Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans

Stichtingsdatum: 1 februari 2007


"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"

"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.

30 januari 2008

"Eindterm" (2002) - debuutroman van Thierry Deleu - hoofdstukken 12 en 13 - met toelating van de uitgever

12

Meestal gingen ze in “De Villa” op kamer. De villa lag in Wemmel, weg van de snelweg. Mevrouw kende haar klanten. Ze begroette ze altijd even discreet en vriendelijk.
“Een coupje voor mijnheer en mevrouw? Ik zorg ervoor.”
“Graag een kannetje koffie voor twee.”
Soms wilde Dekunst er ineens naartoe. Meestal reden ze er na een vergadering heen. Daarna ging Dekunst nog eens langs in Brussel, acte de présence.

Toen Sabine haar Alfa achterin de villa stalde, bleek dat zij niet alleen waren. Een BMW type-7 en een Opel Omega stonden naast elkaar geparkeerd. Een joint venture tussen Opel en BMW? Waarom niet? Zo onlogisch was dit niet.
Sabine die het ritueel onder de knie had, ging altijd eerst douchen. Dekunst ging plassen. Gewoonlijk lag hij reeds onder de lakens als zij binnenkwam. Maar nu was zij eerst.
“Joris?”
“Ja.”
“Mag ik je uitkleden?”
Zonder op zijn antwoord te wachten, kwam ze overeind op haar knieën, maakte de knoopjes van zijn hemd los en trok de mouwen over zijn armen. Ze liet het hemd op de grond vallen. Haar vingers raakten luchtig zijn tepels aan.
“Heb je het koud?”
“Neen.”
Hij stak zijn armen naar haar uit.
“Nog niet.”
Haar mond, tong en tanden likten, slurpten, zogen en beten in zijn borst, terwijl haar handen zijn broeksriem losgespten en de rits opentrokken. Zijn broek viel om zijn enkels op de grond en haar handen omsloten zijn ballen.
“Je ballen zijn zo groot," fluisterde zij terwijl haar wang over zijn buik gleed en ze zijn pik met haar mond zocht. Hij voelde haar tanden zacht over zijn gezwollen lid schrapen.
“O.K. Zo is het genoeg,” zei hij.
Haar stem klonk gekwetst.
“Wat is er Joris? Vind je het niet fijn? Doe ik het niet goed?”
“Ik vind het heerlijk.”
Hij lachte.
“Maar als ik die broek niet uittrek val ik op mijn gezicht.”
Het was een echt bed voor de liefde, smal en hard, de enige manier waarop je er samen in kon liggen was in elkaar gepast. Zij ging met haar rug tegen de muur liggen en schoof zijn arm onder haar hoofd terwijl ze zich met haar rug tegen hem aandrukte.
“Makkelijk zo?”
“Mmm."
Hij deed zijn ogen dicht.
“Was het fijn voor je?” vroeg ze fluisterend.
“Het was verrukkelijk.”
Ze zweeg en zei ineens: “Je begint weer stijf te worden. Ik voel het.”
Ze wreef haar billen tegen hem aan.
“Op die manier gaat het niet over,” zei hij.
“Kom in me,” fluisterde ze opgewonden. “Ik wil met jou in mij slapen.”
Ze ging even verliggen en hij glipte naar binnen als een warm mes door de boter.
Zij bleven een poosje rustig liggen.
“Sabine, ik zie jou graag, jij ziet mij graag. Waarop wachten wij om samen te wonen? Waarom blijven we niet bij elkaar?”
“We zijn toch bij elkaar,” fluisterde ze.
“Ja, maar ik bedoel voor altijd. Jij bij mij in Borlo.”
Sabine schrok maar kon zich beheersen. Dit was de eerste keer dat Dekunst haar vroeg om bij hem te komen inwonen.
Ze zweeg.
“Sabine, wat denk je van mijn voorstel?”
“Ik ben moe, Joris. Ik moet daar even over nadenken. Het overvalt mij. Dit bespreken we de volgende keer.”
“Eerlijk?”
“Eerlijk.”


13

Vanaf dan gaat het allemaal snel voor Sabine du Tertre. Razend snel, alsof ze wordt meegesleurd in een draaikolk. En ze vindt het niet eens onaangenaam. Integendeel: ze voelt zich sterk, haast onoverwinnelijk. Ze werkt als bezeten en ze heeft in Joris Dekunst een vaderfiguur gevonden, waaraan ze zich kan optrekken. Zij leeft in een roes.
Eind van de maand vertrekt ze met Joris Dekunst naar de Creuse. Officieel verblijven ze voor vijf dagen in Frans-Vlaanderen om er de situatie van het Nederlands te bestuderen.
De minister kon zich - na lang pramen - verzoenen met een of andere vorm van subsidiëring van cursussen Nederlands of van culturele verenigingen die opkwamen voor het behoud van het “Vlaams”. Vanderweyden was niet zo gevoelig voor de culturele integratie van Vlaanderen en Frans-Vlaanderen. Hij beschouwde dit als inmenging in binnenlandse aangelegenheden. Onder druk van een invloedrijke lobbyclub die nauwe connecties had met Ons Erfdeel had hij toch ingestemd met een onderzoek naar de behoeften. Hieruit bleek dat de taaldiscriminatie in de Westhoek en de anti-Vlaamse geest in Frans-Vlaanderen niet meer expliciet aanwezig waren, maar dat Vlaanderen nog best kon bijdragen tot nieuwe mogelijkheden om taal en cultuur en gevoel van eigenwaarde tot leven te brengen. Deze bezorgdheid wilde Vanderweyden delen met zijn collega van Cultuur.

Dekunst heeft het programma zo geregeld dat zij de derde dag kunnen doorreizen naar de Creuse. Zij blijven twee dagen overnachten in Confolent bij een Vlaamse boer die zich daar in een kwarteeuw tijd rijk heeft geboerd: een domein van 175 ha, met bijna 300 koeien en meer dan 40 paarden. Dekunst heeft dit adres nog gekregen van wijlen minister Vandamme die zich daar graag met zijn vrouw terugtrok. Boer Marc Van Beselaere geeft logies aan toeristen, formule “chambres d’hôtes”.
De Creuse is één van de meest vergeten departementen en één van de regio’s waar het vaakst aan voorbij wordt gereden. Niemand wil daar nog wonen. Kastelen worden er aangeboden voor bijna de helft van de prijs die ze in de Dordogne of Bourgondië zouden opbrengen. De rivieren hebben er diepe dalen, met daartussen hoogvlakten en kleinere berggroepen. De grond is arm en bedekt met bossen en heidevelden waar schapen grazen. Daartussen liggen boekweit- en roggevelden. De Creuse is ook een paardenland.
Van op de glooiing bij de chalet kijken Sabine du Tertre en Joris Dekunst, verblijd en verblind door zoveel schoonheid, naar de boerderij beneden die daar in het late zonlicht als door de hand Gods is neergepoot, met links een grote vijver en in een halve maan eromheen een groen golvend land van paarden en bruine koeien.
Idyllisch, romantisch.
Beiden denken ze hetzelfde: “Een paradijs voor verliefden!”
In die twee dagen bezoeken ze enkele van de vele Romaanse kerkjes in de buurt, met hun prachtige fresco’s. Ze komen in Moutier d’Ahun, Chénérailles, en La Rochette aan de linkeroever van de Creuse. Een idyllisch plekje met een Romaanse kapel waarvan de klokkentoren met houten spanen is bedekt. Voor de ingang staat een stenen altaar, een dolmen, met stenen banken in een kring opgesteld.
“Een ideale plek voor een heksenkring,” zegt Sabine.
Dekunst glimlacht vaderlijk. Sabine geraakt snel in de ban van het mysterieuze. Het onbekende heeft op haar een bevrijdend effect. Wanneer zij het kerkje binnengaat, denkt zij aan een vrijpartij met Piet Tersmidse in La Chapelle-des-Moines. Hij schreef hierover een gedicht waarvan zij zich nog de laatste verzen herinnert.
Stil citeert ze: “… meewarig/ kijkt de Heer op ons neer/ zij trekt haar jurk boven de dijen/ ik strooi mijn zaad in een lege/ hemel de val der engelen”.

Aan haar huishoudster vertrouwt ze toe: “Ik beleefde de gelukkigste dagen van mijn leven.”
Ook aan Truus Deseure verklapt ze haar avontuur met Dekunst. Een riskante bekentenis, maar Truus en Sabine zijn als twee zussen. Ze hebben ook veel geheimpjes samen. Deseure is een paar keer met Brusselmans op kamer geweest. En als je weet dat zij bij hem thuis nog de babysit van zijn zoon is geweest, dan zijn die slippertjes een beetje pervers.
In de Creuse hebben Dekunst en Sabine ook veel gepraat. Het geeft Dekunst zelfs hoop dat zij ooit bij hem zal komen wonen.
“Ik wil dat je weet wie ik ben,” heeft ze hem gezegd. “In mijn werk kom ik zelfzeker over, maar ik ben dit veel minder in een relatie.”
Het bevalt haar dat hij een fijnproever is en een non-fumeur. Ze heeft een misprijzen opgebouwd voor veelvraten, drinkers en rokers.
Wanneer zij die avond afscheid nemen, zegt ze: “Joris, je weet dat ik een perfectionist ben. Ook van mijn partner verwacht ik de perfectie. Ben jij volmaakt?”
Wanneer ze thuiskomt, neemt ze Alexander in haar armen en geeft Louis een zoen op de mond. Ondanks haar relatie met Dekunst blijft ze ook van Louis Vanthuyne houden.

29 januari 2008

Oostduinkerkse brieven - 2

De lezer dient deze Oostduinkerkse brieven te beschouwen als fictie. Indien zij een licht zouden werpen op datgene wat als non-fictie overkomt, dan nog blijft mijn “beste vriend” slechts een creatie van mijn ongebreidelde fantasie. (De briefschrijver)

Beste vriend,

Ik hoor onze werkvrouw in de living straffe uitspraken doen over de opwarming van de aarde. Zij brengt mij op een oud idee om ooit een essay te schrijven over de leugen, of beter: hoe de leugen overheerst, hoe de leugen de wereld regeert, hoe met andere woorden de waarheid permanent in de verdrukking komt.
Bij het schrijven van het essay Schoon volk in de hemel had ik gezworen dat het mijn laatste boek zou zijn (2de helft 2008). Word ik niet te oud om mij nog “halsoverkop” te verdiepen in de roerselen van de menselijke geest? Wordt het niet stilaan tijd dat ik het korte stukje leven dat mij nog rest invul met (nog meer) op reis gaan en (veel meer) lezen? Op deze twee vragen antwoordt mijn lief vrouwtje volmondig: “Ja!” Dit doet zij echter al heel “ons” leven: enerzijds stimuleert zij mijn creativiteit en anderzijds tempert zij mijn verstikkende gedrevenheid.
Ik kan het echter niet van mij af zetten: ik moet mijn medemens de ogen openen voor zoveel leugen en roddel, voor zoveel geschiedenisvervalsing, voor dat verzonnen verleden. Eerst dacht ik aan een essay, maar nu heb ik definitief geopteerd voor een artikel. De schrijfdrift blijft groot, maar ik voel de krampen in mijn vingers (ik bedoel: de druk in mijn vingertoppen en de pijn van mijn muistendinitis).
’t Kan mij geen zier schelen, ik ga er voor, - zij het nu met korte ademstoten, - ik wil de slechtzienden met hun neus op de feiten drukken en de slechthorenden aanmoedigen om beter te luisteren.

Vooral de “ontdekking” van de Gentse archeologieprofessor Hugo Thoen heeft mij over de brug gehaald. Ik doe het! In “Het Laatste Nieuws” van 21 februari 2006 las ik de veelzeggende krantentitel: “Julius Caesar is nooit in onze streek geweest”. Met andere woorden: de Belgen verdienen de titel van dappersten onder de Galliërs niet. Want Julius Caesar, de Romein die ons in zijn boek De Gallische Oorlogen zo fijn omschreef, kon dat helemaal niet weten. Hij zette namelijk nooit één voet in onze streek. Hebben we ons dan met een bang hart aan de Romeinen overgegeven? “De verovering van Gallië is véél vredelievender gebeurd dan Caesar schrijft,” zegt de professor. “Via onderhandelingen.” 25 jaar lang woelde de archeoloog de Belgische grond om, op zoek naar resten van “de grote legerkampen” van Caesar. Zonder succes.
Duizenden leerlingen van de Latijnse laten elk jaar bloed, zweet en tranen op de vertaling van De Bello Gallico van Julius Caesar. En nu blijken grote delen rechtstreeks uit de “fabeltjeskrant” te komen. Caesar beschrijft trots hoe hij tussen 57 en 51 voor Christus de tegenspartelende Gallische volkeren één voor één veroverde met een massale troepenmacht. Maar tot op heden vond de professor geen archeologische sporen terug van die Romeinse legerkampen met afvalputten, grachten en potscherven.
Caesar was een politicus en wilde in Rome een goede beurt maken. Bovendien had hij de hoge functie van proconsul en reed nooit zonder militaire bescherming uit. Ja, ook Ambiorix, de aanvoerder van de Eburonen, heeft hij verzonnen. Buiten Caesar heeft niemand ooit over hem geschreven. Caesar zelf is ook nooit in de omgeving van Tongeren geraakt. Van één ding zijn we zeker: de benaming “Belg” komt van hem. Dat was “iemand die zich gemakkelijk kwaad maakte”.

