Met Kortrijk heb ik een haat-liefdeverhouding. Niet zozeer om de nare herinneringen aan mijn verblijf aldaar als scholier, maar veeleer om de mentaliteit van vele “Kortrijkzanen”. Ook Conscience was dat niet ontgaan. In zijn boek De burgers van Darlingen schrijft hij over hun typisch burgerlijke geest, met veel aandacht voor geldkwesties en status. Hij had geen goed woord over voor zijn Kortrijkse periode die hij beschreef als een ballingschap in een klein stadje "vol vooroordelen, beheerst door een financiële aristocratie, die haar medeburgers minacht, met een ongelooflijke verwaandheid bezield is, zich opsluit in woningen somber en naar als kloosters, en treurig als lag in elk huis een dode".
Dat is fel overdreven. Ik denk dat wij - die van buiten Kortrijk kwamen - een reactie koesterden van selfdefence: wij waren verrast en verwonderd om zoveel savoir-vivre dat wij onze achterstand wegmoffelden achter hopen kritiek. Die houding is nogmaals gebleken bij de fusiegesprekken in 1976. Laat het mij zo formuleren: Kortrijk heeft veel te bieden, maar soms moet je de eigenwijsheid van haar burgers erbij nemen.
Toen ik 12 werd in 1952 (na het zesde leerjaar aan de gemeentelijke jongensschool te Wevelgem) werd ik voor vier (lange) jaren in quarantaine geplaatst. Ik werd intern in het Sint-Amandscollege te Kortrijk. We schreven 1 september 1952. Van Kortrijk kende ik toen alleen de Sarma en de Teco waar een blinde pianist regelmatig optrad.
De eerwaarde heren overtuigden mijn vader dat ik beter het zevende leerjaar volgde. Waarom? Omdat zij die van buiten de stad kwamen, niet slim genoeg waren om naar het 6de middelbare over te stappen. Een geintje natuurlijk, ze wilden hun zevende leerjaar bevolken, kwestie van opdrachten.
Vooral de slaapcouchettes zijn mij bijgebleven. Kleine kamertjes afgezet met houten schutten. Ik sliep naast “Wisty”, een jongetje wiens mama een bordeel openhield op de weg Kortrijk-Gent. Hij had een gaatje gemaakt in het schot en we konden gezellig maar héél stilletjes met elkaar praten. Of toch fluisteren. Wat goed deed, omdat het zo rebels overkwam.
Ik werd 10de op een 30-tal leerlingen. Niet slecht voor een werkmanskind.
Ja, je werd afgerekend op je afkomst toen. Mijn vader had mij ten strengste verboden te zeggen dat hij een socialist was. Om bij de high society te horen pochte ik dat mijn vader een vliegtuig had. Vaak vloog hij over (riep ik met mijn vinger in de lucht).
Eenmaal in de 6des ontpopte ik mij tot een klein duiveltje. Ik vloog achteraan in de klas en moest plaatsnemen op een oude bank die er was blijven staan na de renovatie. Dat vond ik minder erg dan wat er gebeurde met domme kindjes die lange oren opgezet kregen.
Ik had wel de sympathie van E.H. Dornez. Hij werd “de poes” genoemd. Toen hij nogal dikwijls in de refter te dicht bij hetzelfde nonnetje ging staan, werd er oorverdovend gemiauwd door de (stoute) kinderen. Ik herinner mij ook goed “Korkie”, onze surveillant (van het pensionaat). Een sportieve, soms onbeschofte, maar van inborst goede kerel die de voetbalcompetitie organiseerde. Wij hadden om de maand een partiële proef voor één bepaald vak. Soms legde ik die proef onberispelijk af en werd ik toen door hem en plein public gelukgewenst. Soms had ik een nul en toen schold hij mij in het openbaar uit voor domoor en suggereerde dat ik maar beter mijn bezatse zou nemen.
In het college heb ik vooral leren voetballen, leren liegen in de biechtstoel en een sterk samenzweerderig gedrag ontwikkeld.
Nog iets waar ik niet eens toen de draagwijdte van begreep: vriendjes van mij mochten geregeld naar de kamer van hun “geestelijke leider” en werden daar getrakteerd op gebakjes.
Och ja, ik wil niet natrappen. Het college was een goede school in beide betekenissen: goed onderwijs én een goede leerschool. In het 6de en het 5de werd ik 4de of 5de van de klas. Toen ik in de 5des zat, werd ik op een morgen uit de (dagelijkse) mis gehaald door E.H. Jan Carreer, surveillant van het internaat. Hij beweerde dat ik “lelijke manieren” had gehad op de slaapzaal. Samen met anderen had ik in een slaapcel een “orgie” georganiseerd. Toegegeven, ik was geen “braaf jongetje” meer, maar daar wist ik toen niets van. Hoe harder ik dat ook uitriep, hoe harder hij mij met zijn gordelriem sloeg op mijn blote benen. Ik moest vooraf op de leuning van een zetel gaan liggen. Toen de internen dat hoorden, organiseerden zij een zitstaking: niemand trok dat lesuur naar de klas. Van solidariteit gesproken! Toen mijn vader dat vernam, nam hij wijselijk het besluit om mij na de lagere middelbare naar het Koninklijk Atheneum te sturen.
Op het Atheneum viel ik “van de hel in de zevende hemel”: extern en met meisjes in de klas. Opgelet, een primeur: het waren de eerste meisjes die vanuit het lyceum bij jongens terechtkwamen. En het was er aan te zien! Ik werd verliefd op drie stuks ineens: een zwartje (zwart haar bedoel ik), met de look van een indiaantje (later werd ik bevriend met haar oudere zus), haar vriendinnetje die echter duidelijk liet blijken dat zij mij te min vond (een boerenjongen van den buiten) en een meisje uit mijn eigen gemeente die nog aan het Lyceum les volgde en met wie ik naar school reed. Met de fiets naar Kortrijk, elke dag, heen en terug. Resultaat van mijn liederlijk leven: overzitten! “Wat denkt die collegepiet wel,” moeten de leraars toen hebben gedacht, “we zullen hem eens een lesje geven!”
O ja, stel je voor: van intern naar extern, van streng jongensregime naar mixte klasjes, van gesloten naar een open gemeenschap, van gevangenschap naar absolute vrijheid. Wat ik daar toen miste, was het gevoel van solidariteit dat ik op het college wel ervoer. Maar ja, waarom nog samen rebelleren tegen het regime? Waarom nog samen toneel spelen? Waarom samen gaan voetballen? Iedereen trok na school naar huis of ging op café in de stationsbuurt. Of het onderwijs hier of daar beter of slechter was? Neen, wel integendeel: op het college hadden wij vaak te maken met leerkrachten die net voor hun legerdienst een jaartje les kwamen geven. Niet bevorderlijk voor de kennis en de tucht.
Of ik gelovig was? Of ik nog gelovig ben? Toen ik in het college belandde, wist ik alleen dat mijn moeder adoratie had voor Sint-Antonius, broeder Isidoor en Don Bosco. Ik deed dan ook een paar keer per jaar een novene te hunner ere. Negen dagen elke avond in mijn bedje las ik een gebed. Om gezond te blijven. Om te slagen voor de examens. Om niet gepest te worden. Iedere dag naar de mis, elke zondag driemaal ter kerke. Ik werd een fel bevraagde misdienaar. In één, twee, drie was de verplichte ochtendmis opgedragen. Toen de paters tijdens de retraite kwamen preken, kon ik wel even aarzelen over mijn toekomst. Maar algauw legde ik boven mijn “geestelijke lectuur” De Leeuw van Vlaanderen of een ander strijdlustig boek.
In het Atheneum volgde ik de lessen zedenleer. Veeleer uit nieuwzucht dan uit overtuiging. Die overtuiging kwam echter snel: ik vond het hoog tijd om vrij te kunnen denken en handelen. Vooral de lectuur van Spinoza betekende een keerpunt. Spinoza zei dat alles natuur was en hij vereenzelvigde Natuur met God. Hij zei dat God alles was, en dat alles in God was. Daarmee kon ik mij jaren verzoenen.
Ja, ik heb nooit onder stoelen of banken gestoken dat ik maçon ben. In 1966 was ik één van de jongste leden van de Loge in Vlaanderen. Een collega aan de Middenschool van het Gemeenschapsonderwijs (voorheen Rijksmiddelbareschool) had mij toch ervan kunnen overtuigen dat “God niet bestond”. Die vraag kwelde mij reeds vele jaren. Maar ik vond nergens houvast. Of mensen die mee-dachten. Ik werd een publieke vrijzinnige: vignet op de wagen, voorzitter van de Oudervereniging voor de Moraal, de eerste gedetacheerde leerkracht van Humanistische Jongeren Service, een vereniging die cursussen, sportkampen, kinder- en jeugdateliers en reizen organiseerde voor de (vrijzinnige) jeugd. Toen reeds beviel mij die opsplitsing, verkleuring, verzuiling van het vrije denken niet. Waarom aan gettovorming doen? Vrij denken is een individuele beleving, zoals (voor mij) godsdienst en religie. Die kanteling werd niet door alle vrijmetselaars toegejuicht. En ik evolueerde verder in de richting van het agnosticisme. Mijn devies werd: “Wat je (nog) niet met zekerheid weet, dat Onbekende, moet je een kans geven!”
Natuurlijk geloof ik in de wetenschap. Kun je echter over waarheid in de wetenschappen spreken? Sommige wetenschapsfilosofen zeggen dat wetenschappelijke theorieën gelden zolang ze niet worden weerlegd. Wat niet betekent dat zij per se waarheid verkondigen. In plaats van revoluties zien we vandaag meer een geschiedenis van continue vooruitgang. De wetenschap lijkt zich steeds bij te schaven en een zelfregulerend systeem te zijn.
Wat is dé waarheid? Bestaat er een waarheid? Indien deze bestaat, wie kent haar? De wetenschap? De filosofie? Een bepaalde godsdienst? Stel dat een bepaalde godsdienst de waarheid in pacht zou hebben, welke is dat? Het christendom, de islam, het boeddhisme, het brahmanisme of het Chinese universalisme?
Welke godsdienst staat het dichtst bij God? Of bestaat er geen God en is de mens weinig meer dan een geëvolueerde aap? Waarom leeft een mens? Is het leven een test waarna hij voorgoed naar de hemel of naar de hel gaat? Of zijn wij hier op aarde om onze soort in stand te houden? Bestaan er nog andere redenen voor ons verblijf hier op aarde? Dit zijn vragen die mij bezighouden.
Ja, ik schrijf aan een essay dat deze problematiek behandelt. Luister, je bent voor of tegen God, maar nooit zonder God. God definiëren kan ik niet. Bovendien laat ik mij niet stigmatiseren. Het Goddelijke is een voorzichtige omschrijving. Het spirirtuele biedt mij mogelijkheden. Het beperkt echter mijn vrijheid (van denken en handelen) niet.
Dit essay over de wetenschap van het spirituele is voor mij een uitzonderlijk boek. Om velerlei redenen. In de eerste plaats wil ik komaf maken met mijn imago van “stupid atheïst”. Zowel binnen de (een soort van) vrijmetselarij als in de profane wereld wordt verondersteld dat alle leden van dit genootschap godloochenaars zijn. Bovendien wens ik niet opnieuw een “vals insigne” te worden opgespeld, zoals “bekeerde” of “(licht)gelovige” of “geprofeste”. Ik probeer voor mezelf en voor de lezers een verhelderend beeld te schetsen van de spirituele wereld. Hierbij heb ik naar affiniteiten gezocht tussen het spiritisme en de principes van het vrij onderzoek. Ik ben er van overtuigd dat religie, spiritualiteit en wetenschap elkaar niet in de weg staan. Iedereen of welk instituut ook die het vlot verloop van de relatie tussen “alle zoekende mensen” verstoort, is voor mij nefast.
Iets helemaal anders: reizen. Ik heb altijd graag gereisd. Toen ik mij na 2000 terugtrok uit het actieve leven, zette ik een stap opzij, ging onwaarschijnlijk veel reizen met mijn favoriete muze (zo noem ik vaak mijn vrouw). Ook verbleven wij lange periodes in Frankrijk om er te genieten en proberen te overleven.
Ik ben altijd een plannenmaker geweest, hoor, ik verzon mensen en dingen, bouwde luchtkastelen, reisde de wereld rond in 7 dagen, tartte mijn verbeelding, dronk met mijn vrienden ad fundum en rookte hun sigaretten.
“Ik word nooit ouder dan twintig jaar,” schreef ik in een gedicht.
Ik voel dikwijls de behoefte om rustig afstand te nemen van de zaken en van de kleine menselijke kantjes. Is mijn startpunt de mens met al zijn fouten en gaven, dan wil ik diezelfde mens ook de nodige vrijheid gunnen om zichzelf te blijven. Dat afstand nemen kan soms exuberante vormen aannemen. Mijn voortdurende rusteloosheid (het steeds plannen maken voor nieuwe projecten) dwingt mij soms tot een “vlucht”. Dan loop ik het land uit: een ander zou zeggen dat hij op reis gaat; een reis die enerzijds moet zorgen voor enige ontspanning, maar die mij anderzijds dan weer inspireert tot nieuwe gedichten, nieuwe inzichten, nieuwe projecten.
Ja, er zijn nog plekken in Kortrijk die herinneringen oproepen of die mij beroeren. Ik denk aan het Groeningestandbeeld, - ik ben al sedert mijn collegetijd een fervente Vlaming die zich echter afzet tegen de rechtse, geïndoctrineerde, op revanchebeluste kliek die zich nestelt in VB en NVA.
Ik denk aan de cafés “Piet Hein” en “De Tempelier”, aan “Bossuwé” aan het station waar wij zakken friet verorberden en meters frikadellen.
Thierry Deleu
Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans
Stichtingsdatum: 1 februari 2007
"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"
"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.
Stichtingsdatum: 1 februari 2007
"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"
"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.
31 juli 2008
30 juli 2008
Thierry's webcolumn - De Westhoek: vangnet voor kunstenaars en intellectuelen?
Met zo’n titel maak je véél los, zeker weten! En met “véél” bedoel ik minder instemmend geknik, maar veeleer luid protest of op zijn minst meewarig gemurmel. “Wat een onzin; wat een verschrikkelijke veralgemening; wat een mythisch statement!” En toch, lezer, ik weet waarover ik schrijf (en spreek): ook tijdens mijn actieve leven (thans profiteer ik op mijn beurt van deze categorie “hardwerkende Vlamingen”) was er iedere keer de Westhoek om mij van mijn nostalgie, stress of vluchtcomplex af te helpen. En ik vond hier toen ongewoon veel soulmates, ja, zelfs kunstenaars en kunstenmakers die het niet wilden toegeven, maar hier wel een hoevetje kochten of een stulpje huurden. Soit, ieder zijn heug en meug!
Wat trekt een “rusteloze ziel” aan in de Westhoek? Wat doet hem of haar richting Westhoek kiezen? Je weet toch hoe de niet-Westhoekezen de Westhoek benoemen (de Antwerpenaars zeggen dat nog altijd)? Het land van “Bachten de Kupe”! Deze benaming doet mij denken aan het gezegde: “Waar de tijd bleef stille staan”, maar niets is minder waar. (Of toch een beetje?) Alleen al de gemeente Alveringem telt 240 bedden voor toeristen. Achterlijk? De streek telt drie topmusea die je niet ervaart als een klassiek museumbezoek zoals elders in het land: het Openluchtmuseum Bachten de Kupe in Izenberge, de stichting George Grard in … en het mout- en brouwershuis “De Snoek” in Alveringem.
Neen, de Westhoek, met het Heuvelland en de Kust, leeft als nooit tevoren. Ze zijn hier niet verlegen om een nieuw toeristisch initiatief op te starten.
Maar het gaat mij niet om het toerisme in de Westhoek, maar om de aangespoelden en zij die er méér dan vaak komen wandelen, fietsen autorijden, logeren. Komen zij hier alleen genieten of verblijven om de vele toeristische attracties? Er is meer … De Eerste Wereldoorlog is hier nooit ver weg en die trieste gebeurtenis heeft ons gepakt toen wij het verhaal van de meester hoorden in de lagere school en in de lessen geschiedenis. Met “ons” bedoel ik de generatie geboren tijdens en kort na de Tweede Wereldoorlog, de 60’-ers en 70’-ers van nu. Nu nog bezoeken zij (en hun kinderen) de vele soldatenkerkhoven en de twee prachtige, eigentijdse musea van “In Flanders Fields Museum” te Ieper, het “Memorial Museum Passchendaele 1917” en de IJzertorensite.
Trekt de Grote Oorlog de kunstenaars aan? Ongetwijfeld, maar ook de perceptie die zij hebben van leven en werken van de streekbewoners van de vorige eeuw. Je komt ze tegen in het openluchtmuseum van Izenberge, dat opgevat is als een oud dorp in de Westhoek. Je ontmoet ze ook in “De Snoek” te Alveringem waar zij na het bezoek een Snoekbier van hoge gisting degusteren. Een sommigen stappen op de huifkar voor een minitrip.
Toch zijn het niet in de eerste plaats deze dingen die schrijvers en kunstenaars naar de Westhoek lokken… om er te “(ver)blijven”. Neen, - en ik spreek uit ervaring -, het “carpe diem”-gevoel is van grotere invloed. Of althans het carpe diem zoals een niet-Westhoekees dit ervaart. Veel - zoniet alles - heeft te maken met stress, prestatiedruk, het uitblijven van succes, slechte kritiek die de kunstenaar beheersen in zijn struggle for live. Hij of zij wil er even onderuit, even verpozen in de Westhoek en uiteindelijk krijgt hij of zij de smaak te pakken om er te gaan wonen. Hoe kan hij of zij dan zijn of haar partner overtuigen mee te verhuizen (voor een lange of kortere periode)? Door met hem of haar de mooie steden in de Westhoek te bezoeken, zoals Veurne, Diksmuide, Poperinge, Ieper, met hun musea (b.v. het Hoppemuseum in Poperinge, het Bakkerijmuseum in Veurne), kastelen, historische gebouwen, winkelstraten, restaurants en tearooms, en de kleine dorpjes eromheen, met de Vlaamse Bergen (de Kemmelberg, de Scherpenberg, de Rode en Zwarte Berg), de autoroutes, de landelijke cafés met hun volksspelen en streekbieren.
De kunstenaar vindt hier inspiratie, bijna om elke hoek ligt de Muze op de loer om hem of haar te verleiden, hij of zij wordt betoverd door het geluchte, het heldere licht, het landschap, het Blote, de Broeken en de Moeren, en last but not least door de zee, de eindeloze zee, de kleuren van het water, de boten, de zeilboten, de zeilwagens, de strandgezichten, de strandcabines, de duinen.
Bang om toch nooit volledig te kunnen zijn, noem ik enkele aangespoelde kunstenaars op die mij spontaan in het geheugen komen: Willem Vermandere (° Lauwe; 9 februari 1940), Edgard Tijtgat, Valerius De Saedeleer, Karel Van de Woestijne (Gent, 19 maart 1878 - Zwijnaarde, 24 augustus 1929), Herman Teirlinck (Sint-Jans-Molenbeek, 24 februari 1879 - Beersel, 4 februari 1967), José Van Gucht (Sint-Jans-Molenbeek, 6 maart 1916 - Bouillon, 14 januari 1980), Jan Poot, Jean Luypaert (6 juni 1893 - 4 november 1954), Paul Delvaux (Antheit, 23 september 1897), Pierre Caille, Georges Vercruysse, Pierre Cox, Willem Elsschot, Taf Wallet (La Louvière, 24 oktober 1902), Alfred Wallecan (Menen, 20 augustus 1894 – 20 augustus 1960), Jos Wils, Maurits Roelants, George Grard (Doornik, 26 november 1901 – Koksijde, 26 september 1984), Francine Van Mieghem (8 februari 1930), Jan Burssens.
Je staat versteld over zoveel namen van schrijvers, schilders en beeldhouwers die in de Westhoek en aan de Kust verbleven en/of kwamen wonen? Opgelet, er zijn er véél meer, maar hun namen schieten mij niet te binnen. Beeldhouwer Magloire Dornez en dichter Raoul-Maria De Puydt b.v. Bovendien leven en werken er hier sowieso een pak “autochtone” kunstenaars. Over hen heb ik het misschien later eens. Terug tot ons onderwerp: wat mij opvalt, is de vlotte wijze waarop de “aangespoelde” kunstenaars zich integreren in de regio. Dit zal alles te maken hebben met het karakter van de bewoners. Westhoekezen zijn vriendelijke mensen, sociaal in de omgang, bereid tot (mede)delen, open voor vernieuwing en nieuwe gedachten, in één woord: ontvankelijke mensen die door hun eenvoud en hun aandacht voor de kleine dingen des levens de toeristen, de de residenten en de “nieuwe inwoners” het gevoel geven dat ze welkom zijn.
Ik kan voor mezelf spreken, beste lezer, mijn vrouw en ik spoelden zo’n zes jaar geleden aan in Oostduinkerke. We gingen wonen op een appartement aan de Zandzeggelaan (je weet wel, daar waar ook Walter Capiau een vaste stek heeft gevonden). In een mum van tijd werd ik hier als schrijver goed onthaald, zowel door de Stad, de pers, de middenstand als de buren. En dat mijn nieuwe “thuis” (ik moet toegeven: plus mijn opruststelling) mij inspireerde tot nieuw werk, zie je aan de publicaties die er aankomen: gedichtenbundels,
romans, essays.
Het Heuvelland, de Westhoek, de Kust, het land Bachten de Kupe zijn absoluut een bron van inspiratie. Beeldhouwer Fernand Vanderplancke zegt terecht hierover: “De omgeving met de zee, de duinen en het groen, dat is het mooiste wat er is. Ik ben een geboren Bruggeling, maar de Westhoek geeft me veel inspiratie. En de zee, ik wandel dikwijls langs de zee. En dan zijn er de meeuwen. De vlucht van de meeuwen brengt vormen mee die ik in mijn beelden verwerk.” Zo hoor je het ook eens van een ander.
