Madeleine
Zij heeft hoopjes plezier in haar leven.
Zij kan een straaljager nadoen,
de muziek van Bob de Bouwer
en twee nearly new cars tegelijk.
Zij kan klimmen en vechten
en rommelebommelen.
Zij kan eigenlijk alles.
Behalve moe worden.
En behalve stil zijn.
Opa
Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans
Stichtingsdatum: 1 februari 2007
"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"
"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.
Stichtingsdatum: 1 februari 2007
"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"
"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.
31 december 2007
Eindejaarswensen van Roland Declerck
eindejaarsgevoel
Rot op rotjaar.
Ik heb het gehad:
veel voornemens en beloften,
maar het resultaat was mat.
Je lente te vroeg,
je zomer te nat,
je herfst te guur:
energieprijzen duur.
Sportief ben je zeker niet,
tenzij doping gezond is.
Maar Anderlecht is ziek
en de duivels aan de grond,
Tour de France vaudeville.
Oorlog gruwel en moord,
natuurrampen als processierupsen.
Opwarming wordt nobelprijs.
Regeren kun je ook al niet,
zes maanden communautair gejank,
interim gebaksel, paastrofee.
Wat rest me meer dan zorg en kwel:
observatie, operatie ,revalidatie,
eindeloos ziekenhuisfactuur
2007
Ik ben het moe met jou te leven,
ik wacht p de pracht van
2008
Roland Declerck
Rot op rotjaar.
Ik heb het gehad:
veel voornemens en beloften,
maar het resultaat was mat.
Je lente te vroeg,
je zomer te nat,
je herfst te guur:
energieprijzen duur.
Sportief ben je zeker niet,
tenzij doping gezond is.
Maar Anderlecht is ziek
en de duivels aan de grond,
Tour de France vaudeville.
Oorlog gruwel en moord,
natuurrampen als processierupsen.
Opwarming wordt nobelprijs.
Regeren kun je ook al niet,
zes maanden communautair gejank,
interim gebaksel, paastrofee.
Wat rest me meer dan zorg en kwel:
observatie, operatie ,revalidatie,
eindeloos ziekenhuisfactuur
2007
Ik ben het moe met jou te leven,
ik wacht p de pracht van
2008
Roland Declerck
29 december 2007
Gedicht - Roland Declerck
tekst
ik schrijf met mondjesmaat
de pen zuigend aan m'n lippen
letter, woord ,
een lijn aaneengekleefd,
impulsief, ondoordacht
wroetend als een boer
zijn akker ploegt
tot eind de voor
de tekst , als oogst,
die wellicht
nooit gelezen raakt.
Roland Declerck
ik schrijf met mondjesmaat
de pen zuigend aan m'n lippen
letter, woord ,
een lijn aaneengekleefd,
impulsief, ondoordacht
wroetend als een boer
zijn akker ploegt
tot eind de voor
de tekst , als oogst,
die wellicht
nooit gelezen raakt.
Roland Declerck
26 december 2007
De tijd van toen was zoveel beter!
BEWIJS: DE RETRO MODE!
Deze titel moet je natuurlijk met een ferme korrel zout nemen. Ik zocht een aantrekkelijke titel, een in-het-oog-springer zegt men in het vakjargon, een blikvanger. Was de tijd van toen beter? Driemaal neen, een kleine ja. Ja, als je poneert dat stress toen nauwelijks bestond.
Retro mode, hierover gaat het. Of moet ik schrijven: over recycling en hergebruik in de mode? Wordt er in de mode nog wel eens echt iets nieuws verzonnen? Of is het zogenaamde nieuwe slechts een nieuwe kijk op oude dingen?
In de mode worden stijlelementen voortdurend gerecycled om ieder jaar weer een nieuwe “look” samen te stellen. De illusie dat mode iets volkomen nieuws brengt, hoef je (niet) te geloven. Mode brengt nooit iets echt nieuws. Tenzij je “nieuws” noemt wat gemaakt is met behulp van “oude” componenten? Je moet echt, leren door de lagen van oude dingen heen te kijken.
Is iets nieuws in de mode dan per definitie een combinatie van oude elementen? Niet twijfelen, ja zeker. Denk aan de enorme wijde mouwen bij Givenchy: een verwijzing naar de blouse uit de jaren ’50. Dries van Noten b.v. richt zich op andere culturen. Vivienne Westwood maakt gebruik van de kostuumgeschiedenis. Dior stelt de Chinese jurkjes voor. Fragmenten uit het verleden worden hergebruikt in plaats van het complete beeld. In de jaren ’70 droeg je omajurken uit de jaren ’20. Nu draag je een jasje uit de jaren ’70 en een blouse uit de jaren ’60.
Mode betekent in feite: van oud nieuw maken.
De jaren ‘80 zijn terug in de mode of althans bij de haute-couture. Gelukkig maar, want die mode uit de jaren ’80 met vleermuismouwen, breedgeschouderde, oversized broekpakken en neonkleuren zijn mijn ding niet. Te schreeuwerig! In de reguliere modewinkels en de toonaangevende boetieks overheerst echter een ander modebeeld voor vrouwen: dat van een ingehouden, retro chic beeld met veel elementen uit Amerikaanse sportswear uit de jaren ’50. Denk aan de smalle baseballjacks, de poloshirts, de shorts, de krappe sweaters en de capri-broeken.
De retro mode charmeert mij. De modetrends van de jaren ’30 tot de jaren ’70 zijn de meeste vrouwen heel wat beter af. Het is draagbaarder, de kledingstukken laten zich makkelijker combineren. Louis Vuitton heeft b.v. prachtige, wijde rokken tot over de knie. Ook Prada met zijn strakke kokerrokjes.