“De leugen regeert” is een uitspraak van de Nederlandse koningin Beatrix, vriend. Ze karakteriseerde in november 1999 in een gesprek met het “Genootschap van Hoofdredacteurs” van de belangrijkste Nederlandse media met deze woorden wat ze dacht over de kwaliteit van de Nederlandse journalistiek. Sinds september 2000 gebruikt de omroepzender VARA het citaat als titel voor een televisieprogramma waarin journalistieke uitglijders onder de loep genomen worden. Dit zou in Vlaanderen ook best mogen bestaan, hetzij in de vorm van een tv‑programma, hetzij als website.
Wijst de Nederlandse koningin hier op de tendens naar mis‑ en desinformatie in de media? Of heeft ze het over de angst en krampachtigheid die er heerst in het algemeen en in de media in het bijzonder?
Een tv-programma waarin de kijker simpele vragen kan stellen over het hoe en waarom van bepaalde zaken die hij/zij vernomen of achterhaald heeft en die hij/zij behalve gecontroleerd/bevestigd ook nog toegelicht wil krijgen.
“De leugen regeert,” zei Beatrix en het Nederlandse joumaille schoot onmiddellijk in de verdediging en vanuit de heup terug: “Losse flodder... dit is niet bepaald een diepgaande analyse” (NVJ -voorzitter R. Abram). “Mijn eerste reactie was: wat is de koningin op dit punt buitengewoon slecht geinformeerd” (J. de Berg, hoofdredacteur “Trouw”). “Ik vind het buitengewoon zorgelijk als de koningin echt zou vinden dat de leugen regeert in de media” (H. Laroes, adjunct-­hoofdredacteur NOS‑Journaal). “De opleidingen voor de journalistiek zijn sterk verbeterd” (Volkskranthoofdredacteur P. Broertjes). Broertjes betreurt het bovendien dat de koningin geen onderscheid maakt tussen de serieuze pers en de roddelpers.

Maar als we er van uit gaan dat, wie halve waarheden vertelt, liegt, dan heeft Beatrix toch gewoon gelijk? De media vertellen immers halve waarheden wanneer ze hoofdzakelijk over de slechte kanten van het nieuws berichten. Voor de pers is het glas half leeg in plaats van half vol; ze bericht meer over het vallen dan over het opstaan van mensen. De pers richt echter het overgrote deel van haar aandacht op het doorvertellen van de mislukkingen, de ongelukken, de rampen, de crisissen en de fouten. Als dat niet als roddelen mag worden aangemerkt, wat dan wel? En dus liegt en roddelt zelfs de “serieuze” pers, vriend.
Hoe kunnen de media ontkennen, dat de leugen regeert, als de cijfers uitwijzen dat er geen toename, maar een afname van misdaad en geweld is, terwijl de meeste Vlamingen door de berichtgeving in de pers zijn gaan geloven, dat het tegendeel het geval is?
Elke misser, misdaad, fout, blunder, crisis, ongeluk, ramp is blijkbaar wel nieuws om in een tv-journaal uit te zenden, of in de krant te zetten, dag in, dag uit. Waarom b.v. is elke moeizame stap in het genezingsproces van mensen, die beschadigd, arm, invalide of gek zijn geworden van al die “missers”, ook geen nieuws? Waarom vertrekken de meeste journalisten nadàt het geweld is geëindigd en zodra mensen proberen om hun wonden te likken en hun leven weer op te nemen? Waarom is Zuid-Afrika nu veel minder in het nieuws dan in de tijd waarin geweld en vernietiging, moord en doodslag, nog voor het oprapen lagen? Waar is de berichtgeving over de wederopbouw na een orkaan, of na een aardbeving, een cycloon?
Waarom vindt de pers afbraak interessanter dan opbouw? Slecht nieuws is snel, niet moeizaam, goedkoop, verwijst naar geen enkel doel of ideaal en dus gemakkelijker (meteen) “objectief” te belichten, gemakkelijk te begrijpen ook zonder achtergronden, junkfood for the mind, vriend.
Goed nieuws is niet: de treinen rijden op tijd, het verkeer tussen knooppunten kan ongehinderd doorrijden. Goed nieuws is niet: er verandert niets en het is niet gewelddadig. Goed nieuws vereist meer dan oppervlakkigheid, vereist diep gravende betrokkenheid. Het kost meer uitzendtijd en krantenkolommen om een goed nieuwsitem over te brengen, omdat het niet kan worden beschreven als incident. Goed nieuws kan alleen worden beschreven vanuit de context van de moeizame inspanningen en vanuit verwijzingen naar een doel dat nog moet worden bereikt.
Voor de kritische “objectieve” (lees: onbetrokken) journalist, achter het scherm van zijn tekstverwerker, zijn opschrijfblok of achter de lens van de camera, is het blijkbaar minder gemakkelijk om groei, ontwikkeling, het vallen en opstaan, of het zoeken naar orde in chaos te beschrijven. Oh ja, de pers beschrijft maar al te graag de mislukkingen, de crisissen en de fouten, maar geeft niet thuis als er moet worden bericht over (kleine) stapjes vooruit.
Wat is informatie eigenlijk? Informatie is datgene, dat ons gedrag verandert, de rest is ruis. Alleen datgene dat ons motiveert om iets te doen of te laten, is informatie. De informatie uit televisie en krant geeft ons vooral een gevoel van machteloosheid. Is dat de bedoeling, vriend? En zo niet, waarom veranderen de makers van het nieuws dan hun attitude niet?
Wat ons motiveert tot handelen is het vermijden van pijn. Onze eigen pijn, niet de pijn van anderen, pijn waarmee we ons kunnen identificeren, niet de pijn van abstracte massa's ver weg. De pers zou over ver weg dus goed nieuws en successen moeten verhalen, en alleen slecht nieuws moeten brengen over die dingen die we ook kunnen beïnvloeden. Opvallend is, dat pers precies de omgekeerde normen hanteert, die kenmerkend zijn voor propagandadoeleinden: slecht nieuws over de boze wereld buiten ons gelukkig wereldje (denk aan de lange rijen voor de winkels in de voormalige Oostbloklanden, maar niet de lange rijen voor de kassa's in onze onderbezette supermarkten) en goed nieuws over de wereld dichtbij: de economie gaat weer vooruit; enkele tienden van procenten beter dan in hetzelfde kwartaal van het vorige jaar!
De wereld, zoals die ons door krant en tv wordt voorgespiegeld, lijkt vooral afbraak, geweld, gruwelijkheden. Niemand, waar ook, durft nog de straat op en blijft daarom maar binnen, veilig bij het slechte nieuws van de krant en de tv, waar wordt bevestigd dat we beter binnen kunnen blijven. Stel dat we zouden proberen om iets op te bouwen, dan wordt het immers toch weer afgebroken, niet? Dus waarom zouden we nog, vriend?
Is het misschien informatie voor de nieuwsmakers, dat 85% van de mensen vraagt om meer hoopvol nieuws, en dat slechts 12% dat niet nodig vindt (enquête van Ikon-tv, in 1994)? Hoe gaan de nieuwsmakers hun gedrag veranderen op basis van dit nieuws? Of erkennen ze er de nieuwswaarde niet van? Of blijven ze liever eenzijdig slecht nieuws brengen en dus liegen en roddelen?

Twéé
Opgelet, niet alleen in de media of in wetenschappelijke kringen, maar ook in bedrijven heerst er een terreurregime. Manipulatie en controle van informatie en van mensen door de leiding zijn er de regel, samen met heel wat “window dressing” en het verspreiden van onjuiste gegevens, intern en extern. Management via angst en leugens.
Ik troost mezelf bij de gedachte dat zo’n situaties niet kunnen blijven duren, vriend. Medewerkers hebben dit door, worden er gedegouteerd van en verlaten de organisatie of raken gedemotiveerd, “klanten” haken af. Wat men krampachtig probeert te verbergen of verhullen, zal ooit wel aan het licht komen of uitlekken. Dergelijke organisaties zijn op termijn gedoemd om te verdwijnen. Want openheid, transparantie en ethiek zijn even essentiële voorwaarden voor blijvend succes als deskundige medewerkers. Ik hoop hardnekkig dat enkelingen (zonderlingen) voor klokkenluider zullen spelen en de vuile was (het gesjoemel dus) naar buiten zullen brengen. Wellicht droom ik. Want de angst regeert.
We leven in een tijd van “vijanddenken”. We leven ook in een tijd dat de leugen ontmaskerd dient te worden om een transformatie naar vrede op deze planeet te realiseren. Die vrede wordt momenteel nog louter afgedwongen door middel van machtsvertoon en het wordt steeds evidenter dat dit de weg niet is.
Ken jij jezelf en kun je tegen jezelf zeggen hoe vaak per dag je een leugentje om eigen bestwil hanteert? Is het 10 keer of misschien wel 100 als je jezelf (nog) beter observeert? Wat zijn die leugentjes meer dan je uit benarde situaties redden en/of een individuele overlevingsdrift? Wat is een leugen? Je zult direct zeggen dat een leugen onwaarheid verkondigen is. En wat te denken van een halve waarheid? Is dat ook geen leugen? Indien een halve waarheid een leugen is, dan liegt iedereen dat het gedrukt staat! Want je moet het met mij eens zijn dat niemand de waarheid in pacht heeft. Toch moet ergens de waarheid te vinden zijn. Men zegt van de Bijbel dat het een waarheidsboek is, maar dan zou die waarheid vele gezichten hebben en minstens zo veel als er geloofsovertuigingen zijn!
Is “waar” een abstractie, waar niet aan te tornen valt? Ongetwijfeld ken je het verhaaltje over God, die zich een veilig plekje zocht tegen de boze mensenwereld. De diepste zeeën en de hoogste bergen waren niet veilig genoeg. Zelfs de maan en andere planeten zouden de mensen gaan onderzoeken. Zo besloot hij zich uiteindelijk te verbergen in de mens zelf, wetende dat onze ogen slechts van ons afzien. Hij verstopte zich in het diepe weten, dat door het denken zou worden uitgeschakeld. Hij noemde de mens voor wie hij zich verstopte, zijn rechterhand Lucifer. Lucifer wordt echter in één adem genoemd met de Duivel of Satan.
In de Kerk (plaats én instituut) waar mensen God vereren, die in ons diepe weten schuilt, noemen ze de Duivel de Tweedrachtzaaier. Wat is de mens met zijn denken in termen van goed of kwaad meer of minder dan deze tweedrachtzaaier, mijn vriend? Is het toeval dat ik, zoekend naar de oorzaak van ons lijden, het denken als oorzaak vond en dat dit bij de mens zo uitgesproken is, omdat de brug tussen denken en weten is dichtgeslibd, vriend? Het is ook geen toeval dat wij niet meer bij dat weten kunnen komen en dus niet meer weten dat dit het veiligste plekje voor God is.
In de nalatenschappen van de Oude Wijsheid van weleer (ik spreek over zo’n 6000 jaar geleden) werd alles onderverdeeld in yin en yang. Het yin vertegenwoordigde het diepe weten en het yang het egocentrisch denken. Het yin was de perfectie en/of de waarheid, waaraan niet te tornen viel. Het yang vertegenwoordigde de imperfectie en/of het gekonkel met de waarheid. Wat is konkelen met de waarheid anders dan een leugentje om bestwil?
Het denken is een proces dat door de eeuwen heen een grote evolutie heeft doorgemaakt. Zonder direct in te gaan op het fenomeen dat dit van vader op zoon en van moeder op dochter werd overgedragen, betekent dit dat wij als mensen steeds meer groeiden naar de imperfectie en/of het konkelen met de waarheid. Dit betekent bovendien dat “weldenkers” uit deze samenleving meer liegen en/of konkelen met de waarheid dan minder “weldenkenden”. Met andere woorden: wij worden geregeerd en gecommandeerd door de grootste leugenaars, die de wereld rijk is. Dáár en dáár alleen ligt het immense probleem van deze wereld, die nu dreigt naar de donder te gaan.
Dat deze superleugenaars moeilijk te vangen zijn en hun straf sowieso ontlopen, komt door het feit dat zij spreken en handelen namens een papieren systeem, wat zij ons door verlakkerij en/of brainwash hebben afgedwongen. Met andere woorden: ze zijn niet alleen de grootste leugenaars, maar dragen zelfs geen verantwoording voor hun daden, vriend.
Die mateloze censuur die leugenaars in hun onverantwoord handelen beschermt, is een doorn in veler ogen. Dat hier steeds meer oppositie tegen komt, is dan ook enkel toe te juichen. Maar laten wij één ding voor ogen blijven houden: als het erop aan komt, liegen we allemaal.
In de Bijbel staat: “Zij die oordelen zullen veroordeeld worden” en “Wie zonder zonden is, werpe de eerste steen.” Ook zegt de Bijbel: “Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt hem wel.” Maar tot die tijd is het wel de leugen die regeert! Zo waarheidsgetrouw mogelijk.

Tik het woord “leugen” in bij Google, vriend, (iedereen kan tegenwoordig aan research doen dankzij Google!) en je stuit op een aantal aardige feiten.
Via de site van de Wereldomroep stuit je op een aardig artikel over “leugendeskundige” Aldert Vrij. Hij is hoofddocent aan de universiteit van Portsmouth (Engeland) en doet sedert 1988 onderzoek naar liegen. Hierover schreef hij het boek De psychologie van de leugenaar. “Engeltjes bestaan niet,” is zijn conclusie. “Iedereen liegt, zelfs mensen die bij hoog en laag volhouden dat ze niet liegen.” Iedereen liegt. Maar liefst twee keer per dag, blijkt uit zijn onderzoek. Alleen willen we het liever niet weten, want liegen doe je niet. Hoe zit het dan met die kleine leugentjes om bestwil, dat verdoezelen van de waarheid, het weglaten van feitjes of de werkelijkheid mooier maken dan ze is? Driekwart van alle onwaarheden bestaat uit dit soort “sociale leugens” en wordt geaccepteerd. “Het glijmiddel van onze maatschappij,” noemt leugendeskundige Aldert Vrij ze.
Vroeger kon je als persoon of bedrijf nog wegkomen met een leugen, maar de kans dat het nu uitkomt is veel groter geworden. De media zijn machtiger geworden en zitten, onder druk van de concurrentie, boven op het nieuws. Alles wordt uitgeplozen, want een primeur is handel geworden. Daarnaast is de consument/burger ook mondiger geworden, hij/zij opent gewoon even een protestsite en begint een emailactie. En ja, de media zorgen ervoor dat je het idee krijgt beter te zijn geïnformeerd.
De situatie is duidelijk: je kunt je als “merk” geen leugen meer veroorloven en de toekomst behoort aan eerlijke bedrijven die transparant opereren. Want niet de misdaad loont, maar de waarheid, vriend.

