
Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans
Stichtingsdatum: 1 februari 2007
"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"
"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.
Stichtingsdatum: 1 februari 2007
"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"
"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.
30 november 2008
a short film by hal harley
[geschreven bij het herbekijken van de film The Unbelievable Truth van Hal Hartley]
a short film by hal hartley
zeg zoiets niet tegen me
hoor je niet de blaffende bloesems van de wind
zie je het teken niet op je moeders voorhoofd
de padden die aardbevingen voorspellen
luister kind, jij doet wat van je gevraagd wordt
het vuile water schatert in onze hersenen
de geliefden hebben het traag huilen verleerd
moordenaars weigeren nog langer te boeten
wat weten wij daarvan, wat hoeven wij daarvan te weten
de hotels weten niet meer waar hun hoofd staat
alle dromen hebben het einde van hun drachttijd bereikt
tuinmannen met benen aan hun lijf zijn naar Isfahan gevlucht
kom, opstaan, kinderen! of je komt te laat op school
de torenvalken paren reeds met de duindistels
het ganse jaar is het dag en nacht wintertijd
de wildste gedachten zijn door piraten geënterd
och hou op, zeurpiet, waar heb je het eigenlijk over
onze goden in de bergen zijn de tong uitgerukt
de big bang draait gek in een vicieuze cirkel
kinderen worden zonder ogen en oren geboren
en dan? wat hebben wij daarmee te maken
wij armen van geest en mensen van goede wil
[30 nov. 2008; 2:33]
Eric Rosseel
a short film by hal hartley
zeg zoiets niet tegen me
hoor je niet de blaffende bloesems van de wind
zie je het teken niet op je moeders voorhoofd
de padden die aardbevingen voorspellen
luister kind, jij doet wat van je gevraagd wordt
het vuile water schatert in onze hersenen
de geliefden hebben het traag huilen verleerd
moordenaars weigeren nog langer te boeten
wat weten wij daarvan, wat hoeven wij daarvan te weten
de hotels weten niet meer waar hun hoofd staat
alle dromen hebben het einde van hun drachttijd bereikt
tuinmannen met benen aan hun lijf zijn naar Isfahan gevlucht
kom, opstaan, kinderen! of je komt te laat op school
de torenvalken paren reeds met de duindistels
het ganse jaar is het dag en nacht wintertijd
de wildste gedachten zijn door piraten geënterd
och hou op, zeurpiet, waar heb je het eigenlijk over
onze goden in de bergen zijn de tong uitgerukt
de big bang draait gek in een vicieuze cirkel
kinderen worden zonder ogen en oren geboren
en dan? wat hebben wij daarmee te maken
wij armen van geest en mensen van goede wil
[30 nov. 2008; 2:33]
Eric Rosseel
28 november 2008
"Licht in alle staten!"
Beste ogenmensen, vrienden, collega's,
MARK MEEKERS (“meest bekroonde Vlaamse dichter” / dorpsdichter van DOEL) legt even de pen terzijde en vertaalt zijn poëzie via zijn penseel, onder zijn eigen naam MARCEL RADEMAKERS.
Hij recidiveert. Hij exposeerde in binnen-en buitenland (130 x), was medestichter van de internationale groep Lumen Numen, oprichter van de internationale groep Fusion, artistes peintres du Sud-Ouest (Frankrijk). Kleur, licht, ruimte, natuur, bezinning, het sublieme, lyriek, staan centraal in zijn werk.
Jullie worden uitgenodigd op zijn zevenentwintigste individuele tentoonstelling met een honderdtal werken (verspeid over 4 grote zalen en 4 kamers), o.a. visuele poëzie / woord en beeld / schilderijen / pastels /grafiek en tekeningen.
“LICHT IN ALLE STATEN”
gaat door in het BEK-huis (Bijzondere Weg / Groot Park 3, 3360 Lovenjoel, Bierbeek)
De vernissage met inleiding door FINITA JANSSENS (zaterdag 22 november 2008) heb je gemist, maar je kan de tentoonstelling nog bezoeken op:
zaterdag 29 november: 14.00-18.00 uur
zondag 30 november: 11.00-18.00 uur
zaterdag 6 december: 14.00-18.00 uur
zondag 7 december: 11.00-18.00 uur
Tot kijk,
Mark Meekers / Marcel Rademakers
meer info: www.marcelrademakers.be en www.markmeekers.tripod.com
MARK MEEKERS (“meest bekroonde Vlaamse dichter” / dorpsdichter van DOEL) legt even de pen terzijde en vertaalt zijn poëzie via zijn penseel, onder zijn eigen naam MARCEL RADEMAKERS.
Hij recidiveert. Hij exposeerde in binnen-en buitenland (130 x), was medestichter van de internationale groep Lumen Numen, oprichter van de internationale groep Fusion, artistes peintres du Sud-Ouest (Frankrijk). Kleur, licht, ruimte, natuur, bezinning, het sublieme, lyriek, staan centraal in zijn werk.
Jullie worden uitgenodigd op zijn zevenentwintigste individuele tentoonstelling met een honderdtal werken (verspeid over 4 grote zalen en 4 kamers), o.a. visuele poëzie / woord en beeld / schilderijen / pastels /grafiek en tekeningen.
“LICHT IN ALLE STATEN”
gaat door in het BEK-huis (Bijzondere Weg / Groot Park 3, 3360 Lovenjoel, Bierbeek)
De vernissage met inleiding door FINITA JANSSENS (zaterdag 22 november 2008) heb je gemist, maar je kan de tentoonstelling nog bezoeken op:
zaterdag 29 november: 14.00-18.00 uur
zondag 30 november: 11.00-18.00 uur
zaterdag 6 december: 14.00-18.00 uur
zondag 7 december: 11.00-18.00 uur
Tot kijk,
Mark Meekers / Marcel Rademakers
meer info: www.marcelrademakers.be en www.markmeekers.tripod.com
Thierry Deleu - gedichten
Ontwaken
languit haar naaktheid een preuts gewaad
op haar been een streep geronnen licht
dat zich een weg baant in de kamer
naar lavendel ruiken de lakens
doodstil dit huis in een beginnende regen
de zon schuift haar lichtende ladder uit
op de vleugels van haar ogen
even talmen zij wanneer een wolk
over de heldere ruimte glijdt
nu knipperen ze in het blinkende licht
languit haar handen achter het hoofd
vraagt zij hoe laat het is
Als een jager
Haar gezicht is wit van regen
een vensterglas waartegen mijn mond
proeft proevend het murwe water
dat hoorbaar schuchter huiveren doet.
Zij ziet mij en onze monden beven.
Van geur en kleur, en zinlijk herkennen
hoe ik ree lig voor de overval.
Als een jager in zijn grondgebied.
Ik hoor de schroom van elk sterven.
Met vingers die haar adem stokken
streel ik het dier achter in haar huid.
En zij stuiptrekt voor het geheim.
Na de dageraad
Verwekt uit zoveel handen zachtheid
en zo weinig harde aarde, zij ligt -
aan haar garstige adem slaap ik.
In de rimpels van haar huid brede
sporen van een man, gevlucht voor het
krijsen van een kleine kraai.
Na deze dageraad een nieuw kind
zal zij dragen, als een dracht waaraan
geen liefde vreemd gebleven is.
Ik voel de adems in mijn longen
openstorten. Elke dag, elk uur.
Als ik dit schrijf als een klaaglied,
dat zo weinig woorden weemoed zingt,
ben ik de fallus die zijn zaden plant.
Tot hoorbaar zacht de nacht als een
vogel over onze tempel wiekt.
En het water neemt je naam
De wind ligt languit op de dijk.
In de wolken ruik ik de adem
van het zout en de duinen.
Ik grijp de zon in het water
en giet haar uit over hoofd en hals.
Het zieke dier huivert in mijn
bloeiende heup - als regen op riet.
In het zand dat mijn voetstap draagt,
schrijf ik jou ten voeten uit.
En het water neemt je naam.
In het bange handgeklap
van een vogel hoor ik onweer.
Liefde
Voorzichtiger dan vlinders strijken
mijn lippen op je schouders neer.
Zo-even weer. Als het sneeuwen
van meeuwen op de wiegende zee.
Liefde is huiver. En gulzigheid.
Van mond en tanden, krauw en beet
en tederheid van vogelveren.
Liefde is ook jagen, prinses,
op de katten in je ogen,
op de welpen in je enkels,
de springgazellen van je geest.
Liefde vernietigt niet, prinses.
Haar prooi wordt meesteres,
mijn roede haar trouw reptiel.
Liefde is elk uur als de duur
van een vlam tussen rook en as.
Het ontwaken
Langs een ladder van zon huiverend
sijpelt het licht de kamer in.
Zij glimlacht vaag en rekt zich uit,
haar zilte haar berijmd als loof.
Zacht als een marmot om te strelen,
haar huid mooier dan de rankste ree.
Ik proef de wijnen van haar bloed,
De geurende amber van haar leden.
In het nachtwoud van haar haar
fluister ik gedichten en gebeden.
Mijn hand glijdt naar haar schoot
en loopt verrukt haar lichaam in.
Zij smacht nu onder de dekens,
ik ben te laken, te loef, te lij,
verstrooi in reeksen kreten
de huiver van haar kleine meeuwen.
Ik leg het oor
Ik leg het oor op haar buik
en laat er rauwe bloemen achter,
eerst sneeuwklokjes, dan anemonen,
speenkruid en klaverzuring.
Haar buik een nest jonge eenden
peddelend in het dikke water.
Ik druk mijn stethoscoop tussen
de sleutelbloemen en viooltjes.
In haar heupen voel ik vogel
en vleugels beven als een riet.
Tussen haar oevers slijm is het
water dat zich traag beweegt.
Avontuur
In ‘t welig kruid van je huid ik
strijk neer en fluit van zotte vreugd
het lied van onze zondeval.
Een specht speelt solo op je dij.
En als water kirren duiven
onder de bloesems van je gezicht.
De knoppen van je borsten gloeien,
als je openbloeit een explosie
zo snel in de palm van mijn hand.
Een avontuur in jou te klimmen,
vol van zang en dol van zinnen,
maar als in hout letters kerven,
die je ook later ziet, kan ik niet.
Morgen fluit ik licht een ander lied.
Aan het water
De kleur van gras ben ik vergeten.
Zij kent de geur van hooi, de smaak
van water, het waaien van het riet.
Zij rekt zich uit als een konijn,
belust op 't zwoele minnespelen.
Ik vlij mij neer op 't slanke dier,
dat wuft en warm mij drijft naar
't wassend wier waarin mijn vinger sluit.
Aan de dode arm van de rivier
spreidt zij onbeschroomd gedwee
de twee verhalen van haar benen.
En de zon leest zich de ogen uit.
Wepele meeuw
Ik leg mijn oor in het zand en hoor
de zee zo-even aanstoot gevend.
De wind ontwaakt en gaat liggen
onachtzaam op zijn andere zij.
Met ringen van wier om de enkels,
zij voert de zee aan in mijn hemd,
in haar hand een wepele meeuw.
Zacht sluit haar mond mijn woorden af.
Ik proef het zout op haar lippen,
voel de storm groeien in mijn buik.
Heerlijk de liefde bedrijvend
als de zee aan haar lichaam kleeft.
In het duin
Met de veroveraarblik van
een kind op zijn hobbelpaard
maak ik jacht op de vlinder
tussen haar lippen gespeet
zijn vleugels beven als riet
als ik haar traag bevinger
stil en van goeden huize
verzwijg ik wat niet eerbaar is.
In het duin proeven wij na
van knappend brood kaas en wijn
als verfijnde dieren hebben
wij ons uit het zicht gelegd.
Een zomer in de Moeren
Een zomer in de Moeren
aan de bocht van Cabourg
tussen broek en schote
land van koolzaad en rapen
zij vlijt zich neer prooi
lenig dier dat half opgericht
mij zoent in tegenlicht
onder navel en lenden.
Ik verstijf tot pagode
op deze binnenduin
stokebrand geuzenstorm
Seinemolen zonder wieken.
Als zij openwaait delta
van genot moeras onderkomen
voel ik het koolwitje
beven in haar heup.
Zonsopgang
Haar oor tegen mijn wang aan
op een grasspriet van het water
in verwondering kijken hoe
een waaier van pasteltinten
verkleurt van verwaterd groen
naar dieproze - zonsopgang
als een koperen bol spat
de nieuwe dag open overgiet
de natuur met verblindend licht
een kraai verbazend dicht
schaterlacht de stilte open.
Behoedzaam knoop ik de bloemen
van haar katoenen jurkje los
waar zij is uitgegroeid.
De geur van verse koemest
prikkelt onze zinnen.
Beeldenstorm
Vluchtende monniken dansende
monniken witte benen
tussen reikhalzende schapen
die als juffers opgejaagd
over het plein tippelen.
In bruinharen pijen gehuld
hun kappen vallen als maskers
van hun kruinen lopen zij
de dieren voor de voeten.
Kreunend uit haar acht hoeken
luidt de klok de beeldenstorm.
De bliksem slaat in de oppers
de boeren met heiligenbeelden
onder de arm verdwijnen
in hun houten huizen.
De herder fluit op zijn vingers
over de heuvelkam blaft
de hond zijn schapen bijeen.
Op enkele vamen vandaan
dring ik in jou als halewijn.
(Lavaudieu)
Vinkem op de Schreve
Ik heb op zijn Frans gemind
in dit koninklijk bordeel
Vinkem op de Schreve.
Sedert is zij in al mijn
zinnen vrouwe Camelot
teugel van mijn Pegasus.
Haar huid zit om de perzik
in mijn hand het parfum
van haar lichaam hangt in
de lucht die ik adem.
In de wiekslag van een meeuw
hoor ik haar schaterlach.
Zij is mijn evangelium
geen vrucht smelt in mijn mond
of ik denk aan haar.
Vinkem op de Schreve.
Sint-Flora
Wij snuffelen de berm op
in de wei liggen schapen
uit de hemel gevallen
meteorieten een reiger
komt aan de einder neer.
Zij ruikt naar pas gemaaid gras
haar lippen beginnende dauw
dauwdraden waaraan vlinders
zinderen. Ik voel hun vleugels
trillen als zij kreunend
openbarst haar schoot mijn
bloeiende dood. De aarde
duizelt als wij huistoe
schrijden een paard met kar
schudt als een natte poedel
de geluiden van zich af.
Een ootje verbazing
De zomer is voorbij
en de raten rijk
ik ruik honger en honig
een bleekgroene zon
met sluikhaar kijkt
door de beginnende regen
ik loop dicht naast haar
zij rilt het afgeworpen
water dwarrelt neer
met haar duim wrijft ze
de laatste druppels uit
haar navel haar borstjes
spannen als een b.h.
ze heeft gezwollen voetjes
op haar dunne mond
een ootje verbazing.
Als ik aan land ga
In gespreide slagorde
voert zij haar oorlog
eeuwig zwanger zijn
van haar grote koning
zij lacht als op een party
haar buik de zee die ik
bevaar onder piratenvlag.
Als ik aan land ga
in haar hoogrankende delta
staat mijn schip op het spel
de meeuwen slaan
aan 't muiten.
Vlinders
De vlinders in je buik
vliegen uit prikken
zich op jouw topje
naast een tepel wepel
fladderen hun vleugels
krijgen alle kleuren
van de regenboog
het oog wordt verwend
tot ineens de vlinders
zijn verdwenen zo vergaat
het verliefdheden
zo hevig kort van duur.
Brief aan Hélène
Hélène hitsige maagd op kousenvoetjes
de lange puntstaart van je kornet
krult zich over je rug kwispelt over
de grond gekrulde fallus in erectie
zachte stokebrand zet de tobbe uit
hits het water op prikkel mijn zinnen
schrob mijn knoken hard mijn eikel
kom wijdbeens over dat ik oprollen kan
je kleed tot aan je lenden schouwspel
cinema in geuren en kleuren en
als ik oprijs tsunami zoen ik jou
als een ontdekkingsreiziger
roep Amerika en vaar landinwaarts
voorbij de klippen je baai binnen
de zon steekt het water schuimkopt
jij koert en kirt ik gier van pret.
Thierry Deleu
languit haar naaktheid een preuts gewaad
op haar been een streep geronnen licht
dat zich een weg baant in de kamer
naar lavendel ruiken de lakens
doodstil dit huis in een beginnende regen
de zon schuift haar lichtende ladder uit
op de vleugels van haar ogen
even talmen zij wanneer een wolk
over de heldere ruimte glijdt
nu knipperen ze in het blinkende licht
languit haar handen achter het hoofd
vraagt zij hoe laat het is
Als een jager
Haar gezicht is wit van regen
een vensterglas waartegen mijn mond
proeft proevend het murwe water
dat hoorbaar schuchter huiveren doet.
Zij ziet mij en onze monden beven.
Van geur en kleur, en zinlijk herkennen
hoe ik ree lig voor de overval.
Als een jager in zijn grondgebied.
Ik hoor de schroom van elk sterven.
Met vingers die haar adem stokken
streel ik het dier achter in haar huid.
En zij stuiptrekt voor het geheim.
Na de dageraad
Verwekt uit zoveel handen zachtheid
en zo weinig harde aarde, zij ligt -
aan haar garstige adem slaap ik.
In de rimpels van haar huid brede
sporen van een man, gevlucht voor het
krijsen van een kleine kraai.
Na deze dageraad een nieuw kind
zal zij dragen, als een dracht waaraan
geen liefde vreemd gebleven is.
Ik voel de adems in mijn longen
openstorten. Elke dag, elk uur.
Als ik dit schrijf als een klaaglied,
dat zo weinig woorden weemoed zingt,
ben ik de fallus die zijn zaden plant.
Tot hoorbaar zacht de nacht als een
vogel over onze tempel wiekt.
En het water neemt je naam
De wind ligt languit op de dijk.
In de wolken ruik ik de adem
van het zout en de duinen.
Ik grijp de zon in het water
en giet haar uit over hoofd en hals.
Het zieke dier huivert in mijn
bloeiende heup - als regen op riet.
In het zand dat mijn voetstap draagt,
schrijf ik jou ten voeten uit.
En het water neemt je naam.
In het bange handgeklap
van een vogel hoor ik onweer.
Liefde
Voorzichtiger dan vlinders strijken
mijn lippen op je schouders neer.
Zo-even weer. Als het sneeuwen
van meeuwen op de wiegende zee.
Liefde is huiver. En gulzigheid.
Van mond en tanden, krauw en beet
en tederheid van vogelveren.
Liefde is ook jagen, prinses,
op de katten in je ogen,
op de welpen in je enkels,
de springgazellen van je geest.
Liefde vernietigt niet, prinses.
Haar prooi wordt meesteres,
mijn roede haar trouw reptiel.
Liefde is elk uur als de duur
van een vlam tussen rook en as.
Het ontwaken
Langs een ladder van zon huiverend
sijpelt het licht de kamer in.
Zij glimlacht vaag en rekt zich uit,
haar zilte haar berijmd als loof.
Zacht als een marmot om te strelen,
haar huid mooier dan de rankste ree.
Ik proef de wijnen van haar bloed,
De geurende amber van haar leden.
In het nachtwoud van haar haar
fluister ik gedichten en gebeden.
Mijn hand glijdt naar haar schoot
en loopt verrukt haar lichaam in.
Zij smacht nu onder de dekens,
ik ben te laken, te loef, te lij,
verstrooi in reeksen kreten
de huiver van haar kleine meeuwen.
Ik leg het oor
Ik leg het oor op haar buik
en laat er rauwe bloemen achter,
eerst sneeuwklokjes, dan anemonen,
speenkruid en klaverzuring.
Haar buik een nest jonge eenden
peddelend in het dikke water.
Ik druk mijn stethoscoop tussen
de sleutelbloemen en viooltjes.
In haar heupen voel ik vogel
en vleugels beven als een riet.
Tussen haar oevers slijm is het
water dat zich traag beweegt.
Avontuur
In ‘t welig kruid van je huid ik
strijk neer en fluit van zotte vreugd
het lied van onze zondeval.
Een specht speelt solo op je dij.
En als water kirren duiven
onder de bloesems van je gezicht.
De knoppen van je borsten gloeien,
als je openbloeit een explosie
zo snel in de palm van mijn hand.
