan de lopende band gemaakt. Kitsch. Mooie kitsch voor wie dit mooi vindt. En ik zeg dit niet minachtend.
En… hoe zit het met de literaire kritiek?
Wat mij opvalt is dat de bijlagen bij kranten zich niet langer uitsluitend richten op de literatuurliefhebber, maar op het brede publiek. En dit heeft zo zijn consequenties.
Het grootste slachtoffer is de poëzierecensent en uiteraard de dichters zelf. Het wordt steeds duidelijker dat uitgevers en boekhandelaars streven naar een rendement op korte termijn. Hierdoor wordt de omloopsnelheid van een boek sterk verhoogd. In de voorpropaganda en de reclame ligt de nadruk op die paar boeken waarvan op korte termijn een maximum aan commercieel rendement verwacht kan worden.
Is deze evolutie onafwendbaar? Wie zal daar verandering in kunnen brengen? Misschien de poëzielogs. Ik denk aan een hele reeks interactieve nieuwsgroepen over literatuur, aan online poëzietijdschriften en aan tal van websites van poëzieliefhebbers en dichters. Bovendien heeft het internet het voordeel van de snelheid.
Gedichten en recensies van mijn hand worden met een regelmaat geplaatst in “De gekooide roos” (N), “Dichtersweb” (N), “Het gedichtenplein” (N), “Het Hemelbed”, “Het muzenkoeriertje” (N), “Het Prieeltje” (N), “Het verboden evangelie van de dichter” (N), “Meander” (N), “OpSpraak” (N), “Parlando”, “Papaver” (N), “Poetry Alive!” (N), “The Razor”, “Writers Block magazine” (N).
Indien de literaire kritiek zijn weg vindt naar het internet, rijst een probleem voor de literaire tijdschriften. Wat als het Fonds ook online-initiatieven zal stimuleren?
In welke gedaante ook, op papier of op het scherm(pje), de literaire kritiek hoeft zich inhoudelijk niet aan te passen. Ook over de wijze waarop (Hoe? Vanuit welk oogpunt?) wordt al decennia lang gediscussieerd. Ik heb daar mijn mening over en altijd heb ik als recensent en/of inleider van tentoonstellingen die benadering toegepast.
Thierry Deleu
(natuurgedicht)
Het landschap kan er niets aan doen.
De bomen dragen geen schuld.
Het heen en weer zwaaien van takken (als een nee)
zou niet geholpen hebben, hoe heftig ook,
ook het gras dat onbedachtzaam over stenen groeit
doet dit niet om dat te verbergen.
Overal is licht. Er is altijd genoeg schaars licht geweest
om de dingen onder ogen te zien, zelfs in duisternis,
en dat doen de sterren. Van bovenaf worden
hun lichtstralen zichtbaar op de aarde geworpen.
De maan die deze nacht naar een halve cirkel draait
is nergens oorzaak van. Hij weet niet beter.
Nooit droeg het landschap schuld aan wat wreedaardig
met wortels en al in onmacht uit de bodem werd gerukt.
De natuur kijkt nooit achterom naar haar eigen verdwenen
schaduwen van vroeger, met gevoelens van spijt. Achteraf.
Hannie Rouweler
www.hannierouweler.be
29 juni 2009
Eerbetoon aan Anton van Wilderode
Via Godsheide
terug naar het land van de wortelstok
waar ik hem, de dichter Anton van Wilderode, zag zitten
achter een bureau
in een wit huis met kleine ramen naar de tuin.
Het bezoek aan zijn geliefd Waasland met peppels
in lange rijen had me zo diep geraakt
dat ik terugkeerde, jaren later, besloot te blijven
bij een dichter
die net als hij weinig woorden had, om veel te zeggen.
Ik noem het maar het zwijgen van zwarte raven
die langs de kant van de Demer rondfladderen.
Was het niet de liefde die me hier bracht,
fietsend over Gods wegen van Diepenbeek
naar Godsheide op deze warme zomeravond
langs weilanden met paarden en
koeien die loom onder de schaduw van een boom
bij elkaar lagen,
ik was elders gebleven waar ook een dalende
zon de akkers bestreek met een warme avondgloed.
In de brede sterrenhemel in het noorden
bestond op het laatst alleen kilte en afwezigheid.
Geef mij de nacht, sterren
boven de akkers van Godsheide
want ze voorspellen wat je hebt gemist.
Hannie Rouweler
Uit: Nieuwe gedichten (2009)
Demer Uitgeverij
27 juni 2009
Het is zover.
Het bevat een selectie van de ingezonden gedichten (24) en 6 sfeerbeelden van fotograaf Richard De Nul.
De prijs is 7 €.
Ook het gedicht "Doel-gericht" van onze eindredacteur is erin opgenomen.
Indien je een of meerdere exemplaren wenst, dan kun je de bundel(s) bestellen bij Frank De Vos -rekeningnummer is 220-0508139-89.
http://www.frankdevos.be/
Aanbevolen!
Al zou een ziel zijn als een zomerdag
ze knaagden aan de lach,
het derven van steeds weer elke kleur
wat geeft het anders dan gezeur,
waarvan ooit iets bekoorde
geen enkel ander dan ‘t ene toebehoorde.
Al zou een ziel zijn als een zomerdag
ze knaagden knaagden aan de lach
en toch blijft tij en tijd gestaag
steeds zijn oude wil ontwaken,
om weer als vriendelijk milde
een gloed welke gloort te slaken.
Annemieke Steenbergen-Spijkerman
Gastredacteur (zie linkerkolom) JORIS IVEN opent onze rode ruimte voor dichters en schrijvers van goeden huize!

Deel 1 (eerste week juli)
Ik ben de eerste gastredacteur van De Geletterde Mens, en dat is natuurlijk een hele eer. Maar hoe vul je een dergelijk gastredacteurschap in? Het antwoord dat ik hierop kreeg was: je krijgt carte blanche.
De vraag die ik mezelf dan stelde was: hoe is mijn dichterschap en mijn vertaalwerk van poëzie eigenlijk gegroeid? Waar komt het uit voort?
Ik ben in 1954 geboren in Diepenbeek, een plattelandsgemeente met zowat 18 000 inwoners die tussen Hasselt en Genk ligt. Ik heb middelbaar onderwijs gelopen bij de Broeders der Christelijke Scholen in Bokrijk, Genk. In die school, die in de jaren zestig bekend stond om zijn alternatieve broeders en zijn alternatief onderwijs (“projectonderwijs”), is mijn interesse voor de literatuur en de poëzie ontloken.
Ik keek er bijvoorbeeld naar uit om strafwerk te krijgen en mijn strafwerk bestond altijd uit het schrijven van een opstel. Een opstel over een “onderwerp naar keuze”. Ik kreeg carte blanche! In die jaren waren nog schriftjes in gebruik ter grootte van een halve A4 en die telden 36 bladzijden. Een dergelijk schriftje schreef ik dan helemaal vol als strafwerk. De opstellen hadden titels als “De pet van mijn opa”. Veel later, toen ik aan de universiteit zat, vernam ik dat de leraar die me strafwerk had gegeven, het opstel nadien altijd voorlas in de lerarenkamer. Ik had in mijn jonge jaren een zeker gevoel voor humor.
