Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans

Stichtingsdatum: 1 februari 2007


"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"

"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.

29 februari 2008

Van het concert van het Leven krijgt niemand het programma...

Verdriet en dankbaarheid gaan samen
nu wij afscheid moeten nemen van

H e n r i P A R M E N T I E R

Weduwnaar van Simonne Delaere
Echtgenoot van Rika Cottyn

Musicus, componist, accordeon-virtuoos
Ere–docent Rijksnormaalschool te Kortrijk
Muzikaal Ambassadeur - Stad Izegem
Gewezen Dirigent "Thoriz Blaaskapelle"

Levensgenieter en volksvriend.

Geboren te Izegem op 27 februari 1923
en er overleden in de Sint-Jozefskliniek
op woensdagavond 27 februari 2008,
trouw aan zijn overtuiging.

De vrijzinnige afscheidsplechtigheid,
met opstelling van de asurne,
vindt plaats in Zaal ISO, Sint-Jorisstraat te Izegem
op zaterdag 8 maart 2008 om 10.30 uur.

Aansluitend volgt de asverspreiding op de asweide
van de begraafplaats aan de Reperstraat te Emelgem.

Voor een laatste groet aan Henri bent u iedere dag van 15 tot 19 uur welkom
in het Uitvaarthuis Snoeck, Leon Defauwstraat 1 te Izegem
tot en met woensdag 5 maart a.s.

Ter Wallenstraat 15 - 8870 Izegem
Jacob van Arteveldestraat 15 8870 Izegem

Rouwbetuiging on-line

(Meegedeeld)

28 februari 2008

Frank Decerf in stadsbibliotheek van Oostende

Overzichtstentoonstelling

Momenteel loopt in de stadsbibliotheek "Kris Lambert", Wellingtonstraat7 te Oostende een overzichtstentoonstelling van de Oostendse auteur Frank Decerf.
Naast nog nooit vertoond archiefmateriaal en authentieke stukken zijn ook zijn poëziekaders en poëzievazen te bewonderen.
Doorheen de tentoonstelling krijgt de bezoeker een overzicht van het leven, het werk en de roeping van Frank Decerf.
Een gratis informatiebrochure is voorhanden.
Dit uniek evenement kan nog worden bezocht tot en met 15 maart 2008.
De toegang is kosteloos.

Wie meer info wil kan terecht bij:
decerf_frank@skynet.be
of via 059 50 85 74
Schapenstraat 29,8400 Oostende.

27 februari 2008

"Heibel" hors concours!

HET BESTE DAT EEN AUTEUR OVERKOMEN KAN!

Het nummer 1 van de 13de jaargang van “Heibel” kon niet in de bus en mijn attente buur bracht het naar boven, samen met Neckermann en het bericht dat ik op het punt stond een BMW te winnen indien ik mij zou abonneren op “Reader’s Digest”. Zo’n kans laat je niet schieten! Mijn dag kon niet meer stuk, zeker als je weet dat mijn vrouwtje de hele godganse nacht werd geplaagd door buikloop en krampen en… het ontbreken van bananen, geraspte appeltjes, worteltjes, oud brood en rijst. Gelukkig brachten havervlokken redding.
“Heibel” krikte mij op en ik gooide mij in de strijd met het blad, zijn grondigheid, zijn laborante degelijkheid, de vele artikels, het dikke dossier over Gerard Walschap… Ik had zoveel gepland voor vandaag: voortwerken aan het eerste jaarboek over “De 50 Meesterdichters van de Lage Landen bij de zee”, de biografie over een burgemeester, de voorstelling van mijn nieuwe (politie)roman, De doden zwijgen niet, in de bibliotheek van Koksijde, enkele artikels voor her en der over dit en dat. Ik kies echter voor het lezen van de nieuwe “Heibel”. Omdat het blad geen blad voor de mond neemt? Omdat het nagels met koppen slaat? Omdat het literair Vlaanderen een blauw oog durft te bezorgen? Omdat Frans Depeuter stelt dat hij een humanist is (tot het tegendeel bewezen is)? Zeker, maar ook omdat ik bijleer, opgeboeid geraak, gepakt, voortgestuwd, omdat ik bij generatiegenoten te gast ben.

Het dossier Walschap geeft mij grootmoedig gelijk: de mens is een opportunist, hij (zij ook of nog meer!) leeft van opportuniteiten, hij past zich aan, hij is flexibeler dan hij wil toegeven, hij hunkert naar succes ten koste van zijn “ingetepelde” ethiek. Mijn vriend zaliger, kunstschilder Marcel Coolsaet, zegde mij dit veertig jaar geleden: “Wat konden wij, artiesten, anders doen dan meedoen met den Duits om toch ons ei te kunnen leggen?” Toen ik inquisiteur Maurice Dewilde bezig hoorde, kwam ik tot dezelfde conclusie. Toen een toogvriend het over zijn vader in die zin had, was ik helemaal overtuigd: “Je moest niet collaboreren, om den Duits inschikkelijk te zijn!”
De geschiedenis van de Vlaamse auteursverenigingen is bovendien al even troebel als de avonturen van Walschap met zijn Duitse uitgevers. Bij het begin van de bezetting kwamen de media onder de controle van de Propaganda-Abteilung die te Brussel was gevestigd. Alle culturele verenigingen waren verplicht zich bij de provinciale cultuurdiensten aan te melden. De Federatie der Vlaamsche Kunstenaars meldde zich onmiddellijk. Ook de VVL verklaarde zich - weliswaar voorzichtig - tot samenwerking bereid. Hoe dan ook, in januari 1945 werden van de 202 leden die de VVL in 1940 telde er 25-tal geschrapt.
Soit, “deze vaststellingen houden geen veroordeling in van de vele kleine Vlaamsgezinde mensen die in de jaren ’40 geloofden in een nieuwe, betere wereld…”
Zijn Ferdinand Verknocke, Jozef De Belder, Blanke Gijselen, Wies Moens, Filip de Pillecyn, Valère Depauw, Willem Putman daarom Duitsgezind? De een al meer dan de ander. Er zijn anderen die niet vrij te pleiten zijn van Deutschfreundlichkeit. Depeuter, Hannelore, Van den Broeck en ik zijn van net voor de oorlog, we kunnen hier niet van beticht worden. Of is het enkel een kwestie van geboortejaar?
Ik was amper een paar maand toen de oorlog uitbrak. Ik herinner mij wel de schuilkelder of zou het van horen zeggen zijn? Wevelgem had een vliegveld (nu nog hoor) en de bommen vielen er met trosjes neer, eerst Duitse dan Engelse. Mijn ouders en ik verlieten ons huis dat in de vuurlijn lag en trokken naar het grensdorpje Rekkem waar wij inwoonden bij oom en (uiteraard) tante en hun twee kinderen, mijn grote nicht en mijn oudere neef. Ik herinner mij dat wij gingen spelen op de kiosk en soms rechtover in een groot café. Ik beet op een dag in de arm van een “ongelukkige” buurjongen en mijn tante bond mij stevig vast aan de “buzestove” (Mechelse kachel). Ik was er ook bang van Kolle met de haak die mij in de regenput zou trekken, maar tante maakte met die misvatting een abrupt einde: ze duwde mijn hoofd in het water. ’s Avonds mocht ik ook geen licht meer hebben in de slaapkamer. De feeks! Hoewel zij later de vriendin van mijn vader zou worden, toen haar man, mijn moeders jongste broer, aan kanker overleed. O ja, ik herinner mij nog levendig alsof het gisteren was, hoe de “witten” de inboedel van de “zwarten” naar beneden op straat gooiden en hoe mooie meisjes plotseling veranderden in kale wezens zonder uitstraling. Bij de bevrijding woonden ook twee Engelse soldaten bij ons in, of beter: ze waren gekazerneerd in de weverij dichtbij en kwamen al van ’s morgens ons thuis gezelschap houden. Vooral Joe is mij bijgebleven, hij was de oudste, kalende, hij had een goed hart en speelde met mij. Later heeft hij nog jaren Turks fruit naar ons opgestuurd.
“Was Walschap ‘correct’ of ‘fout’ tijdens de oorlog?” Dit is de hamvraag, hoewel ik daar niet van wakker lig. “Heibel” heeft echter gelijk dat de redactie “de historische mythe” wil ontkrachten en het “cordon protecteur” wil optrekken die rond Walschap hangt. “Heibel” stelt zich de vraag: “Wat is waarheid en halve waarheid, wat is verzinsel en leugen? Wie was Walschap buiten zijn boeken?”
Frank Hellemans schreef in “Knack” van 30.08.06: “Nooit ging het beter met de Vlaamse literatuur dan tijdens de Tweede Wereldoorlog.” Gerard Walschap b.v.: 50.000 ex. voor zijn Een mens van goede wil. Walschap lag ook goed in de markt bij het Duitse volk. Hij begon zich gewillig te nestelen in de burgerlijke plooien van de fascistische staat.
Het dossier Walschap is zo goed onderbouwd en Depeuter probeert zijn objectiviteit geen geweld aan te doen dat ik nu al halsreikend uitkijk naar het derde deel “Teksten en getuigen”.

Ik heb met de glimlach de laudatio gelezen die Robin Hannelore schrijft over zijn soulmate Frans Depeuter. Je moet het maar durven! En nochtans kon ik geen hagiografische wanklanken bespeuren. Ook Deflo en ik zijn even oud. Ik werd even opgehouden door de leperds van het college die mij in een zevende jaar dropten. Deflo kwam in de Kortrijkse normaalschool aan via de Militaire School en de unief. En daar zaten wij dan en we leerden goed en werden leraar Nederlands-Geschiedenis. In 1963 hadden wij onze eerste gezamenlijke publicatie de wereld rond de kerktoren ingestuurd: Proweezie, gedichten van mij, een kort verhaal van Deflo en twee korte verhalen van Walter Margo. Of zo ongeveer. In 1966 stelde ik Lionel voor om een tijdschrift op te richten. Hij koos voor de naam “Kreatief”. Het jaar na mijn legerdienst (1965) kwam dan mijn eerste gedichtenbundel uit: Met de teerling. De literaire microbe had zich voorgoed vastgezet in mijn nog jonge leden. Het vervolg beschrijft Frans Depeuter in deze “Heibel” op blz. 126-127. Zoals Depeuter en Hannlore werden wij beiden regent. Behalve de wilde droom die ons tot bij “Kreatief” bracht, hebben Deflo en ik geen andere dromen collectief gekoesterd. Ik verdween van de scène, hij bleef verweesd achter, was verbitterd, klaagde mij aan en ik trok met “Boulevard” aan de bel. Nadien kwamen wij elkaar nog een paar keer tegen en nooit was er van enige vijandschap sprake. Toch niet bij mij.
Frans Depeuter en Robin Hannelore bleven vrienden. Deflo en ik gingen uit elkaar. Toch bleef ik hem nauwlettend volgen, geholpen door Marcel Coolsaet die mij het goede en het slechte nieuws met regelmaat "doorvertelde". Deflo en ik zijn nu 68 jaar. Amen.

Ik vind toch dat Frans Depeuter in “Een ruit kapot dat was een schot van Japie van de hoek” hard duwt in een zachte stront. Indien het zo zou zijn dat Kruithof “de oude Vlaamse zelfgenoegzaamheid door kerk en haard gekoesterd” bestempelt als de enige boosdoener voor de ondergang van onze westerse beschaving, dan zou ik dit van de professor niet verstandig vinden. Er zijn ook andere spelers die daarvoor verantwoordelijk (zouden kunnen) zijn. De mens is de mens, of hij nu diep gelovig is of even fundamentalistisch vrijdenkend. Ik hou niet van deze extremen: de kop en de staart van een eindigende eeuwigheid zijn mij te ideologisch, te indoctrinair, te dogmatisch. Ik hou niet van mensen die mij zeggen wat ik moet geloven of hoe ik mijn leven moet invullen. En hierover zijn Depeuter en ik het wel eens: “een echte humanist omhelst niet alleen het vrij onderzoek, maar ook tolerantie, pluralisme, solidariteit, dialoog, gelijkwaardigheid, democratie”. Kortom: ik heb respect voor de andere op voorwaarde dat deze door zijn fundamentalistisch denken en handelen niet verhinderd wordt om respect voor mij op te brengen.
Waarom een kruistocht organiseren tegen mensen die beweren dat het christendom schuld heeft aan “Der Untergang des Abendlandes”? Zij die dit beweren, zijn blind. Waarom de gelovige christenen met de vinger wijzen? Zij zijn het niet die hebben aangezet tot inquisitie, tot broedermoord, tot banvloek. Ik hou net zo weinig van de “Kerk van Rome” als van de “Moskee van de Islam”.
De politiek, Frans? Koppel jij nu niet ten onrechte de politiek aan de filosofische overtuiging? Het Idee aan de uitvoering? De Kerk aan de Staat? Akkoord, de SP.a is weg gegroeid van zijn basis: de werkmensen, maar dit verwijt geldt ook voor al de andere die beweren sociale partijen te zijn of aan een sociale politiek te doen. De mensen steken hun tong uit naar de politiek. Wantrouwen tegenover het openbare gezag heeft altijd bestaan, maar de kloof is nooit zo diep geweest. In de ogen van de mensen is er een nadrukkelijk verschil ontstaan tussen wat zij willen en wat een politicus doet.
De mensen zitten met het gevoel dat de politicus “andere” belangen verdedigt dan de hunne: de belangen van “standen”, drukkingsgroepen en organisaties.
Burger en politieke klasse zijn daardoor van elkaar vervreemd, ondanks de veelvuldige “contacten”. De mensen voelen dat de politicus in grote mate met zichzelf (zijn portemonnee) en zijn “achterban” bezig is.
Een politicus die verkondigt dat hij een maatschappelijk ideaal heeft, waarvoor hij wil leven en moeite doen, wordt door niemand meer geloofd. Het grote publiek heeft al te veel van die valse “roepingen” meegemaakt, te veel valse kaarten zien uitspelen.
Er is nood aan een politieke beweging, die tot in het merg gehecht is aan de stelling: de democratie is er voor de mensen, door de mensen en van de mensen.
Niet de zogezegde onverschillige, stiekem frauderende burger moet naar de politiek worden “teruggebracht”. Maar de politicus moet opnieuw een beweging richting burger maken. Hij moet oplossingen kunnen aanbieden voor de spanningen tussen de bevolkingsgroepen, het aangetaste leefmilieu, de onveiligheid, de hoge criminaliteit, de gerechtelijke achterstand.
De politiek opnieuw verzoenen met de mensen betekent ook dat vele bemoeienissen vermeden moeten worden. De politiek moet iedereen zijn kamer aanwijzen, niet zeggen waar de deur en de trap hoort te staan. Van zodra de politiek dat laatste doet, wordt ze voor de mensen iets vijandigs. Echte politiek is het oplossen van conflicten die zich in elke maatschappij voordoen. Maar ze moet niet andermans leven willen inrichten.
Een belangrijke reden is ongetwijfeld het verdwijnen van de ideologische “zekerheden”. Velen voelen zich bedrogen. Niet alleen de mensen in totalitaire regimes (het communisme). Ook zij die de verloedering van de christelijke waarden meemaken. De implosie die zich de jongste jaren heeft voorgedaan, is daar het resultaat van. De ideologische verschillen worden nog wel eens uit de kast gehaald, maar niet meer uit overtuiging. Het zijn veeleer dekmantels geworden die moeten verhullen dat het in onze politieke democratie in wezen om wat anders gaat: om macht en eigenbelang. De mensen weten dit, voelen dit en balen.
Naast het verdwijnen van de “ideologische verschillen”, doet zich in ons land een tweede verontrustend verschijnsel voor, met name de corruptie en het cliëntelisme.