Drie
“Het gaat beter met de wereld dan ze zeggen.”
Wetenschappelijke feiten tonen dit aan.
Voorbeelden.
- De lucht is in de loop van de tijd schoner geworden. Door het gebruik van aardgas in plaats van steenkool is de luchtvervuiling nog maar een fractie van in de jaren ‘70.
- Ook de hoeveelheid fijn stof in de lucht (nu regelmatig in het nieuws) is niet te vergelijken met vroeger. Een Britse onderzoeker heeft berekend dat we momenteel nog maar 1% fijn stof hebben t.o.v. vorige eeuwen. Ook weer omdat we geen steenkool meer stoken.
- We werken gemiddeld nog maar 17 uur per week! Honderd jaar geleden was dat nog 60 uur per week.
- De afgelopen eeuw is er 50% bos bijgekomen.
Dat klinkt inderdaad allemaal niet slecht! Waarom horen we deze feiten dan nooit? Simpel: slecht nieuws verkoopt, goed nieuws niet. Er zijn natuurlijk heel wat groepen en instanties die er baat bij hebben zoveel mogelijk slecht nieuws te verspreiden. Subsidies, budgetten, arbeidsplaatsen zijn in het geding en teveel goed nieuws is natuurlijk niet de bedoeling. Stel je voor dat mensen erachter komen dat je als “vereniging” geen bestaansrecht meer hebt!
“Bomen schaden het milieu.” De journalisten hadden een pakkende kop en de Groenen hadden een week werk om alles in het juiste perspectief te plaatsen. De onderzoeker die in het wetenschappelijke tijdschrift “Nature” dit had verklaard, repte zich om zijn uitspraak recht te zetten. “Ja, planten kunnen methaan (een broeikasgas) afgeven, maar het opname effect van C0² is 50 x sterker!” Bomen blijven dus goed voor het milieu. Dat is geen nieuws, maar wel de waarheid.
Volgens een publicatie in het wetenschappelijke tijdschrift “Nature” nemen bomen niet alleen C0² op, maar produceren ze ook methaan (CH4). Dat is een sterker broeikasgas dan C0². Dat kan misschien waar zijn, maar bossen leggen hoe dan ook C0² vast. Het kan dus betekenen dat we veeleer veel meer dan minder bossen moeten aanplanten.
Het aanplanten van bossen zou echter minder effectief zijn dan we dachten, maar we moeten de methaanproductie niet groter maken dat zij is. Dit onderzoek geeft een verklaring voor iets dat we vroeger niet begrepen: op satellietbeelden zien wij dat erboven de tropische regenwouden relatief veel methaan in de atmosfeer zit. De uitkomsten van dit onderzoek vormen het laatste puzzelstukje. Ze kunnen de voorspellingen van het klimaat minder onzeker maken. Het effect van methaan is echter beperkt, vriend. Het totale aandeel van methaan in het broeikaseffect is slechts 20%, drie keer minder dan het aandeel van C0². Bovendien gaat het bij de emissie van methaan door bossen om slechts 1/3de van de totale emissie van methaan.
Na de publicatie in “Nature” kwamen andere onderzoekers tot de conclusie dat het planten van bossen niet averechts werkt, maar wel dat het effect van aanplanten met ongeveer 10% wordt gedempt. Bosgebieden die volgens de oude berekeningen nog zorgden voor 10 miljoen ton minder broeikasgassen, zullen voortaan in de boeken worden opgegeven met 9 miljoen ton minder.
Die 10% moet je zien als een orde van grootte, die vooral afhankelijk is van het soort bossen. Het dempende effect van de productie van methaan zal in tropische bossen groter zijn dan in de bossen in noordelijke streken. Hoe dan ook, met de uitkomsten van dit onderzoek zal moeten worden rekening gehouden bij de onderhandelingen over klimaatbeleid op langere termijn, vriend. Andere maatregelen dan het aanplanten van bossen worden door dit onderzoek natuurlijk relatief aantrekkelijker.
Uiteraard moeten wij verder maatregelen nemen tegen het broeikaseffect. We moeten echter voorzichtig zijn met de inzet van bossen als maatregel tegen het broeikaseffect. Er zitten altijd risico’s bij het aanplanten van bossen als maatregel, want bossen kunnen ook weer gekapt worden.
Het Wereld Natuur Fonds (WNF) wijst erop dat volgens het “Nature”-onderzoek de methaanproductie niet zó groot is, dat het de positieve werking van het vastleggen van C0² door bossen overtreft. Daarmee blijft de positieve werking van bossen op de hoeveelheid broeikasgassen onverminderd belangrijk. Anderzijds valt het klimaatprobleem niet op te lossen door alleen het aanplanten van bossen. De echte oplossing van het klimaatprobleem ligt in het investeren in schone energie.
Het totale aandeel van methaan in het broeikaseffect is slechts 20%

Vier
De media schuwden na “11 september” de grote woorden niet: “Dit was een aanval op het hart van onze Westerse beschaving. Dit kon niet ongestraft blijven. We zouden terug slaan.” In heel het Westen maakten de media ons rijp voor de “Oorlog tegen de Terreur”. De politiek was zich bewust van het belang van de media. Ze schakelde overal waar het kon de media in voor hun eigen agenda's.
Een journalistieke wet wil dat de aandacht voor een ramp wordt bepaald door het aantal slachtoffers gedeeld door de afstand. Afstand is niet alleen de fysieke afstand tussen ons en de slachtoffers, maar ook de psychologische afstand. Het verlies van een naaste doet nu eenmaal meer pijn dan de dood van een onbekende in een ver land, vriend.
Die journalistieke wet plus de politieke lotsverbondenheid en culturele verwantschap tussen Europa en Amerika maakten dat 11 september 2001 op ons netvlies gegrift blijft. Die dag stortten drie gekaapte vliegtuigen zich op gebouwen in New York en Washington. De beelden van de instortende Twin Towers gingen “life” de wereld rond. Ondanks het feit dat we op CNN bijna geen dode New Yorker te zien kregen, leefden we van minuut tot minuut met de getroffen Amerikaanse stadsbewoners mee.
Laten we even een “evaluatie” maken van de “grote woorden-politiek”, beste vriend.
Elke dag sterven er wereldwijd naar schatting 36.000 kinderen door honger en ondervoeding. Elke dag worden bloedige maar vergeten (burger)oorlogen uitgevochten in landen zoals in Congo (onze ex-kolonie). In Centraal‑Afrika alleen al vielen de jongste jaren meer dan drie miljoen doden, maar voor hen laten we onze slaap niet. De tv brengt er nauwelijks beelden van. De Congolese “lijken” lijken ook zo ver van hier. Hun dood is voor onze beschaving geen enkele bedreiging. Naar Congo gaan we niet werken of zonnen en de moordenaars die ginder actief zijn, werken voor de lokale slachtmarkt.
Vraag is wie bepaalt voor welke gebeurtenissen de formule van de extranieuwsuitzending wordt toegepast? Voor aardbevingen verder weg of overstromingen is er geen sprake van breaking news.
Een ander voorbeeld is Vietnam. In de jaren ‘60 werd heftig gedemonstreerd tegen de Vietnamoorlog; de media bleven echter voorzichtig om het Witte Huis niet te shocken. De oorlog duurde wel jaren en vaak hoor je nu dat de Amerikanen de Vietnamoorlog op de tv verloren hebben. Dat zou hun geen tweede keer overkomen. Denk aan de eerste Golfoorlog. Dat was er al één van enorme censuur. Ook van de oorlog in Afghanistan kregen we nauwelijks iets te zien.
De terroristen die op 11 september toesloegen, wisten echter maar al te goed hoe zij de Westerse media moesten bespelen. De aanslag werd live door CNN uitgezonden en de terroristen lieten de vijandelijke media opdraaien voor de kosten van hun mondiale propaganda. Bovendien maakten zij de Amerikanen belachelijk door hun aanslag te ensceneren als een panoramisch spektakel. Door 's morgens toe te slaan zorgden zij ook nog voor een dagvullend tv‑prograrnma.
De standpunten van de vredesbeweging(en) moest je in het begin zoeken op Internet of in “Solidair” (links weekblad).. Toegegeven dat later ook “De Morgen” op de voorpagina erop wees dat de “vredelievende” standpunten in de media niet aan bod kwamen. Of toch té weinig. “De Morgen” had het wel over de Amerikaanse vredesbeweging.
Het viel overigens ook op hoeveel buitenlandse kopij er in onze kranten kwam, waardoor wij een buitenlandse bril opgezet kregen.
Wat is goed verkopend nieuws? Het belangrijkste criterium is dat de klant het nieuws weet te waarderen. Met als gevolg dat bestaande gevoelens van onbegrip jegens andere bevolkingsgroepen extra in de verf worden gezet. Of niet soms, vriend?
We worden ook overstelpt met “goed verkopende” berichten en programma’s over biologische en chemische wapens. Werd jaren geleden al niet het kapen van vliegtuigen in de hand gewerkt door de sensatieberichtgeving erover? Daardoor konden kapers zich wereldwijd in het nieuws werken. Vliegtuigkapers voerden via de tv “raids” uit op ons bewustzijn. De zelfmoordpiloten van 11 september deden net hetzelfde. De terroristen weten sinds Vietnam dat je de televisie nodig hebt, als je de hele Westerse beschaving wilt raken.
De media hebben na de aanslagen van 11 september de oorlogslogica even hard ondersteund als de militairen. Ze lieten allemaal dezelfde klok horen: de aanslagen waren een aanval op het Vrije Westen en dus moest het hele Vrije Westen terugslaan.
Vermits de kijkcijfers de reclame‑inkomsten bepalen wordt “spannend nieuws” (over oorlog, terreur en andere rampen) haast levensnoodzakelijk voor commerciële omroepen die zich in nieuwsvoorziening specialiseren. CNN bloeide op dankzij terreur en oorlog. Zou de zender er dan niet alles aan doen om de oorlogstoestand zo lang mogelijk te rekken?
En er is niet enkel CNN. Over heel de wereld namen omroepen elementen van CNN over. Zelfs regionale zenders spiegelden zich aan de omroep.
Ook het (gecommercialiseerde) Arabische Al Jazeera is in hetzelfde bedje ziek als CNN. Al Jazeera haalt heel controversiële figuren (fundamentalisten, oorlogsstokers... ) in de studio.

Conclusies, mijn vriend?
1. Een eerste conclusie is dat kritische stemmen het vooral meteen na de aanslagen moeilijk hebben in de media. Door de overkill aan emotionaliteit wordt de rationele dwarsliggerij buitenspel gezet (niet in vredestijd).
2. Nu er steeds meer berichten uit de V.S. en Groot‑Brittannië komen over hoe de autoriteiten journalisten tegenwerken, is het ook bij ons oppassen voor nieuwe vormen van censuur.
3. In de geschreven pers ontstaat er nauwelijks enig debat over de rol die de media spelen. Dat een debat niet op gang komt de avond zelf, is normaal. Een wetenschapper moet afstand nemen. Maar na pakweg een maand moet hij/zij toch in de mot hebben wat er gaande is en zijn/haar stem laten horen. Waarom gebeurt dit zo weinig, mijn vriend?
4. Ook op de Vlaamse televisie is er ook nauwelijks kritiek zicht‑ of hoorbaar over het eigen reilen en zeilen. Daar waar zo’n kritiek nochtans perfect kan. Op de Waalse tv loopt er wel een programma waarin kijkers hun klachten over de omroep kunnen uiten.
5. Door hun oorlogszuchtige taal hebben de media de stemming onder de bevolking mee doen evolueren naar een opstelling “pro” Amerikaanse “vergeldingsaanvallen”. In plaats van een genuanceerder beeld op te hangen.
6. Opmerkelijk is ook dat de media die zogezegd de “publieke opinie” volgen, die publieke opinie niet volgen in haar angst voor nieuwe aanvallen van terroristen als gevolg van het militaire optreden van het Westen.
7. Ik stel vast dat ondanks de berichten dat de “strijd tegen de terreur” geen strijd tegen “de islam” is, de Vlaamse media door hun fixatie op “moslimterroristen”, de angst voor en de haat tegen al wat met de islam te maken heeft, in de hand werken.
8. Tenslotte, vriend, wil ik opmerken dat de media door hun zucht naar kijk- en leescijfers en dus naar sensatie, het binnenlands terrorisme stimuleren.

Wie troost zoekt, kan naar de eerste helft van de vorige eeuw kijken. Met twee wereldoorlogen en een holocaust behoort die tijd tot de donkerste periodes uit de geschiedenis. Maar nadien volgde (in het Westen toch) een lange periode van vrede.
Niemand kan de toekomst voorspellen, vriend. Hoe die zich ontwikkelt, zal altijd een kwestie van mensenwerk zijn. Belangrijk daarbij is het verenigingsleven, met al de varianten aan vrijwilligerschap die het bevat. Dat verenigingsleven is voedingsbodem én oplossing voor de verzuring van de samenleving.

De vraag die ik mij stel is: “Kunnen wij in Vlaanderen niet een soort van Bond Beter Mediagebruik oprichten?”
Daar het tv-kijken een passieve gelegenheid is waar je moeilijk mensen actief kunt rond verenigen, zou de BBM veeleer een “ontmoetingsforum” moeten zijn, zoals de Bond Beter Leefmilieu voor de milieubewegingen.