Uit die tijd herinner ik me ook nog de lessen Middelnederlandse literatuur. Dat was poëzie! In die lessen leerden we dat wat in het Middelnederlands werd geschreven als “ij” moest worden uitgesproken als “ie”. Daar werd erg de nadruk op gelegd. En zo schreef ik mijn eerste gedichten over “de Broeder met de lange pij”. Die gedichten – een hele reeks – werden dan stiekem doorgeschoven van de ene bank naar de andere.
Het was het jaar 1970. Ik was zestien. In de Limburgse steenkoolmijnen heerste een staking met als eis 10% loonopslag. Dit was een erg tumultueuze staking met gevechten tussen de mijnwerkers en de toenmalige rijkswacht. Die staking had plaats bij de mijnen van Winterslag, een drietal kilometer van Bokrijk, Waterschei, een vijftal kilometer van Bokrijk, en bij andere mijnbekkens die verder weg lagen. Ik was redacteur van een studentenblaadje en riep daarin op om de mijnwerkers te steunen – “studenten, arbeiders, één front”. Alle scholieren werden uit de klassen gehaald en we trokken op naar de mijn van Winterslag, waar mijn oom werkte als mijnwerker. Op weg naar de mijnwerkerswijk van Winterslag bleek dat de rijkswacht een cordon sanitaire rond de steenkoolmijn had aangelegd, waar de solidaire arbeiders van andere fabrieken niet doorheen konden komen. Ook wij als scholieren konden er niet doorheen komen. In een woonwijk tussen Bokrijk en Winterslag, met name Boxbergheide, werd onze optocht tegengehouden en raakten alle scholieren verspreid. Uiteindelijk bleek ik in mijn eentje toch de mijnwerkerswijk van Winterslag te hebben bereikt. Ik was gedwongen om er enkele dagen te blijven, want ik kon ook niet meer uit Winterslag wegkomen. Daar ontmoette ik mijn oom, een vakbondsafgevaardigde van het ABVV, en Jef Ulburghs, de latere oprichter van de Wereldwinkels, en Ludo Martens, de latere voorzitter van de maoïstische beweging AMADA, en zo vele anderen. Mensen met namen als Memet, Erdogan, Mustafa, die van Turkse of Marokkaanse afkomst waren en die naar de Limburgse mijnstreek waren gekomen om werk te verrichten dat de meeste Belgen niet meer wilden doen. Ik kende wel scholieren van Italiaanse, Spaanse, Griekse of Poolse herkomst, maar hier leerde ik eerste generatie gastarbeiders kennen die uit heel andere landen kwamen. Die enkele woelige dagen die ik doorbracht in Winterslag, bleken later een grote invloed te hebben op mijn literaire activiteiten.
In 1972 begon ik aan mijn studie toegepaste economische wetenschappen aan de universiteit Hasselt. Het eindwerk, dat ik in 1976 afleverde, had de titel De staking van 1970 in het Kempisch steenkoolbekken en dat werkstuk was goed voor een onderscheiding. In 1976 begon ik aan mijn studie politieke en sociale wetenschappen aan de universiteit Antwerpen. In die Antwerpse studieperiode was ik voortdurend bezig met het schrijven van een roman, terwijl ik vooral poëzie las. In mijn onvoorstelbare honger naar gedichten werd ik alle kanten uitgedreven. Ik verslond het werk van de Chileense dichter Pablo Neruda, ik dweepte met de poëzie van de Peruviaan César Vallejo, enzovoort. Ik moest natuurlijk Spaans gaan studeren om deze poëzie in de originele taal te kunnen lezen. En zo schreef ik me in aan de hogere handelsschool in Genk, waar ik in de avonduren twee maal per week Spaanse les kon volgen.
We zijn nu eind de jaren zeventig (van de vorige eeuw). Zaterdagochtend ging ik altijd naar de betere boekhandel in Hasselt. Een daar stootte ik op een Duitse vertaling van een keuze uit het werk van de Turkse dichter Nâzim Hikmet, Sie haben Angst vor unseren Liedern/Türkülerimisden korkuyorlar, uitgegeven door de Türkischer Akademiker- und Künstlerverein e.v. Ik was meteen gedichten uit het Duits beginnen te vertalen en kocht vervolgens alle boeken van Nâzim Hikmet die in het Duits, het Frans en het Engels waren vertaald. Ik vergeleek al die vertalingen met elkaar om tot een zo betrouwbaar mogelijke vertaling in het Nederlands te komen. Maar terwijl ik hiermee bezig was, besefte ik dat een vertaling die niet rechtstreeks uit de originele taal voortkomt geen goede vertaling kan zijn. Er was geen andere mogelijkheid dan Turks te gaan studeren. En dat kon in Limburg, meer bepaald in Beringen! Naast de studie Spaans kon ik er ook wel de studie Turks bijnemen.
Maar wat bleek?! Mijn collega studenten Turks waren één non en twee BOB’ers. Met deze collega studenten zag ik het niet zo goed zitten en ik zette deze studie dan ook vroegtijdig stop.
Via een vriend leerde ik vervolgens Perihan Eydemir kennen, een meisje van Turkse herkomst, die uit Emirdag kwam, die met haar ouders in Antwerpen woonde, die aan de universiteit in Limburg geneeskunde studeerde en die een Turkse kennis had in Brussel die over het verzameld werk van Nâzim Hikmet beschikte! Het werk van Nâzim Hikmet was in Turkije verboden en was uitgegeven in het toen nog communistische Bulgarije, meer bepaald in Sofia, in 1968. We konden meteen beschikken over het verzameld werk van Nâzim Hikmet, de Bütün Eserleri. Stel je voor!
In plaats van naar de Turkse les in Beringen te gaan, maakte ik met Perihan Eydemir de afspraak dat zij één avond per week naar thuis kwam en dan vertaalden we samen gedichten van Nâzim Hikmet. Daaruit vloeide mijn eerste poëziepublicatie voort: Nâzim Hikmet, Turkse gedichten, Masereelfonds, Gent, 1981.
We hadden enkele honderden bladzijden poëzie van Nâzim Hikmet vertaald, maar toen bleek dat de uitgaven van het Masereelfonds slechts 64 bladzijden mochten tellen. We hebben daarna nog regelmatig gedichten in tijdschriften gepubliceerd, maar in 2001 kwam het bericht van Koen Stassijns en Ivo van Strijtem dat zij bereid waren De mooiste van Hikmet uit te geven in hun prestigieuze reeks bij de uitgeverijen Lannoo en Atlas.
Ik ging meteen weer op zoek naar Perihan Eydemir, die met een Nederlander was getrouwd en in Eindhoven woonde. Maar echtpaar en kinderen waren verhuisd en ik kon hen niet meer vinden (in Nederland?). Toch wilde ik dat de vertaling nog eens objectief werd nagelezen en er moest trouwens een inleiding worden geschreven door een professor. Zo kwam ik op het spoor van Memet Emin Yildirim, professor Turkse literatuur aan de universiteit van Leiden. Een leeftijdgenoot van me, met wie ik erg goed kon opschieten. Hij las de vertaling na, bracht de Turkse originele teksten aan en schreef de inleiding. Zo kon in 2003 de bundel De mooiste van Nâzim Hikmet verschijnen, in vertaling van Perihan Eydemir & Joris Iven, met een inleiding van Memet Emin Yildirim, bij uitgeverij Lannoo/Atlas. En op 17 januari 2007 verscheen de bundel opnieuw in een uitgave van de krant De Morgen.
Hier komt een gedicht uit deze vertaling.
