Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans

Stichtingsdatum: 1 februari 2007


"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"

"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.

31 oktober 2008

WARME OPROEP TOT BEZIGE BIJEN WANT EEN BIJ IS BETER DAN EEN HANDVOL VLIEGEN!
















Beste vriend,
Lieve vriendin,
Beste collega,


De Geletterde Mens bestaat ei zo na twee jaar. Een verjaardag om even een balans op te maken, vind je niet?

De Geletterde Mens is een e-magazine “doorlopend & eindeloos” dat zich exclusief wijdt aan Nederlandstalige literatuur. Het initiatief ontstond uit een spontane opwelling van grijze hersenmassa bij drie redacteurs van het ter ziele gegane lifestyle magazine “Intro” (*). Via technische bijstand van Ludo Geloen, stadsbeiaardier van Ieper en docent aan enkele muziekscholen in de Westhoek, kreeg De Geletterde Mens een embryonale vorm. Het zaad werd kwistig gestrooid en het geletterde wicht verbaasde iedereen door zijn vernuftig zoeken naar volwassenheid.


Eindredacteur Thierry Deleu, die reeds heel wat ervaring opdeed in het milieu en als 65plusser, trok zich de kommer en kwel aan van de vele debutanten en auteurs die zeulen met eigen beheerproducties en uitgaven bij kleine uitgeverijtjes. “Vooral zij krijgen onze aandacht!” Zijn twee “reisgenoten”, Roland Declerck (persmedewerker) en Marc Vandenbussche (artistiek chocolatier uit Diksmuide), beaamden dit engagement volmondig. “Kleine” auteurs met soms “grote” kwaliteiten komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. Ook de overheid sluit systematisch deze auteurs uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen.
De Geletterde Mens wil in de eerste plaats een spreekbuis, een uitlaat, een forum zijn voor nieuwe auteurs, debuterende en dakloze schrijvers en dichters, die zoekende zijn of berusten in hun lot. De redactie stelt één criterium voor het plaatsen van creatief werk: kwaliteit!

De eerste balans na bijna twee jaar is niet triest, maar toch enigszins geflatteerd, waarmee ik bedoel dat er nog geen “balans” gevonden is tussen het creatief werk van de redacteurs enerzijds en het ingezonden (via mail) creatief werk anderzijds, tussen de kritische bijdragen van beiden enerzijds en het aantal reacties anderzijds. Als eindredacteur kan ik niet onverdeeld tevreden zijn.
Daarom deze oproep: schop keet, breng leven in de brouwerij, geef van jetje, met andere woorden: kom op voor jezelf. Alleen gal die gespuwd wordt “op de man of vrouw” wordt niet getolereerd. Houd het bij “de structuur”, “de autoriteit”, “het standpunt”.

Als eindredacteur is het mijn taak te zoeken naar een werkende redactie, met gezond verstand, zonder compromiszucht, ongebonden, onafhankelijk. Wie zich geroepen voelt, neemt met mij contact via
thierry.deleu@skynet.be of thierry.deleu@gmail.com.

Thierry Deleu


(*) Intro, Streek, Cultuur & Fijn Nieuws, Fnap Media, 9051 Sint-Denijs-Westrem

30 oktober 2008

Met een "Revolver" op de boekenbeurs

Literair tijdschrift Revolver
op de Boekenbeurs
zaal 1 stand 126 Epo & CeLT


Revolver 139 • 365 voetnoten voor Joris Gerits. Meer dan 175 auteurs, academici, beeldende kunstenaars en andere experts maakten puntige, vaak ludieke voetnoten bij het dagboek 365 dat docent, literatuurbeschouwer en romancier Joris Gerits in het voorjaar van 2007 heeft gepubliceerd. Met bijdragen van onder meer Benno Barnard, Johan de Boose, Koen Broucke, Walter van den Broeck, Geert Buelens, Piet Couttenier, Marleen de Crée, Jozef Deleu, Luc Devoldere, Sus van Elzen, Peter Holvoet-Hansen, Pol Hoste, Katrien Jacobs, Henri-Floris Jespers, Roland Jooris, Marc Kegting, Ivo Michiels, Ramsey Nasr, Roger M.J. de Neef, Joris Note, Joseph Pearce, Koen Peeters, Harold Polis, David van Reybrouck, Matthijs de Ridder, Adriaan De Roover, Eric Spinoy, Lucienne Stassaert, Peter Theunynck, Jan Vanriet, Bart Vervaeck, Carla Walschap, Georges Wildemeersch, Frank Willaert en Dietlinde Willockx.

Revolver 138 • Focus op de internationale poëzie. Het lange gedicht ‘The Comedian as the Letter C’ van Wallace Stevens, een icoon van de Amerikaanse lyriek, voor het eerst in het Nederlands! – vertaald en ingeleid door Tom Van de Voorde. Verder een ruime keuze uit nieuw werk van de dichters Adam Zagajewski (Polen), Linda Maria Baros (Roemenië), Robert Gray (Australië), Petr Borkovec (Tsjechië), Bachyt Kenzjejev (Rusland) en Erik Stinus (Denemarken). Nieuwe gedichten van Arjen Duinker, Elisabeth Tonnard, Arnoud van Adrichem en Bart Stouten. Proza van Sus van Elzen. Tekeningen van Leo Reijnders.

Revolver 137 • Vijf essayisten: Hans Vandevoorde, Jean Robaey, Jos Joosten, Els Bruynooghe, Carl De Strycker en de dichter Roland Jooris over BEN CAMI (1920-2004).
Facsimile van een ongepubliceerde bundel en zeven nagelaten gedichten van de dichter van Tijd en Mens. Ook in dit nummer nieuw proza van Joris Note. Poëzie van een jonge generatie dichters: Inge Braekman, Lucas Hirsch en Liesbeth Lagemaat. Essay van Georges Wildemeersch over Hugo Claus’ gedicht ‘Jan de Lichte’.


Driemaandelijks tijdschrift Revolver, Ludwig Burchardstraat 35, 2050 Antwerpen – België
Info: gerd.segers@telenet.be – Tel: 03/219.55.97 ׀ www.revolver-literair.be

Omtrent "Gierik" door Eric Rosseel

Beste Thierry,

Met een zekere regelmaat lees ik in uw soms kwalitatief hoogstaand soms eerder smaakloos ezine De Geletterde Mens, alsook op andere plaatsen, berichten van verontwaardiging over het feit dat het literair tijdschrift Gierik/NVT haar toelage vanwege het Vlaams Fonds der Letteren verloren heeft zien gaan.
Daarbij wordt bijna steevast allusie gemaakt op het gegeven dat dit te wijten zou zijn aan het vrijzinnig karakter van Gierik/NVT. Uiteraard is het VlaamsFonds een "kalotenboel". Maar dat zijn toch alle ministeriële commissies van de Vlaamse Gemeenschap, zelfs en zeker deze van Sp.a minister FrankVandenbroucke (een product van de Katholieke Universiteit Leuven en sinds enkele jaren ook een producent van deze instelling met een traditie die tot deMiddeleeuwen teruggaat)?
Dat het beschermcomité van Gierik een paar notoire Loge-leden telt (bv. Willy Claes en niet te vergeten Sylvain Loccufier, ererector van de Vrije Universiteit Brussel en destijd Oppergrootmeester van het Groot-Oosten) lijkt mij toch maar een smalle basis om Gierik als 'vrijzinnig' te bestempelen (wat is dat trouwens 'vrijzinnig'? Bezig zijn met de 'kwaliteit van het sterven' in plaats van de 'kwaliteit van het leven' is het enige thema dat ik meen te mogen ontwaren waar 'vrijzinnigen' het blijkbaar goed onder elkaar kunnen vinden). Is Rik Torfs (prof. KerkelijkRecht KUL) een vrijzinnige omdat hij eens onder de rok van de presentatrice van De Laatste Show durft loeren? En een paar leden van het Beschermcomité van Gierik/NVT lijken mij eerder lid van Opus Dei dan van het Humanistisch Verbond. Soit.
Mag ik omtrent deze zaak graag volgende informatie verschaffen? Ergens in de loop van 2006 hadden Guy Commerman (toenmalig redactiesecretaris Gierik) en ik zelf het langs de telefoon over het trieste gegeven dat Gierik na tien à vijftien jaar nog steeds geen frank of een euro kreeg of gekregen had van dat Vlaams Fonds. Alle brieven aan de minister bleven onbeantwoord. "Stuur mij eens zo'n brief door," vroeg ik Guy. En zo gebeurde. Waarop ik Guy schreef: "Als u denkt via brieven waarin u de minister en zijn beleid beledigt en vernedert denkt een euro toelage te krijgen, dan bent u misschien vrijzinnig maar daarnaast ook wel erg dom." Waarop Guy Commerman me devolgende weddenschap voorstelde: "Eric Rosseel zorgt ervoor dat Gierik binnen de maand een brief krijgt waarin een toelage wordt toegekend, waarvoor EricRosseel in ruil een pint krijgt aangeboden op een Antwerps terras plus twee bladzijden Gierik gewijd aan de doelstellingen van het Netwerk Psychiatrie & Samenleving."
Eric Rosseel won de weddenschap. De pint heb ik nooit gekregen (omdat ik nooit in Antwerpen geraakt ben), de twee bladzijden wel. Stel u van de "persoonlijke démarche" van Eric Rosseel niet te veel voor: ik heb de minister nog nooit in levende lijve ontmoet en ik heb zelfs op een verkiezingsbijeenkomst ter gelegenheid van de gemeenteraadsverkiezingen 2006 zijn schoonmoeder zwaar beledigd. Mevrouw opperde namelijk in een soort Grimbergs dialect dat in hetverkiezingsprogramma van de Open Progressieve Lijst ook sterk de nadruk moest gelegd worden op de "bescherming van de moedertaal", waarop ik haar vroeg of ze dit ook eens in het Nederlands kon vertalen (en ik overigens meteen de bijeenkomst verlaten heb). Daar was de minister, toen dit hem ter ore kwam, niet bepaald mee opgezet (temeer daar de zaak voor een fikse rel zou gezorgd hebben op het partijbureau van wat toen nog Spirit was, ik zeg wel "zou").
Maar goed, Rosseel slaagt waar vijftien jaar redacties van Gierik niet ingeslaagd waren. Met een gewone beleefde brief aan de minister of hij niet even aandacht wou besteden aan dat toch degelijke tijdschrift Gierik. Maar uiteraard konden niet alle redactieleden (die toch begenadigde schrijvers waren) daarmee lachen. Rosseel werd nooit bedankt, Guy Commerman nam ontslag als redactiesecretaris en een onbeschofte Dimitri Bontenaekel nam het roerover. Ik kreeg van die Bonte Nakel als antwoord op het opsturen van een gedicht dat ik geschreven had en dat ik dus omwille van de presentabiliteit hier en daar rondstuurde (zoals ik dit ook soms naar U doe, Thierry, nietwaar?) zonder dat ik daarbij de bestemmeling verzoek dat ook maar meteen te publiceren, al meteen de melding hem en Gierik uit mijn adressenbetand teschrappen. Nu ja, het is me nog voorgevallen dat redactiesecretarissen van literaire tijdschriften niet tuk zijn op het ontvangen van literaire bijdragen uit welke hoek dan ook. Soit.
Een jaar later is Gierik zijn toelage weer kwijt. Voor alle duidelijkheid, ik zit er voor niets tussen. Ik heb na die onbeschofte mail van Bonte Baekel welgevraagd mij niet langer te vermelden als lid van het Beschermcomité, maar verder heb ik niets tegen Gierik ondernomen. Wel heb ik mijn abonnement niet verlengd na het ontvangen van het nummer waarin de vermoedelijk ook vrijzinnige Antwerpse Schrijversacademie een nummer mocht vullen met huiswerkjes van haar studenten-analfabeten (dat je op je 30ste nog moet leren lezen en schrijven gaat er bij mij niet in, toch niet in West-Europa), een nummer dat vermoedelijk de spruit was van één of andere geslaagde groepssekssessie van de redactie met de directrice van die Schrijversacademie.
Dat Het Vlaams Fonds vindt dat Gierik tekort schiet in literaire kwaliteit, tja, daar heb ik dan ook eigenlijk niet echt zoveel moeite meer. Sinds BonteNaekel redactiesecretaris is, haalt het ding ongeveer het niveau van het tijdschrift van de Vlaamse Jeugdherberg Centrale. En verder verneem ik ook dat de redactie het weer niet laten kan de minister en zijn beleid te beledigen. Dat mag de redactie voor mijn part met veel plezier doen. Maar dan moet je toch niet verbaasd zijn dat je subsidie geschrapt wordt!
Als je anarchist bent en tegen de Staat ageert, ga je deze Staat toch ook niet om een uitkering bedelen?
Beste Thierry, het zou me genoeg doen deze niet irrelevante informatie in DeGeletterde Mens op te nemen, als zoveelste bijdrage omtrent de hemeltergende onrechtvaardigheid die Gierik is aangedaan.

Eric Rosseel

Concept poëzieprijs

Beste collega-dichter, in spe of gearriveerd,

De Nederlands-Vlaamse literaire vereniging Concept schrijft haar jaarlijkse CONCEPT POEZIEPRIJS uit. Gevraagd wordt: een gedicht met als thema "Licht in alle staten", interpretaties en variaties.