Thierry

Oostduinkerkse brieven - 1

De lezer dient deze Oostduinkerkse brieven te beschouwen als fictie. Indien zij een licht zouden werpen op datgene wat als non-fictie overkomt, dan nog blijft mijn “beste vriend” slechts een creatie van mijn ongebreidelde fantasie. (De briefschrijver)


Beste vriend,

Jouw kort bericht dat je nog enkel oog wilt hebben voor “de vele klassiekers uit de voorbije eeuwen en de prachtige literatuur van de 20ste eeuw en dat je je kostbare tijd niet wilt verknoeien aan de rest,” baart mij zorgen.
Je bent inderdaad “een literaire parvenu” geworden. Je milieureflex dat je “compassie hebt met al die bomen die moeten sneuvelen voor weer eens een bundel met ranzige poëzie, melige verhalen en derderangsromans van huisvrouwen, mannequins met een besnijdenisverhaal en malafide spijtoptanten met een boodschap voor de mensheid” is een flauw excuus.
Je houding kwetst. “Het feit dat je als bibliothecaris een collectie moet samenstellen voor de gehele door mij te bedienen bevolking”, doet je hart alle dagen bloeden. Straffe koffie, vriend. Heb je al eens overwogen om je ontslag in te dienen? Je beseft toch dat je door deze houding je arbeidsvreugde “naar de knoppen” helpt en dat je niet meer voldoet aan de functiebeschrijving die jou wordt opgedragen door de overheid?
Ja, vriend, je bent ver heen.

Je blijft echter bijzonder bezig met de (weinige) dingen die je graag doet. En je blijft ook bezig met de dingen die je niet meer kan! Dit is hoogst ongewoon. Je onderhoudt briefwisseling met een bibliofiel. “Dit epistolair geschrijf is op zich al een voltijdse opdracht na de werkuren,” schrijf je.
Wat kun je niet (meer)? Je gedachten zomaar in één ruk ordenen en een ordentelijke brief schrijven. Ik weet het: het is niet aan iedereen gegeven om brieven te schrijven uit de losse pols, talent is hiervoor nodig, jouw (mooie) brieven zijn altijd het resultaat geweest van hard werken en construeren. Je blijft (inderdaad) “een ordinaire traditionele briefschrijver”. Maar je bent misschien een begenadigd auteur?
Binnenkort publiceer je een boek over bibliofilie en aanverwante aangelegenheden. Proficiat. Ik lees dat je “voor de volle 100% tevreden bent over het manuscript”. Het succes ligt binnen handbereik.
Ja, vriend, tot jouw ergernis, heb ik mij het lot aangetrokken van de ondergewaardeerde dichters en schrijvers, van welke leeftijd ook. Voor jou zijn het “malcontenten” en “mindere goden en godinnen”. In jouw korte diagnose stel ik geen begrip (besef?) vast voor de discriminatie van de auteur die niet bij een erkende uitgeverij publiceert en bijgevolg ook niet op steun van de overheid kan rekenen. Lees mijn bijdragen in tijdschriften en ezines erop na, vriend!
In één woord: je kiest voor “het hoogste en het beste”. Bepaal jij die kwalificaties?
Wie heeft jou ooit gezegd dat je “een veel te goeie en zachtaardige vent” bent?

Jouw vriend,

Thierry

28 januari 2008

"Eindterm" (2002) - debuutroman Thierry Deleu - hoofdstukken 10 en 11

10

In die korte tweede kabinetsperiode speelde Sabine du Tertre een glansrol. Ze werd de meest bekende medewerker van de minister. Overal dook zij naast hem op, bij de top van de administraties, bij de Franstalige onderhandelaars, bij de eerste minister, bij de apparatsjik, bij de kopstukken van de drie grootste netten: het vrije net en de twee officiële.
De CVP-er Dekunst verdedigde haar bij zijn achterban, de minister vertrouwde haar voor de volle 100% en de vakbonden loofden haar technisch inzicht en de wijze waarop zij gevoelig bleek voor de inzetbaarheid en de verloning van het personeel. Alleen de inrichtende macht van het katholiek onderwijs betoonde enige reserve: Vantorhout vergat haar socialistische afkomst niet en was beducht voor haar vrijzinnigheid. Het gerucht liep in het Kortrijkse dat zij een maçon was. Toen Vantorhout dat aan Dekunst vertelde, bulderde die van het lachen om zoveel onzin. Hij bestreed heftig deze onkuise gedachte en verzekerde met de hand op het hart dat Sabine du Tertre het katholiek onderwijs een bijzonder warm hart toedroeg, maar dat ze dit niet altijd kon laten blijken.

Ongeveer in dezelfde periode kreeg Sabine du Tertre, directeur secundair op het onderwijsdepartement, drie aanbiedingen.
De Kortrijkse SP bood haar een verkiesbare plaats aan op de lijst bij de eerstvolgende kamerverkiezingen. Na enig familieberaad vond zij de politiek al te onvoorspelbaar. Ze liet de SP weten dat ze zich geen kandidaat zou stellen. Ze had het idee een paar keer geopperd in het bijzijn van vakbondsmensen die zelf politiek actief waren, en die hadden dat idee – nadat ze van de verbazing waren bekomen – ter sprake gebracht op het partijbestuur.
“Je zult het dan wel over een andere boeg moeten gooien,” hadden ze nog gezegd.
Indien ze het echt wilde maken in de politiek, kon ze niet langer wegblijven op de mosselsoupers en de bals die her en der werden georganiseerd. Aanwezigheidspolitiek, zich overal laten zien, dat was volgens hen veruit het belangrijkste dat een aspirant-politica te doen stond.
Sabine du Tertre zag liever van een politieke carrière af dan zich tot zo’n soort activiteiten te verlagen. Handen schudden, schouderklopjes geven, bekers uitreiken, vriendelijk lachen naar wie dan ook. “Wie ook” is een kiezer en kiezers gaan stemmen. Ze had een gloeiende hekel aan dit soort bedoening. Vooral machogedrag stoorde haar mateloos, zij wilde enkel omgaan met “fijnbesnaarde exemplaren” van het politieke personeel. Neen, aan een plaats op de lijst in die omstandigheden had zij geen nood. Ze noemde de lokale politici “sociale prostitués”.
In die periode was er aan de School voor Sociale en Paramedische Beroepen in Kortrijk een vacature, waarvoor Sabine in aanmerking kwam. Het ging om een beperkte leergang Recht. Directeur Lander Deweer en Sabine voerden verkennende gesprekken, met het oog op de opvolging van de titularis die vrij schielijk aan kanker was overleden. Sabine was aanvankelijk sterk geïnteresseerd, daar zij die lesopdracht gemakkelijk zou kunnen inpassen in haar hoofdberoep. Maar haar enthousiasme bekoelde snel, toen bleek dat de tegenkandidaat een protégé was van de Kortrijkse SP en bovendien een logebroeder. Ook directeur Deweer vond het maar beter dat Sabine zich discreet terugtrok. Hij voegde er wijselijk niet aan toe dat hij zelf in de nesten zou zitten indien hij de tegenkandidaat niet zou steunen. Sabine du Tertre had ook gehoord dat Deweer zich soms abusievelijk voor vrijmetselaar liet doorgaan.
Restte het voorstel van minister Vanderweyden. Maar Sabine aarzelde. Tot zij de formele belofte kreeg dat zij op 1 januari 1989 terug naar de administratie kon om er afdelingshoofd secundair-scholen te worden.
Sommige van haar collega’s zagen in het onderwijskabinet de baarlijke duivel zelf. Daar werken betekende voor hen ronduit een vorm van verraad. Lang niet iedereen op het kabinet - en zeker de kabinetschef en adviseur Brusselmans niet - was gecharmeerd door de geste van Vanderweyden. Dat hij uitgerekend op haar een beroep deed! Zij kenden Du Tertre als een eigenzinnige vrouw die zich graag onafhankelijk opstelde en alle vormen van horigheid verafschuwde. Op de onderwijsadministratie werd gevreesd dat ze vanuit het kabinet haar greep nog zou verstevigen. Maar Vanderweyden en Dekunst zagen duizendmaal liever Du Tertre naar het kabinet komen, dan een of andere partijmens die lippendienst zou bewijzen aan de verkeerde mensen binnen de politiek.
Op 15 augustus 1987 trad Sabine du Tertre officieel in dienst van Vanderweyden. Voor anderhalf jaar.
Zij ontpopte zich als het paradepaardje van de minister. Ze trokken samen veel op. Ontelbare keren moest zij hem ook vervangen op confrontaties met de onderwijsverstrekkers, hetzij op vergaderingen en bij onderhandelingen, hetzij buitenshuis op schoolactiviteiten. Altijd verdedigde ze met klem de hervormingsideeën van haar baas. Vaak tot ergernis van vrienden en goede bekenden uit het rijksonderwijs.
Op de veertigste verjaardag van het rijksonderwijs in Tielt zei ze in haar toespraak: “De politisering van het rijksonderwijs moet abrupt worden gestopt. De vele duizenden personeelsleden mogen voor hun eerste aanstelling of voor hun benoeming niet langer afhankelijk zijn van politieke of syndicale machtscentra.”
Deze uitspraak zorgde voor een politieke rel. De linkse pers greep deze gelegenheid te baat om de minister ervan te verdenken onder één hoedje te spelen met de christen-democraat Joris Dekunst. De minister distantieerde zich van de uitspraak van zijn adjunct-kabinetschef, maar Sabine wist dat zij de boodschap juist had overgebracht. De boodschap en de boodschapper zaten op dezelfde lijn.
Du Tertre moest zich wel aanpassen aan haar nieuwe job, aan het politieke milieu waar het zich oefenen in het behoud van het evenwicht een overlevingssport was. Voor de zoveelste keer in haar leven moest ze in aan andere huid kruipen. De eerste maanden deed zij al eens uitspraken die enige wrevel opwekten bij de onderhandelaars, maar nadien bleef ze hetzelfde zeggen maar in een aanvaardbare verpakking. Zij oogstte zelfs succes met haar herstructureringsideeën bij de administratie en de politieke wereld. Toen haar minister en enkele socialistische onderwijsspecialisten het idee lanceerden van een "centrale raad en een raad voor het rijksonderwijs”, was het voor ingewijden duidelijk dat Sabine du Tertre hierop haar stempel had gedrukt. In minder dan een jaar effende zij voor Vanderweyden het politieke pad voor het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de ARGO. Met dit bijzonder decreet werd geschiedenis geschreven. Op dat ogenblik immers nam de minister van Onderwijs afscheid van zijn rol als inrichtende macht van het rijksonderwijs. Daarmee werd ook radicaal een eind gemaakt aan het centralisme waarin dit net tientallen jaren lang zat vastgeroest.
Op 5 december 1988 schrijft Sabine in haar dagboek: “Ik moet de jaren opschrijven. Ze vliegen voorbij. De vraag die ik mij stel: heb ik genoeg kracht om mijn leven vooruit te duwen in de richting die ik heb uitgestippeld? Heb ik de richting uitgestippeld? Niets is minder zeker. Ik wil altijd wat ik niet heb. Ik wil liefde. Iemand die van mij houdt.”



11

Op 1 januari 1989 keert Sabine du Tertre terug naar de administratie. Met gemengde gevoelens. Maar Joris Dekunst vindt het schitterend. In die kleine twee jaar dat zij voor Vanderweyden heeft gewerkt, hebben zij elkaar regelmatig gefrequenteerd, maar Dekunst wil de relatie nog hechter maken en dringt bij Sabine aan om te scheiden.
Wanneer Sabine du Tertre zich officieel bij haar baas weer in dienst meldt, omhelst hij haar en zegt op een samenzweringstoontje dat hij groot nieuws heeft.
“Vanderweyden zal een nieuwe kabinetschef kiezen. Heel waarschijnlijk contacteert hij Karel Pervijze.”
“En?”
“En dan word jij waarnemend directeur-generaal secundair onderwijs.”
Sabine is opgetogen, champagne wordt ontkurkt en de secretaris-generaal is voor een paar uur niet bereikbaar. Zij moet echter nog tot begin 1990 wachten om waarnemend directeur-generaal te worden.

Joris Dekunst, geboren op 13 oktober 1934 in Borlo (Limburg), begon zijn loopbaan in de administratie in 1972. Een echtscheiding had hem zijn politieke carrière gekost. Dekunst was voorbestemd om een belangrijk Limburgs CVP-boegbeeld te worden, maar de partij verdroeg geen afvalligen van “Het Gezin”. Om zijn verdiensten werd hij echter in de kortste keren secretaris-generaal op het departement Onderwijs. Hij was een geduchte medewerker van minister Vandamme en een fervent verdediger van het vrij katholiek onderwijs. Met de jaren werd Dekunst wijzer en kanaliseerde hij zijn overtuiging en zijn opvattingen op een minder doorzichtige wijze. Hij werd gevreesd om zijn veeleisendheid, maar ook bewonderd om zijn intelligentie, zijn verbaal talent, zijn positivisme in onderhandelingen. Vaak slaagde hij erin om water en vuur te verzoenen. Waarschijnlijk om deze kwaliteiten had hij met zijn ministers een goede relatie.
Binnen de SP werd met enige wrevel opgemerkt dat ook Rogier Vanderweyden hem aanmoedigde. Van deze minister was bekend dat hij partijoverstijgend redeneerde en veel respect had voor intelligente en hard werkende medewerkers en tegenstanders. De rest kon hij zo voor zich uitspuwen en om de haverklap ontketende hij dan ook een rel binnen zijn partij en op zijn kabinet. Maar Dekunst kon hem temperen, hij kon hem de baas.

@

Het eerste wat Dekunst doet met zijn nieuwe directeur-generaal, is haar meenemen op een studiereis naar Portugal. Vanderweyden, de nieuwe kabinetschef Karel Pervijze, Jacques Brusselmans en Peter Deforge maken eveneens deel uit van de delegatie. De minister heeft ook zijn nieuwe vriendin meegenomen. Daar ze ’s morgens vroeg moeten opstijgen, slapen ze met z’n allen in het “Sheraton Brussels Airport Hotel”, negenendertig voetstappen van de luchthaven van Zaventem. En toch missen ze de vlucht: minister Vanderweyden verslaapt zich. Wanneer hij naar beneden komt, kaffert hij de twee dames aan de balie uit voor “pretmadams” en haast zich naar de vlieghaven. Zijn medewerkers staan reeds twee uur op hem te wachten. Ze geven wijselijk geen kik en Dekunst verdwijnt om een andere vlucht te versieren die over Zwitserland vliegt. Wanneer Brusselmans vraagt “of mevrouw goed geslapen heeft”, lacht Vanderweyden groen, maar de bui waait over.