Thierry Deleu
Wat trekt een “rusteloze ziel” aan in de Westhoek? Wat doet hem of haar richting Westhoek kiezen? Je weet toch hoe de niet-Westhoekezen de Westhoek benoemen (de Antwerpenaars zeggen dat nog altijd)? Het land van “Bachten de Kupe”! Deze benaming doet mij denken aan het gezegde: “Waar de tijd bleef stille staan”, maar niets is minder waar. (Of toch een beetje?) Alleen al de gemeente Alveringem telt 240 bedden voor toeristen. Achterlijk? De streek telt drie topmusea die je niet ervaart als een klassiek museumbezoek zoals elders in het land: het Openluchtmuseum Bachten de Kupe in Izenberge, de stichting George Grard in … en het mout- en brouwershuis “De Snoek” in Alveringem.
Neen, de Westhoek, met het Heuvelland en de Kust, leeft als nooit tevoren. Ze zijn hier niet verlegen om een nieuw toeristisch initiatief op te starten.
Maar het gaat mij niet om het toerisme in de Westhoek, maar om de aangespoelden en zij die er méér dan vaak komen wandelen, fietsen autorijden, logeren. Komen zij hier alleen genieten of verblijven om de vele toeristische attracties? Er is meer … De Eerste Wereldoorlog is hier nooit ver weg en die trieste gebeurtenis heeft ons gepakt toen wij het verhaal van de meester hoorden in de lagere school en in de lessen geschiedenis. Met “ons” bedoel ik de generatie geboren tijdens en kort na de Tweede Wereldoorlog, de 60’-ers en 70’-ers van nu. Nu nog bezoeken zij (en hun kinderen) de vele soldatenkerkhoven en de twee prachtige, eigentijdse musea van “In Flanders Fields Museum” te Ieper, het “Memorial Museum Passchendaele 1917” en de IJzertorensite.
Trekt de Grote Oorlog de kunstenaars aan? Ongetwijfeld, maar ook de perceptie die zij hebben van leven en werken van de streekbewoners van de vorige eeuw. Je komt ze tegen in het openluchtmuseum van Izenberge, dat opgevat is als een oud dorp in de Westhoek. Je ontmoet ze ook in “De Snoek” te Alveringem waar zij na het bezoek een Snoekbier van hoge gisting degusteren. Een sommigen stappen op de huifkar voor een minitrip.
Toch zijn het niet in de eerste plaats deze dingen die schrijvers en kunstenaars naar de Westhoek lokken… om er te “(ver)blijven”. Neen, - en ik spreek uit ervaring -, het “carpe diem”-gevoel is van grotere invloed. Of althans het carpe diem zoals een niet-Westhoekees dit ervaart. Veel - zoniet alles - heeft te maken met stress, prestatiedruk, het uitblijven van succes, slechte kritiek die de kunstenaar beheersen in zijn struggle for live. Hij of zij wil er even onderuit, even verpozen in de Westhoek en uiteindelijk krijgt hij of zij de smaak te pakken om er te gaan wonen. Hoe kan hij of zij dan zijn of haar partner overtuigen mee te verhuizen (voor een lange of kortere periode)? Door met hem of haar de mooie steden in de Westhoek te bezoeken, zoals Veurne, Diksmuide, Poperinge, Ieper, met hun musea (b.v. het Hoppemuseum in Poperinge, het Bakkerijmuseum in Veurne), kastelen, historische gebouwen, winkelstraten, restaurants en tearooms, en de kleine dorpjes eromheen, met de Vlaamse Bergen (de Kemmelberg, de Scherpenberg, de Rode en Zwarte Berg), de autoroutes, de landelijke cafés met hun volksspelen en streekbieren.
De kunstenaar vindt hier inspiratie, bijna om elke hoek ligt de Muze op de loer om hem of haar te verleiden, hij of zij wordt betoverd door het geluchte, het heldere licht, het landschap, het Blote, de Broeken en de Moeren, en last but not least door de zee, de eindeloze zee, de kleuren van het water, de boten, de zeilboten, de zeilwagens, de strandgezichten, de strandcabines, de duinen.
Bang om toch nooit volledig te kunnen zijn, noem ik enkele aangespoelde kunstenaars op die mij spontaan in het geheugen komen: Willem Vermandere (° Lauwe; 9 februari 1940), Edgard Tijtgat, Valerius De Saedeleer, Karel Van de Woestijne (Gent, 19 maart 1878 - Zwijnaarde, 24 augustus 1929), Herman Teirlinck (Sint-Jans-Molenbeek, 24 februari 1879 - Beersel, 4 februari 1967), José Van Gucht (Sint-Jans-Molenbeek, 6 maart 1916 - Bouillon, 14 januari 1980), Jan Poot, Jean Luypaert (6 juni 1893 - 4 november 1954), Paul Delvaux (Antheit, 23 september 1897), Pierre Caille, Georges Vercruysse, Pierre Cox, Willem Elsschot, Taf Wallet (La Louvière, 24 oktober 1902), Alfred Wallecan (Menen, 20 augustus 1894 – 20 augustus 1960), Jos Wils, Maurits Roelants, George Grard (Doornik, 26 november 1901 – Koksijde, 26 september 1984), Francine Van Mieghem (8 februari 1930), Jan Burssens.
Je staat versteld over zoveel namen van schrijvers, schilders en beeldhouwers die in de Westhoek en aan de Kust verbleven en/of kwamen wonen? Opgelet, er zijn er véél meer, maar hun namen schieten mij niet te binnen. Beeldhouwer Magloire Dornez en dichter Raoul-Maria De Puydt b.v. Bovendien leven en werken er hier sowieso een pak “autochtone” kunstenaars. Over hen heb ik het misschien later eens. Terug tot ons onderwerp: wat mij opvalt, is de vlotte wijze waarop de “aangespoelde” kunstenaars zich integreren in de regio. Dit zal alles te maken hebben met het karakter van de bewoners. Westhoekezen zijn vriendelijke mensen, sociaal in de omgang, bereid tot (mede)delen, open voor vernieuwing en nieuwe gedachten, in één woord: ontvankelijke mensen die door hun eenvoud en hun aandacht voor de kleine dingen des levens de toeristen, de de residenten en de “nieuwe inwoners” het gevoel geven dat ze welkom zijn.
Ik kan voor mezelf spreken, beste lezer, mijn vrouw en ik spoelden zo’n zes jaar geleden aan in Oostduinkerke. We gingen wonen op een appartement aan de Zandzeggelaan (je weet wel, daar waar ook Walter Capiau een vaste stek heeft gevonden). In een mum van tijd werd ik hier als schrijver goed onthaald, zowel door de Stad, de pers, de middenstand als de buren. En dat mijn nieuwe “thuis” (ik moet toegeven: plus mijn opruststelling) mij inspireerde tot nieuw werk, zie je aan de publicaties die er aankomen: gedichtenbundels,
romans, essays.
Het Heuvelland, de Westhoek, de Kust, het land Bachten de Kupe zijn absoluut een bron van inspiratie. Beeldhouwer Fernand Vanderplancke zegt terecht hierover: “De omgeving met de zee, de duinen en het groen, dat is het mooiste wat er is. Ik ben een geboren Bruggeling, maar de Westhoek geeft me veel inspiratie. En de zee, ik wandel dikwijls langs de zee. En dan zijn er de meeuwen. De vlucht van de meeuwen brengt vormen mee die ik in mijn beelden verwerk.” Zo hoor je het ook eens van een ander.
Thierry Deleu
28 juli 2008
Vincent
Vincent van Gogh
Vincent en ik wandelen arm in arm
in Saint-Paul-de-Mausole om de fontein
waar vissen en eekhoorns de laatste
nieuwtjes uitwisselen. In de buurt
van de Judeastruiken houden
wij onze pas in geraakt door aanblik
van bloemtrossen in ingetogen
roze. Wat verderop in een tapijt
van mos en naalden van krakende
pijnbomen kijken wij ingehouden
adem naar kragen van paarsrode
irissen, ruiken de geur van vochtig
kreupelhout het zware parfum van
seringen. Ik probeer na te denken
over Vincents behandeling nijp
even in zijn arm wanneer de wind
zachtjes huilt. Samen keren wij
behoedzaam weer om de magie niet
te verbreken. Door het getraliede
venster van zijn kamer wuift hij mij na.
Thierry Deleu
Na ons bezoek aan de zenuwinrichting
van Saint-Paul waar van Gogh verbleef
van 6 mei 1889 tot 16 mei 1890
27 juli 2008
"Eindterm" (2002) - debuutroman Thierry Deleu - hoofdstuk 36-epiloog
36
Na het kabinet keert Peter Deforge terug naar zijn school. Hij blijft er nog drie jaar. In 1998 neemt hij loopbaanonderbreking en verhuist naar de Creuse. Alleen met Jean Bouckaert houdt hij contact.
Bouckaert die de uitgeverij “De Gelaarsde Kat” runt, moedigt zijn vriend Deforge aan om te schrijven en te publiceren. Kort na elkaar verschijnen vier boeken: zijn verzamelde gedichten, een bundel teksten, een essay over Guido Van ‘t Hof en de roman Eindterm. Dit laatste werk, door de pers onmiddellijk herkend als een autobiografische roman, vertelt het verhaal van een ambitieuze, maar toch ook een bijzonder warmhartige vrouw. Sabine du Tertre heeft op het departement Onderwijs een dominante positie verworven. Ook door de opeenvolgende ministers van Onderwijs wordt zij geprezen voor haar inventiviteit, haar dossierkennis, haar onderhandelingstalent. Vooral voor minister Vanderweyden is zij een belangrijke pion.
Zij dwingt eerbied af. Ze heeft iets over zich dat een ander niet heeft. De auteur denkt dat het haar ogen zijn en haar fluwelen stem. Ze is een intellectuele, iemand die graag in hoge kringen verkeert. In haar schaarse vrije tijd heeft zij interesse voor cultuur. Vooral voor juwelen, beeldende kunsten en biografieën heeft ze bijzondere aandacht.
Ze wordt opgeslorpt door haar werk en ze moet voortdurend beslissingen nemen of uitvoeren die niet altijd door iedereen worden toegejuicht. Vooral de wijze waarop zij onderhandelingen leidt en de manier waarop ze moeilijke onderwerpen zo verwoordt dat ze voor iedereen toegankelijk worden, wekt de bewondering op van haar oversten. Ze wordt dan ook vaak gevraagd om hervormingen, decreten, besluiten toe te lichten aan het onderwijsveld. Ze reist Vlaanderen rond en elke school kent haar. Directeurs snijden tegen elkaar op wie Sabine het best kent, wie het hechtst met haar bevriend is.
"Och, collega, ik ben al een paar keer uit gaan eten met Sabine. Als je wilt dat ik voor jou bemiddel, zeg het mij: het komt voor elkaar."
Vooral de West-Vlaamse directies bekampen elkaar om in haar gunst te staan.
Ze werkt keihard. Maar wie kan drie levens tegelijk leiden? Ze is geen superwoman. Ze is niet compleet en dat is de tragiek van haar leven.
Bovendien heeft ze één groot probleem: soms kan ze werkelijkheid en fictie niet uit elkaar houden. Soms is ze panisch angstig dat ze alleen en onbeschermd zal achterblijven met Alexander.
Op de voorstelling van het boek in “’t Vossenhol” op Tiegemberg, in het najaar van 2002, is de belangstelling overweldigend. Wim, de uitbater, moet in zeven haasten zijn enscenering aanpassen. De micro’s en de geluidsinstallatie worden buiten gezet, op het hoogste punt van het terras, zodat alle aanwezigen de toespraken kunnen volgen. Tijdens de receptie speelt het “Blue Note Combo”. De gasten kunnen kiezen tussen Ricard, witte Loire-wijnen, likeurtjes van noten, een assortiment hapjes, zoals galettes aux grillons, honingbeignets, stukjes kalkoen, gans, pâté de Brive. Allemaal lekkernijen uit de Creuse, aangevoerd door Marc Van Beselaere.
De beau monde is er: minister Rogier Vanderweyden, zijn kabinetschef op Ambtenarenzaken Eddy Marie, de collega’s-oudcabinetards René van Sint-Denijs, Anita Delchambre, Chantal Dugand, Jacques Brusselmans, Gilbert Ter Zale, Lynn Vanhove, Wim Deconinck, collega’s-directeur, leerkrachten, Cello Raepzaad, de auteurs Hugo De Keyser en Roger van Kluisbergen. Het valt Deforge op dat de Amaryllisgroep goed vertegenwoordigd is. Hij merkt ook Pierre Defleur en Gert Vansteen op.
Ineens schrikt Deforge op. Versteld wendt hij het hoofd, maar kijkt opnieuw en opnieuw.
“Wie is die man die zich onderhoudt met Wim Deconinck?”
Daar staat zijn evenbeeld: een blonde man, met grijzende baard, zwart brilletje op de neus, gekleed in een zwart linnen pak, met daaronder een lichtgrijs katoenen Chintz-hemd. Peter Deforge kan zijn ogen niet geloven: op drie meter van hem staat zijn dubbelganger. Wanneer hun blikken elkaar kruisen, knikt de eerste en komt op Peter af.
Hij schudt hem de hand.
”Tersmidse, aangenaam.”
Wanneer Peter Deforge die namiddag het woord neemt, staat Tersmidse naast hem.
“Mijnheer de minister, dames en heren, beste vrienden, dat jullie met zovelen zouden zijn, neen, dit had ik niet verwacht. Ik ben er zeker van dat Sabine een fijne dag beleeft, waar zij ook is, bij wie ze ook logeert, met wie ze ook verkeert.”
Deforge kijkt naar een ver punt aan de einder waar de kerk van Kaster boven het landschap uit torent.
“Sabine, wij zijn verenigd. Piet en Peter, Tersmidse en Deforge, jouw eerste en jouw laatste liefde, de cirkel is rond, nu kunnen wij vrede nemen met de situatie. Ik hoop dat je aan de overkant een nieuwe liefde vindt. Piet en ik wensen jou het allerbeste.”
Wanneer de twee mannen elkaar omhelzen, stijgt een warm applaus op.
Epiloog
In La Vallade woont sedert 1998 een West-Vlaming uit de streek van Kortrijk. Hij huurt daar een gerestaureerd huis dat deel uitmaakt van een klein erf. Peter Deforge is zijn naam. Op hetzelfde hof wonen ook boer Van Beselaere en zijn vrouw Cécile. Zij hebben de ouderlijke hoeve en de koeien overgelaten aan de oudste en de jongste zoon. Van Beselaere houdt zich alleen nog met zijn paarden bezig. Marc en Peter delen dezelfde hobby.
Peter woont in “het huis van Fernand”. Fernand is de vorige eigenaar die het huis bij zijn overlijden overmaakte aan Van Beselaere. De zieke Fernand woonde de laatste maanden van zijn leven in bij Marc en Cécile. Brave mensen die geen vlieg kwaad zouden doen. Altijd bereid om te helpen.
Deforge kent de Van Beselaeres door Sabine die hier ooit met Dekunst een paar dagen heeft verbleven. Het jaar dat zij werd doodgeschoten, hadden zij het plan opgevat om naar de Creuse op vakantie te gaan. Eerst had Deforge enig bezwaar geuit. Ten slotte was Confolent het liefdesnestje van Dekunst en Sabine geweest. Maar zij had hem geholpen om dit obstakel te overwinnen. Alexander zou meekomen. Ze hadden plannen gemaakt om daar iets te kopen voor hun oude dag.
In de living van “L’Ecurie”, de naam die Marc aan het huis van Fernand had gegeven, zijn bij het raam twee grafstenen ingemetseld. De eerste staat op naam van Armand Fernand Dufrene, 21.03.1915-12.01.1996, en de tweede op Van Beselaere 1943 -.
Rechts van de toegangspoort staat “la Maison du Cheval” waar Marc en Cécile wonen. Achter “l’ Ecurie” lopen de weiden wijds tegen de bossen van Confolent aan. Op een paar meter van het achterterras komen de paarden zich voederen.
Omstreeks halfzes opent Deforge zijn deur en gaat naar de stal, tweehonderd meter daarvandaan. Het veulen van de palomino had gisteren een dunne ontlasting en dat kan op enige zenuwachtigheid of angst wijzen. Als hij de stalpoort openduwt, drukt Deforge de knop in van de audiocassettespeler. Paarden hebben vlug last van eenzaamheid.
Peter begeleidt twee merries en hun veulens naar het weideland. Als hij terugkomt, rijdt Marc juist het binnenhof uit. Hij roept dat hij een afspraak heeft met de dierenarts.
“Ondertussen zal ik paardenbiks en haverkorrels meebrengen,” zegt hij nog.
Marc en Peter zijn hecht op elkaar ingespeeld. Peter voert de correspondentie en doet de boekhouding van de fokkerij. Marc onderhandelt, koopt, verkoopt en kiest de paarden.
Over Sabine du Tertre wordt niet gepraat, tenzij het echt niet anders kan. Haar foto, Sabine op Nez Percé, het favoriete paard op Burghgraeveveld, hangt in de keuken, boven de schoolbank die tegen de wand voor het grote raam staat. Daar schrijft Peter zijn roman.
Peter schrijft vandaag de 242ste bladzijde. Vroeger werkte hij op de computer. Nu heeft hij weer de schriftjes bovengehaald. Hij heeft het gevoel dat die ouderwetse manier van doen voor hem de beste therapie is. Deforge lijdt. De pijn is niet altijd te zien. Hij werkt, maar iedere dag denkt hij aan Sabine. Als hij gedronken heeft, weent zijn hart van woede en verdriet.
In de oude schoolbank ligt een geladen Smith & Wesson.38 Special, het kaliber revolver waarmee aangeschoten wild wordt afgemaakt, drie kogels, Deforge gunt zich twee missers. Hij koestert de obsessie dat De Spin naar deze plaats zal terugkeren.
Thierry Deleu, Eindterm, De Gebeten Hond, 2002, 15 €, te bestellen op 056/733440 (Jan Van Herreweghe)
Na het kabinet keert Peter Deforge terug naar zijn school. Hij blijft er nog drie jaar. In 1998 neemt hij loopbaanonderbreking en verhuist naar de Creuse. Alleen met Jean Bouckaert houdt hij contact.
Bouckaert die de uitgeverij “De Gelaarsde Kat” runt, moedigt zijn vriend Deforge aan om te schrijven en te publiceren. Kort na elkaar verschijnen vier boeken: zijn verzamelde gedichten, een bundel teksten, een essay over Guido Van ‘t Hof en de roman Eindterm. Dit laatste werk, door de pers onmiddellijk herkend als een autobiografische roman, vertelt het verhaal van een ambitieuze, maar toch ook een bijzonder warmhartige vrouw. Sabine du Tertre heeft op het departement Onderwijs een dominante positie verworven. Ook door de opeenvolgende ministers van Onderwijs wordt zij geprezen voor haar inventiviteit, haar dossierkennis, haar onderhandelingstalent. Vooral voor minister Vanderweyden is zij een belangrijke pion.
Zij dwingt eerbied af. Ze heeft iets over zich dat een ander niet heeft. De auteur denkt dat het haar ogen zijn en haar fluwelen stem. Ze is een intellectuele, iemand die graag in hoge kringen verkeert. In haar schaarse vrije tijd heeft zij interesse voor cultuur. Vooral voor juwelen, beeldende kunsten en biografieën heeft ze bijzondere aandacht.
Ze wordt opgeslorpt door haar werk en ze moet voortdurend beslissingen nemen of uitvoeren die niet altijd door iedereen worden toegejuicht. Vooral de wijze waarop zij onderhandelingen leidt en de manier waarop ze moeilijke onderwerpen zo verwoordt dat ze voor iedereen toegankelijk worden, wekt de bewondering op van haar oversten. Ze wordt dan ook vaak gevraagd om hervormingen, decreten, besluiten toe te lichten aan het onderwijsveld. Ze reist Vlaanderen rond en elke school kent haar. Directeurs snijden tegen elkaar op wie Sabine het best kent, wie het hechtst met haar bevriend is.
"Och, collega, ik ben al een paar keer uit gaan eten met Sabine. Als je wilt dat ik voor jou bemiddel, zeg het mij: het komt voor elkaar."
Vooral de West-Vlaamse directies bekampen elkaar om in haar gunst te staan.
Ze werkt keihard. Maar wie kan drie levens tegelijk leiden? Ze is geen superwoman. Ze is niet compleet en dat is de tragiek van haar leven.
Bovendien heeft ze één groot probleem: soms kan ze werkelijkheid en fictie niet uit elkaar houden. Soms is ze panisch angstig dat ze alleen en onbeschermd zal achterblijven met Alexander.
Op de voorstelling van het boek in “’t Vossenhol” op Tiegemberg, in het najaar van 2002, is de belangstelling overweldigend. Wim, de uitbater, moet in zeven haasten zijn enscenering aanpassen. De micro’s en de geluidsinstallatie worden buiten gezet, op het hoogste punt van het terras, zodat alle aanwezigen de toespraken kunnen volgen. Tijdens de receptie speelt het “Blue Note Combo”. De gasten kunnen kiezen tussen Ricard, witte Loire-wijnen, likeurtjes van noten, een assortiment hapjes, zoals galettes aux grillons, honingbeignets, stukjes kalkoen, gans, pâté de Brive. Allemaal lekkernijen uit de Creuse, aangevoerd door Marc Van Beselaere.
De beau monde is er: minister Rogier Vanderweyden, zijn kabinetschef op Ambtenarenzaken Eddy Marie, de collega’s-oudcabinetards René van Sint-Denijs, Anita Delchambre, Chantal Dugand, Jacques Brusselmans, Gilbert Ter Zale, Lynn Vanhove, Wim Deconinck, collega’s-directeur, leerkrachten, Cello Raepzaad, de auteurs Hugo De Keyser en Roger van Kluisbergen. Het valt Deforge op dat de Amaryllisgroep goed vertegenwoordigd is. Hij merkt ook Pierre Defleur en Gert Vansteen op.