Inschriivingsstrook en het volledig reglement vind je op:www.conceptpoezie.org

Mocht je krachten te boven gaan, wil dan dit bericht doorsturen naar andere gegadigden. Waarvoor dank.

Met poëtische groet en inspiratie,
Mark Meekers,
voorzitter Concept

28 oktober 2008

Heibel 13/3

Een flauwe Heibel, maar ook dan lezenswaard!


Ik kreeg een “flauwe” Heibel, 13/3, in mijn bus. Nochtans 13/3 en Halloween hebben iets heidens, iets zo suggestibel dat je zou verwachten dat de vonken er vanaf zouden vliegen. Niet dus. Of toch niet zo indrukwekkend. Een veeleer “braaf” nummertje werd hier opgevoerd.

Aan De guitenstreken van Wimpie en Fluppie en De Maagdenburgse halve bollen van Delphine heb ik niet zoveel. Voor de rest heb ik een spelletje voor en tegen gespeeld. Kan ook leuk zijn en het geeft soms helder weer uit welke hoek de wind waait. Ik besef ook dat de grens niet altijd exact te trekken is. Mijn excuses aan hen die zich in het foute kamp bevinden.

Bij de andere kant (wordt gezegd van iemand die niet op dezelfde golflengte zit *) groepeer ik: Bert Anciaux (SP.a-VlaamsPro), Wim De Vilder, Prins Filip, Julien Weverbergh, Delphine Boël, Karel van den Broeck, Ward Ruyslinck, Ramsey Nasr, Jozef Deleu, Sven Speybrouck, Jef Geeraerts, Boontje, Paul Snoek, Brusselmans, Hemmerechts, Geert Van Istendael, W.M. Roggeman, Bart Stouten, Hugo Claus, Jan Lauwereyns, Erik Spinoy, Alfred Schaffer, Peter Holvoet-Hanssen, Peter Verhelst, Jef Meert, Willy Verhegghe, Chris van den Durpel, Willem Gijsels, Yang, Jan Cremer, Mensje van Keulen, Luc Derycke, Saskia De Coster, Joël De Ceulaer, Piet Van Aken, Aspe, Paul de Vree, Tom Lanoye, Jelle van Riet.

Bij de rechtvaardige rechters horen: Armand Boni, Felix Dalle, Joris Lombaerts, Marcel Beerten, Pol le Roy, Ernest Claes, Bart De Wever, Hubert van Herreweghen, Willy Spillebeen, Anton van Wilderode, Fernand Florizoone, Jan Geerts, Jan Veulemens, Jos Smeyers, Marleen De Crée, Aleidis Dierick, Jo Gisekin, Maris Bayar, Lucienne Stassaert, Lief Vleugels, Lukas van den Eynde, Jo De Meyere, Jeroen Brouwers, Leonard Nolens, Roger Serras, Ludo Helsen, Peter Vandermeersch, Goedele Liekens, Fried’l Lesage, Karel De Gucht, Remy de Pillecijn, Rik Andries, Walter van den Broeck, Dries Janssen, Jan van den Weghe, Hubert Lampo, Gaston Durnez, Anton Van de Velde, Maria Rosseels, André Claeys, Rose Gronon, Gaston Duribieux, Emiel Van Hemeldonck, Monda De Munck, Jos Van Rooy, Jeanne Verbraeken, André Demedts.

Twijfelgevallen: Anne Provoost, Monika Van Paemel, Leo Pleysier, Dimitri Verhulst.

Uit welke hoek waait de wind? Dit is een lastige vraag. Heeft het er iets mee te maken dat Heibel Limburgs is, katholiek, rechts? “Heibel is echter niet gebonden, vormt geen kliek, wil volledig onafhankelijk zijn, heeft ook aandacht voor human interest, wil een open forum zijn waarin tegengestelde meningen aan bod komen,” schrijft de redactie, waarvan akte.

Toch slaagde de redactie van deze flauwe Heibel erin mij een bouche-bée te bezorgen. Wat een verrassing: Guy Commerman in Heibel onder de “uitsluitende verantwoordelijkheid van Frans Depeuter”. Ik las het graag: “Ook Gierik werd de pijp toegeknepen!” Guy wordt ruim geciteerd en publiceert ook hier zijn “tijdschriftenlandschap”. Ik herhaal het nog even voor DGM: “Gierik is op zijn minst even goed als DWB, Yang, Revolver, De Brakke Hond, Deus ex Machina die subsidie verdienen, maar sommige onder hen worden overgecompenseerd.”
Viel Gierik uit de boot omdat de Commermansen vrijdenkende mensen zijn? En is Heibel dan weer te stout en te rebels om “een van de onzen” te zijn (**)?


Thierry Deleu

* Andere (politieke/filosofische) overtuiging, andere seksuele geaardheid, koning-dom, links rebellerend, megalullend, zelfverheerlijkend.
** Als een van de onzen beschouwd door het Vlaams Fonds voor de Letteren.

25 oktober 2008

Willem Deneckere?


















Jo Mallisse heeft een aantal kunstwerken en wil daar graag meer info over of er de waarde van weten.
Zo heeft hij schilderijen waarvan hij niet met zekerheid weet van wie ze zijn.
Zijn overleden vader (zelf kunstenaar) heeft hem vroeger verteld dat die waardevol zijn. Hij meent zich te herinneren dat ze van Willem Deneckere zijn.

Wie over deze twee werken iets meer weet (van wie?), kan met zijn nuttige info bij Jo Mallisse terecht.
Dank.

Jo Mallisse
Krommestraat 5
B-8870 Izegem
BE 0523.684.588
+32 51 300745
+32 473 326232
jo@wood-you.be
www.wood-you.be

24 oktober 2008

"Intriges" van Albert Hagenaars: na 22 jaar nog altijd model voor geloofwaardige poëzie!


















Intriges van Albert Hagenaars is tweeëntwintig jaar een vast product op de (boeken)markt. Dit is een bewijs van kwaliteit!
Bij de eerste oogopslag lijkt het mij alsof ik nieuwe gedichten lees die op een bijna volmaakte wijze een brug slaan tussen toen en nu, tussen de eerste experimentelen en de huidige dichters, behalve zij die aanlopen met parlando’s die hard klinken, maar mij niet kunnen overtuigen.
Om die reden wens ik Intriges opnieuw - en nu ook in Vlaanderen - in the picture te plaatsen.

Voilà, nu kan ik rustig aan mijn bespreking beginnen. Ik heb mij voorgenomen geen bronnen aan te spreken, geen beroep te doen op achtergrondinformatie, met andere woorden: mij niet te laten beïnvloeden of verleiden door andere recensenten, critici en criticasters.
De eerste les die Hagenaars mij geeft, is: opgelet, vele dichters nemen een pose aan! “Poses” is de eerste rubriek (in het vervolg spreek ik van hoofdstukken, kwestie van afspraak).
In “Poses” krijg ik een warm gevoel van binnen: in 1986 wordt de dichter gepakt op zijn geloofwaardigheid. Ben jij echt zó, voel jij zó? Of doe je alsof, leef jij je zó in? Is dit het onderscheid tussen “zijn” en “aanvoelen”, tussen je zelf voelen en het aanvoelen bij een ander, tussen - in zijn extreme vorm - (groot) ego en universeel denken en voelen, zich kunnen indenken en invoelen hoe het bij de ander zou kunnen zijn?
Soms kan het eerste overkomen als egotripperij en het ander als “pose”. Soms. Die twee valkuilen omzeilen maakt grote poëzie, grote literatuur, grote kunst in het algemeen.

Is het de dichter die ademloos voor het raam blijft staan, waarop/het verleden zich, haperend nog, projecteert? Staat hij/dan oog in oog met wat hij een ander ver: achterliet? De dichter woont in Parijs en zijn relatie tot deze stad is ambigu: hij houdt van deze stad, maar hij kan het verleden niet loslaten. Dit verleden bedt hij in: de natuur, het dorp, de eerste liefde. Niet zonder spijt, niet zonder littekens, met kortstondig succes: De pogingen … strandden elke nacht/opnieuw.
Wanneer hij zich hervindt, dan toch voelt hij dat het laat feest, het liefdevolle gebaar, de glimlach verglijden in elkanders pose.

In de kadasters van zijn geheugen ontwaart hij een nooit/dichtbegroeide dynamiek. Dit staat in hoog contrast met doodstil in het statische van de stad.
Dit contrast, deze dualiteit is het gevoelsthema van het eerste hoofdstuk. De dichter maakt de balans op van zoveel reisgeluk en heeft slechts één zekerheid: dat het lustprincipe toch altijd groter blijft.

Bijna logisch luidt het tweede hoofdstuk “Souvenirs”. De dichter herinnert zich zijn jeugd. Hij staart over de brug en ziet de vernederende tocht langs alle klassen,/…, naar de allerlaatste deur,/waarachter hij onlesbaar wacht.

De dichter zoekt het midden van de brug en zo komt hij te staan tussen die/je was en die zich al in je aan het oprichten is.

Zijn jeugd heeft een obsederende invloed op het heden en hij keert terug naar het land, naar de vriendjes/spelend in een te verre boomgaard en de dieren.
Ineens voelt hij weer de pose en wil het beeld herstellen van het gedicht/dat uitzicht biedt op wat door geen/enkele intrige nog wordt verstoord.

In het hoofdstuk “Passages” onderzoekt hij de mogelijkheden van poëzie:

Het knarst, verlengt zich haast, ont-
spoort in het wit. Papier verschuift
waar ik toch geschrokken te luisteren sta

… Wat geef ik, behalve
deze regels achteraf, aan de taalloos witte akkers
ter vulling om ook hier de eigen vorm ter ontvouwen?

… De rafels van het
papier staan hard en driegend in gure klanken.

Met nogmaals leger geworden
papier voor ogen, tracht hij
zich te verliezen in de taal,

Vooral in het gedicht “Ultima Thule” word je getroffen door het gevecht van de dichter met de taal, met het beeld van de werkelijkheid, de pose.

Het maakt zich langzaam los, ont-
trekt die ik aan het gedicht in wording
over wat hem nogmaals ontglipt;

wordt beeld van werkelijkheid, af-
druk in zich op een aan anderen
voorbijgaande taal openende vorm.

Hij laat het gaan, verliest dit zichzelf
ontgaan, bekommert zich niet meer om
alle vragen, vanuit de verte nog begaan,

ontvouwt zich, van alle pose ontdaan,
in wat men hem daarbuiten nog ontzegt.

Berust geheel en al, in deze tekst.

In het laatste hoofdstuk “Linguïsticum” verliest de dichter het pleit. Of hoe kan ik het anders verklaren? De taal is beperkt en daarom een onbetrouwbaar medium.
De gedichten in dit hoofdstuk zijn echter échte parels van taalplasticiteit en verwoording. Hoewel de taal beperkt is, blijkt Hagenaars een taalvirtuoos die met beperkte middelen grootse taalcreaties maakt.
De evenwichtige structuur van de gedichten in “Linguïsticum” brengt rust en maakt tijd voor bezinning. Ik denk hier aan de gedichten III, V en VI, waarin inhoud en vorm één zijn. Het thema blijft hetzelfde, maar de taal lijkt zich in te bedden in een vorm waarin woorden zich windstil en zuinig voortbewegen.

De dichter maakt zich los van de haat en beklemming/van de vroege jaren. Hij beschrijft de overgang/ van vertrek en aankomst,/beweging en stilstand. Hij voelt moeheid, omdat hij steeds weer de indruk heeft dat hetzelfde woord, dat vermaald, d.w.z. kernloos,/niet eens meer kan staan/voor schijn.
Of hij erin slaagt met taal,/zo tussen vorm en model/…/dit te lezene/…te bereiken? Voor mij wel. Uiteindelijk toch.

Aan Intriges ligt een strak concept ten grondslag. De vier cycli tellen ieder tien gedichten, waarin het thema van de vervreemding en het bezweren daarvan centraal staat.

Albert Hagenaars heeft met Intriges in 1986 een uitzonderlijk sterke bundel gepubliceerd: beeldvast, taalhecht, krachtige zegging, innovatieve vormgeving, poëzie zonder franjes, geen barok, eenvoud, in evenwicht.

Intriges kan nu nog altijd model staan voor een cursus “Poëzie schrijven”.



Thierry Deleu

Albert Hagenaars, Intriges, In de Knipscheer, 1986

23 oktober 2008

Philip Meersman

Vlaams-Brusselse dichter - performer Philip Meersman op het XVIe Festival International de Poesia in Rosario in Argentinië.

Poëzie is gesproken woord.
Na de gesmaakte optredens op het internationale poëziefestival in Struga (2005 en 2008), het Nissan Poetry festival in Israel (2007), het festival Curtea d'Arges in Roemenie (2006), het Teranova festival in Frankrijk (2006-2007) en diverse performances in België, Nederland, Bulgarije, Italië en Oostenrijk, steekt Philip Meersman de Atlantische Oceaan en de evenaar over voor enkele performances tijdens het XVIe Festival International de Poesia in Rosario in Argentinië.