Julien Vangansbeke, een trouwe compagnon de route, blijft ook mijn “hersentjes met appelmoes” mixen tot een lekker gerecht dat toch met enige voorzichtigheid moet worden genuttigd.
Ik vermoed dat Julien en ik ongeveer even jong zijn. We hebben dus samen veel van hetzelfde meegemaakt: de windhaan Elsschot die een schot in de roos lost, de deemstering van het grote talent Claude Krijgelmans die ook mij “ongenadig diep” trof toen ik, als debuterend dichtertje, met zijn werk kennismaakte, de slijmerd Maurice Roelants die ik aanvankelijk als een talent taxeerde (van horen zeggen, want ik heb pas veel later iets van hem gelezen), de verbazing die zich van mij meester maakte toen ik constateerde “hoe sommige derderangs Vlaamse schrijvers onsterfelijk konden worden” (al pleegden zij zelfmoord of al hingen zij hun lier aan de wilg). Op de Antwerpse boekenbeurs verschijn ik al jaren niet meer, de uitgeverijtjes die mijn boeken uitgeven zijn daar niet vertegenwoordigd of vertikken het om het hoge stoelgeld te betalen, en ik kan niet tegen veel volk. Ik vond het dus meegenomen dat Julien mij over de laatste Boekenbeurs informeerde via “Heibel”. Koenraad Goudeseune ken ik niet, maar Julien weet mij te schrijven dat de man in kwestie aan een wederopstanding bezig is en zich in zijn nieuw boek ontpopt tot een veelneuker. Ik heb daar niets tegen, hoor: in het echte leven is seks een belangrijk onderdeel van de communicatie, verbaal, fysiek en mentaal. Waarom dan niet in de literatuur? Ook in mijn romans wordt er altijd een stevig potje gevrijd. Laatst kreeg ik telefoon van “Man bijt hond” die mij enkele vragen stelde over seks in de literatuur. De man zou later opnieuw contact nemen. Ik wacht af. Mijn vrouw vindt dat ik beter niet met dit item op TV kom. Waarom niet? Ik ben toch Goudeseune niet!

Ook de “Madammen-in-peignoir” van Frans Depeuter liggen in de (verhaal)lijn van Vangansbeke. Met ernst en zin voor kennis schrijft Frans over Mieke Mievis die het heeft over … scheten. Vrouwen storen zich daar aan. Nochtans ook zij laten zeven scheten per dag. Mannen twaalf. Ik ben ferm boven het gemiddelde. Maar het is gezond. En ik maak van een scheet geen donderslag!
Wat mij opvalt, is dat de “madammen” - wie ze ook zijn: Anja Daems, Cathérine Vandoorne, Ilske Van Hoeckske, Ingrid Neujens, An Cuyvers - allen mijn erotische verbeelding prikkelen of toch de gedachte eraan aanscherpen. Diepgaande gesprekken over “het meest intieme dat een mens kan beleven” en daar is Frans niet gelukkig mee. Ik moet het toegeven, Frans: ik heb de meeste sympathie voor Cathérine. Van haar weet ik dat zij “een noeste werker is”, dat zij “op ur klutten zit” en dat zij rauw gekapt op “ur stutten brèèt”. Echt, “ken der hoeste in”, Cathérientje!

En zo kabbelt “Heibel” voort van Julien via Frans over Robin tot Staf Versweyveld. Niet de meest relevante bladzijden in het nummer, maar tussen al dit ludieke zitten veel statements, “stekskes onder water”, afrekeningetjes, dubbele-bodems, galspuwertjes. Moet dit? Toch wel, het is “Heibels” eigenwijze manier van doen om iets gezegd te krijgen. Kan het ook anders? ’t Zal wel, maar Depeuter-Hannelore hebben geen boodschap aan een andere manier van doen, die wijze is hun “ingevogeld” of met de paplepel ingelepeld. Is dit Kempisch? ‘k Zou niet weten. Ook de tekeningetjes en de minifoto’s laten een KSA-achtig gelaat zien. Opgelet, dit is geen kritiek, ik stel - als oud KSA-leider - vast.

Het stuk “Heibel op de Boekenbeurs” van Toussaint Boa spreekt mij aan. Bij een bord kreeftensoep, een stuk hertenkalf en een sabayon en enkele trappisten is de sfeer op de "Heibelse" redactie hemels! Ik mag aanzitten. Zo verneem ik dat Hannelore alle cafés in de Kempen kent en dat hij zich heeft geërgerd aan de speech van Erik Vlaminck op de vooravond van de Boekenbeurs. Nochtans trok de nieuwe voorzitter van de Vlaamse Auteursvereniging de gevoelige kaart door steun te vragen voor de arme auteurs. Depeuter hekelt de lichtvoetigheid van Robin waarmee deze laatste voorbijgaat aan de ellende van deze “marginale oude schrijvers”. Claus, Geeraerts, (Jozef!)Deleu en Ruyslinck hebben toch recht op een mandje appelen voor de dorst. Of niet soms?
Sedert ik met pensioen ben en mijn carrièreplanning achter der rug ligt, durf ik opkomen voor de vele kleine auteurs (jonge en oude en midlife schrijvers) die uit de mand vallen als de appels worden uitgedeeld. Waarom? Omdat zij (moedwillig of niet) niet uitgeven bij een erkende uitgever.
In art. 5 van hoofdstuk II van het Decreet van 30 maart 1999 houdende de oprichting van een Vlaams Fonds voor de Letteren lees ik: “Het VFL heeft tot doel de Nederlandstalige letteren … in de brede zin van het woord te ondersteunen en de sociaal-economische positie van auteurs … te verbeteren.” Onder andere door de toekenning van subsidies? Ja, natuurlijk. Maar welke is de positie van de auteur als het decreet stelt “dat productiesubsidies alleen door uitgevers kunnen worden aangevraagd en verkregen” en “dat stimuleringsbeurzen niet kunnen worden toegekend voor uitgaven in eigen beheer”?
Het VFL verlegt zo het accent van de auteur (die hulpbehoevend is) naar de uitgeverij (die handel drijft en winst op het oog heeft). Niet de uitgever (tenzij die dezelfde persoon als de auteur) moet worden ondersteund maar de individuele auteur (waar en hoe hij ook uitgeeft, indien het professioneel gebeurt). Alleen het criterium “kwaliteit” is de objectieve norm! Indien het nieuwe decreet zou stellen dat het de auteur is die moet worden ondersteund en niet de uitgever, dan pas zou de decreetgever zich een aureool van rechtvaardigheid kunnen opeisen.
De vraag luidt niet: “Is het echt wel de taak van de overheid om schrijvend Vlaanderen financieel te helpen?”. Natuurlijk, maar: “Moet de hulpbehoevende auteur niet eerst en méér worden geholpen?” en “Is deze hulp niet groter of kleiner naargelang van zijn hulpbehoevendheid?” In deze vraagstelling zit terecht een vingerwijzing naar de grote bedragen voor “grote” auteurs, de kleine bedragen (indien ze bij een erkende uitgever onderdak vonden) voor de “kleine” auteurs en de non-subsidiëring voor de auteurs die geen uitgeverij vonden en toch aan de kwaliteitseis voldoen. Literatuur beoordelen is geen sinecure. Heeft het niet alles met smaak te maken? Wie is een goede auteur? Wat is goede literatuur? Het grote probleem blijft dat 90% van de auteurs zich in een grijze zone bevinden. Hoe verklaar je anders dat auteurs na hun dood worden opgehemeld, die tijdens hun leven aan het kruis werden genageld of niet eens aan de bak kwamen (bij het VFL)?
Wat is het resultaat van deze foute subsidiëringpolitiek?
Auteurs zoeken ijverig (en soms vergeefs) naar media-impact en sponsoring, nemen ijverig deel aan wedstrijden, creëren een eigen uitgeverij, storten zich vol overgave op het nieuwe fenomeen “printing-on-demand”, stampen ezines uit de grond, prostitueren zich. Maar blijven gefrustreerd toekijken hoe de grote uitgevers, met in hun zog de grote auteurs, de VFL-koe leegmelken.
Deze toestanden hebben niets met “kwaliteit” te maken of met “gebrek aan kwaliteit”. Literatuur moet zich niet verstoppen achter intellectueel struikgewas. Af en toe moet er grondig worden bezuinigd, maar zoals de subsidiëring nu werkt, hebben de “kleine” auteurs zelfs geen recht op een snoeibeurt. Zij worden niet au sérieux genomen door de overheid, hun kwaliteit wordt niet eens gemeten, hun groeiproces wordt niet eens begeleid.
Dezelfde problematiek stel ik vast in de subsidiëring van tijdschriften. Sedert 1989 zijn er een kleine 20 verdwenen. Als gevolg van het subsidiebeleid van het VFL, waarbij vooral andere belangen speelden dan zuiver literaire en kwalitatieve. Tijdschriften hadden “geen profiel, te weinig kwaliteit, geen schrijvers genoeg uit de eerste linie”. “Schrijvers uit de eerste linie”? Wie zijn dat? Ja, die!
Een randbemerking is hier wel op zijn plaats. De tijdschriften zijn blijkbaar geen ladder meer om hoger te komen in het wereldje van de literatuur. Met andere woorden: ze zijn geen onontbeerlijke schakel meer in de ketting van het literaire bedrijf. Het probleem is echter dat de literaire tijdschriften niet meer worden gelezen. (Lees: nog minder worden gelezen dan vroeger!) En wie zijn weer de dupe? De “kleine” auteurs, de “kleine” uitgeverijen. Kranten hebben in hun bijlagen deze taak overgenomen? Larie, wie komen er aan bod, denk je? Gelukkig zijn er nog redacteuren voor wie tijdschriften maken een ziekte is, een obsessie.

“De tietenkorfjes” van Boon biedt “zedelijk verweer” tegen de blote madammen van Louis-Paul. En ik moet toegeven dat Frans Depeuter grondig en overtuigend argumenteert. Wat schonk Boon zijn volk als nalatenschap? Een paar schoendozen vrouwelijk bloot. En hoe moet je die foto’s nu “vanuit literair standpunt” bekijken? Is het een “tijdsdocument”? Ik weet het niet, Anne. Helsen zegt van niet. Yves Desmet van “De Morgen” noemt het een “haast mythisch historisch verzamelwerk”. Stefan Brijs wil zelfs zijn 2.480 euro prijzengeld uit luid protest tegen de Antwerpse weigering aan de provincie terugstorten. Ik weet het niet. Wat denkt Depeuter hiervan? Het zijn inderdaad “blootplaatjes” zoals een ander “bidprentjes” verzamelt. En omdat het van Boon komt, wordt het “kunst”. Die fetisjverering ergert mij ook, Frans! Wil de familie er nog een dikke cent aan verdienen, dan is het maar zo, maar ik ga niet kijken.

Het nummer eindigt met een foto van mezelf en van de kaft van de gestencilde “Boulevard”. Wat heb je nog meer nodig om ijdel(er) te worden?

Thierry Deleu

* “Heibel”, 13de jaargang, nummer 1, losse nummers 10 €, een abonnement 24 €, te betalen via 979-3986331-24 van Frans De peuter (met vermelding “Heibel”)

26 februari 2008

Marleen De Smet blogt... als de be(e)sten!

Hallo!!

Mijn blogje 'Geraardsbergen gaandeweg' werd reeds geruime aangevuld met Geraardsbergs schrijf- en muziektalent.

Daar blijft het niet bij. Druppelsgewijs zal nog meer van dat talent uit Geraardsbergen en Lierde voor het voetlicht treden: http://blog.seniorennet.be/geraardsbergen_gaandeweg_met_marleen_de_smet

Met vriendelijke groeten van MarLeen
------------------------------------------
Voor meer poëzie, zie:
http://blog.seniorennet.be/onderweg_met_marleen_de_smet
http://marleendesmet.lierde.net
www.belart.be/nl/poezie.htm
http://auteurs.italics.net/p/index.php?user=smet
http://spoorvreter.be/blog/?page_id=107

25 februari 2008

Geschikt indien getikt! - 2

De problemen, waarmee onze moderne samenleving worstelt, files, migrantenrellen, armoede, hooliganisme, werkloosheid, worden in de schoenen geschoven van de mensen: zij zijn schuldig en moeten op hun plaats worden gezet. Files vinden hun oorzaak niet in een gebrekkig openbaar vervoer, maar in een teveel aan auto's. Spanningen tussen de eigen bevolking en de migranten zijn niet te wijten aan het ontbreken van enig beleid, maar aan een foute ingesteldheid van de mensen. Schrijnende armoede is niet het gevolg van een slecht functionerend sociaal systeem, maar van een gebrek aan middelen, van een tekort aan belastinggeld, van fraude.
De ideeën achter dit alles zijn duidelijk. Het staatsapparaat waarop de zuilen teren, moet intact blijven. De greep van de overheid op het dagdagelijkse leven van de mensen moet ongeschonden gehouden worden. In plaats van de mensen aan te moedigen om zelf hun verantwoordelijkheid op te nemen, worden zij ontmoedigd om nog zelf een inspanning te doen. Van enige zelfredzaamheid of vorm van spontane samenwerking mag geen sprake zijn.
Ondanks het gigantische overheidsapparaat zijn er geen middelen en mensen genoeg om een integere openbare service te verlenen. Niet in de spoorwegstations, op de postkantoren, aan het loket van de autonummerplaten, in de gerechtsgebouwen, de diensten voor ruimtelijke ordening of milieuzaken, voor studiebeurzen, bij de fiscale autoriteiten of de verleners van economische vergunningen. De lijst van dit Belgisch verdriet is eindeloos.

Joris

Het Stille Pand - MARCEL COOLSAET (1927-2007)

INHOUD
Marcel Coolsaet overleden
Mijn vriendschap met Marcel - Thierry Deleu
In memoriam - Pier Bossuyt
tekeningen
De Marcel Coolsaet Suite - Thierry Deleu
Een onvoltooide dialoog - Guy van Hoof
Zilvergrijs voor Marcel - Ronny Devos
Bronnen

Marcel Coolsaet overleden
Wevelgem - Marcel Coolsaet (80), echtgenoot van Maria Beun, is vrijdag (22.09.2007) overleden. Zonder twijfel is hij de grootste kunstschilder die Wevelgem ooit kende. Tot ziekte het hem belette, bleef hij tekenen en schilderen.
Marcel Coolsaet werd in Lauwe geboren in 1927. Hij studeerde aan de Stedelijke Academie Kortrijk onder leiding van Caulet en Verwest. Nadien zou hij nog heel wat lessen volgen. Tot voor enkele jaren was hij ingeschreven in de academie van Harelbeke waar hij de cursus naaktschilderen volgde.
De kunstschilder Marcel Coolsaet was van alle markten thuis. "Ik blijf zoeken, ik wil steeds nieuwe stijlen uitproberen," zei hij. Zijn vriend Guy Van Hoof schreef in zijn boek Marcel Coolsaet: "Marcel Coolsaet heeft ooit beweerd dat hij met de kunst heeft geflirt. Daarmee bedoelde hij dat er in zijn oeuvre nogal wat verschillende periodes te onderscheiden zijn en dat maakt een overzicht ervan op het eerste gezicht niet gemakkelijk. Meer dan op ongeduld en wispelturigheid, wijzen deze elkaar opvolgende stijlwisselingen erop dat hij een kunstenaar is die altijd zoekend zijn mogelijkheden aftast, zich een weg baant en evolueert zonder zich veel te storen aan dogma's of voor altijd vastgelegde regels." De ellende in de wereld liet Marcel Coolsaet niet los. De brand in de "Innovation" in Brussel, de moord op Brigitte Dewevre in Noord-Frankrijk, een zwaar verkeersongeval, de vluchtelingen in ex-Joegoslavië, een zelfportret op zijn ziekbed, het zijn maar enkele van de thema's die de schilder vereeuwigde. Heel veel heeft Marcel Coolsaet niet tentoongesteld. Hij was al lang een erkend kunstschilder in Antwerpen voor hij twee grote tentoonstellingen in Wevelgem kreeg. Nooit eerder en nooit nadien lokte een kunsttentoonstelling in Wevelgem zoveel toeschouwers. Marcel Coolsaet wordt zaterdag begraven na een uitvaartplechtigheid om 11uur in de Sint-Hilariuskerk.