Ineens schrikt Deforge op. Versteld wendt hij het hoofd, maar kijkt opnieuw en opnieuw.
“Wie is die man die zich onderhoudt met Wim Deconinck?”
Daar staat zijn evenbeeld: een blonde man, met grijzende baard, zwart brilletje op de neus, gekleed in een zwart linnen pak, met daaronder een lichtgrijs katoenen Chintz-hemd. Peter Deforge kan zijn ogen niet geloven: op drie meter van hem staat zijn dubbelganger. Wanneer hun blikken elkaar kruisen, knikt de eerste en komt op Peter af.
Hij schudt hem de hand.
”Tersmidse, aangenaam.”
Wanneer Peter Deforge die namiddag het woord neemt, staat Tersmidse naast hem.
“Mijnheer de minister, dames en heren, beste vrienden, dat jullie met zovelen zouden zijn, neen, dit had ik niet verwacht. Ik ben er zeker van dat Sabine een fijne dag beleeft, waar zij ook is, bij wie ze ook logeert, met wie ze ook verkeert.”
Deforge kijkt naar een ver punt aan de einder waar de kerk van Kaster boven het landschap uit torent.
“Sabine, wij zijn verenigd. Piet en Peter, Tersmidse en Deforge, jouw eerste en jouw laatste liefde, de cirkel is rond, nu kunnen wij vrede nemen met de situatie. Ik hoop dat je aan de overkant een nieuwe liefde vindt. Piet en ik wensen jou het allerbeste.”
Wanneer de twee mannen elkaar omhelzen, stijgt een warm applaus op.
Epiloog
In La Vallade woont sedert 1998 een West-Vlaming uit de streek van Kortrijk. Hij huurt daar een gerestaureerd huis dat deel uitmaakt van een klein erf. Peter Deforge is zijn naam. Op hetzelfde hof wonen ook boer Van Beselaere en zijn vrouw Cécile. Zij hebben de ouderlijke hoeve en de koeien overgelaten aan de oudste en de jongste zoon. Van Beselaere houdt zich alleen nog met zijn paarden bezig. Marc en Peter delen dezelfde hobby.
Peter woont in “het huis van Fernand”. Fernand is de vorige eigenaar die het huis bij zijn overlijden overmaakte aan Van Beselaere. De zieke Fernand woonde de laatste maanden van zijn leven in bij Marc en Cécile. Brave mensen die geen vlieg kwaad zouden doen. Altijd bereid om te helpen.
Deforge kent de Van Beselaeres door Sabine die hier ooit met Dekunst een paar dagen heeft verbleven. Het jaar dat zij werd doodgeschoten, hadden zij het plan opgevat om naar de Creuse op vakantie te gaan. Eerst had Deforge enig bezwaar geuit. Ten slotte was Confolent het liefdesnestje van Dekunst en Sabine geweest. Maar zij had hem geholpen om dit obstakel te overwinnen. Alexander zou meekomen. Ze hadden plannen gemaakt om daar iets te kopen voor hun oude dag.
In de living van “L’Ecurie”, de naam die Marc aan het huis van Fernand had gegeven, zijn bij het raam twee grafstenen ingemetseld. De eerste staat op naam van Armand Fernand Dufrene, 21.03.1915-12.01.1996, en de tweede op Van Beselaere 1943 -.
Rechts van de toegangspoort staat “la Maison du Cheval” waar Marc en Cécile wonen. Achter “l’ Ecurie” lopen de weiden wijds tegen de bossen van Confolent aan. Op een paar meter van het achterterras komen de paarden zich voederen.
Omstreeks halfzes opent Deforge zijn deur en gaat naar de stal, tweehonderd meter daarvandaan. Het veulen van de palomino had gisteren een dunne ontlasting en dat kan op enige zenuwachtigheid of angst wijzen. Als hij de stalpoort openduwt, drukt Deforge de knop in van de audiocassettespeler. Paarden hebben vlug last van eenzaamheid.
Peter begeleidt twee merries en hun veulens naar het weideland. Als hij terugkomt, rijdt Marc juist het binnenhof uit. Hij roept dat hij een afspraak heeft met de dierenarts.
“Ondertussen zal ik paardenbiks en haverkorrels meebrengen,” zegt hij nog.
Marc en Peter zijn hecht op elkaar ingespeeld. Peter voert de correspondentie en doet de boekhouding van de fokkerij. Marc onderhandelt, koopt, verkoopt en kiest de paarden.
Over Sabine du Tertre wordt niet gepraat, tenzij het echt niet anders kan. Haar foto, Sabine op Nez Percé, het favoriete paard op Burghgraeveveld, hangt in de keuken, boven de schoolbank die tegen de wand voor het grote raam staat. Daar schrijft Peter zijn roman.
Peter schrijft vandaag de 242ste bladzijde. Vroeger werkte hij op de computer. Nu heeft hij weer de schriftjes bovengehaald. Hij heeft het gevoel dat die ouderwetse manier van doen voor hem de beste therapie is. Deforge lijdt. De pijn is niet altijd te zien. Hij werkt, maar iedere dag denkt hij aan Sabine. Als hij gedronken heeft, weent zijn hart van woede en verdriet.
In de oude schoolbank ligt een geladen Smith & Wesson.38 Special, het kaliber revolver waarmee aangeschoten wild wordt afgemaakt, drie kogels, Deforge gunt zich twee missers. Hij koestert de obsessie dat De Spin naar deze plaats zal terugkeren.
Thierry Deleu, Eindterm, De Gebeten Hond, 2002, 15 €, te bestellen op 056/733440 (Jan Van Herreweghe)
Ik val in herhaling
Aan mijn grote liefde
Voorzichtiger dan vlinders strijken
mijn lippen op je schouders neer.
Zo-even weer. Als het sneeuwen
van meeuwen op de wiegende zee.
Liefde is huiver. En gulzigheid.
Van mond en tanden, krauw en beet
en tederheid van vogelveren.
Liefde is ook jagen, prinses,
op de katten in je ogen,
op de welpen in je enkels,
de springgazellen van je geest.
Liefde vernietigt niet, prinses.
Haar prooi wordt meesteres,
mijn roede haar trouw reptiel.
Liefde is elk uur als de duur
van een vlam tussen rook en as.
Thierry
Voorzichtiger dan vlinders strijken
mijn lippen op je schouders neer.
Zo-even weer. Als het sneeuwen
van meeuwen op de wiegende zee.
Liefde is huiver. En gulzigheid.
Van mond en tanden, krauw en beet
en tederheid van vogelveren.
Liefde is ook jagen, prinses,
op de katten in je ogen,
op de welpen in je enkels,
de springgazellen van je geest.
Liefde vernietigt niet, prinses.
Haar prooi wordt meesteres,
mijn roede haar trouw reptiel.
Liefde is elk uur als de duur
van een vlam tussen rook en as.
Thierry
18 juli 2008
Thierry Deleu, veelschrijver ... met kwaliteit!

Dat Deleu kan schrijven, daar is iedereen het erover eens. Dat hij veel schrijft, ook. Als dichter heeft hij zijn literaire sporen verdiend, hij is zonder meer een van de betere liefdespoëten van de Lage Landen bij de zee. Ook als essayist en biograaf is hij niet meer aan zijn proefstuk. Ik wil het echter hebben over Deleu als romanschrijver.
Deleu - die lesbevoegdheid voor Nederlands en geschiedenis heeft - werkte van 1962 tot 1999 in het onderwijs. Eerst als leerkracht, daarna als directeur secundair onderwijs en vier jaar vóór zijn oppensioenstelling als kabinetsattaché bij de Vlaams minister van Onderwijs.
Zijn omvangrijke oeuvre bevat drie hoofdbestanddelen: poëzie, romans en essays. Hij debuteerde met de gedichtenbundel Met de Teerling (1965), een uitgave in eigen beheer. Daarna volgden nog twaalf bundels, waarvan de recentste Magisch alfabet (2007). In 2002 verscheen zijn eerste roman, Eindterm, het eerste deel van een trilogie.
Deleu schreef een omvangrijk oeuvre bij elkaar, dat niet altijd in de picture kwam, enerzijds door de eigengereide koers die de schrijver volgde en anderzijds door het feit dat hij zijn gedichtenbundels, essays, biografieën, ofwel in eigen beheer, ofwel bij Het Schaap (van 1982 tot 1987 zijn eigen uitgeverij), of bij bevriende uitgevers zoals Paradox Pers, De Gebeten Hond en Razor’s Edge Editions uitgaf.
In 1966 richtte hij met Lionel Deflo het tijdschrift "Kreatief" op. Hij verliet twee jaar later de redactie en schreef, in opdracht van uitgeverij De Sikkel, enkele leerboeken Nederlands voor het beroepsonderwijs. Met Marcel Coolsaet richtte hij het tijdschrift "Boulevard" op (1970-1980). Van 1981 tot 1987 was hij, samen met Guy van Hoof, hoofd van uitgeverij Het Schaap, die vooral poëzie van nieuwkomers uitgaf.
In 2002 verscheen zijn debuutroman Eindterm. Op 22 september 1992 maakt een pistoolschot, afgevuurd door Joris Dekunst, secretaris-generaal van het departement onderwijs, abrupt een einde aan het leven van Sabine du Tertre, waarnemend directeur-generaal van het secundair onderwijs. De dag voordien heeft ze haar minnaar Peter Deforge beloofd om haar amoureuze relatie met haar baas, Joris Dekunst, af te breken. Het tragische einde van een opmerkelijke vrouw.
Na dit eerste deel van de Creuse Trilogie verscheen in 2003 Amélie Laforêt en in 2004 de historische roman Arsène du Frêne, heer van La Vallade. Deze boeken werden uitgegeven door De Gebeten Hond Harelbeke.
In Amélie Laforêt speelt Peter Deforge, na zijn onderwijscarrière (lees Eindterm), de hoofdrol. Het decorum is de Creuse, spec. de streek rond Confolent en La Vallade. Peter wordt vennoot van paardenfokker Marc van Beselaere en huwt met de jonge Amélie. Zij krijgen een dochtertje, Belle. Hun geluk kan niet stuk tot het noodlot toeslaat.
Met Eindterm en Amélie Laforêt heeft Deleu zich expliciet geplaatst bij de Vlaamse auteurs die in het literaire werk een menselijke “getuigenis” zien en minder een zuivere taalcreatie. Zowel in zijn poëzie als in zijn proza duiken autobiografische elementen op en het etiket “therapeutisch schrijven” ligt binnen handbereik.
Ook de historische roman Arsène du Frêne, heer van La Vallade is een vluchtpoging in een vorm van literaire neoromantiek.
Het verhaal speelt zich af in het middeleeuwse La Vallade, in de jaren na de opheffing van de Orde van de Tempeliers. De hoofdfiguur, Arsène du Frêne, beweegt zich als fictief personage in een reëel historisch decor waarin vooral de nefaste rol van de Kerk en de hoge adel wordt geschetst.
Deze roman heeft een dubbel spoor, enerzijds de middeleeuwen, anderzijds de huidige tijd, enerzijds fictie en anderzijds werkelijkheid. Vandaar dat Peter Deforge en Belle in de 14de eeuw opduiken als Arsène du Frêne en Isabel.
Opnieuw slaagt de auteur erin om fictie en werkelijkheid, verhaal en waarheid, magie en feitelijkheid, blijdschap en drama overtuigd en overtuigend met elkaar te verzoenen.
Tijdens zijn herhaald verblijf in de Franse Creuse, meer bepaald ten zuidwesten van Guéret, in het gehucht La Vallade, ontdekte Thierry Deleu de (een) schat van de Tempeliers. Zijn zoektocht naar de waarheid over het lot van de Tempeliers beschreef hij in een geromanceerde versie in zijn historische roman, Arsène du Frêne, heer van La Vallade.
Hierin beschrijft hij de route die het hoofdpersonage, Arsène du Frêne, volgt na zijn ontsnapping uit de kerkers van het Louvre. Opgesloten bij zeven Tempeliers wordt hij - bij uitzondering - door hen ingewijd. Hij reist naar Sion waat hij wordt geïnstrueerd in de ware leer van de Tempelorde.
Na zijn instructie reist hij door naar het landgoed “L’Ecurie” op La Vallade, dat hem door de gevangen Tempeliers was geschonken. Opgejaagd door spionnen van Filips de Schone graaft hij met zijn vijf metgezellen een onderaardse gang om te schuilen en de schat van de Tempeliers in veiligheid te brengen.
Tijdens een geheim overleg tussen Jacques de Molay en de Prior van de Abdij van Sion - kort vóór de opheffing van de Orde - werd overeengekomen dat Sion de esoterische kennis van de Tempelorde en het geheim over de descendanten van Jezus zal bewaren.
Arsène du Frêne wordt Grootmeester van de Broederschap van de Tempel van Salomo. In die tijd één van de legitieme erfgenamen van de Orde van Tempeliers, naast de filières in Schotland en Portugal.
Thierry Deleu onthult in Arsène du Frêne, heer van La Vallade ook inwijdingsrituelen, waarbij opvalt dat zij verwant zijn met die van of overgenomen door de Loge.
Het zal de lezer van de historische roman, Arsène du Frêne, heer van La Vallade, opvallen dat het boek aanwijsbare linken vertoont met de vorige romans van de auteur, met name Eindterm en Amélie Laforêt. Peter Deforge, Pierre Tersmidse, Arsène du Frêne zijn bovendien personages die veel gelijkenissen vertonen met de auteur. Het is hierdoor niet altijd gemakkelijk fictie en werkelijkheid te onderscheiden.
Klamme handen (2006) is zijn eerste publicatie bij de nieuwe uitgeverij “Razor’s Edge Editions”.
Dr. Dirk Wolf van Leeuwen is een innemende persoonlijkheid. Hij voelt zich nooit superieur. Hij is niet hoogmoedig. Hij is een veelbelovende jonge psychiaterneuroloog die vooral het gedrag van chronisch schizofrene vrouwen bestudeert. Zowel in Oost-Twente als in Kortrijk probeert hij zijn experiment uit: hij wil af van de elektroshocks en zoekt via relationele concepten zijn patiënten te genezen
Klamme handen is het verhaal van een zachtmoedige, enigszins eigenzinnige persoonlijkheid.
Klamme handen hoort bij het episch genre waarbij de auteur meer nadruk legt op de psychische toestand van zijn personages, in het bijzonder de hoofdpersoon, - hier dr. Dirk Wolf van Leeuwen, - dan op de gebeurtenissen. Men spreekt de laatste tijd veel over de “psychologische” roman.
Is Klamme handen een psychologische roman? Ja en waarom? Een psychologische roman is een roman waarin de schrijver hetgeen hij te zeggen heeft, belichaamt in de persoonlijkheid van zijn “hoofdpersonage”. De persoonlijkheid van het hoofdpersonage is het materiaal waarmee de auteur zijn geestelijk gedachtegoed vorm wil geven. De psychologische roman is daarom voor mij de roman van de uitgesproken groeiende persoonlijkheid van het hoofdpersonage, die door de conflicten en de gebeurtenissen in de roman verduidelijkt wordt. De compositie van de roman is omheen het hoofdpersonage gecentraliseerd. De wereld, waarin de roman zich beweegt, is als 't ware de werkelijkheid waarin de hoofdpersoon leeft, de materie waarmee hij ons het geheim van zijn hart openbaart. En daar was het mij om te doen: de persoonlijkheid van mijn hoofdpersonage concrete vorm geven.
Doorheen de elkaar snel opvolgende hoofdstukken krijgt de lezer een duidelijk inzicht in de wereld van de schizofrenie. De auteur heeft zich vlot kunnen inleven. Hij heeft zich sterk gedocumenteerd, maar nergens wordt die informatiestroom hinderlijk voor het vlotte verloop van het verhaal. Hij heeft een sterk verhaal geconcipieerd en zich ondergedompeld in de waanwereld van zijn schizofrene patiënten.
Alle ingrediënten voor een boeiende roman zijn aanwezig: passionele liefde, radeloosheid, intellectuele passie, vertwijfeling, inzicht in en uitzicht op de waanwereld van de patiënten. Deleu weet eenheid te brengen in de compositie van zijn roman
Het gehele boek door heerst er een evenwicht tussen de analyse van lichamelijkheden en de analyse van de geestelijke gewaarwordingen. Hij slaagt er ook in om aan een verstandelijke theorie een warme levenskern te geven.
Klamme handen is een psychologische roman. Dit komt sterk tot uiting in de vele dialogen die het boek rijk is, waarin veel belang wordt gehecht aan de gevoelens van de personages. Wat er in hun hoofd omgaat, is minstens zo belangrijk als wat ze zeggen. Men kan in het verhaal zien, wat de personages denken. Dit is veel belangrijker dan wat ze zeggen, omdat je de gevoelens die omgaan in de personages kan begrijpen.
Het verhaal is heel direct geschreven in de hijvorm en er worden afwisselend korte en lange zinnen gebruikt. Af en toe voeg je er fragmenten van psychiatrische opvattingen tussen. Dit lijkt mij een psychologische roman met autobiografische elementen.
De vraag echter naar de verhouding tussen feit en fictie is een vraag die door de lezer en de recensent altijd gesteld wordt en die ook nooit naar algehele voldoening beantwoord kan worden.
De auteur heeft gekozen voor de traditionele personages en de “waarschijnlijke” intriges enerzijds en voor de psychologische analyse of de schildering van de sociale omgeving anderzijds.
Zoals in zijn vorige romans experimenteert hij met de vertelvorm, o.a. door het bewust loslaten van de chronologie of door verschillende perspectieven naast of door elkaar te gebruiken.
Sommigen zullen Klamme handen misschien deprimerend vinden, maar ik heb echt genoten van het goed uitgewerkte verhaal. Een roman zegt veel over de schrijver.
Na zijn “Creuse Trilogie” (drie romans met als decorum de Creuse) en een psychologische roman Klamme handen, waagt de auteur zich nu aan een politieroman, De doden zwijgen niet (2008).
De doden zwijgen niet leest als een trein; de spanning jaagt de lezer bladzijde na bladzijde naar de ontknoping; de personages zijn mensen van vlees en bloed. Een verhaal dat gebakken koek is voor een filmscenario.
De moord op informant Maarten Decock is het startsein voor een onderzoek dat gekleurd en fout getekend wordt door leden van de Antwerpse GDA zelf. Sporen die zouden kunnen leiden tot hun betrokkenheid bij drugstrafieken worden genadeloos uitgewist.
Moord en wedermoord is de rode draad in het verhaal.
Met De doden zwijgen niet geeft Thierry Deleu duidelijk blijk van métier en een groot inlevingsvermogen.
Het is een literaire politieroman, waarbij Deleu probeert het onderzoek te beschrijven zoals dat het in de werkelijkheid zou plaatsvinden. Het wordt echter ingebed in een homofiele relatie en in de spielerei van Maïté, de vrouwelijke rechercheur.
Schrijven is aangenaam - zegt hij zelf in het gesprek -, maar het valt mij op dat hij zich druk maakt om de discriminatie van de kleine auteur. Zo (be)noemt hij de schrijvers die niet worden gesubsidieerd. Hij waagt zich zelfs aan het herschrijven van het Decreet dat overheidssteun aan de literatuur in Vlaanderen regelt.
Ook “Wie schrijft, die blijft” wordt dikwijls te berde gebracht. De auteur beseft dat ook zijn eigen leven voorbijgaat. Met zijn werk wil de auteur sporen laten in de tijd en zo een vorm van “onsterfelijkheid” bereiken.
Daarnaast probeert hij ook greep te houden op de werkelijkheid die hem omringt. Naar zijn overtuiging zijn mens en werkelijkheid heel complex. De mens is een mysterie en steeds is hij op zoek naar het eigen “ik”. Wie ben ik? Waar kom ik vandaan? Waar ga ik naar toe?
Hij zet zich ook geregeld af tegen machtsstructuur die de mens conditioneren.
Schrijven is bij Deleu - zoals bij de meeste schrijvers - een zoektocht naar de eigen identiteit. Daarom heeft hij het in zijn boeken - vooral in de romans, maar ook wel in zijn poëzie - over zijn eigen afkomst en over machten en machthebbers die zijn leven mee hebben bepaald. Macht staat niet los van personen, instanties en stelsels. Wat opvalt, is het feit dat die zoektocht niet gepaard gaat met veel maatschappijkritiek.
De doden zwijgen niet is qua inhoud en stijl een behoorlijk geschreven politieroman. De Belgische sfeer geven het verhaal extra ju. De plot is verrassend en knap uitgetekend.
Al in de proloog zet de auteur verschillende verhaallijnen uit. Hij schrijft over de hervorming van de politie, de onderzoekscommissie van de senaat, de drugstrafieken en over de mist die over het slachtoffer en mogelijke verdachten wordt gespoten.
De auteur bouwt het verhaal geleidelijk op. In het begin weet de lezer niet waar hij naartoe wil. Er wordt een eerste moord gepleegd, maar het onderzoek naar de dader verloopt niet vlot.
Het verhaal blijft daardoor boeiend, omdat het volstrekt onduidelijk is, wie er achter de moorden zit. Politierechercheur Dewever verdenkt een paar personen, maar komt echter niet tot een overtuigende uitleg, hij heeft niet veel bewijs. Maar dan, totaal onverwacht en daardoor zo verrassend, blijkt zijn vermoeden juist te zijn.
De karakters worden realistisch neergezet en de situaties zijn in de tijd te plaatsen en lijken echt gebeurd. De personages onderscheiden zich voldoende van elkaar en profileren zich als mensen van vlees en bloed.