Mijn persoonlijke voorkeur? Blij dat je het mij vraagt. Ik ben voor een frisse en blije kledij, met pasteltinten, zuurstokroze, marineblauw, camel en wit enerzijds en anderzijds is zwart mijn lievelingskleur voor bijzondere gelegenheden. Ik kijk vooral naar de begindagen van de rock & roll uit de jaren ’50 en begin ’60. Ik ben nu eenmaal van een generatie die toen van het dak sprong. Mode met een knipoog, enerzijds onschuldig, anderzijds rebellerend. De kunst zit in het juist niet letterlijk kopiëren van die jaren ’50, maar in het mixen naar eigen inzicht.
De haute-couture zoekt het vooral in de jaren ’80. Weet je dat de mensen (de vrouwen?) toen gierig waren? Er moest geld worden gemaakt en uitgegeven en je moest er onwijs goed uitzien terwijl je aan het uitgeven was. Overdreven, was het kenmerk toen. TV-shows als Dynasty en Dallas waren toen reuze populair: de hoofdpersonages waren behangen met juwelen en de glamour droop er af. Merkkledij was een uiting van succes voor de opkomende yuppie. Moeten wij daar heus naar terug? Neen toch, lezer, wakkere burger(es), houd het ethisch clean, er zijn zoveel mensen die in lompen lopen en honger hebben als honderd paarden tegelijk. Beckham en zijn “geprogrammeerde pop” kunnen mij niet bekeuren. En op de catwalk tref je al te veel aangeklede “pannenlatten”.
Thierry Deleu
Deze titel moet je natuurlijk met een ferme korrel zout nemen. Ik zocht een aantrekkelijke titel, een in-het-oog-springer zegt men in het vakjargon, een blikvanger. Was de tijd van toen beter? Driemaal neen, een kleine ja. Ja, als je poneert dat stress toen nauwelijks bestond.
Retro mode, hierover gaat het. Of moet ik schrijven: over recycling en hergebruik in de mode? Wordt er in de mode nog wel eens echt iets nieuws verzonnen? Of is het zogenaamde nieuwe slechts een nieuwe kijk op oude dingen?
In de mode worden stijlelementen voortdurend gerecycled om ieder jaar weer een nieuwe “look” samen te stellen. De illusie dat mode iets volkomen nieuws brengt, hoef je (niet) te geloven. Mode brengt nooit iets echt nieuws. Tenzij je “nieuws” noemt wat gemaakt is met behulp van “oude” componenten? Je moet echt, leren door de lagen van oude dingen heen te kijken.
Is iets nieuws in de mode dan per definitie een combinatie van oude elementen? Niet twijfelen, ja zeker. Denk aan de enorme wijde mouwen bij Givenchy: een verwijzing naar de blouse uit de jaren ’50. Dries van Noten b.v. richt zich op andere culturen. Vivienne Westwood maakt gebruik van de kostuumgeschiedenis. Dior stelt de Chinese jurkjes voor. Fragmenten uit het verleden worden hergebruikt in plaats van het complete beeld. In de jaren ’70 droeg je omajurken uit de jaren ’20. Nu draag je een jasje uit de jaren ’70 en een blouse uit de jaren ’60.
Mode betekent in feite: van oud nieuw maken.
De jaren ‘80 zijn terug in de mode of althans bij de haute-couture. Gelukkig maar, want die mode uit de jaren ’80 met vleermuismouwen, breedgeschouderde, oversized broekpakken en neonkleuren zijn mijn ding niet. Te schreeuwerig! In de reguliere modewinkels en de toonaangevende boetieks overheerst echter een ander modebeeld voor vrouwen: dat van een ingehouden, retro chic beeld met veel elementen uit Amerikaanse sportswear uit de jaren ’50. Denk aan de smalle baseballjacks, de poloshirts, de shorts, de krappe sweaters en de capri-broeken.
De retro mode charmeert mij. De modetrends van de jaren ’30 tot de jaren ’70 zijn de meeste vrouwen heel wat beter af. Het is draagbaarder, de kledingstukken laten zich makkelijker combineren. Louis Vuitton heeft b.v. prachtige, wijde rokken tot over de knie. Ook Prada met zijn strakke kokerrokjes.
Mijn persoonlijke voorkeur? Blij dat je het mij vraagt. Ik ben voor een frisse en blije kledij, met pasteltinten, zuurstokroze, marineblauw, camel en wit enerzijds en anderzijds is zwart mijn lievelingskleur voor bijzondere gelegenheden. Ik kijk vooral naar de begindagen van de rock & roll uit de jaren ’50 en begin ’60. Ik ben nu eenmaal van een generatie die toen van het dak sprong. Mode met een knipoog, enerzijds onschuldig, anderzijds rebellerend. De kunst zit in het juist niet letterlijk kopiëren van die jaren ’50, maar in het mixen naar eigen inzicht.
De haute-couture zoekt het vooral in de jaren ’80. Weet je dat de mensen (de vrouwen?) toen gierig waren? Er moest geld worden gemaakt en uitgegeven en je moest er onwijs goed uitzien terwijl je aan het uitgeven was. Overdreven, was het kenmerk toen. TV-shows als Dynasty en Dallas waren toen reuze populair: de hoofdpersonages waren behangen met juwelen en de glamour droop er af. Merkkledij was een uiting van succes voor de opkomende yuppie. Moeten wij daar heus naar terug? Neen toch, lezer, wakkere burger(es), houd het ethisch clean, er zijn zoveel mensen die in lompen lopen en honger hebben als honderd paarden tegelijk. Beckham en zijn “geprogrammeerde pop” kunnen mij niet bekeuren. En op de catwalk tref je al te veel aangeklede “pannenlatten”.