Een avontuur in jou te klimmen,
vol van zang en dol van zinnen,
maar als in hout letters kerven,
die je ook later ziet, kan ik niet.
Morgen fluit ik licht een ander lied.
Aan het water
De kleur van gras ben ik vergeten.
Zij kent de geur van hooi, de smaak
van water, het waaien van het riet.
Zij rekt zich uit als een konijn,
belust op 't zwoele minnespelen.
Ik vlij mij neer op 't slanke dier,
dat wuft en warm mij drijft naar
't wassend wier waarin mijn vinger sluit.
Aan de dode arm van de rivier
spreidt zij onbeschroomd gedwee
de twee verhalen van haar benen.
En de zon leest zich de ogen uit.
Wepele meeuw
Ik leg mijn oor in het zand en hoor
de zee zo-even aanstoot gevend.
De wind ontwaakt en gaat liggen
onachtzaam op zijn andere zij.
Met ringen van wier om de enkels,
zij voert de zee aan in mijn hemd,
in haar hand een wepele meeuw.
Zacht sluit haar mond mijn woorden af.
Ik proef het zout op haar lippen,
voel de storm groeien in mijn buik.
Heerlijk de liefde bedrijvend
als de zee aan haar lichaam kleeft.
In het duin
Met de veroveraarblik van
een kind op zijn hobbelpaard
maak ik jacht op de vlinder
tussen haar lippen gespeet
zijn vleugels beven als riet
als ik haar traag bevinger
stil en van goeden huize
verzwijg ik wat niet eerbaar is.
In het duin proeven wij na
van knappend brood kaas en wijn
als verfijnde dieren hebben
wij ons uit het zicht gelegd.
Een zomer in de Moeren
Een zomer in de Moeren
aan de bocht van Cabourg
tussen broek en schote
land van koolzaad en rapen
zij vlijt zich neer prooi
lenig dier dat half opgericht
mij zoent in tegenlicht
onder navel en lenden.
Ik verstijf tot pagode
op deze binnenduin
stokebrand geuzenstorm
Seinemolen zonder wieken.
Als zij openwaait delta
van genot moeras onderkomen
voel ik het koolwitje
beven in haar heup.
Zonsopgang
Haar oor tegen mijn wang aan
op een grasspriet van het water
in verwondering kijken hoe
een waaier van pasteltinten
verkleurt van verwaterd groen
naar dieproze - zonsopgang
als een koperen bol spat
de nieuwe dag open overgiet
de natuur met verblindend licht
een kraai verbazend dicht
schaterlacht de stilte open.
Behoedzaam knoop ik de bloemen
van haar katoenen jurkje los
waar zij is uitgegroeid.
De geur van verse koemest
prikkelt onze zinnen.
Beeldenstorm
Vluchtende monniken dansende
monniken witte benen
tussen reikhalzende schapen
die als juffers opgejaagd
over het plein tippelen.
In bruinharen pijen gehuld
hun kappen vallen als maskers
van hun kruinen lopen zij
de dieren voor de voeten.
Kreunend uit haar acht hoeken
luidt de klok de beeldenstorm.
De bliksem slaat in de oppers
de boeren met heiligenbeelden
onder de arm verdwijnen
in hun houten huizen.
De herder fluit op zijn vingers
over de heuvelkam blaft
de hond zijn schapen bijeen.
Op enkele vamen vandaan
dring ik in jou als halewijn.
(Lavaudieu)
Vinkem op de Schreve
Ik heb op zijn Frans gemind
in dit koninklijk bordeel
Vinkem op de Schreve.
Sedert is zij in al mijn
zinnen vrouwe Camelot
teugel van mijn Pegasus.
Haar huid zit om de perzik
in mijn hand het parfum
van haar lichaam hangt in
de lucht die ik adem.
In de wiekslag van een meeuw
hoor ik haar schaterlach.
Zij is mijn evangelium
geen vrucht smelt in mijn mond
of ik denk aan haar.
Vinkem op de Schreve.
Sint-Flora
Wij snuffelen de berm op
in de wei liggen schapen
uit de hemel gevallen
meteorieten een reiger
komt aan de einder neer.
Zij ruikt naar pas gemaaid gras
haar lippen beginnende dauw
dauwdraden waaraan vlinders
zinderen. Ik voel hun vleugels
trillen als zij kreunend
openbarst haar schoot mijn
bloeiende dood. De aarde
duizelt als wij huistoe
schrijden een paard met kar
schudt als een natte poedel
de geluiden van zich af.
Een ootje verbazing
De zomer is voorbij
en de raten rijk
ik ruik honger en honig
een bleekgroene zon
met sluikhaar kijkt
door de beginnende regen
ik loop dicht naast haar
zij rilt het afgeworpen
water dwarrelt neer
met haar duim wrijft ze
de laatste druppels uit
haar navel haar borstjes
spannen als een b.h.
ze heeft gezwollen voetjes
op haar dunne mond
een ootje verbazing.
Als ik aan land ga
In gespreide slagorde
voert zij haar oorlog
eeuwig zwanger zijn
van haar grote koning
zij lacht als op een party
haar buik de zee die ik
bevaar onder piratenvlag.
Als ik aan land ga
in haar hoogrankende delta
staat mijn schip op het spel
de meeuwen slaan
aan 't muiten.
Vlinders
De vlinders in je buik
vliegen uit prikken
zich op jouw topje
naast een tepel wepel
fladderen hun vleugels
krijgen alle kleuren
van de regenboog
het oog wordt verwend
tot ineens de vlinders
zijn verdwenen zo vergaat
het verliefdheden
zo hevig kort van duur.
Brief aan Hélène
Hélène hitsige maagd op kousenvoetjes
de lange puntstaart van je kornet
krult zich over je rug kwispelt over
de grond gekrulde fallus in erectie
zachte stokebrand zet de tobbe uit
hits het water op prikkel mijn zinnen
schrob mijn knoken hard mijn eikel
kom wijdbeens over dat ik oprollen kan
je kleed tot aan je lenden schouwspel
cinema in geuren en kleuren en
als ik oprijs tsunami zoen ik jou
als een ontdekkingsreiziger
roep Amerika en vaar landinwaarts
voorbij de klippen je baai binnen
de zon steekt het water schuimkopt
jij koert en kirt ik gier van pret.
Thierry Deleu
27 november 2008
Hannie Rouweler - gedicht
TODAY
Today it’s Thursday and
gladly I have nothing to do.
I may become again a poet -
taking away clothes for the closet
I might come up with some superior lines:
we are like wild flowers
in the borders of time,
to me you are the only song
I like to hear every day.
Soon I’ll lie down on the sofa.
In dreams I find back sweet things from
earlier times. All steps will lead to the same road
coming home, leaving again for a place
where it’s always Thursday, like it is today.
(HR)
Draft translation
VANDAAG
Vandaag is het donderdag en
heb ik gelukkig niets te doen.
Ik mag weer dichter zijn,
bij het opruimen van kleding
een hoogstaande regel bedenken:
we zijn als fluitenkruid
in de bermen van de tijd,
jij bent voor mij het enige muziekje
dat ik elke dag wil horen.
Zodadelijk leg ik me op de bank.
In dromen vind ik veel lieve dingen van vroeger
terug. Alle stappen leiden naar dezelfde weg
je komt thuis en vertrekt naar een oord
waar het altijd donderdag is, zoals vandaag.
(HR)
Today it’s Thursday and
gladly I have nothing to do.
I may become again a poet -
taking away clothes for the closet
I might come up with some superior lines:
we are like wild flowers
in the borders of time,
to me you are the only song
I like to hear every day.
Soon I’ll lie down on the sofa.
In dreams I find back sweet things from
earlier times. All steps will lead to the same road
coming home, leaving again for a place
where it’s always Thursday, like it is today.
(HR)
Draft translation
VANDAAG
Vandaag is het donderdag en
heb ik gelukkig niets te doen.
Ik mag weer dichter zijn,
bij het opruimen van kleding
een hoogstaande regel bedenken:
we zijn als fluitenkruid
in de bermen van de tijd,
jij bent voor mij het enige muziekje
dat ik elke dag wil horen.
Zodadelijk leg ik me op de bank.
In dromen vind ik veel lieve dingen van vroeger
terug. Alle stappen leiden naar dezelfde weg
je komt thuis en vertrekt naar een oord
waar het altijd donderdag is, zoals vandaag.
(HR)
Gedicht Albert Hagenaars
IMPASSE VERLAINE
Heb je hier gewoond Paul, in het eind
van deze steeg, en je gewenteld en vernederd
op het kruis van taal en vlees?
Ja, dit was jouw domein. Vrouwloos
maar met de adder in je hoofd droomde je je
hier tussen de gepolitoerde coulissen van je tijd.
Opschoon diep verscholen in die ene,
al te mooie jeugd, weet ik: jouw liederen
over liefde en verraad zijn die van ieder.
Daarom Paul, volg ook ik het dalend stadspad,
en bid en zing, liederlijk, au vent mauvais, tot
door het gouden vlies van de eigen impasse.
Albert Hagenaars
Heb je hier gewoond Paul, in het eind
van deze steeg, en je gewenteld en vernederd
op het kruis van taal en vlees?
Ja, dit was jouw domein. Vrouwloos
maar met de adder in je hoofd droomde je je
hier tussen de gepolitoerde coulissen van je tijd.
Opschoon diep verscholen in die ene,
al te mooie jeugd, weet ik: jouw liederen
over liefde en verraad zijn die van ieder.
Daarom Paul, volg ook ik het dalend stadspad,
en bid en zing, liederlijk, au vent mauvais, tot
door het gouden vlies van de eigen impasse.
Albert Hagenaars
New narcism!
HOTEL NEW FLANDRES:
een staaltje van NEW NARCISM
Hoewel het initiatief wat mij betreft in orde is om de Vlaamse Poëzie apart te zetten, en in de bloemetjes, vind ik de verantwoording (voorin het boek) eng en beklemmend: allereerst vind ik het getuigen van een verregaande arrogantie in waardebepaling van de hedendaagse Vlaamse poëzie om dichters in te delen in sterren: wie bij de categorie 1 ster of 4 sterren behoort.
Alsof we in een restaurant aan tafel gaan. Een degradatie van wat poëzie eigenlijk is.
Het is zelfs lachwekkend zodat ik hoop dat heel snel weer een verstandige Nederlandse bloemlezer zich gaat bezighouden met bloemlezingen, waarbij ook de Vlaamse poëzie betrokken is, zoals wel vaker. Hiervan zijn talloze voorbeelden.
Voor het goede doel: terwijl in Nederland nieuwe, jonge uitgevers bijna als paddenstoelen uit de grond schieten de laatste jaren, gebeurt in Vlaanderen helemaal niets. Nada, niente.
Al jarenlang is er een grote uitloop van Vlaams talent en Vlaamse dichters naar het Noorden, en daar zal wellicht een goede reden voor zijn. In Vlaanderen gebeurt namelijk niets. Al tiental jaren is er geen nieuws te ontdekken aan nieuwe literatuur uitgevers en stagneert de boel, en blijft alles zoals het was: niets nieuws.
De bloemlezers zijn hevig op zoek naar dichters die bijgedragen hebben aan de ontwikkelingen en vernieuwingen. Men zou beginnen met de hand in eigen boezem te steken en te onderzoeken wat de oorzaken zijn van zoveel stagnatie op alle terreinen in de Vlaamse dichtkunst en uitgeverswereld. Dichters die zich tegenwoordig willen vernieuwen: ze pakken allemaal hun koffers en verhuizen naar Amsterdam, Utrecht, Groningen.
Hotel New Flandres is een mooi boek, met veel tekortkomingen. Er ontbreekt een flink aantal dichteressen, uit België, die de laatste jaren een bundel gepubliceerd hebben. De selectie is weer typisch mannenwerk geweest. Geen vrouw behoort tot het selectie team wat ik wel heel vreemd en ouderwets vind anno 2008. In Nederland is dat gelukkig heel wat beter. Daarnaast ook een ongelijkheid in keuze: van sommige dichters zijn zeer veel verzen opgenomen, waarvan ik me afvraag wat de reden hiervan is. Van andere dichters is te weinig werk opgenomen.
Ik hoop dat spoedig in de andere helft van de Lage Landen hier een passend antwoord op komt en mij lijkt het beter om Gerrit Komrij weer in actie te zetten, om een dwarsstraat te noemen. Hij zal niet alleen Nederlandse dichters kiezen, maar denkt ook aan Vlaamse dichters.
Lange leve de Poëzie in Vlaanderen, eiland en zelfgekozen verbanning, zonder Nederland! Ben benieuwd wat hierna gebeurt.
Hannie Rouweler, Diepenbeek
(Vlaams Limburg)
een staaltje van NEW NARCISM
Hoewel het initiatief wat mij betreft in orde is om de Vlaamse Poëzie apart te zetten, en in de bloemetjes, vind ik de verantwoording (voorin het boek) eng en beklemmend: allereerst vind ik het getuigen van een verregaande arrogantie in waardebepaling van de hedendaagse Vlaamse poëzie om dichters in te delen in sterren: wie bij de categorie 1 ster of 4 sterren behoort.
Alsof we in een restaurant aan tafel gaan. Een degradatie van wat poëzie eigenlijk is.
Het is zelfs lachwekkend zodat ik hoop dat heel snel weer een verstandige Nederlandse bloemlezer zich gaat bezighouden met bloemlezingen, waarbij ook de Vlaamse poëzie betrokken is, zoals wel vaker. Hiervan zijn talloze voorbeelden.
Voor het goede doel: terwijl in Nederland nieuwe, jonge uitgevers bijna als paddenstoelen uit de grond schieten de laatste jaren, gebeurt in Vlaanderen helemaal niets. Nada, niente.
Al jarenlang is er een grote uitloop van Vlaams talent en Vlaamse dichters naar het Noorden, en daar zal wellicht een goede reden voor zijn. In Vlaanderen gebeurt namelijk niets. Al tiental jaren is er geen nieuws te ontdekken aan nieuwe literatuur uitgevers en stagneert de boel, en blijft alles zoals het was: niets nieuws.
De bloemlezers zijn hevig op zoek naar dichters die bijgedragen hebben aan de ontwikkelingen en vernieuwingen. Men zou beginnen met de hand in eigen boezem te steken en te onderzoeken wat de oorzaken zijn van zoveel stagnatie op alle terreinen in de Vlaamse dichtkunst en uitgeverswereld. Dichters die zich tegenwoordig willen vernieuwen: ze pakken allemaal hun koffers en verhuizen naar Amsterdam, Utrecht, Groningen.
Hotel New Flandres is een mooi boek, met veel tekortkomingen. Er ontbreekt een flink aantal dichteressen, uit België, die de laatste jaren een bundel gepubliceerd hebben. De selectie is weer typisch mannenwerk geweest. Geen vrouw behoort tot het selectie team wat ik wel heel vreemd en ouderwets vind anno 2008. In Nederland is dat gelukkig heel wat beter. Daarnaast ook een ongelijkheid in keuze: van sommige dichters zijn zeer veel verzen opgenomen, waarvan ik me afvraag wat de reden hiervan is. Van andere dichters is te weinig werk opgenomen.
Ik hoop dat spoedig in de andere helft van de Lage Landen hier een passend antwoord op komt en mij lijkt het beter om Gerrit Komrij weer in actie te zetten, om een dwarsstraat te noemen. Hij zal niet alleen Nederlandse dichters kiezen, maar denkt ook aan Vlaamse dichters.
Lange leve de Poëzie in Vlaanderen, eiland en zelfgekozen verbanning, zonder Nederland! Ben benieuwd wat hierna gebeurt.
Hannie Rouweler, Diepenbeek
(Vlaams Limburg)
De beste dichters van het land ?
De beste dichters van het land
Enny de Bruijn
Eigenlijk ben ik niet zo’n poëzielezer. Gedichten zijn moeilijk, je moet er lang over nadenken, peinzen, mediteren. En begrijp je dan wat er staat? Vergeet het maar. Toch zit ik nu ineens met drie prachtige gedichtenbloemlezingen in handen. Een met de honderd mooiste gedichten over „geloof en inspiratie.” Een met christelijke poëzie van de afgelopen halve eeuw. En een met de tachtig beste gedichten uit de hele Nederlandse literatuur. Daar zou ik toch ten minste tien jaar mee toe moeten kunnen.
Het allermooiste boek van deze drie mooie boeken is Lyriek van de Lage Landen, samengesteld door Paul Claes. Helemaal inspelend op de nieuwste trend om van alle terreinen van het leven een canon samen te stellen. We beschikken inmiddels over een canon van de geschiedenis, van de religiegeschiedenis, van de filosofie en van de literatuur - om nog maar te zwijgen van plaatselijke canons of refocanons. Alleen een canon van de Nederlandse poëzie, die hadden we nog niet, en daar heeft Paul Claes ons nu aan geholpen.
Traditie Voor deze prachtig vormgegeven bundel - kloek formaat, gebonden, leeslint, rustige letter, grote kleurenillustraties- past maar één woord: indrukwekkend. Het boek bevat slechts hoogtepunten, en dat levert een groot feest van herkenning op. Het lied van Heer Halewijn, het hofje van Suster Bertken, de moerbeitoppen van Beets, de witte waterlelie van Van Eeden, de befloersde trom van Bilderdijk, de Dapperstraat van Bloem, de tuinman van Van Eyck.
Het boek eindigt met dichters als Lucebert, Hanlo, Claus en Harmsen van Beek. Iedereen die ná 1930 geboren is komt niet in aanmerking, omdat „de selectie van de actuele lyriek nog volop aan de gang is.” Met andere woorden: Hagar Peeters, Ilja Leonard Pfeijffer en Gerrit Komrij moeten eerst nog maar eens bewijzen dat ze de tijd doorstaan, dat ze passen in het lijstje van Vondel (Constantijntje, ’t zaligh kijntje), Revius (’t En zijn de Joden niet), Gorter (Zie je, ik hou van je), Gossaert (Hij sprak en zeide), Nijhoff (Ik ging naar Bommel om de brug te zien), Slauerhoff (Alleen in mijn gedichten kan ik wonen) en Marsman (Denkend aan Holland). Een enkele keer denk je: Waarom dít gedicht van Achterberg of Kloos, en niet een ander? Maar dat denk je niet vaak.
De samensteller beoefent een beproefd stramien: mooi portret van de dichter, liefst in kleur, met een korte typering van leven en werk, daarna het gedicht met toelichting en eventueel woordverklaring. Er zijn ook beknopte inleidingen op de verschillende perioden uit de literatuurgeschiedenis. Niet te lang, niet te kort, niet omstreden en niet vernieuwend. Soms een beetje al te traditioneel, bijvoorbeeld in de typering van de achttiende eeuw, toen de burgerij volgens Claes „verviel tot zelfgenoegzaamheid” en de lyriek van de renaissance „verwaterde (…) tot de huisvlijt van het classicisme.” Dat zijn toch opvattingen die slechts in oude en verouderde literatuurgeschiedenissen terug te vinden zijn.
Niettemin: een geweldig boek vol topgedichten. Een boek voor het onderwijs, voor bevlogen leraren die hun leerlingen de grote poëzie uit de traditie willen meegeven. Maar ook een boek voor gewone lezers, voor iedereen die ooit getroffen is geweest door zo’n regel die hem éven buiten zijn gewone bestaan plaatste en de dingen met andere ogen liet zien. „Bestijg den trein nooit zonder uw valies van dromen” - zo’n regel.
Waar Claes ophoudt, beginnen de twee andere bundels, die bovendien de specifiek-religieuze poëzie tot onderwerp hebben. Niet dat Claes daar geen aandacht voor heeft, integendeel, de christelijk en calvinistisch getoonzette gedichten zijn bij hem rijkelijk vertegenwoordigd. Maar zijn selectie is uit de aard der zaak breder; de canon beperkt zich nu eenmaal niet tot christelijke poëzie.