Rosario is de grootste stad van de provincie Santa Fe in Argentinië en de op twee na grootste stad van het land na Buenos Aires en Córdoba.
De stad ligt in het departement Rosario. Het ligt 285 kilometer ten noordwesten van Buenos Aires, aan de oever van de rivier de Paraná.
Rosario is het beste bekend als geboorteplaats van Ernesto "Che" Guevara. Daarnaast ook voor de protesten van haar burgers tegen de dictatuur en de daaropvolgende verdwijningen van dezelfde burgers...

Al 16 jaar gaat het Festival International de Poesia in Rosario door. Dit festival stelt de orale poëzie in het centrum van de belangstelling.

Philip Meersman: Poetry performances in België, Nederland, Frankrijk, Italië, Oostenrijk, Bulgarije, Macedonië, Roemenië, Israël, Argentinië…. Poëzie vertaald in het Frans, Engels, Bulgaars, Macedonisch, Russisch, Spaans, Roemeens, Italiaans, Hebreeuws en Arabisch.
Gepubliceerd in diverse internationale literaire tijdschriften, bloemlezingen en festivalpublicaties. Deel van internationaal kunstenaarscollectief DAstrugistenDA en artiestencollectief JA!
Philip speelt met klanken die taal worden en deconstrueert de taal tot individuele klanken. Klank en beeld zijn, meer nog dan de conventie "taal", universele communicatievormen. Conventies rekken, ombuigen, breken en het spelen met woorden, woordbetekenissen en woordbeelden staan centraal in zijn poëzie. Hij staat bekend voor zijn improvisatie- en installatiepoëzie waarin maatschappelijk actuele thema's onder de loep worden genomen.
Woorden zijn de wapens van de experimentele sociaalvoelende stadsmens. Jezelf vrij kunnen uiten en respect hebben voor andermans vrije meningsuiting behoort tot een van de universele basiswaarden van de kunstenaar als mens en de mens als kunstenaar. Woorden moeten vrijelijk kunnen worden weergeven, elke mening doet er toe. De stad is een (poëtisch) experiment, een broedplaats voor multilinguale experimentele interactie.
Meer info: www.myspace.com/spooninmybrain

Philip Meersman krijgt hiervoor een punctuele tussenkomst van de Vlaamse Gemeenschap.

Waar en wanneer:
XVIe Festival International de Poesia en Rosario
Rosario, Argentinie
Van 5 tot 8 november 2008

Meer informatie over de genodigde dichters kan u terugvinden op: http://www.festpoesiarosario.com.ar/poetasinvitados.html

Meer informatie, klankmateriaal of:
Philip Meersman
A. Lynenstraat 25 bus 31210 St-Joost-ten-Noode
Belgium
tel+32 (0)476 576 287
www.myspace.com/spooninmybrainwww.myspace.com/artiestencollectiefJAhttp://www.poetasdelmundo.com/verInfo_europa.asp?ID=4337
skype: Spooninmybrain
philip.meersman@gmail.com
20/08/08-:27/08/08: masterclass poëzie & Struga Poetry Evenings (www.svp.org.mk/)21/09/08: 58T Brussels (www.park58.be)
11/10/08-07/12/08: Workshop poëzie voor www.ghentincap.be
05/11/08-08/11/08 Festival International de Poesia, Rosario (http://www.festpoesiarosario.com.ar)
28/05/09-03/06/09: Antares festival, Romania (http://antares.inforapart.ro/)

22 oktober 2008

Beste vriend (2)

Ah Jan, de kronkels in je hersenpan
zijn voor mij niet te nemen te riskant
want ik rijd de bochten fout houd mij
met moeite in de koers bochtenwerk

is niet aan mij besteed weet dat ik
vergeefs heb geprobeerd ik ben beperkt
en niet flexibel ik durf niet te schrijven
dat ik gezond verstand ontbeer

dit te outen brengt mij bij een sad end
waartegen geen (c)ent gewassen is
ik stap uit de race voor het Grote
Gelijk onze vriendschap dierbaarder

dan het winnen van een rit in de ronde
van het leven even triomferen
en de kansen keren, gegarandeerd.
Moraal: haal boven die vredespijp!

Thierry Deleu

20 oktober 2008

Peter Wullen

HABEAS CORPUS

Met gepaste trots kan ik u meedelen dat ik door de Franstalige gemeenschap van dit land als ENIGE Nederlandstalige schrijver uitgenodigd ben om een bijdrage te leveren aan de prestigieuze tentoonstelling HABEAS CORPUS, die loopt van 23 oktober 2008 tot 30 november 2008 in het kunstencentrum Le Botanique in Brussel.

Mijn gedicht Bukake zal er te lezen zijn naast het werk van de internationaal vermaarde Waalse kunstenares Laurence Dervaux. Tijdens de tentoonstelling verschijnt een boekwerk met foto's van Bruno Lestarquit in combinatie met teksten van de auteurs. In het boek, uitgegeven door Le Botanique samen met het Maison de la Culture de Tournai ,worden nogmaals vier van mijn gedichten gepubliceerd. De deelnemende kunstenaars en auteurs zijn:

Nathalie Amand / Otto Ganz - Stephan Balleux / Nicolas Ancion - Ulrike Bolenz / François Delvoye - Dany Danino / Laurent Courtens - Laurence Dervaux / Peter Wullen - Jacques Dujardin / Rony De Maeseneer - Patrick Guaffi / Colette Nys-Mazure - Morgane Le Guillan / Jacky Legge - Mireille Liénard / Jean-Pierre Denefve - Jean-Claude Saudoyez / Françoise Lison-Leroy

Habeas Corpus, Ed. Maison de la Culture de Tournai, LaGalerie.be, Centre Culturel Le Botanique Bruxelles, Bruxelles 2008, DL 2002/4102/2.

Peter Wullen
Kortrijk 20.10.2008

http://peterwullen.blogspot.com/

17 oktober 2008

Thierry & Ginette nodigen uit...

VLAAMS-NEDERLANDS DICHTERSGENOOTSCHAP
"DE 50 MEESTERDICHTERS VAN DE LAGE LANDEN BIJ DE ZEE"
onder het voorzitterschap van Thierry Deleu
Zandzeggelaan 18-102 – B-8670 Oostduinkerke (België) - 0478/745498 - thierry.deleu@skynet.be


Beste vriend & lieve vriendin,
Kameraad,
Soulmate,

Het zou mij genoegen doen, indien ik jou zou mogen begroeten,
samen met alle Meesterdichters, op de voorstelling van

HOE DE DICHTER ZICH EEN WEG GESELT TEGEN WIND…
het eerste jaarboek van “De 50 Meesterdichters van de Lage Landen bij de zee”

*
VOORSTELLING
op woensdag, 3 december 2008, om 16.30 u.,
in de raadzaal van het Gemeentehuis van Koksijde,
Zeelaan 303, te 8670 Koksijde


Voor de gegadigden is er mogelijkheid om tegen een bescheiden bijdrage te tafelen in de gerenommeerde Hotelschool Ter Duinen Koksijde
20 € all-in (kan ter plaatse worden vereffend)
(aperitief, voor- en hoofdgerecht, dessert, koffie, water en wijn)


Het jaarboek kost 15 € (13 + 2 porto).
Je kunt overschrijven op 000-0900214-54 van de auteur (voor Nederland IBAN BE42 0000 9002 1454 – BIC BPOTBEB1).
Indien je naar de voorstelling en/of hotelschool komt, wordt (worden) het boek (de boeken) je daar overhandigd (in dit geval schrijf je 13 € per ex. over).

Indien je naar de voorstelling komt en/of ook blijft voor het culinair etentje, geef je mij per mail thierry.deleu@skynet.be of op 0478/745498 een seintje


INSCHRIJVING VOOR BANKET IN HOTELSCHOOL KOKSIJDE TOT 5 NOVEMBER

Over Zingen en Spreken - deel 2

Over Zingen en Spreken (of Poëzie vs. Proza)
Deel II



We zijn uitgegaan van de grondgedachte dat het zingen haar oorsprong vond in de behoefte of het verlangen zich als gemeenschap gezamenlijk te verliezen in de productie van roesverwekkende klanken. Zo kon de "ernst van de situatie" (de vele bedreigingen die wogen op de fysieke overlevingskansen van de stam), de "noodtoestand" of de "Staat van Beleg" vergeten worden in het ritmisch uiten van inhoudsloze en betekenisloze klanken, terwijl het spreken juist bedoelt die ernst met voorbedachte rade aan te pakken. Het gaat dus om een afwisseling in de maatschappelijke productie van mensengeluiden (Bruits, de titel die Jacques Attali destijds gaf aan zijn boek over de geschiedenis van de relatie tussen muziek en maatschappij - Attali, Jacques, Bruits : essai sur l'économie politique de la musique, Presses Universitaires de France, 1977). Die afwisseling in de tijd kon moeilijk anders dan uitmonden in een verwevenheid, in een integratie van de éne vorm van mensgeproduceerde geluiden in de productie van de andere vorm en omgekeerd.

Zang & Spraak:
Verweven & Vermengd


1. Poëzie
De eerste vorm waarin de zang verweven werd met elementen uit de sfeer van het spreken, moet ongetwijfeld de poëzie geweest zijn. In de antieke poëzie - zowel de lyriek als het epos à la Homeros - heeft de integratie van het spreken in het zingen reeds een ver gevorderd stadium bereikt en de moderne poëzie is in wezen grotendeels proza geworden. Dichters lezen tegenwoordig hun werk ('werk' is wel het juiste woord, want het gedicht is niet meer door goddelijke Muzen geïnspireerd maar voortgebracht in het zweet van de intellectuele arbeid) zoals geleerden publiekelijk verslag uitbrengen over de resultaten van hun werkzaamheden of zoals politici in het Parlement een wetsvoorstel toelichten.

We stelden dat het zingen een ritmische flux was van preverbale klanken, klanken zonder inhoud dus, compleet informatieloos. En deze flux was bedoeld om een stemming teweeg te brengen, un état d'âme. De flux moet in eerste instantie de vorm aangenomen hebben van muzikale patronen met een begin en een einde. Die patronen bleven voortbestaan in de herinnering en konden dus herhaald worden, temeer daar het zingen ondertussen ook begeleid werd door muziek voortgebracht met primitieve instrumenten: trommels - vermoedelijk dierenvellen die over holle onderdelen van bomen of dikke takken werden getrokken en snaren die opgespannen werden aan een kader van hout. Snaarinstrumenten moeten bedacht zijn op basis van het zingend geluid dat een boog voortbracht wanneer een pijl werd afgschoten. Soit. De zangpatronen kregen zo de vaste en min of meer bevroren vorm van een op zichzelf staande melodie en de ritmische opeenvolging van klanken werd gevat in wat men nu in de poëzie de metriek noemt.

Zo zal men op een gegeven ogenblik de inhoudsloze klanken van de zang vervangen hebben door woordjes en korte voortdurend herhaalde zinsneden. Zo ontstond het lied en het herhalingsaspect vinden we nu nog terug in het gegeven dat songs en chansons opgebouwd zijn als een opeenvolging van strofes en een refrein ('refrein' is etymologisch afkomstig van het Latijnse werkwoord 'refringere' = in delen opbreken). Die vervanging van klanken door betekenisvolle woorden uit de spreektaal verwees dan naar de specifieke situaties waarin gezongen werd en zo ontstond als onderdeel van zekere rituelen een differentiatie tussen oorlogsliederen, dankliederen na de maaltijd, religieuze psalmen, liefdesliederen voor het slapen gaan, liederen om de onbeheerste natuurkrachten (de goden) gunstig te stemmen, liederen die gezongen werden bij de initiatie van jongeren als volwaardige leden in de stam of in de gemeenschap, begrafenisgezangen, enzovoort. Het heilige (sacrale, niet profane) karakter van de zang bleef echter bewaard in het besef dat de liederen geen mensenwerk waren, geen product van het Ik en zijn redelijke logos. Het zingen bleef gezien worden als de uiting van een contact dat men via de ademhaling had met magische, dus goddelijke natuurkrachten in de onmiddelijke omgeving, die men eerde en dus ook vreesde (men eert alleen dat waar men bevreesd voor is). En die natuurkrachten waren dieren, sterrenbeelden, winden en dergelijke en daarnaast de rond dolende geesten van gestorven stamleden, in het bijzonder deze die een specifieke invloed en autoriteit hadden zoals 'koningen' en andere halfgoden en 'helden'. De 'tekst' die in de zang de betekenisloze klanken verving, bleef men beleven als via de ademhaling ingefluisterde stemmen, de Muzes allerhande die de zangers inspireerden ('inspiratie' = het gegeven dat men iets van buitenaf 'ingeblazen' wordt). En de eerste min of meer doordacht uitgewerkte gedichten vangen dan ook steeds aan met een dankbetuiging aan de inspirator. Liederen werd ook niet gemaakt door één welbepaalde enkeling die zich kon opwerpen als de auteur. De auteur ontstond pas met het humanisme van de renaissance toen enkelingen op hun eentje begonnen liederen te produceren en erop stonden dat ze, om in hun ondertussen sterk geïndividualiseerd levensonderhoud te kunnen voorzien, als dusdanig erkenden werden als de schepper van hun werk. Deze evolutie voltrok zich in de Nieuwe en Moderne Tijden waarover onze historici het hebben, overigens in alle kunsten en ambachten: het juridisch geregelde auteursrecht vormt er heden ten dage de specifieke uiting van.