Thierry Deleu
De senioren in opmars!
O neen, ik ben niet jaloers, ik gun de jonge auteurs hun (markt)succes, zij verdienen het, de generatie Dertigers die luisteren naar de voornamen Tom, Dimitri, Stefan, Yves, Annelies en David. Zij zorgden in hun eentje voor een literaire opstoot in Vlaanderen. Naegels, Verhulst, Brijs, Petry, Verbeke en Reybrouck zijn alomtegenwoordig in de media.
Waarin verschillen zij van de vorige generaties, zeg maar de veertigers en vijftigers? Simpel: in plaats van zich te herhalen, verrassen zij hun lezers iedere keer met iets totaal anders. Bovendien is hun maatschappelijke betrokkenheid niet gering. Hun boeken zijn geen gewone stijloefeningen of huis-, tuin- en keukenromans.
Schrijf ik nu dat Tom Lanoye, Herman Brusselmans, Peter Verhelst, Kristien Hemmerechts minder goede schrijvers zijn? Individueel wil ik geen vergelijking maken, maar de Dertigers zijn een sterk collectief.
Een de aankomende Twintigers? Geen commentaar. Ik wacht even af, maar ik heb veel moois gelezen van Thomas Blondeau en Ruth Lasters.
Wordt het echter geen tijd om over een nieuwe generatie te spreken? De seniorenschrijvers! Zij vormen een volwaardig segment van de lezersmarkt, zeker weten. Ik denk hier aan de zestigers en zeventigers, aan Paul Koeck, Elisabeth Marain, Monika van Paemel, Walter van den Broeck, Thierry Deleu, Eric de Kuyper en Leo Pleysier.
De twintigers zijn bij deze gewaarschuwd dat hun pad niet over rozen zal lopen.
(Ingezonden)
Waarin verschillen zij van de vorige generaties, zeg maar de veertigers en vijftigers? Simpel: in plaats van zich te herhalen, verrassen zij hun lezers iedere keer met iets totaal anders. Bovendien is hun maatschappelijke betrokkenheid niet gering. Hun boeken zijn geen gewone stijloefeningen of huis-, tuin- en keukenromans.
Schrijf ik nu dat Tom Lanoye, Herman Brusselmans, Peter Verhelst, Kristien Hemmerechts minder goede schrijvers zijn? Individueel wil ik geen vergelijking maken, maar de Dertigers zijn een sterk collectief.
Een de aankomende Twintigers? Geen commentaar. Ik wacht even af, maar ik heb veel moois gelezen van Thomas Blondeau en Ruth Lasters.
Wordt het echter geen tijd om over een nieuwe generatie te spreken? De seniorenschrijvers! Zij vormen een volwaardig segment van de lezersmarkt, zeker weten. Ik denk hier aan de zestigers en zeventigers, aan Paul Koeck, Elisabeth Marain, Monika van Paemel, Walter van den Broeck, Thierry Deleu, Eric de Kuyper en Leo Pleysier.
De twintigers zijn bij deze gewaarschuwd dat hun pad niet over rozen zal lopen.
(Ingezonden)
25 december 2007
Amor - Thierry Deleu
Op de huiverlippen
Op de huiverlippen van de kindbomen
knippert het ochtendzilver;
de stad slaapt in hun kroonbed.
Het meisje met de zachte streelhanden vraagt:
waar zijn de goudbomen, darling?
Naar ademdeeg ruikend haar jonge borsten.
De straat strekt huiverig het stenen lijf;
de goudzoekers krommen de vingers
in het bloeiende water van de ochtendkom.
En de hondstad schudt haar zilverhaar.
Herfst
De kamer heeft zich gevuld
met de geur van chrysanten.
Het behang is bruin en goud
en purper het oude bed.
Naast mij de vrouw gelukzalig
in bedwelmend naakt zij ligt.
Haar adem een beslagen raam
hangt rans in de gordijnen.
De lucht smaakt als nieuwe wijn
bitter ondoorgrondelijk
als paddestoelen van één nacht.
Het lokaas van de herfst toen
zij spon zilveren draden
tussen mij en de eeuwigheid
overwonnen niemandsland
meetbaar aan haar vlezen lippen.
Het is goed in deze tijd
te proeven tot de bodem
de rijkdom van de herfst
als een kasplant onder glas.
Oneindig bespeelbaar
De ochtend is niet zoals je denkt
een havik hoe hij heeft geroken
weerloos het verdriet
onzegbaar zalig is de ochtend
achter de strandhuisjes
op een tong van de zee
liggen zij uit de wind
handtastelijk de vroege knapen
dit is de ochtend proeven
in hun keel de hete holte
van het zand ontelbaar tellen
zij weten het zij hebben het achterhaald
de ochtend is een feest
blondgehaard en oneindig bespeelbaar
Ontwaken
languit haar naaktheid een preuts gewaad
op haar been een streep geronnen licht
dat zich een weg baant in de kamer
naar lavendel ruiken de lakens
doodstil dit huis in een beginnende regen
de zon schuift haar lichtende ladder uit
op de vleugels van haar ogen
even talmen zij wanneer een wolk
over de heldere ruimte glijdt
nu knipperen ze in het blinkende licht
languit haar handen achter het hoofd
vraagt zij hoe laat het is
Als een jager
Haar gezicht is wit van regen
een vensterglas waartegen mijn mond
proeft proevend het murwe water
dat hoorbaar schuchter huiveren doet.
Zij ziet mij en onze monden beven.