Symbolen worden tot cimbalen heet de bloemlezing met honderd gedichten over „geloof en inspiratie.” Bijna dezelfde titel als die van een vergelijkbare bloemlezing van acht jaar geleden. Samensteller Abeltje Hogenkamp komt tijdens haar zoektocht uit bij dichters als Martinus Nijhoff, Ida Gerhardt, Gerrit Achterberg, Willem Jan Otten, Huub Oosterhuis, Marjoleine de Vos. Er zit zelfs hier en daar een historisch versje tussen, van Luyken, of Huygens. Het is een aardig boekje geworden, met mooie gedichten, maar als je voor slechts een tientje extra een dubbel zo dik standaardwerk met leeslintje kunt kopen… Dan zal de inhoud toch de doorslag moeten geven. In elk geval bevat deze bloemlezing gemiddeld (zeg: per tien bladzijden gemeten) iets minder toppoëzie dan Lyriek van de Lage Landen, maar meer dan Brandaan van de christelijke poëzie.
Die Brandaan heeft dan ook een ander doel. Het boek wil geen top tachtig of top honderd geven, maar een uitvoerig overzicht bieden van de christelijke poëzie (hier opgevat als: werk van christelijke dichters) van de laatste vijftig jaar. Logisch dat niet elke bladzijde het niveau van de canon haalt - al is de kwaliteit ook hier hoog.
Samensteller Rien van den Berg moet bergen gedichten gelezen hebben, van Gerrit Achterberg tot Rikkert Zuiderveld, van Jaap Zijlstra tot Michel van der Plas. Heel prominent in de bloemlezing aanwezig is Willem Barnard, onbetwist de grootste christendichter van het moment. Al die namen geven tussen de regels door al iets aan van Van den Bergs meetlat: hij kijkt naar kwalitatief hoogwaardige poëzie, die best tegendraads of omstreden mag zijn, die een christelijk publiek zelfs af en toe schokken mag. Hier niet zozeer mooie, vertrouwde klanken als wel heftig aandoende, existentiële poëzie.
Nel Benschop Rijk vertegenwoordigd zijn de dichters die zich rond het tijdschrift Liter bewegen (vroeger Woordwerk en Bloknoot): Menno van der Beek, Henk Knol, Hilbrand Rozema, Harmen Wind, Koos Geerds, Juliën Holtrigter, Lenze Bouwers enzovoort. Dat is natuurlijk niet onterecht, want er zijn verzen van hun hand die het in zich hebben om klassiek te worden: De koe moest baren van Koos Geerds, Jaël van Menno van der Beek, Abri van Henk Knol, ”Eindaugustuswind” van Willem Jan Otten, om maar wat te noemen.
Toch kun je je afvragen: slechts één gedicht van de grote Martinus Nijhoff in zijn nadagen, en drie, vier, vijf stuks van Jan de Bas, Ria Borkent, Jaap Zijlstra? En andersom: waarom niet meer aandacht voor pastorale poëzie in een overzichtsbundel van de christelijke poëzie? In de historische letterkunde is de laatste twintig, dertig jaar meer en meer de trend om juist allerlei dichters uit de ’lagere’ cultuur voor het voetlicht te halen. De grenzen tussen hoog en laag worden minder scherp, en wie een cultuur echt in beeld wil brengen, kan niet om de populaire dichters heen.
Die keus heeft Rien van den Berg echter niet gemaakt, en dat is natuurlijk zijn goed recht als bloemlezer. Toch vind ik, zelfs als ’hoge’ literatuur de norm is, dat iemand als Nel Benschop aandacht zou verdienen. Niet dat elk gedicht van haar even goed is, maar er zijn er toch bij die de toets der kritiek prima kunnen doorstaan. Waarom zouden tamelijk marginale verzen van Sergej Visser en Theo Coenraads wél een plekje moeten krijgen en deze uiterst invloedrijke dichteres niet?
Maar dat is natuurlijk de kritiek die elke bloemlezing altijd ten deel valt: waarom déze keuzes, waarom geen andere? Iedere recensent zou het anders doen, dat spreekt vanzelf. Het laat echter onverlet dat er genoeg moois te vinden valt in deze Brandaan van de christelijke poëzie - een fraai klassiek vormgegeven standaardwerk waar geen onderzoeker voortaan omheen kan.
Bovendien: een bloemlezing moet toch vooral op het gebruik worden afgerekend. Niemand leest zo’n boek achter elkaar uit. Het gaat bij kleine stukjes tegelijk. Eén gedicht voor het slapengaan, meer niet. Je bladert een beetje, en dan vind je zomaar een juweeltje. Eén regel kan genoeg zijn.
N.a.v. Lyriek van de Lage Landen. De canon in tachtig gedichten, ed. Paul Claes; uitg. De Bezige Bij, Amsterdam, 2008; ISBN 978 90 234 3288 3; 312 blz.; € 24,90;
Symbolen worden tot cimbalen. De honderd mooiste Nederlandse gedichten over geloof en inspiratie, ed. Abeltje Hogenkamp; uitg. Prometheus, Amsterdam, 2008; ISBN 978 90 446 1201 1; 204 blz.; € 15,-;
Brandaan van de christelijke poëzie, ed. Rien van den Berg; uitg. Brandaan, Barneveld, 2008; ISBN 978 94 6005 001 5; 368 blz.; € 25,-.
Enny de Bruijn
Eigenlijk ben ik niet zo’n poëzielezer. Gedichten zijn moeilijk, je moet er lang over nadenken, peinzen, mediteren. En begrijp je dan wat er staat? Vergeet het maar. Toch zit ik nu ineens met drie prachtige gedichtenbloemlezingen in handen. Een met de honderd mooiste gedichten over „geloof en inspiratie.” Een met christelijke poëzie van de afgelopen halve eeuw. En een met de tachtig beste gedichten uit de hele Nederlandse literatuur. Daar zou ik toch ten minste tien jaar mee toe moeten kunnen.
Het allermooiste boek van deze drie mooie boeken is Lyriek van de Lage Landen, samengesteld door Paul Claes. Helemaal inspelend op de nieuwste trend om van alle terreinen van het leven een canon samen te stellen. We beschikken inmiddels over een canon van de geschiedenis, van de religiegeschiedenis, van de filosofie en van de literatuur - om nog maar te zwijgen van plaatselijke canons of refocanons. Alleen een canon van de Nederlandse poëzie, die hadden we nog niet, en daar heeft Paul Claes ons nu aan geholpen.
Traditie Voor deze prachtig vormgegeven bundel - kloek formaat, gebonden, leeslint, rustige letter, grote kleurenillustraties- past maar één woord: indrukwekkend. Het boek bevat slechts hoogtepunten, en dat levert een groot feest van herkenning op. Het lied van Heer Halewijn, het hofje van Suster Bertken, de moerbeitoppen van Beets, de witte waterlelie van Van Eeden, de befloersde trom van Bilderdijk, de Dapperstraat van Bloem, de tuinman van Van Eyck.
Het boek eindigt met dichters als Lucebert, Hanlo, Claus en Harmsen van Beek. Iedereen die ná 1930 geboren is komt niet in aanmerking, omdat „de selectie van de actuele lyriek nog volop aan de gang is.” Met andere woorden: Hagar Peeters, Ilja Leonard Pfeijffer en Gerrit Komrij moeten eerst nog maar eens bewijzen dat ze de tijd doorstaan, dat ze passen in het lijstje van Vondel (Constantijntje, ’t zaligh kijntje), Revius (’t En zijn de Joden niet), Gorter (Zie je, ik hou van je), Gossaert (Hij sprak en zeide), Nijhoff (Ik ging naar Bommel om de brug te zien), Slauerhoff (Alleen in mijn gedichten kan ik wonen) en Marsman (Denkend aan Holland). Een enkele keer denk je: Waarom dít gedicht van Achterberg of Kloos, en niet een ander? Maar dat denk je niet vaak.
De samensteller beoefent een beproefd stramien: mooi portret van de dichter, liefst in kleur, met een korte typering van leven en werk, daarna het gedicht met toelichting en eventueel woordverklaring. Er zijn ook beknopte inleidingen op de verschillende perioden uit de literatuurgeschiedenis. Niet te lang, niet te kort, niet omstreden en niet vernieuwend. Soms een beetje al te traditioneel, bijvoorbeeld in de typering van de achttiende eeuw, toen de burgerij volgens Claes „verviel tot zelfgenoegzaamheid” en de lyriek van de renaissance „verwaterde (…) tot de huisvlijt van het classicisme.” Dat zijn toch opvattingen die slechts in oude en verouderde literatuurgeschiedenissen terug te vinden zijn.
Niettemin: een geweldig boek vol topgedichten. Een boek voor het onderwijs, voor bevlogen leraren die hun leerlingen de grote poëzie uit de traditie willen meegeven. Maar ook een boek voor gewone lezers, voor iedereen die ooit getroffen is geweest door zo’n regel die hem éven buiten zijn gewone bestaan plaatste en de dingen met andere ogen liet zien. „Bestijg den trein nooit zonder uw valies van dromen” - zo’n regel.
Waar Claes ophoudt, beginnen de twee andere bundels, die bovendien de specifiek-religieuze poëzie tot onderwerp hebben. Niet dat Claes daar geen aandacht voor heeft, integendeel, de christelijk en calvinistisch getoonzette gedichten zijn bij hem rijkelijk vertegenwoordigd. Maar zijn selectie is uit de aard der zaak breder; de canon beperkt zich nu eenmaal niet tot christelijke poëzie.
Symbolen worden tot cimbalen heet de bloemlezing met honderd gedichten over „geloof en inspiratie.” Bijna dezelfde titel als die van een vergelijkbare bloemlezing van acht jaar geleden. Samensteller Abeltje Hogenkamp komt tijdens haar zoektocht uit bij dichters als Martinus Nijhoff, Ida Gerhardt, Gerrit Achterberg, Willem Jan Otten, Huub Oosterhuis, Marjoleine de Vos. Er zit zelfs hier en daar een historisch versje tussen, van Luyken, of Huygens. Het is een aardig boekje geworden, met mooie gedichten, maar als je voor slechts een tientje extra een dubbel zo dik standaardwerk met leeslintje kunt kopen… Dan zal de inhoud toch de doorslag moeten geven. In elk geval bevat deze bloemlezing gemiddeld (zeg: per tien bladzijden gemeten) iets minder toppoëzie dan Lyriek van de Lage Landen, maar meer dan Brandaan van de christelijke poëzie.
Die Brandaan heeft dan ook een ander doel. Het boek wil geen top tachtig of top honderd geven, maar een uitvoerig overzicht bieden van de christelijke poëzie (hier opgevat als: werk van christelijke dichters) van de laatste vijftig jaar. Logisch dat niet elke bladzijde het niveau van de canon haalt - al is de kwaliteit ook hier hoog.
Samensteller Rien van den Berg moet bergen gedichten gelezen hebben, van Gerrit Achterberg tot Rikkert Zuiderveld, van Jaap Zijlstra tot Michel van der Plas. Heel prominent in de bloemlezing aanwezig is Willem Barnard, onbetwist de grootste christendichter van het moment. Al die namen geven tussen de regels door al iets aan van Van den Bergs meetlat: hij kijkt naar kwalitatief hoogwaardige poëzie, die best tegendraads of omstreden mag zijn, die een christelijk publiek zelfs af en toe schokken mag. Hier niet zozeer mooie, vertrouwde klanken als wel heftig aandoende, existentiële poëzie.
Nel Benschop Rijk vertegenwoordigd zijn de dichters die zich rond het tijdschrift Liter bewegen (vroeger Woordwerk en Bloknoot): Menno van der Beek, Henk Knol, Hilbrand Rozema, Harmen Wind, Koos Geerds, Juliën Holtrigter, Lenze Bouwers enzovoort. Dat is natuurlijk niet onterecht, want er zijn verzen van hun hand die het in zich hebben om klassiek te worden: De koe moest baren van Koos Geerds, Jaël van Menno van der Beek, Abri van Henk Knol, ”Eindaugustuswind” van Willem Jan Otten, om maar wat te noemen.
Toch kun je je afvragen: slechts één gedicht van de grote Martinus Nijhoff in zijn nadagen, en drie, vier, vijf stuks van Jan de Bas, Ria Borkent, Jaap Zijlstra? En andersom: waarom niet meer aandacht voor pastorale poëzie in een overzichtsbundel van de christelijke poëzie? In de historische letterkunde is de laatste twintig, dertig jaar meer en meer de trend om juist allerlei dichters uit de ’lagere’ cultuur voor het voetlicht te halen. De grenzen tussen hoog en laag worden minder scherp, en wie een cultuur echt in beeld wil brengen, kan niet om de populaire dichters heen.
Die keus heeft Rien van den Berg echter niet gemaakt, en dat is natuurlijk zijn goed recht als bloemlezer. Toch vind ik, zelfs als ’hoge’ literatuur de norm is, dat iemand als Nel Benschop aandacht zou verdienen. Niet dat elk gedicht van haar even goed is, maar er zijn er toch bij die de toets der kritiek prima kunnen doorstaan. Waarom zouden tamelijk marginale verzen van Sergej Visser en Theo Coenraads wél een plekje moeten krijgen en deze uiterst invloedrijke dichteres niet?
Maar dat is natuurlijk de kritiek die elke bloemlezing altijd ten deel valt: waarom déze keuzes, waarom geen andere? Iedere recensent zou het anders doen, dat spreekt vanzelf. Het laat echter onverlet dat er genoeg moois te vinden valt in deze Brandaan van de christelijke poëzie - een fraai klassiek vormgegeven standaardwerk waar geen onderzoeker voortaan omheen kan.
Bovendien: een bloemlezing moet toch vooral op het gebruik worden afgerekend. Niemand leest zo’n boek achter elkaar uit. Het gaat bij kleine stukjes tegelijk. Eén gedicht voor het slapengaan, meer niet. Je bladert een beetje, en dan vind je zomaar een juweeltje. Eén regel kan genoeg zijn.
N.a.v. Lyriek van de Lage Landen. De canon in tachtig gedichten, ed. Paul Claes; uitg. De Bezige Bij, Amsterdam, 2008; ISBN 978 90 234 3288 3; 312 blz.; € 24,90;
Symbolen worden tot cimbalen. De honderd mooiste Nederlandse gedichten over geloof en inspiratie, ed. Abeltje Hogenkamp; uitg. Prometheus, Amsterdam, 2008; ISBN 978 90 446 1201 1; 204 blz.; € 15,-;
Brandaan van de christelijke poëzie, ed. Rien van den Berg; uitg. Brandaan, Barneveld, 2008; ISBN 978 94 6005 001 5; 368 blz.; € 25,-.
Galerie Mens en Natuur - activiteiten
_____________________________________________________________
Nog tot zondag 30 november: tentoonstelling door de Latemse telg
Alphonse D’HEYE – impressionist Het spel met licht en schaduw
_____________________________________________________________
Op de vooravond van de opening van de Retrospectieve tentoonstelling
6 december 2008 – 25 januari 2009
Romain Witdouck
Op zoek naar de kern
nodigt Kunstgalerij Mens & Natuur Maenhoutstraat 75a – 9830 Sint-Martens-Latem
U van harte uit - in herinnering aan tandartse Gabriëlle Fack -
vrijdag 5 december om 20 uur
Concert Klassieke Noord-Indische muziek
door Ninaad - resonance of the universal sound
Leen Minten (tabla) en Erwin Van Gorp (bansuri)
Leen Minten bespeelt de dubbele trom die in India bekend staat als de tabla. Zij studeerde af (piano) aan het stedelijke conservatorium te Hasselt. De laatste 15 jaren studeerde zij tabla (Noord- Indische percussie) in India (Mumbai en Delhi) en San Francisco bij Ustad Allah Rakha en Ustad Zakir Hussain. Zij studeerde eveneens Indisch harmonium en kanjeera (Zuid- Indische percussie) in Pune en Madras. Ze speelde eerder in Vlaamse folkgroepen (Olla Vogala, Fluxus, Ambrozijn e.a.), creëerde muziektheatervoorstellingen en werkt aan projecten voor Jeugd en Muziek.
Erwin Van Gorp bespeelt de bansuri of Indische bamboefluit. Hij studeerde af aan Jazzstudio en speelde daarna als fluitist in diverse jazzensembles. Hij is muziekleraar en muziektherapeut. In 2004 rondde hij met succes zijn studies af aan het Conservatorium van Rotterdam; afdeling Indiase muziek, hoofdinstrument bansuri. Sinds september 2OO4 is hij docent in Jazzstudio te Antwerpen aan de afdeling Indiase muziek. Tot op heden volgt hij nog les bij de vermaarde bansuri-meester Pandit Hariprasad Chaurasia, die in Mumbai een eigen residentiële muziekschool oprichtte (Vrindaban Gurukul). Van hem is de uitspraak: ”The flute is the symbol of the spiritual call – the call of the divine love.”
Met z’n tweeën laten Leen en Erwin ons kennismaken met raga (melodie) en tala (ritme)
die de basis vormen van de klassieke Noord-Indische muziek.
NB:
Oorspronkelijk was op 5 december een harp- en hoornconcert geprogrammeerd met het Duo Cordas (Annelies Boodts en Sebastiaan Hettema), maar is afgelast omwille van een concertreeks in het buitenland.
TOEGANG: 10,00 euro
Gezien het beperkt aantal plaatsen (35) vragen we u tijdig te reserveren voor
deze avond: in de Galerie of e-mail arnold.eloy@skynet.be of 0496 / 805.799
Openingsuren Galerie:
donderdag-, vrijdag-, zaterdag- en zondagnamiddag
14:00 t.e.m. 18:00 uur en op afspraak
www.mens-en-natuur.com - www.man-and-nature.com
In de Galerie permanent werk van:
Miejef Callaert, Geert De Kockere, Hilde Geelen, George Hezemans en Olga Gorokhova
Organisatie: Arnold Eloy, Maenhoutstraat 75a, 9830 Sint-Martens-Latem
Tel. 0496-80.57.99 - E-mail: arnold.eloy@skynet.be
Nog tot zondag 30 november: tentoonstelling door de Latemse telg
Alphonse D’HEYE – impressionist Het spel met licht en schaduw
_____________________________________________________________
Op de vooravond van de opening van de Retrospectieve tentoonstelling
6 december 2008 – 25 januari 2009
Romain Witdouck
Op zoek naar de kern
nodigt Kunstgalerij Mens & Natuur Maenhoutstraat 75a – 9830 Sint-Martens-Latem
U van harte uit - in herinnering aan tandartse Gabriëlle Fack -
vrijdag 5 december om 20 uur
Concert Klassieke Noord-Indische muziek
door Ninaad - resonance of the universal sound
Leen Minten (tabla) en Erwin Van Gorp (bansuri)
Leen Minten bespeelt de dubbele trom die in India bekend staat als de tabla. Zij studeerde af (piano) aan het stedelijke conservatorium te Hasselt. De laatste 15 jaren studeerde zij tabla (Noord- Indische percussie) in India (Mumbai en Delhi) en San Francisco bij Ustad Allah Rakha en Ustad Zakir Hussain. Zij studeerde eveneens Indisch harmonium en kanjeera (Zuid- Indische percussie) in Pune en Madras. Ze speelde eerder in Vlaamse folkgroepen (Olla Vogala, Fluxus, Ambrozijn e.a.), creëerde muziektheatervoorstellingen en werkt aan projecten voor Jeugd en Muziek.
Erwin Van Gorp bespeelt de bansuri of Indische bamboefluit. Hij studeerde af aan Jazzstudio en speelde daarna als fluitist in diverse jazzensembles. Hij is muziekleraar en muziektherapeut. In 2004 rondde hij met succes zijn studies af aan het Conservatorium van Rotterdam; afdeling Indiase muziek, hoofdinstrument bansuri. Sinds september 2OO4 is hij docent in Jazzstudio te Antwerpen aan de afdeling Indiase muziek. Tot op heden volgt hij nog les bij de vermaarde bansuri-meester Pandit Hariprasad Chaurasia, die in Mumbai een eigen residentiële muziekschool oprichtte (Vrindaban Gurukul). Van hem is de uitspraak: ”The flute is the symbol of the spiritual call – the call of the divine love.”
Met z’n tweeën laten Leen en Erwin ons kennismaken met raga (melodie) en tala (ritme)
die de basis vormen van de klassieke Noord-Indische muziek.
NB:
Oorspronkelijk was op 5 december een harp- en hoornconcert geprogrammeerd met het Duo Cordas (Annelies Boodts en Sebastiaan Hettema), maar is afgelast omwille van een concertreeks in het buitenland.