Aan de vooravond van het vertrek belt Sabine naar Truus Deseure.
“Misschien een gelegenheid om mij af te vragen of ik van hem hou en hoeveel ik van hem hou?”
Deseure is tijdelijk ook bevoegd voor “secundair- scholen”. Iedereen tipt op Christof Dokmans om Du Tertre als afdelingshoofd op te volgen.
Er is duidelijk iets op til tussen Dekunst en zijn directeur-generaal Sabine du Tertre. Dekunst heeft haar de avond voordien gezegd dat hij zielsveel van haar houdt en dat hij een lat-relatie niet meer aankan: Sabine moet zich laten scheiden en bij hem intrekken. Zij weet niet welke houding zij tegenover Dekunst moet aannemen. Zij heeft hem in de voorbije vijf jaar nooit het hof gemaakt, ze wil wel behagen. Vooral behagen met de geest, minder met haar lichaam.
Over zichzelf denkt ze: “Ik ben geen grote schoonheid of een grote geest, maar ik zou een inspirerend iemand willen zijn. De muze van Dekunst.”
Het verblijf in Portugal valt bijzonder goed mee.
Het is mooi om aan te zien hoe de minister begaan is met zijn nieuwe vriendin. Het is niet zijn gewoonte zijn medewerkers zo te ontzien. Normaal zit hij van ’s morgens tot ’s avonds achter hun vodden. Dossiers opvragen, naar Brussel bellen, opdrachten geven aan het thuisfront. Gewoonlijk wordt er ijverig gefaxt en komen riemen teksten in het hotel aan.
De delegatie krijgt onverwacht veel vrije tijd. Dekunst en zijn nieuwe directeur-generaal trekken vaak samen op. Je treft ze in een typisch Portugees restaurantje, of aan zee, onder een parasol, of op een terrasje.
In tegenspraak met alle beloften aan zichzelf, heeft Sabine aan Dekunst gezegd dat ze over zijn vraag zal nadenken.
Thuis gekomen heeft ze tijdens het weekend vergeefs geprobeerd te werken. Haar geest is elders. Zij is nostalgisch, dromerig, maar niet ongelukkig. Verliefd. Ze probeert zichzelf te overtuigen dat het geen drama is. Maar alle tekenen zijn er. Ook haar man, - niet eens een voorbeeld van een alerte echtgenoot -, valt het op.
“Heb je problemen, zoet? Toch geen stress na Portugal? Je hebt een mooi kleurtje; dat krijg je niet van kunstlicht. Of heb je je hart in Portugal verloren?” Sabine stapt op hem toe en geeft hem een zoen op de neus. Al een paar jaar leven zij als broer en zus. Louis gaat zijn Porsche wassen op de oprit. Hij is gek op snelle wagens. Niet om snel te kunnen rijden, neen, Louis Vanthuyne is een voorzichtige chauffeur, maar om ermee te kunnen paraderen in de stad.

Aan Deforge, de enige mannelijke collega met wie zij redelijk vertrouwd omging, zei ze eens in een losse babbel over de liefde: “Verliefd zijn geeft je een goed gevoel. Het geeft je extra energie. Zoveel energie om één persoon te behagen? Ik geloof het niet.”
Peter Deforge die stiekem van Sabine du Tertre hield, voelde instinctmatig aan dat zij verliefd was geworden op Joris Dekunst.
“De aanhouder wint” dacht hij meewarig.
Hij vroeg haar: “Word je verliefd of ben je verliefd? Liefde kan groeien of afnemen, maar kan verliefdheid dat ook?”
Zij had geantwoord: “Ik word nooit op slag verliefd. Ik heb tijd nodig.”
Deforge voelde aan dat zij voor een moeilijke keuze stond: haar man, haar gezin of Joris Dekunst. Blijkbaar probeerde Sabine du Tertre zichzelf er van te overtuigen dat je meerdere mannen kon liefhebben en dat dit niet bepaald een drama was of een drama moest worden.
Sabine hield van Dekunst. Hij was een man van de reflectie. Hij stond stil bij de dingen, hij overwoog. En toch had hij ook oog voor zijn omgeving, voor de natuur. Voor haar. Sabine voelde zich goed bij hem. Zonder angst. Joris nam zijn tijd om te oordelen. Hij nam zijn tijd om te leven. Sabine hield ook van zijn gezond verstand. Dekunst was een wijs man met veel gevoel voor schoonheid. Dit ontroerde haar telkens.

26 januari 2008

(Voorlopig) laatste brief aan een vriend - archief 2002

Oostduinkerke, 6 juli 2002.

Beste vriend,

Dit is het prille begin van de Oostduinkerkse brieven. Hier begint een nieuw brievenboek. Ik vermoed: nummer vier. En ja, hier komt mijn vraag alweer uit de bocht, van achter de hoek, niet uit de lucht gevallen, neen, neen, verwacht: “Wanneer verschijnt het eerste brievenboek? Vlaanderen wordt wanhopig, kreunt, ligt op apegapen. Het land heeft zijn medicijn nodig, het reeds lang aangekondigde wondermiddel, de viagra van de geest, het pompje naar de eeuwigheid, de pacemaker, de make-lover…”

Eerst de Creuse, mijn tweede vaderland, - dit is een dwaas, beetje kinderachtig statement: mijn vader had geen land en ik wil ook geen land, ik hoor bij een volk. Weet je, mijn vriend, dat ik in mijn hart altijd een Volksunieman ben geweest en om den brode (eigenlijk voor de kers op de taart, de crème fraiche op de beker, voor het zout in de pap, een schelle van de zeuge tussen mijn boterham) een socialist? Ginette zegt smalend dat ik een collegepiet ben: bijgelovig, Vlaams, romantisch, zwever, zwerver, nationalist, chauvinist, … Ik weet niet of zij gelijk heeft. ’t Maakt ook niets uit, ik voel mij goed in mijn vel. En ik durf al eens uitschuivers produceren als daar zijn: “Indien de wereld een land van volkeren was gebleven en niet een land van staatkundige grenzen, dan zou de wereldvrede al lang een feit zijn geweest!” Soit, de Creuse dus.
Na Nathalie Baye en de Belgische kasteelheer ontmoette ik onlangs een derde toffe gast: een moderne druïde met ouderwetse gedachten! Ineens stond hij naast mij. Waar kwam hij vandaan? Eerst dacht ik beweging te hebben gezien in het hoge gewas, maar hij kon ook tussen de grote granieten stenen naar boven zijn geklommen. Hij droeg een lang wit kleed en had een grijze, lange, fijne baard die in punt uitliep tot bij de navelstreek.
“Bene qui latuit, bene vixit.”
“Ansi soit-il.”
Hij vertelde in een middeleeuws Frans, doorspekt van Engelse klanken, over zijn missie, zijn hoge leeftijd, over Merlijn, over de 112 profetieën van Saint-Malachie of Armagh (Ierland, 1094-1148). Door de verwoesting van de Keltische kloosters door de Vikings waren de Ieren beroofd van hun spirituele en culturele wortels.
“Ik ben een ovaat.”
Aan de diepe groeven in mijn voorhoofd kon de man merken dat ik niet wist wie of wat een ovaat was.“Ovaten zijn zieners. In de hiërarchie van de druïdenkaste zijn wij belast met de voorspelling.” “Ach zo,” piepte ik. “En jij bent een druïde?”
“Precies.”
Malachie, vriend, is de auteur van de 112 profetieën over de pausen, vanaf Celestijn II (1143-1144) tot Johannes-Paulus II. Hij bezocht Sint-Bernard in Clairvaux in 1139. Schonk Sint-Bernard aan de Tempelorde niet alleen een Regel, maar gaf hij haar ook een aantal geheimen door, waaronder deze 112 profetieën? Het ziet er naar uit. Daardoor hadden de Tempeliers inzicht in het lot van de pausen. Toen Jacques de Molay, Grootmeester van deze Orde, op de brandstapel stond, voorspelde hij de dood van Filips de Schone en van paus Clemens V in hetzelfde jaar van zijn executie. Clemens V stierf aan een ongeneeslijke ziekte, verkrampt door verschrikkelijke pijn (profetie 31 van Malachie of Armagh).
De witte man nodigde mij uit om bij hem te komen zitten op een bank, die de vorm van een altaar had, een soort dolmen. Hij zei dat hij één van de laatste druïden was die als opdracht had de hypocriete kerkelijke leer te demystifiëren en haar te vervangen door de van oudsher zuivere Keltische eredienst.
“De Kerk is een aberratie van de leer van Christus. Zij die dit hardop uitschreeuwen, worden gedoodverfd als ketters. Ben jij bereid het woord van Merlijn te verkondigen?”
Vriend, je kent mijn antwoord.

Beste vriend, begin deze week ontmoette ik Francine Van Mieghem, de vrouw van George Grard. Zij kocht in 1994 in Gijverinkhove (de Westhoek) een hoeve aan die ze liet restaureren. Nu staat het complex bekend als “Stichting George Grard”, een soort openluchtmuseum.
We dronken een koffie en Ginette trakteerde Francine op een kir. Gevleid door dit gebaar vertelde ze ons honderduit over de Stichting, over haar man en over haar dochter Chantal.
In 1931 vestigde Grard zich in een vissershuisje te Sint-Idesbald. Hier werd de zogenaamde “School van St.-Idesbald” geboren of de Academie van de Westhoek. Het huis werd een ontmoetingsplaats voor kunstenaars, zoals Caille, Creuz, Dasnoy, Delvaux. In 1947 reisde Grard naar Zuid-Frankrijk, Spanje, Italië, Griekenland en Joegoslavië. In 1954 ontmoette hij Francine Van Mieghem. Ze huwden in 1970. Einde jaren '70 kreeg Grard te kampen met gezondheidsproblemen. Hij overleed te Sint-Idesbald op 26 september 1984.
George Grard wordt algemeen erkend als één van onze grote Belgische beeldhouwers. Hij bleef zijn hele leven trouw aan één thema: de liefde voor het vrouwelijk naakt, zittend, liggend, staand. In de woelige jaren '30, '40, en '50, wanneer de strijd tussen figuratief en abstract heftige discussies uitlokt, blijft hij overtuigd van zijn gelijk. In 1962 schrijft hij: “Ik bekijk dat allemaal van ver. Het leven zelf interesseert me meer. Het is uit het leven dat ik heb geput. Ik voel mij veeleer verwant met de sensualiteit van Renoir.”
In 1957 werkte hij een maand in Kongo. Afrika inspireerde hem tot zijn Grote Afrikaanse, een rechtopstaande uitgelengde slanke figuur. Dit beeld is een keerpunt en betekende de overstap naar een nieuw vrouwentype: de uitgelengde gestaltes.
Na zijn dood blijft het vissershuisje door de familie bewoond. Te Gijverinkhove worden echter alle originele gipsen beelden bijeengebracht.
Grard is de uitvinder van de verloren-was-techniek. Op het oorspronkelijke gips maakte hij een mal waarvan hij de verschillende delen met vloeibare was instreek. Daarna zette hij de holle delen van de afgekoelde was aan elkaar. In en rond het beeld bracht hij bakaarde aan. In een oven op hoge temperatuur werd het beeld uitgestookt, zodat de aarde gebakken werd en de was volledig verdampte of wegsmolt. De uitdrukking “verloren was” slaat op het feit dat het wassen beeld letterlijk in rook opging. In de lege tussenruimte die door het uitstoken ontstond, goot hij vloeibaar brons.

Wanneer wij meer dan gewone belangstelling tonen voor een werk van Chantal Grard, mengt een zekere Trenchant zich in het gesprek. Trenchant is de Franssprekende neef die mee de zaak behartigt.
“Le baby? Vingt-quatre mille, monsieur. Il ne reste que deux.”
Voor Chantal Grard vormen levende organismen het uitgangspunt van haar werk. Zij verwijst meervoudig naar ontluiken, groeien, evolueren, het zich richten naar licht en warmte. Op een subtiele en sensuele manier formuleert zij een persoonlijk antwoord op het oeuvre van haar vader. Thema's als vruchtbaarheid en groei, uitzetten en krimpen maar evenzeer de tegenpolen: rotten, afsterven, sterven. Ook begrippen als mannelijk/vrouwelijk, agressiviteit/sensualiteit, dominantie/tederheid spelen mee. Ze werkt in klei, gips, paraffine, was en brons.

“Onderwijsmensen? Ik heb les gegeven, monumentale keramiek, van 1984 tot 1995 aan de Westhoekacademie van Koksijde, maar ik maak ook beelden,” vertelt Francine van Mieghem.
“Dit weet ik, mevrouw.”
“O ja, hoe is uw naam?”
“Deleu.”
“Van Ons Erfdeel?”
“Neen.”
“Schrijft u?”
Ik stel mij voor.

Fancine Van Mieghem ging in de leer bij Pierre Caille voor keramiek en bij Paul Delvaux voor levend model. Beiden werden vrienden voor het leven. Vooral Grard heeft haar talent doen ontbolsteren. Eigenzinnig bouwde zij echter een sculpturale wereld op met zeer eigen klemtonen. Haar werk evolueerde tot een spel van ritme binnen uitgelengde volumes, het opbouwen van ritme via de ledematen, wat resulteerde in het uitdunnen en verlengen van de vormen.

“Ik exposeer vanaf 2 juni in Art Gallery De Muelenaere & Lefevere in Oostduinkerke.”
“Wij vertrekken die dag voor een paar maand naar de Creuse. Maar als wij terug zijn, komen wij zeker kijken.”
“Ik woon hier niet hé, ik ben blijven wonen in Koksijde.”
“Stelt u daar ook tentoon?”
“Neen, maar u bent altijd welkom.”
“Dank u, mevrouw.”