Van geur en kleur, en zinlijk herkennen
hoe ik ree lig voor de overval.
Als een jager in zijn grondgebied.
Ik hoor de schroom van elk sterven.
Met vingers die haar adem stokken
streel ik het dier achter in haar huid.
En zij stuiptrekt voor het geheim.
Na de dageraad
Verwekt uit zoveel handen zachtheid
en zo weinig harde aarde, zij ligt -
aan haar garstige adem slaap ik.
In de rimpels van haar huid brede
sporen van een man, gevlucht voor het
krijsen van een kleine kraai.
Na deze dageraad een nieuw kind
zal zij dragen, als een dracht waaraan
geen liefde vreemd gebleven is.
Ik voel de adems in mijn longen
openstorten. Elke dag, elk uur.
Als ik dit schrijf als een klaaglied,
dat zo weinig woorden weemoed zingt,
ben ik de fallus die zijn zaden plant.
Tot hoorbaar zacht de nacht als een
vogel over onze tempel wiekt.
En het water neemt je naam
De wind ligt languit op de dijk.
In de wolken ruik ik de adem
van het zout en de duinen.
Ik grijp de zon in het water
en giet haar uit over hoofd en hals.
Het zieke dier huivert in mijn
bloeiende heup - als regen op riet.
In het zand dat mijn voetstap draagt,
schrijf ik jou ten voeten uit.
En het water neemt je naam.
In het bange handgeklap
van een vogel hoor ik onweer.
Ik ben de lente niet
Ik ben de lente niet mijn kind.
Met bramenschrammen op mijn huid
en geur van regen luw als zoet geweld.
Ik zou wel kunnen sneeuwen
een stad een rijk in witte vacht.
eer zacht, zeer wit, waar hart inzit.
Met vrieslucht slechts om van te leven.
Misschien zal dit mijn laatste winter zijn.
Een dood wit paard drijvend op zijn zij.
Zolang nog zal ik blijven zingen.
Als een offer aan meeuw aan zeekrab
aan zeester en steenkrab dit lied.
Ik ben de lente niet mijn kind.
Maar een stille, schuwgeworden vogel
die verreisd neerstrijkt op je hand.
Tot het bloed weer steigert in zijn lijf.
Liefde
Voorzichtiger dan vlinders strijken
mijn lippen op je schouders neer.
Zo-even weer. Als het sneeuwen
van meeuwen op de wiegende zee.
Liefde is huiver. En gulzigheid.
Van mond en tanden, krauw en beet
en tederheid van vogelveren.
Liefde is ook jagen, prinses,
op de katten in je ogen,
op de welpen in je enkels,
de springgazellen van je geest.
Liefde vernietigt niet, prinses.
Haar prooi wordt meesteres,
mijn roede haar trouw reptiel.
Liefde is elk uur als de duur
van een vlam tussen rook en as.
Het ontwaken
Langs een ladder van zon huiverend
sijpelt het licht de kamer in.
Zij glimlacht vaag en rekt zich uit,
haar zilte haar berijmd als loof.
Zacht als een marmot om te strelen,
haar huid mooier dan de rankste ree.
Ik proef de wijnen van haar bloed,
het geurend amber van haar leden.
In het nachtwoud van haar haar
fluister ik gedichten en gebeden.
Mijn hand glijdt naar haar schoot
en loopt verrukt haar lichaam in.
Zij smacht nu onder de dekens,
ik ben te laken, te loef, te lij,
verstrooi in reeksen kreten
de huiver van haar kleine meeuwen.
Bergmeer
Je lichaam een argeloos bergmeer,
mijn hand wortelt naar je water,
waar ook ontwelt de nagelaten nacht
en 't reutelend ademen van de blaren.
Je haren losse teugels van de dood,
vinnig als de vinnen in je borsten;
ontwaken is langzaam opengaan,
als een hooidilt in de morgen
geurend naar de dracht van koeien.
Wij ruiken voos als de aarde
en vloeien in elkaar als water over,
in een traag gebaar mij telkens opwaarts
wendend mijn liefde zalft je schoot
En komt als vlottend wier weer boven;
lichaam dat zich met lichaam voedt,
zich vult van vingerkoot tot kruin.
Ik leg het oor
Ik leg het oor op haar buik
en laat er rauwe bloemen achter,
eerst sneeuwklokjes, dan anemonen,
speenkruid en klaverzuring.
Haar buik een nest jonge eenden
peddelend in het dikke water.
Ik druk mijn stethoscoop tussen
de sleutelbloemen en viooltjes.
In haar heupen voel ik vogel
en vleugels beven als een riet.
Tussen haar oevers slijm is het
water dat zich traag beweegt.
Avontuur
In ‘t welig kruid van je huid ik
strijk neer en fluit van zotte vreugd
het lied van onze zondeval.
Een specht speelt solo op je dij.
En als water kirren duiven
onder de bloesems van je gezicht.
De knoppen van je borsten gloeien,
als je openbloeit een explosie
zo snel in de palm van mijn hand.
Een avontuur in jou te klimmen,
vol van zang en dol van zinnen,
maar als in hout letters kerven,
die je ook later ziet, kan ik niet.
Morgen fluit ik licht een ander lied.
Aan het water
De kleur van gras ben ik vergeten.
Zij kent de geur van hooi, de smaak
van water, het waaien van het riet.
Zij rekt zich uit als een konijn,
belust op 't zwoele minnespelen.
Ik vlij mij neer op 't slanke dier,
dat wuft en warm mij drijft naar
't wassend wier waarin mijn vinger sluit.
Aan de dode arm van de rivier
spreidt zij onbeschroomd gedwee
de twee verhalen van haar benen.