TOEGANG: 10,00 euro
Gezien het beperkt aantal plaatsen (35) vragen we u tijdig te reserveren voor
deze avond: in de Galerie of e-mail arnold.eloy@skynet.be of 0496 / 805.799
Openingsuren Galerie:
donderdag-, vrijdag-, zaterdag- en zondagnamiddag
14:00 t.e.m. 18:00 uur en op afspraak
www.mens-en-natuur.com - www.man-and-nature.com
In de Galerie permanent werk van:
Miejef Callaert, Geert De Kockere, Hilde Geelen, George Hezemans en Olga Gorokhova
Organisatie: Arnold Eloy, Maenhoutstraat 75a, 9830 Sint-Martens-Latem
Tel. 0496-80.57.99 - E-mail: arnold.eloy@skynet.be
25 november 2008
Gedicht Bert Bevers
Gebruiksaanwijzing
Zegslieden zeggen niets. Ze geven hun meester door.
O, wat zijn ze bang in het donker. Als ze zelf redenen
om te zwijgen moeten verzinnen, met de kreet van de
wraak in de keel. Scherprechters wachten in hun ijle
dromen op bevelen. Ach, die macht over de taal.
Gebruik haar gerust want gemuilkorfd door luwte
blijven toch de lichtgelovigen. Goed onder woorden.
Bert Bevers
Ook nog steeds aan te klikken:
http://www.brakkehondblogt.be/2008/06/10/avondklok-en-studie-van-standvastigheid/
en
www.bertbevers.com
Zegslieden zeggen niets. Ze geven hun meester door.
O, wat zijn ze bang in het donker. Als ze zelf redenen
om te zwijgen moeten verzinnen, met de kreet van de
wraak in de keel. Scherprechters wachten in hun ijle
dromen op bevelen. Ach, die macht over de taal.
Gebruik haar gerust want gemuilkorfd door luwte
blijven toch de lichtgelovigen. Goed onder woorden.
Bert Bevers
Ook nog steeds aan te klikken:
http://www.brakkehondblogt.be/2008/06/10/avondklok-en-studie-van-standvastigheid/
en
www.bertbevers.com
20 november 2008

Poëtisch hoogtepunt
De gedichtenbundel In de stroom van de tijd van Germain Droogenbroodt is een POINT-uitgave, luxueus, harde kaft, met omslag en tekeningen van Frans Minnaert.
Droogenbroodt (°1944, Rollegem) is dichter, vertaler, uitgever en promotor van moderne internationale poëzie. Sedert 1987 leeft en werkt hij in het schilderachtige, mediterrane kunstenaarsstadje Altea (Spanje).
Hij bestudeerde de Oosterse culturen, hun filosofie en hun poëzie en verbleef talloze keren in het Verre Oosten en in India, wat in zijn poëtisch werk diepe sporen nagelaten heeft.
In de stroom van de tijd is een cruciale stap om door het creatieve schrijfproces een grotere kennis te bereiken van wat ons omringt, al dan niet zichtbaar. Deze bundel kwam tijdens twee verschillende periodes, maar op dezelfde plaats, tot stand, met name in Niglath, een dorpje in het hart van de Himalaya’s. Meteen wordt de belangrijke rol van het landschap en daarin de stroom, die een eigen klank (stem) heeft, duidelijk.
Niglath
Wees smeltende sneeuw
was je af van jezelf
Maulana Roemi
Is dit de bron
de Stem
die tussen de dunne lippen
van de rivieroever van mantra’s murmelt
of enig andere psalm?
Uit stilte ontstaat een wel
die stroom wordt
zuiver water
dat met trage schaduwen beladen
nachtwaarts voortvliedt
of naar een lichtspoor toe
- wie weet.
(blz. 9)
Zijn fijnzinnige, meditatieve gedichten verraden een poëtische virtuositeit. Zij pakken de lezer aan door hun subtiele weergave en beheerste vorm, door hun rijkdom aan verrassende beelden en metaforen.
De gedichten zijn tegelijk gevoelig en intelligent.
Droogenbroodt (°1944, Rollegem) is dichter, vertaler, uitgever en promotor van moderne internationale poëzie. Sedert 1987 leeft en werkt hij in het schilderachtige, mediterrane kunstenaarsstadje Altea (Spanje).
Hij bestudeerde de Oosterse culturen, hun filosofie en hun poëzie en verbleef talloze keren in het Verre Oosten en in India, wat in zijn poëtisch werk diepe sporen nagelaten heeft.
In de stroom van de tijd is een cruciale stap om door het creatieve schrijfproces een grotere kennis te bereiken van wat ons omringt, al dan niet zichtbaar. Deze bundel kwam tijdens twee verschillende periodes, maar op dezelfde plaats, tot stand, met name in Niglath, een dorpje in het hart van de Himalaya’s. Meteen wordt de belangrijke rol van het landschap en daarin de stroom, die een eigen klank (stem) heeft, duidelijk.
Niglath
Wees smeltende sneeuw
was je af van jezelf
Maulana Roemi
Is dit de bron
de Stem
die tussen de dunne lippen
van de rivieroever van mantra’s murmelt
of enig andere psalm?
Uit stilte ontstaat een wel
die stroom wordt
zuiver water
dat met trage schaduwen beladen
nachtwaarts voortvliedt
of naar een lichtspoor toe
- wie weet.
(blz. 9)
Zijn fijnzinnige, meditatieve gedichten verraden een poëtische virtuositeit. Zij pakken de lezer aan door hun subtiele weergave en beheerste vorm, door hun rijkdom aan verrassende beelden en metaforen.
De gedichten zijn tegelijk gevoelig en intelligent.
Vooral het tweede deel (2007) ontdoen zich de meditaties van hun meer cryptisch en abstract harnas om - zoals het water - binnen te dringen in een gebied waar diverse stromen één stroom worden en zich verenigen met de natuur in een meer mystiek dan filosofisch proces, dat overgaat van het immanente naar het transcendente.
Denkend aan Herakleitos
Alles stroomt…
Herakleitos
Water
spreek met mij
spreek met andere woorden
dan met woorden van voorbijheid
spreek niet met woorden van weleer
maar schrijf ze in het water
opdat ze eeuwig blijven
- één geworden
met het water
met àl het water.
(blz. 105)
In vergelijking met de vorige bundels lijkt mij belangrijk te vermelden dat de natuurelementen de hele bundel overheersen.
Langzaam
als een grijze, gigantische vogel
strijkt de nevel over de Himalaya’s neer
in het takwerk van een nabije boom
flakkert een exotische vogelstem op
verlicht heel even
wat reeds duister was
dooft dan licht en schaduw
de onrust van de dag.
(blz. 45)
De gedichten profileren zich gaandeweg tot een ingehouden lyrisme, ingetogen en vatbaar, waar de natuur en hert ik versmelten tot één en dezelfde stem die in de sfeer van het niet begrijpende begrijpen van de mysticus, onderkomen vindt in een gebied waar Alles zich verklaart/in het onverklaarbare.
Ongemeten blijft
het onmeetbare
Welke waarheid is waarheid
welke wijsheid, wijsheid nog
waar blijft hij
die over het licht der dagen loopt
de taal der bloemen spreekt
de dorst kent van het water
het schuiloord
van duisternis en licht
Waar blijft hij?
(blz. 165)
Niet minder belangrijk is de dialoog van deze poëzie met de beeldende kunst. De veruit belangrijkste dialoog is hier echter de dialoog die ieder gedicht uit deze bundel met de lezer aangaat
Oude liefde
Over het kronkelpad van de hoop
zoekt hij naar licht
zoekt hij
in de vervallen kamers
van het geheugen
in de laden
met verbrande vleugels
maar het komt niet, het licht
of toch
heel even flakkert het op
- als stem
Alles stroomt…
Herakleitos
Water
spreek met mij
spreek met andere woorden
dan met woorden van voorbijheid
spreek niet met woorden van weleer
maar schrijf ze in het water
opdat ze eeuwig blijven
- één geworden
met het water
met àl het water.
(blz. 105)
In vergelijking met de vorige bundels lijkt mij belangrijk te vermelden dat de natuurelementen de hele bundel overheersen.
Langzaam
als een grijze, gigantische vogel
strijkt de nevel over de Himalaya’s neer
in het takwerk van een nabije boom
flakkert een exotische vogelstem op
verlicht heel even
wat reeds duister was
dooft dan licht en schaduw
de onrust van de dag.
(blz. 45)
De gedichten profileren zich gaandeweg tot een ingehouden lyrisme, ingetogen en vatbaar, waar de natuur en hert ik versmelten tot één en dezelfde stem die in de sfeer van het niet begrijpende begrijpen van de mysticus, onderkomen vindt in een gebied waar Alles zich verklaart/in het onverklaarbare.
Ongemeten blijft
het onmeetbare
Welke waarheid is waarheid
welke wijsheid, wijsheid nog
waar blijft hij
die over het licht der dagen loopt
de taal der bloemen spreekt
de dorst kent van het water
het schuiloord
van duisternis en licht
Waar blijft hij?
(blz. 165)
Niet minder belangrijk is de dialoog van deze poëzie met de beeldende kunst. De veruit belangrijkste dialoog is hier echter de dialoog die ieder gedicht uit deze bundel met de lezer aangaat
Oude liefde
Over het kronkelpad van de hoop
zoekt hij naar licht
zoekt hij
in de vervallen kamers
van het geheugen
in de laden
met verbrande vleugels
maar het komt niet, het licht
of toch
heel even flakkert het op
- als stem
(blz. 91)
De lezer vindt zijn gading ten volle in de melancholie van de gedichten, echte pareltjes van zekerheid, twijfels, gedachten en beschouwingen.
Thierry Deleu
Germain Droogenbroodt, In de stroom van de tijd, POINT International, 2008
18 november 2008
Voorstelling "laat(avond)taal" van David Troch
Met veel plezier nodig ik u uit op de voorstelling van mijn nieuwe dichtbundel laat[avond]taal, een uitgave van Poëziecentrum. Hedwig Spelliers leidt in, ik lees voor en leg het woord bij Sylvie Marie, Vicky Francken, Xavier Roelens en Reinout Verbeke.
De voorstelling vindt plaats in boekhandel De Zondvloed, Onze-Lieve-Vrouwestraat 70 te Mechelen op zaterdag 6 december om 20u. Een uitnodiging vindt u in de bijlage. Hopelijk tot dan. goede groet, David Troch www.davidtroch.be
De bundel is verkrijbaar bij de betere boekhandel, Poëziecentrum en de auteur.
De voorstelling vindt plaats in boekhandel De Zondvloed, Onze-Lieve-Vrouwestraat 70 te Mechelen op zaterdag 6 december om 20u. Een uitnodiging vindt u in de bijlage. Hopelijk tot dan. goede groet, David Troch www.davidtroch.be
De bundel is verkrijbaar bij de betere boekhandel, Poëziecentrum en de auteur.
Het landschap in de kunst + Noord-Indische muziek!
Lezing vrijdag 21 november 2008 om 20 uur
Damien Deceuninck - Het landschap in de kunst.
Schilderijen vertellen iets over hoe men de wereld ziet of zou willen zien. Hoe kijkt men naar
de wereld, vroeger en nu? Het landschap bij Bruegel, Titiaan, Ruysdael ... Het verlangen naar
de natuur bij Friedrich, Cézanne, Van Gogh. Landschappen van de geest bij Dali, Ernst.
La condition humaine bij Magritte. Het klassieke tot het moderne landschap in de kunst!
Spreker Damien Deceuninck (°1955) is regent plastische kunsten (Hoger Instituut Sint-Lucas,
Gent) en zelf beeldend kunstenaar. Hij doceert Westerse Cultuurgeschiedenis bij Amarant te
Gent en Moritoen te Brugge.
Inkom: 5,00 euro.
Vrijdag 5 december 2008 om 20 uur
NINAAD brengt klassieke Noord-Indische muziek!
Ninaad - resonance of the universal sound, een duo gevormd door Leen Minten (tabla) en
Erwin Van Gorp (bansuri), laat raga’s (melodie) en tala (ritme) samenvloeien tot de klassieke
Noord-Indische sound! Zie bijlage voor meer informatie.
Inkom: 10,00 euro. Reserveren a.u.b.
Damien Deceuninck - Het landschap in de kunst.
Schilderijen vertellen iets over hoe men de wereld ziet of zou willen zien. Hoe kijkt men naar
de wereld, vroeger en nu? Het landschap bij Bruegel, Titiaan, Ruysdael ... Het verlangen naar
de natuur bij Friedrich, Cézanne, Van Gogh. Landschappen van de geest bij Dali, Ernst.
La condition humaine bij Magritte. Het klassieke tot het moderne landschap in de kunst!
Spreker Damien Deceuninck (°1955) is regent plastische kunsten (Hoger Instituut Sint-Lucas,
Gent) en zelf beeldend kunstenaar. Hij doceert Westerse Cultuurgeschiedenis bij Amarant te
Gent en Moritoen te Brugge.
Inkom: 5,00 euro.
Vrijdag 5 december 2008 om 20 uur
NINAAD brengt klassieke Noord-Indische muziek!
Ninaad - resonance of the universal sound, een duo gevormd door Leen Minten (tabla) en
Erwin Van Gorp (bansuri), laat raga’s (melodie) en tala (ritme) samenvloeien tot de klassieke
Noord-Indische sound! Zie bijlage voor meer informatie.
Inkom: 10,00 euro. Reserveren a.u.b.
NB: Het voorziene harpconcert met Annelies BOODTS (harp) en Sebastiaan HETTEMA (hoorn) is uitgesteld.
Kunstgalerij Mens & Natuur
Maenhoutstraat 75a - 9830 Sint-Martens-Latem
nodigt U van harte uit tot een bezoek aan de
TENTOONSTELLING
(11 oktober – 30 november 2008)
Alphonse D’HEYE - impressionist
Het spel met licht en schaduw - Light and shade at play
Geboren in Sint-Martens-Latem (1955) en een volbloed impressionistisch schilder van bloemrijke tuinen, bomen, weiden en de groene natuur: Alphonse D’HEYE heeft, naast zijn opleiding grafische kunsten aan het DBTI te Gent, vooral veel geleerd van Latemse kunstschilders bij wie hij destijds vriend aan huis was.
Hij is een kunstzinnig wereldreiziger en werkt voltijds als kunstenaar te Eede (Zeeuws-Vlaanderen).
Zie meer op: www.artonline.be
Getuigenissen van recensenten, naar aanleiding van één van zijn vele tentoonstellingen, laten een authentieke, gedreven en gevoelige kunstenaar kennen:
“Zijn werk straalt een liefde uit voor de NATUUR, zijn eigen geboortestreek, het land,... In een
Harmonisch geheel spelen de wetten van het universum. Hij heeft de wens om een levenslust en
schilderkunst te combineren en te laten samenvallen. Hij probeert de speling en trillingen van licht en wolken, water, weiden, tuinen, bomen grijpbaar te maken. Alphonse D'HEYE schildert op vrij klassieke wijze maar met kennis van de olieverftechniek. De dingen krijgen leven door de kleur. Het is de kleur die het licht weergeeft, vasthoudt, vorm geeft. Hij bouwt met precieze, meticuleuze plaatsing van de toetsen.
Hij bouwt zijn eigen wereld, streeft niet naar fotografische realiteit.”
Dr. Bedet Simon - Kunsthistorica, mei 1999.
“Geleidelijk gaat Alphonse van het decoratieve weg. Laat hij de siersels om zich heen. Om zich, met ingehouden maar echt treffend kleurgebruik, versoberd en intens te vereenzelvigen met het innerlijke van zijn onderwerpen!”
Jan D’Haese, kunstcriticus, juni 2001.
“De popart en het nieuwe realisme brachten ons naar de installatiekunst, het conceptuele. Deze
Stromingen overspoelden de kunstmarkt en lieten geen plaats meer voor de ‘tederheid in de kunst’.
Het figuratieve en het academisch onderbouwde moest wijken voor het monumentale geweld van een generatie ‘vernieuwende’ kunstenaars. Het nieuwe millennium bracht echter een ommezwaai. Jonge verzamelaars kregen weer oog voor de romantiekers, de symbolisten, expressionisten en impressionisten.
Schoonheid en kunde kregen de bovenhand op het speculatieve binnen de kunstwereld. De harmonie binnen de kunst is terug, mede dank zij de impressionistische droomwereld en het blije kleurenpalet van Alphonse D’HEYE.”
Albert-Fernand Haelemeersch, cultuurrecensent, november 2007
Openingsuren Galerie:
donderdag-, vrijdag-, zaterdag- en zondagnamiddag
14:00 t.e.m. 18:00 uur en op afspraak
www.mens-en-natuur.com - www.man-and-nature.com
In de Galerie permanent werk van:
Miejef Callaert, Geert De Kockere, Hilde Geelen, George Hezemans en Olga Gorokhova
Organisatie: Arnold Eloy, Maenhoutstraat 75a, 9830 Sint-Martens-Latem
Tel. 0496-80.57.99 - E-mail: arnold.eloy@skynet.be
Kunstgalerij Mens & Natuur
Maenhoutstraat 75a - 9830 Sint-Martens-Latem
nodigt U van harte uit tot een bezoek aan de
TENTOONSTELLING
(11 oktober – 30 november 2008)
Alphonse D’HEYE - impressionist
Het spel met licht en schaduw - Light and shade at play
Geboren in Sint-Martens-Latem (1955) en een volbloed impressionistisch schilder van bloemrijke tuinen, bomen, weiden en de groene natuur: Alphonse D’HEYE heeft, naast zijn opleiding grafische kunsten aan het DBTI te Gent, vooral veel geleerd van Latemse kunstschilders bij wie hij destijds vriend aan huis was.
Hij is een kunstzinnig wereldreiziger en werkt voltijds als kunstenaar te Eede (Zeeuws-Vlaanderen).
Zie meer op: www.artonline.be
Getuigenissen van recensenten, naar aanleiding van één van zijn vele tentoonstellingen, laten een authentieke, gedreven en gevoelige kunstenaar kennen:
“Zijn werk straalt een liefde uit voor de NATUUR, zijn eigen geboortestreek, het land,... In een
Harmonisch geheel spelen de wetten van het universum. Hij heeft de wens om een levenslust en
schilderkunst te combineren en te laten samenvallen. Hij probeert de speling en trillingen van licht en wolken, water, weiden, tuinen, bomen grijpbaar te maken. Alphonse D'HEYE schildert op vrij klassieke wijze maar met kennis van de olieverftechniek. De dingen krijgen leven door de kleur. Het is de kleur die het licht weergeeft, vasthoudt, vorm geeft. Hij bouwt met precieze, meticuleuze plaatsing van de toetsen.
Hij bouwt zijn eigen wereld, streeft niet naar fotografische realiteit.”
Dr. Bedet Simon - Kunsthistorica, mei 1999.
“Geleidelijk gaat Alphonse van het decoratieve weg. Laat hij de siersels om zich heen. Om zich, met ingehouden maar echt treffend kleurgebruik, versoberd en intens te vereenzelvigen met het innerlijke van zijn onderwerpen!”
Jan D’Haese, kunstcriticus, juni 2001.
“De popart en het nieuwe realisme brachten ons naar de installatiekunst, het conceptuele. Deze
Stromingen overspoelden de kunstmarkt en lieten geen plaats meer voor de ‘tederheid in de kunst’.
Het figuratieve en het academisch onderbouwde moest wijken voor het monumentale geweld van een generatie ‘vernieuwende’ kunstenaars. Het nieuwe millennium bracht echter een ommezwaai. Jonge verzamelaars kregen weer oog voor de romantiekers, de symbolisten, expressionisten en impressionisten.
Schoonheid en kunde kregen de bovenhand op het speculatieve binnen de kunstwereld. De harmonie binnen de kunst is terug, mede dank zij de impressionistische droomwereld en het blije kleurenpalet van Alphonse D’HEYE.”