Vriend, de verhuis gaat vlotter dan ik had gedacht. Bijna elke dag rijden wij naar zee. Iedere keer neem ik plastic boxen en kartonnen dozen mee, met vooral boeken en tijdschriften. Ook de tekeningen, schilderijen en beelden zijn reeds ter plekke. De schilder-behanger en de elektricien hebben hun ding gedaan. Ginette vond een goede werkvrouw. Bovendien komen de bestelde meubels met regelmaat en volgens afspraak binnen. Ik denk aan het salon, de bibliotheekkast, de boekenrekken, de huishoudtoestellen. Gisteren kocht ik een modelvissersboot, nu nog een modelzeemeeuw en een modellichttoren en de leefkamer ademt Oostduinkerke uit. Ik zou graag nog een reproductie van Delvaux, een beeld van Chantal Grard en een keramiek van Francine Van Mieghem kopen, indien er een budget voor deze uitgaven voorhanden is. Zoals je weet is Netteke mijn minister van financiën. Ja, vriend, maar ik blijf prime minister!

In het Florishof leerden wij Hilaire Florizoone kennen. Hij is de stichter, de motor, de gids van het museum, zijn zoon Jan houdt het restaurant open. Dit museum werd opgericht om het rijke verleden van onze grootouders, hun leefmilieu en oude ambachten te bewaren en harmonieus te integreren. Florishof is het museum van het leven, vriend, waar wij allen iets hebben terug te vinden of te ontdekken. In een uniek oud-Vlaams kader kun je in het pretentieloos maar stijlvol restaurant genieten van typische streekgerechten. 's Namiddags is er ook koffiepauze met specialiteiten uit grootmoeders tijd. Florishof is anders dan vele andere musea. Het is geen opeenstapeling van oud en vermolmd gereedschap, het is niet doods en onpersoonlijk, het leeft! En het leeft omdat wij er niet moeten kijken naar het netjes tentoongestelde meubilair van een oude keuken, maar werkelijk in de keuken binnenstappen. Florishof wil het dorpse volksleven van voor de eeuwwisseling levendig naar voren brengen. Rond de kapel scharen zich de herberg, de winkeltjes, het schooltje, het mode-atelier, het interieur van het oudste in zijn oorspronkelijke staat bewaarde vissershuis van de vissersgemeente Oostduinkerke. Het museum vind je aan de Koksijdesteenweg 24 Oostduinkerke. Ik kreeg van Hilaire, ver boven de 80, een gedicht. Ja, Hilaire is ook een dichter. Door de verhuisfobie die ten huize Deleu heerst - voor mij niet eens een onprettig gevoel -, vind ik het gedicht niet terug. Ik reserveer het voor een tweede Oostduinkerkse brief.

Hoe staan de zaken vandaag, 6 juli, er voor? Beter dan ik had durven verhopen: alles staat bijna op zijn (nieuwe) plaats. Ik schrijf in de slaapkamer, de boeken die ik dicht(er) bij mij wil, staan bijna alle in het juiste rek of bibliotheekkast. Dit betekent dat ik van de ongeveer 1.000 boeken er nu nog 500 over houd, waarvan er een kleine 100 in de garage een nieuw (treurig) leven beginnen. Ook in de schilderijen en de tekeningen heb ik grote kuis gehouden: sommige heb ik Henk cadeau gedaan en andere staan opgestapeld in de gesloten bergruimte. Welke heb ik tentoongesteld? 6 tekeningen van Henk, de kat van Antoon, het zeetje van Mico, een werk van Rogette Jonckhiere en een naakt van Jacobert dat ik opnieuw heb laten inlijsten. Op het buffet prijkt een antieken stenen O.-L.-Vrouwebeeld met druiventros, gekocht bij Exclusive Kuurne. Het komt uit Zuid-Frankrijk, 18de eeuw.

Onze afreis naar de Creuse werd reeds driemaal verdaagd. We hebben het zo naar onze zin hier aan zee dat ik minder enthousiast naar La Vallade vertrek. Zou dit de ware reden zijn of een van de vele? Je moet weten dat boer Warlop niet alle beloften inlost die hij mij heeft gedaan, vooral de verzorging van mijn paard laat te wensen over. Ik heb dan ook besloten het op stal te plaatsen te Beveren-aan-den-IJzer, 20 km hier vandaan. In de maand september haal ik het naar hier. Ik heb immers geen “van” (E) en ook geen ervaring met paardentransport. Bovendien krijg ik het moeilijk met de hebberigheid van "vriend" Marcel, zijn puur materialisme, zijn berekende vriendelijkheid. Opgelet, vriend, Marcel blijft (voorlopig) een vriend en de Creuse een paradijs, maar toch vraagt het project een herbronning en een herschikking, zowel in aanpak als in duur. We zien wel.

Eindterm zit in de pipeline, nu zou ik graag hebben dat je Amélie Laforêt leest en aantekeningen maakt. Ik heb vertrouwen in je literaire kritiek en je bijzonder grote leeservaring. Inmiddels werk ik aan de derde versie van Arsène du Frêne, heer van La Vallade. Het wordt een goede historische roman: historisch correct (op enkele details na), vlot, veel dialoog, visionair, met bekende personages die alweer zullen worden verwezen naar het rijk van de fictie. Och vriend, wat kan schrijven pijnlijk zijn en toch zo boeiend, alsof de wereld aan je voeten ligt, welteverstaan de wereld die de schrijver oproept en waarin hij zich beweegt als een aal, een paling, een reptiel, een roede. Hij grijpt de fictie van zijn figuren aan om te strelen en te geselen, om te juichen en te wenen, om plooien glad te strijken en voluit zijn gedacht te zeggen. Ondertussen werk ik aan een politiek traktaat dat als titel heeft: Het contact met de burger. Hierin wil ik mijn ei kwijt over de politiek, de politici, de militant, de kiezer… Strelend en striemend, relativerend en humoristisch. “Ze mogen niet denken dat ik hun cinema niet doorheb!” Het wordt een lijvig pamflet van een 60-tal bladzijden. Om te publiceren in een tijdschrift. Welk? Weet ik veel. In "Mao"?

Beste vriend, ik heb genoten van je laatste brief. De dagboekman was terug, even maar, lees ik, want hij komt en gaat. Een drukke gast, een wereldreiziger. In de maand februari was hij te zien in Poperinge, Watou, Gent, Heuvelland, Dranouter, Loker, Kemmel, Wijtschate, Ieper, Harelbeke, Mechelen, Menen, Merendree, Aalter, Roeselare, Zonnegem, Kortrijk, Beveren-Leie, Wielsbeke, Mere, Antwerpen, Duffel, Herzele, Melden, Sint-Amandsberg, Erpe-Mere, Waregem, Machelen-aan-de-Leie, Tielt en Eeklo. Al deze steden en dorpen liggen op de autosnelweg van de stress of aan wegen als bisons futés. Heeft de reiziger nog tijd voor zijn vrouw, zijn kind, voor de familie? Het eiland van stilte, de oase van rust ligt niet zo ver, veeleer dichtbij, thuis, en toch wil hij zich ongedwongen terugtrekken in een ver land. Om wat te doen? Om aan te bellen bij schrijvers, dood of levend, om musea en exposities te bezoeken, om het spoor te volgen van beroemde mannen en vrouwen… Om een depressie te krijgen? Maar neen, mijn vriend beleeft ook veel moois, ogenblikken van verwondering, kinderlijke blijdschap.

Thierry

23 januari 2008

Uitnodiging

Aan de vrienden van OpSpraak

In samenwerking met de Bibliotheek Nieuwegein houdt de stichting BeeldSpraak dinsdag 12 februari a.s een Open Podium waar literair en muzikaal talent elkaar ontmoeten.
Nieuwegein ligt centraal ten opzichte van de wereld, de bibliotheek slechts enkele passen van het openbaar vervoer en de parkeerplaats. Het is een wereldplek waar dichters, prozaïsten, kunstenaars, muzikanten en andere mensen die op zoek zijn naar een plek om zich te uiten, elkaar kunnen ontmoeten.

De volgende namen staat op het programma:
Peter Geraedts, Jack Terrible, Saskia van den Heuvel, Meike Veenhoven (liedjes), Mart Brok en Harm Bos (gitaar), Jos van Liempdt, Elly-Ann van Luxemburg, Peter Knipmeijer, Anja Tekelenburg, Henny Hilbrink en Dirk Kars. Na de pauze willen onze trouwe bezoeksters Lea en Marianne iets doen met een schilderij en Margot Pickering komt vertellen over haar ervaringen in Afrika.

Tijdens het Open Podium wordt het aanwezige publiek betrokken. Eenmaal meegesleept, kunnen compleet nieuwe dingen ontstaan. Combinaties van muziek, publiek en dichters halen dit naar boven. Wie weet draag je zelf een mooi gedicht bij je, dat je wilt laten horen, of doe je inspiratie op voor nieuwe poëzie.

We kijken er naar uit jullie allemaal te ontmoeten. De toegang is gratis. Aanvang is 20.00 uur.
Het Open Podium vindt plaats in de Centrale Bibliotheek aan de Zadelstede 1-10 in Nieuwegein.
Tot ziens op de 12de februari.

Hartelijke groet, Jet van Swieten

OpSpraak Open Podium Jet van Swieten Website http://www.opspraak.net E-mail info@swieten.nl
Weblog http://www.klaverbladouderijn.web-log.nl

Magisch alfabet

Thierry Deleu
MAGISCH ALFABET

onverdeeld succes: aan derde druk toe!


Magisch alfabet bundelt 87 gedichten
met kunstfoto’s van Henk Deleu

EEN SPECIALE UITGAVE VAN RAZOR’S EDGE EDITIONS
ONDER AUSPICIËN VAN “THE ORDER OF THE RAZORBLADES”


Wie zijn wij?

Oostduinkerkenaar/oud-Harelbekenaar Thierry Deleu
is eredirecteur secundair onderwijs (Middenschool van het Gemeenschapsonderwijs in Tielt) en gewezen kabinetsattaché van Vlaams minister van Onderwijs Luc Van den Bossche en Eddy Baldewijns (1995-1999).
Hij publiceerde gedichtenbundels, bloemlezingen, romans, essays, biografieën.
In voorbereiding:
Schoon volk in de hemel
een essay over de wetenschap van het spirituele
De doden zwijgen niet
een politieroman
Meeuwen in bloot onderlijf
gedichten

Henk Deleu
persfotograaf
opleiding: plastische kunsten
Exposeerde in binnen- en buitenland schilderijen en tekeningen.
Hij tekent cartoons voor kranten en tijdschriften onder het pseudoniem HD.
Over de poëzie van Thierry Deleu:
Ook met deze nieuwe gedichtenbundel behoort dichter-romancier-essayist Thierry Deleu tot de dichters die trouw zijn gebleven aan de neo-experimentele en neoromantische poëzie van de jaren ’60-‘70 en ’80-’90.
Invloeden? De Vijftigers, maar ook de Vijfenvijftigers, hebben hun stempel gedrukt op zijn poëzie en op die van zijn generatiegenoten, zij die geboren zijn tijdens de oorlog, laat ons zeggen tussen 1940 en 1950. Zij kozen resoluut voor het woordexperiment, voor de autonomie van de poëzie boven een direct engagement.
Thierry Deleu vormt een schakel tussen de nieuwe tijd en de verleden tijd. Hij gaat op zoek naar zijn eigen identiteit, rond thema’s zoals liefde en eenzaamheid. Sommige gedichten vertonen een neiging tot introspectie, tot nadenken over mens en wereld, andere zijn kosmisch gericht, zijn tragisch-visionair.

Praktische informatie:
© Razor’s Edge Editions en Thierry Deleu
Uitgave Razor’s Edge Editions
Druk NetCopX Menen
140 blz.
Biotop 90 gr.
Gelijmd

Prijs: 15 €
Over te schrijven op 000-0900214-54 van Thierry Deleu,
8670 Oostduinkerke
.

Brabantgedicht

Brabantgedicht
Zaterdag 26 januari 20 uur
Foyer Wagehuys Leuven
Brusselsestraat 63

4 NEDERLANDSE en
4 VLAAMSE jonge dichters nemen het tegen elkaar op in een vriendenwedstrijd .
DOUGLAS FURS brengt muziek en
JAN REYNAERTS presenteert .
Feestelijke prijsuitreiking .

In het voorprogramma : MENGMETTAAL met de dichters :
Luc Vandeborght
Mark Meekers
Bruno Putzeys

Hartelijk welkom , toegang gratis .
Info : lieve.devijver@telenet.be
2008

21 januari 2008

Leven-loos

Gedicht van Rogette Jonckiere voor haar overleden man

Het is goed
Het is warm
Warm in mijn hart
Warm in jouw hart

Als ik sterf
Wordt het koud
Koud in mijn hart
Koud in jouw hart

Een warme gloed
nestelt zich aan de horizon

Zon die ondergaat
Duisternis blijft

In je gedachten
is er altijd licht
dat ben ik

Rogette


19 januari 2008

ZOPAS VERNEMEN WIJ HET OVERLIJDEN VAN
ANDRĖ VERBRIGGHE


Geboren in Poperinge, op 15 februari 1947.
Heengegaan op 9 januari 2008.

Gewezen technisch adviseur-coördinator aan het
Koninklijk Technisch Atheneum Diksmuide.


De plechtige uitvaartplechtigheid had plaats
op dinsdag, 15 januari, om 10 u., in de Sint-Niklaaskerk
in Diksmuide, gevolgd door crematie.

André was de grote bezieler van de
jaarlijkse tentoonstelling dichters en beeldende kunstenaars “Peace for ever”
op de IJzersite te Diksmuide.

Hij was lid van “The Order of the Razorblades”
en koos als riddernaam Dacier Del Sarto van ’t Eesenkruys


De redactie deelt in het diepe verdriet dat de familie treft!