Oorspronkelijk werd alleen het basispatroon van het lied of het gezang in het collectieve geheugen van de stam of de gemeenschap vastgelegd. Voor de rest konden onderdelen van de tekst van een lied steeds vervangen worden door nieuwe zinsnedes of naar believen aangevuld worden met nieuwe coupletten. Vandaar dat populaire liederen destijds zoveel lokale versies hadden en dat epische verhalen (die steeds gezongen werden!) steeds langer werden en opgesmukt werden met nieuwe 'reportages' over het wedervaren en de heldendaden van de figuren die in deze verhalen optraden. De integratie van het spreken in het inhoudsloze zingen lag daarnaast ook aan de basis van het treurspel en het theater waarbij we niet mogen vergeten dat de ganse gemeenschap actief deelnam aan het zingen van de treurspelakten en dat pas in een later stadium diverse acteurs optraden, eerst koren en later ook individuele protagonisten.

Het voorgaande verklaarde ook waarom in het Grieks de dichter aangeduid werd als 'poëet', als een 'maker' van dezelfde orde als een pottenbakker of een beeldhouwer. De etymologie van het woord 'poëet' spreekt voor zichzelf. 'Poieō' betekent 'ik maak, ik stel samen' en die maker van gezangen was een ποιητης, poïêtès, m.a.w. ambachtsman, schepper, maker (in het Engels spreekt men van 'maker' of ook 'makar'). Het Griekse woord werd in het Latijn overgenomen als 'poēta' en in het Oud-Frans van de periode 1200-1400 als 'poëte' of 'poète'. De Engelse term 'poet' werd gemeengoed in het Engels van de 14de eeuw en het latere klassieke Engels en gebruikt voor alle soorten schrijvers of producenten van literair werk. De term 'makar' is eigenlijk de Schotse aanduiding voor een bard en het woord werd als een calque gevormd naar analogie met het Griekse poïêtès. De etymologie van ons woord 'dichter' wordt meestal in verband gebracht met het Latijnse werkwoord 'dictare' ('dicteren') omdat de Romeinse dichter zijn werk dicteerde aan een slaaf (lezen en schrijven waren hoe verwonderlijk het ook moge klinken vaardigheden van slaven; de moderne adel was ook de laatste sociale groep die leerde schrijven, zo'n minderwaardige bezigheid werd overgelaten aan dienaars, i.e. 'ministers' in het Latijn van het Oude Rome). Maar deze etymologie voldoet ons maar half. Zeker moet er ook gezocht worden in de richting van het indogermaanse woord dat in ons Nederlands nu nog bestaat als het werkwoord '(ge)dijen' met de oerbetekenis 'stollen, samentrekken of ook zwellen' en simpelweg met het woord 'dicht' (en mogelijk ook 'dik', dat verwant is met 'dak'). Ons werkwoord 'dichten' (een gat of een bres dichten) geeft precies aan waar de overgang van inhoudsloos gezang naar poëzie betrekking op had: het vullen van een leegte met een betekenisvolle inhoud. Ook het werkwoord 'verdichten' (condenseren van een gas) slaat op een zuiver materieel-productieve bezigheid. Onze Van Dale vermeldt 'verdichten' als twee niets met elkaar te maken hebbende woorden waarvan het eerste de betekenis heeft van 'verzinnen, bedenken'. Maar elke productieve bezigheid is natuurlijk een vorm van verzinnen: aan een betekenisloze grondstof een zin geven. Jaap Kruithof, die zich nochtans marxist noemde (om later te eindigen als een vrij platte misantrope ecologist), zal wel nooit beseft hebben dat een zingever (zijn eerste boek droeg als titel De Zingever!) zich historisch niet bezighield met het zoeken naar antwoorden op grote levensvragen (inderdaad een vrij absurde en dus elitaire bezigheid), maar misschien gewoon proletarisch schoenen of kleren maakte. Dichters verzonnen meestal immers niet in de pejoratieve betekenis van dat woord, zij deden oorspronkelijk gezien eerder aan non-fictie dan aan fictie. En als Fernando Pessoa in zijn wereldberoemd gedicht Autopsychografie de dichter een veinzer noemt ("O poeta é um fingidor"), dan moeten we bedenken dat dat Portugese woord en ons Nederlands woord 'veinzen' beide afgeleid zijn van het Latijnse woord 'fingere' dat simpelweg 'vervaardigen' betekent, zij het dat het vooral gebruikt werd in de betekenis van 'boetseren, beeldhouwen' en we moeten beseffen dat de bijbetekenis van 'zich iets voorstellen', kortom van wat wij nu kennen als faken, pas in een veel later Latijn werd gebruikt.

We wijzen terloops (!?) ook graag op de dubbelzinnige (in de letterlijke zin van dubbel-zinnig) etymologie van het woord troebadoer, in de Middeleeuwen, zeker in de meer zuidelijke mediterrane contreien, toch de dichter bij uitstek. Frans en Engels 'troubadour', 'trov(i)èro' en later 'trovatore' in het Italiaans, 'trovador' in het Spaans, 'trobador' in het Catalaans. Het Occitaanse (Provencaalse) woord luidt 'trobador', dit is de algemene naamval van de nominatief 'trobaire', het zelfstandig naamwoord dat hoort bij het werkwoord 'trobar', afgeleid vermoedelijk van een hypothetisch laat-latijnse vorm 'tropāre', zelf afgeleid van 'tropus', i.e. ons 'troop' (= een figuurlijke uitdrukking van overdrachtelijke aard). De eigenlijke oorsprong is dan het Griekse τρόπος (tropos), verbonden aan het werkwoord 'trepo' (= ergens een draai aan geven). Een andere mogelijke Latijnse wortel is het werkwoord 'turbare' (= omverwerpen, omkeren). 'Trobar' is natuurlijk equivalent aan het modern-Franse 'trouver' (= vinden). In het Occitaans betekent 'trobar' zoveel als 'uitvinden, samenstellen', iemand die 'trouvailles' produceert. We zitten hier weer onze bedenking van daarnet bij de betekenis van het woord 'verdichten' en 'verzinnen'. Een troebadoer 'componeerde' dus zijn werk, terwijl de 'joglar' enkel werk van anderen ten gehore bracht. Deze etymologie treffen we bijvoorbeeld aan in de Larousse en de Petit Robert. Maar er zijn ook etymologen die in de richting van het Arabisch kijken voor de betekenis van 'trobar'. Zij zoeken de oorsprong van het troebadoersgedoe in Arabisch-Andalusische muzikale praktijken uit de 9de eeuw, toen Andaloesië stond voor het Moorse Spanje. Zij komen met het Arabische woord 'tarrab' aandraven, wat (wat dacht je?) gewoon 'zingen' betekent. Er zijn natuurlijk van die lieden die op twee paarden wedden en die beweren dat beide etymologieën (de Latijnse en de Arabische) geldig zijn: de troebadoers zouden bewust ingespeeld hebben op de fonologische coïncidentie van het woord 'trobar' en de drieletterige Arabische wortel TRB in een tijd dat heilige Soefi-Islamitische muzikale vormen met hun thema van de liefde vanuit Al-Andalus naar Zuid-Frankrijk werden uitgevoerd. Het blijkt namelijk dat de concepten 'uitvinding', 'muziek', 'liefde' en 'hartstocht' - samen het betekenisveld van het woord 'troebadoer' - in het Arabisch verenigd zijn in één enkele wortel WJD, die een overheersende rol speelde in Soefi discussies omtrent muziek. Het woord 'troebadoer' zou dat kunnen weerspiegelen.

Kortom: poëzie is de cultuurvorm die, bewust maar in wezen toch geïnspireerd door krachten die precies niet tot het onze psyche teisterende Cartesiaanse Ego beho(o)r(d)en, inhoudsloos klankengezang voorzag van een tekst die thuis hoort in de sfeer van het rationeel-logische spreken. In die visie verwondert het dus totaal niet dat de dichter oorspronkelijk als een producent van materiële waarden werd beschouwd.

Eric Rosseel

16 oktober 2008

Suzanne Binnenmans in the picture!

Wielerdichter Jan Huyghe

Troisvilles

(De Hel van het Noorden begint in het dorp Troisvilles, ca. 160 km vóór de aankomst)

Ik groet u,
Stenen van het Noorden,
ik, schrale pelgrim,
van vreugd en vrees beladen.

Wie zijt gij dan, die jaar na jaar
mij lonkt en dronken voert,
mij strompelen doet, en vloert,
ik, dolende nomade?

Zijt gij vermomde engelen
die tranen troosten met uw heil?
Dan wel naaktgrauwe duivels,
dragonders van de Kwade?

Want in mijn vlees kleeft gij,
waarin gij woelt en nestelt,
waaraan gij slurpt en zuigt,
en vreet als duizend maden.

Gij antwoordt niet, gij zwijgt,
zo zwaar als stenen wegen,
die slepen door uw aarde,
naar loze lust en zoete schade.

Leid mij dan veilig door uw land,
terwijl ik zing met rauwe stem,
dit lied van Troisvilles tot Hem,
mijn simpele aubade.

Zo groet ik u,
Gij, Stenen van het Noorden.
Ik groet u met
wat wankele woorden,
op weg naar uw genade.


Jan HUYGHE

Liefde heeft een zachte huid

Is een met zorg geselecteerde gedichtencyclus van 26 liefdesgedichten, waaronder zeven ongebundelde gedichten, uit de poëzie (1955-2008) van Fernand Florizoone.

De bundel kan besteld worden via overschrijving op rekeningnummer 474-8355151-93
van Fernand Florizoone Guldenvlieslaan 40 8670 Koksijde
Prijs 8 € (evt. verzendkosten 2€)


ZIJ

In haar vruchtbare slaap werd ik meervoud,
zij bevolkte mijn adem,
ik heb de handen vol met haar vrede.

Zij
mijn eiland in blauw water,
mijn vallei van tederheden,
er valt geen hagel uit haar mond,

haar lente heeft zonder omwegen gebloeid,
zij is mijn mooiste zomer.

(uit: Liefde heeft een zachte huid – 200!)

Over Zingen en Spreken (of poëzie vs. proza)

Mensen kunnen op twee manieren "geluid" voortbrengen: zingen en spreken. Het gaat hier om twee gescheiden activiteiten die ook hun eigen activeringsgebeiden hebben in de hersenen (sommige mensen met breinbeschadigingen kunnen soms niet spreken maar wel zingen of omgekeerd; breinschade kan er natuurlijk voor zorgen dat zowel zingen als spreken onmogelijk zijn geworden). Zingen en spreken hebben ook hun eigen historische oorsprong.

Zingen is in wezen het melodisch of ritmisch voortbrengen van inhoudsloze klanken, zoals ook dieren inhoudsloze klanken kunnen voortbrengen. Zingen is niet bedoeld om informatie uit te wisselen en te communiceren maar om jezelf en anderen in een bepaalde stemming of emotie te brengen, "psychische" gesteldheden dus die overigens ook gekoppeld zijn aan een bepaald totaal lichaamsfunctioneren zoals bv. opwinding of rust.

Spreken gebeurt via een gecodeerde taal met een woordenschat (semantiek en semiotiek) en een grammatica voor het aaneenschakelen van woorden tot betekenisvolle zinnen. Het gezongene heeft in wezen geen betekenis, het gesprokene vanzelfsprekend wel. Spreken is bedoeld om jezelf (als je tegen jezelf spreekt) of anderen (als je tegen anderen spreekt) iets te laten doen (als is het gewoon ook spreken - antwoorden dus), dit op basis van woorden en zinnen die door de conversanten (de sprekers of interlocutoren) best op dezelfde manier begrepen worden (zoniet krijg je "misverstanden"). De taal van het spreken berust dus op het verstaan van elkaar. Ze is de grondslag van wij het verstand of de Rede noemen. Zingen vraagt niet meer dan het aanvoelen van elkaar (of jezelf), het ervaren van elkaar (of jezelf).

Doorheen de menselijke geschiedenis zijn zingen en spreken wel met elkaar verweven en vermengd geraakt. Zangen en liederen hadden oorspronkelijk geen tekst of inhoud, zoals het gesproken discours (een redevoering bv.) geen muzikale eigenschappen heeft zoals een melodie. Deze verwevenheid van zang en spraak heeft doorheen de menselijke geschiedenis specifieke problemen veroorzaakt, waar we nog steeds als individu en als samenleving mee kampen, in de zin dat we "zangers" en "sprekers" soms verkeerd gaan interpreteren er dus ook verkeerd op gaan reageren.

Zingen

Zingen blijkt verbonden zijn met hersendelen die veeleer tot de rechterhersenhelft behoren. Met andere woorden de hersenhelft die bedacht wordt met de termen "synthetische waarneming," "gevoel" en het is inderdaad zo dat bij het zingen, veel meer dan bij het spreken, het ganse lichaam betrokken is.