Albert-Fernand Haelemeersch, cultuurrecensent, november 2007
Openingsuren Galerie:
donderdag-, vrijdag-, zaterdag- en zondagnamiddag
14:00 t.e.m. 18:00 uur en op afspraak
www.mens-en-natuur.com - www.man-and-nature.com
In de Galerie permanent werk van:
Miejef Callaert, Geert De Kockere, Hilde Geelen, George Hezemans en Olga Gorokhova
Organisatie: Arnold Eloy, Maenhoutstraat 75a, 9830 Sint-Martens-Latem
Tel. 0496-80.57.99 - E-mail: arnold.eloy@skynet.be
13 november 2008
Gedicht Eric Rosseel
Things are unsaid
De kus wordt niet gezegd
Ook de wolken drijven sprakeloos heen
En met hen de vliegen, de andere insecten
Daar waar ook wij vertoeven
En wat van ons rest
Waar bronnen in bedding overgaan
Nu na al die jaren
Nu de wereld zich schikt naar onwereldse winden
Niets wordt gezegd
Alle schermen zwijgen
De tijd van de klokken en de uurwerken
Is aan teveel tijd bezweken
De dingen worden niet gezegd
Zeker niet in Esperanto
Tussen vrienden
Worden handen gedrukt
Met of zonder zweet
En de kus die zwijgt
Smaakt naar meer terwijl
De dingen die vreeswekkende dingen
Eensklaps en eensgezind als vuil vergaan
Als vreemden die nooit zijn aangekomen
Als reizigers die nooit zijn vertrokken
Over wat ik weet
Zal ik nooit meer spreken
In die ijverige nacht van de eerste kus
Wanneer zelfs de vogels hun slaap overslaan
En onze goden, die wijzen van nooit en ooit
Eindelijk (lang en gelukkig)
In ons bloed zijn terugggekeerd
13 november 2008
Eric Rosseel
12 november 2008
"Saturnus boven de Schelde" - bloemlezing


Eerste Demer-editie Saturnus boven de Schelde boeiende bloemlezing
Door Bert Bevers
Door Bert Bevers
Saturnus boven de Schelde is een bloemlezing met werk van tien dichters uit Nederland en Vlaanderen die niet meer pretendeert dan werk te brengen van tien dichters uit Nederland en Vlaanderen. Het is de eerste uitgave van de jonge Demer Uitgeverij te Diepenbeek.
Opvallend is het ontbreken van enige Randstadconnectie. Het accent is eerder zuidelijk. Catharina Boer is weliswaar in De Bilt geboren maar woont al lang in Noord-Brabant, in Nuenen. Annmarie Sauer zag het levenslicht in Dayton, Ohio maar wortelde ook stevig in Hoboken. Maarten van den Elzen en Albert Hagenaars komen uit respectievelijk Uden en Bergen op Zoom. Hannie Rouweler komt uit het Overijsselse Goor maar woont met Diepenbekenaar Joris Iven in Vlaams Limburg. Willie Verhegghe is een Oost-Vlaming. Rose Vandewalle werd weliswaar in Kortrijk geboren maar nestelde zich als West-Vlaamse al lang geleden in Antwerpen. Ook de Brabander Roger Nupie woont daar. En Lief Vleugels is van Herentals. Dan nu de lens zuiver gesteld op de inhoud. En die hoeft niet altijd aan flarden te geanalyseerd te worden. Soms is het gewoon aardig om iets te signaleren, en er uit te citeren.
Willie Verhegghe heeft twee bekende stokpaardjes: de Eerste Wereldoorlog en De Koers. Behalve een ode aan Leontien van Moorsel bevat Saturnus boven de Schelde van Verhegghe het vijfluik Fiorenzo Magni: Il leone delle Fiandre. Daarin doet de Ninoviet uit de doeken waar de oorsprong ligt van zijn fascinatie voor het wielrennen: hij gaat terug naar zijn straat ‘waar de kasseien blinken / als duizend in de grond geduwde kale schedels’ en beschrijft de herinnering die hij koestert aan de ‘kennismaking’ met Fiorenzo Magni, een renner die zich nooit weg stak in de buik van het peloton, en het presteerde om drie keer op rij (in 1949, 1950 en 1951) de Ronde van Vlaanderen te winnen. Verhegghe staat als jongetje tegen het been van zijn vader aan gedrukt en ziet Il leone delle Fiandre naderen: ‘Hij hangt over het stuur gebogen, zijn starre blik / kruist héél even mijn ogen, vier ogen dus / twee van de kleuter en twee van de krijger, / op bijna gelijke hoogte. Meteen daarna spat / van zijn achterwiel water over me heen, / ik krijg de inwijdende douche, het wijwater / uit de koershemel, ik beef en kijk, / de kleine ogen uit mijn kinderkop.’ Willie Verhegghe prent de kale knikker van Magni in zijn hoofd, slaat het gas der motoren op in zijn longen, kneedt en koestert het opspattend slijk tussen zijn kleine vingers, is – kortom – verloren. Een levenslange verslaving aan de wielersport is geboren. Het is immer een genoegen werk van Willie Verhegghe te lezen.
Lief Vleugels mijmert in Het huis bij de zee over ‘straks, wanneer hij weggaat’: ‘je zal hem nakijken, de deur pas sluiten / wanneer hij de hoek omdraait // je zal niet stervend je bed inschuiven maar wachten bij het raam / op het kind dat schelpen zoekt / en krekels, jaren van overvloed’. De cyclus telt zes verzen van elk drie kwatrijnen, en is gesteld in heldere zinnen die van een trefzekere eenvoud zijn: ‘het huis blijft vol van wie je was / niemand is ooit voor een ander gemaakt’. Het huis bij de zee trilt van het berustende inzicht, en eindigt indringend met ‘geen krekels, geen parels, alleen jij / in een gouden huis bij het raam / de resten van een boot en een kind / dat met een schepnet dode vissen vangt’.
Ook een zestal gedichten van Maarten van den Elzen. De Udense bard heeft oog voor de natuur. ‘en we zien hoe ons huis bijna begraven / is in het groen van bomen en struiken / die aan onze zorg zijn toevertrouwd / hoor hoe ze adem halen!’. Lentebloemen, winterstormen, zangvogels, orchideeën illustreren Van den Elzens bewustzijn van het verglijden der seizoenen. Van de vergankelijkheid tout court, getuige ‘op hagelwit papier wordt met / kroontjespen in koningsblauw / een nieuwe naam geschreven / terwijl iets verderop het mos / letter na letter bedekt op / de oude grafstenen.’ Jeugdherinneringen zijn meestal wel goed voor een paar mooie beelden, zoals Maarten van den Elzen bewijst in Drijvende letters van vermicelli: ‘buiten ruikt het naar de soep uit mijn jeugd / waarin letters drijven die ik er met / mijn vork omzichtig uitviste / de zachte en weke substantie / vormde woorden als vuur en rook / op de rand van mijn bord // woorden die voor ons reeds in schoonschrift / op het schoolbord waren voorgegaan.’
Van Annmarie Sauer is er de reeks Wegenwerken. Sauer, die afwisselend in Antwerpen en Chloride (Arizona) woont, schrijft sterk uitgepuurde gedichten waarin dikwijls natuurelementen (een kleine greep: schrale noordenwind, bergen, regen, steen) ijkpunten zijn. Mooie regels zijn onder meer ‘Zij vult haar ogen met afstand / met zijn en niet zien’, ‘De steen wacht / op de schurende schavende gaven / van later’ en ‘ander gras / schudt de aren / om zoveel haast / en het vergeten van liggen / in het gras.’ Interessant om te zien hoe ze een gedicht in het Engels plaatst naast een Nederlandstalig dat een vertaling lijkt maar het niet is: ‘The dark curtain drawn / there is but night’ wordt ‘De donkere gordijnen gesloten / is er slechts nacht’. Maar het slot ‘slechts dat wat men / bracht / en het licht / in de ogen geloken’ is geen omzetting van ‘nothing / but cosmic wind / the sea and the lighthouse / within’. Práchtig beeld: the lighthouse within!
Veel variatie in de bijdrage van Rose Vandewalle. Zij wisselt stadsbeelden (‘Telkens de liftdeur naar Sint-Anna / haar groene bek opent / dan tergend traag weer sluit’) af met wat reisimpressies lijken (‘Hoekig hotst een tram over de rails, / binnen enkel nog Rumores de la caleta. // De dag zinkt weg.’) en droomscènes (‘Ik kwam in een stad, de grootste aller steden / waarheen ik ’s nachts ga wanneer eenieder slaapt / en ik geen rust meer kan vinden, er gebruik maak / van pijlsnelle liften om eens boven duizelingwekkend / terug te tuimelen in het gat van de nacht.’). IJzingwekkend sterk zijn in de laatste drie verzen haar observaties van een aftakelende mens (ze bewees in haar bundel Verwaaid al dat ze daar goed in is): ‘Wanneer ik zijn kamer betreed / valt op hoe overstuur hij is / zijn ogen schichtige vissen in een vijver’, ‘vertelt opgedraaid hoe hij / in het paleis van de koning / gevangen werd gezet // weer wordt zijn kamer een kerker / huivert voor het rinkelen van sleutels / hoort hoe de poort dicht schuurt’ en ‘in gedachten telkens weer op drift / droomde hij rechtop een levenlang.’
Intrigerend zijn de Bekentenissen van Bessie Head aan Breyten Breytenbach van Joris Iven. Wat te denken van ‘Hemel en aarde zijn één vinger, zoals je schreef. / De man naast de vogel op de rug van een paard, / die uit een celraam kijkt, dat is mijn vader niet. // Dat ben jij. Ik werd op de wereld gezet zonder / verwanten. Mijn naam draag ik wijd als een kleed.’ Wauw, wat een slot. Iven trekt je direct Afrika in: ‘Een klipdassie heeft aan mijn ziel gevreten. / Ik ben Bosjesman, ik ben vuil en besmet. /Een bastaard, maar ik leef.’ Ook sterk: ‘Mensen kiezen hun ware geboorteplaats niet, / maar ze worden er wel altijd door aangetast.’ Een fascinerend vijfluik!
Catharina Boer haalde de inspiratie voor haar vierluik Brekend licht bij de twaalf glasramen die Marc Chagall maakte voor de synagoge in het Hadassah-ziekenhuis in Jeruzalem. God en gedachte besluit fraai met ‘verstrooide gedachten / onvoltooid gebleven, richtten niets uit, / zeilden zacht voorbij op vogels.’ Rood tussen groen handelt over het omgaan met het verlies van een kind (‘onafwendbaar de doornen en een knikkerkuil, / want altijd wel gravend, het bloedende kind.’): ‘Spoorloos nu, in de bast de ruwe runen taal / en boosheid, daar ketsend neergegooid tot leeg / haar hand. Dromerig opgeraapt, klaarde het / glas weer vertes met hemels vol plannen.’ Indringend.
Sommige dingen weet je wel, maar toch ook weer niet. Dan heb je dichters om je op dergelijke kleine dingen te attenderen. Zo ‘leer’ ik van Roger Nupie dat kinderen een stam altijd bruin kleuren maar dat bomen zelden een bruine stam hebben. Vaker geel, groen, grijs, zilverachtig, zwart. Nupie’s observatie kadert in het drieluik De bomen van Ruth Rendell. Ook Het boekentoilet is in deze bloemlezing opgenomen, het gedicht dat de Antwerpse poëet schreef voor het gelijknamige project dat vijf jaar geleden in de Scheldestad werd gehouden. Dat Roger Nupie het literaire wereldje doorziet en kan relativeren blijkt uit zijn bijdrage Veel wind & weinig eieren, dat handelt over verwaandheid bij dichters: ‘Hoger hart, lagere ziel, / grote lantaarn, klein licht! / Eigen lof, eigen stof, / Grote parade, klein garnizoen.’ Verfrissend, dat iemand de dikwijls kibbelende en zichzelf overschattende dichtersbents eens een spiegel voorhoudt: ‘Louter dit ijdel gekakel, / veel wind & weinig eieren!’
Albert Hagenaars komt met een sextet waarin jeugdherinneringen omnipresent zijn. En die leveren veelal ijzersterke beelden op. In Slacht: 1959 zie je de vierjarige Hagenaars getuige zijn van de jaarlijkse slacht van het varken: ‘Het laatste keek me begripvol aan / terwijl de kogel haar tussen de ogen // trof en het trof mij nog vaak / dat zij toch bleef staan in de branding // van de dood, zoals ik later, minder bezonnen / maar vermeerderd, in die van de taal.’ Mooi, die branding van de dood en van de taal. In de eerste vier van zijn verzen duiken behalve het varken nog, voor zijn doen opvallend veel, meer dieren op: een (gevild) konijn, (vergane) vleermuizen en, in Pegasos: 1962, een (onbestaand) paard. Bij Pegasos ligt trouwens de kern van Hagenaars’ dichterschap. Hij merkte ooit op dat hij klasgenootjes enthousiast vertelde over het gevleugelde paard waarover hij in een bibliotheekboek had gelezen, en dat ze hem uitlachten omdat zo’n dier niet bestaat. Toen al realiseerde hij zich de kracht van de mythe. Ook sterk, uit Geef ons vrede: 1966: ‘Ergens boven verdwenen velden / vervlechten onze stemmen / nog altijd de oudste verlangens, // totdat ik ze niet meer kan ontwarren, / tenzij in het luisteren van een andere orde, / die zich niet laat kennen in woorden.’
Hannie Rouweler, de samenstelster en uitgeefster van de bloemlezing, sluit af. Van haar zijn vier gedichten opgenomen, telkens verdeeld in strofen van twee regels. De eerste drie tellen er tien, de laatste omvat er negen. Zonder kleur, Schemering, Vorm en fragment en Rood en zwart vormen Writer’s Block dat is opgedragen aan Wim van Til, de directeur van het Poëziecentrum Nederland die volgens mij nog nooit last heeft gehad van een schrijfblokkade. Het vierluik is een zoektocht naar woord en beeld. Rouweler houdt zich behalve met schrijven de laatste jaren ook met schilderen bezig. ‘Dat je moet kiezen, elke dag opnieuw, / alsof de doden ons nooit vergeten, / ons lot in hun handen ligt, en wij /tot leven en herdenken veroordeeld.’ Alsof de doden ons nooit vergeten. Sterk.
Opvallend is het ontbreken van enige Randstadconnectie. Het accent is eerder zuidelijk. Catharina Boer is weliswaar in De Bilt geboren maar woont al lang in Noord-Brabant, in Nuenen. Annmarie Sauer zag het levenslicht in Dayton, Ohio maar wortelde ook stevig in Hoboken. Maarten van den Elzen en Albert Hagenaars komen uit respectievelijk Uden en Bergen op Zoom. Hannie Rouweler komt uit het Overijsselse Goor maar woont met Diepenbekenaar Joris Iven in Vlaams Limburg. Willie Verhegghe is een Oost-Vlaming. Rose Vandewalle werd weliswaar in Kortrijk geboren maar nestelde zich als West-Vlaamse al lang geleden in Antwerpen. Ook de Brabander Roger Nupie woont daar. En Lief Vleugels is van Herentals. Dan nu de lens zuiver gesteld op de inhoud. En die hoeft niet altijd aan flarden te geanalyseerd te worden. Soms is het gewoon aardig om iets te signaleren, en er uit te citeren.
Willie Verhegghe heeft twee bekende stokpaardjes: de Eerste Wereldoorlog en De Koers. Behalve een ode aan Leontien van Moorsel bevat Saturnus boven de Schelde van Verhegghe het vijfluik Fiorenzo Magni: Il leone delle Fiandre. Daarin doet de Ninoviet uit de doeken waar de oorsprong ligt van zijn fascinatie voor het wielrennen: hij gaat terug naar zijn straat ‘waar de kasseien blinken / als duizend in de grond geduwde kale schedels’ en beschrijft de herinnering die hij koestert aan de ‘kennismaking’ met Fiorenzo Magni, een renner die zich nooit weg stak in de buik van het peloton, en het presteerde om drie keer op rij (in 1949, 1950 en 1951) de Ronde van Vlaanderen te winnen. Verhegghe staat als jongetje tegen het been van zijn vader aan gedrukt en ziet Il leone delle Fiandre naderen: ‘Hij hangt over het stuur gebogen, zijn starre blik / kruist héél even mijn ogen, vier ogen dus / twee van de kleuter en twee van de krijger, / op bijna gelijke hoogte. Meteen daarna spat / van zijn achterwiel water over me heen, / ik krijg de inwijdende douche, het wijwater / uit de koershemel, ik beef en kijk, / de kleine ogen uit mijn kinderkop.’ Willie Verhegghe prent de kale knikker van Magni in zijn hoofd, slaat het gas der motoren op in zijn longen, kneedt en koestert het opspattend slijk tussen zijn kleine vingers, is – kortom – verloren. Een levenslange verslaving aan de wielersport is geboren. Het is immer een genoegen werk van Willie Verhegghe te lezen.
Lief Vleugels mijmert in Het huis bij de zee over ‘straks, wanneer hij weggaat’: ‘je zal hem nakijken, de deur pas sluiten / wanneer hij de hoek omdraait // je zal niet stervend je bed inschuiven maar wachten bij het raam / op het kind dat schelpen zoekt / en krekels, jaren van overvloed’. De cyclus telt zes verzen van elk drie kwatrijnen, en is gesteld in heldere zinnen die van een trefzekere eenvoud zijn: ‘het huis blijft vol van wie je was / niemand is ooit voor een ander gemaakt’. Het huis bij de zee trilt van het berustende inzicht, en eindigt indringend met ‘geen krekels, geen parels, alleen jij / in een gouden huis bij het raam / de resten van een boot en een kind / dat met een schepnet dode vissen vangt’.
Ook een zestal gedichten van Maarten van den Elzen. De Udense bard heeft oog voor de natuur. ‘en we zien hoe ons huis bijna begraven / is in het groen van bomen en struiken / die aan onze zorg zijn toevertrouwd / hoor hoe ze adem halen!’. Lentebloemen, winterstormen, zangvogels, orchideeën illustreren Van den Elzens bewustzijn van het verglijden der seizoenen. Van de vergankelijkheid tout court, getuige ‘op hagelwit papier wordt met / kroontjespen in koningsblauw / een nieuwe naam geschreven / terwijl iets verderop het mos / letter na letter bedekt op / de oude grafstenen.’ Jeugdherinneringen zijn meestal wel goed voor een paar mooie beelden, zoals Maarten van den Elzen bewijst in Drijvende letters van vermicelli: ‘buiten ruikt het naar de soep uit mijn jeugd / waarin letters drijven die ik er met / mijn vork omzichtig uitviste / de zachte en weke substantie / vormde woorden als vuur en rook / op de rand van mijn bord // woorden die voor ons reeds in schoonschrift / op het schoolbord waren voorgegaan.’
Van Annmarie Sauer is er de reeks Wegenwerken. Sauer, die afwisselend in Antwerpen en Chloride (Arizona) woont, schrijft sterk uitgepuurde gedichten waarin dikwijls natuurelementen (een kleine greep: schrale noordenwind, bergen, regen, steen) ijkpunten zijn. Mooie regels zijn onder meer ‘Zij vult haar ogen met afstand / met zijn en niet zien’, ‘De steen wacht / op de schurende schavende gaven / van later’ en ‘ander gras / schudt de aren / om zoveel haast / en het vergeten van liggen / in het gras.’ Interessant om te zien hoe ze een gedicht in het Engels plaatst naast een Nederlandstalig dat een vertaling lijkt maar het niet is: ‘The dark curtain drawn / there is but night’ wordt ‘De donkere gordijnen gesloten / is er slechts nacht’. Maar het slot ‘slechts dat wat men / bracht / en het licht / in de ogen geloken’ is geen omzetting van ‘nothing / but cosmic wind / the sea and the lighthouse / within’. Práchtig beeld: the lighthouse within!
Veel variatie in de bijdrage van Rose Vandewalle. Zij wisselt stadsbeelden (‘Telkens de liftdeur naar Sint-Anna / haar groene bek opent / dan tergend traag weer sluit’) af met wat reisimpressies lijken (‘Hoekig hotst een tram over de rails, / binnen enkel nog Rumores de la caleta. // De dag zinkt weg.’) en droomscènes (‘Ik kwam in een stad, de grootste aller steden / waarheen ik ’s nachts ga wanneer eenieder slaapt / en ik geen rust meer kan vinden, er gebruik maak / van pijlsnelle liften om eens boven duizelingwekkend / terug te tuimelen in het gat van de nacht.’). IJzingwekkend sterk zijn in de laatste drie verzen haar observaties van een aftakelende mens (ze bewees in haar bundel Verwaaid al dat ze daar goed in is): ‘Wanneer ik zijn kamer betreed / valt op hoe overstuur hij is / zijn ogen schichtige vissen in een vijver’, ‘vertelt opgedraaid hoe hij / in het paleis van de koning / gevangen werd gezet // weer wordt zijn kamer een kerker / huivert voor het rinkelen van sleutels / hoort hoe de poort dicht schuurt’ en ‘in gedachten telkens weer op drift / droomde hij rechtop een levenlang.’