Hoewel de zaak mij niet bekend voorkomt - het is ook een puur gerechtelijk dossier -, herken ik toch veel. Zoals de verhouding tussen Dewever en zijn assistent Soenen, en de soms cryptische opmerkingen van Dewever, waar Soenen even geen raad mee weet. De omgang tussen die twee is een plus-factor in het boek.
Het is ook een geromantiseerde politieroman, waarbij Deleu probeert het onderzoek te beschrijven zoals dat het in de werkelijkheid zou plaatsvinden. Het wordt echter ingebed in een homofiele relatie en in de spielerei van Maïté, de politievrouw.
Hoewel Deleu bekend is geworden met zijn Creuse trilogie, met sterk autobiografische elementen, heeft hij met De doden zwijgen niet ook bewezen dit genre aan te kunnen. Een dossier uit de jaren ’90 dat Deleu via een gerechtelijke website kon inlezen, bood blijkbaar genoeg stof voor inspiratie.
Naarmate het boek vordert, krijgt het verhaal meer en meer de proporties van een thriller. Het blijft spannend, de meeste plotontwikkelingen zijn erg geloofwaardig.
Een thriller is eigenlijk een soort schaakspel, met als enig verschil dat er meer dan twee spelers zijn. De machtsverhoudingen tussen de personages wisselen voortdurend. Tegelijkertijd is er de werkelijkheid die Deleu cool en zo levensecht schetst.
Zijn cynische kijk op het leven wordt duidelijk weerspiegeld in wat hij op papier zet. Over het duo Dewever & Soenen zal hij zeker nog boeken schrijven. Het verhaal zou mooi kunnen worden verfilmd.
De lezer moet echter geen diepe psychologische karakterschetsen verwachten. De doden zwijgen niet is een fraaie politieroman, die behoorlijk rechtoe rechtaan geschreven is. Er is een dosis humor, een achtervolging, een schietpartij, er worden eindeloos overuren gemaakt en natuurlijk zijn er de gesprekken met verdachten/getuigen en de superieuren. Deze ingrediënten garanderen een steengoede politieroman.
Hoewel dit boek door de uitgever wordt neergezet als een literaire politieroman, lijkt het mij vooral een psychologische thriller. De schrijfstijl is eenvoudig, helder, maar de structuur is minder strak. Dikwijls wordt de lezer overspoeld met flashbacks uit het verleden. Deze passages met achterinformatie durven elkaar al eens overlappen. Hoewel de plot nog wat rommelig oogt en ik de motivatie van de dader niet altijd helemaal kan meevoelen, heb ik het boek met veel plezier gelezen.
De doden zwijgen niet is een knap geschreven politieroman.
Joris Dewolf
(*) Thierry Deleu, De doden zwijgen niet, Razor’s Edge Editions, 2008.15 euro over te schrijven op rekening 000-0900214-54 van de auteur.
Deleu - die lesbevoegdheid voor Nederlands en geschiedenis heeft - werkte van 1962 tot 1999 in het onderwijs. Eerst als leerkracht, daarna als directeur secundair onderwijs en vier jaar vóór zijn oppensioenstelling als kabinetsattaché bij de Vlaams minister van Onderwijs.
Zijn omvangrijke oeuvre bevat drie hoofdbestanddelen: poëzie, romans en essays. Hij debuteerde met de gedichtenbundel Met de Teerling (1965), een uitgave in eigen beheer. Daarna volgden nog twaalf bundels, waarvan de recentste Magisch alfabet (2007). In 2002 verscheen zijn eerste roman, Eindterm, het eerste deel van een trilogie.
Deleu schreef een omvangrijk oeuvre bij elkaar, dat niet altijd in de picture kwam, enerzijds door de eigengereide koers die de schrijver volgde en anderzijds door het feit dat hij zijn gedichtenbundels, essays, biografieën, ofwel in eigen beheer, ofwel bij Het Schaap (van 1982 tot 1987 zijn eigen uitgeverij), of bij bevriende uitgevers zoals Paradox Pers, De Gebeten Hond en Razor’s Edge Editions uitgaf.
In 1966 richtte hij met Lionel Deflo het tijdschrift "Kreatief" op. Hij verliet twee jaar later de redactie en schreef, in opdracht van uitgeverij De Sikkel, enkele leerboeken Nederlands voor het beroepsonderwijs. Met Marcel Coolsaet richtte hij het tijdschrift "Boulevard" op (1970-1980). Van 1981 tot 1987 was hij, samen met Guy van Hoof, hoofd van uitgeverij Het Schaap, die vooral poëzie van nieuwkomers uitgaf.
In 2002 verscheen zijn debuutroman Eindterm. Op 22 september 1992 maakt een pistoolschot, afgevuurd door Joris Dekunst, secretaris-generaal van het departement onderwijs, abrupt een einde aan het leven van Sabine du Tertre, waarnemend directeur-generaal van het secundair onderwijs. De dag voordien heeft ze haar minnaar Peter Deforge beloofd om haar amoureuze relatie met haar baas, Joris Dekunst, af te breken. Het tragische einde van een opmerkelijke vrouw.
Na dit eerste deel van de Creuse Trilogie verscheen in 2003 Amélie Laforêt en in 2004 de historische roman Arsène du Frêne, heer van La Vallade. Deze boeken werden uitgegeven door De Gebeten Hond Harelbeke.
In Amélie Laforêt speelt Peter Deforge, na zijn onderwijscarrière (lees Eindterm), de hoofdrol. Het decorum is de Creuse, spec. de streek rond Confolent en La Vallade. Peter wordt vennoot van paardenfokker Marc van Beselaere en huwt met de jonge Amélie. Zij krijgen een dochtertje, Belle. Hun geluk kan niet stuk tot het noodlot toeslaat.
Met Eindterm en Amélie Laforêt heeft Deleu zich expliciet geplaatst bij de Vlaamse auteurs die in het literaire werk een menselijke “getuigenis” zien en minder een zuivere taalcreatie. Zowel in zijn poëzie als in zijn proza duiken autobiografische elementen op en het etiket “therapeutisch schrijven” ligt binnen handbereik.
Ook de historische roman Arsène du Frêne, heer van La Vallade is een vluchtpoging in een vorm van literaire neoromantiek.
Het verhaal speelt zich af in het middeleeuwse La Vallade, in de jaren na de opheffing van de Orde van de Tempeliers. De hoofdfiguur, Arsène du Frêne, beweegt zich als fictief personage in een reëel historisch decor waarin vooral de nefaste rol van de Kerk en de hoge adel wordt geschetst.
Deze roman heeft een dubbel spoor, enerzijds de middeleeuwen, anderzijds de huidige tijd, enerzijds fictie en anderzijds werkelijkheid. Vandaar dat Peter Deforge en Belle in de 14de eeuw opduiken als Arsène du Frêne en Isabel.
Opnieuw slaagt de auteur erin om fictie en werkelijkheid, verhaal en waarheid, magie en feitelijkheid, blijdschap en drama overtuigd en overtuigend met elkaar te verzoenen.
Tijdens zijn herhaald verblijf in de Franse Creuse, meer bepaald ten zuidwesten van Guéret, in het gehucht La Vallade, ontdekte Thierry Deleu de (een) schat van de Tempeliers. Zijn zoektocht naar de waarheid over het lot van de Tempeliers beschreef hij in een geromanceerde versie in zijn historische roman, Arsène du Frêne, heer van La Vallade.
Hierin beschrijft hij de route die het hoofdpersonage, Arsène du Frêne, volgt na zijn ontsnapping uit de kerkers van het Louvre. Opgesloten bij zeven Tempeliers wordt hij - bij uitzondering - door hen ingewijd. Hij reist naar Sion waat hij wordt geïnstrueerd in de ware leer van de Tempelorde.
Na zijn instructie reist hij door naar het landgoed “L’Ecurie” op La Vallade, dat hem door de gevangen Tempeliers was geschonken. Opgejaagd door spionnen van Filips de Schone graaft hij met zijn vijf metgezellen een onderaardse gang om te schuilen en de schat van de Tempeliers in veiligheid te brengen.
Tijdens een geheim overleg tussen Jacques de Molay en de Prior van de Abdij van Sion - kort vóór de opheffing van de Orde - werd overeengekomen dat Sion de esoterische kennis van de Tempelorde en het geheim over de descendanten van Jezus zal bewaren.
Arsène du Frêne wordt Grootmeester van de Broederschap van de Tempel van Salomo. In die tijd één van de legitieme erfgenamen van de Orde van Tempeliers, naast de filières in Schotland en Portugal.
Thierry Deleu onthult in Arsène du Frêne, heer van La Vallade ook inwijdingsrituelen, waarbij opvalt dat zij verwant zijn met die van of overgenomen door de Loge.
Het zal de lezer van de historische roman, Arsène du Frêne, heer van La Vallade, opvallen dat het boek aanwijsbare linken vertoont met de vorige romans van de auteur, met name Eindterm en Amélie Laforêt. Peter Deforge, Pierre Tersmidse, Arsène du Frêne zijn bovendien personages die veel gelijkenissen vertonen met de auteur. Het is hierdoor niet altijd gemakkelijk fictie en werkelijkheid te onderscheiden.
Klamme handen (2006) is zijn eerste publicatie bij de nieuwe uitgeverij “Razor’s Edge Editions”.
Dr. Dirk Wolf van Leeuwen is een innemende persoonlijkheid. Hij voelt zich nooit superieur. Hij is niet hoogmoedig. Hij is een veelbelovende jonge psychiaterneuroloog die vooral het gedrag van chronisch schizofrene vrouwen bestudeert. Zowel in Oost-Twente als in Kortrijk probeert hij zijn experiment uit: hij wil af van de elektroshocks en zoekt via relationele concepten zijn patiënten te genezen
Klamme handen is het verhaal van een zachtmoedige, enigszins eigenzinnige persoonlijkheid.
Klamme handen hoort bij het episch genre waarbij de auteur meer nadruk legt op de psychische toestand van zijn personages, in het bijzonder de hoofdpersoon, - hier dr. Dirk Wolf van Leeuwen, - dan op de gebeurtenissen. Men spreekt de laatste tijd veel over de “psychologische” roman.
Is Klamme handen een psychologische roman? Ja en waarom? Een psychologische roman is een roman waarin de schrijver hetgeen hij te zeggen heeft, belichaamt in de persoonlijkheid van zijn “hoofdpersonage”. De persoonlijkheid van het hoofdpersonage is het materiaal waarmee de auteur zijn geestelijk gedachtegoed vorm wil geven. De psychologische roman is daarom voor mij de roman van de uitgesproken groeiende persoonlijkheid van het hoofdpersonage, die door de conflicten en de gebeurtenissen in de roman verduidelijkt wordt. De compositie van de roman is omheen het hoofdpersonage gecentraliseerd. De wereld, waarin de roman zich beweegt, is als 't ware de werkelijkheid waarin de hoofdpersoon leeft, de materie waarmee hij ons het geheim van zijn hart openbaart. En daar was het mij om te doen: de persoonlijkheid van mijn hoofdpersonage concrete vorm geven.
Doorheen de elkaar snel opvolgende hoofdstukken krijgt de lezer een duidelijk inzicht in de wereld van de schizofrenie. De auteur heeft zich vlot kunnen inleven. Hij heeft zich sterk gedocumenteerd, maar nergens wordt die informatiestroom hinderlijk voor het vlotte verloop van het verhaal. Hij heeft een sterk verhaal geconcipieerd en zich ondergedompeld in de waanwereld van zijn schizofrene patiënten.
Alle ingrediënten voor een boeiende roman zijn aanwezig: passionele liefde, radeloosheid, intellectuele passie, vertwijfeling, inzicht in en uitzicht op de waanwereld van de patiënten. Deleu weet eenheid te brengen in de compositie van zijn roman
Het gehele boek door heerst er een evenwicht tussen de analyse van lichamelijkheden en de analyse van de geestelijke gewaarwordingen. Hij slaagt er ook in om aan een verstandelijke theorie een warme levenskern te geven.
Klamme handen is een psychologische roman. Dit komt sterk tot uiting in de vele dialogen die het boek rijk is, waarin veel belang wordt gehecht aan de gevoelens van de personages. Wat er in hun hoofd omgaat, is minstens zo belangrijk als wat ze zeggen. Men kan in het verhaal zien, wat de personages denken. Dit is veel belangrijker dan wat ze zeggen, omdat je de gevoelens die omgaan in de personages kan begrijpen.
Het verhaal is heel direct geschreven in de hijvorm en er worden afwisselend korte en lange zinnen gebruikt. Af en toe voeg je er fragmenten van psychiatrische opvattingen tussen. Dit lijkt mij een psychologische roman met autobiografische elementen.
De vraag echter naar de verhouding tussen feit en fictie is een vraag die door de lezer en de recensent altijd gesteld wordt en die ook nooit naar algehele voldoening beantwoord kan worden.
De auteur heeft gekozen voor de traditionele personages en de “waarschijnlijke” intriges enerzijds en voor de psychologische analyse of de schildering van de sociale omgeving anderzijds.
Zoals in zijn vorige romans experimenteert hij met de vertelvorm, o.a. door het bewust loslaten van de chronologie of door verschillende perspectieven naast of door elkaar te gebruiken.
Sommigen zullen Klamme handen misschien deprimerend vinden, maar ik heb echt genoten van het goed uitgewerkte verhaal. Een roman zegt veel over de schrijver.
Na zijn “Creuse Trilogie” (drie romans met als decorum de Creuse) en een psychologische roman Klamme handen, waagt de auteur zich nu aan een politieroman, De doden zwijgen niet (2008).
De doden zwijgen niet leest als een trein; de spanning jaagt de lezer bladzijde na bladzijde naar de ontknoping; de personages zijn mensen van vlees en bloed. Een verhaal dat gebakken koek is voor een filmscenario.
De moord op informant Maarten Decock is het startsein voor een onderzoek dat gekleurd en fout getekend wordt door leden van de Antwerpse GDA zelf. Sporen die zouden kunnen leiden tot hun betrokkenheid bij drugstrafieken worden genadeloos uitgewist.
Moord en wedermoord is de rode draad in het verhaal.
Met De doden zwijgen niet geeft Thierry Deleu duidelijk blijk van métier en een groot inlevingsvermogen.
Het is een literaire politieroman, waarbij Deleu probeert het onderzoek te beschrijven zoals dat het in de werkelijkheid zou plaatsvinden. Het wordt echter ingebed in een homofiele relatie en in de spielerei van Maïté, de vrouwelijke rechercheur.
Schrijven is aangenaam - zegt hij zelf in het gesprek -, maar het valt mij op dat hij zich druk maakt om de discriminatie van de kleine auteur. Zo (be)noemt hij de schrijvers die niet worden gesubsidieerd. Hij waagt zich zelfs aan het herschrijven van het Decreet dat overheidssteun aan de literatuur in Vlaanderen regelt.
Ook “Wie schrijft, die blijft” wordt dikwijls te berde gebracht. De auteur beseft dat ook zijn eigen leven voorbijgaat. Met zijn werk wil de auteur sporen laten in de tijd en zo een vorm van “onsterfelijkheid” bereiken.
Daarnaast probeert hij ook greep te houden op de werkelijkheid die hem omringt. Naar zijn overtuiging zijn mens en werkelijkheid heel complex. De mens is een mysterie en steeds is hij op zoek naar het eigen “ik”. Wie ben ik? Waar kom ik vandaan? Waar ga ik naar toe?
Hij zet zich ook geregeld af tegen machtsstructuur die de mens conditioneren.
Schrijven is bij Deleu - zoals bij de meeste schrijvers - een zoektocht naar de eigen identiteit. Daarom heeft hij het in zijn boeken - vooral in de romans, maar ook wel in zijn poëzie - over zijn eigen afkomst en over machten en machthebbers die zijn leven mee hebben bepaald. Macht staat niet los van personen, instanties en stelsels. Wat opvalt, is het feit dat die zoektocht niet gepaard gaat met veel maatschappijkritiek.
De doden zwijgen niet is qua inhoud en stijl een behoorlijk geschreven politieroman. De Belgische sfeer geven het verhaal extra ju. De plot is verrassend en knap uitgetekend.
Al in de proloog zet de auteur verschillende verhaallijnen uit. Hij schrijft over de hervorming van de politie, de onderzoekscommissie van de senaat, de drugstrafieken en over de mist die over het slachtoffer en mogelijke verdachten wordt gespoten.
De auteur bouwt het verhaal geleidelijk op. In het begin weet de lezer niet waar hij naartoe wil. Er wordt een eerste moord gepleegd, maar het onderzoek naar de dader verloopt niet vlot.
Het verhaal blijft daardoor boeiend, omdat het volstrekt onduidelijk is, wie er achter de moorden zit. Politierechercheur Dewever verdenkt een paar personen, maar komt echter niet tot een overtuigende uitleg, hij heeft niet veel bewijs. Maar dan, totaal onverwacht en daardoor zo verrassend, blijkt zijn vermoeden juist te zijn.
De karakters worden realistisch neergezet en de situaties zijn in de tijd te plaatsen en lijken echt gebeurd. De personages onderscheiden zich voldoende van elkaar en profileren zich als mensen van vlees en bloed.
Hoewel de zaak mij niet bekend voorkomt - het is ook een puur gerechtelijk dossier -, herken ik toch veel. Zoals de verhouding tussen Dewever en zijn assistent Soenen, en de soms cryptische opmerkingen van Dewever, waar Soenen even geen raad mee weet. De omgang tussen die twee is een plus-factor in het boek.
Het is ook een geromantiseerde politieroman, waarbij Deleu probeert het onderzoek te beschrijven zoals dat het in de werkelijkheid zou plaatsvinden. Het wordt echter ingebed in een homofiele relatie en in de spielerei van Maïté, de politievrouw.
Hoewel Deleu bekend is geworden met zijn Creuse trilogie, met sterk autobiografische elementen, heeft hij met De doden zwijgen niet ook bewezen dit genre aan te kunnen. Een dossier uit de jaren ’90 dat Deleu via een gerechtelijke website kon inlezen, bood blijkbaar genoeg stof voor inspiratie.
Naarmate het boek vordert, krijgt het verhaal meer en meer de proporties van een thriller. Het blijft spannend, de meeste plotontwikkelingen zijn erg geloofwaardig.
Een thriller is eigenlijk een soort schaakspel, met als enig verschil dat er meer dan twee spelers zijn. De machtsverhoudingen tussen de personages wisselen voortdurend. Tegelijkertijd is er de werkelijkheid die Deleu cool en zo levensecht schetst.
Zijn cynische kijk op het leven wordt duidelijk weerspiegeld in wat hij op papier zet. Over het duo Dewever & Soenen zal hij zeker nog boeken schrijven. Het verhaal zou mooi kunnen worden verfilmd.
De lezer moet echter geen diepe psychologische karakterschetsen verwachten. De doden zwijgen niet is een fraaie politieroman, die behoorlijk rechtoe rechtaan geschreven is. Er is een dosis humor, een achtervolging, een schietpartij, er worden eindeloos overuren gemaakt en natuurlijk zijn er de gesprekken met verdachten/getuigen en de superieuren. Deze ingrediënten garanderen een steengoede politieroman.
Hoewel dit boek door de uitgever wordt neergezet als een literaire politieroman, lijkt het mij vooral een psychologische thriller. De schrijfstijl is eenvoudig, helder, maar de structuur is minder strak. Dikwijls wordt de lezer overspoeld met flashbacks uit het verleden. Deze passages met achterinformatie durven elkaar al eens overlappen. Hoewel de plot nog wat rommelig oogt en ik de motivatie van de dader niet altijd helemaal kan meevoelen, heb ik het boek met veel plezier gelezen.
De doden zwijgen niet is een knap geschreven politieroman.
Joris Dewolf
(*) Thierry Deleu, De doden zwijgen niet, Razor’s Edge Editions, 2008.15 euro over te schrijven op rekening 000-0900214-54 van de auteur.
Bert Lema - "Traag is uw verbazing"
OVER MENSEN DIE HIJ HEEL ZIJN LEVEN HEEFT GEKEND
Bij “De Oostakkerse Cahiers” verscheen de bundel Traag is uw verbazing van Bert Lema. Hij werd geboren in Brugge, op 7 december 1969. Hij studeerde Germaanse in Gent en woont momenteel met vrouw en twee zoontjes in het Pajottenland. Hij is werkzaam in de basiseducatie (alfabetisering). Een aantal gedichten uit Traag is uw verbazing verscheen eerder in De Brakke Hond, Nieuw Wereld Tijdschrift en Yang.
Lema krijgt op zijn 38ste een nieuwe kans. Eind jaren ‘90 begon hij - na een lange periode van stilte - opnieuw overal te publiceren. Onder andere in Schoon Schip, Gierik/NVT en Dighter en met regelmaat in De Brakke Hond. Bij Ampersand & Tilde brengt hij nu Traag is uw verbazing uit.
Lema schrijft krachtige poëzie met een spirituele inhoud. Hij maakt - tot mijn spijt - vaak gebruik van dialectwoorden (woorden uit zijn kindertijd?) en dit stoort mij. De man heeft een lange weg afgelegd: van Brugge via Gent en Brussel naar Vollezele. Soms voel ik invloed van Claus, Lucebert, Llorca en Neruda.
De bundel Traag is uw verbazing bestaat uit twee delen. Het eerste deel bevat gedichten die reeds verschenen. Het tweede deel bevat de cyclus Traag is uw verbazing. De bundel is een bloemlezing uit zes of zeven jaar schrijven. Toch vormt de bundel een eenheid. De titel slaat op een heel trage openbaring die verbazing wekt.
Zijn gedichten etaleren enerzijds hilarische ernst en anderzijds relativering en ernstige humor. Beide zijn ingebed in een spirituele beleven. Lema is kosmosgevoelig.