16 januari 2008

"Schoon Schip" maken? Abonneer je!

Mag ik je aandacht vestigen op het gedrukte tijdschrift Schoon Schip?
Elk kwartaal op een 60-tal bladzijden (formaat A4) wordt de lezer vergast op poëzie, proza, essays en beeldende kunst.
Met de thuishaven in Assen bestaat de redactie (en haar vaste medewerkers) uit een mix van Vlaamse en Nederlandse auteurs.

Download een proefnummer
14de jaargang, nummer 4 / 2007
Inzenden van kopij
Redactiesecretariaat Nederland
Redactiesecretariaat België

Abonnement
België
23,50 euro te storten op Fortis Bank te Oostende,
nr. 280-0402808-04 t.n.v. R. ten Berge te Assen t.g.v. Schoon Schip
Nederland
22,50 euro te storten op ABN Amro 48.81.36.474
t.n.v. R- ten Berge te Assen t.g.v. Schoon Schip

Verkooppunten
Athenaeum Nieuwscentrum, Spui 14-16, Amsterdam
De Groene Waterman, Wolstraat 7, 2000 Antwerpen
Selexyz Scholtens, Guldenstraat 20, Groningen
Boekhandel Donner, Lijnbaan 150, Rotterdam

Losse nummers kosten 6 euro.

Met vriendelijke groeten,
François Vermeulen

Brichard's debuut!






















Brichard
Studio Brikat
http://www.brikat.be/
info@brikat.be

De eerste bundel van Brichard is een feit.
Hij werd uitgegeven in eigen beheer en is te verkrijgen bij Studio Brikat voor de prijs van
€ 9.00. U kan hem bestellen door 9.00 € + 3.00 € verzendingskosten te storten op rekening van Studio Brikat 001– 3203225-70.

De bundel is paperback en bevat 52 bladzijden. Hij is voorzien van een ISBN nummer en 16 op 24 cm groot. De cover is een zelfportret van de auteur Brichard.

Ik ben ik’

Laat mij
mijn
excentriek zijn,
mijn
afwezige blik
hebben,
mijn
impulsieve uitlatingen
geven, mijn
manier van denken
laten,
mijn
hervormer in
mij,
mijn
gebreken,
mijn
onvolmaaktheden?

Laat me
m'n
zijn,
pas dan
ben ik
IK.

Uit Fragmenten uit mijn en andersmans leven, misschien wel het uwe…

15 januari 2008

Gedichtendag 2008

“Gedichtendag” maakt alles beter!

“Is dit initiatief het waard om te juichen?” vraagt de dichter zich af en de dichter niet alleen, ook zijn vrouw en kinderen, zijn vrienden en kennissen. Ja, lezer, ja, gedichten zijn immers “verswaren” die niet erg worden geapprecieerd door de consument, of toch zelden aangekocht en weinig geconsumeerd. Daarom is de dichter op “Gedichtendag” in zijn nopjes: eindelijk wordt hij of zij in de spots geplaatst! De erkenning is dichtbij, de bestellingen van zijn of haar bundels zullen binnenlopen.
Ik wenste dat het waar was, dichter-collega! Ik brand een kaars, ik ga op beevaart, ik richt mijn blik naar de hemel: “S.O.S.” of “God save the Poet”.
“Gedichtendag” is inderdaad hét poëziefeest van Vlaanderen (en Nederland). Ieder jaar op de laatste donderdag van januari, staat de poëzie een dag lang in het zonnetje.

Opgelet, lezer, het idee “Gedichtendag” komt niet van de Nederlanders en de Vlamingen. In 1616 werd dichter Ben Jonson aangesteld als de eerste poet laureate van Groot-Brittannië. Sedert 1668 kreeg het laureateship een officiële status en werd de gekozene voor het leven aangesteld. Andrew Motion werd in 1999 verkozen en schreef onder andere gedichten bij de aanslagen van 11 september, bij de dood van de Queen Mum en recent een gedicht tegen de oorlog in Irak.
Sinds 1937 heeft ook de Verenigde Staten een poet laureate. Ook Nieuw Zeeland en Canada volgden dat voorbeeld. “Stadsdichters” en onze “Gedichtendag” zouden uit die traditie zijn ontsproten. “Gedichtendag” is een organisatie van de Stichting Poetry International (voor Nederland) en de Stichting Lezen (voor Vlaanderen).

Op “Gedichtendag” kies je met de dichter voor eenvoud in lawaaierige tijden, waarin snelheid en zappen de norm zijn. Op “Gedichtendag” kies je voor de stilte, die onlosmakelijk verbonden is met het gedicht: de stilte die nodig is om klank en betekenis te waarderen; de stilte in het wit tussen de versregels.
Op “Gedichtendag” worden dan in Nederland en Vlaanderen activiteiten georganiseerd. Maar bijna altijd worden de schijnwerpers gericht op dichters en dichteressen die al een eeuwigheid in het licht staan! Uit naastenliefde (lees liefdadigheid) worden enkele debutantjes opgenomen in de crew, om alle schijn van discriminatie en nepotisme de kop in te drukken (letterlijk).Op “Gedichtendag” zouden de grote krokodillen zich moeten gedeisd houden. Muil toe, uitpuilende ogen dicht en toekijken hoe talrijk de goede dichters zijn die nooit een echte kans hebben gekregen!

Thema van de 9de Gedichtendag, donderdag 31 januari 2008 luist Dingen in gedichten. Mark Boog schrijft de Gedichtendagbundel: tien nieuwe gedichten, die vanaf 31 januari 2008 voor een klein bedrag in de boekhandels te koop zijn. Zijn poëzie werd door Gerrit Komrij omschreven als ‘een spel met intimiteit en ruimte, met huiselijkheid en eeuwigheden.’
Voor Gedichtendag 2007 maakte Leonard Nolens de bundel De fractie van een kus. Het boekje, gedrukt in een oplage van 15.000 exemplaren, was in korte tijd uitverkocht.
Dingen in gedichten. Wat betekent dit thema? Alles kan poëzie worden. Tijdens Gedichtendag 2008 staat de relatie tussen poëzie en dingen centraal. Gewone voorwerpen die ons in het dagelijks leven omringen, worden op allerlei manieren gebruikt in de poëzie, de dichter vindt ze. Rutger Kopland bezong een glas in zijn bundel Dankzij de dingen. De Zuid-Afrikaanse dichteres Antjie Krog dichtte ik ben ding, hoor je! en Thierry Deleu schreef een nieuw Magisch alfabet.
Of de dichter zich nu identificeert met dingen of dat het ding wordt bezield, op Gedichtendag 2008 krijgt het ding de ruimte.

Thierry Deleu

HD's Cartoonhoekje - Lovers!


GEDICHTENDAG !

'Hard Hart'


Van 14 januari tot na Gedichtendag !

'Hard Hart' is een gedicht geschreven door Roland Declerck uit Klerken. Chocolatier Marc Vandenbussche maakte een chocoladen versie. Zo krijgen we een smakelijke en toeganklijke vorm van poëzie in het straatbeeld en confronteren we de toevallige voorbijganger met de kern van alles : het hart !


Locatie: Etalage Chocolaterie Vandenbussche Marc
Generaal Baron Jacquesstraat 29
8600 Diksmuide

De logica?

Voor mijn vriend A.V.

Het wordt nooit nog als vroeger
telkens een vriend heengaat,
maar het is nooit te laat
mij te bezinnen over

de vraag wat baat het dat ik
hard werk wanneer mijn leven
eindigt met een wrang gevoel?
Is het dat wat ik achterlaat

voor wie ik lief heb en
mij graag ziet? Is het een
regel een wens dat wie
achterblijft geniet van wat

mij toebehoort? Hoort het zo,
dan hoeft het voor mij niet,
ik zie de logica niet
in het verhaal. En jij?

Thierry Deleu

14 januari 2008

Activiteiten in kunstgalerij "Mens & Natuur" in Sint-Martens-Latem!

Geachte redacties en poëziepromotors,

Kan U de hieronder meegedeelde activiteit opnemen / vermelden a.u.b. in de passende rubriek van uw blad / radioprogramma / digitale editie?
We danken U daarvoor bij voorbaat!

Mocht U méér willen vernemen, dan staan we U graag te woord of bezorgen U verdere informatie.
In verband met de dan lopende tentoonstelling van Hilde Geelen (bekend als flamenco danseres) voegen we in bijlage wat extra documentatie toe.


Vrijdag 1 februari 2008 om 20 uur

Performance ter gelegenheid van Gedichtendag (31 januari).

Daniël Van Ryssel en Julien Van Gansbeke, twee coryfeeën uit de 'Yang Poëzie Reeks' (uitgegeven door Yang, tijdschrift voor literatuur en plastische kunsten), brengen een bijzonder poëtisch programma.
Toegang: 5,00 euro.

Met vriendelijke groeten,

Arnold Eloy
Galeriehouder

Kunstgalerij MENS & NATUUR
Maenhoutstraat 75a
B – 9830 SINT-MARTENS-LATEM
Gsm 00 32 (0)496 805 799
E-mail: arnold.eloy@skynet.be
www.mens-en-natuur.com
www.man-and-nature.com

9 januari 2008

Maria Sesselle!

JUWEELTJE

Grijp mij, was mij, slijp mij.
Laat mij doorzichtig voor jouw oog
de kleuren spetteren van de regenboog.

Ring mij, dwing mij tot verblindend blij.
Laat mij klitten rond je lenden,
je hals omhelzen en
de gouden letters van je woord.

Ik haak een piercing in je oor
van luisteren, je navel en doorboor
met lust je tong. Mijn hart zal
kloppen in de tijdsklok aan je pols.

Laat mij niet wachten op de warmte
van je vingers, mijn lief.
Want ik wil schitteren in jouw naam.


LAAT MIJ

Laat mij gaan in de wandelgangen van je verbeelding
langs de tunnel van je rechterkamer.
Laat mij liggen in de hangwieg van je ronding
in de bedding van je slaap.
Laat mij hangen in de pijn van je afwezig zijn.
Laat mij zwemmen in de golfstroom van je woorden,
je zwijgen, je verwijten, je niet gunnen.
Jij weet dat één ding niet bestaat bij mij:
niet meer kunnen.
Laat mij los, wat slordig uitwaaien,
tussen de herfstgedeukte rozen.
Laat mij even de wurgende dorst
naar omarmen vergeten.
Laat mij vooral weten
hoe koud jij het hebt zonder mij.


Bekroond met de poëzieprijs van Maldegem 2005

Gedicht - Marleen De Smet

leugen

zich laten ontvoeren
door de duisternis
langzaam uitdoven
en morgen

houden tongen van vuur
de hunker in een bunker

verlangen, jij ongenode gast
bedek mijn ogen
met een legioen leugens

verbaas de star starende sterren
de bodem trekt
als een dreinend kind
aan mijn jas

lichterlaai zal ik mennen
als een slagschaduw flikkeren
in een plas dat wat
nergens en overal was

de afvoer opent bij overvolle molenstuw
hoog hangt een vollemaankontje
lacht altijd en nooit
zegt alles en niets

© Marleen De Smet

5 januari 2008

Interview met Thierry Deleu in Meander (N) - Yvonne Broekmans

Thierry Deleu was van 1962 tot 1988 leraar Nederlands en intern pedagogisch begeleider aan de Middenschool van het Gemeenschapsonderwijs te Harelbeke. Van 1970 tot 2000 was hij politiek actief als copywriter, campagneleider en parlementair medewerker. Eind 1988 werd hij directeur secundair onderwijs in het West-Vlaamse Tielt. Hij sloot zijn onderwijscarrière af als kabinetsattaché van de Vlaams minister van Onderwijs.
Sedert 1972 is hij voorzitter van de (slapende) confrérie "Orde van het Zwarte Schaap" en sedert 1 september 2004 is hij ridder in “The Order of the Razorblades”, de enige online ridderorde in de Lage Landen.
Vanaf de jaren zestig beweegt Thierry Deleu zich op een breed literair vlak. Hij schreef leerboeken Nederlands voor het beroepsonderwijs, is de auteur van de biografie Marc Bourry, man van het volk en van ettelijke essays over schrijvers en over actuele letterkundige kwesties. In de jaren 2002 tot 2004 verscheen de Creuse Trilogie (drie romans met als background de Franse Creuse), in 2006 de roman Klamme handen. Thierry Deleu geniet bekendheid als hoofdredacteur van het tijdschrift "Boulevard" (1970-1980), als uitgever van de reeks Schaap Boeken (in hoofdzaak poëzie) en als samensteller van enkele bloemlezingen voor het kunstonderwijs. Vooral is hij echter bekend als dichter. Liefde, dood, erotiek en natuur zijn de voornaamste thema’s van zijn poëzie.

In verschillende essays geef je blijk van een uitgesproken mening over de ware aard van het schrijven: ‘het fenomeen literatuur is een sociale relatie, een intermenselijk communicatieproces’. Loopt het ontstaan van deze opvatting parallel met de ontwikkeling van je poëzie?

Vooral in mijn romans en essays is deze opvatting merkbaar. De twee polen van deze sociale relatie zijn: enerzijds auteur en lezer en anderzijds het gecommuniceerde of het geheel van woorden. Zowel auteur en lezer als het literaire product zelf zijn in het maatschappelijk proces ingeschakeld. Zij vervullen een sociale rol. Het literaire product is een wereld van woorden, die al maatschappijgebonden zijn doordat ze iets betekenen, d.i. verwijzen naar iets in de buitenliteraire werkelijkheid. Precies deze relatie tussen het literaire fenomeen en de sociale werkelijkheid komt in mijn romans en essays tot uiting.
Sporadisch komt dit communicatieproces ook tot uiting in mijn poëzie. Poëzie is veeleer een levensvoorwaarde. Poëzie, als een zoeken naar een nu en een hier. Poëzie moet de weergave zijn van onmiskenbare momenten waarop de tijd als het ware stilstaat. Het zijn ogenblikken van hevige intensiteit die ons treffen als bliksemschichten.
Ik ben vooral een (liefdes)zoeker, ik ben een steiger van liefde die poogt de eenzaamheid te doorbreken. Met ritmische sonoriteit probeer ik aan mijn poëzie gestalte te geven. De verstenende eenzaamheid in haar klassieke sereniteit weegt zwaar, daarom is de liefde de grootste en onmisbare constante in mijn poëzie.