Intrigerend zijn de Bekentenissen van Bessie Head aan Breyten Breytenbach van Joris Iven. Wat te denken van ‘Hemel en aarde zijn één vinger, zoals je schreef. / De man naast de vogel op de rug van een paard, / die uit een celraam kijkt, dat is mijn vader niet. // Dat ben jij. Ik werd op de wereld gezet zonder / verwanten. Mijn naam draag ik wijd als een kleed.’ Wauw, wat een slot. Iven trekt je direct Afrika in: ‘Een klipdassie heeft aan mijn ziel gevreten. / Ik ben Bosjesman, ik ben vuil en besmet. /Een bastaard, maar ik leef.’ Ook sterk: ‘Mensen kiezen hun ware geboorteplaats niet, / maar ze worden er wel altijd door aangetast.’ Een fascinerend vijfluik!
Catharina Boer haalde de inspiratie voor haar vierluik Brekend licht bij de twaalf glasramen die Marc Chagall maakte voor de synagoge in het Hadassah-ziekenhuis in Jeruzalem. God en gedachte besluit fraai met ‘verstrooide gedachten / onvoltooid gebleven, richtten niets uit, / zeilden zacht voorbij op vogels.’ Rood tussen groen handelt over het omgaan met het verlies van een kind (‘onafwendbaar de doornen en een knikkerkuil, / want altijd wel gravend, het bloedende kind.’): ‘Spoorloos nu, in de bast de ruwe runen taal / en boosheid, daar ketsend neergegooid tot leeg / haar hand. Dromerig opgeraapt, klaarde het / glas weer vertes met hemels vol plannen.’ Indringend.
Sommige dingen weet je wel, maar toch ook weer niet. Dan heb je dichters om je op dergelijke kleine dingen te attenderen. Zo ‘leer’ ik van Roger Nupie dat kinderen een stam altijd bruin kleuren maar dat bomen zelden een bruine stam hebben. Vaker geel, groen, grijs, zilverachtig, zwart. Nupie’s observatie kadert in het drieluik De bomen van Ruth Rendell. Ook Het boekentoilet is in deze bloemlezing opgenomen, het gedicht dat de Antwerpse poëet schreef voor het gelijknamige project dat vijf jaar geleden in de Scheldestad werd gehouden. Dat Roger Nupie het literaire wereldje doorziet en kan relativeren blijkt uit zijn bijdrage Veel wind & weinig eieren, dat handelt over verwaandheid bij dichters: ‘Hoger hart, lagere ziel, / grote lantaarn, klein licht! / Eigen lof, eigen stof, / Grote parade, klein garnizoen.’ Verfrissend, dat iemand de dikwijls kibbelende en zichzelf overschattende dichtersbents eens een spiegel voorhoudt: ‘Louter dit ijdel gekakel, / veel wind & weinig eieren!’
Albert Hagenaars komt met een sextet waarin jeugdherinneringen omnipresent zijn. En die leveren veelal ijzersterke beelden op. In Slacht: 1959 zie je de vierjarige Hagenaars getuige zijn van de jaarlijkse slacht van het varken: ‘Het laatste keek me begripvol aan / terwijl de kogel haar tussen de ogen // trof en het trof mij nog vaak / dat zij toch bleef staan in de branding // van de dood, zoals ik later, minder bezonnen / maar vermeerderd, in die van de taal.’ Mooi, die branding van de dood en van de taal. In de eerste vier van zijn verzen duiken behalve het varken nog, voor zijn doen opvallend veel, meer dieren op: een (gevild) konijn, (vergane) vleermuizen en, in Pegasos: 1962, een (onbestaand) paard. Bij Pegasos ligt trouwens de kern van Hagenaars’ dichterschap. Hij merkte ooit op dat hij klasgenootjes enthousiast vertelde over het gevleugelde paard waarover hij in een bibliotheekboek had gelezen, en dat ze hem uitlachten omdat zo’n dier niet bestaat. Toen al realiseerde hij zich de kracht van de mythe. Ook sterk, uit Geef ons vrede: 1966: ‘Ergens boven verdwenen velden / vervlechten onze stemmen / nog altijd de oudste verlangens, // totdat ik ze niet meer kan ontwarren, / tenzij in het luisteren van een andere orde, / die zich niet laat kennen in woorden.’
Hannie Rouweler, de samenstelster en uitgeefster van de bloemlezing, sluit af. Van haar zijn vier gedichten opgenomen, telkens verdeeld in strofen van twee regels. De eerste drie tellen er tien, de laatste omvat er negen. Zonder kleur, Schemering, Vorm en fragment en Rood en zwart vormen Writer’s Block dat is opgedragen aan Wim van Til, de directeur van het Poëziecentrum Nederland die volgens mij nog nooit last heeft gehad van een schrijfblokkade. Het vierluik is een zoektocht naar woord en beeld. Rouweler houdt zich behalve met schrijven de laatste jaren ook met schilderen bezig. ‘Dat je moet kiezen, elke dag opnieuw, / alsof de doden ons nooit vergeten, / ons lot in hun handen ligt, en wij /tot leven en herdenken veroordeeld.’ Alsof de doden ons nooit vergeten. Sterk.
Al met al is Saturnus boven de Schelde (het aantal opgenomen dichters, tien, is overigens – een aardig weetje maar voor wie, als ik, niet tot de mysten behoort is het niet duidelijk welke conclusie daaraan te verbinden – gelijk aan het aantal manen dat Saturnus heeft) een boeiende bloemlezing met poëzie van dichters van uiteenlopend pluimage, goed voor een aantal uren leesgenoegen. Geen vociferatie, maar gewoon vakwerk van stielmensen. Meer moet dat soms niet zijn.
Saturnus boven de Schelde - Tien dichters uit Nederland en Vlaanderen, Demer Uitgeverij, http://www.lulu.com/, ISBN 978-90-813070-2-4
Saturnus boven de Schelde - Tien dichters uit Nederland en Vlaanderen, Demer Uitgeverij, http://www.lulu.com/, ISBN 978-90-813070-2-4
99% return to sender!
99% terug aan afzender!
Wanneer je op zekere dag zegt: “Ik wil een roman schrijven,” zul je kort erop worden geconfronteerd met de vraag: “Wie zal het boek uitgeven?” Ik bedoel: een uitgever investeert niet zomaar in een schrijver. Dit is zo. Al degenen die al eens een manuscript naar een uitgeverij hebben opgestuurd, zullen weten dat het zo is.
Deze vaststelling is niet bedoeld om chagrijnig af te geven op al die mensen die graag hun boek willen uitgeven, maar om informatie te geven. Wat gebeurt er met zo'n manuscript op een uitgeverij? Waarom gaat meer dan 99% van die manuscripten weer terug naar de afzender?
Bij de grote literaire uitgeverijen van Nederland en Vlaanderen komen elke dag twee tot vijf manuscripten binnen. Bijna elke uitgeverij gaat daar anders mee om, maar geen een uitgeverij doet er helemaal niets mee. Ze worden altijd door iemand bekeken, of dat nu de uitgever zelf is of een secretaresse, dat heb je niet voor het zeggen.
In de meeste gevallen worden de manuscripten ingeschreven - in een computersysteem - voor er een eerste selectie plaatsvindt. Manuscripten zijn dan altijd te traceren: wanneer zijn ze binnengekomen, is er een ontvangstbrief gestuurd, wanneer ging het terug? Een van de redacteuren of een externe lezer maakt de eerste keus wat meteen terugkan: veel manuscripten hebben een genre die de uitgeverij niet uitgeeft en worden dus tevergeefs gestuurd. Meestal gaan ze meteen terug.
Na deze eerste selectie, wordt er echt gelezen. Door de uitgever, een redacteur of een externe lezer die de uitgeverij adviseert. Ook hier vallen in rap tempo manuscripten af. Vaak is al aan een paar alinea's te zien of het een goed boek gaat worden, of een boek voor de betreffende uitgeverij. Pas als een redacteur twijfelt of juist enthousiast is, leest een collega mee. In alle andere gevallen: return to sender.
Is de uitgeverij enthousiast, dan wordt er een afspraak gemaakt met de schrijver. In bijna alle gevallen zal de uitgeverij adviezen voor verbetering van het boek aandragen. Ook beroemde auteurs worden in hun schrijven begeleid en krijgen kritiek op de eerste versie van hun manuscripten, daar zijn de redacteuren per slot van rekening voor. Als de schrijver aan zijn boek wil werken, wordt er meestal eerst een volgende versie afgewacht alvorens hem of haar een contract wordt aangeboden. Dit gaat uiteraard allemaal in onderling overleg.
Is er eenmaal een contract dan begint het maken van het boek.
Waarom worden zoveel manuscripten afgewezen?
Er wordt altijd gezegd: van alle manuscripten die op de uitgeverij binnenkomen gaat 99,99% weer terug. Het getal zal niet zo hoog zijn, maar het komt er dicht in de buurt. Er zijn gevallen bekend van later beroemd geworden auteurs die “uit de post” gehaald zijn, of eerst jaren zijn afgewezen en toen topauteurs zijn geworden. Erg talrijk zijn die verhalen echter niet.
Wat zijn de meest voorkomende tekortkomingen van de ingestuurde manuscripten?
Er wordt alles aan gedaan om het boek spannend te maken. Literair spannend of thriller spannend. Alles wat er staat is op de plot gericht, het verhaal wordt ingewikkeld gemaakt en vele clous worden gegeven. Dat een boek onderhoudend moet zijn en niet alleen een skelet moet hebben maar ook vlees aan de botten, wordt soms vergeten.
De taal is “gewild literair”. De schrijver gaat literatuur schrijven en dat zal de lezer weten. Archaïsche woorden en bombastische metaforen volgen elkaar in rap tempo op en de ene ingewikkelde zinsconstructie volgt op de andere. Tenslotte valt de schrijver terug op clichés. Schrijven is echter je onderscheiden: niet alleen in het verhaal dat je vertelt, ook in de taal die je gebruikt.
In veel manuscripten zit geen humor of wordt niet gerelativeerd. De hoofdpersoon wordt uiterst serieus genomen en doet het altijd goed of altijd fout. Hij wordt daardoor niet een personage van vlees en bloed. Al zijn gedachten, overpeinzingen en de motivatie achter zijn handelingen worden beschreven, zodat er niets aan de verbeelding van de lezer wordt overgelaten. Juist door dingen echter niet allemaal uit te leggen, kun je een zekere spanning oproepen.
Geweld en sex: dat moet, vinden veel schrijvers. Zoals veel filmers denken: zonder sex-scène, geen goede film, zo zullen veel schrijvers denken: zonder sex geen literatuur. In een boek kun je die passages beter overslaan. De sex zit dan in het hoofd van de lezer.
Een gevoelig punt zijn de 100% autobiografische boeken, vaak met een tragische inhoud. Hoe hard het ook klinkt: vaak zijn die verhalen te privé om voor een breder publiek geschikt te zijn. Er komen allerlei namen en verwijzingen naar vroegere gebeurtenissen in voor die de lezer niets zeggen: hij is geen naaste familie, geen vriend en weet dus niets van wat er is gebeurd. Hier is belangrijk: om afstand te nemen tot het eigen verhaal en zich de vraag te stellen: wat kan een ander hiermee en waarom moet dit verhaal de wereld in? Het beoordelen van eigen werk is een van de moeilijkste dingen die er zijn. Laat het eerst een tijd liggen of vraag het aan een kennis die genoeg van de situatie weet om het verhaal te begrijpen en genoeg afstand heeft om het voor de buitenwereld te bekijken.
De lezer is héél belangrijk! De schrijver moet zich van een lezer bewust zijn en spelen met zijn aandacht. Waarom is een boek spannend? Omdat een schrijver maar stukje bij beetje prijsgeeft hoe de vork in de steel zit. Waarom is een boek romantisch? Omdat een van de personages verliefd is op een ander personage en het nog niet meteen duidelijk is of het wat gaat worden. Dit spel met de lezer geldt op alle niveaus: structureel, in de taal, maar ook in de humor, in het relativeren, in de keuze van het perspectief en zo voort. Leg dus niet teveel uit. Onderschat de lezer niet. Als de schrijver niet geïnteresseerd is in de lezer, waarom zou de lezer dan in de schrijver geïnteresseerd moeten zijn?
Joris Dewolf
Wanneer je op zekere dag zegt: “Ik wil een roman schrijven,” zul je kort erop worden geconfronteerd met de vraag: “Wie zal het boek uitgeven?” Ik bedoel: een uitgever investeert niet zomaar in een schrijver. Dit is zo. Al degenen die al eens een manuscript naar een uitgeverij hebben opgestuurd, zullen weten dat het zo is.
Deze vaststelling is niet bedoeld om chagrijnig af te geven op al die mensen die graag hun boek willen uitgeven, maar om informatie te geven. Wat gebeurt er met zo'n manuscript op een uitgeverij? Waarom gaat meer dan 99% van die manuscripten weer terug naar de afzender?
Bij de grote literaire uitgeverijen van Nederland en Vlaanderen komen elke dag twee tot vijf manuscripten binnen. Bijna elke uitgeverij gaat daar anders mee om, maar geen een uitgeverij doet er helemaal niets mee. Ze worden altijd door iemand bekeken, of dat nu de uitgever zelf is of een secretaresse, dat heb je niet voor het zeggen.
In de meeste gevallen worden de manuscripten ingeschreven - in een computersysteem - voor er een eerste selectie plaatsvindt. Manuscripten zijn dan altijd te traceren: wanneer zijn ze binnengekomen, is er een ontvangstbrief gestuurd, wanneer ging het terug? Een van de redacteuren of een externe lezer maakt de eerste keus wat meteen terugkan: veel manuscripten hebben een genre die de uitgeverij niet uitgeeft en worden dus tevergeefs gestuurd. Meestal gaan ze meteen terug.
Na deze eerste selectie, wordt er echt gelezen. Door de uitgever, een redacteur of een externe lezer die de uitgeverij adviseert. Ook hier vallen in rap tempo manuscripten af. Vaak is al aan een paar alinea's te zien of het een goed boek gaat worden, of een boek voor de betreffende uitgeverij. Pas als een redacteur twijfelt of juist enthousiast is, leest een collega mee. In alle andere gevallen: return to sender.
Is de uitgeverij enthousiast, dan wordt er een afspraak gemaakt met de schrijver. In bijna alle gevallen zal de uitgeverij adviezen voor verbetering van het boek aandragen. Ook beroemde auteurs worden in hun schrijven begeleid en krijgen kritiek op de eerste versie van hun manuscripten, daar zijn de redacteuren per slot van rekening voor. Als de schrijver aan zijn boek wil werken, wordt er meestal eerst een volgende versie afgewacht alvorens hem of haar een contract wordt aangeboden. Dit gaat uiteraard allemaal in onderling overleg.
Is er eenmaal een contract dan begint het maken van het boek.
Waarom worden zoveel manuscripten afgewezen?
Er wordt altijd gezegd: van alle manuscripten die op de uitgeverij binnenkomen gaat 99,99% weer terug. Het getal zal niet zo hoog zijn, maar het komt er dicht in de buurt. Er zijn gevallen bekend van later beroemd geworden auteurs die “uit de post” gehaald zijn, of eerst jaren zijn afgewezen en toen topauteurs zijn geworden. Erg talrijk zijn die verhalen echter niet.
Wat zijn de meest voorkomende tekortkomingen van de ingestuurde manuscripten?
Er wordt alles aan gedaan om het boek spannend te maken. Literair spannend of thriller spannend. Alles wat er staat is op de plot gericht, het verhaal wordt ingewikkeld gemaakt en vele clous worden gegeven. Dat een boek onderhoudend moet zijn en niet alleen een skelet moet hebben maar ook vlees aan de botten, wordt soms vergeten.
De taal is “gewild literair”. De schrijver gaat literatuur schrijven en dat zal de lezer weten. Archaïsche woorden en bombastische metaforen volgen elkaar in rap tempo op en de ene ingewikkelde zinsconstructie volgt op de andere. Tenslotte valt de schrijver terug op clichés. Schrijven is echter je onderscheiden: niet alleen in het verhaal dat je vertelt, ook in de taal die je gebruikt.
In veel manuscripten zit geen humor of wordt niet gerelativeerd. De hoofdpersoon wordt uiterst serieus genomen en doet het altijd goed of altijd fout. Hij wordt daardoor niet een personage van vlees en bloed. Al zijn gedachten, overpeinzingen en de motivatie achter zijn handelingen worden beschreven, zodat er niets aan de verbeelding van de lezer wordt overgelaten. Juist door dingen echter niet allemaal uit te leggen, kun je een zekere spanning oproepen.
Geweld en sex: dat moet, vinden veel schrijvers. Zoals veel filmers denken: zonder sex-scène, geen goede film, zo zullen veel schrijvers denken: zonder sex geen literatuur. In een boek kun je die passages beter overslaan. De sex zit dan in het hoofd van de lezer.
Een gevoelig punt zijn de 100% autobiografische boeken, vaak met een tragische inhoud. Hoe hard het ook klinkt: vaak zijn die verhalen te privé om voor een breder publiek geschikt te zijn. Er komen allerlei namen en verwijzingen naar vroegere gebeurtenissen in voor die de lezer niets zeggen: hij is geen naaste familie, geen vriend en weet dus niets van wat er is gebeurd. Hier is belangrijk: om afstand te nemen tot het eigen verhaal en zich de vraag te stellen: wat kan een ander hiermee en waarom moet dit verhaal de wereld in? Het beoordelen van eigen werk is een van de moeilijkste dingen die er zijn. Laat het eerst een tijd liggen of vraag het aan een kennis die genoeg van de situatie weet om het verhaal te begrijpen en genoeg afstand heeft om het voor de buitenwereld te bekijken.
De lezer is héél belangrijk! De schrijver moet zich van een lezer bewust zijn en spelen met zijn aandacht. Waarom is een boek spannend? Omdat een schrijver maar stukje bij beetje prijsgeeft hoe de vork in de steel zit. Waarom is een boek romantisch? Omdat een van de personages verliefd is op een ander personage en het nog niet meteen duidelijk is of het wat gaat worden. Dit spel met de lezer geldt op alle niveaus: structureel, in de taal, maar ook in de humor, in het relativeren, in de keuze van het perspectief en zo voort. Leg dus niet teveel uit. Onderschat de lezer niet. Als de schrijver niet geïnteresseerd is in de lezer, waarom zou de lezer dan in de schrijver geïnteresseerd moeten zijn?
Joris Dewolf
Ik beken
Ik beken
Ik beken ik ben licht
geraakt van binnen
mijn zinnen zijn op drift
sedert ik het gewicht
van mijn woorden gezwicht
voor omver geblazen
ik druip af een reikende
hand lijkt mij hoog gegrepen
ik mijd zonlicht verman
mij in het daglicht van
mijn droom man te worden
onder de vrouwen van
mijn leeftijd lijkt mij een
oorbare gedachte.
Thierry Deleu
Ik beken ik ben licht
geraakt van binnen
mijn zinnen zijn op drift
sedert ik het gewicht
van mijn woorden gezwicht
voor omver geblazen
ik druip af een reikende
hand lijkt mij hoog gegrepen
ik mijd zonlicht verman
mij in het daglicht van
mijn droom man te worden
onder de vrouwen van
mijn leeftijd lijkt mij een
oorbare gedachte.