De wijze waarop hij de bundel aangeeft - als een offerande - heeft mij gepakt. De eerste gedichten laten mij niet los: wat een eigenzinnige en eigenwijze verwoording van herinneringen aan zijn opa, oma, ouders, zijn kindertijd en jeugd! Zijn beeldspraak doet mij af en toe denken aan de eerste experimentelen, maar door de geaardheid (aarde, aarden) van de gedichten dan weer niet volledig. Ik citeer: Oma is het feest dat vloeit met beken of ze zit aan de feestdis als een walvis of een vriend: hij maakt van haar een ruime zaal of opa sliep met klavecimbel/oma met cortizone.
Gedreven (of moet ik veeleer schrijven: aangedaan?) zoekt de dichter naar verwantschap, herkenning, duidelijkheid. Hij schrijft: Ruimer is het zicht op uw vader/achter hem zit zijn vader en zijn vader en zijn vader/het is een trein die tot aan de bron reikt.
Zijn vader (of is het de dichter zelf?) is in zijn eenvoud voorspelbaar en in zijn woorden verbazingwekkend overgevoelig. Het lijkt wel of zijn geest speelbal is van het niet-verklaarbare. Naar deze begrenzing gaat Lema op zoek bij zijn (groot)ouders en zichzelf.
Zo ervaart de dichter dat hij gewoon een zoon (is)/die zijn zoon zijn als een T-shirt uittrekt. Hij luistert aandachtig en oefent zich in het afschudden/van het gehoorde want het is weer tijd voor het ontmijnen/van als uw verwachtingen.
Wanneer de jongen (de dichter) in het gips zit, ziet hij hoe zijn moeder in de keukenruit/een miniatuur wordt.
Wat ook opvalt, is de aanhoudende wijze waarop de dichter zich moed inspreekt of tot helderheid komt of in de kosmos zijn gram vindt. Het spirituele is voor Lema ontegensprekelijk een houvast, in bange dagen een geloof, geloof dat hem op de been houdt en hem hoopvol stemt. Hij voelt hoe de wind in zijn gezicht waait/om hem het gevoel te geven/dat de wereld iemand om hem heen is.
Ook in het tweede deel van de bundel, Traag is uw verbazing, zoekt hij naar de contouren van zijn identiteit en luistert hij naar de muziek van zijn ziel waarvan de geest de bron is. Hij gaat er altijd weer langs rijden en langzaam trekt (zijn) weg samen.
De lezer kan met enige volharding en alertheid de mens Lema tekenen: hij zet nauwelijks nog een stap/bij haar vandaan (hij wordt huiselijker), hij geniet van de kleine dingen (Trek u door de weerschurende weide/aan het heelal kunt ge u later wijden), hij gaat op reis, maar toch blijkt iedere keer dat het ook een zoektocht blijft naar zichzelf: hij kwam ooit iemand tegen/die zei: zo zijt ge. In een ander gedicht schrijft hij: het gaat niet om wat ge wilt/of ziet in uw dromen/ge gaat door land dat anders is/met elke stap klopt ge aan.
Soms is teleurstelling zijn deel: second life/terwijl aan uw voeten/steeds de oude wegel kleeft. En hij wordt wanhopig: ge hebt u gewoon/te graag geloofd. Hij confronteert zich met het sterven, met de dood: ge doet uw eigen uitgeleide en er staat u niets te wachten/naar uw huis is naar uw donker.
Er is een gaan dat van woestijn weet
het haast zich niet
naar steden vol gaten
er is geen leven in het leven
een graag zien dat zich niet verliest
en ge begint eraan
met zere voeten
ge vraagt u af hoelang
ge zo nog moet sukkelen
maar trek u niets aan
het is uw gaan
Bert Lema verrast mij met deze bundel om zijn filosofisch trialisme: zijn gedachten en gevoelens leiden een afzonderlijk leven; ze hebben ankerpunten in lichaam (aarde), ziel en geest. Hij zoekt naar zichzelf via zijn (groot)ouders en kijkt vooruit naar het lot dat hijzelf beschoren is. De verwoording van dit alles gebeurt in een archaïsche taal, bewust gekozen, om de band met het verleden niet te breken. Hij moet zich wel hoeden voor gedachtesprongen die woorden niet altijd kunnen volgen, zodat de lezer de indruk krijgt dat hij zweeft.
Thierry Deleu
Bert Lema, Traag is uw verbazing, de Oostakkerse Cahiers, Ampersand & Tilde, Antwerpen, 2007
Bij “De Oostakkerse Cahiers” verscheen de bundel Traag is uw verbazing van Bert Lema. Hij werd geboren in Brugge, op 7 december 1969. Hij studeerde Germaanse in Gent en woont momenteel met vrouw en twee zoontjes in het Pajottenland. Hij is werkzaam in de basiseducatie (alfabetisering). Een aantal gedichten uit Traag is uw verbazing verscheen eerder in De Brakke Hond, Nieuw Wereld Tijdschrift en Yang.
Lema krijgt op zijn 38ste een nieuwe kans. Eind jaren ‘90 begon hij - na een lange periode van stilte - opnieuw overal te publiceren. Onder andere in Schoon Schip, Gierik/NVT en Dighter en met regelmaat in De Brakke Hond. Bij Ampersand & Tilde brengt hij nu Traag is uw verbazing uit.
Lema schrijft krachtige poëzie met een spirituele inhoud. Hij maakt - tot mijn spijt - vaak gebruik van dialectwoorden (woorden uit zijn kindertijd?) en dit stoort mij. De man heeft een lange weg afgelegd: van Brugge via Gent en Brussel naar Vollezele. Soms voel ik invloed van Claus, Lucebert, Llorca en Neruda.
De bundel Traag is uw verbazing bestaat uit twee delen. Het eerste deel bevat gedichten die reeds verschenen. Het tweede deel bevat de cyclus Traag is uw verbazing. De bundel is een bloemlezing uit zes of zeven jaar schrijven. Toch vormt de bundel een eenheid. De titel slaat op een heel trage openbaring die verbazing wekt.
Zijn gedichten etaleren enerzijds hilarische ernst en anderzijds relativering en ernstige humor. Beide zijn ingebed in een spirituele beleven. Lema is kosmosgevoelig.
De wijze waarop hij de bundel aangeeft - als een offerande - heeft mij gepakt. De eerste gedichten laten mij niet los: wat een eigenzinnige en eigenwijze verwoording van herinneringen aan zijn opa, oma, ouders, zijn kindertijd en jeugd! Zijn beeldspraak doet mij af en toe denken aan de eerste experimentelen, maar door de geaardheid (aarde, aarden) van de gedichten dan weer niet volledig. Ik citeer: Oma is het feest dat vloeit met beken of ze zit aan de feestdis als een walvis of een vriend: hij maakt van haar een ruime zaal of opa sliep met klavecimbel/oma met cortizone.
Gedreven (of moet ik veeleer schrijven: aangedaan?) zoekt de dichter naar verwantschap, herkenning, duidelijkheid. Hij schrijft: Ruimer is het zicht op uw vader/achter hem zit zijn vader en zijn vader en zijn vader/het is een trein die tot aan de bron reikt.
Zijn vader (of is het de dichter zelf?) is in zijn eenvoud voorspelbaar en in zijn woorden verbazingwekkend overgevoelig. Het lijkt wel of zijn geest speelbal is van het niet-verklaarbare. Naar deze begrenzing gaat Lema op zoek bij zijn (groot)ouders en zichzelf.
Zo ervaart de dichter dat hij gewoon een zoon (is)/die zijn zoon zijn als een T-shirt uittrekt. Hij luistert aandachtig en oefent zich in het afschudden/van het gehoorde want het is weer tijd voor het ontmijnen/van als uw verwachtingen.
Wanneer de jongen (de dichter) in het gips zit, ziet hij hoe zijn moeder in de keukenruit/een miniatuur wordt.
Wat ook opvalt, is de aanhoudende wijze waarop de dichter zich moed inspreekt of tot helderheid komt of in de kosmos zijn gram vindt. Het spirituele is voor Lema ontegensprekelijk een houvast, in bange dagen een geloof, geloof dat hem op de been houdt en hem hoopvol stemt. Hij voelt hoe de wind in zijn gezicht waait/om hem het gevoel te geven/dat de wereld iemand om hem heen is.
Ook in het tweede deel van de bundel, Traag is uw verbazing, zoekt hij naar de contouren van zijn identiteit en luistert hij naar de muziek van zijn ziel waarvan de geest de bron is. Hij gaat er altijd weer langs rijden en langzaam trekt (zijn) weg samen.
De lezer kan met enige volharding en alertheid de mens Lema tekenen: hij zet nauwelijks nog een stap/bij haar vandaan (hij wordt huiselijker), hij geniet van de kleine dingen (Trek u door de weerschurende weide/aan het heelal kunt ge u later wijden), hij gaat op reis, maar toch blijkt iedere keer dat het ook een zoektocht blijft naar zichzelf: hij kwam ooit iemand tegen/die zei: zo zijt ge. In een ander gedicht schrijft hij: het gaat niet om wat ge wilt/of ziet in uw dromen/ge gaat door land dat anders is/met elke stap klopt ge aan.
Soms is teleurstelling zijn deel: second life/terwijl aan uw voeten/steeds de oude wegel kleeft. En hij wordt wanhopig: ge hebt u gewoon/te graag geloofd. Hij confronteert zich met het sterven, met de dood: ge doet uw eigen uitgeleide en er staat u niets te wachten/naar uw huis is naar uw donker.
Er is een gaan dat van woestijn weet
het haast zich niet
naar steden vol gaten
er is geen leven in het leven
een graag zien dat zich niet verliest
en ge begint eraan
met zere voeten
ge vraagt u af hoelang
ge zo nog moet sukkelen
maar trek u niets aan
het is uw gaan
Bert Lema verrast mij met deze bundel om zijn filosofisch trialisme: zijn gedachten en gevoelens leiden een afzonderlijk leven; ze hebben ankerpunten in lichaam (aarde), ziel en geest. Hij zoekt naar zichzelf via zijn (groot)ouders en kijkt vooruit naar het lot dat hijzelf beschoren is. De verwoording van dit alles gebeurt in een archaïsche taal, bewust gekozen, om de band met het verleden niet te breken. Hij moet zich wel hoeden voor gedachtesprongen die woorden niet altijd kunnen volgen, zodat de lezer de indruk krijgt dat hij zweeft.
Thierry Deleu
Bert Lema, Traag is uw verbazing, de Oostakkerse Cahiers, Ampersand & Tilde, Antwerpen, 2007
Brief op uitnodiging. Jan Van Herreweghe 25 jaar bibliothecaris!
Oostduinkerke, 27 juli 2007.
Beste Jan,
Vriend van oudsher,
Ik weet dat je een brief in authentiek handschrift verwacht, maar ik doe dit niet meer en ik wil deze gewoonte in ere houden. Na de typemachine ben ik nu een adept van de pc en de tekstverwerking.
Beste lezer,
Als Harelbekenaar, geboren in Menen, getogen in Wevelgem, en nu wonend in Oostduinkerke, heb ik niet alleen vaak verhuisd en veel gereisd, maar ook veel beleefd. Ik ben niet honkvast - mijn vrienden zeggen dat ik nieuwzuchtig ben - en ik hou van uitdagingen, dit is waar. Van mijn vrouwtje wil ik echter nooit weg, zij is mijn soulmate en mijn grootste Muze.
Het moet je dan ook niet verwonderen dat ik haar zowel in mijn gedichten als in mijn romans verheerlijk, niet altijd bij haar echte naam, dat zou gênant zijn, maar zoek het maar eens op, het kan een tijdrovend spelletje worden.
Mijn poëzie wordt geciteerd als erotisch en critici waarderen mij als “één van de beste liefdespoëten in Vlaanderen”.
In mijn werk komen er - dat had je al begrepen - veel autobiografische elementen voor. Zo lees je dat ik enig kind was, ja, maar niet verwend, veeleer streng opgevoed. Op mijn twaalfde vloog ik in een internaat en kon er geregeld fluiten naar mijn "vrijheid". Tot mijn twaalfde leefde ik in een "harde" wereld. Cowboy en bandiet spelen, voetballen met een zelfgemaakte stoffen bal, met de schietlap mikken op de glazen potjes van de elektrische draden, vette pruimen uit de klakkebus duwen. En dan de "bendes" die elkaar bevochten met kluiten en stenen. Ik speelde echter liever poppenspel voor een klein publiek uit de buurt. Mijn vader was wever, maar in de gemeente was hij vooral bekend als duivenmelker. Wij woonden in de "Kweke", een beruchte wijk, de rode buurt. Mijn leeftijdgenootjes vond ik wat brutaal. Ik deed niet veel kattenkwaad. Ik kon er wel hard om lachen. In het vijfde leerjaar gaf de "meester" ons als opdracht voor een opstel: "Mijn peter". Opa was een vloerenlegger en ik mocht soms met hem mee, met de steekkar of met de triporteur. Ik mocht mijn verhaal voorlezen op de trede voor het bord. Ik was elf jaar, zat vooraan in de klas en wist: ik word schrijver. Logisch, ik blonk verder in niets uit.
Ik speelde "journalistje" op mijn vijftiende. Ik dicteerde artikels en verhalen aan mijn beste maat - hij werd mijn schoonbroer - en die tokkelde zo hard en zo snel als hij kon op een oude schrijfmachine. De blaadjes werden geplakt en in een paar bussen bedeeld in de straat. Toen ik niet meespeelde, zeiden ze tegen elkaar: "Thierry is aan het schrijven." Aan de ene kant hoorde ik erbij, aan de andere kant kon ik mij afzonderen. En dat is vandaag, op mijn 67ste, nog altijd zo. Waarom schrijf ik dit, beste lezer? Omdat het deel uitmaakt van mijn schrijven: therapeutisch, onthullend, de puntjes op de i plaatsen, mezelf blootgeven. Ken je nog de titel van één van mijn eerste gedichtenbundels? Ik, een naaktloper.
Jan, de bibliothecaris, is mijn vriend. "Het is geen gewone,” maar dat wist je al. Ik heb een gedichtje voor hem geschreven, niet in mijn gewone stijl (beelden, metaforen, vergelijkingen), maar zoals hij het liever heeft.
Mijn vriend
Rusteloos zichzelf bekreunende verwarde
en verwarring stichtende bezige bij
mijn vriend chaos creërend orde scheppend
zeven boeken in de hand zeven boeken
aan de rand van zijn tafel hij consumeert
veelvraat onverzadigd onverzadigbaar
wat drijft hem? de levensvragen? indrukwekkend
als hij zich opblaast het uitproest van stil genot
pontificale provocatie met een knipoog
hij weet wat hij niet wil en wat hij niet kan
indien het al mag ambtenaar ambivalente
onruststoker opgejaagd om de eerste te zijn
hij gaat niet op café eet friet met frikadel
hongerstiller kunstobject hij voelt zich beeldend
een wereldverbeteraar rebel without a cause
adviseur voor kunst en vliegwerk in het geweer
voor experiment en tot kunst verheven ambacht
voelt zich als een vis op het droge in de ateliers
de donkere kamers van verwarde geesten
hij spreekt niet hij vertelt een verhaal geen toespraak
veeleer een anekdote hij gooit de kunstenaar
in de arena het volk ziet de waanzin in zijn
ogen de blik van de wijze verwaand gebukt
neergeslagen door massale barbarij.
Ik wens hem een gelukkige verjaardag: 25 jaar bibliothecaris! Hij heeft de Harelbeekse bouwvakker en zijn matrone ontvoogd, hij heeft hun kinderen het avontuur van het lezen leren appreciëren. Dit is héél wat meer dan vele politici ooit zullen kunnen bereiken. Wees hem dankbaar en geef hem af en toe een schouderklopje. Hij zal je zeggen dat het niet hoeft, maar hij meent het niet.
Groetjes en blijf mijn boeken kopen, van lezen alleen kan ik niet leven,
Thierry
P.S. Het boek dat ik prefereer, Jan, om opnieuw te lezen? Eindterm, een "moeilijke" roman die de moeite loont om te herlezen. Omdat hij "ontluistert" en "onthult".
Een foto mail ik jou door.
Beste Jan,
Vriend van oudsher,
Ik weet dat je een brief in authentiek handschrift verwacht, maar ik doe dit niet meer en ik wil deze gewoonte in ere houden. Na de typemachine ben ik nu een adept van de pc en de tekstverwerking.
Beste lezer,
Als Harelbekenaar, geboren in Menen, getogen in Wevelgem, en nu wonend in Oostduinkerke, heb ik niet alleen vaak verhuisd en veel gereisd, maar ook veel beleefd. Ik ben niet honkvast - mijn vrienden zeggen dat ik nieuwzuchtig ben - en ik hou van uitdagingen, dit is waar. Van mijn vrouwtje wil ik echter nooit weg, zij is mijn soulmate en mijn grootste Muze.
Het moet je dan ook niet verwonderen dat ik haar zowel in mijn gedichten als in mijn romans verheerlijk, niet altijd bij haar echte naam, dat zou gênant zijn, maar zoek het maar eens op, het kan een tijdrovend spelletje worden.
Mijn poëzie wordt geciteerd als erotisch en critici waarderen mij als “één van de beste liefdespoëten in Vlaanderen”.
In mijn werk komen er - dat had je al begrepen - veel autobiografische elementen voor. Zo lees je dat ik enig kind was, ja, maar niet verwend, veeleer streng opgevoed. Op mijn twaalfde vloog ik in een internaat en kon er geregeld fluiten naar mijn "vrijheid". Tot mijn twaalfde leefde ik in een "harde" wereld. Cowboy en bandiet spelen, voetballen met een zelfgemaakte stoffen bal, met de schietlap mikken op de glazen potjes van de elektrische draden, vette pruimen uit de klakkebus duwen. En dan de "bendes" die elkaar bevochten met kluiten en stenen. Ik speelde echter liever poppenspel voor een klein publiek uit de buurt. Mijn vader was wever, maar in de gemeente was hij vooral bekend als duivenmelker. Wij woonden in de "Kweke", een beruchte wijk, de rode buurt. Mijn leeftijdgenootjes vond ik wat brutaal. Ik deed niet veel kattenkwaad. Ik kon er wel hard om lachen. In het vijfde leerjaar gaf de "meester" ons als opdracht voor een opstel: "Mijn peter". Opa was een vloerenlegger en ik mocht soms met hem mee, met de steekkar of met de triporteur. Ik mocht mijn verhaal voorlezen op de trede voor het bord. Ik was elf jaar, zat vooraan in de klas en wist: ik word schrijver. Logisch, ik blonk verder in niets uit.
Ik speelde "journalistje" op mijn vijftiende. Ik dicteerde artikels en verhalen aan mijn beste maat - hij werd mijn schoonbroer - en die tokkelde zo hard en zo snel als hij kon op een oude schrijfmachine. De blaadjes werden geplakt en in een paar bussen bedeeld in de straat. Toen ik niet meespeelde, zeiden ze tegen elkaar: "Thierry is aan het schrijven." Aan de ene kant hoorde ik erbij, aan de andere kant kon ik mij afzonderen. En dat is vandaag, op mijn 67ste, nog altijd zo. Waarom schrijf ik dit, beste lezer? Omdat het deel uitmaakt van mijn schrijven: therapeutisch, onthullend, de puntjes op de i plaatsen, mezelf blootgeven. Ken je nog de titel van één van mijn eerste gedichtenbundels? Ik, een naaktloper.
Jan, de bibliothecaris, is mijn vriend. "Het is geen gewone,” maar dat wist je al. Ik heb een gedichtje voor hem geschreven, niet in mijn gewone stijl (beelden, metaforen, vergelijkingen), maar zoals hij het liever heeft.
Mijn vriend
Rusteloos zichzelf bekreunende verwarde
en verwarring stichtende bezige bij
mijn vriend chaos creërend orde scheppend
zeven boeken in de hand zeven boeken
aan de rand van zijn tafel hij consumeert
veelvraat onverzadigd onverzadigbaar
wat drijft hem? de levensvragen? indrukwekkend
als hij zich opblaast het uitproest van stil genot
pontificale provocatie met een knipoog
hij weet wat hij niet wil en wat hij niet kan
indien het al mag ambtenaar ambivalente
onruststoker opgejaagd om de eerste te zijn
hij gaat niet op café eet friet met frikadel
hongerstiller kunstobject hij voelt zich beeldend
een wereldverbeteraar rebel without a cause
adviseur voor kunst en vliegwerk in het geweer
voor experiment en tot kunst verheven ambacht
voelt zich als een vis op het droge in de ateliers
de donkere kamers van verwarde geesten
hij spreekt niet hij vertelt een verhaal geen toespraak
veeleer een anekdote hij gooit de kunstenaar
in de arena het volk ziet de waanzin in zijn
ogen de blik van de wijze verwaand gebukt
neergeslagen door massale barbarij.
Ik wens hem een gelukkige verjaardag: 25 jaar bibliothecaris! Hij heeft de Harelbeekse bouwvakker en zijn matrone ontvoogd, hij heeft hun kinderen het avontuur van het lezen leren appreciëren. Dit is héél wat meer dan vele politici ooit zullen kunnen bereiken. Wees hem dankbaar en geef hem af en toe een schouderklopje. Hij zal je zeggen dat het niet hoeft, maar hij meent het niet.
Groetjes en blijf mijn boeken kopen, van lezen alleen kan ik niet leven,
Thierry
P.S. Het boek dat ik prefereer, Jan, om opnieuw te lezen? Eindterm, een "moeilijke" roman die de moeite loont om te herlezen. Omdat hij "ontluistert" en "onthult".
Een foto mail ik jou door.
17 juli 2008
16 juli 2008
Suite "Les Tilleuls"
"Les Tilleuls" op een regendag
Manshoge muurbloemen aan
weerszij van het pad kringelen
tussen tintelende takken
bedauwde parels pletsen
open bij de poort tot Les Tilleuls
een hagedis één ogen-blik
versteent schiet weg een schicht
bang voor grijpgrage handen
een rode blos papavers
trosjes gele brem erehaag
voor moe gestreden Tempelier
thuis van ‘t Heilig land.