Zang is een in elkaar overvloeiend patroon van klanken dat niet uiteenvalt in discrete van elkaar afzonderbare eenheden. Dit geldt zowel voor het zingen met open mond als met gesloten mond, m.a.w. neuriën waarbij geluid via de neus wordt voortgebracht. Van oorsprong is zingen een animaal, dierlijk gegeven, een niet doordacht voortbrengen van klanken. Het is oorspronkelijk een collectieve activiteit: zingen werkt aanstekelijk op de mensen in je omgeving. Het zingen zal zich vermoedelijk bij de prehistorische mens ontwikkeld hebben in momenten van niets doen, zoals bv. na het eten waarbij men in groep rond het kampvuur min of meer doezelde. Zingen veronderstelt een min of meer volledige uitschakeling van het bewust denken en een dergelijke bewustzijnstoestand kan inderdaad tijdens de spijsvertering optreden. En in dezelfde zin is het niet verwonderlijk dat we ook in momenten van roes, bv. bij het drinken van alcohol of bij het dansen, min of meer spontaan beginnen te zingen.

Het zingen gaat ook gepaard van een gevoel van eenheid met de omgeving, zowel met de mensen rondom je als met je fysieke omgeving: de grensen tussen ons zelf en de buitenwereld vervagen en worden opgeheven. We bevinden ons dan in een toestand van wat wel eens het kosmisch bewustzijn wordt genoemd en wat Freud aanduidde als het "oceanisch gevoel". Vandaar dat zingen zo gemakkelijk onderdeel vormt van "spirituele" of "religieuze" bezigheden.

Kortom: zingen kunnen we associëren met Ik-verlies, met een verminderd van het reflexief bewustzijn, met roeservaringen en met een synthetisch niet-objectieve ervaring van de werkelijkheid: de werkelijkheid ervaren we niet gefragmenteerd tot op zich zelf staande "objecten".

Spreken

Spreken heeft zijn pendant in activiteiten van delen van de linkerhersenhelft, dat het biologisch substraat zou vormen voor analytisch denken waarbij we de wereld waarnemen als een geheel van elkaar afgezonderde objecten, voor logisch denken en voor rationaliteit. Of meer in het algemeen voor al deze psychische activiteiten die zich voltrekken via het gebruik van een gecodeerde en gearticuleerde taal. Het is een daad die het voorwerp wordt van zelfbeheersing, vandaar dat bij het spreken niet het geheel lichaam meebeweegt en mee-resoneert.

De asymmetrie tussen de twee hersenhelften zou zich onwikkeld hebben bij de primaten. Het uitstoten van klanken, waaruit zich dus het zingen heeft gevormd, kon in principe bij elke lichaamsactiviteit optreden. We zien dat reeds de halfapen in grote meerderheid hun linkerhand (en dus hun rechterhersenhelft) gebruiken om in boomkruinen naar voedsel te reiken en om het vast te pakken, terwijl ze hun houding in de boom verankerden met de rechterhand (en dus de linkerhersenhelft). Toen de mensapen meer en meer op de grond traden, werd omwille van hun groter gewicht en steviger skelet het sturen van de houding in de bomen minder noodzakelijk en kwam ook de rechterhand vrij voor het manipuleren van voorwerpen. Maar vanwege zijn overgeërfde ervaring met betrekking tot het handhaven van de lichaamshouding bezat de rechterhand meer kracht en een grotere controle over de aanwending van de hand dan de linkerhand. En zo zou de rechterhand zich hebben kunnen opwerpen tot de dominante hand. Toen de eerste hominiden verschenen, circa vijf miljoen jaar geleden, waren de rechterhand en -arm reeds dominant geworden voor bijna alle handelingen van mensapen op de grond. Binnen deze evolutie bij de primaten bestaat er ook een verband tussen rechtshandigheid en de taal die door de linkerhersenhelft wordt gecontroleerd. "Communicatie" bij primaten bestaat doorgaans niet alleen uit geluiden, maar ook uit gebaren met armen, benen en het hele lichaam, bewegingen die vaak nogal wat evenwicht en behendigheid vragen wanneer een dier ze in een boom uitvoert. Het leven in de bomen moet dan belangrijke eisen hebben gesteld aan een efficiënte communicatie. Daarom mag verondersteld worden dat de linkerhersenhelft, die al klaar was om de houding te sturen, de communicatievaardigheden gingen "beheren" die afhankelijk waren van de houding, zoals de ademhaling vanuit de longen. Het patroon bleef bij hogere primaten bestaan en dus werd doordacht en doelgericht stemgebruik en later dus taal in de zin van het uitwisselen van informatie een zaak van de linkerhersenhelft.

De taal, het spreken, is derhalve ook wezenlijk verbonden met doelbewuste arbeidsactiviteit. Het inwerken op en het bewerken van de omgeving stoelde op een analytische waarneming van de wereld: de arbeid vereist dat de wereld als een kosmisch geheel uiteenvalt in gescheiden deelobjecten, die logisch met elkaar verbonden kunnne worden. Zo verschijnt de gesproken taal als samengesteld uit afzonderlijke eenheden die naar die geanalyseerde fragmenten van de werkelijkheid verwijzen: afzonderlijk op zichzelf staande woorden die volgens een bepaalde logica kunnen verbonden tot verstandelijke zinnen waarin overdraagbare informatie was vervat.

Het spreken kenmerkt zich dan ook niet, zoals het zingen, door een in elkaar overvloeiende flux van klanken, maar verschijnt als een rapsodie van discrete eenheden die op basis van bepaalde regels en procedures frasen vormen en deze op hun beurt kunnen weer de elementen vormen van een verstandelijk opgebouwd betoog of een redevoering. Deze ganse analytische inbedding hangt dan samen met een visie opp de wereld als een objectieve werkelijkheid, een werkelijkheid bestaande dus uit buiten ons te situeren zelfstandige voorwerpen. Niet alleen die voorwerpen zijn scherp van elkaar afgegrensd, de spreker beleeft zijn situatie ook in termen van een markant onderscheid tussen hem zelf (wat het Ik of het Ego zal worden) en die objectieve werkelijkheid, waarin hij, zoals bij het zingen, niet is opgenomen maar die tegenover hem staat als een vreemd gegeven. Bewustzijnsverlaging (roes, invloed van drugs zoals alcohol) leidt dan uiteraard tot een gebrekkig spreken met verlies van de beheersing van de spraakkunst en dergelijke.

Kortom: spreken kunnen we associëren met een analytisch wereldbeeld, met het onderscheid tussen binnen (Ik-besef) en buiten (de "werkelijkheid" en verhoogd bewustzijn.

Eric Rosseel

15 oktober 2008

Gedichten Stadsdichter Oostende 2008

(Gedicht september 2008)

Voorgelezen in "Het zuiden van Europa"
n.a.v.: viering 30 jaar overlijden Jacques Brel


Cher ami,

Dit is geen zicht,
Heeft geen toekomst.

Zie,
Hoe de tijd zich rekt in lange a’s

Van haven,les marquises, et si j’étais,
Uw dienaar, votre servant,

Uw verdriet, uw hoop
En pijn, als je soms alleen

Of dronken van het leven
Het spoor bijster

Uitschreit dat het genoeg is,
Teveel. Dat het moet

Gedaan zijn met al die zever,
En doen alsof de zee van iedereen is.

En als overal de verveling toeslaat,
Ver van alle verwondering,

De wereld aan al die het zien wil
Haar gat toont,

Dan lonkt de kater,
En anders ook.

Ja, ook dan,
En ook andersom,

Of niet soms


(Gedicht augustus 2008)
Zomerliefde

In een witte ruimte
Met een wit baldakijn
Waarin witte woorden
Witter zijn dan rijm.

In een stil gefluister
Ik in jouw verhaal.

Als jij nu eens zeggen zou:
‘Wees welkom in mijn wereld,

Ja, vertel me in je witste woorden.’
Mijn witte bruid.

Nooit was witter
Zo wit als wit toen kon zijn,

Zo diep als mijn zwaarste woord.


3de Stadsgedicht:
TAZ

Het regent en het is laag water,
Het is laag water en het regent.

Een straatveger buigt zich
Over het probleem, zie hem

Rondkijken en dan, wegwezen
Een andere straat in, waar alweer …

Schapen vluchten voor de boze wolken,
Een regendans wordt ingezet, de aartsengel

Blijkt een zanger te zijn,
Het vuur uitgevonden door een blinde.

Naakt loopt een meisje door de stad,
Laat iedereen in haar verbeelding kijken.

"Kom, kom," fluistert ze, "kom dan toch!"
Mannen gaan met elkaar op de vuist,

Een ander wordt gedood.
Wie goed luistert, voelt het water stijgen

Tot aan de lippen.
Iemand prevelt het tweede gebod.

En in de straten van de stad
Loopt een man met zijn verbeelding te koop:
En toont de uitgang naar het Nu.


(Gedicht juni 2008)
Hier.
(Brief uit Oostende aan Joke van Leeuwen)


’s Ochtends vallen hier geen woorden te rapen
En in de grond van mijn hart is niets dat bloeit
Om over naar huis te schrijven. Neen, niets.
Geen woorden komen mij aangewaaid. Ook al

Woon ik aan zee en ben ik welbekend
Met mijn omgeving, niets valt hier te rapen.
Enkel wat losse schelpen of een dode meeuw,
Soms een aangespoelde zeemeermin.

Iedere namiddag, zeker op zondag,
Regent het hier oude wijven, en dan zwijg ik nog
Over het kindergebroed dat de taal verbastert.
Ik versta er niets meer van. Zo raar dat die klinken.

’s Avonds, of tijdens de nacht zou men denken,
Komt de muze en fluistert aan mijn linkeroor
Haar zoete klanken, en met mij haar zuchten naar roem.
Niets, geen woord. Ik weet het,

Misschien moet ik mij eens (om)draaien, van richting
Veranderen, of uit mijn losse pols een ode schrijven
Aan het niets, dat niet komt en nooit zal zijn,
Dat er nooit is geweest, of toch?

Hier is het alle dagen congé!
En jij daar in Antwerpen, staat de koffie klaar?


(Gedicht mei 2008)
Don Quichot aan zee

(Niet dat Don Quichot zelf ooit écht heeft rondgedoold aan zee.)

Op zee hadden ze niks gevonden.
Ook langs de kust niet.
Ze keken uit over zee,
Maar begrepen de taal van de sterren,
Het metriek stelsel,
En de snee van de gulden sneden niet.

Men sleepte ijzer aan met vrachtwagens.
Bonden dit samen tot een constructie
Die liet hopen dat ze stand zou houden.
Na gemeten en gepeild te hebben,
Het schietlood nog in de hand,
Goot men, door zware vrachtwagens aangebracht
En via een ingenieus systeem, alles vol beton

Op zee hadden ze niks gevonden
Ook langs de kust niet.
De wind kwam van ergens,
Die zou verandering brengen.
Er zou verandering komen,

Maar hoe, wist men nog niet.
Maar het leek een goed plan.


Eddy De Buf

Cobra Bar

Cobra Bar

haar man is 71 en oud
ze had 30 jaar in een boekenwinkel gewerkt
en verleden jaar
is die failliet gegaan

ze heeft helemaal niet het uitzicht
van een serpent

en fitim distilleert niet langer zijn zwart drankje
"Cobravenijn"
dat tien jaar geleden
de vrouw in de vrouwen gek maakte
in de vroege uurtjes
als de volle maan vanop de stoep zichtbaar was
en Kosovo over Brusselse lippen liep

ik spreek teveel in woorden en in zinnen
ik ben teveel spraakkunstigheid
en overbodig speeksel

ça n'ira pas zeggen haar gekruiste armen
en als een verloren lief
zet ze me thuis af
voor mijn open deur

net als de wolken de maan verduisteren
en een straat verderop
twee kinderen alle hoop verliezen

Eric Rosseel

Woorden in Verleden Tijd

Woorden in Verleden Tijd

Ze dacht dat
de tijd gekomen was

Ze dacht dat
het kind in haar buik
negen maanden telde

En de Chinezen
niet droomden van
de volle maan

De oogst al rijp stond
en de aardappelen op het vuur
gaar waren
Haar rok gestreken was

Woorden niets te vertellen hadden
over de tafels en stoelen
die toch maar bedenksels waren
van maskers en veinzers
erger nog van gewetenloze leugenaars
en goddeloze priesters

De dood haar eeuwig leven deed

Rood en zwart samen
de wereld kleurden

Eric Rosseel

14 oktober 2008

Gedichten van Jan Huyghe

Accordeon aan vaders bed

Alles is allang geschreven,
ook ’t laatste woord nu dra gezegd.
De stilte is een web aan ’t weven,
en ’t witte kleed is klaargelegd.

Ach pa, wil ik een lied nog spelen,
van land of zee, -schoon klaart de dag-?
De tijd die rest zullen we delen,
in deze avond als dat mag.

Hij vouwt zijn handen op de sprei,
zijn mag’re vingers in rozet.
O ja, speel mij de purpre hei!
Ik start een muzikaal gebed.

Pa vindt het mooi, hij sluit de ogen
als hij de zachte tonen hoort.
Terwijl zijn lippen langzaam pogen
een glimlach bij ’t ultiem akkoord.