En de zon leest zich de ogen uit.
Wepele meeuw
Ik leg mijn oor in het zand en hoor
de zee zo-even aanstoot gevend.
De wind ontwaakt en gaat liggen
onachtzaam op zijn andere zij.
Met ringen van wier om de enkels,
zij voert de zee aan in mijn hemd,
in haar hand een wepele meeuw.
Zacht sluit haar mond mijn woorden af.
Ik proef het zout op haar lippen,
voel de storm groeien in mijn buik.
Heerlijk de liefde bedrijvend
als de zee aan haar lichaam kleeft.
In het duin
Met de veroveraarblik van
een kind op zijn hobbelpaard
maak ik jacht op de vlinder
tussen haar lippen gespeet
zijn vleugels beven als riet
als ik haar traag bevinger
stil en van goeden huize
verzwijg ik wat niet eerbaar is.
In het duin proeven wij na
van knappend brood kaas en wijn
als verfijnde dieren hebben
wij ons uit het zicht gelegd.
Het is zomer
Meisjes met groene ogen kirren
als vogels tegen het felle licht,
mannetjes slaan hun vlerken uit,
dravend op hun driften. Het is zomer.
Ik stijg uit krijg gestalte als
de vele dimensies van een golf
die aanzwelt als een waterorgel,
zich opdringt even maar verstomt.
Samen pootjebaden, naar meeuwen
kijken die bestrijken, verstillen
tot de praat ze overvalt. Uitgebreid
zoen ik de gladheid van je hals.
Mijn heks
De oude nacht is helder
en met adems bezaaid,
de zomer gloeit uit de grond,
mijn kleine heks waart
op het uur dat mij bekoort.
In de spiegel van de vijver
zie ik hoe nabij zij nijgt
en plukt haar minnekruid.
Schichtig kijkt zij op,
herkent mij aan mijn manen.
Even ritselt het in de struiken
als zij aan mijn zicht
onttrekt haar drieste tepel.
Zij staat paard, ik ben haar ruiter.
Dravend door de nacht
lispel ik haar vele namen.
La Chaise-Dieu
In La Chaise-Dieu in portieken
en om de hoeken godsdienstig
besluipen wij de liefde,
wij maken kleine geluiden,
drinken ice-tea au citron.
De zon kruipt over ons heen,
beneemt ons de adem als wij
stijgen naar La Casa Deï.
Wij rusten er met de dieren,
warm nestelt zich de wijn
in de roes van ons verhaal.
In het gastenboek schrijf ik
de initialen van je naam,
de bruine glimlach van je ogen,
de goede geur van je oksels,
de merknaam van je huid.
Brioude
In Brioude naar lachende
knieën kijken zij legt haar ogen
tussen de bladen van Benoîte Groult's
Les Vaisseaux du coeur heel even
kijkt zij op - haar witte dijen
laten zich niet snel lezen.
Zoomloos spant zich mijn huid op
ik wijzig de loop van mijn adem.
Onder de banier van de jacht
verblinde ruiter van de behoefte
loop ik op haar af behoedzaam
beruik ik haar tot op kniehoogte.
De jacht is open - in de verte
jagers janken tegen elkaar
als honden. Praatziek de paarden
als het gehinnik van hun ruiter.
Lavaudieu
In Lavaudieu kocht ik
een snoer van honderd kralen
dat je hals bij elke adem
honderdmaal mijn liefde voelt.
Mijn liefde wijzer dan verstand,
jij bent in elk woord in elk ding
overal een nieuwe kwelling
dit spel met jou is leven.
Leven in af-en-toe een dorp
waar men met ons deelt brood kaas
druiven oud ritueel als had
geen tijd de eeuwigheid gekruist.
Wij kruisen schapen paarden
die zich laven aan de dorpsfontein,
in de kapel een schrijn ben ik
hoofser dan een menestreel.
Een zomer in de Moeren
Een zomer in de Moeren
aan de bocht van Cabourg
tussen broek en schote
land van koolzaad en rapen
zij vlijt zich neer prooi
lenig dier dat half opgericht
mij zoent in tegenlicht
onder navel en lenden.
Ik verstijf tot pagode
op deze binnenduin
stokebrand geuzenstorm
Seinemolen zonder wieken.
Als zij openwaait delta
van genot moeras onderkomen
voel ik het koolwitje
beven in haar heup.
Zonsopgang
Haar oor tegen mijn wang aan
op een grasspriet van het water
in verwondering kijken hoe
een waaier van pasteltinten
verkleurt van verwaterd groen
naar dieproze - zonsopgang
als een koperen bol spat
de nieuwe dag open overgiet
de natuur met verblindend licht
een kraai verbazend dicht
schaterlacht de stilte open.
Behoedzaam knoop ik de bloemen
van haar katoenen jurkje los
waar zij is uitgegroeid.
De geur van verse koemest
prikkelt onze zinnen.
Beeldenstorm
Vluchtende monniken dansende
monniken witte benen
tussen reikhalzende schapen
die als juffers opgejaagd
over het plein tippelen.
In bruinharen pijen gehuld
hun kappen vallen als maskers
van hun kruinen lopen zij
de dieren voor de voeten.
Kreunend uit haar acht hoeken
luidt de klok de beeldenstorm.
De bliksem slaat in de oppers
de boeren met heiligenbeelden
onder de arm verdwijnen
in hun houten huizen.
De herder fluit op zijn vingers
over de heuvelkam blaft
de hond zijn schapen bijeen.
Op enkele vamen vandaan
dring ik in jou als halewijn.
(Lavaudieu)
Vinkem op de schreve
Ik heb op zijn Frans gemind
in dit koninklijk bordeel
Vinkem op de Schreve.