*
Mijn land. Ik hou van mijn land
Mijn land. Ik hou van mijn land:
in zijn platanen heb ik geschommeld, in zijn gevangenissen heb ik geleefd.
Niets breekt de verveling beter
dan de liederen en de tabak van mijn land.
Mijn land:
Bedreddin, Sinan, Yunus Emre en Sakarya,
loden koepels en fabrieksschoorstenen zijn het werk van mijn volk,
mijn volk dat achter zijn hangende snorren lacht
en zo zijn lach haast voor zichzelf verbergt.
Mijn land.
Wat is mijn land uitgestrekt:
voor wie er door reist lijkt het eindeloos, onuitputtelijk.
Edirne, Izmir, Ulukesjla, Marasj, Trabzon, Erzurum.
De hoogvlakte van Erzurum ken ik van haar liederen,
en dat ik niet één keer zuidwaarts
de Taurus overstak
om de katoenplukkers te bezoeken
beschaamt me zeer.
Mijn land:
kamelen, treinen, auto’s van Ford en zieke ezels,
populier,
wilgenboom
en rode aarde.
Mijn land.
De forel die van de dennenbossen, van de zoetste waters
en van de bergmeren houdt,
en die een pond zwaar,
met rode vlekken op zijn zilveren, ongeschubde huid,
zwemt in het Abantmeer van Bolu.
Mijn land:
de geiten op de vlakte van Ankara:
de glans van hun lichtbruine, zijden, lange haren.
De zware, vette hazelnoot van Giresun.
De heerlijke geur en de rode wangen van de appels van Amasya,
olijven
vijgen
meloenen
en de kleurrijkste
druiventrossen
en dan de zwarte ploeg
en dan de zwarte runderen
en dan mijn mensen: vooruitstrevend, mooi, goed
bereid om alles aan te nemen
met de vreugde van een opgetogen kind
vlijtig, eerlijk, moedig
half hongerig, half voldaan
half slaaf…
*
We zijn nu 2008. Mijn vrouw, Hannie Rouweler, stelt een bloemlezing samen met gedichten van Limburgers en gedichten over Limburg, geschreven door niet Limburgse dichters; en dit ter gelegenheid van de herdenking van de scheiding van Nederlands en Belgisch Limburg. Hannie vroeg me dan om ook een gedicht te schrijven voor die bundel, die Langs beide oevers van de Maas zal heten.
Ja, ik dacht, ik zal een gedicht schrijven over iets wat beide provincies Limburg gemeen hebben en wat hen historisch verbindt: de steenkoolmijnen.
In december 2008 schreef ik dit gedicht, dat in september of oktober 2009 in de bundel Langs beide oevers van de Maas zal verschijnen. Hier komt de voorpublicatie!
*
Mijnwezen, mijn wezen
Hier werd gewerkt met panzers, afbouwhamers,
en trommelsnijmachines, hier waar de ondergrond
wordt gevormd door steenkool, stof en steen. In
deze aarde daalde mijn oom af, en mijn opa en
allen die hen zijn voorgegaan. Luister, hier wil ik
graven tot iets zich blootlegt en ontvouwt, iets wat
mij met hen verbonden houdt. Oom Jef, zeg maar,
wat je was: mijnwerker, koolputter, kompel.
Misschien ook dichter. Geef me tijd. Alles komt nog,
later. Aan het einde van de nacht, vroeg in de ochtend
daalde je af in een schacht. Elke dag leverde je
een veldslag. Je was als een mol, ingesloten
in de buik van de aarde, amper een vluchtweg,
tenzij een koker. Ik snak naar adem. Mijngas ontstaat
in het inkolingsproces van hout naar steenkool
en antraciet. Wat liet je achter, wanneer je ging?
Wat bedriegt? Wat nam je mee? Een kanarievogel
in een kooi. Hier zoek ik de functie van het gedicht.
De benzinelamp kwam later, het blauwe zweem
boven de gele pit. Dat is waar jij naar zocht, waar
ik voor bid. We hebben waterbakken aan het plafond
gehangen. We hebben gemalen kalksteen tegen
de wanden gesmeten. Maar hebben we vermeden
wat kon gebeuren? Ik kondig aan wat in het verschiet
ligt. Ik gebruik sproeiers en nevelaars, draag stof-
maskers met filters. Wat smeult is giftig. Door rotting
ontstaat zwavelwaterstof. Trage verbranding
veroorzaakt koolzuurgas en verstikkingsdood.
Oom Jef, ben je er nu nog? Wat ons tot slot verbindt,
zijn de uitwerpselen. Ze zijn gelijkaardig en
gelijkwaardig. Ze zijn niets, ze zijn het nest
en de wieg van de mijnworm, die klein en beweeglijk
is, de larf die zich vastzet in het slijmvlies van
de darm. Zoals woorden zich vastzetten in het vocht
onder de hersenpan. De tropische worm zuigt ons
warme bloed en verenigt wat bijna verloren ging.
Joris Iven
26 juni 2009
Dick van Zijderveld, "Late lente"

Eerste boek uit Schrijverskring Gyrinus natator0.
Eind mei verscheen bij uitgeverij Free Musketeers de verhalenbundel Late lente van
Dick van Zijderveld.
Late lente is een verzameling van vijf verhalen over personen die zich op een keerpunt in hun leven blijken te bevinden. Ieder reageert op zijn eigen wijze op schijnbaar toevallige omstandigheden. Soms lijken gebeurtenissen niet goed te rijmen met het alledaagse ‘gezond verstand’, maar toch krijgen ze een plaats in het leven van de hoofdpersonen.
De vraag wordt opgeroepen of de zichtbare dagelijkse realiteit de enige en gehele werkelijkheid vormt.
Is alles toeval, of bestaat er zoiets als ‘lot’ of ‘bestemming’?
Qua thematiek en stijl sluiten deze verhalen aan bij de traditie van het magisch realisme.
Dick van Zijderveld is lid van Schrijverskring Gyrinus natator. Late lente is de eerste publicatie vanuit de kring. Gyrinus natator is een studie- en klankbordgroep van een aantal serieuze schrijvers in regio Utrecht.
Over de auteur:
Dick van Zijderveld studeerde sociologie en deed enige tijd wetenschappelijk onderzoek. Hij was werkzaam als auteur en redacteur van informatieve teksten. Tegenwoordig schrijft hij vooral verhalen en novellen.
Hij is hoofdredacteur van literair tijdschrift Opspraak. Verder is hij secretaris van Schrijverskring Gyrinus natator en mederedacteur van Funshoppen in het Nederlands. Woordenlijst onnodig Engels.
Eerder zijn verhalen van hem gepubliceerd in de bundel Schrijvers van De Werkschuit, in Opspraak en op internet.
Zie ook: http://www.dickvanzijderveld.nl/
en www.dickvanzijderveld.nl/sgn.html.
Bestellen:
Dick van Zijderveld, Late lente.
ISBN 978-90-484-0611-1.
204 pagina’s.
Prijs € 17,95, exclusief verzendkosten.
Omslagfoto’s: Thierry Langeweg.
Verzendkosten € 3,20 (NL) of € 5,44 (EU) per exemplaar.
Late lente is te bestellen bij www.freemusketeers.nl.
Het boek is ook leverbaar via de boekhandel en internetwinkels zoals ako.nl, bol.com, bruna.nl, selexyz.nl en vanstockum.nl.