Vader is moe, na zoveel jaren.
Hij zong voor mij toen hij mij won.
Nu zal hij zelf de nacht invaren,
met ’t spel van mijn accordeon.

Mijn lied is uit. Vadertje slaapt.
Ik hoor geen taal, ik zie geen teken.
Maar d’adem die zijn keel wat schraapt
is mèèr dan duizend zinnen spreken…


Jan Huyghe
Oostduinkerke, 10 sept. ‘06


De waard van het Estaminet "In de Peerdevisscher"

Kom van Limburg of van Rijn:
hij is de boude wachter
die groet,
met het woord van de zee.

Stuurman ooit,
op vreemde wegen,
in vervoering,
voor al wat handen vormen.

Nu hoeder van het erf,
waar tijd in gebed ligt,
en sluimert langs herbergzaamheid.

Kophard en bast van kokos,
-een jeugdspoor richting Kongo?-,
maar doorgedrongen tot de vrucht:
zoete melk en een zacht hart.

Lise was zijn paard
dat zijn woeling zadelde,
tot wiege-roes op zalig water.

De waard,
hij trekt garnalen vingervlug,
mikt ‘t schaalhuis parabool-precies.

Voor Bleksje Treksjes lied:
een tong als slotakkoord.
Van vijf vadem ver,
vlak in de klak.
Levende vers.

Geen knaap deinst achteruit:
“Maurice, waar graast Briek?”
“Kom mee jongen! Kom!”

Jan Huyghe,
IV.X.MMI

Ter gelegenheid van de feestelijke huldeontvangst van de h. Maurice Denecker, na 27 jaar afscheidnemende waard van de museumherberg Estaminet "In de Peerdevisscher" op het domein van het Nationaal Visserijmuseum van Oostduinkerke.
Koksijde, XX.II.MMIV


Voor Nelly Huys

wees welkom in dit hangend boek
van mantel, pak, blouson en broek
draai het van buiten traag naar binnen
wil, klere-gek, het goed beminnen
eerst was er ’t lijfelijk model
plat of rondborstig, ’t zoet duel
van lang of kort met de lintmeter
van dun of dik, asceet of vreter
en uit ’t papier, potlood en gom
kroop het patroon, recht, rond of krom
dan snijden, knippen, modelleren
wat jassen passen, retoucheren
tot slot nog naaien met ’t machien
de lappen samen op stramien
om op het eind met liefdeblijken
die kouwe kleren warm te strijken

dit album, eerst van naald en draad
van stik en stof, van maat en naad
was eertijds echte haute couture
en is nu zeefdruk, ets, gravure

kom, neem een kijkje, doe als thuis
blader en droom, in Nelly’s huis


Jan Huyghe
Oostduinkerke, 2 mei ‘04

Cursiefje van Jan Westerman

Zaterdag 11 november. Wapenstilstand.

Ik spring over grachten, klauter over balies, sluip onder prikkeldraden. Links en rechts zwoegen kameraden door het modderige veld, op één rechte lijn, over een breedte van wel tweehonderd meter. Vooruit! Vooruit! Af en toe valt er een schot. Telkens weer een harde, droge knal die openspat tegen de stilte van het land. In de verte wenkt de kerktoren van Pollinkhove. Daar trouwden pa en ma, 59 jaar geleden. Nog even volhouden, dan zijn we aan de rand van het dorp. Hijgen. Mijn enige wapen is een stok, in mijn rechterhand. En links draag ik twee, nog warme hazen. Ze wegen als lood.

Op de begrafenismaaltijd van mijn vader, 29 september, nodigde nonkel Robert mij uit op de grote klopjacht van zijn zoon Steven. Nonkel Robert is de broer van mijn moeder. Hij is ook mijn dooppeter. Zeventien maanden eerder nam mijn familie afscheid van mama. Ze was 79, stierf na tien maanden ellendige strijd. Papa volgde haar, niet eens anderhalf jaar later. Hij was 90, is uitgegaan als een kaarsje. De oude krijger was moe. Zo was ik mijn beide ouders kwijt, in geen tijd. Dat is onwezenlijk, ondanks een normale sterfleeftijd.

Ik kon de uitnodiging van nonkel Robert, -hij is zelf al meer dan 80-, onmogelijk in de wind slaan. Nonkel was boer op de grootouderlijke hofstede in Pollinkhove. Daar boerde eerst zijn vader, mijn grootvader, Omer. Nu boert de kleinzoon er, mijn neef Steven. Drie generaties. Nonkel is geboren op die hoeve, diep verscholen tussen de plooien van lichtglooiende aarde en gras. Ook mijn moeder is daar geboren. Nonkel en tante Laura rentenieren nu op de dorpsplaats.

Het was 25, misschien wel 30 jaar geleden dat ik nog op pépé’s en nonkels boerderij was. Ach, ik reed er ’s zomers wel eens met de fiets voorbij, meewarig kijkend naar die eindeloze dreef die naar het hof leidt. Maar het erf, de velden en de weiden errond, die had ik sinds mijn jeugd nooit meer betreden.
Nu kon ik niet anders dan op nonkels uitnodiging ingaan. Ik kon niet meer vluchten, ik werd er naartoe gejaagd, gedreven, als een stuk wild, naar die plaats waar mijn moeder op de wereld kwam. Waar mijn vader haar zocht, en vond. Met een groot, maar bang hart, want pépé was streng.

Een gammele gesloten camionette rijdt ons naar de volgende track. We zitten op langszij geplaatste banken, met achttien op elkaar geduwd, kloppers en schutters, stokken en geweren rechtop. En tussen onze benen, vier van spanning trillende honden, tong uit de kwijlbek. Crack, zit! Baron, zit! De witte rammelbak mist een achterdeur. In dat open gat staat één van de jagers. Hij is achterdeur. Dan gaat de chauffeur bruusk op zijn remmen staan. We vliegen allemaal vooruit. Hela! Bruut! Kalmpjes aan hé, wil je! Hahaha!
“Komaan jongens, allemaal eruit”, gebiedt neef Steven. “En verspreiden, een klopper, een schutter, van hier tot aan de beek. Honden bijhouden.” Daar gaan we weer, op één linie. Steven stapt stevig naast me, maar maïsstrobbels doen me strompelen, bieten doen me wankelen. Dan eensklaps nerveus geritsel tussen de bladeren, de panische roep van een opvliegende fazanthaan. Bàng! Aangeschoten. Crack! Apporte! Apporte! Crack legt de stuiptrekkende haan aan Stevens voeten. Hij neemt hem bij de kop, doet de romp een paar keer om zijn as draaien. Drie seconden later is de vogel dood. “Zo doe je dat”, zegt Steven, “de nek breken, korte pijn.”
Later op de dag doe ik het zelf. Fazanten dansen pirouette, een paar gekwetste hazen geef ik met mijn stok de genadeklop. Het zegt me niets, het doet me niets. November, slachtmaand. Aldus de Druivelaar. Is dit zo? Dat vraag ik me af. Nee, dit is oogsten, na de gewassen van het veld volgt het wild van het veld, alle vruchten van Moeder Aarde. Zo is het al eeuwen, altijd. Zo moet het altijd zijn.
Steven beheert zijn 500 ha grote jacht als een puntstipte econoom. Het jaar door rijdt hij ’s nachts op lichtronde, telt zijn hazen. Dunt kraaien en eksters uit. Centrale stukken van zijn revier worden nooit bejaagd, fazanthennen niet geschoten. Hij belichaamt de ongeschreven code van de edele, zaaiende jachtheer.

Tussen twee tracks door gaat de jeneverfles rond. En één plastic glaasje. Met slijkspatten op, en sporen van gras en bloed. A la guerre comme à la guerre.

De laatste track gaat breed en wijd rond het hof Omer-Robert-Steven. Vader, broer en neef van mama. En ik, haar zoon. Hoor ik een jonge stralende vrouw zingen in de wind, in het ruisen van de bomen? Zie ik een sterke jonge man op z’n fiets de lange dreef naar het erf opdraaien? Misschien, misschien… Ik kan me beheersen. Want die hartverscheurende, door merg en been snijdende kreet van het sidderende kalf zonder hinde, in deze vlakte van oorsprong en dood, slaak ik niet.
Nog vier hazen en twee fazanthanen. In een plas spoel ik het bloed van mijn handen, ik was ze, in onschuld. En dan, in het water dat weer stil en koel wordt, meen ik even hun gelaat te zien…

Het tableau is één grasperk weelde. Overvloedig was het land vandaag.
Het aperitief bruist van sterke jachtverhalen. Tante Laura heeft gekookt, nonkel Robert, -pépé boer zeggen z’n kleinkinderen-, presenteert zijn zelfbereide hazenpastei en hoofdvlees. Ik speel accordeon, en zing, “en in het bos daar zijn de jagers”. Jonge drijvers, stoere schutters, in de beste plaats van dit herenhuis zingen we de duisternis op hol.

Elf november. Nu moet ik maar de wapens neerleggen. En aanvaarden…

Jan Westerman

13 oktober 2008

Over "De doden zwijgen niet" van Thierry Deleu



















De uitgever
“Na zijn “Creuse Trilogie” (drie romans met als decorum de Creuse) en de psychologische roman Klamme handen, waagt de auteur zich nu aan een politieroman.
De doden zwijgen niet leest als een trein; de spanning jaagt de lezer bladzijde na bladzijde naar de ontknoping; de personages zijn mensen van vlees en bloed. Een verhaal dat gebakken koek is voor een filmscenario.
De moord op informant Maarten Decock is het startsein voor een onderzoek dat gekleurd en fout getekend wordt door leden van de Antwerpse GDA zelf. Sporen die zouden kunnen leiden tot hun betrokkenheid bij drugstrafieken worden genadeloos uitgewist.
Moord en wedermoord is de rode draad in het verhaal.
Met De doden zwijgen niet geeft Thierry Deleu duidelijk blijk van métier en een groot inlevingsvermogen.”
(achterkaft)

Paul van Leeuwenkamp
“Ik heb op Mallorca De doden zwijgen niet met plezier gelezen. De toon (die van een feitelijk verslag van gebeurtenissen) is denk ik het sterkste punt. De personages komen voldoende tot leven om de ontwikkelingen van het verhaal te dragen. Er is afwisseling en vaart en er zijn verrassende wendingen om de lezer snel door te laten lezen. De uitstraling van de factiën wordt versterkt door de proloog en de epiloog, waarin de auteur de indruk wekt dat het verhaal zich baseert op echte gebeurtenissen, die in de Vlaamse politiek en op de Vlaamse TV aandacht hebben gekregen. Of dat zo is, weet ik niet. Als stijlfiguur is het in ieder geval efficiënt, want het verstrekt de uitstraling van feitelijkheid.”
(Paul van Leeuwenkamp - mail 07.09.2008)

Albert Hagenaars
“Ik kan zeggen dat de stijl mij bevalt. Ik kom daar op terug.”
(Albert Hagenaars - mail 07.09.2008)
Zoals ik eerder aangaf, heb ik het boek met plezier gelezen. De koele, soms klinische zegging en pakkende beschrijvingen passen goed bij het onderwerp en verliezen daarbij niets aan vlotheid. De opbouw van spanning verloopt soepel. Bovendien is de vervlechting van (veronderstelde) realiteit en fictie knap uitgevoerd. Het was gelet op dit laatste een uitstekende keuze om een proloog en epiloog toe te voegen, die een meerwaarde vormen.
De doden zwijgen niet is als verhaal een geslaagde politieroman geworden, die niet alleen voor Vlaamse lezers een aanbeveling opgespeld mag krijgen.