Mijn vriendschap met Marcel
Lionel Deflo en ik richtten in 1966 "Kreatief" op (eigenlijk kwam het idee van mij). In die dagen vormden wij in West-Vlaanderen een tandem, zoals Depeuter en Hannelore in de Antwerpse Kempen. Ook Marcel Coolsaet maakte deel uit van de redactie. Deflo-Deleu duurde slechts een paar jaar. We gingen niet uiteen in ruzie, - wel met grote schulden, - maar omdat ik de kans greep om voor de Antwerpse uitgeverij "De Sikkel" een paar taalboeken te schrijven voor jongens en meisjes uit het beroepsonderwijs. Ik nam die opdracht toen zo “plichtsbewust” aan dat ik niet eens heb geprobeerd om toch "Kreatief" te blijven redigeren.
In 1970 redigeerde ik, samen met kunstschilder Marcel Coolsaet, het tijdschrift "Boulevard". Een samenwerking die na tien jaar bruusk eindigde met het ontslag van Coolsaet. In 1981 richtte ik, samen met Guy van Hoof, de uitgeverij "Het Schaap" op. Onder onze redactie verschenen een 25-tal gedichtenbundels, bloemlezingen en monografieën, onder de reeksnaam "Schaap Boeken".
De vele gesprekken over kunst en literatuur met Marcel Coolsaet in de beginjaren ’70 leidden bij de schilder tot het schilderen van “een nieuwe werkelijkheid” (een schilderkunstige zelfstandigheid) en uiteindelijk tot het hyperrealisme (een schilderkunstige duidelijkheid) en bij de dichter tot een verstaanbare nieuw-realistische poëzie, met sloganeske invloeden en inspiratie uit reclameteksten. De gestencilde "Heibel" van Depeuter-Hannelore leek wel een vervolg op de revolutie van de gestencilde tijdschriften uit de beginjaren ‘60. Robin en Frans waren de Robin Hoods van Vlaanderen die opkwamen voor integriteit en het bewaren van “de kroon”. “De kroon” van de stabiliteit, de deugdelijkheid, de authenticiteit. "Kreatief" was echter mooi gedrukt, met kleur. Lionel was voor “orde en netheid”.
De tijd heeft ons gelouterd. We zijn minder sarcastisch, ironisch, bijtend geworden. Dit is echter geen oproep tot een terugkeer naar de censuur, de “geestelijke leiders” die uitmaakten wat gezond was en niet gezond (denk aan onze schooltijd). Neen, een drol met een strikje er rond blijft een drol!
Met "Kreatief" heb ik de jaren ’60 rondgemaakt. En ik kon het niet laten: in 1971 stichtte ik, met Marcel Coolsaet, "Boulevard", dat nooit het niveau zou bereiken van ons voorbeeld. Verdienstelijk, dat wel. "Boulevard" werd het tijdschrift van de “vrijzinnigen”. Ik noemde ze de “humanisten”, want ik ben allergisch voor structuren en instituten (tenzij ze ludiek zijn).
Mijn vriendschap met Marcel kende hoogten en laagten. Ik onthoud echter alleen de eerste. Hij kon sappig vertellen, hij had een bevrijdende wijze om zijn rivalen en critici “onschadelijk” te maken. Hij miste soms “persoonlijke inbreng”, de Muze liet hem dikwijls in de steek, maar zijn métier was quasi volmaakt. De tijd van "Boulevard" (1970-1980) en de uitgeverij “Het Schaap” (1981-1987) was een leuke periode. Ik kon op veel goodwill rekenen en op de steun van schrijvers en beeldende kunstenaars, onder wie Marcel.
Het pakte mij toen ik het nieuws van zijn dood vernam. Via via.

Thierry Deleu

In memoriam
Op 21 september 2007 overleed in zijn woning te Wevelgem onze vriend en medewerker Marcel Coolsaet. Hij was een van de oprichters van Kunstkring "De Geus", de deskundige begeleider van onze modelsessies en hij stond aan de wieg van dit tijdschrift, waarvan hij de naam bedacht en de eerste cover ontwierp. Dat is nu enkele jaren geleden en toen had hij al een vruchtbare kunstenaarsloopbaan achter de rug. Gaarne nodigde hij ons uit in de voormalige winkel van Maria , nu zijn privé-galerie, waar hij ons zijn werken van vroeger liet zien, maar ook - en vooral - recent werk, want tekenen en schilderen was voor hem als ademen.
In zijn monografie vertelt Guy van Hoof dat Marcel Coolsaet ooit beweerd heeft dat hij in zekere zin met de kunst heeft geflirt. Geflirt heeft hij wel degelijk met de verscheidene kunstrichtingen die zich in de loop van zijn lange leven aandienden. Maar zoals Van Hoof verder opmerkt: "Méér dan op ongeduld en wispelturigheid, wijzen deze elkaar opvolgende stijlwisselingen erop dat hij een kunstenaar is die altijd verder zoekend zijn mogelijkheden aftast, zich een weg baant en evolueert zonder zich veel te storen aan dogma’s of voor altijd vastgestelde regels."
Zijn oudste bewaarde werken dateren uit de oorlogsjaren toen hij aan de Kortrijkse Academie lessen volgde, wat toen helemaal niet evident was voor een jongen uit Wevelgem. Het zijn, naast academische stillevens, overtuigende portretten van zijn grootmoeder en andere mensen uit zijn omgeving, traditioneel van opzet. Hier spreekt al zijn warme belangstelling voor de menselijke figuur. Zijn modellen zijn vooral oude mensen, wat waarschijnlijk in de academie aangemoedigd werd, maar wat ook de belangstelling van de kunstenaar aantoont voor kwetsbaarheid en verval, hetgeen in zijn latere werk vaak tot uitdrukking zal komen.
Na zijn leertijd wijdde hij zich hoofdzakelijk aan expressionistische landschappen. Latem was het grote voorbeeld voor vele Vlaamse kunstenaars. De krachtig geborstelde werken uit die tijd doen denken aan Saverijs. In het begin van de jaren ’60 komen ook de mensen in het landschap aan bod: de werkers in het vlasbedrijf die de Wevelgemnaar zo goed kent, ruw geschilderd in donkere kleuren op de wijze van Permeke. Kortom, het ziet ernaar uit dat Marcel Coolsaet een typische schilder van de Leiestreek aan het worden is. "Bij Marcel Coolsaet huldigen we de bestendigheid van de nationale, de volkse expressie," schreef Medard Verleye in 1961 nog in zijn tijdschrift "Europa". Verleye, die hetzelfde jaar nog overleed, was voordrachtgever en schrijver van streekromans.
Tot het midden van de vorige eeuw werd in grote delen van Vlaanderen - en zeker in West-Vlaanderen - van een kunstenaar verwacht dat hij als getuige optrad van eigen volk en eigen streek. Het toen veelgelezen culturele tijdschrift "West-Vlaanderen" geeft blijk van die ingesteldheid. "Europa", ondanks zijn internationale redactie, eveneens. Aan het internationale kunstgebeuren wordt wel enige aandacht besteed, maar dan als iets ver van ons bed, niet Vlaams en nog minder katholiek .
In de zestiger jaren, de roaring sixties , zou daar verandering in komen. Ook in Wevelgem. Marcel Coolsaet houdt het landschap voorlopig voor bekeken en rond 1966 gaat hij als in een vlaag van woede een reeks woeste abstract-expressionistische composities schilderen. Pure action painting. Rond dezelfde tijd richten twee jonge leerkrachten, eveneens uit Wevelgem, het tijdschrift "Kreatief" op. Het zijn Lionel Deflo (de latere uitgever) en Thierry Deleu. Vanaf het eerste nummer gaat hun belangstelling naar het werk van Coolsaet, waarvan zij het vitalisme bewonderen.
De abstract-expressionistische periode duurde evenwel niet veel langer dan een jaar. Rond 1967 inspireren de doodstrijd van zijn grootvader en gebeurtenissen als de ramp in de "Innovation" de kunstenaar tot een aantal werken waarin de menselijke figuur opnieuw centraal staat en waarin het thema dood en verval voor het eerst expliciet aan bod komt. Zijn "Catastrofe" (1967) herinnert aan Picasso’s "Guernica".
In 1970 had in het Casino van Knokke een grote tentoonstelling plaats die onder de noemer "POP Art ,nouveau réalisme, nieuwe figuratie" een indrukwekkend overzicht gaf van de nieuwe kunst uit de jaren ’60. De Amerikaanse en Britse pop-artiesten, Franse nouveau réalistes, mensen als Beuys of Christo, zij waren er allemaal. Ook Belgen als Raveel, Mara, Gentils, Broodthaers of Panamarenko. Een erg uiteenlopende verzameling kunstenaars dus, met als gemeenschappelijk punt dat zij de zichtbare werkelijkheid herontdekken - gedaan met het abstracte - en op een eigen, vaak niet-picturale manier interpreteren. Die visie zal Marcel Coolsaet in de komende jaren beïnvloeden.
Hetzelfde jaar verlaat Deleu de redactie van "Kreatief" en richt samen met Coolsaet een nieuw tijdschrift op: "Boulevard". Het is een samenwerking die tien jaar zal duren. Marcel Coolsaet maakt de covers en illustreert de gedichten van Thierry Deleu. Hij doet dat met een grafische techniek die in die tijd erg populair was: de serigafie of zeefdruk, een techniek die zich uitstekend leent tot het drukken van strakke vormen in egale kleuren. En dat is precies de manier waarop hij nu is gaan werken, ook in zijn schilderijen. Zijn "Wagonverhaal" uit 1970, waarvan zowel een geschilderde als een zeefdrukversie bestaat, is een vijfluik met als centraal paneel het witte silhouet van een wagon en daar rond kleinere panelen die elk een detail van die wagon voorstellen, alles in glad aangebrachte kleurvlakken. Er volgt een hele reeks in dezelfde stijl, waarin hij nauwkeurig uitgebeelde, herkenbare elementen als kabels, katrollen, tandwielen in een abstracte ruimte laat bewegen. Deze werken hebben titels als "Diabolo’s", "Krukas", "Getande beweging", "Rollende beweging in tunnel". Hugo Brutin omschreef ze (in "Boulevard", of wat dacht je.) als volgt: "het creëren van een nieuwe werkelijkheid (…) door middel van basisvormen en grondkleuren,met als continu aanwezig alternatief: het zich integreren in een bijna steeds enkelvoudige beweging. Zij zijn nauw verwant met het werk van Guy Degobert en vooral met dat van Roger Nellens, twee kunstenaars die tot de Belgische hyperrealisten gerekend worden."
Uit stromingen als de pop-art was rond 1970 in Amerika een nieuwe realistische kunst ontstaan, fotorealisme of hyperrealisme genoemd.
De hyperrealisten probeerden een zo nauwkeurig mogelijk objectief beeld van de werkelijkheid en maakten daarbij vaak gebruik van foto’s die zij projecteerden om daarop te tekenen of te schilderen. Het is een werkwijze die in België, met zijn oude realistische traditie, bijzonder in de smaak valt, zowel bij het publiek als bij de kunstenaars. Er zijn, naast bovengenoemde Degobert en Nellens, Marcel Mayer, Antoon de Clerck, Roger Wittevrongel en ook Marcel Coolsaet. Zijn hyperrealistische tekeningen uit het midden van de jaren ’70 behoren tot de merkwaardigste van zijn oeuvre. Het zijn tot het kleinste detail uitgewerkte pentekeningen op groot formaat. De achtergrond is wit gehouden, wat de figuur of het object losmaakt van het anekdotische. Technisch bekeken is dat werk hyperrealisme van het zuiverste water, maar Marcel Coolsaet blijft een warm voelend mens, en dat blijkt ook hier. Het vanitas-motief spreekt uit zijn "Monument Citroën": geen glimmende slee, maar een verhakkeld wrak. Uit de "Rivierboot" straalt een poëtische kracht. Ondanks de technische perfectie van de tekening blijven zijn menselijke figuren hun kwetsbaarheid behouden. Er zijn portretten als de oude "Schaapsherder" of de jonge snaak (portret van Kurt Vandevelde), maar ook de Nieuwpoortse figuren, of hoe een rug kan ontroeren. Een werk als "Man en Kind" roept een oorlogsscène op, en dat is helemaal ver van de in wezen zorgeloze wereld van de hyperrealisten. Dat zal nog meer het geval zijn met de volgende werken.
In 1976 wordt de grensstreek in beroering gebracht door de moord op Brigitte Dewevre in Noord-Frankrijk. Marcel Coolsaet krijgt een gerechtsfoto in handen waarop het naakte lijk van het jonge meisje. Hij maakt er een tekening van waarvoor hij een zachter materiaal gebruikt: kleurpotloden. Met dezelfde techniek volgen nog een aantal tekeningen van dode slachtoffers of veroordeelden. Het "Dubbelportret" uit 1977, opnieuw een pentekening, sluit de periode definitief af: "het omlijste portret van een vrouw in de bloei van haar leven, geplaatst tegen de achtergrond van een oudere gestorven vrouw in reeds gevorderde staat van ontbinding" (Guy van Hoof).
Tegen 1980 heeft Marcel Coolsaet zich bevrijd van de beperkingen die zijn vorige werkwijze hem oplegde. Hij gaat opnieuw losser tekenen en schilderen; zelfportretten, portretten van vrienden, landschappen uit eigen streek en uit Zwitserland, waar hij jaarlijks met vakantie ging. In plaats van te schilderen wat de camera registreerde laat hij in een aantal werken uit 1978-’79 de camera zelf optreden: een monsterlijk apparaat dat een naakt slachtoffer, neergegooid in een soort arena of een naakt lijk in een open graf observeert. Nog verder gaat een reeks werken het midden van de jaren ’80: daar bewegen naakte gestalten zich tegen een achtergrond die haast uitsluitend uit vegen verf bestaat. Al het bijkomstige is weggelaten, ook vaak gezichten, handen , voeten, soms hele ledematen. De stijl van deze werken is duidelijk expressionistisch. Natuurlijk is het de tijd dat schilders als de Duitse Nieuwe Wilden die stijl weer actueel maken, maar het is vooral de stijl waarmee Coolsaet het best zijn demonen weet te bedwingen. Of zoals Van Hoof zijn monografie besluit: "Het is zonder meer duidelijk dat een aantal constanten uit zijn oeuvre in deze laatste schilderijen in feite tot een eenheid werden gevoegd: het belang van de menselijke figuur en de expressiviteit van het menselijk lichaam, de gedachte aan het tijdelijke van het bestaan en het losstaan van de omringende werkelijkheid."
In zekere zin is de cirkel nu rond. Gedaan het "geflirt" met de verscheidene kunstrichtingen. Marcel Coolsaet heeft rond 1980 zijn eigen weg gevonden. Dat wil niet zeggen dat hij zich in door een systeem zal laten beperken. De expressionistische werkwijze laat vele variaties toe en de vele reeksen die hij nog zal creëren hebben elk hun eigen karakter. Er zijn de expressieve koppen in 1991, de carnavaleske figuren en taferelen met veel hard roze rond 1995, de bijna abstracte werken uit 1997. Er zijn de uit het hoofd getekende of geschilderde werken, meestal somber van aard, waarin de kunstenaar uiting geeft aan zijn betrokkenheid bij het menselijke drama, maar ook werken naar de natuur: portretten , landschappen en later ook de virtuoos getekende naakten, die getuigen van een vrediger wereld, waar plaats is voor vriendschap , schoonheid en de goede kanten van het leven.
Op latere leeftijd, wellicht door de vele naaktfiguren in zijn werk, kreeg Marcel Coolsaet de behoefte het tekenen naar levend model weer op te nemen. In 1994 schreef hij zich in bij de Harelbeekse SABV, in de klas van Paul Pattyn. Het is daar dat wij hem leerden kennen. In het begin vonden wij hem vooral iemand met een prachtige kop om te tekenen, maar aan zijn schetsen, die hij altijd rechtstaande maakte, herkenden wij algauw de rasartiest. Onze waardering groeide nog toen wij kennismaakten met zijn andere werk. Marcel werd een vriend en een mentor voor de jongeren onder ons. Eén van die jongeren was Virginie Windels, de eerste voorzitter van onze kunstkring, waar hij vanaf het begin aan meewerkte.
In het allereerste nummer van "Art04" (2005) kwam een reeks tekeningen van zijn hand met als titel "Agonie" . Toen reeds ging zijn gezondheid achteruit. Hij leed eronder dat hij steeds minder aan onze activiteiten kon deelnemen, maar tekenen en schilderen deed hij nog letterlijk dag en nacht.
Toen wij Marcel vorige zomer bezochten wisten wij dat het de laatste keer kon zijn. Toch had de ziekte zijn luciditeit noch zijn creativiteit aangetast. Hij toonde ons recente tekeningen: vreemde, uitgemergelde koppen met afgedekte ogen, krachtig als van tevoren, maar uitgesproken morbide van sfeer. Hoewel wij hem niet hoorden klagen, was het duidelijk het werk van iemand die het einde voelde naderen.
In het besef dat exposeren er niet meer bij zou zijn, liet hij enkele weken voor het einde een aantal werken fotokopiëren. Hij zou die aan zijn vrienden versturen. Hij heeft het zelf niet meer kunnen doen.
En hij had zo gaarne nog een paar jaar geleefd , want er was nog zoveel te doen, nog zoveel te leren.