Heimwee naar huis
Zee ijlende glinstering
zinderende luchtspiegel
ik mis jouw weerkaatsing als
ik ’s morgens door het raam kijk
groter wordt mijn heimwee naar
het huis aan je volle
lippen ik mis de flikkering
van jouw ogen in het aanschijn
van de ochtendzon, zee vriend
van mijn emoties ik hoop
dat je mij niet afvalt in het
het besef van de afstand.
Ik word niet oud
Ik wil niet oud worden voor mijn tijd
of wat dacht je wel de zee is een
uitdaging geen rustoord om in
schoonheid te sterven ik kom niet
resideren om mijn einde een
laatste glans te geven ik hou niet
van dit uitbesteed scenario
de zee is een intermezzo
een zijsprong even weg van de
snelweg van het leven niets belet
mij om landinwaarts te keren
ik hou van de zee die blik op
oneindig het einde ver weg
onvoorstelbaar ver dit zint mij wel
ik word hier ouder dan twintig jaar
niemand had dit ooit verwacht de zee
houdt mij in balans geen sinecure
voor een woelwater als ik.
Leven als God in Frankrijk
Leven als God in Frankrijk
kun je maar op één manier
tenzij je wieg is omgeven
met het goud van de wereld
als je niet rijk bent kun je
rijk leven wie na mij komt
zal het weten voor geen geld
ter wereld wil ik mij
priveren van de hemel
op aarde ik mag van geluk
spreken dat jij met mij de
lusten deelt en de lasten.
"Les Tilleuls"
Ik hoor de vogeltjes fluiten
in hoge akkoorden hoger
dan zij kunnen vliegen hoor hoe
ze te keer gaan tegen elkander
als jonge muzikanten de zon
lacht luid en breed klaprozen
kleuren rood het groen langs wei
en wegen ineens een tractor
hobbelt voor ons uit de boer
geen oog voor niets een kudde
schapen verspert zijn weg hij slaat
de dieren om de oren
tot zij luid protesterend
een doorgang maken de motor
buldert voort de vogeltjes fluiten
maar ik hoor ze niet klaprozen
liggen geplet achterover.
Thierry Deleu
* "Les Tilleuls" Maison d ‘Hôtes de Charme, 12100 Millau
(Saint Georges de Luzençon)
Tel/Fax : (00.33)05.65.62.47.38
info@lestilleuls.net
www.lestilleuls.net
Om "Les Tilleuls" te vinden:
wanneer u komt vanaf het noorden, uitrit 45 op de A75 richting Millau, op 300 m voor de péage van het Viaduct van Millau. Vanaf Millau volgt u richting Albi, D992, over ongeveer 12km, waar u het dorp Saint Georges de Luzençon doorkruist. In het centrum van het dorp neemt u een weg linksaf richting Saint Geniez de Bertrand, deze weg volgt u over 2 km. Dan een zijweg naar rechts, en 300 m verder is de ingang van het domein. Vanaf het centrum van Saint- Georges-de-Luzençon zijn er pijlen geplaatst.
Martine en Hans Gilbos-Segers
Manshoge muurbloemen aan
weerszij van het pad kringelen
tussen tintelende takken
bedauwde parels pletsen
open bij de poort tot Les Tilleuls
een hagedis één ogen-blik
versteent schiet weg een schicht
bang voor grijpgrage handen
een rode blos papavers
trosjes gele brem erehaag
voor moe gestreden Tempelier
thuis van ‘t Heilig land.
Heimwee naar huis
Zee ijlende glinstering
zinderende luchtspiegel
ik mis jouw weerkaatsing als
ik ’s morgens door het raam kijk
groter wordt mijn heimwee naar
het huis aan je volle
lippen ik mis de flikkering
van jouw ogen in het aanschijn
van de ochtendzon, zee vriend
van mijn emoties ik hoop
dat je mij niet afvalt in het
het besef van de afstand.
Ik word niet oud
Ik wil niet oud worden voor mijn tijd
of wat dacht je wel de zee is een
uitdaging geen rustoord om in
schoonheid te sterven ik kom niet
resideren om mijn einde een
laatste glans te geven ik hou niet
van dit uitbesteed scenario
de zee is een intermezzo
een zijsprong even weg van de
snelweg van het leven niets belet
mij om landinwaarts te keren
ik hou van de zee die blik op
oneindig het einde ver weg
onvoorstelbaar ver dit zint mij wel
ik word hier ouder dan twintig jaar
niemand had dit ooit verwacht de zee
houdt mij in balans geen sinecure
voor een woelwater als ik.
Leven als God in Frankrijk
Leven als God in Frankrijk
kun je maar op één manier
tenzij je wieg is omgeven
met het goud van de wereld
als je niet rijk bent kun je
rijk leven wie na mij komt
zal het weten voor geen geld
ter wereld wil ik mij
priveren van de hemel
op aarde ik mag van geluk
spreken dat jij met mij de
lusten deelt en de lasten.
"Les Tilleuls"
Ik hoor de vogeltjes fluiten
in hoge akkoorden hoger
dan zij kunnen vliegen hoor hoe
ze te keer gaan tegen elkander
als jonge muzikanten de zon
lacht luid en breed klaprozen
kleuren rood het groen langs wei
en wegen ineens een tractor
hobbelt voor ons uit de boer
geen oog voor niets een kudde
schapen verspert zijn weg hij slaat
de dieren om de oren
tot zij luid protesterend
een doorgang maken de motor
buldert voort de vogeltjes fluiten
maar ik hoor ze niet klaprozen
liggen geplet achterover.
Thierry Deleu
* "Les Tilleuls" Maison d ‘Hôtes de Charme, 12100 Millau
(Saint Georges de Luzençon)
Tel/Fax : (00.33)05.65.62.47.38
info@lestilleuls.net
www.lestilleuls.net
Om "Les Tilleuls" te vinden:
wanneer u komt vanaf het noorden, uitrit 45 op de A75 richting Millau, op 300 m voor de péage van het Viaduct van Millau. Vanaf Millau volgt u richting Albi, D992, over ongeveer 12km, waar u het dorp Saint Georges de Luzençon doorkruist. In het centrum van het dorp neemt u een weg linksaf richting Saint Geniez de Bertrand, deze weg volgt u over 2 km. Dan een zijweg naar rechts, en 300 m verder is de ingang van het domein. Vanaf het centrum van Saint- Georges-de-Luzençon zijn er pijlen geplaatst.
Martine en Hans Gilbos-Segers
15 juli 2008
Prijzen Hannahwedstrijd!
Eerste prijs: Erik Wauters uit Mechelen:
De schoot van mijn taal
Dat het vers gans mijn akker,
mijn woord een ploegmes dat zich
erin vastrijdt, mijn hand mondjesmaat
de voren verwijdend zo het licht
brengt aan het licht -
Dat mijn akker een moeder
het gedicht me de tijd leert,
het seizoen van mijn huid
en de botten die blijven
en de uittocht die duurt
het de grens van mijn reis toont
als de sloot om het bouwland
en het huis van de blinden
het water voorbij.
Dat de stilte nadien -
Tweede prijs: Karel Wasch uit Amsterdam:
Ontvoerd
Het zwijgzaam licht heeft moeder toch ontvoerd, ze lacht
in mijn gedachten verder door onherbergzaam landschap
van herinnering. Een ding is zij geworden - klank zonder
klepel - gezekerd in een onderaards bestaan. Het zal
mij slecht vergaan als ik de wisser door de tijd, het mes
door perkament laat glijden, want echt vermijden kan
ik haar nog niet. Wat moet ze nog van mij?
Grafiet blies ik van bladen, uit een oud cahier,
we baadden in een zee van tijd, zorgeloos,
maar nu getekend door een heimelijk tekort,
een afscheidshand. Ik spoel de banden
terug in ochtenden vol nieuwe levens
maar het verstand belet mijn gaan,
verlamd en kreupel baan ik mij een uitweg.
Ik weet, mijn koningin is nu niet meer, het ijl
paleis ligt er verlaten bij, haar hand in rood fluweel reikt
- volgens beproefd recept - naar niets minder dan
de hemel, de klare wijn is weggevloeid aldaar, ik weet
niet goed als ik ooit aankom of ze mij nog groet
of wegwuift met vermoeid misbaar.
Derde prijs: Anne Van Meerbeeck uit Herent
Vandaan
mijn voet paste, toen nog
in een tegel op de stoep
een hinkelspel, een pad naar onontgonnen
dagen met sprongen binnen kaders van krijt
na tien tellen, toen nog
adem over, op één been
't was kinderspel, de mensen waren groter
en hun schaduw liep simpelweg met de zon
op een keerpunt, voortaan
't houten blokje in een hoek
beland in het vreemde land van haast en spoed
de uren vullen zich met kleine dingen
het heet heimwee, voort-aan
deomen tellen, op zoek naar
wat je voortschopt, hoe je 't evenwicht bewaart
en telkens terugkeert, geen ontkomen aan.
De schoot van mijn taal
Dat het vers gans mijn akker,
mijn woord een ploegmes dat zich
erin vastrijdt, mijn hand mondjesmaat
de voren verwijdend zo het licht
brengt aan het licht -
Dat mijn akker een moeder
het gedicht me de tijd leert,
het seizoen van mijn huid
en de botten die blijven
en de uittocht die duurt
het de grens van mijn reis toont
als de sloot om het bouwland
en het huis van de blinden
het water voorbij.
Dat de stilte nadien -
Tweede prijs: Karel Wasch uit Amsterdam:
Ontvoerd
Het zwijgzaam licht heeft moeder toch ontvoerd, ze lacht
in mijn gedachten verder door onherbergzaam landschap
van herinnering. Een ding is zij geworden - klank zonder
klepel - gezekerd in een onderaards bestaan. Het zal
mij slecht vergaan als ik de wisser door de tijd, het mes
door perkament laat glijden, want echt vermijden kan
ik haar nog niet. Wat moet ze nog van mij?
Grafiet blies ik van bladen, uit een oud cahier,
we baadden in een zee van tijd, zorgeloos,
maar nu getekend door een heimelijk tekort,
een afscheidshand. Ik spoel de banden
terug in ochtenden vol nieuwe levens
maar het verstand belet mijn gaan,
verlamd en kreupel baan ik mij een uitweg.
Ik weet, mijn koningin is nu niet meer, het ijl
paleis ligt er verlaten bij, haar hand in rood fluweel reikt
- volgens beproefd recept - naar niets minder dan
de hemel, de klare wijn is weggevloeid aldaar, ik weet
niet goed als ik ooit aankom of ze mij nog groet
of wegwuift met vermoeid misbaar.
Derde prijs: Anne Van Meerbeeck uit Herent
Vandaan
mijn voet paste, toen nog
in een tegel op de stoep
een hinkelspel, een pad naar onontgonnen
dagen met sprongen binnen kaders van krijt
na tien tellen, toen nog
adem over, op één been
't was kinderspel, de mensen waren groter
en hun schaduw liep simpelweg met de zon
op een keerpunt, voortaan
't houten blokje in een hoek
beland in het vreemde land van haast en spoed
de uren vullen zich met kleine dingen
het heet heimwee, voort-aan
deomen tellen, op zoek naar
wat je voortschopt, hoe je 't evenwicht bewaart
en telkens terugkeert, geen ontkomen aan.
Beste vriend Guy,
In de loop van de laatste twee, drie jaar heb ik het opgenomen voor “de kleine auteur” en de redacties van onbezoldigde of geviseerde literaire tijdschriften.
“Gierik” deed nooit de moeite om mijn bijdragen te plaatsen, andere tijdschriften en e-zines waren wel bereid om de kar te duwen of zelfs te trekken. “Gierik” niet. Waarom niet? Dacht de redactie dat zij alleen een uitgang uit de crisis kon vinden? Of was zij zelfgenoegzaam, eigengereid, of hooghartig, hautain?
Soit, ik begrijp je frustratie.
Hieronder herpubliceer ik mijn analyse en enkele fragmenten uit mijn “klachten” en “aanklachten”.
Ode aan de bibliothecaris?
Waarom niet? Is de bibliothecaris niet de bruggenbouwer tussen de informatie in een bibliotheek en haar bezoekers? Hij/zij zorgt ervoor dat het informatieaanbod van de bibliotheek goed aansluit bij de wensen van de bezoekers en houdt de collectie up-to-date. Verschijning van nieuwe boeken, tijdschriften of naslagwerken houdt hij nauwlettend in de gaten. Aanwinsten geeft hij - door middel van een coderingssysteem - een logische plek in de collectie. Wanneer bezoekers moeite hebben om informatie te vinden, helpt hij ze bij hun zoektocht. Dit is héél wat en daarom verdient hij/zij deze ode!
De bibliothecaris houdt bij welke nieuwe boeken, tijdschriften en naslagwerken er verschijnen. Om te bepalen welke titels moeten worden aangeschaft, leest hij/zij onder andere recensies en aankondigingen van uitgevers.
Daar wringt het schoentje! Hoe maakt hij kennis met uitgaven van auteurs die niet bij “gevestigde” uitgevers (met recensie) worden uitgegeven? En indien hij/zij er weet van krijgt, vindt hij het dan belangrijk/onbelangrijk en/of tijdrovend om contact met de auteur te nemen? Wat doet de bibliothecaris indien hij/zij geen recensie toegestuurd krijgt of indien de auteur niet in de “officiële” recensiesluis is opgenomen?
Bij het uitbreiden van de collectie houdt hij/zij altijd de wensen van de bibliotheekgebruikers in zijn/haar achterhoofd.
Hij/zij adviseert de bevoegde schepen over de aanschaf van nieuwe boeken. Vaak is het echter zo dat de bibliothecaris zelf tot de aankoop overgaat. Hij beheert het budget.
Van wie krijgt hij informatie over nieuwe uitgaven? Wat indien hij/zij van de officiële bibliotheekdienst slechts informatie, voorzien van een recensie, ontvangt van ingezonden nieuwe boeken door de “grote” uitgeverijen? Besteedt hij ook evenveel aandacht aan informatie hem/haar door de auteur zelf bezorgd?
Een voorstel. Is het niet wenselijk (menselijk) dat ook (beginnende) auteurs of auteurs zonder grote uitgeverij of auteurs die uitgeven in eigen beheer zich met evenveel respect kunnen wenden tot diezelfde “boekendienst” (door de Overheid en/of het boekenbedrijf opgericht en/of gesubsidieerd)?
Hoewel iedere bibliotheek beschikt over een zoeksysteem waarmee bezoekers zelfstandig de collectie kunnen raadplegen, hebben bezoekers regelmatig hulp nodig bij hun informatiezoektocht. Bijvoorbeeld bij het zoeken naar informatie over een schrijver.
Ook nu weer is de “onbekende” auteur de dupe. Wanneer de bezoeker het zoeksysteem raadpleegt, komt hij/zij nooit uit op een beginnende auteur, debutant, auteur zonder uitgeverij, tenzij de lokale bibliothecaris de man of vrouw persoonlijk kent en van hem/haar een aantal boeken heeft aangekocht. Deze auteur krijgt echter geen kans(en) om gelezen te worden door een ruimer publiek, om te worden geapprecieerd, om te worden gekocht. Hij blijft - als het meevalt - een lokale (hoogstens regionale) vedette.
Voorstel. De bibliothecaris onderstreept in zijn dienstmededelingen hoe belangrijk het is alle auteurs te kennen (niet alleen degenen die zij op school hebben gelezen), hoe de keuze van de bibliotheekbezoeker moet worden begeleid en verbreed, hij/zij benadrukt het respect dat zijn/haar medewerkers moeten hebben voor alle auteurs en alle bezoekers. Hij leert hun hoe onvrijwillig discriminerend zij kunnen tewerk gaan.
Wie is volgens mij een topbibliothecaris? Een topper wordt hij/zij door hem/haar te specialiseren in een aantal onderwerpen. Door ontwikkelingen goed te volgen, zoals het debuut van een auteur, de kleinschalige uitgeverijtjes, printing-on-demand, is hij/zij op de hoogte van de nieuwste uitgaven en (digitale) informatiebronnen. Hij/zij kan bibliotheekbezoekers hierdoor beter bijstaan bij hun zoektocht naar informatie en de kwaliteit van de collectie (actueel en volledig) vergroten.
Malaise in de Vlaamse letterkundige wereld?
Rol van de VVL niet uitgespeeld!
Uit publicaties blijkt dat er hoe langer hoe meer een malaise heerst in de literaire - en ook andere artistieke kringen.
Wat is dan de oorzaak van dat onbehagen? Welke zijn de grieven van de schrijvers? Hoe komt het dat auteurs, die zgn. verstokte individualisten, zich groeperen om hun gemeenschappelijke eisen kracht bij te zetten? De schrijvers voelen zich achteruitgeschoven in een maatschappij die op technische prestaties en materiële waarden gesteld is. Aangezien alle activiteiten nu naar hun rendementswaarde gemeten worden en de bezinning voor de daad onderdoet, wordt het schrijfwerk in twijfel getrokken. Men gaat zich afvragen, of de schrijver wel degelijk zijn steentje bijdraagt tot de opbouw van een betere wereld. Is hij niet veeleer een parasiet die het product van zijn fantasie tegen geld verkoopt? Vervult hij eigenlijk nog een positieve functie in een samenleving die zweert bij wetenschap en kennis? In onze neo-modernistische wereld blijft er inderdaad weinig plaats meer over voor fictie, die immers niets leert. De aandacht gaat in onze dagen meer naar wetenschappelijke studies en vulgariserende literatuur dan naar fictionele werken.
Ik kan geen oplossing bieden voor een probleem van dergelijke omvang. Ik stel er mij tevreden mee een röntgenbeeld te geven van de toestand bij ons in Vlaanderen en de vingers te leggen op enkele ziektesymptomen.
De gehele problematiek is in de betrokken kringen voldoende gekend.
De schrijvers en het ‘Fonds’
De schrijvers vormen samen met de artiesten een aparte categorie van personen die een vrij (bij)beroep uitoefenen. Het schrijverschap wordt wel juridisch of wettelijk erkend, hoewel de schrijvers zelf hun schrijfwerk niet als een beroep, althans hun hoofdberoep, beschouwen.
Deze toestand is aan sociale omstandigheden te wijten. Het schrijversberoep dat voor sommigen gelijk staat met beroepen als architect, ingenieur, arts, advocaat, enz. biedt in feite veel minder materiële voordelen. Het is een vrij beroep, maar met zulke eigenaardigheden dat de assimilatie met andere vrije beroepen mank gaat. Alleen al een bepaling geven van de schrijver is een moeilijke taak. Tot nu toe heeft men geen officiële definitie kunnen geven van de auteur. Heeft hij een specifiek sociaal statuut? Wenst hij het statuut van de zelfstandige?
De meeste schrijvers, op enkele oudere succesrijke auteurs na, kunnen echter als zelfstandigen niet leven. Waar zouden zij overigens van leven? In de eerste plaats van de verkoop van hun werken? De auteursrechten? Wegens de beperktheid van de Nederlandstalige boekenmarkt lopen de oplagen zelden hoog op, zodat de opbrengst in de meeste gevallen niet volstaat om een schrijver fatsoenlijk te laten leven. Dan is er nog af en toe eens een geschenkje van de overheid, een literaire prijs, een reis- of werkbeurs, maar dit zijn slechts geringe bedragen, waarop geen staat te maken is.
Penibel is hier de vaststelling dat debutanten en/of auteurs die niet (kunnen) uitgeven bij erkende uitgeverijen uit de boot vallen. Bovendien ondervinden zij weinig steun van de bibliothecarissen (en hun belangengroepen) die geen of bijna geen boeken van hen aankopen.
De vraag is of aan die wens zou kunnen worden voldaan. De sociaal-liberale schrijverskernen ijveren in de meeste Europese landen voor erkenning van het schrijverschap. Zal de staat in dit geval de beoefening van een vrije literatuur niet belemmeren? Staatsliteratuur of propagandaliteratuur is echt geen nastrevenswaard ideaal. Denk aan de positie van de Oost-Europese auteur van weleer.
Het huidige Fonds keert subsidies voor de literatuur uit in de vorm van subsidies, stipendia, werkbeurzen, enz. De vraag is echter of die uitkeringen correct gebeuren en of de adviseurs met kennis van zaken en zonder vooringenomenheid advies verstrekken? Bovendien is de vraag naar een schrijversloon, d.i. een door het Fonds gegarandeerd minimum inkomen, nog altijd niet aan de orde. Ik zoek bovendien vergeefs naar een controlemechanisme waardoor enerzijds adviezen van het Fonds kunnen worden bijgesteld of aangevochten en anderzijds de samenstelling van het adviesorgaan kan worden onderzocht op zijn pariteit en integriteit. Of scherper geformuleerd: zijn er voldoende meetbare garanties ingebouwd om enige vorm van belangenvermenging te voorkomen?
Al die vragen, bemerkingen en eisen wijzen er echter op dat de schrijvers zich bewust worden van hun maatschappelijke functie. Dit socialiseringsproces is zich op alle gebieden aan het voltrekken. De tijd van het romantisch individualisme is voorbij. Sommigen kunnen dat betreuren. Het is echter een feit waar men zich bij moet neerleggen.
Het schrijversprobleem?
Ik leg de vinger op een aantal problemen die inherent zijn aan het schrijversberoep.
Het debuut in de literaire carrière b.v. is bijzonder moeilijk. Een auteur zonder naam of faam moet de gunst van een uitgever en die van een publiek zien te winnen, die verwend zijn door een massa dergelijke producten. Vaak werken auteurs eerst jaren in het donker voordat zij erkend worden. Soms hebben ze het geluk door een collega-schrijver met naam ontdekt en beschermd te worden of door een uitgever opgemerkt te worden, die bereid is hun een kans te geven. Maar dit blijven uitzonderingen. De meeste schrijvers moeten op eigen krachten rekenen om zich een weg te banen naar een eerste succes. En deze weg kan soms vrij lang zijn.