Peter Motte
“Deleu koos voor deze politieroman een stijl die sec is. Maar de gebeurtenissen zijn dat niet. Sec, ja, wat de stijl betreft. Maar niet sec wat de inhoud betreft. Daarvoor gebeuren er te veel moorden, en zijn er te veel berekenende personages die een dubbele rol spelen. De roman opent met een moord, en met twee verdwenen politieagenten. De dode blijkt een informant te zijn, en zijn moord zet dus een heel mechanisme in gang dat het misdaadmilieu verstrengelt met het politiemilieu. Het verhaal wordt in het Antwerpse gesitueerd, maar er zijn links met Nederland, Frankrijk en zelfs Ecuador. De link met Ecaudor, het saptraject, is trouwens geen fictie. Het verhaal behandelt echter niet het saptraject, het is hoogstens een van de vele achtergronden die de auteur als inspiratie voor zijn roman gebruikte, en waar o.a. ook de politicus Patrick Janssens in rondwaart - overigens enkel als iemand die toevallig eens wat moet zeggen.
De reële feiten dienen alleen maar om de aandacht te versterken, niet om er iets over mee te delen. Het verhoogt ook de herkenbaarheid van het verhaal, wat Deleu nog verder versterkte door het niet in zuiver standaard Nederlands te willen schrijven, maar de voorkeur te geven aan invloed van de spreektaal. Maar wees gerust: dat verhindert de verstaanbaarheid niet, en verbetert vooral de couleur local, het typische Vlaamse karakter van het boek. Wie “sappig” dialect zoekt, zoals dat heet, zal worden teleurgesteld. Niet in het minst omdat het zogenaamde “sappige” dialect eigenlijk niet meer bestaat - voor zover het al ooit heeft bestaan, behalve in de verbeelding van enkele “dialectschrijvers”.Vlot leesbaar boekje, dat na een dagje uit is. Liefhebbers van politieverhalen zullen het graag gelezen hebben.”
Peter Motte in de (voormailge) Tijdlijn (2008)

Louisa Goetgebuer, woordkunstenares
Een knap ogend boek en het genre “politieroman” heeft je keuze bepaald: gemakkelijk leesvoer in afwachting van mijn bestemming. De trein zet zich in beweging, samen met het verhaal.
De drie eerste regels nemen je mee naar de Somme, een streek die je toevallig vorig jaar bezocht, en onmiddellijk zit je mee in het verhaal. Je nieuwsgierigheid brengt je zelfs tot bij Abbeville, stad waar je tijdens diezelfde vakantie óók zélf logeerde.
En het hek is van de dam...
Gebaseerd op ware feiten loodst deze roman ons in een wereld van doofpotacties, informanten, infiltraties in drugshandel en in georganiseerde criminaliteit, maar dit alles bínnen de muren van politiekantoren, GDA personeel, Belgische Recherche, Franse Opsporingsbrigaden en Nederlandse Inlichtingendiensten.
De personages die de puzzel stuk voor stuk bij elkaar leggen bestaan uit Johan Dewever, Antwerps commissaris en zijn twee partners Dirk Soenen en Maïté: collega’s met een hechte band en zéér menselijk benaderd door hun literaire schepper Thierry Deleu.
Daartegenover beschrijft hij ons een corrupte wereld van dubbelspel. We stellen ons vragen bij hoofdcommissaris Michotte, bij Karel Zuidbergen, hoofd Gerechtelijke Dienst Antwerpen en zijn onderzoeksagent Chambaere, bij parketmagistraat Danielle Lagrou, bij Bernard Caby, de man die een cruciale vertrouwensfunctie heeft bij de CRI, de Centrale Recherche Informatiedienst van buurland Nederland.
Samen met Caby en Chambaere zitten we midden in geheime onderzoeken die zich onttrekken aan het toezicht van magistraten.
Intriges vol argwaan, van onafgebroken observaties, van moord en van zelfmoord.
Intuïties en gevoelens bouwen onrust en spanning op. Het verhaal neemt je mee, slorpt je op. De dialogen zijn gevat, de acties snel. Het verhaal boeit en ontroert.
De personages worden levende mensen. Maïté wordt nu eens Sam naast Witse, dan weer Tony uit de Flikkenreeks. Johan Dewever heeft vele karaktertrekken die
Hubert Damen ook neerzet in de figuur van Witse. Vooral zijn hardnekkigheid en zijn liefde voor het vak. In de andere Liefde zie ik hem dan weer als Koen De Bouw: mooi, ruig, eerlijk, verleidend.
Zelfs de achtervolgingsscène is geweldig in beeld gebracht: geen James Bond in een Astor Martin maar wel de sfeer en de actie er van.
Ernest Hemingway schreef ooit “Easy reading is hard writing”. En remember: Kunst komt van Kunnen en niet van Willen.
De misdaadthriller wemelt van actie en reactie, van mensen geboeid door liefde voor hun vak, m.a.w. de Kunst van het Schrijven.
Iedereen weet: een verhaal staat of valt met geloofwaardigheid. Niets in deze thriller is vergezocht of bij de haren gesleurd. Er zit veel beweging in. De doden zwijgen niet léést (inderdaad) als een trein... treffender kan men het niet zeggen!

Wat heeft Emile Verhaeren met Rainer Maria Rilke? Christina Guirlande weet het!

Wat heeft Emile Verhaeren met Rainer Maria Rilke?

Beide neoromantische maar ook visionaire dichters voelden zich de laatste erfgenamen van een vroegere cultuur, maar waren zich eveneens terdege bewust van de nieuwe tijd die zich aandiende. Toch liet niets vermoeden dat hun wegen elkaar zouden kruisen …

Voor Christina Guirlande, zelf een gerespecteerd en bekroond auteur van kinder- en jeugdboeken, verhalen, essays en gedichten, zijn beide schrijvers zeker geen onbekenden. Zo vertaalde zij onlangs (in opdracht van het Provinciaal Verhaerenmuseum in Sint-Amands) de in 1907 verschenen dichtbundel La Guirlande des dunes die algemeen beschouwd wordt als zijn echte begin van Verhaerens “Ronde van Vlaanderen”.

Op een toegankelijke, actuele en verrassende manier laat Christina Guirlande ons niet enkel kennismaken met de hoogtepunten uit het literaire oeuvre van beide dichters, maar wijst zij ons ook op de linken, ontmoetingen, verbanden en wisselwerkingen : het uitgangspunt van deze confrontatie waar onstuimige hartstocht en innerlijke bewogenheid troef zijn.

Het bestuur en de kunstenaars van idCollectief Hamse Kunstkring nodigen u dan ook van harte uit op deze literaire babbeldie doorgaat

op ZONDAG 26 oktober 2008 om 15 uur

in de galerieruimte van het idpluscenter aan de Sint-Jansstraat 27 te 9220 Hamme
Literator Christina Guirlande is onze gastspreker
Hugo De Wit geeft fotografische ondersteuning
idCollectief zorgt voor koffie en gebak

Om praktische redenen vragen wij u om uw komst op voorhand te melden.
Dit kan rechtstreeks in de galerie tijdens de openingsuren of telefonisch via het nummer 0476 28 31 94 of via Christina Guirlande, 052/ 21 44 32, of guirlande.vdeede@skynet.be.

Met medewerking van Stichting Lezen

10 oktober 2008

Glazen jas

ONMACHT MET WOORDEN IN TOOM GEHOUDEN!

Bij Nieuw Amsterdam Uitgevers verscheen de nieuwe dichtbundel van Gerry van der Linden, Glazen jas. Zij debuteerde op jonge leeftijd met de bundel De Aantekening. Inmiddels heeft ze diverse gedichtenbundels en romans op haar naam staan. Al bij het lezen van het eerste gedicht voel ik aan dat de dichteres overhoop ligt met zichzelf en de buitenwereld. De wijze waarop zij haar gevoelens verwoordt, verraadt niet zozeer haar kunde, - het métier -, maar veeleer de spontane beweging van haar pols, de souplesse waarmee zij “hoofd en hart” in eenvoudige woorden neerschrijft.

Een blonde jongeman klopt
aan mijn deur
je bent niets veranderd zegt hij
bonenstaak

ik slinger naar de keuken
wat wil je? Niets zegt hij
en valt achterover


In dit begingedicht onthult de dichteres haar probleem. Zij verklaart hoe zij individueel en mét “een blonde jongeman” in een gat valt, hoe hij verdwijnt en zij dan pas beseft wie hij is geweest. Dit eerste gedicht heeft mij opgehouden, zo gepakt was ik door de kracht van de sobere verwoording, maar ook geprikkeld door het ongewone waarvoor ik niet direct een uitleg - lees uitweg - vond.

Was die “blonde jongeman” “De jongen met oren ha ha/als koolbladeren”? Is hij “de man met een glazen muil/een man met fonkelende oren”? Is hij “King Ear” of “King Clear” (twee titels)? Veeleer zou ik opteren voor “King Clear”. Dit gedicht is duidelijk het sleutelgedicht.

hij wil drinken uit een glas
ziet haar niet komen
ze draagt een glazen jas


Een vreemde op bekend terrein
Na deze initiërende gedichten (de lezer wordt ingewijd en de boodschap is duidelijk) splitst de dichteres haar bundel op in vier afdelingen, kamers, ruimten, waarvan de vierde mij veeleer overkomt als de hervonden link met de buitenwereld.

Eerst Huisraad, de eerste afdeling. “In de familie zitten grote neuzen,” schrijft de dichteres in het titelloze begingedicht. Wat hier opvalt, is het overdrachtelijk gebruik van de woorden “neuzen” en “oren”. Koppen met “gebroken neuzen”, “neuzen (er)naast ogen oren/ledematen”, “neuzen geplakt in familieboek/oren gewassen”, “neuzen gefatsoeneerd”. Dit is haar dichtste wereld, de eerste kring, de family circle waartoe zijzelf behoort als het meisje dat zich koestert in de zon en het zachte gras op weg naar school. De dichteres vindt haar weg niet in deze eerste kring en ook op school “vertrekken vriendinnen”, is zij “school ziek/gang bang”. Ze kijkt met verwondering tegen haar familie aan. Ze herkent zichzelf niet in haar afkomt en haar leefwereld. Ze voelt zich een vreemde op bekend terrein.

Over de liefde (tweede afdeling) heeft de dichteres gemengde gevoelens. Ook hier duikt die vervreemding op, of veeleer het zoeken naar haar identiteit, naar het nut van haar bestaan in die vreemde wereld die haar “opeist”, “omarmt, “consumeert”. Het gedicht Liefste ligt stil behoort zonder twijfel tot de beste uit Glazen jas.


mijn huid spiegelt in de onze
zelfs nu liefste is de dag zoals wij
opzwepend

maakt niet uit wie mooier slimmer
wie we zijn hier en nu nog

hou je hand erop val door het gat
dat brandt in mijn hand


Ook in de liefde verliest de dichteres de controle over haar identiteit. Ook hier vindt zij geen bevrijdende herkenning, geen rust, geen levenslust. Is de geliefde een “praatjesmaker”, een “passagier”, een “reiziger”? De dichteres blijft over met “slijtage”, “een droom”, “schaduw van de zon”.
Aan “gegeten, gedronken, gedanst”, aan “afspraken”, aan een “vergaande wandeling” heeft zij niet genoeg.

Een opstoot van verzoening
In de afdeling Drie gedichten voor Luan klaart de hemel. Hoewel de dichteres zich onmachtig voelt tegenover het beeld dat ze van zichzelf en de anderen heeft, kan haar zoon Luan haar tijdelijk verzoenen met de wereld in en om haar. Kort, want ook nu weer “herkent zij niets”:

ik herken niets
dat sporen uit de weg ruimt
ik herken niets dan eigen stem
in die van hem


De sleur van de banaliteit, de handel en wandel van de mensen, de geruchten in de straat overheersen in de derde afdeling, Rumoer.

Morgen valt de zee achterstevoren
drinkt eb vloed
vaart zonder aankondiging
de hemel los

morgen draait de wind
zonder mededogen
kapseist drijfhout
niets grandioos voor de boeg


Humor, wapen tegen vervreemding
De dichteres maakt een trieste balans op van alles wat haar inzicht vertroebelt en de kans op uitzicht vermindert. Zij wordt wanhopig en juist die wanhoop, die onmacht probeert zij met woorden te beheersen. Zij beschrijft wat haar om(k)ringt: het huisraad, de familieregels, de stad, het werk op de kade, de leugen, de onverdraagzaamheid. Tijdelijk voelt zij zich bevrijd van die onmacht als zij op reis gaat. Vooral in Slovenië (het gedicht Slovenia!) voelt zij minder de behoefte om zich te wapenen tegen de snel veranderende wereld: “Ze slaat de vrolijke ober gade/aan het meer van Bled/ze is een vrolijke bezoeker/negen en negentig treden/draagt de bruidegom zijn bruid/zo veel moet hij van haar houden/de muziek zet in/bergen/zetten haar in ogenschaduw/het keurslijf van pret moddert aan de fles” (cursivering TD).

Wanneer zij de poëzietempel verlaat, heeft de dichteres niet het gevoel dat haar woede gekoeld is, dat zij het leven accepteert, maar toch is in de vierde afdeling van de bundel, Andere tijden intussen, een zekere berusting aanwezig, zij relativeert beter, ze hanteert humor als wapen tegen haar chronische identiteitscrisis.

hier
hebben we geboekt
aan zee inheems hutje
traditioneel naakt
hier
hebben we geruild


Gerry van der Linden bewijst met Glazen jas nogmaals hoe zuiver zij haar gevoelens kan verwoorden in eenvoudige poëzie. Zij verstaat de kunst om de soms zware thema’s op prachtige wijze te relativeren.

* Gerry van der Linden, Glazen jas, Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2007

Zoute veren

LYRISCHE ONTBOEZEMINGEN IN DICHTVORM
OF HOE BARBEL GEIJSEN ERIN SLAAGT IN PARLANDOTOON POEZIE TE SCHRIJVEN!



Bärbel Geijsen (°1968) debuteerde in het tijdschrift “Raster”, nr. 107, 2004, met het gedicht “Een verre vriend”. Zij werkt als freelance journaliste.

Niets liet toen vermoeden dat zij het talent had om gedichten te schrijven die nu zijn opgenomen in haar eerste bundel Zoute veren. “Een verre vriend” is geen slecht gedicht, maar het mist lichaam, lijf en leden, het is te veel vlees zonder been, het lijkt wel een puberale smeekbede om aandacht. Wat ik nu lees in Zoute veren, heb ik in 30 jaar recensiewerk nog niet ervaren: Geijsen schrijft droge, heldere, precieze poëzie, die moeiteloos uit haar opkomt, of het lijkt zo. Sedert Esther Jansma heb ik niemand gelezen die het zo onverwacht en humoristisch en toch zo ontzettend spontaan kan verwoorden.