Van A naar B
De Zwitser Charles Lewinsky was in Nederland om het succes van Het lot van de familie Meijer met zijn lezers te "vieren". Hij is aimabel en zet met plezier zijn feestneus op, ook al wordt hem doorlopend naar de bekende weg gevraagd. In een Alkmaarse boekenschuur zou malle August zijn aangever zijn.
Ruim op tijd rolde August zijn hutkoffer met eigen werk het literatuurpaleis binnen. Je zult immers maar verlegen zitten. Ongeveer tot aan zijn achttiende was hij een timide jongen. Daarna betrad hij regelmatig het podium, nog wel verscholen achter een drumstel. Inmiddels is hij elke schaamte voorbij. Behalve als het om de financiën gaat. Schuchter legde hij het tweedeklas retourtje op de toonbank. (De derde klasse was helaas net voor zijn geboorte opgeheven.) "Daar hebben we het later nog wel over," zei de boekennestor met de schrik om zijn hart. August droop af naar de koffiecorner, het leeslint tussen de benen.
Er was flink uitgepakt: grote posters, grootsteedse stapels en aankondigingen in de lokale pers. Achterin was een hoek vrijgemaakt. Aan de wand verantwoorde kunst: dikke klodders verf en macramé. In het midden van de arena stond een tafel met twee fauteuils, microfoons en een minuscule karaf met water.
"We filmen het interview," zei de jongste bediende. De tv-cultuur is allesbepalend. Gelukkig was er een vaste cameraopstelling: de sterauteur in het lampenlicht. De interviewer, zoals het betaamt, als een anonieme soufleur.
Het boterde goed tussen de lezeressen en causeur Lewinsky. Gelukkig had een moeder voor August ook een vlotte dochter meegenomen. Na anderhalf uur zat het erop. Op de valreep signeerde Lewinsky nog tien dozen van zijn roman. "Die kunnen ze in elk geval niet meer retour zenden naar de uitgever."
Lewinsky kreeg een plastic zakje, August een slap handje. De kachel van een tweederangs auteur brandt het beste op inspiratie, van genoeg eten wordt hij lui en drank maakt slechts sentimenteel. Voor echte literatuur moet men nooddruftig zijn. Terug in Amsterdam drukte Charles de plastictas in de hand van August. Thuis in zijn zolderkamer, terwijl de regen in de emmers de seconden wegtikte, typte August verder aan wat eens zijn magnum opus moest worden: Het lot van de familie Schrijver. De koppijnwijn en het reepje Zwitserse chocolade van de Alkmaarse boekhandelaar kon zijn bittere smaak niet verdrijven. B-auteur in een buitenwijk. Tijd voor Schimmelpennink.
Guus Bauer
HET LEVENSMENU
Beschouw héél het Leven,
als een goed restaurant,
waar je, dank zij je Ouders,
bent aangeland !
Geniet van “ de soep”
na een uitgebreid “ entrée”,
en vul er gerust àl uw jeugdjaren mee!
Kies dan “ de hoofdplât”,maar:
laat d’ anderen het ook doen,
en blijf er van lusten tot aan je pensioen !
Denk nu maar niet:
“Nu is het gedaan”,want,
feitelijk begint nu het vrije bestaan !
Zet U eens rustig, en
kijk ook eens rond, want:
altijd maar eten, is niet gezond !
Laat U toch niet steeds maar serveren,
zonder, van tijd, ook te tracteren!
Drink iedere dag een goed glaasje wijn:
zo goed als ie is, kunnen
uw dagen nog zijn!
of, iedere dag, ’n goed “ pousse café”,
met ééntje ,per dag, doet g’ er jaren nog mee!
En als je dan ooit het restaurant toch verlaat:
wil dan vooral dit niet vergeten!
Wens nog vooraf, aan àl wie nog komt,
en, voor dat je gaat:
SMAKELIJK ETEN !!
°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°
uit “ gedichten gedachten gezegden “ jozef engels
GEDICHTEN 15
TOT MORGEN !
Als levensherfst je haren grijst,
en niemand naast je U nog prijst,
als, voor U, de zon niet schijnt,
zelfs je geheugen wat verdwijnt!
Als je ’t alléén nog wat kan zoeken,
bij T. V. of in wat boeken…
vermits niemand je komt bezoeken!
Als l a t e r “ N U “is, zo dichtbij,
en niemand staat nog aan je zij:
LAAT DAN TOCH JE HOOFD NIET HANGEN,
aan ziekte of leeftijd U niet vangen!
ZEG TOCH STEEDS TOCH WEER:
T O T M O R G E N,
met of zonder nieuwe zorgen,
Want....
Morgen is:
élke nieuwe dag!
Ik wens dat je het beleven mag !!
TOT MORGEN !!
jef engels
1 9 8 9
°°°°°°°°°
Wie is Jozef Engels?
Geboren te Nijlen ( prov. Antwerpen) op 22 december 1926, als 4de kind van 12.
Was legerofficier tot op ruststelling op 30 september 1977.
Sommige teksten zijn reeds meer dan 40 jaar oud!
Als sociaal vrijwilliger, kwam ik ook tijdens pensioen in contact met jeugd - zieken - ouderen en allochtonen. Dit zette mij ook dan aan het schrijven van toepasselijke gedichten en teksten.
Hoofddoel: positief inspireren – feliciteren - aanmoedigen!
Zo welluidend en duidelijk mogelijk!
Mijn teksten zijn gerelateerd aan “het Leven”: Geboorten – verjaardagen - huwelijk,
Nieuwjaar – jubilea - overlijden.
Dank zij mijn laptop werden mijn teksten verzameld en gebundeld, onder de titel:
GEDICHTEN - GEDACHTEN - GEZEGDEN
kortom: G 3
De publicatie ervan doet mij hopen dat ze de lezer vooral zullen aanspreken en bevallen.
Afscheid in stijl van Parlando! en Parlandoooooh!
Op 26 juli 2009 zet ik definitief een punt achter Parlandoooooh!
Na 5 jaar met daarin 4 bijzondere gedichtendagprojecten, waarin ik me vrijwillig probeerde in te zetten voor de poëzie in Vlaanderen, wil ik me wel eens weer meer gaan bezighouden met mijn eigen schrijven. Het is mooi geweest. Intussen zijn er al zoveel interessante poëziewebsites bijgekomen. Het zwarte gat voor jullie komt er dus niet.
Natuurlijk ga ik het virtueel contact dat ik gedurende die jaren met heel wat mensen heb opgebouwd ontzettend missen, daarom eindig ik in stijl.
1) Yerna Van Den Driessche is momenteel de voorlaatste Parlan.doc-gast. Zij heeft het estafette-stokje doorgegeven aan de eerste Gentse stadsdichter Roel Richelieu Van Londersele.
Hij wordt daarmee de 45ste en laatste gast. Wat een mooie waslijst dichters is het geworden! Bedankt aan allen die op bezoek kwamen!
2) Natuurlijk hou ik deze maand nog de agenda bij... Hierbij wuif ik nog excuses naar slordigheden, vergeten evenementen,... naar jullie doe. Maar met meer dan 7 mailboxen - fulltime écht werk, liep hier af en toe wel iets mis. Activiteiten na 26 juli 2009 worden niet meer opgenomen.
3) Ik beloof een grondige laatste update voor 26 juli 2009. Linkjes vernieuwen. Dode linken verwijderen. Enz...
Een update van het Dichter Des Vaderlandsproject kan ik vooralsnog niet beloven, omdat ik daarin afhankelijk ben van iemand anders...