Sedert is zij in al mijn
zinnen vrouwe Camelot
teugel van mijn Pegasus.
Haar huid zit om de perzik
in mijn hand het parfum
van haar lichaam hangt in
de lucht die ik adem.
In de wiekslag van een meeuw
hoor ik haar schaterlach.
Zij is mijn evangelium
geen vrucht smelt in mijn mond
of ik denk aan haar.
Vinkem op de Schreve.
La Chapelle-des- Moines
In Berzé-1a-Ville als uit een wolk
gevallen de blijde boodschapper
hij heeft de stem van vader
de klank van zijn dialect.
Op zijn teken een paard draaft
voor mijn voeten teugels of zweep
heb ik niet geen karos en
profanen gedragen zich alsof
het een remake is déjà-vu.
Man en paard geil en hijgend
bereiken La Chapelle-des-Moines.
Majesteitelijk meewarig
kijkt de Heer op ons neer
zij trekt haar jurk boven de dijen
ik strooi mijn zaad in een lege
hemel de val der engelen.
Sainte-Madeleine de Massac
Ik leg mijn kleed af naakte
jager poreuze huid verklein
de afstand tussen jou en mij
mijn handen pezig spannen
een koord tot boog bevende
bode pijlsnel opgebrand.
Zij gooit haar rozenkrans
naar de overkant zwijgend
de handen voor zich uit
in wedloop met het licht
de van troost beroofde.
In het diepe gras beneden
meten meisjes knapen
als dieren vermomd hun liefde
tussen ruisende blaren.
Op menselijke wijze.
Sint-Flora
Wij snuffelen de berm op
in de wei liggen schapen
uit de hemel gevallen
meteorieten een reiger
komt aan de einder neer.
Zij ruikt naar pas gemaaid gras
haar lippen beginnende dauw
dauwdraden waaraan vlinders
zinderen. Ik voel hun vleugels
trillen als zij kreunend
openbarst haar schoot mijn
bloeiende dood. De aarde
duizelt als wij huistoe
schrijden een paard met kar
schudt als een natte poedel
de geluiden van zich af.
Een ootje verbazing
De zomer is voorbij
en de raten rijk
ik ruik honger en honig
een bleekgroene zon
met sluikhaar kijkt
door de beginnende regen
ik loop dicht naast haar
zij rilt het afgeworpen
water dwarrelt neer
met haar duim wrijft ze
de laatste druppels uit
haar navel haar borstjes
spannen als een b.h.
ze heeft gezwollen voetjes
op haar dunne mond
een ootje verbazing.
Vol van haar
Voorzichtig streel ik haar dijen
als zij naast mij te geuren ligt,
als een heerlijke zinspeling
dit parfum dat mij overspoelt.
Wat ik begeer reikt zij mij aan,
mijn hand luistert naar haar stem.
De wind slaat mijn adem aan,
reikt mij een geurdraad van melk
honingzoet waarin beschuit oplost.
Haar lichaam geurt als zeewind,
de talg van haar haar notenolie,
als abrikozenbloesem haar huid.
Tot in het kleinste detail wil ik
haar leren kennen, elk geheim.
Langzaam buig ik mij over haar,
ruik de waterlelies van haar geslacht.
Als ik aan land ga
In gespreide slagorde
voert zij haar oorlog
eeuwig zwanger zijn
van haar grote koning
zij lacht als op een party
haar buik de zee die ik
bevaar onder piratenvlag.
Als ik aan land ga
in haar hoogrankende delta
staat mijn schip op het spel
de meeuwen slaan
aan 't muiten.
Spelletje
De zomerzon gedempt ondergaand,
bomen staan star en roerloos, onder
de takken nachtdonker geuren
van bloemen en gestoofde aarde
ik verdwijn onder een muur van
over elkaar schuivende blaren
schijnsel van zon, spot op stichtend spel,
het fijne bleke gezichtje onder
het blonde haar kijkt mij aan:
heeft niemand ons gezien? Niemand
beginformule van ons leuk
spelletje poesje kut Pietjekru.
Nicht
Ik bewonder haar als een
betovering een grillige zus
excentriek geestelijk een kind
uiterlijk een jonge vrouw
aangegaapt en opgeborgen
is zij voor mij mijn kleine meid
intens moeder meisje maatje
urenlang kan ik haar gadeslaan
zij spaart tijd in Liebig punten
in tegenlicht blank en tenger,
haar donker haar omlijst gezicht,
dekt zij mijn schamelheid toe.
Historisch ogenblik
Haar rokje valt op de grond dorre
blaren zij stapt er trappend uit
verlegen haast bekijk ik haar
broekje bloempjes op een roze
veld zij drukt mijn hand tegen haar
tuintje alsof zij mij betovert
streel ik zachtjes gekrulde vingers
gekrulde zinnen haar gezicht
een engel transparant wit haar
loshangend nat vlas op blozende
wangen als eensklaps haar vader
roept op dit historisch ogenblik.
Liefde
Wie de liefde van zijn leven kent,
- voorrecht dat mij elke dag overkomt, -
moet niet zweven om verwelken te
voorkomen of fantasieën
ontplooien tot een ongeschreven
boek, wie de vrouw van zijn dromen
lijfelijk en aanspreekbaar heeft
ontmoet, leeft bij de gratie Gods
een leven dat tegenslag negeert
en het geluk als een paternoster
van momenten aan elkaar rijgt.
Alleen te sterven blijft ondraaglijk.