Thierry Deleu
Nieuwegeinse Literatuurprijs 2008
Sylvie Marie en Roy Haverkamp winnen NLP 2008
Op dinsdag 11 november 2008 is in de Nieuwegeinse bibliotheek de Nieuwegeinse Literatuurprijs 2008 uitgereikt door de schrijfster Pauline Slot. In de categorie poëzie ging de prijs naar Sylvie Marie voor haar gedicht "Wens". De jury schrijft over het gedicht: "het getuigt van een pregnante zeggingskracht. De auteur weet met een minimum aan woorden een maximum aan expressie te bereiken." In de categorie proza ging de prijs naar het verhaal "Wildseizoen" van Roy Haverkamp. Een prachtig verhaal, dat in de eindsprint nipt won van het verhaal "Lentekoorts" van Sabine Ernst. De jury geeft dit verhaal dan ook een eervolle vermelding.
De winnaars ontvingen een kunstwerk van de Nieuwegeinse kunstenares Marja Koopmans, publicatie in het literaire tijdschrift OpSpraak magazine en een bos bloemen.
De Nieuwegeinse Literatuurprijs is in 1999 in het leven geroepen als opvolger van de OpSpraak Poëzieprijs, een initiatief van Stichting BeeldSpraak en genoemd naar het literaire tijdschrift OpSpraak. Het doel van de prijsvraag is het stimuleren van zowel schrijven als lezen. Vandaar dat bij het omdopen van de prijs vanaf het jaar 2000 niet alleen een prijs voor het beste gedicht wordt uitgereikt, maar ook een voor het beste verhaal. De NLP is dit jaar voor de negende keer uitgereikt.
De uitreiking vindt jaarlijks plaats tijdens een literaire avond die samen met de Nieuwegeinse bibliotheek wordt georganiseerd. Dit jaar hield Pauline Slot een lezing. De avond werd gepresenteerd door Jet van Swieten.
Kijk voor het juryrapport op www.opspraak.net >
Secretariaat: Israëlslaan 37, 3431 AS Nieuwegein
ABN AMRO BANK 56.84.02.170, t.n.v. Stichting BeeldSpraak, Nieuwegein
mhtml:%7BAB1B2ECB-2F6B-4A5A-B158-12E0DA8E27C9%7Dmid://00000206/!x-usc:mailto:info@opspraak.net http://www.opspraak.net%20%3e/
Op dinsdag 11 november 2008 is in de Nieuwegeinse bibliotheek de Nieuwegeinse Literatuurprijs 2008 uitgereikt door de schrijfster Pauline Slot. In de categorie poëzie ging de prijs naar Sylvie Marie voor haar gedicht "Wens". De jury schrijft over het gedicht: "het getuigt van een pregnante zeggingskracht. De auteur weet met een minimum aan woorden een maximum aan expressie te bereiken." In de categorie proza ging de prijs naar het verhaal "Wildseizoen" van Roy Haverkamp. Een prachtig verhaal, dat in de eindsprint nipt won van het verhaal "Lentekoorts" van Sabine Ernst. De jury geeft dit verhaal dan ook een eervolle vermelding.
De winnaars ontvingen een kunstwerk van de Nieuwegeinse kunstenares Marja Koopmans, publicatie in het literaire tijdschrift OpSpraak magazine en een bos bloemen.
De Nieuwegeinse Literatuurprijs is in 1999 in het leven geroepen als opvolger van de OpSpraak Poëzieprijs, een initiatief van Stichting BeeldSpraak en genoemd naar het literaire tijdschrift OpSpraak. Het doel van de prijsvraag is het stimuleren van zowel schrijven als lezen. Vandaar dat bij het omdopen van de prijs vanaf het jaar 2000 niet alleen een prijs voor het beste gedicht wordt uitgereikt, maar ook een voor het beste verhaal. De NLP is dit jaar voor de negende keer uitgereikt.
De uitreiking vindt jaarlijks plaats tijdens een literaire avond die samen met de Nieuwegeinse bibliotheek wordt georganiseerd. Dit jaar hield Pauline Slot een lezing. De avond werd gepresenteerd door Jet van Swieten.
Kijk voor het juryrapport op www.opspraak.net >
Secretariaat: Israëlslaan 37, 3431 AS Nieuwegein
ABN AMRO BANK 56.84.02.170, t.n.v. Stichting BeeldSpraak, Nieuwegein
mhtml:%7BAB1B2ECB-2F6B-4A5A-B158-12E0DA8E27C9%7Dmid://00000206/!x-usc:mailto:info@opspraak.net http://www.opspraak.net%20%3e/
11 november 2008
11 november - Fernand Florizoone
Vragen hangen
bladerloos in november,
hectaren jonge namen
liggen in de mist van eer,
alleen een moeder binnenin
blijft wonde van haar kind.
Florizoone Fernand
Uit Mijn spraak is in de rui
uitgeverij P - 1997
bladerloos in november,
hectaren jonge namen
liggen in de mist van eer,
alleen een moeder binnenin
blijft wonde van haar kind.
Florizoone Fernand
Uit Mijn spraak is in de rui
uitgeverij P - 1997
Hannie Rouweler
WOORDEN IN EEN ABDIJ
Dat woorden thuis horen in een abdij
klinkt niet redeloos in mijn oren.
Gedichten hebben ruimte nodig, moeten weg kunnen
vliegen als witte duiven en nooit meer terugkomen.
In een abdij zijn boeken veilig en ongezien bewaakt.
Ze liggen op de kale vloer van de kelder bijeen,
stapel op stapel. Elke maand komen er woorden bij
in allerlei talen. Wie uit zijn donkere cel stapt hoort ze praten,
de onderste woorden met de bovenste op de stapels
en het is een ware kakofonie van geluiden alsof
instrumenten worden gestemd bij een klassiek concert.
Het wordt hoog tijd dat de dirigent ten tonele verschijnt.
Maar de dirigent blijft weg en is een God in onzichtbaarheid.
We moeten meer bidden, meer geloven, en de woorden
weten dat ook, maar gaan tekeer in onverstaanbaarheid.
De beste plek is een abdij, ’s nachts, als de hel losbreekt en
in de ochtend wordt gedoofd. Zo stil dat je geen muis hoort.
Ik ken een man die al zijn boeken vrijwillig naar een abdij brengt.
Hij weet niet welke woorden bij elkaar horen, en welke titels
je beter apart legt voor de vrede, de liefde, het geluk van het lezen.
De witte muren bewaren hun geheimen. Ze fluisteren dat monniken
’s nachts door de lange gangen dolen op zoek naar vuile woorden.
(HR)
Dat woorden thuis horen in een abdij
klinkt niet redeloos in mijn oren.
Gedichten hebben ruimte nodig, moeten weg kunnen
vliegen als witte duiven en nooit meer terugkomen.
In een abdij zijn boeken veilig en ongezien bewaakt.
Ze liggen op de kale vloer van de kelder bijeen,
stapel op stapel. Elke maand komen er woorden bij
in allerlei talen. Wie uit zijn donkere cel stapt hoort ze praten,
de onderste woorden met de bovenste op de stapels
en het is een ware kakofonie van geluiden alsof
instrumenten worden gestemd bij een klassiek concert.
Het wordt hoog tijd dat de dirigent ten tonele verschijnt.
Maar de dirigent blijft weg en is een God in onzichtbaarheid.
We moeten meer bidden, meer geloven, en de woorden
weten dat ook, maar gaan tekeer in onverstaanbaarheid.
De beste plek is een abdij, ’s nachts, als de hel losbreekt en
in de ochtend wordt gedoofd. Zo stil dat je geen muis hoort.
Ik ken een man die al zijn boeken vrijwillig naar een abdij brengt.
Hij weet niet welke woorden bij elkaar horen, en welke titels
je beter apart legt voor de vrede, de liefde, het geluk van het lezen.
De witte muren bewaren hun geheimen. Ze fluisteren dat monniken
’s nachts door de lange gangen dolen op zoek naar vuile woorden.
(HR)
Boekenbeurs: bleke authenticiteit, glimmende vermeendheid!
Het kost mij geen moeite om toe te geven dat ik ook dit jaar niet naar de Boekenbeurs ben geweest. Ik had er niets te zoeken. Mijn boeken zijn er in de loop van de voorbije drie decennia ook zelden te koop aangeboden. Ik behoor tot de auteurs die ofwel geen commerciële uitgeverij vonden of er geen zochten. Het Pablo Nerudafonds Brugge en Paradox Pers Antwerpen waren uitzonderingen op de regel.
Bekende Vlamingen hadden alweer met het oog op die jaarlijkse manifestatie hun naam aan drukwerk verbonden. Ik vind die buitenproportionele bijval van al die loze boeken niet koosjer. Het liep er storm voor Lien Van de Kelder en Evy Gruyaert, die zogenaamd een boek over dansen hadden geschreven, voor Johny Voners en Kelly Pfaff, voor de Planckaerts (ik geef het voordeel van de twijfel aan Stephanie). Het publiek gedroeg zich alsof het stond te drommen voor “Tien om te Zien”, met veel rood aangelopen hoofden, en kiekjes schieten met multifunctionele mobieltjes.
Tussendoor zaten echte schrijvers sip voor zich uit te kijken, onbeklant en bedrukt.
Ik ben echt blij dat ik er niet moest zijn, er naartoe gaan zal ik niet (meer) doen.
De “schrijvende” BV’s weten dat er geen boek in hen schuilt, hoogstens een lintworm. Maar ze treffen geen schuld, het zijn alweer de “commerciële” uitgevers die de populaire BV’s op het idee brengen een boek te (laten) schrijven. Die uitgevers weten al lang niet meer wat kwaliteitsbewaking betekent, wel dat het een oneconomisch gegeven is. Ten slotte, het boek is banale handelswaar.
Uit interviews maak ik op dat die populaire nitwits hun eigen boek niet hebben gelezen.
Ik beken dat ik ook aan ghostwriting heb gedaan, maar het ging slechts om speeches en artikels voor geleerde politici, die geen tijd konden maken voor zaken die zij niet beheersten.
Conclusie: je kunt er als echte schrijver die geen kunstjes opvoert op de tv niet meer tegenop. En toch, mijn gevoel voor harmonie zegt dat vermeende schrijvers als Lien Van de Kelder, Evy Gruyaert, Johny Voners, Kelly Pfaff, Natalia, Piet Huysentruyt, Belle Perez eigenlijk op een braderie thuishoren of op signeersessies in warenhuizen als Aldi, Lidl en Wibra.
Thierry Deleu
Bekende Vlamingen hadden alweer met het oog op die jaarlijkse manifestatie hun naam aan drukwerk verbonden. Ik vind die buitenproportionele bijval van al die loze boeken niet koosjer. Het liep er storm voor Lien Van de Kelder en Evy Gruyaert, die zogenaamd een boek over dansen hadden geschreven, voor Johny Voners en Kelly Pfaff, voor de Planckaerts (ik geef het voordeel van de twijfel aan Stephanie). Het publiek gedroeg zich alsof het stond te drommen voor “Tien om te Zien”, met veel rood aangelopen hoofden, en kiekjes schieten met multifunctionele mobieltjes.
Tussendoor zaten echte schrijvers sip voor zich uit te kijken, onbeklant en bedrukt.
Ik ben echt blij dat ik er niet moest zijn, er naartoe gaan zal ik niet (meer) doen.
De “schrijvende” BV’s weten dat er geen boek in hen schuilt, hoogstens een lintworm. Maar ze treffen geen schuld, het zijn alweer de “commerciële” uitgevers die de populaire BV’s op het idee brengen een boek te (laten) schrijven. Die uitgevers weten al lang niet meer wat kwaliteitsbewaking betekent, wel dat het een oneconomisch gegeven is. Ten slotte, het boek is banale handelswaar.
Uit interviews maak ik op dat die populaire nitwits hun eigen boek niet hebben gelezen.
Ik beken dat ik ook aan ghostwriting heb gedaan, maar het ging slechts om speeches en artikels voor geleerde politici, die geen tijd konden maken voor zaken die zij niet beheersten.
Conclusie: je kunt er als echte schrijver die geen kunstjes opvoert op de tv niet meer tegenop. En toch, mijn gevoel voor harmonie zegt dat vermeende schrijvers als Lien Van de Kelder, Evy Gruyaert, Johny Voners, Kelly Pfaff, Natalia, Piet Huysentruyt, Belle Perez eigenlijk op een braderie thuishoren of op signeersessies in warenhuizen als Aldi, Lidl en Wibra.
Thierry Deleu
10 november 2008
Nog een cursiefje van Iris
BUITENPOST HEEN EN TERUG
Voor het eerst sinds geruime tijd zou je reizen: Friesland heen en terug. Om 10u vertrekken en om 16u aankomen was precies hetgeen je zocht. De hele dag was er om het uur een trein met aansluitingen, en dit eveneens voor de terugreis, 6 u. onderweg, beter kon je het niet wensen. Mooi zo'n treinreis, veel minder vermoeiend dan een halve dag met de wagen rijden. Brussel, Antwerpen, Roosendael, Rotterdam Centraal: je was al een heel eind gevorderd. Er was een uurtje tussenstop, tijd om op een terras een koffie te drinken gezeten in de najaarszon. Een stuk appeltaart met slagroom mochten niet ontbreken. Nog voor je het wist was je al opnieuw onderweg. Drie uren later stapte je uit de trein, in Leeuwarden. Opnieuw een trein genomen. Een half uur later was je in Buitenpost. Een paar seconden keek je om je heen: daar stond één van jouw zeldzame, meest dierbare vrienden: Atze van Wieren: dichter in hart en nieren.
De dag verliep stralend tussen het gastvrij echtpaar en andere toegesnelde vrienden. Het werd een buitengewoon gezellig samenzijn, in een huis dat een ziel bezit en waarin een hart klopt. Er werd verteld over mensen, boeken en dingen. Toen je jezelf toedekte met het donsveren dekbed voelde je je geborgen. Je viel meteen in slaap, niet zonder eerst nog een keertje aan thuis gedacht te hebben. Bij het opstaan vond je de tafel mooi gedekt met heerlijke spijzen, teveel om op te noemen. Friezen weten hoé hun gasten te ontvangen, dat merk je meteen. Kwart voor elf werd je uitgewuifd. Je wuifde dankbaar terug. In Rotterdam Centraal vroeg je een reiziger het nummer van het perron voor de trein naar Brussel: spoor 1, zei de man. Voor alle zekerheid vroeg je het ook nog een stationsbediende. spoor 4, zei hij. Dan maar liever zelf gaan kijken. Op spoor 4 stond Intercity Breda aangeduid. De trein kwam meteen al aangerold terwijl je een meisje vroeg of de trein naar Brussel reed. Ze wist het ook niet. De trein stopte in Breda. Weifelend bleef je zitten. Een poos later reed hij Tilburg voorbij. Dan begon het te dagen. Er zat niets anders op dan een paar reizigers te vragen of de trein naar Brussel reed. Nee, hij reed naar Duitsland. Intussen naderden we Eindhoven. Daar stapte je noodgedwongen uit, je moest terug vanwaar je gekomen was. Opnieuw trappen op en trappen af, beladen met pak en zak. In Eindhoven telde je de treden, 30 op en 30 af. Er zouden er nog heel wat te tellen vallen eer je uitgetreind was. In Breda moest je overstappen en de trein nemen naar Roosendael. Je zat al lang niet meer in een eersteklascoupé, het kon je, doodmoe als je was, gestolen worden. Tussen een hoop vermoeide zittende en staande mensen zat je. Je vroeg één van hen hoe het in Breda verder moest. Je moet perron 6 verlaten de trappen af, dan links en dan de trappen op. Onzeker stond je op het perron. Dezelfde jongen die je ingelicht had kwam naar je toe. Hierlangs, zei hij, naar beneden, om de hoek links gaat het naar boven. Hij vergezelde je tot op het ander perron. Een uur wachten eer je aansluiting had. In de brasserie van het station dronk je thee, je at een sandwich, en je schreef een gedicht over dat je eerder op de dag in de trein in het klad geschreven had. Eindelijk kwam de trein eraan: Roosendael-Brussel. Toen je uitgeloogd in de wagen zat waarmee je afgehaald werd, rekende je uit hoeveel traptreden je opgeklommen en afgedaald was met je bagage. Je vermenigvuldigde 5 x 30 x 2 en je kwam op 300. Je deed er een hele dag over om een stuk over middernacht thuis te geraken. Je was op weg geweest met de Intercity naar Duitsland, misschien wel naar Rusland, zou ook niet slecht geweest zijn want een stevige borrel wodka zou wonderen hebben verricht. En maar kilometers stappen en gratis reizen in de verkeerde richting. Heel veel liefs en dank, beste Friese vrienden. Eén ding is zeker: Buitenpost werkt ongelooflijk verjongend!
Zie ook: http://www.coquelicot.com.py/
Schrijver: Iris Van de Casteele, 05-11-2008
Voor het eerst sinds geruime tijd zou je reizen: Friesland heen en terug. Om 10u vertrekken en om 16u aankomen was precies hetgeen je zocht. De hele dag was er om het uur een trein met aansluitingen, en dit eveneens voor de terugreis, 6 u. onderweg, beter kon je het niet wensen. Mooi zo'n treinreis, veel minder vermoeiend dan een halve dag met de wagen rijden. Brussel, Antwerpen, Roosendael, Rotterdam Centraal: je was al een heel eind gevorderd. Er was een uurtje tussenstop, tijd om op een terras een koffie te drinken gezeten in de najaarszon. Een stuk appeltaart met slagroom mochten niet ontbreken. Nog voor je het wist was je al opnieuw onderweg. Drie uren later stapte je uit de trein, in Leeuwarden. Opnieuw een trein genomen. Een half uur later was je in Buitenpost. Een paar seconden keek je om je heen: daar stond één van jouw zeldzame, meest dierbare vrienden: Atze van Wieren: dichter in hart en nieren.
De dag verliep stralend tussen het gastvrij echtpaar en andere toegesnelde vrienden. Het werd een buitengewoon gezellig samenzijn, in een huis dat een ziel bezit en waarin een hart klopt. Er werd verteld over mensen, boeken en dingen. Toen je jezelf toedekte met het donsveren dekbed voelde je je geborgen. Je viel meteen in slaap, niet zonder eerst nog een keertje aan thuis gedacht te hebben. Bij het opstaan vond je de tafel mooi gedekt met heerlijke spijzen, teveel om op te noemen. Friezen weten hoé hun gasten te ontvangen, dat merk je meteen. Kwart voor elf werd je uitgewuifd. Je wuifde dankbaar terug. In Rotterdam Centraal vroeg je een reiziger het nummer van het perron voor de trein naar Brussel: spoor 1, zei de man. Voor alle zekerheid vroeg je het ook nog een stationsbediende. spoor 4, zei hij. Dan maar liever zelf gaan kijken. Op spoor 4 stond Intercity Breda aangeduid. De trein kwam meteen al aangerold terwijl je een meisje vroeg of de trein naar Brussel reed. Ze wist het ook niet. De trein stopte in Breda. Weifelend bleef je zitten. Een poos later reed hij Tilburg voorbij. Dan begon het te dagen. Er zat niets anders op dan een paar reizigers te vragen of de trein naar Brussel reed. Nee, hij reed naar Duitsland. Intussen naderden we Eindhoven. Daar stapte je noodgedwongen uit, je moest terug vanwaar je gekomen was. Opnieuw trappen op en trappen af, beladen met pak en zak. In Eindhoven telde je de treden, 30 op en 30 af. Er zouden er nog heel wat te tellen vallen eer je uitgetreind was. In Breda moest je overstappen en de trein nemen naar Roosendael. Je zat al lang niet meer in een eersteklascoupé, het kon je, doodmoe als je was, gestolen worden. Tussen een hoop vermoeide zittende en staande mensen zat je. Je vroeg één van hen hoe het in Breda verder moest. Je moet perron 6 verlaten de trappen af, dan links en dan de trappen op. Onzeker stond je op het perron. Dezelfde jongen die je ingelicht had kwam naar je toe. Hierlangs, zei hij, naar beneden, om de hoek links gaat het naar boven. Hij vergezelde je tot op het ander perron. Een uur wachten eer je aansluiting had. In de brasserie van het station dronk je thee, je at een sandwich, en je schreef een gedicht over dat je eerder op de dag in de trein in het klad geschreven had. Eindelijk kwam de trein eraan: Roosendael-Brussel. Toen je uitgeloogd in de wagen zat waarmee je afgehaald werd, rekende je uit hoeveel traptreden je opgeklommen en afgedaald was met je bagage. Je vermenigvuldigde 5 x 30 x 2 en je kwam op 300. Je deed er een hele dag over om een stuk over middernacht thuis te geraken. Je was op weg geweest met de Intercity naar Duitsland, misschien wel naar Rusland, zou ook niet slecht geweest zijn want een stevige borrel wodka zou wonderen hebben verricht. En maar kilometers stappen en gratis reizen in de verkeerde richting. Heel veel liefs en dank, beste Friese vrienden. Eén ding is zeker: Buitenpost werkt ongelooflijk verjongend!