4) Wie nog wil opgenomen in de rubriek: VUURDOOP (derde kolom) kan zijn 'poëtische ontgroening' deze maand + foto nog doorsturen. Overspoel me gerust!
5) Eindfeest is er tijdens de Gentse Feesten. Dit op 26 juli 2009 om 20u in Ghent in Cap (Maagdestraat 14, Gent - €3 entree).
Het programma heeft als titel: Rage against the dying of the light! Raas, raas tegen het sterven van het licht!
Met als onderschrift: Dylan Thomas schreef het al in 1951: allemaal gaan we ooit in die goede nacht.We kunnen die naderende duisternis - blindheid - maar beter niet te licht in gaan.
Laat ons met woorden razen en waaien dat het zwerk ervan gaat kraken. Sprekend woelwater is er alvast van Christophe Vekeman en Andy Fierens.
Hierbij nodig ik u allen uit om erbij te zijn. Het zou fijn zijn om die virtuele contacten nog eens in het echt te mogen zien, alvorens Parlandooooooh zijn ogen sluit...
Maar er is meer:
6) Ook jij kan een plaatsje veroveren op het podium! Dit doe ik aan de hand van een ludieke wedstrijd:
Schrijf op een poëtische en originele wijze neer wat jij zeker allemaal wil zien alvorens jij de ogen sluit.
Zend me dit door - via parlando.weblog@gmail.com - VOOR 19 juli 2009 - de 5 beste inzenders mogen dan hun bijdrage live komen voordragen op het podium.
7) Om het eindfeest te bekostigen (de entreeprijs van de avond is voor Ghent in Cap), doe ik tenslotte iets wat ik helemaal niet graag doe. Maar anders hou ik een serieuze kater over aan dit alles.
Ik was te laat om subsidies aan te vragen... Daarom vraag ik iedereen die het afscheid wil sponsoren (al is het maar een symbolische euro, alle beetjes helpen) een bijdrage wil overschrijven naar 853-8514748-23 (naam: tine ducatteeuw - met vermelding: PARLANDO) Let wel: het is niet de bedoeling om me hier zelf mee te verrijken. Het geld zal gebruikt worden om de gasten (die treden natuurlijk niet gratis op) en het drukwerk (met o.a. naam/logo's van sponsoren) te betalen. Mocht er over zijn, gebruik ik het om de domeinnamen van de site draaiende te houden.
Voilà, het hoge woord is er in zeven punten uit.
Hopelijk komen jullie deze laatste ruime maand massaal laven aan Parlandooooooh! en komen we elkaar nog tegen.
Dit op 26 juli 2009 of op een of ander poëtisch evenement, want dat punt achter poëzie zet ik nooit.
Het ga jullie goed en bedankt voor werkelijk alles!
Tine Moniek!
-- PARLANDO - meer sprekend dan zingendpoëzie in vlaanderen
http://poezieinvlaanderen.blogspot.com
http://www.dichtersdesvaderlands.be
alles wordt gewicht
zelfs loodzwaar, weer werd
een kind gekaapt, een zwakke
beroofd in een land dat gaapt
ontneem me het geloof
dat koortsig gekakel
kloven klieft en het ontzaglijk
zachte zoemen wegzinkt in het
zweren bij o-zon grote gaten,
de vergeten bloesems en bijen
bombarderen een boom
tot tientonnenbom
heel even wil ik weer blad zijn
een dwalend pluimgewicht
dat bij goedehoekswind
onwetend in onschuld opwaait
© Marleen De Smet
18 juni 2009
Aan mijn vrienden van "Gierik" uit menens!
NIET INNOVEREND GENOEG, SOMS ZELFGENOEGZAAM
Het moet mij van het hart - hoewel ik weet dat ik vrienden ‘beschadig’ en het risico loop dat mijn kritiek (indien hij terecht zou zijn) niet in goede aarde zal vallen, - maar ik doe het.
Jarenlang, decennia, heb ik Gierik geprezen, er aan meegewerkt, een jaartje zelfs gepamperd in de Stichting Boulevard (al eeuwen ter ziele gegaan). Gierik bood kansen aan jonge mensen, aan rebelse rakkers, aan gelijkgesnaarden, aan vrienden en familie (zowel in de breedste als in de ons bekende vorm). Gierik was baanbrekend, een vertrouwde stem in de duisternis, een andersdenkende DW&B.
Toen de redactie echter mikte op overheidssteun - wat ik niet afkeur, het is vaak het middel om te overleven - keerden de (kracht)lijnen die werden uitgezet. Gierik moest (wilde) zich (soms krampachtig en halfslachtig) plooien naar de “eisen” van het VFL. De redactie deed er (bijna) alles aan: geen aandacht meer (nauwelijks) voor opkomend talent, weinig frivoliteit, geen forse uitspraken, geen Don Quichotgedrag meer. Gierik werd degelijk, bijna academisch, bij vele lezers was het een te grote ommekeer of het ging hun petje te boven, het creatieve moest plaatsmaken voor het essayistische, Gierik werd een nieuw NVT en gaf blijk van een (saaie) volwassenheid.
Ik had het zo voor radicaal verzet, voor een breuk met de traditie, en daarin paste Gierik. Na ieder nummer bleef ik achter met het zalige gevoel alsof ik eindelijk door een muur was heen gebroken, een soort bevrijding, maar van wat mag Joost weten.
Misschien komt het doordat zoveel katholieke krachten er geen knoop aan konden vastknopen.
Ik genoot van Gierik’s vlagen van milde anarchie en stuwende speelsheid. De redactie leek mij toen het tegendeel van gewichtige belangrijke mensen. En ik vond ze niet te licht om serieus genomen te kunnen worden.
Ik heb mij altijd verzet om een saai, serieus volwassen mens te zijn, ik bleef liever een dromerig, speels kind dat in Gierik zijn speelgoed vond.
Tot mijn ontgoocheling begonnen de Gierikenaren te schrijven als gewichtige volwassenen voor gewichtige volwassenen. De tijd van scherts en spel was voorbij en de tijd van ernst was gekomen.
Het leven is niet voor plezier of vermaak, noch voor dartele scherts. Door gestadige ijver moest de redactie zich bekwamen, altijd meer bekwamen, tot zij eindelijk de bekwaamheid hadden bereikt die het VFL van hen verlangde.
Het was voor mij heel moeilijk te verwerken om dezelfde Gierik die ik in verschillende graden van intimiteit had waargenomen, nu plotseling op het podium te zien tussen “de groten van deze aarde”.
Wanneer gooide een van hen weer een steen door de ruit? Waar bleven de (rooie) rakkers? Zij hadden zich omgebogen van agressieve daad tot blijk van instemming.
Ik bleef Gierik echter trouw. Ik bewonderde mijn generatiegenoten en iets jongere voor hun talenten, hoewel ze afstandelijker werden. Ik bleef spelen en dromen als een kind, maar de tijd schreed voort en ik kon niet toveren.
Toen kwam de breuk met het eigenwijze, zelfgenoegzame VFL. Ik kreeg op slag weer hoop op een nieuwe toekomst, ik verwachtte de oude Gierik. Helaas. Na een paar nummers zie ik echter (nog) geen opflakkering van sfeer, van vluchtheuvels in ons saai (literair) bestaan, van avontuur. Wanneer keert de redactie zich af tegen te academische teksten, waar de geest er van uit is?