Vlinders
De vlinders in je buik
vliegen uit prikken
zich op jouw topje
naast een tepel wepel
fladderen hun vleugels
krijgen alle kleuren
van de regenboog
het oog wordt verwend
tot ineens de vlinders
zijn verdwenen zo vergaat
het verliefdheden
zo hevig kort van duur.
De jonge Hélène
Verbazing overvalt mij
mijn ogen haken zich vast
Hélène de jonge Hélène
komt op onze tafel af
de vlucht in haar ogen
haar tuitende lippen
gulzig de contouren van haar
volle mond de vaste tred
de glimlach als ze me aanspreekt
mix van schroom sensualiteit
de welving van haar borsten.
Ze kan mijn dochter zijn, zegt
de vrouw rechtover mij
in haar ogen bewondering
twijfel weemoed, dat ook.
Die nacht droom ik overdadig.
Meisje met paardenstaart
Meisje met paardenstaart hoe zacht
streel jij mijn kaken wijdbeens
voor mij uit met grote ogen
kijk ik je aan peil zonder
verpinken naar wat je wilt
duw mijn hoofd tegen je borstjes
ondeugend de oogjes neer
een glimlach die mij charmeert
hemels hoe je mond tuitend mijn
hals beroert de zon priemt op mijn rug
de wind speelt in mijn manen en
met je wit vijftrapszomerkleed
als je in mijn neusgaten blaast
nies ik oorverdovend de stilte
die jij met fluistertoon bedaart
vliegen stuiven van mij weg.
Brief aan Hélène
Hélène hitsige maagd op kousenvoetjes
de lange puntstaart van je kornet
krult zich over je rug kwispelt over
de grond gekrulde fallus in erectie
zachte stokebrand zet de tobbe uit
hits het water op prikkel mijn zinnen
schrob mijn knoken hard mijn eikel
kom wijdbeens over dat ik oprollen kan
je kleed tot aan je lenden schouwspel
cinema in geuren en kleuren en
als ik oprijs tsunami zoen ik jou
als een ontdekkingsreiziger
roep america en vaar landinwaarts
voorbij de klippen je baai binnen
de zon steekt het water schuimkopt
jij koert en kirt ik gier van pret.
Thierry Deleu
Op de huiverlippen van de kindbomen
knippert het ochtendzilver;
de stad slaapt in hun kroonbed.
Het meisje met de zachte streelhanden vraagt:
waar zijn de goudbomen, darling?
Naar ademdeeg ruikend haar jonge borsten.
De straat strekt huiverig het stenen lijf;
de goudzoekers krommen de vingers
in het bloeiende water van de ochtendkom.
En de hondstad schudt haar zilverhaar.
Herfst
De kamer heeft zich gevuld
met de geur van chrysanten.
Het behang is bruin en goud
en purper het oude bed.
Naast mij de vrouw gelukzalig
in bedwelmend naakt zij ligt.
Haar adem een beslagen raam
hangt rans in de gordijnen.
De lucht smaakt als nieuwe wijn
bitter ondoorgrondelijk
als paddestoelen van één nacht.
Het lokaas van de herfst toen
zij spon zilveren draden
tussen mij en de eeuwigheid
overwonnen niemandsland
meetbaar aan haar vlezen lippen.
Het is goed in deze tijd
te proeven tot de bodem
de rijkdom van de herfst
als een kasplant onder glas.
Oneindig bespeelbaar
De ochtend is niet zoals je denkt
een havik hoe hij heeft geroken
weerloos het verdriet
onzegbaar zalig is de ochtend
achter de strandhuisjes
op een tong van de zee
liggen zij uit de wind
handtastelijk de vroege knapen
dit is de ochtend proeven
in hun keel de hete holte
van het zand ontelbaar tellen
zij weten het zij hebben het achterhaald
de ochtend is een feest
blondgehaard en oneindig bespeelbaar
Ontwaken
languit haar naaktheid een preuts gewaad
op haar been een streep geronnen licht
dat zich een weg baant in de kamer
naar lavendel ruiken de lakens
doodstil dit huis in een beginnende regen
de zon schuift haar lichtende ladder uit
op de vleugels van haar ogen
even talmen zij wanneer een wolk
over de heldere ruimte glijdt
nu knipperen ze in het blinkende licht
languit haar handen achter het hoofd
vraagt zij hoe laat het is
Als een jager
Haar gezicht is wit van regen
een vensterglas waartegen mijn mond
proeft proevend het murwe water
dat hoorbaar schuchter huiveren doet.
Zij ziet mij en onze monden beven.
Van geur en kleur, en zinlijk herkennen
hoe ik ree lig voor de overval.
Als een jager in zijn grondgebied.
Ik hoor de schroom van elk sterven.
Met vingers die haar adem stokken
streel ik het dier achter in haar huid.
En zij stuiptrekt voor het geheim.
Na de dageraad
Verwekt uit zoveel handen zachtheid
en zo weinig harde aarde, zij ligt -
aan haar garstige adem slaap ik.
In de rimpels van haar huid brede
sporen van een man, gevlucht voor het
krijsen van een kleine kraai.
Na deze dageraad een nieuw kind
zal zij dragen, als een dracht waaraan
geen liefde vreemd gebleven is.
Ik voel de adems in mijn longen
openstorten. Elke dag, elk uur.
Als ik dit schrijf als een klaaglied,
dat zo weinig woorden weemoed zingt,
ben ik de fallus die zijn zaden plant.
Tot hoorbaar zacht de nacht als een
vogel over onze tempel wiekt.
En het water neemt je naam
De wind ligt languit op de dijk.
In de wolken ruik ik de adem
van het zout en de duinen.
Ik grijp de zon in het water
en giet haar uit over hoofd en hals.