Hier zou een steun van de maatschappij welkom zijn. In feite gebeurt dit in de meeste andere beroepen. Een jong afgestudeerde die ergens een betrekking krijgt, wordt vanaf de eerste werkdag betaald. Ofwel wordt hij voor een proefperiode aangenomen, tijdens dewelke hij een deel van het loon toegewezen krijgt. Een soortgelijke oplossing wordt geambieerd door de overheid, maar de criteria om hiervoor in aanmerking te komen zijn niet ernstig. Willekeurige criteria worden aangewend en het systeem schenkt geen voldoening. Bedoeling zou moeten zijn dat de schrijver zijn talent gedurende een zekere periode zonder al te grote materiële moeilijkheden kan oefenen.
Opvallend is het feit dat vele auteurs gewag maken van uitgaven in eigen beheer. Dit betrekkelijk hoge cijfer wijst op een bepaalde tendens in de verhouding auteur-uitgever. Er zijn inderdaad duidelijke ziektesymptomen, die het lampje op rood zetten. Wij hebben het hier niet alleen over de strijd die marginale, avant-gardistische uitgeverijen tegen de gevestigde huizen moeten voeren. Wij beschouwen de problematiek veeleer vanuit het standpunt van de schrijver. De schrijver kiest zijn uitgever niet, hij wordt door hem gekozen. Zodra het werk geschreven is, verliest de auteur er de heerschappij over. De lezer interpreteert het op zijn eigen manier. De commercie (lees: de uitgever) beslist almachtig over het stoffelijk lot van dat geesteskind.
Hij acht het verkoopbaar, rendabel of totaal waardeloos. Hij behandelt het gewoon als ieder ander commercieel product. Indien het merk al bekend is, zal de verkoop vermoedelijk vlot verlopen. Voor een nieuwigheid is echter voorzichtigheid geboden. De kansen worden gewikt en gewogen en vallen, naar gelang de verwachte afzet, gelukkig of faliekant voor de auteur uit. Deze kan zijn zaak nog bepleiten om zich uiteindelijk toch bij de beslissing van de uitgever neer te leggen. De auteur is dus totaal overgeleverd aan de ijzeren wetten van de boekenmarkt en krijgt al spoedig, terecht of ten onrechte, de indruk dat hij een speelbal is in de handen van kapitaalkrachtige uitgevers die, samen met drukkers en boekhandelaars, hem kleinmaken door hem niet ernstige voorwaarden op te leggen. Dit besef van schreeuwend onrecht groeit vooral bij de jongere schrijvers (en bij de ouderen die aan hun debuut terugdenken), omdat zij er het meeste nadeel van ondervinden. Zij hebben immers meestal nog geen naam en hun werken worden dus niet zonder meer aanvaard.
De uitgevers wijzen op de financiële moeilijkheden waarmee zij hoe langer hoe meer te kampen hebben en die hen bovendien tot fusie met andere bedrijven dwingen. Dergelijke concentraties versterken hun macht en maken rationeler arbeid mogelijk. Zo die formule het uitgeversbedrijf bevoordeelt, baat ze echter niet de schrijvers wier vrijheid steeds meer beknot wordt.
Om aan de greep van het grootkapitalistisch bedrijf te ontsnappen, denken hier en daar schrijvers eraan zelf de touwtjes in handen te nemen en zelf voor hun verspreidingskanalen te zorgen.
De schrijvers die bij ons hun werken zelf uitgeven en meteen ook die van hun collega's-schrijvers zijn wellicht een eerste aanzet tot ontsnapping aan het uitgeversbedrijf. Het zijn meestal jongere schrijvers, wiens manuscript door een uitgever geweigerd werd en die dus door de bestaande kanalen niet kunnen doorbreken.
Hier zou de VVL een belangrijke rol kunnen spelen: duiding geven, ontwerpteksten tot subsidiëring (aan)maken voor de overheid, kansarme auteurs en hun verzuchtingen actualiseren, uitgaven in eigen beheer of bij niet-erkende uitgeverijen collectief aanprijzen bij bibliotheken en in kranten, tijdschriften en e-magazines.
De VVL dient zich te profileren als een “vakbond” die gedreven en bedreven onderhandelt met de overheid, met uitgeverijen, het bibliotheekwezen en de boekhandel.
De Koepel van de Vlaamse auteursverenigingen (KVA), waaronder zich ook de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen (VVL) bevond, was een stap in de goede richting. Zijn doel: enerzijds de materiële belangen van de schrijvers verdedigen en anderzijds de Vlaamse letteren bevorderen en de morele en materiële belangen van de schrijvers behartigen, kwam niet voldoende uit de verf. Het bestuur moet er stringenter over waken dat er zich in de Koepel geen ideologische polarisering voordoet tussen links en rechts, tussen vrijzinnigen en gelovigen, tussen “denkenden” en “andersdenkenden”. De Koepel kon niet effectief zorgen voor de nodige werkingsmiddelen.
Toen recent de nieuwe Vlaamse Auteursvereniging (VAV) werd opgericht, bleek nogmaals hoe auteurs zich uit eigenbelang (her)groeperen en ongegeneerd de kant kiezen van de grootsubsidies. Met de oprichting van de VAV vrees ik dat ook nu de grote namen eerst aan bod zullen komen bij de behartiging van de auteursbelangen.
In het essay Solitude de l'écrivain legt Escarpit de nadruk op het verschil tussen de morele vrijheid en de materiële zekerheid van de schrijver. Het materieel bestaan van de schrijver zou moeten worden beschermd, zonder dat daarbij iets afgedaan wordt aan zijn intellectuele en morele vrijheid die hij als kunstenaar zo broodnodig heeft.
Aan deze wens tegemoetkomen, veronderstelt alleszins dat de maatschappij - en in haar georganiseerde vorm worden daarmee de bevoegde instanties bedoeld - de sociale functie van de literatuur erkent. Is dat zo? Hoe staat de overheid tegenover de literatuur? Geeft zij aan de producenten van een belangrijk deel van haar cultuur wel inderdaad wat hun toekomt? Maakt zij het scheppen - en overigens ook het genieten - van literatuur voor iedereen toegankelijk? Eerbiedigt zij de artistieke vrijheid? Wendt zij vooroordeelvrije criteria aan om haar gunsten uit te delen? Wat wordt door de overheid ten gunste van de literatuur en van de schrijvers gedaan? Zijn de huidige vormen van overheidssteun aan de schrijvers en aan de literatuur effectief en efficiënt?
Worden er een aantal betrekkingen in de overheidsdiensten aan schrijvers toegekend? Worden er (voldoende) subsidies uitgekeerd aan bibliotheken en letterkundige instellingen? Worden er (toereikende) subsidies verleend voor literaire uitgaven en tijdschriften? Worden er (gespijsde) prijsvragen voor letterkunde en literatuurgeschiedenis uitgeschreven? Worden er (voldoende) literaire werken door de overheid aangekocht? Worden er (gespekte) reis- en werkbeurzen aan letterkundigen toegekend? Worden er staats-, provinciale en gemeentelijke prijzen aan letterkundigen uitgereikt? Ik hoor de minister en de ambtenaren hardop roepen: “JA!”
Toch vrees ik dat de literatuur door de overheid stiefmoederlijk wordt behandeld. Zij is vaak niet erg vrijgevig. Zij stelt auteuronvriendelijke voorwaarden. Zij geeft voorrang aan de uitgever boven de auteur, aan de commercie boven de kunst. Ik durf te schrijven dat de overheid de literatuur veeleer bemoedert dan wel daadwerkelijk helpt.
Zouden de schrijvers niet meer gebaat zijn met een materiële hulp aan het begin van de carrière? De doorbraak naar de bekendheid is immers de moeilijke drempel. Wanneer deze klip overwonnen is, wordt de reis naar het succes - ook het financiële - makkelijker.
Er moeten criteria vastgelegd worden voor de bepaling van het begrip “literaire carrière”. Er moet rekening worden gehouden met schrijvers die spoedig met schrijven ophouden, enz. Het is aan de andere kant ook hoog tijd dat de meeste letterkundigen hun asociale structuren, waarin ze zich opsluiten, doorbreken en dat de literatuur in een veel ruimere zin gaat functioneren.
Het initiatief moet van beide kanten komen. Aan de ene kant moet de overheid die over de financiële middelen beschikt, bijdragen tot een materiële en, bijgevolg, morele revalorisatie van het schrijverschap, mits zij natuurlijk de artistieke vrijheid van de schrijver eerbiedigt. Aan de andere kant moeten de schrijvers hun elitaire houding opgeven. Ligt de oplossing niet in wat J. J. Wesselo noemt: “de woorden hun sociale waarde teruggeven”. Moet het schrijven niet opnieuw een sociale functie krijgen?
Wat is de rol van de schrijver?
De maatschappij, - in haar georganiseerde vorm is dit de overheid -, moet de schrijver als een volwaardig medeburger erkennen en hem in de gelegenheid stellen zijn schrijfwerk onder de gunstigste materiële omstandigheden te verrichten.
Van de kant van de schrijvers moet ook wat, en zelfs veel gedaan worden. Willen zij met zichzelf eerlijk zijn en de sociale functie van de literatuur daadwerkelijk bekrachtigen, dan moeten zij, om het Hendrik Conscience na te zeggen, “het publiek literatuur leren lezen”. Net zoals er geïnspireerde en vakbekwame dichters bestaan, zijn er mensen die zonder de minste scholing literatuur genieten, en anderen, - de meerderheid, - die geleidelijk ingewijd moeten worden in de eigen aard van het literaire. Dit is ongetwijfeld de taak van het onderwijs hiervoor te zorgen. Ik betreur in dit verband ten zeerste het diskrediet waarin sommige hervormers van het secundair onderwijs het literatuuronderwijs willen brengen.
Ook de letterkundigen kunnen tot die literaire opleiding bijdragen. Een uitgebreid actieterrein ligt voor hen open. Benevens het onderwijs denk ik aan het bibliotheekwezen, radio en televisie en het hele gebied van de cultuuranimatie.
Deze bedenkingen zijn gegroeid uit een eigengereide bekommernis van de auteur voor de schrijverswereld. Ik ben er van overtuigd dat het probleem van het statuut van de schrijver niemand onberoerd laat. Het probleem is overal aan de orde en heeft reeds jaren heel wat opschudding gewekt. Er heerst ongetwijfeld een malaise in de letterkundige wereld. Ook - en zeker niet het minst - bij ons.
Voorstel tot herschrijven van het decreet van 30 maart 1999
houdende de oprichting van een Vlaams Fonds voor de Letteren
Art. 5 van Hoofdstuk II. De oprichting van een VFL zegt dat “Het VFL tot doel heeft de Nederlandstalige letteren … in de brede zin van het woord te ondersteunen en de sociaal-economische positie van auteurs … te verbeteren.”
Onder andere door de toekenning van subsidies? Ja, natuurlijk. Maar welke is de positie van de auteur als het decreet stelt
- dat productiesubsidies alleen door uitgevers kunnen worden aangevraagd en verkregen.
- dat stimuleringsbeurzen niet kunnen worden toegekend voor uitgaven “in eigen beheer”.
Voor een gezond letterenbeleid staat het subsidie-instrument centraal. Maar er zijn voorwaarden: het VFL mag zich niet lenen tot het ondersteunen van enkel erkende uitgeverijen door het toekennen van welke subsidievorm ook. Zo verleggen zij het accent van de auteur (die hulpbehoevend is) naar de uitgeverij (die handel drijft en winst op het oog heeft). Niet de uitgever (tenzij die dezelfde persoon als de auteur) moet worden ondersteund maar de individuele auteur (waar en hoe hij ook uitgeeft, indien het professioneel gebeurt). Alleen het criterium “kwaliteit” is de objectieve norm!
Eén criterium:
“Indien u een boek schrijft of wilt schrijven (poëzie, roman, essay, biografie), dan kunt u in aanmerking komen voor subsidie van het VFL.”
Voorwaarden:
- toegankelijk voor een breed publiek en geschreven in de Nederlandse taal;
- gepubliceerd in boekvorm;
- verkrijgbaar in de boekhandel (de wijze waarop is niet relevant);
- in een redelijke oplage.
Indien het nieuwe decreet zou stellen dat het de auteur is die moet worden ondersteund en niet de uitgever, dan pas zou de decreetgever zich een aureool van rechtvaardigheid kunnen opeisen.
Natuurlijk moet het decreet ook de uitgever helpen, zoals de overheid andere bedrijven in nood helpt. Niemand zal dit betwisten. Maar mijn punt is: niet uitsluitend en met het accent op de auteur!
De vraag luidt niet: “Is het echt wel de taak van de overheid om schrijvend Vlaanderen financieel te helpen?” Natuurlijk, maar: “Moet de hulpbehoevende auteur niet eerst en méér worden geholpen?” en “Is deze hulp niet groter of kleiner naargelang van zijn hulpbehoevendheid?” In deze vraagstelling zit terecht een vingerwijzing naar de grote bedragen voor “grote” auteurs, de kleine bedragen (indien ze bij een erkende uitgever onderdak vonden) voor de “kleine” auteurs en de non-subsidiëring voor de auteurs die geen uitgeverij vonden en toch aan de kwaliteitseis voldoen. Literatuur beoordelen is geen sinecure. Heeft het niet alles met smaak te maken? Wie is een goede auteur? Wat is goede literatuur? Het grote probleem blijft dat 90% van de auteurs zich in een grijze zone bevinden. Hoe verklaar je anders dat auteurs na hun dood worden opgehemeld, die tijdens hun leven aan het kruis werden genageld of niet eens aan de bak kwamen (bij het VFL)?
Dit is het gehele probleem in een notendop! De overheid heeft de dekselse plicht de auteurs te promoten. Wat als er helemaal geen boeken meer verschijnen en de cultuur, zoals de dino’s vroeger, spoorloos verdwijnt?
Wat is het resultaat van deze foute subsidiëringpolitiek?
Auteurs zoeken ijverig (en soms vergeefs) naar media-impact en sponsoring, nemen ijverig deel aan wedstrijden, creëren een eigen uitgeverij, storten zich vol overgave op het nieuwe fenomeen “print-on-demand”, stampen e-zines uit de grond, prostitueren zich. Maar blijven gefrustreerd toekijken hoe de grote uitgevers, met in hun zog de grote auteurs, de VFL-koe leegmelken.
Deze toestanden hebben niets met “kwaliteit” te maken of met “gebrek aan kwaliteit”. Literatuur moet zich niet verstoppen achter intellectueel struikgewas. Af en toe moet er grondig worden gesnoeid, maar zoals de subsidiëring nu werkt, hebben de “kleine” auteurs zelfs geen recht op een snoeibeurt. Zij worden niet au sérieux genomen door de overheid, hun kwaliteit wordt niet eens gemeten, hun groeiproces wordt niet eens begeleid.
Het VFL bestaat voor 95% uit professoren en assistenten van professoren en hun vrienden. Kun je van deze mensen een redelijkheidsprincipe verwachten? Of zijn ze geneigd aan elitevorming te doen? Of hebben ze geen voeling met de “werkvloer”? Auteurs moet je in het VFL zoeken let een vergrootglas.
Dezelfde problematiek stel je vast in de subsidiëring van tijdschriften? Sedert 1989 zijn er een kleine 20 verdwenen. Als gevolg van het subsidiebeleid van het VFL, waarbij vooral andere belangen speelden dan zuiver literaire en kwalitatieve. Tijdschriften hadden “geen profiel, te weinig kwaliteit, geen schrijvers genoeg uit de eerste linie”. “Schrijvers uit de eerste linie”? Wie zijn dat? Ja, die!
Een randbemerking is hier wel op zijn plaats. De tijdschriften zijn blijkbaar geen ladder meer om hoger te komen in het wereldje van de literatuur. Met andere woorden: ze zijn geen onontbeerlijke schakel meer in de ketting van het literaire bedrijf. Het probleem is echter dat de literaire tijdschriften niet meer worden gelezen. (Lees: nog minder worden gelezen dan vroeger!) En wie zijn weer de dupe? De “kleine” auteurs, de “kleine” uitgeverijen. Kranten hebben in hun bijlagen deze taak overgenomen? Larie, wie komen er aan bod, denk je? Gelukkig zijn er nog redacteuren voor wie tijdschriften maken een ziekte is, een obsessie.
Wat is het VFL van plan? Bibliotheken overtuigen van de noodzaak om een abonnement te nemen(en nu komt het) op de door het VFL gesubsidieerde literaire tijdschriften.
Ik kan het probleem niet oplossen. Wie kan het beter dan de auteur zelf, de uitgever, de redacteurs, de overheid, de adviseurs, in een aantal rondetafelgesprekken.
Thierry Deleu
“Gierik” deed nooit de moeite om mijn bijdragen te plaatsen, andere tijdschriften en e-zines waren wel bereid om de kar te duwen of zelfs te trekken. “Gierik” niet. Waarom niet? Dacht de redactie dat zij alleen een uitgang uit de crisis kon vinden? Of was zij zelfgenoegzaam, eigengereid, of hooghartig, hautain?
Soit, ik begrijp je frustratie.
Hieronder herpubliceer ik mijn analyse en enkele fragmenten uit mijn “klachten” en “aanklachten”.
Ode aan de bibliothecaris?
Waarom niet? Is de bibliothecaris niet de bruggenbouwer tussen de informatie in een bibliotheek en haar bezoekers? Hij/zij zorgt ervoor dat het informatieaanbod van de bibliotheek goed aansluit bij de wensen van de bezoekers en houdt de collectie up-to-date. Verschijning van nieuwe boeken, tijdschriften of naslagwerken houdt hij nauwlettend in de gaten. Aanwinsten geeft hij - door middel van een coderingssysteem - een logische plek in de collectie. Wanneer bezoekers moeite hebben om informatie te vinden, helpt hij ze bij hun zoektocht. Dit is héél wat en daarom verdient hij/zij deze ode!
De bibliothecaris houdt bij welke nieuwe boeken, tijdschriften en naslagwerken er verschijnen. Om te bepalen welke titels moeten worden aangeschaft, leest hij/zij onder andere recensies en aankondigingen van uitgevers.
Daar wringt het schoentje! Hoe maakt hij kennis met uitgaven van auteurs die niet bij “gevestigde” uitgevers (met recensie) worden uitgegeven? En indien hij/zij er weet van krijgt, vindt hij het dan belangrijk/onbelangrijk en/of tijdrovend om contact met de auteur te nemen? Wat doet de bibliothecaris indien hij/zij geen recensie toegestuurd krijgt of indien de auteur niet in de “officiële” recensiesluis is opgenomen?
Bij het uitbreiden van de collectie houdt hij/zij altijd de wensen van de bibliotheekgebruikers in zijn/haar achterhoofd.
Hij/zij adviseert de bevoegde schepen over de aanschaf van nieuwe boeken. Vaak is het echter zo dat de bibliothecaris zelf tot de aankoop overgaat. Hij beheert het budget.
Van wie krijgt hij informatie over nieuwe uitgaven? Wat indien hij/zij van de officiële bibliotheekdienst slechts informatie, voorzien van een recensie, ontvangt van ingezonden nieuwe boeken door de “grote” uitgeverijen? Besteedt hij ook evenveel aandacht aan informatie hem/haar door de auteur zelf bezorgd?
Een voorstel. Is het niet wenselijk (menselijk) dat ook (beginnende) auteurs of auteurs zonder grote uitgeverij of auteurs die uitgeven in eigen beheer zich met evenveel respect kunnen wenden tot diezelfde “boekendienst” (door de Overheid en/of het boekenbedrijf opgericht en/of gesubsidieerd)?
Hoewel iedere bibliotheek beschikt over een zoeksysteem waarmee bezoekers zelfstandig de collectie kunnen raadplegen, hebben bezoekers regelmatig hulp nodig bij hun informatiezoektocht. Bijvoorbeeld bij het zoeken naar informatie over een schrijver.
Ook nu weer is de “onbekende” auteur de dupe. Wanneer de bezoeker het zoeksysteem raadpleegt, komt hij/zij nooit uit op een beginnende auteur, debutant, auteur zonder uitgeverij, tenzij de lokale bibliothecaris de man of vrouw persoonlijk kent en van hem/haar een aantal boeken heeft aangekocht. Deze auteur krijgt echter geen kans(en) om gelezen te worden door een ruimer publiek, om te worden geapprecieerd, om te worden gekocht. Hij blijft - als het meevalt - een lokale (hoogstens regionale) vedette.
Voorstel. De bibliothecaris onderstreept in zijn dienstmededelingen hoe belangrijk het is alle auteurs te kennen (niet alleen degenen die zij op school hebben gelezen), hoe de keuze van de bibliotheekbezoeker moet worden begeleid en verbreed, hij/zij benadrukt het respect dat zijn/haar medewerkers moeten hebben voor alle auteurs en alle bezoekers. Hij leert hun hoe onvrijwillig discriminerend zij kunnen tewerk gaan.
Wie is volgens mij een topbibliothecaris? Een topper wordt hij/zij door hem/haar te specialiseren in een aantal onderwerpen. Door ontwikkelingen goed te volgen, zoals het debuut van een auteur, de kleinschalige uitgeverijtjes, printing-on-demand, is hij/zij op de hoogte van de nieuwste uitgaven en (digitale) informatiebronnen. Hij/zij kan bibliotheekbezoekers hierdoor beter bijstaan bij hun zoektocht naar informatie en de kwaliteit van de collectie (actueel en volledig) vergroten.
Malaise in de Vlaamse letterkundige wereld?
Rol van de VVL niet uitgespeeld!
Uit publicaties blijkt dat er hoe langer hoe meer een malaise heerst in de literaire - en ook andere artistieke kringen.