Pier Bossuyt

De Marcel Coolsaet Suite

1 Waar is de tijd?

Waar is de tijd dat ik jou bezocht
met de regelmaat van een westminster,
- de tijd G. liep ten einde - ik werd
ingewijd in de commercie van het

serieschilderen, wolkje wolkje,
huisje huisje, vijvertje vijvertje,
in die tijd vond je een uitweg
naar ‘het betere werk’, ik kwam

het verzet organiseren
- verzet betekende ontspanning en
ook weerstand afweer - wij werden
broeders bloedbroeders ratés

die zich ledig hielden met words words
en vrijdags cafébezoek - we stichtten
Boulevard het tijdschrift dat zijn tijd
zou schrijven tien jaar lang.

Nadien gingen onze wegen uiteen
ver weg wisten wij van elkaar
wat wij deden koppigheid ook
ambitie heeft ons geschaad.

2 Bacon

Ik zie voor mijn ogen nog altijd
je zelfportret op de rand van het bed
ineengedoken nietig klein uitgespeeld
het leven had plaats gemaakt voor

een zieltogende Bacon je zag
er uit alsof je je binnenste buiten
had gekeerd, gezicht misvormd, ogen,
mond neus nauwelijks herkenbaar, verdraaid,

verwrongen, je was net aan de rug
geopereerd, op de stichtingsakt van
de vzw prijkt je aarzelende
handtekening die ik jou in Leuven

ontfutselde tussen twee pijnvlagen
in. Dat je zo snel herstellen zou
een wonder de kracht van de overlever
die ik altijd in jou heb bewonderd.

3 Het meningsverschil

Toen ineens vond je je onheus
behandeld in de nieuwe redactie
van Boulevard je diende je ontslag in
ik kon verder onder een nieuwe vlag

of tegen een hoge prijs. Die prijs was
mij te hoog niet fair en betwistbaar
je zag Boulevard als commercieel
product en het resultaat van een

zakelijke connectie de maat was
vol het geduld op de wegen uiteen
tot ik, zestig, jou vroeg om samen
mijn verjaardag te vieren. Na het feest

zaten wij apart vriendschap was op
de nieuwe loot onvruchtbaar de
werken schonk ik Henk die zich aan
jou spiegelde de cirkel was rond.

4 Evaluatie

Dankbaar om zoveel dingen die
anderen niet altijd begrijpen
ben jij mijn vriend ook nu je op mij
neerkijkt ik zie je glimlach in de

wolken je tekeningen schilderijen
hangen op in de hemel van mijn
herinneringen je had zoveel
métier en al miste je soms de

afspraak met de Muze en moest je
de mosterd halen bij de groten van
deze aarde je bleef een artiest
ongedurig op zoek naar het ultieme

meesterwerk. Ken je nog het verhaal,
dat je mij zo vaak hebt verteld?
Wie te hard slaat breekt zijn klomp.
Je was sterk in zelfherkenning.

5 Vaarwel

Op slag intriest ondanks, ondanks
onze vriendschap geen happy end had,
ik ging mijn eigen weg, ver weg,
in gedachten dicht bij, gedreven

kon je niet anoniem leven
of als nummer zoveel, je had
de gave om sereen om te gaan
met vreugde en verdriet, je wist dat

vreugde komt en gaat zoals de
golven van de zee, je had de
gave om problemen dood te
relativeren, ging eigengereid

je eigen weg, je koppigheid
heeft je getekend vertekend,
altijd overtuigd van je gelijk
ook al kreeg je de raad om het

anders te doen. Ik heb jou leren
kennen in moeilijke momenten,
altijd was ik welkom, ook als je
het niet eens met mij was. Samen

hebben wij uren, dagen, nachten,
gepraat overleg gepleegd,
Ik moet geen foto nemen, ik
herinner mij nog elk detail.

Thierry Deleu

Een onvoltooide dialoog

Waarom moeten mensen sterven,
waarom zijn ze sterfelijk?
Ik weet het antwoord niet en evenmin
Of in een na-bestaan aan de rechtvaardigen
wordt recht gedaan.

Kijk eens naar dat zelfportret: een man
die voor zijn leven vocht en wegen zocht
geen menselijk verdriet dat hem niet raakte
of beroerde, oorlog en geweld die tot niets leiden
wat had hem zo gekwetst
zo achterdochtig soms gemaakt
welk deel van zijn gedachten
hield hij gesloten voor de beste vriend?

Ik erf de vragen, deel met hem de twijfels
kende hem wanneer de deur van zijn gemoed
bleef openstaan terwijl hij kleuren mengde
en met woorden overgoot, hij was te somber
om het leed van deze wereld aan te kunnen.

Kijk hoe hij in mijn ziel keek en me tekende
zoals alleen ik maar mezelf kon kennen,
gekwetst als hij, struikelend en tastend
of varend met een bijna onherkenbaar schip
op de scherpe randen van ontembaar water:
dat is de mens, zei hij
dat zijn wij, zei hij
zie de mensen nu bereikt mijn woord hem niet meer
zo blijven we vroeg of laat alleen
verlangend naar de warmte van een ondergaande zon
op open plekken tussen de dichtbegroeide groene
bomen, daar spreek ik met hem af
en hoor opnieuw de echo van een onvoltooide dialoog.

Guy van Hoof

Zilvergrijs voor Marcel
Droom

Weet je nog hoe wij samen een bezoek brachten aan het station?
Hoe wij samen met mijn tekenmap onder de arm pret wisten te maken in de drukke stationshal?
Weet je nog hoe wij geboeid keken naar de op- en afgaande treinen?
Hoe je aandacht werd geleid naar die ene trein,
een zilvergrijs stel met een korte rode dwarsstreep en een oneindige gele lijn?
Een trein zonder uuraankondiging.
Weet je nog hoe wij alle treinen in- en uitrenden en ik je wilde achtervolgen in je zilvergrijze trein?
Hoe plots de deuren van je trein zich sloten,
terwijl ik schreeuwde van op het perron?
Hoe jij naar me lachte,
wuifde en je ging zitten aan het dichtste raam?
Herinnerde je nog hoe de zilvergrijze trein langzaam in beweging kwam?
Hoe ik de conducteur smeekte de trein toch niet te laten vertrekken en
hoe je ook altijd vrienden wist te ontvangen,
aan te moedigen, te steunen?
Weet je als jij voor één keer te laat had moeten komen het precies vandaag die dag was?
Ik herinnerde me hoe de trein op snelheid kwam,
steeds sneller en sneller het station verliet.
Ik herinnerde me, hoe de gele oneindige lijn inging op een regenboog. Vaarwel Marcel,
vaarwel trein… vaarwel.

Ronny Devos

Bronnen
Marcel Coolsaet overleden - "Nieuwsblad" Wevelgem, odw.
Mijn vriendschap met Marcel - Thierry Deleu, geplaatst door "De Geletterde Mens" (onder de titel: "22 september 2007, Marcel Coolsaet")
Het overige gepubliceerde materiaal maakt deel uit van het "In memoriam" - Pier Bossuyt in "Art04", driemaandelijks tijdschrift nr. 12 december 2007, uitgave van Kunstkring "De Geus", Harelbeke. Een belangrijk deel van deze tekst is gebaseerd op Guy van Hoofs monografie Marcel Coolsaet ("De Graal", Dendermonde, 1985).
De Marcel Coolsaet Suite - Thierry Deleu
Een onvoltooide dialoog - Guy van Hoof
Zilvergrijs voor Marcel - Ronny Devos

Poëzieworkshop (9 tot 12 augustus 2008)

In het heerlijke kader van het kasteel Mariagaarden (Hoepertingen/Sint-Truiden, hartje Haspengouw en Kataraktland) gaat voor de tweede keer een poëzieworkshop door.

De uitdaging is telkens dezelfde: binnen de minimale ruimte van één of twee regels iets volledig proberen te vatten of er een hele nieuwe en verrassende kijk op bieden, dit zal het onderwerp van de cursus zijn. De bedoeling is ons verstand, onze zintuigen, onze blik te ontregelen door samen poëzie te proeven, te lezen en te bespreken. En dit zal telkens als aanloop dienen om daarna zelf met woord en taal aan de slag te gaan en versregels, haikoes, gedichten, te schrijven.

Voor deze cursus is geen voorkennis vereist, wel de bereidheid gebaande wegen en platgetreden paden te verlaten en nieuwe vergezichten te ontdekken

Begeleiding: Herman Rohaert, dichter, germanist, redacteur van de literaire tijdschriften Appel en Verba
Periode: zaterdag 9 tot dinsdag 12 augustus 2008

Prijs: nog te bepalen
Meer info via www.kasteel-mariagaarde.be
Lieve Devijver
Swertmolenstraat 23
3020 Herent0ut

23 februari 2008

"Eindterm" (2002) - debuutroman Thierry Deleu - hoofdstuk 18 en 19

18

Begin juni 1991 vraagt Sabine opnieuw aan Dekunst naar de vakantieregeling. Hij wilde haar ook tijdens de vakanties ontmoeten. Haar man had een reis naar de Languedoc gepland voor halfweg augustus. Zij wist hoe enthousiast hij was om die streek te verkennen. Vanthuyne had veel gelezen over de katharen en bovendien was zijn laatste dada het graf van Jezus. Du Tertre was te nuchter om zich daar mee bezig te houden.
“Wat maakt het uit waar Jezus begraven ligt?”
“Veel, Sabine, indien het waar zou zijn, dan zou het instituut Kerk op haar grondvesten daveren.”
Louis wilde naar Rennes-le-Château, naar de berg Cardou, naar de site van abbé Saunière Bérenger. In Cucugnan had hij voor tien dagen geboekt in “L’Auberge du Vigneron”, een klein hotelletje dat in een honderd jaar oude dorpswoning was ingericht. Van op het terras bood het een prachtig uitzicht op het kasteel van Quéribus.

Sabine du Tertre leefde in die dagen op het ritme van haar professionele successen en nederlagen aan de onderhandelingstafel. Als ze een overwinning had geboekt, was ze heel uitgelaten; als ze in een discussie het onderspit had moeten delven of als ze haar op het kabinet weer eens hadden tegengewerkt, werd zij nijdig.
Louis en Alexander kregen haar niet vaak meer te zien. Als ze niet hoefde over te werken, vertoefde ze op een of ander kasteel van de Vlaamse Gemeenschap om te vergaderen. Zij behoorde tot de denktank van de minister, samen met Dekunst, Pierre Hoefslag, Karel Pervijze, Truus Deseure, Christof Dokmans, Jacques Brusselmans en experts die al naargelang het agendapunt werden opgeroepen. Ze trommelde haar vriendinnen op om tijdens de weekends haar man gezelschap te houden.
Op feestjes verdween ze stilletjes zonder iets te zeggen, ook als zij de gastvrouw was. Ze was doorlopend vermoeid. Ze moest vroeg naar bed, want het was altijd vroeg dag voor haar. Haar huwelijk leed eronder. Haar vrienden vonden dat ze harder was geworden, soms ongenietbaar.
En toch was Sabine nog altijd even kwetsbaar als vroeger. Als ze een belangrijke beslissing diende te nemen, een knoop moest doorhakken, was ze nerveus en onzeker. Dan had ze de steun van Dekunst nodig.
Maar ook met Dekunst was er een probleem: hij wilde dat Sabine haar man verliet. Toch was Sabine du Tertre geen vrouw om iemands maîtresse te zijn, hoewel ze het haar hele leven is geweest. Ze wilde degene zijn om wie alles draaide, de onbetwistbare nummer één. Met minder nam ze geen genoegen.
En dat was precies het drama met Dekunst. Toen zij voelde dat hij bleef aandringen om haar man te verlaten, begon de verwijdering tussen hen. Sabine hield nog van hem, maar ze was verliefd op Deforge en bovendien wilde ze een goede echtgenote en moeder zijn.

Op maandag 2 september 1991 schrijft ze in haar dagboek: “De Spin spant zijn web, loert en bespringt mij. Wat kan ik doen? Ik ben bang.”
Du Tertre was een topambtenaar geworden: directeur-generaal van het secundair onderwijs, de favoriete onderhandelaar van zowel de minister als de secretaris-generaal. Toch was zij geen BV. Zelfs in Kortrijk en omgeving liep zij nog zelden in de kijker. Ze had geen tijd om uit te gaan en mensen te ontmoeten. Ze vond nauwelijks de tijd om te overleven en haar lichaam gezond en fit te houden. Ze wilde sterke spieren, om er langer goed uit te zien.
Die namiddag piepte ze het bureau van Peter Deforge binnen, vooraleer Brusselmans op te zoeken. Ze leek moedeloos.
Ze fluisterde Peter toe: “Ik ben bang, Peter, ik heb schrik van Joris. Hij verliest steeds vaker zijn kalmte. Dat overkwam hem vroeger nooit. Toch ga ik straks met hem spreken. Ik wil je zien, Peter, liever vandaag nog dan morgen, ik geef je een seintje.”