Zie ook: http://www.coquelicot.com.py/
Schrijver: Iris Van de Casteele, 05-11-2008
Cursiefje van Iris
EVA EN HAAR GESCHRIFTEN
Het gaat niet om Eva uit het aards paradijs die Adam het hoofd op hol bracht. Het gaat ook niet om Eva de Perón die door de arme mensen van haar land aanbeden werd. Er zijn nog andere vrouwen en meisjes die de mooie naam Eva dragen, bekende en onbekende. Om over een onbekende iets te schrijven moet je alles bijeenzoeken en bijeenvergaren wat je over haar kunt ontdekken. Achteraf voeg je alles samen en krijg je een beeld.
Het kan best zijn dat een mens niet altijd een uitweg ziet in het uitzichtloze dat de moderne tijd met zich meebrengt. Te weinig echte vrienden. Geen aandacht van degenen die achteloos aan je voorbijgaan. Te weinig begrip voor je problemen die niet opgelost kunnen worden in een korte tijdsperiode. Daarin herken je Eva die al geruime tijd heel wat van je gedachten en gevoelens in beslag neemt.
Eva is iemand die nergens zou opvallen ware het niet dat ze haar kommer en kwel, en haar kortstondige momenten van geluk, samenvat in geschriften. Ergens in Zeeuws-Vlaanderen moet ze wonen, in een gezellig huurhuisje, daar waar de klaproos nog niet helemaal uitgestorven is, en waar de regenboog af en toe schittert boven het poldergebied; dingen die haar bijzonder lief zijn. Hetgeen ze te vertellen heeft slaat ze op in haar pc en dat is niet weinig. Ze stelt zich niet de vraag of haar voortbrengselen literaire waarde hebben. Ze schrijft. Je zou bijna gaan denken dat ze niet anders doet dan schrijven. Doch niets is minder waar. Eva steekt veel meer tijd in het observeren van dingen dan in haar geschriften. In het waarnemen van toestanden waarin ze zich al dan niet kan vinden blinkt ze uit. Verder klaagt ze steen en been wanneer de rekeningen van water en elektriciteit de pan uitswingen, hetgeen gepaard gaat met bijval van degenen die dezelfde opdoffer krijgen van de op grove winst rekenende water- of elektriciteitsbonzen. En dat ze telkens weer dure zakken voeder koopt om de vele vogels te voederen die elke dag haar tuin bevolken, is ook iets wat Eva tot eer strekt omdat ze niet berekent hoeveel blijdschap die vogels haar zullen brengen.
Uit haar geschriften valt heel wat te leren. Hoe ze er soms moedeloos gaat bijzitten. En hoe het moet voelen als één tegen allen te moeten optornen tegen een tekort aan zelfbewustzijn; een karaktertrek die ten onrechte beschouwd wordt als een gebrek. Hoe haar ingeprent wordt hoe ze meer moed aan de dag moet leggen. Hoe ze niet altijd alle kwaad van de wereld op haar schouders moet laden. Hoe ze best wat minder aan zichzelf zou gaan twijfelen; meer zelfzekerheid zou moeten opbrengen. Er wordt haar heel wat ingeprent. Al dat ingeprente goedje vindt een uitweg in Eva's woorden die langs nederlands.nl op het computerscherm verschijnen. Het is veel wat haar geplaagde hersenen moeten verwerken.
Doch er moet méér zijn aan deze Eva dat je zo begaan bent met het wel en wee dat haar overkomt; dat haar woorden je zo diep kunnen raken. Hetgeen aan haar te ontdekken valt is moeilijk te omschrijven ofschoon het in een paar zinnen samen te vatten valt: Eva is humaan. Eva is oprecht. Eva is genereus. Eva is zichzelf gebleven ondanks de harde slagen die het leven haar heeft toegebracht. Ze schrijft dingen van zich af en ze schrijft dingen naar zich toe. Eva geeft niet op; ze worstelt zich door het leven. Wat vooral opvalt is haar ongeschonden ziel die ze in haar geribbelde geschriften telkens weer blootlegt. De lezer kan er alle kanten mee uit: hij negeert ze of hij puurt er de nectar uit zoals sommige vogels nectar puren uit de meest zeldzame bloemen.
Zie ook: http://www.coquelicot.com.py/
Schrijver: Iris Van de Casteele, 28-10-2008
Het gaat niet om Eva uit het aards paradijs die Adam het hoofd op hol bracht. Het gaat ook niet om Eva de Perón die door de arme mensen van haar land aanbeden werd. Er zijn nog andere vrouwen en meisjes die de mooie naam Eva dragen, bekende en onbekende. Om over een onbekende iets te schrijven moet je alles bijeenzoeken en bijeenvergaren wat je over haar kunt ontdekken. Achteraf voeg je alles samen en krijg je een beeld.
Het kan best zijn dat een mens niet altijd een uitweg ziet in het uitzichtloze dat de moderne tijd met zich meebrengt. Te weinig echte vrienden. Geen aandacht van degenen die achteloos aan je voorbijgaan. Te weinig begrip voor je problemen die niet opgelost kunnen worden in een korte tijdsperiode. Daarin herken je Eva die al geruime tijd heel wat van je gedachten en gevoelens in beslag neemt.
Eva is iemand die nergens zou opvallen ware het niet dat ze haar kommer en kwel, en haar kortstondige momenten van geluk, samenvat in geschriften. Ergens in Zeeuws-Vlaanderen moet ze wonen, in een gezellig huurhuisje, daar waar de klaproos nog niet helemaal uitgestorven is, en waar de regenboog af en toe schittert boven het poldergebied; dingen die haar bijzonder lief zijn. Hetgeen ze te vertellen heeft slaat ze op in haar pc en dat is niet weinig. Ze stelt zich niet de vraag of haar voortbrengselen literaire waarde hebben. Ze schrijft. Je zou bijna gaan denken dat ze niet anders doet dan schrijven. Doch niets is minder waar. Eva steekt veel meer tijd in het observeren van dingen dan in haar geschriften. In het waarnemen van toestanden waarin ze zich al dan niet kan vinden blinkt ze uit. Verder klaagt ze steen en been wanneer de rekeningen van water en elektriciteit de pan uitswingen, hetgeen gepaard gaat met bijval van degenen die dezelfde opdoffer krijgen van de op grove winst rekenende water- of elektriciteitsbonzen. En dat ze telkens weer dure zakken voeder koopt om de vele vogels te voederen die elke dag haar tuin bevolken, is ook iets wat Eva tot eer strekt omdat ze niet berekent hoeveel blijdschap die vogels haar zullen brengen.
Uit haar geschriften valt heel wat te leren. Hoe ze er soms moedeloos gaat bijzitten. En hoe het moet voelen als één tegen allen te moeten optornen tegen een tekort aan zelfbewustzijn; een karaktertrek die ten onrechte beschouwd wordt als een gebrek. Hoe haar ingeprent wordt hoe ze meer moed aan de dag moet leggen. Hoe ze niet altijd alle kwaad van de wereld op haar schouders moet laden. Hoe ze best wat minder aan zichzelf zou gaan twijfelen; meer zelfzekerheid zou moeten opbrengen. Er wordt haar heel wat ingeprent. Al dat ingeprente goedje vindt een uitweg in Eva's woorden die langs nederlands.nl op het computerscherm verschijnen. Het is veel wat haar geplaagde hersenen moeten verwerken.
Doch er moet méér zijn aan deze Eva dat je zo begaan bent met het wel en wee dat haar overkomt; dat haar woorden je zo diep kunnen raken. Hetgeen aan haar te ontdekken valt is moeilijk te omschrijven ofschoon het in een paar zinnen samen te vatten valt: Eva is humaan. Eva is oprecht. Eva is genereus. Eva is zichzelf gebleven ondanks de harde slagen die het leven haar heeft toegebracht. Ze schrijft dingen van zich af en ze schrijft dingen naar zich toe. Eva geeft niet op; ze worstelt zich door het leven. Wat vooral opvalt is haar ongeschonden ziel die ze in haar geribbelde geschriften telkens weer blootlegt. De lezer kan er alle kanten mee uit: hij negeert ze of hij puurt er de nectar uit zoals sommige vogels nectar puren uit de meest zeldzame bloemen.
Zie ook: http://www.coquelicot.com.py/
Schrijver: Iris Van de Casteele, 28-10-2008
9 november 2008
7 november 2008
1 november 2008
Zondagskinderen

Zondagskinderen
voor Tilly J.
"De Messiaanse wereld is de wereld van totale en integrale actualiteit. Alleen in haar is er universele geschiedenis. Wat vandaag de naam universele geschiedenis draagt kan alleen een soort Esperanto zijn. Niets kan er mee overeenkomen zolang de verwarring die haar oorsprong heeft in de Toren van Babel (de Babylonische taalverwarring) niet is weggenomen. Zij vooronderstelt de taal waarin elke tekst van een levende of dode taal in zijn geheel moet worden vertaald. Of, beter gezegd, zij is zelf deze taal. Echter niet als geschreven, maar als feestelijk gevierd. Deze viering is gezuiverd van elk ceremonieel; zij kent geen vieringsliederen. Haar taal is de idee van proza zelf, die verstaan wordt door alle mensen net zoals de taal van de vogels verstaan wordt door Zondagskinderen."
Zondagskinderen
ze spreken met vogels
met lijsters eksters blinde uilen en dode mussen
met uitgestorven leeuweriken en opgezette buizerds
met spotvogels en met nachtegalen die treuren achter tralies
met de vogels op zolder en de vogels in de kelder
op het marktplein en in de dodencellen
ze spreken met het glas wijn dat ze drinken
en met de lucht die ze inademen
met vork en mes met berg en dal
zelfs met de mensen die zwijgen als vermoord
ze spreken met grafzerken en met wapperende vlaggen
met wat komt en met wat gaat
met wat is maar er evengoed niet had kunnen zijn
die lachende en huilende zondagskinderen
ze lachen en huilen in de week
die vanaf nu alleen maar zondagen telt
alle kinderen op zondag geboren worden
's nachts de zon schijnt
en bij dag de maan in het eerste kwartier staat te dansen
als een losgeslagene als een fiere schipbreukeling
als alles vergeten is en we eindelijk kunnen lezen
eindelijk alle bladzijden uit het boek zijn gescheurd
alle momenten vereeuwigd zijn
en alle plaatsen verplaatst
alle foto's verbrand alle musea leeggeroofd
de verzadigde kat knipoogt naar de merel
die ze besluipt
in het licht dat ons de duisternis openbaart
de zonnenachtkinderen
medeplichtig aan hun dromen
wens ik hen wat hun teder zwijgen me leert
te mogen lezen wat nooit geschreven werd
eindelijk te worden wat ze altijd al zijn geweest
en de nacht gered is uit de handen
van kruideniers kerstmannetjes sinterklazen
en kredietwaardige prikkeldraadfabrikanten
en ik er niet meer benoef!
ik er niet meer ben
er niet meer hoef te zijn
maar als een dartel veulende morgen groet
[1 november 2008; 5:36]
Eric Rosseel
Eric Rosseel
Marina aan Hovaeremolen
Thierry,
Ken je Hovaeremolen van mij eigenlijk wel? Als ik deze ergens voordraag, storten er (in alle bescheidenheid) werelden in elkaar!
Hovaeremolen (vermoedelijk etymologisch “Ooievaarsmolen”) is een wijk van de West-Vlaamse gemeente Koekelare (zie Google onder Hovaeremolen). Daar bracht ik mijn kinderjaren door. Er stond daar inderdaad ook een molen die nog werkte toen ik kind was. By the way: mijn vader werkte in de steenbakkerijen van Oostduinkerke voor die in de jaren 1950-1960 dicht gingen.
Hovaeremolen is het gedicht dat mij ontroert als ik mijn leven overschouw. Het is eigenlijk een lied en het is door iemand op muziek gezet, maar ik zou niet meer weten door wie. Je weet: dat soort dingen interesseren mij amper. Zoals Pessoa zei: “Roem wil ik wel, maar beroemd zijn: over mijn lijk!”
Het blond meisje van wie sprake in dit gedicht, was een buurmeisje van een jaar of zes of zo, waar ik eigenlijk geen contact mee had (niemand had daar eigenlijk contact met een ander; de Hovaeremolen was een heel “vreemde” wijk). Ik herinner me dat we aan het spelen waren in het lange gras op de molenheuvel. En plots als ik mijn hoofd boven het gras uitstak, keek ik daar in het gezicht van een meisje en ik ervaarde een vreemd gevoel van menselijkheid, van zuivere fascinatie. Ik denk dat ze Marina heette, in ieder geval haar oudere zus heette Linda. Het was het mooiste dat ik ooit had gezien en dus ook het meest onaanraakbare.
Ik herinner me verder niets meer van haar. Haar gezin is kort daarop verhuisd en wat er van hen geworden is weet ik niet (ik weet niet eens wat er van mezelf geworden is hihi!).
Hovaeremolen
ik zie een jong blond meisje
een jong blond meisje
op twee benen
een blond meisje
speelde in het gras rond de molen
rond de molen gras
en de molen draaide
draaide in de wind
refrein:
Duitsers doorboorden haar ingewanden
met gifgas
doorboorden haar keel
met gifgas en ieperiet
en de Engelsmannen lachten
en de Fransmannen lachten
met gifgas en ieperiet
de molen draaide
en ik was elf of twaalf
elf of twaalf of dertien
terwijl de molen draaide in de wind
en in het gras rond de molen
een jong blond meisje speelde
zij was verminkt
en ik was verminkt
zij was besmet
en ik was besmet
door een bajonet
een bajonet van FN Herstal
gemaakt door Vlamingen in FN Herstal
ooit stond zij op twee benen
in het gras rond de molen
de molen die draaide
in de wind
refrein:
Duitsers doorboorden haar ingewanden
met gifgas
doorboorden haar keel
met gifgas en ieperiet
en de Engelsmannen lachten
en de Fransmannen lachten
met gifgas en ieperiet
ik verliet
de streek rond de molen
ik verliet het gras en de molen
en zag hem nooit meer draaien in de wind
nooit meer zag ik het draaien van de wind
nooit meer zag ik het draaien
van de wind
hier is geen wind geen gras geen molen
hier is Amerika
en China
Amerika en het tweestedenland
ik woon nu in tweestedenland
een eerste stad met een haven
een haven voor de breedste zeeschepen
een haven voor zonneschepen
voor zonneschepen en maanboten
en een tweede stad met een haven
en een grootwarenhuis
een haven voor zeeschepen
en een grootwarenhuis met vuurwerk
met vuurwerk voor oudejaarsnacht
oudejaarsnacht wanneer de maanboten
de haven binnenvaren
maanboten en in hun ruim
een molen met gras er rond
een molen die draaide in de wind
en een jong blond meisje
speelde in het gras
rond de molen
die draaide in de wind
refrein:
Duitsers doorboorden haar ingewanden
met gifgas
doorboorden haar keel
met gifgas en ieperiet
en de Engelsmannen lachten
en de Fransmannen lachten
met gifgas en ieperiet
ik was verminkt
ik was besmet
ik liep rond verminkt
en besmet
in Amerika China en tweestedenland
ik liep rond in de haven
ik liep rond in het grootwarenhuis
ik liep rond en rond
draaiend in de wind
liep rond en woon nu
in tweestedenland
refrein:
(29 december 2006)
Eric Rosseel
Ken je Hovaeremolen van mij eigenlijk wel? Als ik deze ergens voordraag, storten er (in alle bescheidenheid) werelden in elkaar!
Hovaeremolen (vermoedelijk etymologisch “Ooievaarsmolen”) is een wijk van de West-Vlaamse gemeente Koekelare (zie Google onder Hovaeremolen). Daar bracht ik mijn kinderjaren door. Er stond daar inderdaad ook een molen die nog werkte toen ik kind was. By the way: mijn vader werkte in de steenbakkerijen van Oostduinkerke voor die in de jaren 1950-1960 dicht gingen.
Hovaeremolen is het gedicht dat mij ontroert als ik mijn leven overschouw. Het is eigenlijk een lied en het is door iemand op muziek gezet, maar ik zou niet meer weten door wie. Je weet: dat soort dingen interesseren mij amper. Zoals Pessoa zei: “Roem wil ik wel, maar beroemd zijn: over mijn lijk!”
Het blond meisje van wie sprake in dit gedicht, was een buurmeisje van een jaar of zes of zo, waar ik eigenlijk geen contact mee had (niemand had daar eigenlijk contact met een ander; de Hovaeremolen was een heel “vreemde” wijk). Ik herinner me dat we aan het spelen waren in het lange gras op de molenheuvel. En plots als ik mijn hoofd boven het gras uitstak, keek ik daar in het gezicht van een meisje en ik ervaarde een vreemd gevoel van menselijkheid, van zuivere fascinatie. Ik denk dat ze Marina heette, in ieder geval haar oudere zus heette Linda. Het was het mooiste dat ik ooit had gezien en dus ook het meest onaanraakbare.
Ik herinner me verder niets meer van haar. Haar gezin is kort daarop verhuisd en wat er van hen geworden is weet ik niet (ik weet niet eens wat er van mezelf geworden is hihi!).
Hovaeremolen
ik zie een jong blond meisje
een jong blond meisje
op twee benen
een blond meisje
speelde in het gras rond de molen
rond de molen gras
en de molen draaide
draaide in de wind
refrein:
Duitsers doorboorden haar ingewanden
met gifgas
doorboorden haar keel
met gifgas en ieperiet
en de Engelsmannen lachten
en de Fransmannen lachten
met gifgas en ieperiet
de molen draaide
en ik was elf of twaalf
elf of twaalf of dertien
terwijl de molen draaide in de wind
en in het gras rond de molen
een jong blond meisje speelde
zij was verminkt
en ik was verminkt
zij was besmet
en ik was besmet
door een bajonet
een bajonet van FN Herstal
gemaakt door Vlamingen in FN Herstal
ooit stond zij op twee benen
in het gras rond de molen
de molen die draaide
in de wind
refrein:
Duitsers doorboorden haar ingewanden
met gifgas
doorboorden haar keel
met gifgas en ieperiet
en de Engelsmannen lachten
en de Fransmannen lachten
met gifgas en ieperiet
ik verliet
de streek rond de molen
ik verliet het gras en de molen
en zag hem nooit meer draaien in de wind
nooit meer zag ik het draaien van de wind
nooit meer zag ik het draaien
van de wind
hier is geen wind geen gras geen molen
hier is Amerika
en China
Amerika en het tweestedenland
ik woon nu in tweestedenland
een eerste stad met een haven
een haven voor de breedste zeeschepen
een haven voor zonneschepen
voor zonneschepen en maanboten
en een tweede stad met een haven
en een grootwarenhuis
een haven voor zeeschepen
en een grootwarenhuis met vuurwerk
met vuurwerk voor oudejaarsnacht
oudejaarsnacht wanneer de maanboten
de haven binnenvaren
maanboten en in hun ruim
een molen met gras er rond
een molen die draaide in de wind
en een jong blond meisje
speelde in het gras
rond de molen
die draaide in de wind
refrein:
Duitsers doorboorden haar ingewanden
met gifgas
doorboorden haar keel
met gifgas en ieperiet
en de Engelsmannen lachten
en de Fransmannen lachten
met gifgas en ieperiet
ik was verminkt
ik was besmet
ik liep rond verminkt
en besmet
in Amerika China en tweestedenland
ik liep rond in de haven
ik liep rond in het grootwarenhuis
ik liep rond en rond
draaiend in de wind
liep rond en woon nu
in tweestedenland
refrein:
(29 december 2006)
Eric Rosseel
Abonneren op:
Posts (Atom)