Wat is dan de oorzaak van dat onbehagen? Welke zijn de grieven van de schrijvers? Hoe komt het dat auteurs, die zgn. verstokte individualisten, zich groeperen om hun gemeenschappelijke eisen kracht bij te zetten? De schrijvers voelen zich achteruitgeschoven in een maatschappij die op technische prestaties en materiële waarden gesteld is. Aangezien alle activiteiten nu naar hun rendementswaarde gemeten worden en de bezinning voor de daad onderdoet, wordt het schrijfwerk in twijfel getrokken. Men gaat zich afvragen, of de schrijver wel degelijk zijn steentje bijdraagt tot de opbouw van een betere wereld. Is hij niet veeleer een parasiet die het product van zijn fantasie tegen geld verkoopt? Vervult hij eigenlijk nog een positieve functie in een samenleving die zweert bij wetenschap en kennis? In onze neo-modernistische wereld blijft er inderdaad weinig plaats meer over voor fictie, die immers niets leert. De aandacht gaat in onze dagen meer naar wetenschappelijke studies en vulgariserende literatuur dan naar fictionele werken.
Ik kan geen oplossing bieden voor een probleem van dergelijke omvang. Ik stel er mij tevreden mee een röntgenbeeld te geven van de toestand bij ons in Vlaanderen en de vingers te leggen op enkele ziektesymptomen.
De gehele problematiek is in de betrokken kringen voldoende gekend.
De schrijvers en het ‘Fonds’
De schrijvers vormen samen met de artiesten een aparte categorie van personen die een vrij (bij)beroep uitoefenen. Het schrijverschap wordt wel juridisch of wettelijk erkend, hoewel de schrijvers zelf hun schrijfwerk niet als een beroep, althans hun hoofdberoep, beschouwen.
Deze toestand is aan sociale omstandigheden te wijten. Het schrijversberoep dat voor sommigen gelijk staat met beroepen als architect, ingenieur, arts, advocaat, enz. biedt in feite veel minder materiële voordelen. Het is een vrij beroep, maar met zulke eigenaardigheden dat de assimilatie met andere vrije beroepen mank gaat. Alleen al een bepaling geven van de schrijver is een moeilijke taak. Tot nu toe heeft men geen officiële definitie kunnen geven van de auteur. Heeft hij een specifiek sociaal statuut? Wenst hij het statuut van de zelfstandige?
De meeste schrijvers, op enkele oudere succesrijke auteurs na, kunnen echter als zelfstandigen niet leven. Waar zouden zij overigens van leven? In de eerste plaats van de verkoop van hun werken? De auteursrechten? Wegens de beperktheid van de Nederlandstalige boekenmarkt lopen de oplagen zelden hoog op, zodat de opbrengst in de meeste gevallen niet volstaat om een schrijver fatsoenlijk te laten leven. Dan is er nog af en toe eens een geschenkje van de overheid, een literaire prijs, een reis- of werkbeurs, maar dit zijn slechts geringe bedragen, waarop geen staat te maken is.
Penibel is hier de vaststelling dat debutanten en/of auteurs die niet (kunnen) uitgeven bij erkende uitgeverijen uit de boot vallen. Bovendien ondervinden zij weinig steun van de bibliothecarissen (en hun belangengroepen) die geen of bijna geen boeken van hen aankopen.
De vraag is of aan die wens zou kunnen worden voldaan. De sociaal-liberale schrijverskernen ijveren in de meeste Europese landen voor erkenning van het schrijverschap. Zal de staat in dit geval de beoefening van een vrije literatuur niet belemmeren? Staatsliteratuur of propagandaliteratuur is echt geen nastrevenswaard ideaal. Denk aan de positie van de Oost-Europese auteur van weleer.
Het huidige Fonds keert subsidies voor de literatuur uit in de vorm van subsidies, stipendia, werkbeurzen, enz. De vraag is echter of die uitkeringen correct gebeuren en of de adviseurs met kennis van zaken en zonder vooringenomenheid advies verstrekken? Bovendien is de vraag naar een schrijversloon, d.i. een door het Fonds gegarandeerd minimum inkomen, nog altijd niet aan de orde. Ik zoek bovendien vergeefs naar een controlemechanisme waardoor enerzijds adviezen van het Fonds kunnen worden bijgesteld of aangevochten en anderzijds de samenstelling van het adviesorgaan kan worden onderzocht op zijn pariteit en integriteit. Of scherper geformuleerd: zijn er voldoende meetbare garanties ingebouwd om enige vorm van belangenvermenging te voorkomen?
Al die vragen, bemerkingen en eisen wijzen er echter op dat de schrijvers zich bewust worden van hun maatschappelijke functie. Dit socialiseringsproces is zich op alle gebieden aan het voltrekken. De tijd van het romantisch individualisme is voorbij. Sommigen kunnen dat betreuren. Het is echter een feit waar men zich bij moet neerleggen.
Het schrijversprobleem?
Ik leg de vinger op een aantal problemen die inherent zijn aan het schrijversberoep.
Het debuut in de literaire carrière b.v. is bijzonder moeilijk. Een auteur zonder naam of faam moet de gunst van een uitgever en die van een publiek zien te winnen, die verwend zijn door een massa dergelijke producten. Vaak werken auteurs eerst jaren in het donker voordat zij erkend worden. Soms hebben ze het geluk door een collega-schrijver met naam ontdekt en beschermd te worden of door een uitgever opgemerkt te worden, die bereid is hun een kans te geven. Maar dit blijven uitzonderingen. De meeste schrijvers moeten op eigen krachten rekenen om zich een weg te banen naar een eerste succes. En deze weg kan soms vrij lang zijn.
Hier zou een steun van de maatschappij welkom zijn. In feite gebeurt dit in de meeste andere beroepen. Een jong afgestudeerde die ergens een betrekking krijgt, wordt vanaf de eerste werkdag betaald. Ofwel wordt hij voor een proefperiode aangenomen, tijdens dewelke hij een deel van het loon toegewezen krijgt. Een soortgelijke oplossing wordt geambieerd door de overheid, maar de criteria om hiervoor in aanmerking te komen zijn niet ernstig. Willekeurige criteria worden aangewend en het systeem schenkt geen voldoening. Bedoeling zou moeten zijn dat de schrijver zijn talent gedurende een zekere periode zonder al te grote materiële moeilijkheden kan oefenen.
Opvallend is het feit dat vele auteurs gewag maken van uitgaven in eigen beheer. Dit betrekkelijk hoge cijfer wijst op een bepaalde tendens in de verhouding auteur-uitgever. Er zijn inderdaad duidelijke ziektesymptomen, die het lampje op rood zetten. Wij hebben het hier niet alleen over de strijd die marginale, avant-gardistische uitgeverijen tegen de gevestigde huizen moeten voeren. Wij beschouwen de problematiek veeleer vanuit het standpunt van de schrijver. De schrijver kiest zijn uitgever niet, hij wordt door hem gekozen. Zodra het werk geschreven is, verliest de auteur er de heerschappij over. De lezer interpreteert het op zijn eigen manier. De commercie (lees: de uitgever) beslist almachtig over het stoffelijk lot van dat geesteskind.
Hij acht het verkoopbaar, rendabel of totaal waardeloos. Hij behandelt het gewoon als ieder ander commercieel product. Indien het merk al bekend is, zal de verkoop vermoedelijk vlot verlopen. Voor een nieuwigheid is echter voorzichtigheid geboden. De kansen worden gewikt en gewogen en vallen, naar gelang de verwachte afzet, gelukkig of faliekant voor de auteur uit. Deze kan zijn zaak nog bepleiten om zich uiteindelijk toch bij de beslissing van de uitgever neer te leggen. De auteur is dus totaal overgeleverd aan de ijzeren wetten van de boekenmarkt en krijgt al spoedig, terecht of ten onrechte, de indruk dat hij een speelbal is in de handen van kapitaalkrachtige uitgevers die, samen met drukkers en boekhandelaars, hem kleinmaken door hem niet ernstige voorwaarden op te leggen. Dit besef van schreeuwend onrecht groeit vooral bij de jongere schrijvers (en bij de ouderen die aan hun debuut terugdenken), omdat zij er het meeste nadeel van ondervinden. Zij hebben immers meestal nog geen naam en hun werken worden dus niet zonder meer aanvaard.
De uitgevers wijzen op de financiële moeilijkheden waarmee zij hoe langer hoe meer te kampen hebben en die hen bovendien tot fusie met andere bedrijven dwingen. Dergelijke concentraties versterken hun macht en maken rationeler arbeid mogelijk. Zo die formule het uitgeversbedrijf bevoordeelt, baat ze echter niet de schrijvers wier vrijheid steeds meer beknot wordt.
Om aan de greep van het grootkapitalistisch bedrijf te ontsnappen, denken hier en daar schrijvers eraan zelf de touwtjes in handen te nemen en zelf voor hun verspreidingskanalen te zorgen.
De schrijvers die bij ons hun werken zelf uitgeven en meteen ook die van hun collega's-schrijvers zijn wellicht een eerste aanzet tot ontsnapping aan het uitgeversbedrijf. Het zijn meestal jongere schrijvers, wiens manuscript door een uitgever geweigerd werd en die dus door de bestaande kanalen niet kunnen doorbreken.
Hier zou de VVL een belangrijke rol kunnen spelen: duiding geven, ontwerpteksten tot subsidiëring (aan)maken voor de overheid, kansarme auteurs en hun verzuchtingen actualiseren, uitgaven in eigen beheer of bij niet-erkende uitgeverijen collectief aanprijzen bij bibliotheken en in kranten, tijdschriften en e-magazines.
De VVL dient zich te profileren als een “vakbond” die gedreven en bedreven onderhandelt met de overheid, met uitgeverijen, het bibliotheekwezen en de boekhandel.
De Koepel van de Vlaamse auteursverenigingen (KVA), waaronder zich ook de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen (VVL) bevond, was een stap in de goede richting. Zijn doel: enerzijds de materiële belangen van de schrijvers verdedigen en anderzijds de Vlaamse letteren bevorderen en de morele en materiële belangen van de schrijvers behartigen, kwam niet voldoende uit de verf. Het bestuur moet er stringenter over waken dat er zich in de Koepel geen ideologische polarisering voordoet tussen links en rechts, tussen vrijzinnigen en gelovigen, tussen “denkenden” en “andersdenkenden”. De Koepel kon niet effectief zorgen voor de nodige werkingsmiddelen.
Toen recent de nieuwe Vlaamse Auteursvereniging (VAV) werd opgericht, bleek nogmaals hoe auteurs zich uit eigenbelang (her)groeperen en ongegeneerd de kant kiezen van de grootsubsidies. Met de oprichting van de VAV vrees ik dat ook nu de grote namen eerst aan bod zullen komen bij de behartiging van de auteursbelangen.
In het essay Solitude de l'écrivain legt Escarpit de nadruk op het verschil tussen de morele vrijheid en de materiële zekerheid van de schrijver. Het materieel bestaan van de schrijver zou moeten worden beschermd, zonder dat daarbij iets afgedaan wordt aan zijn intellectuele en morele vrijheid die hij als kunstenaar zo broodnodig heeft.
Aan deze wens tegemoetkomen, veronderstelt alleszins dat de maatschappij - en in haar georganiseerde vorm worden daarmee de bevoegde instanties bedoeld - de sociale functie van de literatuur erkent. Is dat zo? Hoe staat de overheid tegenover de literatuur? Geeft zij aan de producenten van een belangrijk deel van haar cultuur wel inderdaad wat hun toekomt? Maakt zij het scheppen - en overigens ook het genieten - van literatuur voor iedereen toegankelijk? Eerbiedigt zij de artistieke vrijheid? Wendt zij vooroordeelvrije criteria aan om haar gunsten uit te delen? Wat wordt door de overheid ten gunste van de literatuur en van de schrijvers gedaan? Zijn de huidige vormen van overheidssteun aan de schrijvers en aan de literatuur effectief en efficiënt?
Worden er een aantal betrekkingen in de overheidsdiensten aan schrijvers toegekend? Worden er (voldoende) subsidies uitgekeerd aan bibliotheken en letterkundige instellingen? Worden er (toereikende) subsidies verleend voor literaire uitgaven en tijdschriften? Worden er (gespijsde) prijsvragen voor letterkunde en literatuurgeschiedenis uitgeschreven? Worden er (voldoende) literaire werken door de overheid aangekocht? Worden er (gespekte) reis- en werkbeurzen aan letterkundigen toegekend? Worden er staats-, provinciale en gemeentelijke prijzen aan letterkundigen uitgereikt? Ik hoor de minister en de ambtenaren hardop roepen: “JA!”
Toch vrees ik dat de literatuur door de overheid stiefmoederlijk wordt behandeld. Zij is vaak niet erg vrijgevig. Zij stelt auteuronvriendelijke voorwaarden. Zij geeft voorrang aan de uitgever boven de auteur, aan de commercie boven de kunst. Ik durf te schrijven dat de overheid de literatuur veeleer bemoedert dan wel daadwerkelijk helpt.
Zouden de schrijvers niet meer gebaat zijn met een materiële hulp aan het begin van de carrière? De doorbraak naar de bekendheid is immers de moeilijke drempel. Wanneer deze klip overwonnen is, wordt de reis naar het succes - ook het financiële - makkelijker.
Er moeten criteria vastgelegd worden voor de bepaling van het begrip “literaire carrière”. Er moet rekening worden gehouden met schrijvers die spoedig met schrijven ophouden, enz. Het is aan de andere kant ook hoog tijd dat de meeste letterkundigen hun asociale structuren, waarin ze zich opsluiten, doorbreken en dat de literatuur in een veel ruimere zin gaat functioneren.
Het initiatief moet van beide kanten komen. Aan de ene kant moet de overheid die over de financiële middelen beschikt, bijdragen tot een materiële en, bijgevolg, morele revalorisatie van het schrijverschap, mits zij natuurlijk de artistieke vrijheid van de schrijver eerbiedigt. Aan de andere kant moeten de schrijvers hun elitaire houding opgeven. Ligt de oplossing niet in wat J. J. Wesselo noemt: “de woorden hun sociale waarde teruggeven”. Moet het schrijven niet opnieuw een sociale functie krijgen?
Wat is de rol van de schrijver?
De maatschappij, - in haar georganiseerde vorm is dit de overheid -, moet de schrijver als een volwaardig medeburger erkennen en hem in de gelegenheid stellen zijn schrijfwerk onder de gunstigste materiële omstandigheden te verrichten.
Van de kant van de schrijvers moet ook wat, en zelfs veel gedaan worden. Willen zij met zichzelf eerlijk zijn en de sociale functie van de literatuur daadwerkelijk bekrachtigen, dan moeten zij, om het Hendrik Conscience na te zeggen, “het publiek literatuur leren lezen”. Net zoals er geïnspireerde en vakbekwame dichters bestaan, zijn er mensen die zonder de minste scholing literatuur genieten, en anderen, - de meerderheid, - die geleidelijk ingewijd moeten worden in de eigen aard van het literaire. Dit is ongetwijfeld de taak van het onderwijs hiervoor te zorgen. Ik betreur in dit verband ten zeerste het diskrediet waarin sommige hervormers van het secundair onderwijs het literatuuronderwijs willen brengen.
Ook de letterkundigen kunnen tot die literaire opleiding bijdragen. Een uitgebreid actieterrein ligt voor hen open. Benevens het onderwijs denk ik aan het bibliotheekwezen, radio en televisie en het hele gebied van de cultuuranimatie.
Deze bedenkingen zijn gegroeid uit een eigengereide bekommernis van de auteur voor de schrijverswereld. Ik ben er van overtuigd dat het probleem van het statuut van de schrijver niemand onberoerd laat. Het probleem is overal aan de orde en heeft reeds jaren heel wat opschudding gewekt. Er heerst ongetwijfeld een malaise in de letterkundige wereld. Ook - en zeker niet het minst - bij ons.
Voorstel tot herschrijven van het decreet van 30 maart 1999
houdende de oprichting van een Vlaams Fonds voor de Letteren
Art. 5 van Hoofdstuk II. De oprichting van een VFL zegt dat “Het VFL tot doel heeft de Nederlandstalige letteren … in de brede zin van het woord te ondersteunen en de sociaal-economische positie van auteurs … te verbeteren.”
Onder andere door de toekenning van subsidies? Ja, natuurlijk. Maar welke is de positie van de auteur als het decreet stelt
- dat productiesubsidies alleen door uitgevers kunnen worden aangevraagd en verkregen.
- dat stimuleringsbeurzen niet kunnen worden toegekend voor uitgaven “in eigen beheer”.
Voor een gezond letterenbeleid staat het subsidie-instrument centraal. Maar er zijn voorwaarden: het VFL mag zich niet lenen tot het ondersteunen van enkel erkende uitgeverijen door het toekennen van welke subsidievorm ook. Zo verleggen zij het accent van de auteur (die hulpbehoevend is) naar de uitgeverij (die handel drijft en winst op het oog heeft). Niet de uitgever (tenzij die dezelfde persoon als de auteur) moet worden ondersteund maar de individuele auteur (waar en hoe hij ook uitgeeft, indien het professioneel gebeurt). Alleen het criterium “kwaliteit” is de objectieve norm!
Eén criterium:
“Indien u een boek schrijft of wilt schrijven (poëzie, roman, essay, biografie), dan kunt u in aanmerking komen voor subsidie van het VFL.”
Voorwaarden:
- toegankelijk voor een breed publiek en geschreven in de Nederlandse taal;
- gepubliceerd in boekvorm;
- verkrijgbaar in de boekhandel (de wijze waarop is niet relevant);
- in een redelijke oplage.
Indien het nieuwe decreet zou stellen dat het de auteur is die moet worden ondersteund en niet de uitgever, dan pas zou de decreetgever zich een aureool van rechtvaardigheid kunnen opeisen.
Natuurlijk moet het decreet ook de uitgever helpen, zoals de overheid andere bedrijven in nood helpt. Niemand zal dit betwisten. Maar mijn punt is: niet uitsluitend en met het accent op de auteur!
De vraag luidt niet: “Is het echt wel de taak van de overheid om schrijvend Vlaanderen financieel te helpen?” Natuurlijk, maar: “Moet de hulpbehoevende auteur niet eerst en méér worden geholpen?” en “Is deze hulp niet groter of kleiner naargelang van zijn hulpbehoevendheid?” In deze vraagstelling zit terecht een vingerwijzing naar de grote bedragen voor “grote” auteurs, de kleine bedragen (indien ze bij een erkende uitgever onderdak vonden) voor de “kleine” auteurs en de non-subsidiëring voor de auteurs die geen uitgeverij vonden en toch aan de kwaliteitseis voldoen. Literatuur beoordelen is geen sinecure. Heeft het niet alles met smaak te maken? Wie is een goede auteur? Wat is goede literatuur? Het grote probleem blijft dat 90% van de auteurs zich in een grijze zone bevinden. Hoe verklaar je anders dat auteurs na hun dood worden opgehemeld, die tijdens hun leven aan het kruis werden genageld of niet eens aan de bak kwamen (bij het VFL)?
Dit is het gehele probleem in een notendop! De overheid heeft de dekselse plicht de auteurs te promoten. Wat als er helemaal geen boeken meer verschijnen en de cultuur, zoals de dino’s vroeger, spoorloos verdwijnt?
Wat is het resultaat van deze foute subsidiëringpolitiek?
Auteurs zoeken ijverig (en soms vergeefs) naar media-impact en sponsoring, nemen ijverig deel aan wedstrijden, creëren een eigen uitgeverij, storten zich vol overgave op het nieuwe fenomeen “print-on-demand”, stampen e-zines uit de grond, prostitueren zich. Maar blijven gefrustreerd toekijken hoe de grote uitgevers, met in hun zog de grote auteurs, de VFL-koe leegmelken.
Deze toestanden hebben niets met “kwaliteit” te maken of met “gebrek aan kwaliteit”. Literatuur moet zich niet verstoppen achter intellectueel struikgewas. Af en toe moet er grondig worden gesnoeid, maar zoals de subsidiëring nu werkt, hebben de “kleine” auteurs zelfs geen recht op een snoeibeurt. Zij worden niet au sérieux genomen door de overheid, hun kwaliteit wordt niet eens gemeten, hun groeiproces wordt niet eens begeleid.
Het VFL bestaat voor 95% uit professoren en assistenten van professoren en hun vrienden. Kun je van deze mensen een redelijkheidsprincipe verwachten? Of zijn ze geneigd aan elitevorming te doen? Of hebben ze geen voeling met de “werkvloer”? Auteurs moet je in het VFL zoeken let een vergrootglas.
Dezelfde problematiek stel je vast in de subsidiëring van tijdschriften? Sedert 1989 zijn er een kleine 20 verdwenen. Als gevolg van het subsidiebeleid van het VFL, waarbij vooral andere belangen speelden dan zuiver literaire en kwalitatieve. Tijdschriften hadden “geen profiel, te weinig kwaliteit, geen schrijvers genoeg uit de eerste linie”. “Schrijvers uit de eerste linie”? Wie zijn dat? Ja, die!
Een randbemerking is hier wel op zijn plaats. De tijdschriften zijn blijkbaar geen ladder meer om hoger te komen in het wereldje van de literatuur. Met andere woorden: ze zijn geen onontbeerlijke schakel meer in de ketting van het literaire bedrijf. Het probleem is echter dat de literaire tijdschriften niet meer worden gelezen. (Lees: nog minder worden gelezen dan vroeger!) En wie zijn weer de dupe? De “kleine” auteurs, de “kleine” uitgeverijen. Kranten hebben in hun bijlagen deze taak overgenomen? Larie, wie komen er aan bod, denk je? Gelukkig zijn er nog redacteuren voor wie tijdschriften maken een ziekte is, een obsessie.
Wat is het VFL van plan? Bibliotheken overtuigen van de noodzaak om een abonnement te nemen(en nu komt het) op de door het VFL gesubsidieerde literaire tijdschriften.
Ik kan het probleem niet oplossen. Wie kan het beter dan de auteur zelf, de uitgever, de redacteurs, de overheid, de adviseurs, in een aantal rondetafelgesprekken.
Thierry Deleu
Abonneren op:
Posts (Atom)



