@

“Ik wil het niet begrijpen,” riep Dekunst. “Ik kan dit niet aanvaarden, dit is onbegrijpelijk. Je bent ondankbaar.”
“Maar, Joris, we hebben het toch goed gehad. Kun je nu niet begrijpen dat ik die lat-relatie niet meer aankan?”
“En je weet dat pas na vijf jaar? Komaan, zeg.”
“Toch is het waar. Ik kan de stress niet meer aan, die twee levens, de leugens. Neen, ik kan het niet meer, ik word er gek van, depri. Probeer mij toch te begrijpen. Indien je van mij houdt laat je mij los.”
“Maar Sabine, ik heb je nooit beschouwd als mijn lief, jij bent mijn vrouw, de vrouw van mijn leven. Jij vraagt om te scheiden.”
“Doe niet onnozel, Joris.”
“Heb je aan de collega’s gedacht? De minister? Ze zullen leedvermaak hebben.”
“Ik wist niet dat je zo gevoelig was voor het oordeel van anderen, Joris?”
“Neen, ja toch, in dit geval wel. Voor jou ben ik door het vuur gegaan. Ik aanvaard het niet, basta. Ik laat je niet los."
“Joris, als je niet kalmer wordt ga ik de deur uit, voorgoed.”
“A.u.b. Sabine, niet doen, ik hou van je, ik heb jou nooit bedrogen.”
“Ik ook niet.”
“Daar ben ik niet zo zeker van.”
“Waarom zeg je nu zoiets?”
“Omdat ik vermoedens heb en ik niet alleen.”
“Ik begrijp je niet.”
“Je wilt mij niet begrijpen.”
“Wat moet ik begrijpen?”
“Je hebt een nieuwe vriend, Sabine, ik ben het zeker.”
“Een vriend is nog geen nieuwe minnaar, Joris.”
“Ik ken jou, je houdt het niet lang vol.”
“Merci. Ben ik dan zo slecht?”
“Dat zeg ik niet. Ik zeg dat je licht ontvlambaar bent.”
“Dan heb jij daarvan kunnen profiteren.”
“Dat weet ik. Het was zalig. Kun je echt niet begrijpen dat ik dit gevoel niet kwijt wil?”
“Joris, ik wil meer thuis zijn. Bij Alexander.”
“Bij Alexander? Hij is toch de hele week op school?”
“Ja, ja, maar hij komt elk weekend naar huis. Trouwens, Joris, ik ben je toch geen verklaring verschuldigd. Of wel soms?”
“En of! Ik heb in jou geïnvesteerd, jij bent van mij, voor altijd!”
“Dat kan niet, Joris, ik ben van niemand, ik zal nooit van iemand zijn, ik ben niemands bezit. Ik ben ik.”
“Wat gebeurt er toch, Sabine? Eerst wou je je man niet in de steek laten, nu wil je per se naar je zoon. Goed, goed, ik leg me daar bij neer. Als je maar van mij blijft houden. Zeg nu eens eerlijk: is er een ander in het spel?”
Sabine stapt naar de deur, maar Dekunst is haar voor.
“Je blijft hier tot je zegt dat je van mij houdt!”
“Ik heb nog niet gezegd dat ik niet van je hou, Joris, ik zeg alleen dat ik mijn vrijheid wil.”
“Dat is hetzelfde, Sabine, trouwens ik weet dat je iemand anders hebt.”
Sabine durft hem niet vragen wie hij bedoelt. Ze krijgt schrik. Bang voor zijn reactie. Voor zijn woede. Ze zwijgt.
Dekunst stapt naar zijn bureau en gaat zitten. Hij kijkt wezenloos voor zich uit. Het lijkt wel alsof hij haar niet meer ziet staan. Letterlijk en figuurlijk. Ze doet zachtjes de deur open en verdwijnt naar haar verdieping.

19

Louis Vanthuyne was een raadselachtige figuur. Het lukte niemand hem helemaal te doorgronden. Toch had Louis graag mensen om zich heen. Mensen om de nacht mee door te komen, mensen die hij bij zijn verwoestende levenswijze betrok, veel mensen. Maar als ze hem vragen stelden over zijn verleden, of over wat hem zoal bezielde in het leven, hield hij de boot af, meestal met een kwinkslag.
Zo had hij op Burghgraeveveld eigenhandig een enorme bibliotheek gemaakt. Hij las veel boeken, maar hij kocht er ook veel. Hij las ze pas veel later. Hij volgde nauwgezet de volgorde van aankoop, maar door het grote aantal kon hij op den duur niet meer volgen.
Als iemand hem vroeg wat hij in hemelsnaam met al die boeken wilde, antwoordde hij: “Dan moet Sabine geen hele dagen zitten te kniezen, als ik er niet meer ben.”
Iedereen wist dat boeken lezen een van zijn passies was, iets waaraan hij zich graag overleverde, omdat het hem geestelijk ontspande. Dat hij echter niet in staat was om een boek uit te lezen, wisten alleen zijn allerbeste vrienden. Hij las alles, maar bij voorkeur semi-wetenschappelijke boeken over De Graal, het Heilig Bloed, de Lijkwade van Turijn, de Ark van Noë. Hij kon op zijn eigen manier boeiend vertellen over alchemie en magie, tempeliers, zieners. Daar hij het boek nooit uitlas, vulde hij het zelf aan. Hij interpreteerde, hij verzon, hij ging er helemaal in op.
Zijn vader, de eminente notaris François Vanthuyne, overleed aan een hartstilstand toen Louis vierentwintig was. Zijn moeder stortte zich na de dood van haar echtgenoot met veel overgave in het Kortrijkse societyleven. Door haar huwelijk met de notaris was deze boerendochter tot de franskiljonse bourgeoisie gaan behoren. Vooral het theater trok haar aandacht. In “Brasserie du Théâtre”, op het Schouwburgplein, sleet zij vele avonden, soms tot een stuk in de nacht. Vaak was zij de enige vrouw in het gezelschap.
Toen ze een borrel te veel ophad, zei ze steeds: “Je voudrais faire du théâtre.”
Ze kreeg van die heren nooit een kans.
Marie Vanthuyne – ze gebruikte altijd de naam van haar man - deed alle moeite om zichzelf in de kijker te wurmen. Na een voordracht over Santiago de Compostela in de “Cercle Littéraire de Courtrai” groeide bij haar de idee om op bedevaart te gaan. Zij kon de jonge vrouw van de koster van Sint-Maartenskerk overtuigen om mee te gaan. Aan Het Kortrijks Handelsblad vertelde Marie dat ze het voor haar leeftijd een uitdaging vond en dat ze van de gelegenheid gebruik zou maken om Saint Jacques te bedanken voor verkregen gunsten. Zij alludeerde hiermee op het slagen van Louis in zijn notarisexamen aan de Gentse universiteit, een paar jaar geleden. Twee journalisten van de krant zouden de tocht vanuit Vézelay met de wagen meemaken. Uit voorzorg.
In Kortrijk werden weddenschappen afgesloten: “Halen zij het of halen zij het niet?”
De twee vrouwen namen de trein naar Vézelay.
’s Morgens brandden ze een grote kaars in de basiliek van Sainte-Marie-Madeleine en vertrokken te voet verder over Nevers en La Souterraine naar Saint-Léonard-de-Noblat. Daar sliepen ze bij een boer, die afkomstig was van Elverdinge. Twee dagen na elkaar werd er gefeest, gedronken en gegeten: gekruid varkensvlees, poulet en barbouille, lièvre en chabessal, flessen Sancerre, likeur van noten en wilde pruimen.
Marie voelde zich niet meer in staat nog verder te stappen en Louise die de uitspattingen beter had verwerkt – ze was ook twaalf jaar jonger – zag het niet zitten om alleen verder te gaan. Ze keerden enkele dagen later stiekem met de trein terug. Louis moest hen ongemerkt te Rijsel komen afhalen. Hij heeft het zijn moeder nooit vergeven: altijd opnieuw werden de lotgevallen van de notarisvrouw en de jonge vrouw van de koster opgevist in cafés en restaurants.

Marie Vanthuyne leefde voor het grote vertoon en voor de onderonsjes met de upper class die ze ontving op Burghgraeveveld, het buitenverblijf van haar familie in Bellegem. Ze aanbad haar eigen broer, de flamboyante Charles l’Escaut die aan de kost kwam als portretschilder. Marie vond dat hij de vergelijking met Vermeer gerust kon doorstaan. De Kortrijkse burgerij liet zich graag door hem vereeuwigen. Van l’Escaut werd verteld dat hij rozen at om de vrouwtjes te behagen. Hij reed bij voorkeur rond in een Amerikaanse cabrio, met een vliegenierspet op zijn rode kop. Na zijn dood richtte Marie bij haar thuis, een mooi en groot herenhuis, halfweg de Onze-Lieve-Vrouwestraat, een familiemuseum op. Zij kreeg van de Stad Kortrijk enige subsidie en ze had geen scrupules om af en toe een tableau te verkopen. In het sluitingsjaar lagen daar ook juwelen van de hand van Sabine du Tertre.
De zolderverdieping van het huis was om de maand het decor van een muzikaal salon, dat Marie Vanthuyne organiseerde voor de Kortrijkse aanhangers van klassieke muziek.
Marie l’Escaut had geen tijd om zich met het gezin van haar zoon bezig te houden. Het jonge gezin Vanthuyne-Du Tertre nam een gouvernante in dienst: Victorine, een volksvrouw. Zij ontfermde zich met veel liefde over de kleine Alexander. Een vrouw die bovendien wist dat voor het dienstpersoneel van de bourgeoisie het adagium “horen, zien en zwijgen” gold. Als Victorine sprak, bezigde ze een plat Kortrijks dialect. Ze was in huize Vanthuyne de enige die zich dat kon veroorloven. Alexander hield van haar als van zijn eigen moeder. Victorine bleef in dienst tot Alexander zes werd.

@

Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, was Louis Vanthuyne drie jaar. In 1942 werd hij door zijn vader bij een tante gebracht die op veilige afstand woonde van het vliegveld van Wevelgem.
Zij verbleven in een mooi rijhuis, op het dorpsplein te Rekkem, bij de grens met Frankrijk. Louis kwam daar terecht bij een oudere nicht en neefje.
Bij de terugtocht van de Duitsers speelden zich voor hun ogen verschrikkelijke taferelen af: meubels werden door de bovenvensters naar beneden gegooid, jonge vrouwen werden bespuwd en kaalgeschoren. De oudere kinderen uit de straat namen weerhuisjes en koekoeksuurwerken mee uit de huizen waar hun vaders alles kort en klein sloegen.

Toen Louis terug naar Kortrijk kwam, was hij zeven jaar. Hij had zijn ouders in de loop van de voorbije vier jaar niet veel gezien. Kort na zijn thuiskomst werd hij ziek. Na Pasen, bij het begin van het derde trimester, stuurde de huisdokter hem voor een kuur naar Westende.

Het bleek al gauw dat Louis maar één ding wilde: leven. Hard, snel en roekeloos. In minder dan geen tijd maakte hij naam als nachtraaf, versierder en organisator van wilde feesten. Eten, drinken en uitgaan. In het goede dat moeder Aarde verschafte, wenste hij zich geen beperkingen op te leggen. En hij ging daar keihard mee door, ook na zijn huwelijk met Sabine du Tertre en na de geboorte van Alexander. Hij pleegde roofbouw op zijn lichaam en op zijn notarispraktijk die een gouden zaak was toen hij ze had overgenomen.
Eén van zijn liefjes was de jonge Sabine du Tertre. Wat begon als een avontuurtje, zou uitgroeien tot een vaste relatie.
Hij was bijna veertig als ze huwden en een van de meest begeerde mannen van de stad. Zij was net over de dertig en levenslustig: ze wilde alles beleven, alles weten, alles hebben, Louis incluis. Ze hadden allebei een haat-liefdeverhouding met de klasse waaruit ze waren voortgekomen. Louis Vanthuyne was het enfant terrible van de Kortrijkse Franstalige kringen, zijn lijflied was Les Bourgeois van Jacques Brel. “Les bourgeois c’est comme des cochons.” Dat waren ook zijn woorden als hij er weer eens op uit trok om een of ander “varken” de kast op te jagen.
Als hij in een chic restaurant zat en het ging er naar zijn zin wat te stijfdeftig aan toe, begon hij gewoon hardop te boeren en winden te laten. En hoewel Sabine hem op die momenten wel kon vermoorden, was ze heimelijk vol bewondering voor het absolute dédain waarmee hij het betere volk van Kortrijk tegemoet trad.
In wezen was Louis Vanthuyne echter de grootste bourgeois. Hij verachtte de nouveaux-riches. Hij beschouwde ze als omhooggevallen burgermannetjes die de levensstijl van de upper class probeerden te imiteren, maar daar nooit echt in slaagden. Ze hadden wel het geld, maar niet het savoir-vivre van de ware bourgeois. Wel de kleren, niet de inborst. Bovendien beleden ze nog de dubbele moraal van de katholieken. Louis lapte alle burgerlijke regels aan zijn laars. Volgens hem liep er in heel Kortrijk maar één echte bourgeois gentilhomme rond: hijzelf.
Hij had de charme van een Engelse lord en de decadentie van een Parisien uit de fin-de-siècle. Hij was een jonker. Een grote whiskydrinker, een verwoed roker en een liefhebber van de verfijnde Franse keuken.
Sabine en Louis gingen eerst bij zijn moeder inwonen. Dat was om moeilijkheden vragen: Louis kon zijn moeder niet luchten omdat zij volgens hem alle slechte eigenschappen van de burgerij in zich verenigde. Hij noemde haar “mère superieure” en hij maakte doorlopend ruzie met haar. Eigenlijk leek hij goed op zijn moeder: hij was even egocentrisch, voortdurend in de weer met zichzelf, vlug opgewonden. Het enige verschil was dat Louis alles nogal gauw kon vergeten en vergeven, terwijl moeder-overste heel rancuneus kon zijn.

Terwijl Sabine dit aan Peter Deforge vertelde, kon hij zich niet van de indruk ontdoen dat ze van haar man had gehouden. Zij vond in hem niet alles wat ze zocht, maar in zijn bijzijn voelde ze zich geborgen, strijdvaardig, beschermd tegen de buitenwereld.
“Louis was licht ontvlambaar, soms heel agressief. Ik mocht hem dan niet tegenspreken. Maar ik wist hoe ik hem met enige humor moest aanpakken. Dan verdween hij in zijn bureau om een half uurtje later op te duiken, met het voorstel om er een paar dagen tussenuit te knijpen.”

Louis en Sabine gingen daarna in een huis van grootvader Vanthuyne wonen, aan de Doorniksestraat, rechtover “Parc Saint-Georges”, een elite-tennisclub voor de Franstalige burgerij. De huurders – een onderwijskoppel - verhuisden naar het rusthuis aan de Condédreef. Vanthuyne-Du Tertre woonden daar drie jaar. Ondertussen werd Burghgraeveveld in Bellegem-bos in orde gebracht.
Aanvankelijk ging het er rustig aan toe. Ze waren allebei verslingerd op Juliette Gréco, Leo Ferré, Jacques Brel. Ze luisterden, dicht tegen elkaar aan in de zetel, naar poëtische teksten, waarvan de ironie beet als een zuur.
Sabine en Louis lazen ook veel. Zij las Franse en Vlaamse romans, kocht gedichtenbundels en bladerde graag in tijdschriften. Louis was wat extravaganter in zijn voorkeuren: hij verdiepte zich in Oosterse wijsheid, in profetieën, pseudo-wetenschappelijke werken. In zijn grote bibliotheek vond je ook werken over erotiek.
“Was hij dan een expert in het vrijen?” vroeg Peter Deforge.
“Bijna zo goed als jij,” plaagde Sabine.
“De proef op de som?”
“Houd op,” zei Sabine, “straks moeten we de afrit nemen.”
Deforge was echt weg van Sabine met wie hij de laatste maanden vaker samen was. Het viel hem op dat zij steeds grotere risico’s nam en soms was hij bang dat hij ’s morgens op het bureau van de secretaris-generaal zou worden ontboden. Ook Brusselmans had het in de gaten en Lynn Vanhove was al eerder betrokken partij.