Tot zolang eet ik niet meer, kan ik niet slapen, doet mijn stoelgang pijn. Ik voel mij in de steek gelaten, alleen. Ik probeer wel te doen als de ernstigen, maar ik kom dan altijd in een kramptoestand.
Maak je geen zorgen om mij, Gierik. Ik genees wel van mijn wonden. Dit oude verzet is een rest van mijn onvolwassenheid. Het verzet tegen de volwassenheid is ten einde.
Of komt Gierik dan toch tot inkeer? En komt er leven in de brouwerij?
Thierry Deleu
schrijft ook voor 2010 haar jaarlijkse
CONCEPT POEZIEPRIJS uit.
De inzending bestaat uit één ongepubliceerd, niet bekroond of op internet geplaatst gedicht van max. 30 regels (titel en interlinies inbegrepen) van max. 50 letters per lijn op A4 formaat.
Het thema is “Toekomst” in de ruimste zin van het woord.
De inzending wordt vóór 1 december 2009 in zesvoud, getypt, verzonden naar: Concept, Kerkofstraat 2, 8480 Eernegem-België met de vermelding “Concept Poëzieprijs 2010”
Er wordt slechts één inzending per auteur aanvaard. Ze is voorzien van een niet eerder gebruikte schuilnaam zodat uit niets de identiteit blijkt. Eigen naam, adres, geboortedatum,
telefoon en e-mail (indien voorhanden) dienen op een A4 in een gesloten enveloppe met op de buitenzijde het pseudoniem, bij de inzending gevoegd.
De jury bestaat uit: Helma Michielsen, Riet De Bakker, Mark Meekers, Eke Veenbrand en Atze van Wieren.
De drie prijzen en de eervolle vermeldingen bestaan uit waardevolle beeldhouwwerken.
De inzenders die geselecteerd en opgenomen worden voor de bloemlezing verplichten zich ertoe ten minste 2 exemplaren af te nemen. Het in te vullen deelnamestrookje vind je bij de volledige versie van het reglement op: www.bloggen.be/markmeekers
Mark Meekers,
voorzitter Concept
Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1800-1900
vanWillem van den Berg en Piet Couttenier
Alles is taal geworden
Nieuw deel van de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur komt uit
Vrijdag 19 juni ontvangt Hella S. Haasse in de Koninklijke Vlaamse Academie voor Kunsten en Wetenschappen in Brussel het eerste exemplaar van het boek Alles is taal geworden. Het is deel vijf van de door de Nederlandse Taalunie nieuw opgezette literatuurgeschiedenis van Nederland en Vlaanderen. Dit deel gaat over de literatuur in de negentiende eeuw. Het is geschreven door de Nederlandse emeritus hoogleraar Willem van den Berg (Amsterdam) en de Vlaamse hoogleraar Piet Couttenier (Antwerpen).
De titel '...alles is taal geworden!' is ontleend aan een uitspraak van Multatuli. Het boek beschrijft hoe de literatuur zich ontwikkelt in een eeuw die in staatkundig, sociaal en cultureel opzicht onophoudelijk in verandering is. Alle landen zijn op zoek naar een nationale identiteit, ook Nederland en België, die na een korte mesalliance weer hun eigen wegen gaan. Daarnaast zijn het de stromingen van romantiek, realisme en naturalisme die leiden tot nieuwe benaderingen van de letterkunde.
Het domein van de literatuur breidt zich in de negentiende eeuw onafzienbaar uit. Het aantal tijdschriften groeit en de literaire kritiek wordt volwassen. Steeds meer Vlamingen en Noord-Nederlanders brengen literatuur ten gehore en beluisteren die in verenigingsverband. Anderen kiezen juist weer voor het isolement. De individuele schrijver ontstaat, die in deze onrustige tijd is aangewezen op wat taal vermag. De literatoren van Noord- en Zuid-Nederland zoeken toenadering, maar ontwikkelen uiteindelijk toch een eigen profiel.
De Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur is een initiatief van de Nederlandse Taalunie, die in 1997 is gestart met dit project. Het werk zal uit zeven delen bestaan. Met dit deel zijn er in totaal vijf delen verschenen. Deel vier en deel zes volgen nog. Aan het overzichtswerk werken negen prominente Nederlandse en Vlaamse wetenschappers en 26 redacteurs mee. De hoofdredactie is in handen van dr. A.J. Gelderblom (Universiteit Utrecht) en prof. dr. A.M. Musschoot (Universiteit Gent).
De reeks wordt uitgegeven door Uitgeverij Bert Bakker. De distributie in Vlaanderen wordt verzorgd door Standaard Uitgeverij.
Over de auteurs:
Willem van den Berg is emeritus hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam.Piet Couttenier is hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Antwerpen en de KU Leuven.
Alles is taal geworden
ISBN: 978 90 351 3359 4
Gebonden, 834 pagina’s
Prijs: € 59,95
Meer informatieMeer informatie over de reeks, de auteurs en het project is te vinden op het Taalunieversum. Op deze pagina vindt u ook de inhoudsopgave en een tiental pagina's uit het boek. Ook kunt u contact opnemen met de Nederlandse Taalunie: Martijn Nicolaas, tel. + 31 70 3469548, info@taalunie.org.
Voor informatie over deze uitgave kunt u contact opnemen met Uitgeverij Prometheus/Bert Bakker (Nederland): +31 20 6241934 of Standaard Uitgeverij (Vlaanderen): +32 3 2857200
Nederlandse Taalunie
De Nederlandse Taalunie is een beleidsorganisatie waarin Nederland, Vlaanderen en Suriname samenwerken op het gebied van de Nederlandse taal en letteren en het onderwijs in en van het Nederlands. De Taalunie ziet het als haar opdracht om ervoor te zorgen dat alle Nederlandssprekenden hun taal op een doeltreffende manier kunnen gebruiken. Meer informatie over de Taalunie is te vinden op www.taalunieversum.org.
Uitgeverij Bert BakkerAfdeling Publiciteit
Herengracht 5401017 CG Amsterdam
Tel. 020-6241934
Fax 020-6225461

Deel vijf van de door de Nederlandse Taalunie nieuw opgezette literatuurgeschiedenis van Nederland en Vlaanderen.
In dit deel aandacht voor de literatuur in de negentiende eeuw. De titel '...alles is taal geworden!' is ontleend aan een uitspraak van Multatuli. Het boek beschrijft hoe de literatuur zich ontwikkelt in een eeuw die in staatkundig, sociaal en cultureel opzicht onophoudelijk in verandering is. Alle landen zijn op zoek naar een nationale identiteit, ook Nederland en België, die na een korte mesalliance weer hun eigen wegen gaan. Daarnaast zijn het de stromingen van romantiek, realisme en naturalisme die leiden tot nieuwe benaderingen van de letterkunde. Het domein van de literatuur breidt zich in de negentiende eeuw onafzienbaar uit. Het aantal tijdschriften groeit en de literaire kritiek wordt volwassen. Steeds meer Vlamingen en Noord-Nederlanders brengen literatuur ten gehore en beluisteren die in verenigingsverband. Anderen kiezen juist weer voor het isolement. De individuele schrijver ontstaat, die in deze onrustige tijd is aangewezen op wat taal vermag. De literatoren van Noord- en Zuid-Nederland zoeken toenadering, maar ontwikkelen uiteindelijk toch een eigen profiel.
De Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur is een initiatief van de Nederlandse Taalunie, die in 1997 is gestart met dit project. Het werk zal uit zeven delen bestaan. Met dit deel zijn er in totaal vijf delen verschenen. Deel vier en deel zes volgen nog. Aan het overzichtswerk werken negen prominente Nederlandse en Vlaamse wetenschappers en 26 redacteurs mee. De hoofdredactie is in handen van dr. A.J. Gelderblom (Universiteit Utrecht) en prof. dr. A.M. Musschoot (Universiteit Gent). Het eerste exemplaar van het boek wordt vrijdag 19 juni door Hella S. Haasse in ontvangst genomen in de Koninklijke Vlaamse Academie voor Kunsten en Wetenschappen in Brussel.
Alles is taal geworden - Van den Berg & CouttenierGeschiedenis van de Nederlandse literatuur 1800-1900ISBN: 9789035133594
Uitgever: Bert Bakker / Standaard
Gebonden, 834 pagina’s
Prijs: € 59,95
13 juni 2009
12 juni 2009
"Oefeningen voor weerzien" van Bert Bevers
.jpg)
Monotypes van Bert Bevers
Van 15 juni tot 20 juli 2009 is in de Openbare Bibliotheek aan de Kapelstraat 64 in Hoboken Oefeningen voor weerzien te bekijken, een expositie van werk van Antwerpenaar Bert Bevers.
Een monotype is een plaatdruk waarbij van een glazen plaat wordt gedrukt zonder dat deze gegraveerd of geëtst wordt. De afbeelding wordt van de plaat, waarop zwarte plakkaatverf is aangebracht, afgerold. De oplage is telkens een unicum, want slechts bestaande uit één exemplaar. Bert Bevers, die tevens dichter is, maakt ook monotypes.
"Een dichter kan uitzuiveren, slijpen aan een gedicht, herschrijven, iets weglaten, iets bijvoegen. Met monotypes kan dat niet: het moet allemaal in één keer gebeuren," aldus kunstkenner Roger Nupie. "Bert Bevers heeft in zijn monotypes een heel eigen beeldtaal ontwikkeld, met veel ritme en beweging. Wie goed kijkt ontdekt herkenbare elementen in deze werken die op het eerste zicht abstract lijken en misschien wat somber. Heeft de dichter ook in dit werk toch weer een verhaal willen vertellen? Bert Bevers tekent voor werk dat verrassend is, uitnodigt, uitdaagt en getuigt van kunst en kunde."
Dinsdag, woensdag en donderdag 10.00-20.00 uur.
Vrijdag en zaterdag 10.00-17.00 uur.
Medium4You.be verjaart!
Ter gelegenheid van haar tweede verjaardag heeft Medium4You.be het genoegen u, samen met alle redacteurs en sympathisanten uit te nodigen op maandag 29 juni om 19u voor een vriendschappelijke drink.
Jacques Litwak, oprichter van Medium4You.be, en zijn medewerkers nodigen u vriendelijk uit op onderstaand adres:
185, Avenue des combattants, 1470 Bousval
Gelieve uw aanwezigheid te bevestigen voor 22 juni op het volgende adres: info-medium4you@skynet.be
Kunstgalerij Mens & Natuur
Maenhoutstraat 75a - 9830 Sint-Martens-Latem
nodigt U van harte uit op de
OPENINGSNAMIDDAG
met receptie
en muzikale intermezzo’s door Rudy De Sutter
piano - klassiek, Europese jazz, improvisaties
ZATERDAG 20 JUNI van 14:00 tot 19:30 uur
TENTOONSTELLING
20 juni – 2 augustus 2009
Vera Putman
Stilte Landschap Sensibiliteit
Vera Putman (Gent, 1954) volgde gedurende 12 jaar lessen aquarel bij Gilbert Declercq en verder workshops bij Nadine Fassin en Lut D’Havé. Heeft reeds aan diverse groepstentoonstellingen deelgenomen, o.a. Buiten Bodem in Atelier Jean Le Noble in Boschoord (Ned., 2007) en recent Sereniteit in Abdij Maagdendale in Oudenaarde. In Atelier Jean Le Noble had ze in 2006 ook een eerste solotentoonstelling.
Als aquarellist en yoga-adept tast ze de wereld rond haar ‘zijn’ af. Haar landschappen ademen als stille gevoelige impressies waarin de wisselwerking met de eigen beleving wordt geregistreerd. Het landschap is zowel een lustoord als een schuiloord voor de ziel. Over haar benadering schrijft ze: Leven in het moment, in het nu, al is het maar even, uit de drukte stappen, opgaan in het universele, ermee één worden,er energie uit putten die aanzet tot vernieuwde creativiteit.
Openingsuren Galerie:
donderdag-, vrijdag-, zaterdag- en zondagnamiddag 14:00 t.e.m. 18:00 uur en op afspraak
www.mens-en-natuur.com - www.man-and-nature.com
In de Galerie permanent werk van:
Miejef Callaert, Geert De Kockere, Hilde Geelen, George Hezemans, Olga Gorokhova, Romain Witdouck
Organisatie:
Arnold Eloy, Tel. 0496-805799 - E-mail: arnold.eloy@skynet.be
speelt Katrien Ryserhove
in het 'Fakkelteater' te Antwerpen
haar nieuwe monoloog Wilde Maanzin
(tekst van Jan Bollen en met muziek van Natacha Persyn, coach: Hilde Breda)
naar aanleiding van "De dag van de misdaad".
Alle info op:
www.dagvandemisdaad.be.
11 juni 2009
Ode aan Anne Frank
Today i am not unreasonable
our flag our anthem
needed to lose oneself in belief
our flag our anthem
the world is clear
And who will sing, sing slowly
about stones a glass the road to nowhere
sing about asphalt sing for some time
sing slow for Anne Frank tomorrow.