Deze debuutbundel is ongetwijfeld een veelzijdige eersteling, of beter: het is nu al de bevestiging van een groot dichterschap, verrassend nieuw in verwoording en beeld: de wijze waarop Geijsen in een rustige parlandotoon haar lyrische, persoonlijke bespiegelingen verpakt, is nooit eerder gedaan.

Was dat misschien de reden waarom ik bij een eerste, vluchtige lezing op mijn notitieblad schreef: “Praten op papier” en mij de vraag stelde: “Is dit nog poëzie?” Waarschijnlijk. Bärbel Geijsen waagt zich op de rand tussen poëzie en proza, tussen gedicht en “ingesnoerd proza”. Zij blijft echter “dichten” in plaats van “schrijven”, opmerkelijke beelden kiezen, woorden, regels, bespiegelingen maken die zij onthutsend mooi afrondt en relativeert. Dit is pure klasse. Ik ken andere dichters die zich aan zo’n waagstuk verbranden en proza schrijven in dichtvorm.

In het openingsgedicht “Zoute veren” valt Geijsen met de deur in huis: dàt is mijn verhaal, dàt is mijn probleem (1), dàt is mijn verwerking(2).

Ik had al kramp van de kantlijn (1) klamp
me vast aan de nautische module zoute veren
niet gezocht om de vondst maar ambtelijk
serieus ontwikkeld...(2)


De gedichten die volgen, zijn een panoplie van haar “zielsroerselen”, de thema’s van haar poëzie verrassen niet, omdat ze zo herkenbaar en bekend zijn, maar ze worden wel verrassend verwoord en verbeeld. Vader, de verdwenen vader, moeder, de dichteres, haar lief, de wijze waarop zij op elkaar willen gelijken, elkaar afstoten, elkaar uitproberen, elkaar weerzeggen, elkaar liefhebben en haten.

… om niet
onder te doen voor eigen
gebruik. Probeerde daarnaast
zijn moeders uitzicht regelmatig
te verschonen…
(p. 7


Arm kind ben ik ineens
geen briefje meer dat je mee
naar school neemt maar van vlees
en bloed gewoon…
(p. 9)


Vooral het gedicht “Vel vol glorie” heeft mij diep getroffen, niet alleen door de taal, het beeld, het cynisme, maar vooral door het thema van de stervende vader. Hoe zij hier op onovertroffen wijze het einde van haar vader beschrijft: zijn angst, zijn wanhoop, zijn smeekbede om aandacht, om eeuwige waardering.


Zijn laatste wens: niet vastgelegd
te zijn, begenadigd verlaten.

… steeds
worden hem tekens van leven
opgedrongen, zijn laatste perkamenten
vel vol glorie.

… Hij smeekt,
de hoge armen radeloos, om hem
te laten gaan, een opgeschreven dode
(p. 11)


Niets is wat zij heeft verwacht en in die onvolkomenheid probeert zij te overleven, deel te nemen aan de tekorten, verzuchtingen, tegenslagen en kleine successen van haar naasten, zich een weg te banen doorheen een wereld waarin zij nauwelijks nog “idealen herkent”.

Wat mij ineens overvalt, is de gedachte dat “de vriend” uit haar gedicht “Een verre vriend” (Raster, 2004) haar blijft fascineren, en dit gedicht is in de bundel opgenomen. Ik vind hem overal terug. Hij is bepalend aanwezig. In de gedichten “Ware liefde” en Mijn echte ogen” b.v.:

Ze overhoorde een gesprek
nam de rol die hem op het lijf
geschreven was voor het gemak
ook even door en door en merkte
de hare: hier zou ze inhouden
daar gewoon hem laten gaan.

(p. 17)


Mijn echte ogen branden in je
afwezigheid. Daar loer ik al
in je puntzak voornemens
om er een onder uit te halen,
terwijl ik aan je gezicht
je laatste kansen zie
opgaan in rook…
(p. 21)


Bärbel Geijsen heeft het in haar debuutbundel voortdurend over “Hij”. Soms lijkt hij de vader, dan haar lief, haar man, “de verre vriend”, maar allen beantwoorden haar liefde niet of toch niet “de ware liefde”.
Zij stelt hun falen vast, zij reikt hun de hand, zij lacht om hun onbeholpenheid, hun egoïsme, hun machogedrag, zij treurt om haar onmacht, zij gaat schuilen in humor en cynisme. De bundel blijft mij boeien, vasthouden, omdat ik geen afdoend antwoord vind op de vraag naar “het hoofdpersonage” van haar gedachten, gevoelens en bespiegelingen.
Ook Bärbel Geijsen weet het blijkbaar niet als zij “Hoera” (gedicht, p. 29) roept. Hierin zegt ze dat ze “al sinds jaren dag” droomt, dat zij “voor altijd van jou” houdt, dat zij niet weet wat zij geworden is: “fotograaf te zijn, ontwerper,/timmerman, zanger of zelfs beter/zangeres…” . Hoor in bovengenoemd gedicht hoe zij relativeert en overleeft:

… Hoera
het is nog maar tien uur en nu al
ben ik overal geweest en nergens
toe gekomen.
(p. 29)


Bärbel Geijsen schreef een gave bundel persoonlijke poëzie waarmee zij “als de bliksem” haar plaats opeist in de literatuur van de Lage Landen bij de zee. Haar thema’s zijn triest, maar worden rationeel behandeld, zij dagdroomt, maar die dromen zijn kort, want de realiteit schemert er steeds doorheen.


Thierry Deleu

Bärbel Geijsen, Zoute veren, uitgeverij De Bezige Bij Amsterdam, 2007, ISBN 978 90 234 2540 3

Hulde aan Jacques Brel




















Hulde aan Jacques Brel.
30 jaar na zijn overlijden.

Een leven boordevol muziek.

Jacques Brel was een intelligent, moedig en teder kunstenaar. Hij kwetste anderen maar ook zichzelf, daarom is hij zo echt. Hij is en blijft een Brusselaar van geboorte, maar ging zich bewust in Parijs vestigen. Wanneer wij Brel bewonderen via zijn chansons waarin hij op uitbundige, tedere, maar soms ook wrange wijze, de mens en de natuur bezingt, is er toch iets wat wij als mensen van de streek herkennen: ”Le plat pays”. Als hij zingt over Vlaanderen, gebruikt hij zijn stem als bijkomend expressiemiddel.

Het was niet gemakkelijk om bevriend te geraken met de poëet, componist, zanger. Zijn broer Pierre liet meer vriendschap blijken. Jacques had zijn chansons en zijn gitaar en het enige wat voor hem telde was het verkondigen van wat hem op het hart lag. Misschien ging het bij hem nooit om de duur, maar eerder om de kwaliteit en de intensiteit van het leven.

Een leven als een vuurpijl.

Er rijden nogal wat treinen door zijn repertoire. Durven vloeken tegen God Revolte en durf zijn hem eigen. Hij is geobsedeerd door weggaan, weg zijn en steeds weer ergens anders opduiken. Volgens Brel is talent de wil om een droom waar te maken en dat kan alleen door keiharde discipline, heel veel zweet en zeer hard werken. Brel was eveneens te rusteloos om zich te lang met hetzelfde bezig te houden. Brel die voor menigeen zon in het leven bracht, dacht dat hij anders was dan anderen. Hij vond zichzelf aartslelijk en ook aartsdom, omdat hij geen universiteit had gelopen. Hij heeft de zon meegenomen in zijn graf.
Anderzijds zat hij boordevol energie en was hij zeer levenslustig. "De chanson," zegt Brel, "is nog grote noch kleine kunst, het is geen kunst. Tout court." En over boodschappen in chansons zegt hij dat alleen de postbode is die ronddraagt. En toch, zegt een vriend van hem, had Brel wel degelijk een boodschap of liever een schreeuw: "Ik heb tederheid nodig, iedereen heeft er nodig."
Over vrouwen dacht hij: "Eerst zijn het engelen en dan duivels (les femmes toutes des salopes)." Wanneer iemand vroeg wat het belangrijkste in zijn leven was, zei hij: "Om echt eerlijk te zijn dat ben ik."

In Zonnebeke-Zandvoorde,in West-Vlaanderen, daar bevindt zich het geboortehuis van zijn vader. Tien jaar na de dood van Jacques werd op de gevel van het huis een gedenkplaat onthuld. Jacques werd als tweede zoon geboren op 8 april 1929 in Schaarbeek (Brussel). Hij was geen braaf kind, geen gemakkelijk baasje en had geen aanleg voor schoolse vakken. Bij de Jezuïten kwam daar herrie van. Hij schrijft verhalen om te ontsnappen aan een voor hem doods leven. Zijn ouders waren eigenaar van een kartonfabriek, waar hij aanvankelijk op het kantoor "werkte". Als "burgerman" kon hij zijn draai niet vinden en hij deed er niet veel meer dan componeren en gedichten schrijven en daar was uiteindelijk niemand mee gediend. Zijn broer Pierre was een harde werker. Met alle complicaties van dien.

Jacques Brel zong in bejaardentehuizen op zondagnamiddag om wat bij te verdienen. Dit was zijn beginperiode in Roeselare.

Hij huwt Miche, die hij ondanks talloze affaires, eigenlijk altijd trouw is gebleven. Miche was zijn anker in het leven. Ook als de dood naderde, bleef hij dit zeggen. Zij heeft hem in alle omstandigheden gesteund en is steeds in hem blijven geloven. Haar eigenlijke naam was Thérèse, zij schonk hem drie dochters aan wie hij vrijwel zijn volledig inkomen stuurde. Chantal en Isabelle, maar vooral France waren zijn oogappels. Deze laatste mocht met hem en zijn minnares Maddlij Bami mee op zeiltocht rond de wereld die eind 1974 aangevat werd. France stapte echter in Hong-Kong van de boot na een felle ruzie met de minnares. Brel verbleef met deze laatste op het kleinste eiland van de Markiezen, Hiva-Oa, waar zij samen zijn laatste levensjaren deelden.

Terug naar Europa

Brel vliegt op zekere dag naar de begrafenis van zijn vriend Jojo, die aan kanker gestorven was. Daarna vliegt hij terug naar de Canarische eilanden, waar hij tijdens een autorit, een stekende pijn in de borst voelt: "Ik sterf, ik sterf," zegt hij. In het ziekenhuis stelt men vast dat ok Brel aan kanker lijdt.
Hij wordt geopereerd. Fotografen en journalisten beginnen hem als gieren te achtervolgen. Hij maakt nog een laatste plaat: hij haalt nog een keer vernietigend uit naar les "flamingants". Als die precies reageren zoals hij had verwacht (interpellaties in de Kamer incluis),lacht hij in zijn baard. In Parijs vroeg een bewonderaar hem: "Wanneer zien wij je weer op de planken?" Lachend antwoordde Brel: "Ik zal straks met een andere vorm van planken te maken krijgen." Brel sterft in Zwitserland op 49 jarige leeftijd. "Hij wou sterven," beweert een vriend. Dokters beweren dat indien hij zich om de zes maanden had laten onderzoeken, hij veel langer zou hebben geleefd. In 1977, één jaar voor zijn dood was hij al uitgeweken naar Frans-Polynesië. "La ville s’endormait" gaat over een naamloze stad waar Brel ongemerkt komt om te sterven. Hij roept een prachtig sfeerbeeld op rond zijn ziek zijn en zijn aftakeling. Vlaanderen zou hem nooit vergeven, dat hij met het schandlied "Les Flamingants" onbarmhartig hard op hun hart had getrapt, terwijl hij met "Le plat pays" de mooiste ode aan hun land bracht.

Brel heeft nooit vergeten.

In 1953 trad hij voor het eerst op voor een groot publiek in het Casino van Knokke. Op deze plaats was hij één jaar eerder als laatste geëindigd in een liedjeswedstrijd. Hij was het hoongelach van die eerste avond nooit vergeten. Na de voorstelling gaat hij het juichende publiek beledigen en noemt ze "bourgeois" en "snollen". Brel kan zich dat nu als vedette permitteren. Hij durft ook later nog laten voelen dat hij kwetst, omdat hij gekwetst werd. Hij distantieert zich nooit helemaal van "ces gens là", ook al omdat hij na zijn jeugd met een bourgeoisnest moest afrekenen.

In 1981 werd de "Brel-stichting" die gevestigd is in de Passage van de Brusselse Kruidtuinlaan nr44, opgericht. Deze stichting wordt vooral gedreven door France, de tweede dochter van Brel. Ook Chantal en Isabelle en hun moeder Thérèse Brel-Michielsen verleenden hun medewerking. Brel blijft wereldwijd beroemd. En nu 30 jaar na zijn dood treuren zijn fans en vele anderen nog om zijn heengaan. Gelukkig blijven er zijn teksten en zijn mooie liedjes.

En, binnen afzienbare tijd zal iedereen ook zijn boot kunnen bezichtigen, die naar België werd gebracht en opgeknapt zal worden aan de Belgische kust.
Wij kijken er met zijn allen naar uit!

Lidy De Brouwer.