Toen ze eenmaal in Burghgraeveveld woonden, begonnen Sabine en Louis hun hofhouding te organiseren. Of beter: hun hofhoudingen. Ze hadden gemeenschappelijke vrienden, maar ook een eigen vriendenkring. Die kregen allemaal een aangepast onthaal. Louis liet een saunahuis installeren voor zijn Kortrijkse kennissen. Hij vond de sauna de meest erotische vorm van recreatie en dus de meest heilzame. Sabine vond Burghgraeveveld een geschikte locatie om politici en hoge kaderleden van de ambtenarij te ontvangen.
Henk Ryckoort, Rogier Vanderweyden, Dries Kemzeke, Jitschak Horovitz kwamen er dineren. Henk Ryckoort kwam daar herhaaldelijk met een nieuwe vriendin.
De liberaal Dries Kemzeke die ook bij haar te gast was geweest, gaf tekst en uitleg in zijn werkplaats.
“Ik was samen met enkele confraters uit het Brusselse, met één van hen had ik nog voor een cour d’assises gepleit. Meester Bonhomme. De meeste invités kwamen echter uit het onderwijs. Het domein ligt midden in het bos en is volledig omwald. Naast zijn grote bibliotheek zijn de paarden voor Vanthuyne zijn dada. Tijdens het diner vertelde hij honderduit over zijn appaloosa’s. Ik herinner mij niet dat er over iets anders werd gepraat.”
De logebroeders waren benieuwd in Sabine du Tertre. Ze hadden vernomen dat zij aan de poort klopte van “Hedera Helix”.
Kemzeke vond haar een zeer gecultiveerde vrouw. Ze sprak drie of vier talen. Ze was zeer belezen en ze maakte snel carrière in de onderwijsadministratie. Ze kon gloedvol uitweiden over literatuur en muziek.
“Is het juist dat zij dominant zou zijn?”
“Men zegt dat zij de Loge wil gebruiken voor haar politieke carrière.”
Kemzeke kon dit niet ontkennen of bevestigen.
“Ze kan soms heel gewichtig doen en ze weet zich te omringen. Irene vindt haar een beetje opdringerig, maar je weet hoe vlug vrouwen jaloers zijn. Zij is in wezen eerder timide.”

Naarmate Sabine carrière maakte, ging Louis zich meer en meer bezighouden met zijn paarden. Dat vond zij prima. Ze hield ook van dieren. Maar Vanthuyne dronk ook altijd maar meer. Whisky dronk hij niet per glas, maar per fles. Bovendien was hij niet huwelijkstrouw. Sabine tilde daar bijzonder zwaar aan. Ze hield veel van hem, ze wilde de vrouw van zijn leven zijn. Maar ze moest toezien hoe hij soms andere vrouwen uitnodigde op Burghgraeveveld. Sabine ervoer het elke keer als een vernedering. Zo kwam langzaam maar zeker de klad in hun huwelijk en ging ze ook vreemd.
Voor Louis deed zijn promiscuïteit niets af van zijn gevoelens voor haar. Hij noemde haar in het bijzijn van anderen "ma princesse".
Na verloop van tijd kon Sabine er zich toch overheen zetten. Ze wist dat hij, waar het vrouwen betrof, weinig kieskeurig was. Enerzijds vond zij dat erg, maar anderzijds gaf het haar de absolute zekerheid dat hij haar nooit zou verlaten voor een ander.
Na alweer een nieuw avontuurtje zei hij haar altijd: “Ik kan niet verliefd worden op een andere vrouw, ma princesse.”
Louis was een eenzame man. Zijn vrouw was nooit thuis, want ze had het te druk met haar carrière. Dus ging hij op zoek naar gezelschap, naar drinkebroers.

Het Gravensteenmanifest

Het Manifest
De ondertekenaars van dit manifest, die zich de Gravensteengroep* noemen, vertrekken vanuit verschillende politieke en ideologische uitgangspunten, maar zijn het eens in hun gehechtheid aan de democratie en de mensenrechten. Zij stellen de waarden van vrijheid, gelijkheid, solidariteit en wederzijds respect centraal, en wijzen alle vormen van racisme en xenofobie radicaal af.
Zij zijn echter verontrust door het feit dat in de recente discussies over de staatshervorming de indruk wordt gewekt dat redelijke en rechtvaardige Vlaamse eisen telkens weer met (extreem-) rechts gedachtegoed worden geassocieerd. Daarom wensen ze de volgende standpunten naar voren te brengen.
Bij het ontstaan van België in 1830 heeft de francofone bourgeoisie de kans schoon gezien haar prioriteiten veilig te stellen, door een regime te installeren dat essentieel op sociale ongelijkheid en discriminatie van de Vlaamse taal en bevolking was gefundeerd. Die sociaal-economische ongelijkheid is mettertijd in grote mate weggewerkt dankzij een strijdbare arbeidersbeweging. Het recht op eigen taal en cultuur hebben de Vlamingen echter moeten afdwingen via een kluwen van ondoorzichtige compromissen. Het resultaat is een omslachtige staatsstructuur, een institutionele doolhof met zeven parlementen en zes regeringen. Onze 'imago-schade' in het buitenland wordt niet alleen veroorzaakt door de voorbije formatiecrisis, maar ook door de chaos die de Belgische constructie na 177 jaar lapwerk kenmerkt. De verkiezingsuitslag van 10 juni 2007 in Vlaanderen is mede veroorzaakt door het ongenoegen over deze historische vergroeiing en lijkt een onomkeerbare optie op de toekomst te nemen.
Dat een flink deel van de Vlaamse culturele wereld de intellectuele moed mist om deze analyse te maken, is onbegrijpelijk. Dat ze zich, samen met de oude Belgische elites, vastklampt aan een Belgische status-quo, is onaanvaardbaar. Dit zelfverklaard 'progressief Vlaanderen' stelt zich behoudsgezind op en dreigt de trein van de geschiedenis te missen. Ons aanknopingspunt is niet een belegen Vlaams romantisme, maar wel de Verlichtingsfilosofie, het democratisch gelijkheidsbeginsel, een moderne visie rond decentralisatie, subsidiariteit, schaalverkleining en regionale autonomie die overal in Europa aan de orde is, van Schotland tot Kosovo, en van Catalonië tot Estland.
Centraal staat daarin het principe van territorialiteit. In 1962-63 werden de definitieve grenzen vastgelegd van Vlaanderen, Wallonië en Duitstalig België, als taalkundige én culturele ruimtes binnen het Belgisch federaal bestel. Dit nadat al in 1932 de eentaligheid der regio's -mede onder sterke Waalse druk- werd aanvaard. De taalgrens heeft hier in dit opzicht de kracht van een staatsgrens. Zo'n ruimtelijke afbakening impliceert bepaalde spelregels, nodig voor een gezond sociaal weefsel. Wereldwijd beschouwt men het namelijk als evident dat een immigrant, mits een aanpassingsperiode, zich inburgert door zich de taal van het nieuwe thuisland eigen te maken. Dit doet geen afbreuk aan de mensenrechten inzake godsdienst, culturele eigenheid of taalgebruik in de privé-sfeer. Laagopgeleide allochtone migranten doen deze inspanning met vrucht, terwijl veelal hoogopgeleide Franstalige inwijkelingen in Vlaanderen dit om principiële redenen niét blijken te doen, hierin gesteund door hun politici. Sommigen menen zelfs dat het volstaat, in een grensgemeente een meerderheid te verwerven, om de grenzen te verplaatsen. Daarmee ondergraven ze het principe van de politieke solidariteit tussen de gewesten, en meteen ook van de Belgische federale structuur op zich. Men kan zich indenken hoe de Fransen zouden reageren, mocht een Duitstalige meerderheid in een Franse grensgemeente eventjes de grenzen tussen beide landen willen wijzigen...
De ondertekenaars van dit manifest vinden daarom dat elke discussie over sociaal-economische solidariteit onmogelijk wordt, indien men de politieke solidariteit, d.w.z. het wederzijds respect voor grens en ruimte niet eerbiedigt. Er is een ommekeer in de mentaliteit nodig bij de francofone politici: wij hoeven dit respect niet 'af te kopen'. De splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde is een toepassing van dat in de grondwet verankerd territorialiteitsbeginsel. Daarnaast vormt reële tweetaligheid in Brussel, als hoofdstedelijk gewest, de laatste kans voor België om als confederale staat te overleven.
Als een consensus over deze basisbeginselen wordt afgewezen, is elke discussie over staatshervorming zinloos. Noodgedwongen moeten we dan de nodige stappen zetten om de regio's als onafhankelijke staten deel te laten uitmaken van de Europese Unie. Overigens, in de post-Belgische context van de Europese samenwerking kan interregionale solidariteit maximaal spelen. Wij willen, als welvarende regio, zowel de interpersoonlijke als de interregionale solidariteit in stand houden. Met ons hoofd én met ons hart. Maar niet met een latent onbehagen omtrent cultuurimperialisme, ongezond parasitisme, en verborgen partijpolitieke agenda's.
Dit België is zonder duidelijke, onherroepelijke afspraken niet werkbaar; wie een hervorming in deze democratische zin afwijst, pleit in feite voor de ontbinding van die staat. In het verlengde van deze moderniseringsgedachte vragen wij transparante politieke structuren, responsabilisering van de regionale besturen, de toepassing van democratische grondrechten, en onschendbaarheid van taalgrenzen. Met onze Franstalige vrienden als het kan, zonder hen als het moet.
Meer autonomie zal eenieder tot voordeel strekken. Gelukkig groeit aan beide zijden van de taalgrens het besef dat ook Franstalig België zijn eigen groeikansen hypothekeert in de mate dat het zich laat gijzelen door politici die zweren bij de status-quo.
De oude vijandbeelden moeten vervangen worden door nieuwe samenwerkingsverbanden, gebaseerd op een evenwicht tussen solidariteit en verantwoordelijkheid. Wallonië als bevriende partnernatie lijkt ons een aantrekkelijker perspectief dan een staatsbestel dat zich van de ene crisis naar de andere voortsleept.
Namens de Gravensteengroep,
Etienne VermeerschJan VerheyenFrans-Jos VerdoodtPiet van EeckhautJef TurfBart StaesJohan SanctorumJean-Pierre RondasYves Panneels
Chris MichelBart MaddensPaul GhijselsPaul De RidderDirk DenoyellePeter De GraeveEric DefoortJo de CaluweLudo Abicht
*De groep kwam voor het eerst samen en stelde deze tekst op in de schaduw van het Gentse Gravensteen.
Wil ook jij het manifest onderschrijven, klik dan hier.

© Gravensteengroep 2008

22 februari 2008

Geschikt indien getikt! - 1

De mensen steken hun tong uit naar de politiek. Wantrouwen tegenover het openbare gezag heeft altijd bestaan, maar de kloof is nooit zo diep geweest. In de ogen van de mensen is er een nadrukkelijk verschil ontstaan tussen wat zij willen en wat een politicus doet.
Buiten de eigenlijke politiek bestaan er echter vele andere vormen van burgerlijke samenwerking: vakbonden, mutualiteiten, spaarkassen, landbouwersverenigingen. Geleidelijk aan zijn de politici, samen met de zuilen, uitgegroeid tot een apart lichaam in de maatschappij, een externe factor. Burger en politiek zijn twee totaal verschillende zaken geworden.
De mensen zitten nu met het gevoel dat de politicus “andere” belangen verdedigt dan de hunne: de belangen van “standen”, drukkingsgroepen en organisaties.
Burger en politieke klasse zijn daardoor van elkaar vervreemd, ondanks de veelvuldige “contacten”. De mensen voelen dat de politicus in grote mate met zichzelf (zijn portemonnee) en zijn “achterban” bezig is.

Het negeren van verkiezingsuitslagen, het weigeren van door de kiezer gevraagde koerswijzigingen, het doof blijven voor zijn “signalen”, leveren de mensen het bewijs, dat niet hun stem belangrijk is, maar de interne regels en de eigen logica van het politieke bedrijf.
Een politicus die verkondigt dat hij een maatschappelijk ideaal heeft, waarvoor hij wil leven en moeite doen, wordt door niemand meer geloofd. Het grote publiek heeft al te veel van die valse “roepingen” meegemaakt, te veel valse kaarten zien uitspelen.
Er is nood aan een politieke beweging, die tot in het merg gehecht is aan de stelling: de democratie is er voor de mensen, door de mensen en van de mensen.
Niet de zogezegde onverschillige, stiekem frauderende burger moet naar de politiek worden “teruggebracht”. Maar de politicus moet opnieuw een beweging richting burger maken. Hij moet oplossingen kunnen aanbieden voor de spanningen tussen de bevolkingsgroepen, het aangetaste leefmilieu, de onveiligheid, de hoge criminaliteit, de gerechtelijke achterstand.
Indien burger en politiek niet opnieuw een eenheid vormen, zal uiteindelijk de politieke democratie zelf worden aangetast.
Dat “de mediatisering” het werk van de politicus heeft bemoeilijkt, is een vals argument. De ware politicus moet geen twee rollen spelen, geen bepaalde redeneringen of antwoorden ontwijken. Hij moet spreken zoals hij denkt. De ware politicus moet de taal van de mensen spreken!
De politiek opnieuw verzoenen met de mensen betekent ook dat vele bemoeienissen vermeden moeten worden. De politiek moet iedereen zijn kamer aanwijzen, niet zeggen waar de deur en de trap hoort te staan. Van zodra de politiek dat laatste doet, wordt ze voor de mensen iets vijandigs. Echte politiek is het oplossen van conflicten die zich in elke maatschappij voordoen. Maar ze moet niet andermans leven willen inrichten.

De mensen stemmen tegen de politiek: ze blijven weg van de stembus, kiezen blanco of geven hun voorkeur aan extremistische en antipolitieke lijsten. De oorzaken zijn niet op één hand te tellen. Het beleid is er ongetwijfeld één van. Kibbelende ministers, ondoorzichtig gedoe rond de staatshervorming, schendingen van de grondwet. Het is niet te verwonderen dat de mensen zich afkeren van de politiek.

Het (foute) beleid verklaart echter niet alles. Het heeft ongetwijfeld de afkeer tegenover de politiek versneld, dat wel. Er is echter een dieper liggende oorzaak. De afkeer voor de politieke democratie en voor de traditionele partijen verraadt een diepe stroming van ongenoegen en ontgoocheling.
Wat er ook van zij, er is iets fundamenteels aan de hand: waarom haken de mensen af, waarom pikken zij zo gretig in op partijen die de politiek en de democratie willen ridiculiseren?