(Dus) volgens jou is het contact tussen auteur en publiek dat sinds het begin van de 19e eeuw verdween, inmiddels bijna hersteld? Hoe is dat merkbaar?

De vraag is niet zozeer of het contact is hersteld, maar: is de (sociaal-liberale) schrijver akkoord met een functionaliseren van het schrijverschap? De overheid belemmert bijna nergens nog de beoefening van een vrije literatuur. De vraag is: kan de schrijver zijn voordeel halen uit een zekere vorm van functionalisering, met behoud van de individuele en artistieke vrijheid van de kunstenaar?
Wat is de rol van de schrijver in onze maatschappij? Welke functie vervult de literatuur?
De schrijver is – of hij het wil of niet - van zijn romantisch-goddelijke troon gestoten. Hij is opgenomen door de ruime anonieme democratische massa. Terwijl hij aan huidige of toekomstige roem of genieverering verzaakt heeft, verwacht hij redelijkerwijze van de samenleving materiële compensaties voor de verloren voorrechten. Die vergoeding wordt hem niet altijd gegund, of eerbaar toegezegd, zodat hij terecht de indruk heeft geen identiteit meer te bezitten.
Enkele schrijvers reageren hun verbittering op hun eigen, introverte manier af: zij verwerpen die ondankbare maatschappij door de vormschoonheid te verabsoluteren. Zij getuigen impliciet van hun afwijzende houding tegenover een maatschappij die hun haar gunsten weigert. Anderen - waar ik ook de maatschappijkritische auteur onderbreng die hard werkt om de taal onder de knie te krijgen en in een soms wat weerbarstige stijl inspeelt op fenomenen in onze samenleving - verweren zich tegen de huidige stand van zaken door expliciet deel te nemen aan het overredingsproces of bij te dragen tot een mentaliteitsverandering bij overheid en auteur.
Zo kom je toch voor de volgende paradox te staan: terwijl de meeste schrijvers bij het sociale zweren en het bij herhaling hebben over de sociale functie van de literatuur, negeert een (klein) deel van hen dit sociaal karakter door een literatuur te scheppen die weinig toegankelijk is voor de lezer. Hoe meer literatuur vertechniseert, hoe meer het publiek er zich van afkeert.

Je bent intens betrokken bij de positie van de auteur in de maatschappij. Volgens jou wordt de Vlaamse literatuur door de overheid stiefmoederlijk behandeld, en zouden niet de uitgeverijen maar de schrijvers in aanmerking moeten komen voor subsidie. Hoe reëel is dat standpunt?

De overheid (op advies van het Vlaams Fonds voor de Letteren) keert subsidies voor de literatuur uit in de vorm van subsidies, stipendia, werkbeurzen, enz. De vraag is echter of die uitkeringen correct gebeuren en of de adviseurs met kennis van zaken en zonder vooringenomenheid advies verstrekken? Ik zoek vergeefs naar een controlemechanisme waardoor enerzijds adviezen van het Fonds kunnen worden bijgesteld of aangevochten en anderzijds de samenstelling van het adviesorgaan kan worden onderzocht op zijn pariteit en integriteit. Of scherper geformuleerd: zijn er voldoende meetbare garanties ingebouwd om enige vorm van belangenvermenging te voorkomen?
Het debuut in de literaire carrière is bijzonder moeilijk. Een auteur zonder naam of faam moet de gunst van een uitgever en die van een publiek zien te winnen, die verwend zijn door een massa dergelijke producten. Dit blijven uitzonderingen. De meeste schrijvers moeten op eigen krachten rekenen om zich een weg te banen naar een eerste succes. Hier zou een steun van de overheid welkom zijn. De criteria om hiervoor in aanmerking te komen zijn niet ernstig. Willekeurige criteria worden aangewend en het systeem schenkt geen voldoening.
Ik pleit o.a. voor subsidies in de vorm van mandaten van beperkte duur. Worden er een aantal betrekkingen in de overheidsdiensten aan schrijvers toegekend? Worden er (voldoende) subsidies uitgekeerd aan bibliotheken en letterkundige instellingen? Worden er (toereikende) subsidies verleend voor literaire uitgaven en tijdschriften? Worden er (gespijsde) prijsvragen voor letterkunde en literatuurgeschiedenis uitgeschreven? Worden er (voldoende) literaire werken door de overheid aangekocht? Worden er (gespekte) reis- en werkbeurzen aan letterkundigen toegekend? Worden er staats-, provinciale en gemeentelijke prijzen aan letterkundigen uitgereikt?
De overheid stelt auteuronvriendelijke voorwaarden. Zij geeft voorrang aan de uitgever boven de auteur, aan de commercie boven de kunst. De overheid bemoedert de literatuur veeleer dan ze daadwerkelijk helpen.
Het betrekkelijk hoge cijfer van eigen beheersuitgaven wijst op een bepaalde tendens in de verhouding overheid-uitgever-auteur. Er zijn inderdaad duidelijke ziektesymptomen, die het lampje op rood zetten. Wij hebben het hier niet alleen over de strijd die de kleine uitgeverijen tegen de gevestigde huizen moeten voeren. Wij beschouwen de problematiek veeleer vanuit het standpunt van de schrijver. De schrijver kiest zijn uitgever niet, hij wordt door hem gekozen. Zodra het werk geschreven is, verliest de auteur er de heerschappij over. De commercie (lees: de uitgever) beslist almachtig over het stoffelijk lot van dat geesteskind. De (commerciële) kansen worden gewikt en gewogen en vallen, naar gelang de verwachte afzet, gelukkig of faliekant voor de auteur uit. Hij is dus totaal overgeleverd aan de ijzeren wetten van de boekenmarkt en krijgt al spoedig, terecht of ten onrechte, de indruk dat hij een speelbal is in de handen van uitgevers die, samen met drukkers en boekhandelaars, hem kleinmaken door hem niet ernstige voorwaarden op te leggen.
Hier zou de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen (VVL) een belangrijke rol kunnen spelen: duiding geven, ontwerpteksten tot subsidiëring (aan)maken voor de overheid, kansarme auteurs en hun verzuchtingen actualiseren, uitgaven in eigen beheer of bij niet-erkende uitgeverijen collectief aanprijzen bij bibliotheken en in kranten, tijdschriften en e-magazines. De VVL dient zich te profileren als een “vakbond” die gedreven en bedreven onderhandelt met de overheid, met uitgeverijen, het bibliotheekwezen en de boekhandel.

Er zijn aardig wat definities van uw hand over schrijven in het algemeen, van ‘schrijven is afreageren’ tot ‘een nieuwe werkelijkheid creëren’. Maar wat maakt de persoon Thierry Deleu tot poëet?

Ik suggereer bij de keuze van mijn titels vaak een autobiografische inhoud, maar de gedichten zelf houden de identiteit van de dichter toch gedeeltelijk verborgen. Mijn taal groeit vanuit een gevoelssituatie. Mijn poëzie is sterk persoonsgebonden, autobiografisch en therapeutisch.
De thematiek is onmiskenbaar de verheerlijking van Eros, de liefde, met een sterke neiging tot erotiek, en met als decorum de natuur, die soms herkenbaar is.
Kenmerkend voor mijn schrijfstijl zijn de vierregelige strofen die weliswaar niet afsluiten met een punt, meestal doorlopen, maar door hun lay-out een zelfvertrouwen in beeldvorming uitstralen.
Enerzijds zijn mijn gedichten als een aardse beleving van de liefde en de erotiek, anderzijds bekijk ik met een ongegeneerd voyeurisme het liefdesspel op aarde. Een mystieke sfeer kleurt de meeste gedichten. De liefde blijft het uitgangspunt, maar een tikkeltje godsdienstigheid symboliseert een gevoel van ingetogenheid. Anderzijds wordt dat mystieke gevoel dan weer met opzet doorbroken door erotiek.

De gedichten van je generatiegenoten worden vaak neo-experimenteel genoemd. Is er sprake van verwantschap in thematiek en vorm, of heeft jouw poëzie zich anders ontwikkeld?

De grondslag van mijn poëtica gaat terug op de periode van de Derde Experimentele Generatie die zich in de jaren zestig en zeventig manifesteerde. Deze generatie wordt nog eens opgesplitst in de 'post- experimentelen', de 'neo-experimentelen', de 'maniëristen', de 'pink poets', de '60-ers', de 'woorddichters'...
Ik situeer me graag bij de 'Neo-experimentelen' en dweepte in die periode nogal met Paul Snoek (1933-1981). Snoek behoort tot de Tweede Experimentele Generatie, meer bepaald tot de '55-ers'. Snoeks poëzie werd destijds omschreven als de delfstof van Hugo Claus en de entstof van Hugues C. Pernath. Het zal je niet verbazen dat ik de poëzie van Paul Snoek erg waardeer.

In de drie ingezonden gedichten is een prominente rol weggelegd voor de vogel, een vertrouwd symbool dat ook in de bundel ‘Val der engelen’ (1996) opvallend aanwezig is. Hoe belangrijk is voor jou de metafoor in de poëzie?

De zgn. vogelgedichten worden vaker gepubliceerd in bloemlezingen en magazines. Wanneer je mijn andere gedichten beschouwt als een aardse beleving van de liefde en de erotiek, dan zijn de vogelgedichten hemels en bekijk ik vanuit vogelperspectief en met een ongegeneerd voyeurisme het liefdesspel op aarde. Op die manier neem ik voor een stuk afstand en relativeer ik mijn eigen betrokkenheid.

Je bent ook voorzitter van het onlangs opgerichte dichtersgenootschap ‘De 50 Meesterdichters van de Lage Landen bij de zee’. Uit welke achtergronden is deze genootschap ontstaan?

Toen ik de chef hoorde zeggen dat hij bij “De 33 Meesterkoks van België” behoorde, - en zag hoe zijn ogen straalden -, kreeg ik ineens een inval die tot dit initiatief zou leiden. Ik zou een club van “De 33 Meesterdichters van Vlaanderen” stichten! De kogel was door de kerk; er was geen ontkomen aan: de gastronomie en de kunst van het dichten vonden elkaar en het was liefde op het eerste gezicht! Het aantal “Meesterdichters” werd tot 50 uitgebreid.
Het initiatief kwam onder de ridderlijke bescherming van “De Orde van de Scheermesjes”, de eerste online ridderorde in de Lage Landen bij de zee die op een ludieke wijze haar boodschap uitdraagt. Waar kon het initiatief zich beter thuis voelen? Bovendien is het toekennen van de eretitel “Meesterdichter” té arrogant om niet het relativerende adjectief “ludiek” mee te krijgen.
Toen ook de roep uit Nederland aanhield, werd het genootschap uitgebreid tot “De 50 Meesterdichters van de Lage Landen bij de zee”.

En welke doelstellingen wil je nog voor jezelf verwezenlijken?

De eretitel “Meesterdichter” is inhoudelijk een boze reactie - en als je boos bent, is geen overdrijving overdreven - op de discriminerende positie waarin zovele goede dichters zich bevinden. Zij vinden geen uitgever, ze hebben weinig naambekendheid, ze krijgen geen overheidssteun, ze worden weinig gerecenseerd, ze worden slechts sporadisch door de bibliotheken aangekocht, kortom: zij blijven - hoe mooi hun gedichten ook zijn - lokale vedetten die, indien ze enkele persmaatjes hebben, worden opgevoerd als regionaal nieuws.
Belangrijk is dus de aandacht die het initiatief wil vestigen op de literaire ongelijkheid waardoor “alle dichters niet gelijk zijn voor de wet”. Het kan niet dat elementen zoals leeftijd (debuterende dichter of outsider, favoriet of verguisde), uitgeverij (in welke vorm ook: van eigen beheer over print-on-demand tot erkende uitgeverij), mediabelangstelling, vriendendienst, meespelen bij de beoordeling van het werk. “Niet alle dichters zijn gelijkwaardig” is een beter statement, op strikte voorwaarde dat de parameter hier de kwaliteit is. We weten echter hoe vaak subjectiviteit een rol speelt. Het is moeilijk, maar we geraken er wel uit. De perfectie is (nog) niet van deze wereld.
Ik hoop dat de “50 Meesterdichters” in Vlaanderen en Nederland met enthousiasme deze boodschap zullen uitdragen: indien elke dichter een gelijke kans krijgt van hen die met de poëzie zijn begaan (of het toch beweren), zullen er geen eersterangs- en tweederangsdichters meer bestaan, maar dichters, goede en minder goede.


Poëzie:

ZEEMEEUW

De breedgebouwde schouderzee
die weemoed draagt in glazen schuiten
en stalwaarts in de regen kruipt;
in haar lucht hijs ik jouw zeemeeuw.

Ik schuif te hoog wellicht de vogel
in de windweg van haar adem;
hij gooit zijn vlerken uit op haar
dijen en bijt een vis in de kuit.

Zie hoe hij slalomt door de lucht
zich een weg geselt tegen wind
en moe gestreden doorgeregend
bakzeil haalt in het warme zand.


AAN ZEE

De stad broedt de zomer uit, mijn kind.
Een late valk slaat de vlerken uit.
En in de verte kirren als vogels
meisjes op de schelpen van de zee.

Een vogel wiekt onhoorbaar naar de zon.
En killer voert de wind een snavel.
Een boot stoot schoorvoetend voorbij.
En kruiers voeren de zomer naar de haven.

De zee zet gretig haar lippen in het strand.
En witveren vogels schillen het schuim
met het scherp van hun vleugels.
En straks staat de kou op uit de helmen.