“ Today i am not unreasonable “
“ Today i am not unreasonable “
Hoe in welke naam ook
Vandaag ben ik niet onredelijk
onze vlag ons volkslied
nodig om ons zelf te verliezen in geloof
onze vlag ons volkslied
de wereld is helder
en wie zal zingen langzaam zingen
over stenen en glas de weg naar nergens
zingen over het asfalt zingen voor een beetje tijd
morgen langzaam zingen voor Anne Frank
“ vandaag ben ik niet onredelijk “
“ vandaag ben ik niet onredelijk “
© 11-6-2009
Annemieke Steenbergen
‘The Difficulty for a Monkey to Throw off its Instinctive Fear and Hatred of a Snake’
[Charles Darwin]
ZEVEN TEKENINGEN VAN ELLY STRIK
Jan Lauwereyns reflecteert met het lange gedicht ‘De beharing’
*
Focus op 40ste POETRY INTERNATIONAL ROTTERDAM
13-19 juni 2009
Martin Mooij: terugblik op de beginjaren van het festival
&
Nieuw vertaald werk van 4 deelnemende dichters
Tua Forsström (Zweden
Yang Lian (China)
Jacques Roubaud (Frankrijk)
Matthew Sweeney (Ierland)
Info over het festival op www.poetry.nl
*
Ook gedichten van Antonio Gamoneda, Frédéric Leroy en Lies van Gasse
Los nummer: 8.00 € (B) te storten op rekening 320-0915923-22 van Revolver vzw, Ludwig Burchardstraat. 35, 2050 Antwerpen
12.00 € (Europese Unie) op IBAN BE06 3200 9159 2322 - Bic: BBRUBEBB (ING Bank Antwerpen)
Bestellen via gerd.segers@telenet.be of 00.32.(0)3.219.55.97
of
in de boekhandel
ANTWERPEN Belis Vinck Dierckxens IMS Standaard Boekhandel De Groene Waterman
BRUGGE Brugse Boekhandel IMS De Reyghere
BRUSSEL De Slegte Passa Porta GENK Malpertuis
GENT De Brug Poëziecentrum Walry Nieuwscentrum
Limerick Intern. Press Store HASSELT IMS LEUVEN Plato IMS
MECHELEN Forum Salvator City Press De Zondvloed MORTSEL Boekuil
OOSTENDE New Corman OVERIJSE Standaard Boekhandel
SINT-NIKLAAS Oneindige Verhaal ROESELAERE De Zondvloed TIENEN Plato
AMSTERDAM Athenaeum De Brakke Grond DEN BOSCH Adr. Heinen
*
Jaarabonnement 4 nummers: 25.00 € (B) - 35.00 € (NL)
Meer info op www.revolver-literair.be
Dure woorden met winkelwaarde
De meeste mensen
die wel eens iets verstandigs tegen mij gezegd hebben
zijn er niet meer
ze zijn dood
vergeten
wonen in woestijnen
vreemde dorpen
Dus kom maar op
met je goede raad
neem geen toestel mee want buiten camera’s
zien veel dingen er anders uit
het kan altijd beter
het kan altijd slechter
(jezelf opnieuw opvoeden doe je vanaf
je twintigste jaar: veel aanleren, afleren
je kunt ouders meestal
niet van alles de schuld geven)
daarna kan nog veel anders gaan
Honderd zal ik nooit (willen/kunnen) worden
tenzij er nog plek is
voor 1 gedicht 1 lied 1 minnaar
Hannie
(HR)
http://www.hannierouweler.be/
http://www.joris-iven.be/
11 juni 2009
"De smaak van wol"

In september 2008 werd de bundel De smaak van wol van Xtine Mässer voorgesteld in de gemeente Zwijndrecht, op de linkeroever van de Schelde, de “overkant” van Antwerpen. Met zijn 18.400 inwoners is de plaats te groot om een dorp te zijn, maar ligt alleszins in een landelijke omgeving. En laat dit nu net datgene zijn waar Xtine Mässer van houdt: ruimte. Maar daarover later meer.
Zij koos met de moderne maar gezellige bibliotheek de perfecte locatie. Waar kan men beter terecht dan op een plaats waar honderden ruggen met titels van literaire meesterwerken ons in de stemming brengen?
Het interview dat Johanna Spaey* van de auteur nam was verrassend openhartig. Geen bewieroking, geen koetjes en kalfjes, maar naar de kern van het verhaal en dat is niet vrolijk. We vernamen dat Xtine Mässer niet sociaal is, geen prater maar een observator, vanop de zijlijn van het maatschappelijk gebeuren haar verleden analyseert - of althans poogt - en die fragmenten tot een verwerkend, helend geheel tracht te bundelen in haar poëzie. Alles draait immers om bestaansrecht dat niet werd toegekend en waar je als volwassene blijft mee worstelen.
Haar poëzie is niet vol heimwee, er valt geen nostalgisch genoegen te beleven aan een periode die gekenmerkt is door eenzaamheid en afwijzing. Die harde realiteit uit het verleden waar ze als kind in opgroeide, zoekt de auteur op om de jarenlange vertwijfeling en onzekerheid een plaats te geven. Wie nestwarmte ontbeerde, stelt zich (ook op latere leeftijd) veel vragen, vooral als de “pschychische verwaarlozing” komt van de vrouw die je het leven heeft “geschonken”. Waarom? Wat deed ik verkeerd? Wie ben ik? Er is veel “leegte”, “afwezigheid” en “stilzwijgen” en de onmacht om te communiceren.
Trouw aan overjaarse monologen
ga ik me verschansen
in de gladde plooien van een duin
en verdwijnen
in het wit van ons stil zwijgen
Gebroken als ze zijn
de knekels van de taal
die we niet spraken.
Vergeef me het hengelen
naar woorden
als ik je liplees,
de magere letters
die ik amper durf
te brieven
uit vrees dat elke volzin
mijn hunker zal verraden.
De gladde plooien van een duin ruilde ze als volwassene in haar vorige bundel Dzud (2002) in voor het ruige landschap van Ierland en Dartmoor. Ondertussen heeft ze haar hart verpand aan de uitgestrekte toendra's en steppevlaktes van Siberië, Mongolië en de Gobiwoestijn. Trektochten waarbij het barre landschap de zoektocht naar haar wortels vooruit helpen. Deze vlucht uit het grootstedelijke brengt haar de (tijdelijke) harmonie die inspireert tot mooie gedichten.
GOBI
Ondergronds
klopt de slagader van de woestijn,
steekt bij valavond de kop op,
klatert in greppels
door de achtertuinen van de poorter,
doorstroomt niet mijn mond
maar het bekken
van mijn Samaritaanse.
Enkel in daglicht
verdraag ik haar gesluierde gelaat.
Maar 's nachts
huil ik om haar naaktheid
door de sleutelman aanschouwd.
Klauw ik met mergelmagere katten
naar de maan.
Dat er vijf jaar is verstreken sinds haar vorige bundel vindt ze normaal. Deze gedichten vroegen een geduldige opbouw en door de gevoelige materie waren perioden van bezinning en talrijke herlezingen onontbeerlijk.
De poëzie van Xtine Mässer kenmerkt zich door haar taalrijkdom en een schitterende beeldspraak:
hoe de kleuren schroeien / in zijn hoofd (bij een schilderij van Van Gogh)
Hoe vloeibaar kan een winter worden / als bloed in aders vrijelijk stroomt? (bij een installatie van Jennifer Tee)
De warmte / van vóór we werden gebaard / werd door geen haard geëvenaard.
In de “overkill” aan poëzie die wordt geproduceerd door merendeels auteurs met gebrek aan zelfkritiek, is haar bundel een verademing, authentiek en met een eigen stem. Niet alleen weet zij de moeilijke relatie met haar moeder op de juiste toon te formuleren, evenzeer zijn de natuurbeschrijvingen een accuraat bewijs van haar obverseringsvermogen. In drie hoofdstukken - De smaak van wol (haar kinderjaren), - Naar Ulaanbaatar (over Mongolië), - Ecchymose (een einde met vergeven maar niet vergeten) trekt Mässer ons in haar gedachtenwereld. Ze doet dat niet met zelfbeklag, sentiment weet ze te ontwijken, maar de queeste naar haar identiteit is herkenbaar voor ieder van ons.
Sneeuw smelt,
kleurt de dagen tot as.
Moeder,
mijn baarwater,
mijn noordenwind
op sterk water.
Geen zucht op je lippen
geen glimp van je glimlach
ontgaat mij.
Moeder,
mijn kwelschoot.
Zo laat nog gevonden
om je weer te verliezen
gapende leegte te vrezen
eeuwen te treuren
over jaren verloren
in machtstrijd
om wiens hart
voor mekaar
het eerst zou begeven.
Xtine Mässer, De smaak van wol 2008, Uitgeverij Litera Este, D/2008/8169/1
Te bestellen bij VPMBIOART@msn.com of christine.masser@telenet.be (14 euro + 1,50 euro port)
*Johanna Spaey, auteur, Dood van een soldaat (proza), Gouden Strop & Hercule Poirot-prijs 2005 en Vlucht (proza), uitgeverij De Geus, 2007
François Vermeulen