Een belangrijke reden is ongetwijfeld het verdwijnen van de ideologische “zekerheden”. Velen voelen zich bedrogen. Eén voor één storten de totalitaire regimes in en de vrije democratie komt in de plaats.
De implosie die zich de jongste jaren heeft voorgedaan, is het resultaat van twee fenomenen. Het eerste is het meest zichtbare: het economische failliet van het communistische systeem. Geplanifieerde economieën zijn niet geschikt om een moderne, postindustriële samenleving op te bouwen. Het tweede fenomeen is ongetwijfeld de kentering die zich in de derde wereld heeft voltrokken. Vele ontwikkelingslanden vragen vandaag om economische liberalisering en democratie als hefboom om uit de onderontwikkeling te geraken.
Niemand verdedigt nog een door de staat geplande economie. Geen mens haalt het nog in zijn hoofd om openlijk en ronduit te pleiten voor nationalisering of het onder collectief gezag plaatsen van ondernemingen.
De mensen krijgen hierdoor wel de indruk dat alle partijen en politici in feite hetzelfde zeggen en dat er geen echte verschillen meer bestaan. De ideologische verschillen worden nog wel eens uit de kast gehaald, maar niet meer uit overtuiging. Het zijn veeleer dekmantels geworden die moeten verhullen dat het in onze politieke democratie in wezen om wat anders gaat: om macht en eigenbelang. De mensen weten dit, voelen dit en balen.
De politiek spuit ideeën, waarden en programma's, niet uit overtuiging, niet om de samenleving vooruit te helpen, maar om macht om de macht te verwerven, om het eigenbelang te laten zegevieren. In de ogen van de mensen is de politiek verworden tot een spektakel waarbij de woorden al lang niet meer de daden dekken en waarbij zijn ideeën, noch zijn verzuchtingen of verwachtingen aan bod komen.
Naast het verdwijnen van de “ideologische verschillen”, doet zich in ons land een tweede verontrustend verschijnsel voor, met name de corruptie en het cliëntelisme. Er gaat geen dag voorbij of we worden via krant, radio, of televisie opgeschrikt door een of ander geval van politieke oplichting. Deze corruptie vindt haar verspreiding in de steeds groter wordende bemoeizucht van de overheid.
Even schadelijk voor de democratie is echter het cliëntelisme. De politieke benoeming en “het iets regelen”. In de politieke wereld maakt men er zich nog nauwelijks druk over, maar men onderschat het afgrijzen waarmee de mensen tegen dit alles aankijken. Politiek dienstbetoon ervaart de burger vaak als een vernedering, waarbij hij de politici moet smeken ogenschijnlijk “kleine”', maar voor hem levensbelangrijke problemen op te lossen, problemen die in feite niet zouden mogen opduiken of die zichzelf zouden moeten oplossen indien de staat en de administratie naar behoren zouden werken.
Vele politici nestelen zich graag in dit cliëntelisme: hun intuïtie vertelt hun dat ze de mensen op die manier afhankelijk maken. Zo afhankelijk dat zij er bij de verkiezingen niet meer onderuit kunnen om voor de behulpzame politicus te stemmen. De mensen pikken dit niet langer. Deze afhankelijkheid of politieke lijfeigenschap nemen zij niet meer. Zij hebben de politici door: ze azen op hun stem.
Naast de implosie van de ideologieën en het cliëntelisme is de almacht van drukkingsgroepen, het corporatisme, de derde belangrijke oorzaak voor de afkeer van de mensen voor de politiek. Zij voelen aan dat het niet meer het parlement is, - diegenen die zij hebben gekozen, - die de macht heeft om beslissingen te nemen, maar de belangengroepen. Zij voelen aan dat wat ook de uitslag van de verkiezingen is, er toch niets zal veranderen, omdat achter de schermen van het politieke spektakel “anderen” staan die de touwtjes in handen hebben. Deze “anderen” zijn de drukkingsgroepen. De politici zijn het verlengstuk, de “politieke arm”, geworden van deze organisaties. Deze organisaties, ook zuilen genoemd, bezitten schoolnetten, hospitalen, mutualiteiten, werknemers- en werkgeversorganisaties, socio-culturele verenigingen, banken, reisbureaus en noem maar op. Zij beheren het overheidsapparaat. Zij controleren de staatsbedrijven. Iedere stap die de mens in zijn leven zet, wordt door hen georganiseerd, staat onder hun controle, letterlijk van de wieg tot het graf.
Deze zuilen beheersen grote delen van het maatschappelijk leven. Op zichzelf is daar echter niets op aan te merken. Maar de zuilen worden wel een probleem van zodra ze zich ook met het politieke leven inlaten. Dan worden ze een staat in de staat, die buiten het concept van het algemeen stemrecht en de parlementaire controle valt, met groepen die steeds groter willen worden en meer middelen willen vergaren.
Beetje bij beetje voelen de mensen zich in de steek gelaten. En dat ondanks hun waarschuwingen, keer op keer, bij elke stembusgang. Tot de schok niet meer te vermijden zal zijn.


Joris

19 februari 2008

Wendy Leyn "van dichter-bij"!

Pijn-LIJK

Voor hem
heeft ze

mee-do-gen-loos
de liefde
ver-zaakt

Voor hem
heeft ze

van haar hart
on-ver-bid-de-lijk
een steen gemaakt

Voor hem
was er

zonder pardon
geen teder-heid
meer

Wendy Leyn

18 februari 2008

Dit overkomt je als je een rotgevoel hebt!

Het einde nabij

Het einde is nabij. Ik voel
mijn lijf in alle leden;
het verleden vervaagt, geen
toekomst wenkt, het heden verziekt.

Bij momenten mij nog karig
gegund schrijf ik mij voort tot
de laatste herinnering: een
slecht geschreven boek bij D

op het rek ons scheidt voorgoed.
Nu nog het graf opbreken
eer een nieuw verhaal begint
met woorden van een ander.

Thierry Deleu

15 februari 2008

"Eindterm" (2002) - debuutroman Thierry Deleu - hoofdstuk 16 en 17

16

Peter Deforge was op het kabinet de rechterarm van adviseur Jacques Brusselmans. Ze werden vrienden, hoewel Brusselmans daar weinig vrienden telde. Hij was een beetje arrogant, eigenwijs, machtsgeil, niet zo mededeelzaam. Hij had een hekel aan bureauwerk en vertoefde liever in het gezelschap van de top. Maar dat stoorde Deforge niet: het gaf hem de mogelijkheid de zaken op het kabinet naar zijn hand te zetten en de stress van zich af te houden. Hij heerste zonder veel machtsvertoon en kon bijzonder goed opschieten met Lynn Vanhove, de secretaresse van de cel secundair, met wie hij een soort “geheim” pact had gesloten. Hun prima verstandhouding maakte beiden ook immuun voor de kabinetschef en zijn secretaresse die te pas en te onpas moord en brand schreeuwden om onbelangrijke dingen: de tekst van een ministeriële speech die een halve dag over de deadline was, de vervanging van de minister op een onbelangrijke schoolactiviteit ergens in een uithoek van Vlaanderen, een tikfout in een brief of in de naam van de bestemmeling, een kopie van minder goede kwaliteit in een dossier. Ook Brusselmans kon via zijn GSM, van op een of andere school in Brussel, paniek zaaien voor een dossier dat hij niet meer vond, of voor een brief die hij nog moest schrijven. Voor Deforge en Vanhove was het meestal onbegonnen werk om het dossier te vinden in zijn bureau dat er altijd uitzag als na een nachtelijke veldslag op leven en dood: overal papier, tijdschriften, dossiers, overvolle en omgevallen papiermandjes, drie lege kopjes koffie, kruimels. Lynn Vanhove zei dan door de telefoon dat zij hem niet kon verstaan en dat ze op hem zou wachten.
Ook Sabine du Tertre kende die hectische toestanden op de cel secundair. Brusselmans was een verstrooide professor, een sloddervos op het werk, in zijn bureau, in zijn wagen, maar altijd netjes gekleed, in zwart pak of met een alcantara jasje aan. Hij was een vlotte onderhandelaar en bovendien een knappe verschijning die de kunst verstond de vrouwen te charmeren. Cool en altijd het juiste woord op het goede moment.

Peter Deforge was directeur van een middenschool in Midden-West-Vlaanderen. Toen hij door Vanderweyden werd gepolst om op zijn kabinet te komen werken, aarzelde hij geen ogenblik. Deforge was uitgekeken op het ambt van directeur, maar vooral de slechte verstandhouding met zijn collega van de bovenbouw gaf de doorslag. Beiden lieten het nooit tot een open conflict komen, maar op personeelsvergaderingen was de spanning soms te snijden. Deforge speelde graag cavalier seul en met succes. Dit wekte de afgunst op bij zijn collega. Deforge had de middenschool nieuw leven ingeblazen en die nieuwe spirit vertaalde zich ook in leerlingenwinst.
Toch was hij opgelucht met het voorstel van de minister: een nieuwe uitdaging, die had hij nodig. In zijn carrière had hij meermaals de kans gekregen om een nieuwe uitdaging aan te gaan.
Deforge was ook literair actief geweest. Vooraleer hij directeur werd, had hij het druk met schrijven, uitgeven, organiseren. In die periode had de Antwerpse uitgeverij Paradox Pers een bloemlezing van zijn gedichten gepubliceerd, onder de titel Memoires.
Nu werkte hij stiekem aan een roman die zich afspeelde in de wereld van het onderwijs. Voor zijn debuut had hij gekozen voor bekend terrein. Het boek bood hem de kans om zijn frustraties de vrije loop te laten en zijn gal te spuwen over toestanden die hem niet zinden. Sabine du Tertre was de enige aan wie hij het verloop ervan vertelde, voorzichtig, niet veel onthullend, de grote lijnen.
De laatste tijd gebeurde het vaker dat zij verwonderd uitriep: “Maar Peter, je schrijft over mij, over ons, over mijn baas!”
Maar ze voegde er gehaast bij: “Je moet ermee doorgaan en mij alles vertellen.”
Toen ze bij “La Bergerie” in de korte Beenhouwersstraat, aan het dineren waren, - een oude koopmanshal uit de 16de eeuw, - vroeg ze hem: “Wie is die man die op het hoofdpersonage verliefd wordt?”
Wist zij het niet? Of deed zij alsof? Deforge zei a en verzweeg b. Zo bleef hij haar enkele bladzijden voor in het verhaal.
“Ben jij op mij verliefd?” vroeg ze ineens.
Deforge schrok, kleurde rood en antwoordde niet. Had zij het dan toch gesnapt?
“Ik heb jou ook graag, Peter.”
“Hoe graag?” vroeg Deforge die zich had herpakt. Daarop had zij hem een zoen op de mond gegeven. Het gesprek viel stil. Beiden probeerden het opnieuw op gang te krijgen, maar het lukte niet. Het was tijd om op te stappen. Het viel Deforge op dat Sabine in de Nieuwstraat een paar keer halt hield aan een juwelierszaak.
Het duurde twee weken vooraleer zij hem opbelde. Hij had haar sindsdien gemeden en hij vermoedde dat zij dit ook had gedaan.
“Ik ken een gezellig restaurantje in Leuven,” zei ze in de auto, “waar we niet gestoord zullen worden. Moet je vanmiddag terug naar het kabinet? Roep je secretaresse op en zeg haar dat ze jou op de GSM moet bellen wanneer het echt nodig is om terug te keren.”
Deforge verwittigde Lynn vanuit de wagen van Du Tertre.
Sabine reed het “Ramberghof” binnen. Op zonnige dagen is het er vechten om een terrastafeltje, in de prachtige, Engelse tuin.
“Maar ook ’s winters is het hier goed tafelen. Als je in de Orangerie zit, is het net of je in een besneeuwde tuin tafelt. Heerlijk is dat,” zei ze.
Deforge dacht aan Dekunst en haar. Zou zij hem meenemen naar een restaurant dat zij ook bezocht met Dekunst? Hij geloofde het niet. Zij kwam hier misschien met andere vrienden. Of met haar man.
Zaakvoerder Jo Mertens vertelde hun dat er in dit statige huis ooit zustertjes hadden gewoond en dat het later bewoond werd door de familie Eyskens tot vader Gaston overleed. Mertens had het pand aangekocht en grondig onder handen genomen. De zaak was pas open mei 1990.
De lunch verliep echt gemoedelijk. Soms nam hij haar hand en streelde haar palm met de toppen van zijn vingers. Ze trok haar hand niet terug.
“Peter, je beseft toch dat het vreselijk kan tegenvallen als je de eerste keer met iemand op kamer gaat? Zul je hierop voorbereid zijn? En wat zul je mij dan zeggen? En aan de collega’s? Dat je mij in bed hebt gekregen en dat Dekunst mij per omgaande kan terugkrijgen?” Deforge slikte en keek naar buiten, zocht naar het juiste antwoord en vond slechts: “Ja, ik weet dat die kans erin zit, maar ik voel niets voor een slippertje, ik wil een vaste relatie met jou.”
Zij glimlachte.
“Wil je nu op kamer?” vroeg hij.
“Moet je niet terug naar je bureau? Zal jouw baas geen verklaring eisen? Jij beslist Peter,” zei ze.
Ze dronken nog een pousse-café en reden terug. In de wagen werd bijna geen woord gesproken. Zij nam zijn linkerhand en legde die tussen haar warme dijen. Toen hij te dicht bij haar slipje kwam, duwde ze zijn hand weg.


17

Dirk Uytdezwee laat op zich wachten. De vertegenwoordiger van het socialistisch onderwijssyndicaat komt net de zaal binnen als Du Tertre haar uiteenzetting is begonnen over het voorstel tot benoemingsstop.
De minister overweegt tijdelijk een beperking van de benoemingsmogelijkheden op te leggen om het debat over de hervormingen in het secundair onderwijs niet te hypothekeren. Voor Vanderweyden zal dat in de kortste keren kunnen worden uitgevaardigd, maar Dekunst en Du Tertre zijn realistischer. Eerst met de vakbonden van gedachten wisselen over nieuwe samenwerkingsverbanden, over reductie van studierichtingen, over decentralisatie en responsabilisering.
Uit de eerste gesprekken blijkt dat het aftasten van elkaar een hele tijd in beslag zal nemen. Daar de minister al een paar keer hard is uitgevlogen tegen enkele vertegenwoordigers, hebben Dekunst, Du Tertre en Brusselmans hem ervan kunnen overtuigen tijdelijk van de onderhandelingstafel weg te blijven.
Een benoemingsstop is voor de vakbonden onaanvaardbaar.
Uytdezwee die klaarblijkelijk heeft gedronken, valt uit en roept: “Is de minister een socialist? Ik voel niets dan plaatsvervangende schaamte voor iemand die zich zo weinig gelegen laat aan de werkverschaffing van de mensen. Zo iemand kan geen socialist zijn!”
Even is het heel stil.
Dekunst neemt het woord en zegt kalm: “Meneer Uytdezwee, we zijn hier niet om aan politiek te doen, of om te scoren bij onze achterban, - die hoort ons toch niet -, we zijn hier om een opbouwend gesprek te voeren over het onderwijs, met de bedoeling de hervormingen die in het regeerakkoord zijn ingeschreven, in goede banen te leiden.”
Uytdezwee is in alle staten en roept dat Dekunst al te lang voor minister heeft gespeeld en dat het tijd wordt dat de administratie wordt gedepolitiseerd.
Du Tertre zegt binnensmonds maar goed hoorbaar aan Uytdezwee: “De beide directeurs-generaal, die in functie en die in opdracht van het kabinet, zijn socialisten, kameraad.”
Iedereen lacht. Uytdezwee krijgt een schouderklopje van zijn collega Cyr Bootman en zwijgt. Du Tertre kan haar toelichting voortzetten.

Deforge neemt geen deel aan die onderhandelingen en het stoort hem niet. Hij werkt liever zijn dossiers af en schrijft de toespraken. Lynn Vanhove weet dat hij ook aan een roman werkt.
“Een thriller,” heeft zij aan haar vriendin in het bureau ernaast verklapt en die is benieuwd naar de inhoud. Deforge zegt iets van “over mensen die hier werken”. “Ik kom er toch ook in voor?” vraagt ze.
“Komaan zeg, Peter, ik verdien het! Lynn en ik mogen in je boek niet ontbreken. Ik sta erop!”
Ze heet Anita Delchambre, een knappe blondine en een echte praatvaar. Deforge vindt haar een bijdehante juffrouw die goed voor haarzelf kan opkomen, assertief en handig in het bedenken van scenario’s en uitwijkpistes. Deforge gaat geregeld met haar eten op de –1 of in een sandwichbar in de Koningsstraat. Zij vindt bij hem een luisterend oor.

@

“Het geluk moet je altijd een handje helpen,” zegt Sabine.
Ze drukt haar rechterwijsvinger tegen haar mond en kijkt in de richting van de chauffeur.
Ze legt een drietal parafeermappen “signature” op haar schoot, begint de nota’s te lezen en de bijbehorende brieven te ondertekenen. Peter Deforge zwijgt. De chauffeur van de secretaris-generaal heeft de opdracht Du Tertre en Deforge naar Montdorf-les-Bains te brengen. Daar vindt een driedaags congres plaats over “Kwaliteitsmeting in het onderwijs”, een initiatief van de OESO. Alle lidstaten zijn op het congres uitgenodigd. Dekunst zal zich op de slotdag bij hen voegen: hij moet één van de slottoespraken houden. Het laatste woord is voor zijn collega van het gastland. Brusselmans mag van zijn kabinetschef het huis niet uit, omdat Pervijze vreest dat hij in de problemen zou kunnen komen met zijn minister. Karel Pervijze is de draad van het onderwijsverhaal al enkele maanden kwijt. Hij volgt de onderhandelingen niet meer op de voet en laat het denkwerk - maar ook de opvang van de stoten - over aan Brusselmans. Hij blijft echter een kommaneuker, een angsthaasje en een slaafje van zijn baas die al lang doorheeft dat Pervijze geen groot licht is. Brusselmans blijft thuis en Deforge moet gaan. Normaliter zou Peter hard protesteren, maar wanneer hij hoort dat Sabine Du Terte meegaat in plaats van Dekunst, houdt hij zijn protest niet lang vol. Om geen argwaan te wekken vraagt hij Pervijze en Brusselmans een dag compensatie. Hij krijgt zijn dag en Lynn Vanhove kan haar bewondering voor zoveel lef en cinema nauwelijks verbergen. Zij is echter niet op de hoogte van zijn relatie met de directeur-generaal. Of toch?
Sabine geeft Deforge een zacht duwtje in de zij en vraagt hem: “Peter, heb jij het programma reeds doorgenomen? Ik zou toch graag hebben dat we alles kunnen volgen, desnoods schrijven we ons afzonderlijk in voor een werkgroep. Wat denk je?”
Ze knipoogt, buigt zich voorover om een grote witte enveloppe uit haar zwart leren boekentasje op te diepen en geeft ze aan Deforge.
“Wil jij eens de werkgroepen tellen. Misschien kun je de belangrijke en de minder belangrijke verschillend aanstippen.”
“Marcel, jij komt vanavond nog naar Brussel terug? Denk erom dat ik jou mijn dossiers meegeef.”
Op het congres worden drie scenario’s voor kwaliteitsmeting onderscheiden. Het eerste is het “strikt nationale” systeem, het tweede is het “nationaal gediversifieerd” systeem en het derde scenario is het “twee-lagen”-systeem dat een combinatie is van de twee. De secretaris-generaal Dekunst zal in zijn toespraak enkele parameters voor onderwijskwaliteit toelichten, meer bepaald de voorlopige resultaten van de UIA die een analyse-instrument voor schooleffectiviteit aan het ontwikkelen is.

Tussen Brussel en Bastogne denkt Peter Deforge aan zijn jeugd, aan de vele keren dat hij met zijn ouders in Montdorf-les-Bains verbleef. Een charmant stadje in het zuidoosten van het Groothertogdom Luxemburg. Beschermd tegen de wind heeft dit kuurcentrum een bijzonder prettig en mild klimaat. In het kuuroord volgde zijn moeder om de drie jaar een therapie tegen reumatische aandoeningen. Deforge herinnerde zich ook de boottochtjes die ze vanuit Remich maakten op de Moezel.

Het secretariaat van Sabine du Tertre heeft twee kamers geboekt in “Hotel du Grand Chef”, een 4-sterrenhotel rechtover het kuuroord. Het ligt in een groene omgeving, midden in een park met weelderige bomen, planten, kleurige bloembedden en mooie gazons. Op 800 m ervandaan bevindt zich het enige casino in het Groothertogdom. Het hotel wordt ook druk bezocht door golfliefhebbers. Een golfterrein ligt op 9 km.
Omstreeks 10 uur komen ze aan in Bastogne. Sabine gebiedt de chauffeur te stoppen op het plein met de tank. Met hun drieën gaan ze een koffie drinken in één van de vele cafeetjes op de markt. Marcel, klein, mollig, die om de haverklap van look verandert, vertelt een paar aangebrande moppen. Hij is al vele jaren de chauffeur van de secretaris-generaal en hij kan zich veel veroorloven. Hij heeft zijn haar kort laten knippen en verven. In het strogeel.
De congresgangers worden om halftwaalf in het hotel verwacht en een eerste lunch wordt hun geserveerd om 12.30 u. De kamers van Du Tertre en Deforge bevinden zich recht tegenover elkaar op de eerste verdieping. Sabine heeft uitzicht op het park. Ze spreken met elkaar af in de bar van het hotel. Sabine verschijnt in een lange zwartgrijs gedessineerde japon, met daarboven een zwarte mouwloze chasuble.
“Mooi, beeldig mooi, mevrouw de directeur-generaal.”
Ze lacht het spleetje tussen haar boventanden bloot. “Mooi? Dat is toch relatief, Peter. Het gaat vaak om een millimeter. Een iets wijkende kin, een streepje te kromme neus of te wip, een net andere lijn om de mond en wat zo mooi had kunnen zijn is grondig verpest. Maar je bent toch bedankt voor je complimentje, schat.”
“Schat.”
Het is geleden van hun eerste amoureuze tête-à-tête in Leuven, toen ze hem naar Brussel Centraal terugreed. Toen had ze ook gezegd: “Bel mij, schat.”
Tussen beiden is een groot vertrouwen gegroeid, een compliciteit, maar geen vaste relatie.
Bij de openingszitting van het congres krijgen de deelnemers het programma, met praktische inlichtingen. Zo merkt Du Terte op dat zowel ’s morgens als ’s middags het verslag zal worden bezorgd van de voorbije besprekingen.
“Interessant,” denkt ze.
Ze zoekt oogcontact met Peter op de derde rij en wijst met haar rechterwijsvinger op de laatste bladzijde van het programmaboekje. Sabine zit op de openingszitting vooraan als vertegenwoordiger van het departement Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap. De Luxemburgse minister van Onderwijs houdt de toespraak. Om halfvijf zit de eerste dag erop.
Sabine belt Dekunst in Antwerpen op. Minister Vanderweyden en zijn secretaris-generaal hebben die donderdag een eerste overleg met het Antwerpse stadsbestuur over de hertekening van het officieel onderwijs. Sabine brengt verslag uit van de eerste vergadering en zegt dat ze hem mist.
Hij antwoordt: “Amuseer je, konijn, zaterdag ben ik om 10 uur stipt bij jou in de bar.”
Peter en Sabine eten die eerste avond in het restaurant “Du Grand Chef”. Op kosten van Onderwijs. Een glaasje Moselle-Perlé, een lichtkoolzuurhoudend wijntje met een heerlijke smaak en vol aroma, pastei op basis van Riesling, rivierkreeftjes, snoek, een fles Riesling “Marque Nationale” en een digestiefje op basis van mirabellen.
Het valt Deforge op dat Sabine ook nu haar bord draait en het merk hardop voorleest: “Manufacture Royale et Impériale de Villeroy & Boch”.
Ze is praatziek en wil van Deforge nu eindelijk eens weten of hij echt een vrijgezel is zoals men op het kabinet beweert.
“Ik ben getrouwd geweest, maar mijn vrouw is verongelukt in een vliegtuigcrash. We waren toen drie jaar samen. Ze was door Ibis naar Tenerife gestuurd om daar het eerste hotel van deze keten op gang te brengen. Dat was haar job als pr-officer. Op de landingsbaan crashte haar vliegtuig. Volgende week zal het dertig jaar geleden zijn.”
“Wat erg. Waarom weet niemand dit? Heb je kinderen?”
“Greta was zwanger.”
Peter drinkt een grote slok wijn en zegt nog: “Ik hield erg veel van haar. Sinds die tijd kon ik geen vaste relatie meer aan. Tot ik jou zag. Ik was op slag verliefd. Maar ik durfde het jou niet zeggen. Ik was bang te worden afgewezen.”
“Hoe zag zij eruit, Peter?”
“Mooi. Ze had lang kastanjebruin haar dat zij graag in een staart droeg, ze had mooie donkere ogen, ze was niet groot, maar slank, tenger.”
Sabine du Tertre voelt een koude rilling over haar heen lopen: Peters beschrijving klopt grotendeels met haar eigen uiterlijk, alleen is zij niet tenger, maar ze is het vroeger geweest als bakvis. Deforge is voor de tweede maal verliefd geworden op zijn eigen vrouw. Du Tertre heeft het moeilijk met die gedachte.
Het gesprek stokt, ze kijken beiden voor zich uit. Kort.
Dan zoeken hun ogen elkaar en Sabine zegt zacht: “Ik hou van je, Peter.”
Hij sluit zijn ogen, zoekt haar hand en kust omzichtig elke vinger. Die nacht blijft hij bij Sabine.
Sabine is een van de mooiste vrouwen die hij ooit ontmoet heeft, geen schoonheid à la Cindy Crawford, maar met een uitstraling die hem in de ban houdt, ze heeft haar kastanjebruin haar losgemaakt, haar zwartbruine ogen als van een Arabisch paard brengen hem van zijn stuk. Hij trekt haar dansend mee door de kamer en Sabine gedraagt zich als een jonge poes. Wanneer Peter haar borsten aanraakt, krijgt zij het warm.
De volgende nacht vertrouwt Sabine het niet meer en stuurt Peter om drie uur naar zijn kamer.
“Wie weet staat Joris nog voor het ontbijt aan mijn deur. Ik wil hem geen pijn doen, hij mag ons niet betrappen, hij is in staat om dwaze dingen te doen.”

In hetzelfde gebouw vindt ook de Europese conferentie van de EMU plaats. Op deze informele Ecofin-vergadering worden vaste wisselkoersen bepaald waartegen de valuta van de deelnemende landen onderling worden vastgeklonken. Praktische afspraken voor de landen die zich voorbereiden op de euro. De ministers van Financiën zijn in Montdorf-les-Bains ook overeengekomen een gedragscode op te stellen om fiscale concurrentie tegen te gaan.

Sabine en Peter zitten in de vooravond op het hoekterrasje aan de fontein bij de ingang van het kuuroord. Ze luisteren naar een grijzend vivant heertje dat kettingrookt en aan een belendend tafeltje een technisch gesprek voert met enkele jongere collega’s.
Wanneer hij hoort dat Sabine Vlaams praat met haar buur, zegt hij: “‘t Is altijd gezellig Vlamingen te ontmoeten die aan de weg timmeren.”
Zijn opmerking klinkt ernstig, maar zijn ogen verraden spot. Vlamingen ontmoeten op een steenworp van thuis is anders niet zo relevant, denkt Sabine, en zij glimlacht.
Twee tafeltjes verder op zit zijn federale minister van Financiën. Sabine kent die alleen uit de media. Blijkbaar een vriendelijke man, met dun wit haar, witte slapen, een beetje uitdrukkingsloos gezicht, albinotrekjes, maar een competente minister die zijn dossiers goed kent. Sabine kan niet uitmaken of het drukdoende heertje voor de minister van enig belang is. Zeker is dat hij grote woorden gebruikt, stoer aan zijn sigaret zuigt en zelfbewust door zijn brilletje kijkt. Mensen mag je niet op hun uiterlijk beoordelen, zei haar vader altijd.
Sabine glimlacht hem toe en zegt dat zij nooit veel wijzer wordt van cijfers en procenten en zich liever met onderwijs ledig houdt. Wanneer ze dit zegt, dringt het tot haar door dat procenten in het onderwijs ongemeen belangrijk kunnen zijn. Dat overkomt je als je met een oneliner een gesprek wilt afsluiten.
De kabinetsmedewerker heeft het niet eens gehoord, of stoort er zich niet aan. Hij vraagt haar wat zij op Onderwijs doet.
“Bent u kabinetsmedewerker, mevrouw, of werkt u op de administratie?”
Nadat Peter en Sabine zich hebben geïdentificeerd en handjes geschud, wandelen ze links van de fontein het kuuroord uit op weg naar hun hotel.
De Vlaamse adjunct-kabinetschef van de minister van Financiën kijkt hen met tintelende oogjes na en zegt: "Kabinet en administratie leven in het onderwijs in goede verstandhouding met elkaar, spijtig dat dit bij ons niet kan.”
Hij trekt aan zijn sigaret en zegt aan zijn secretaresse rechts van hem: “On ne badine pas avec l’amour, Leontine.”
Sabine en Peter horen hem lachen, maar kijken niet meer om.

Op de kabinetten lopen veel van die zelfgenoegzame heerschappen - ook dames - die, eens ze van de macht hebben geproefd, het noorden verliezen en hautain, arrogant, betweterig naast hun schoenen lopen. Vaak zijn zij medeverantwoordelijk voor het afspringen van de onderhandelingen. Deforge vond die creaturen, die je ook bij de vakbond aantrof, zielenpoten. Op Onderwijs kende hij er geen, of toch een paar, zijn kabinetschef bijvoorbeeld. Minister Vanderweyden zette die kikkers en padden die zich om de haverklap opbliezen, snel op een kluitje of aan de deur.

Sabine zwijgt. Ze denkt aan Joris die morgen naar het congres komt.
"Sabine, je moet nu toch eens een besluit nemen. Ik word gewaar hoe je je opboeit en zorgen maakt. Is Dekunst het waard dat hij onze relatie ondermijnt?”
Het gebeurt de laatste dagen wel meer dat Peter haar gedachten leest, het is ook niet verwonderlijk: ze is dikwijls afwezig, in zichzelf gekeerd, denkt scenario’s uit om het Joris te zeggen zonder hem pijn te doen. Peter zegt haar telkens: "Scheiden doet meestal lijden, zeker als je je geliefde dreigt te verliezen, maar hoe langer je wacht, hoe pijnlijker het wordt voor Dekunst.”
Sabine weet dat hij gelijk heeft, maar zij houdt ook nog van Joris, niet zo fel als van Peter, maar Dekunst heeft haar veel gegeven: aanzien, zelfvertrouwen, kansen, genegenheid. Hij is voor haar altijd een lieve man geweest, een vader en een minnaar.
In de bar van het hotel zitten een viertal kuurgangers, drie dames en een heer, tussen veertig en vijftig. Ze praten over hun gezondheid, over hun vele kwaaltjes. Ze spreken Frans en komen blijkbaar van over de grens uit Frankrijk. Sabine en Peter gaan in een hoek zitten aan het raam met uitzicht op het park en bestellen een elixirtje. Peter pakt haar stevig vast voor een knuffel en blijft dan zacht en achteloos haar rug strelen. Altijd en overal is hij op zijn hoede.

Dekunst arriveert om halftien. Sabine wacht hem op in de bar van het hotel. Ze geven elkaar een kus en gaan aan een tafeltje zitten. Dekunst bestelt twee koffies. Hij vertelt haar over het overleg met het Antwerps stadsbestuur en over de onhandigheid van de minister die resoluut had voorgesteld enkele kleine scholen te fuseren en anderen te groeperen in samenwerkingsverbanden.
“Eén net,” had hij gezegd, “dan kunnen jullie wedijveren met het vrij onderwijs.”
“Dat was niet het juiste moment. De schepen van Onderwijs had kort daarvoor zijn ongenoegen laten blijken over Deforge die geweigerd zou hebben de rekening te betalen voor de organisatie van de studie- en informatiedag secundair onderwijs.”