Het zieke dier huivert in mijn
bloeiende heup - als regen op riet.
In het zand dat mijn voetstap draagt,
schrijf ik jou ten voeten uit.
En het water neemt je naam.
In het bange handgeklap
van een vogel hoor ik onweer.
Ik ben de lente niet
Ik ben de lente niet mijn kind.
Met bramenschrammen op mijn huid
en geur van regen luw als zoet geweld.
Ik zou wel kunnen sneeuwen
een stad een rijk in witte vacht.
eer zacht, zeer wit, waar hart inzit.
Met vrieslucht slechts om van te leven.
Misschien zal dit mijn laatste winter zijn.
Een dood wit paard drijvend op zijn zij.
Zolang nog zal ik blijven zingen.
Als een offer aan meeuw aan zeekrab
aan zeester en steenkrab dit lied.
Ik ben de lente niet mijn kind.
Maar een stille, schuwgeworden vogel
die verreisd neerstrijkt op je hand.
Tot het bloed weer steigert in zijn lijf.
Liefde
Voorzichtiger dan vlinders strijken
mijn lippen op je schouders neer.
Zo-even weer. Als het sneeuwen
van meeuwen op de wiegende zee.
Liefde is huiver. En gulzigheid.
Van mond en tanden, krauw en beet
en tederheid van vogelveren.
Liefde is ook jagen, prinses,
op de katten in je ogen,
op de welpen in je enkels,
de springgazellen van je geest.
Liefde vernietigt niet, prinses.
Haar prooi wordt meesteres,
mijn roede haar trouw reptiel.
Liefde is elk uur als de duur
van een vlam tussen rook en as.
Het ontwaken
Langs een ladder van zon huiverend
sijpelt het licht de kamer in.
Zij glimlacht vaag en rekt zich uit,
haar zilte haar berijmd als loof.
Zacht als een marmot om te strelen,
haar huid mooier dan de rankste ree.
Ik proef de wijnen van haar bloed,
het geurend amber van haar leden.
In het nachtwoud van haar haar
fluister ik gedichten en gebeden.
Mijn hand glijdt naar haar schoot
en loopt verrukt haar lichaam in.
Zij smacht nu onder de dekens,
ik ben te laken, te loef, te lij,
verstrooi in reeksen kreten
de huiver van haar kleine meeuwen.
Bergmeer
Je lichaam een argeloos bergmeer,
mijn hand wortelt naar je water,
waar ook ontwelt de nagelaten nacht
en 't reutelend ademen van de blaren.
Je haren losse teugels van de dood,
vinnig als de vinnen in je borsten;
ontwaken is langzaam opengaan,
als een hooidilt in de morgen
geurend naar de dracht van koeien.
Wij ruiken voos als de aarde
en vloeien in elkaar als water over,
in een traag gebaar mij telkens opwaarts
wendend mijn liefde zalft je schoot
En komt als vlottend wier weer boven;
lichaam dat zich met lichaam voedt,
zich vult van vingerkoot tot kruin.
Ik leg het oor
Ik leg het oor op haar buik
en laat er rauwe bloemen achter,
eerst sneeuwklokjes, dan anemonen,
speenkruid en klaverzuring.
Haar buik een nest jonge eenden
peddelend in het dikke water.
Ik druk mijn stethoscoop tussen
de sleutelbloemen en viooltjes.
In haar heupen voel ik vogel
en vleugels beven als een riet.
Tussen haar oevers slijm is het
water dat zich traag beweegt.
Avontuur
In ‘t welig kruid van je huid ik
strijk neer en fluit van zotte vreugd
het lied van onze zondeval.
Een specht speelt solo op je dij.
En als water kirren duiven
onder de bloesems van je gezicht.
De knoppen van je borsten gloeien,
als je openbloeit een explosie
zo snel in de palm van mijn hand.
Een avontuur in jou te klimmen,
vol van zang en dol van zinnen,
maar als in hout letters kerven,
die je ook later ziet, kan ik niet.
Morgen fluit ik licht een ander lied.
Aan het water
De kleur van gras ben ik vergeten.
Zij kent de geur van hooi, de smaak
van water, het waaien van het riet.
Zij rekt zich uit als een konijn,
belust op 't zwoele minnespelen.
Ik vlij mij neer op 't slanke dier,
dat wuft en warm mij drijft naar
't wassend wier waarin mijn vinger sluit.
Aan de dode arm van de rivier
spreidt zij onbeschroomd gedwee
de twee verhalen van haar benen.
En de zon leest zich de ogen uit.
Wepele meeuw
Ik leg mijn oor in het zand en hoor
de zee zo-even aanstoot gevend.
De wind ontwaakt en gaat liggen
onachtzaam op zijn andere zij.
Met ringen van wier om de enkels,
zij voert de zee aan in mijn hemd,
in haar hand een wepele meeuw.
Zacht sluit haar mond mijn woorden af.
Ik proef het zout op haar lippen,
voel de storm groeien in mijn buik.
Heerlijk de liefde bedrijvend
als de zee aan haar lichaam kleeft.
In het duin
Met de veroveraarblik van
een kind op zijn hobbelpaard
maak ik jacht op de vlinder
tussen haar lippen gespeet
zijn vleugels beven als riet
als ik haar traag bevinger
stil en van goeden huize
verzwijg ik wat niet eerbaar is.
In het duin proeven wij na
van knappend brood kaas en wijn
als verfijnde dieren hebben
wij ons uit het zicht gelegd.
Het is zomer
Meisjes met groene ogen kirren
als vogels tegen het felle licht,
mannetjes slaan hun vlerken uit,
dravend op hun driften. Het is zomer.
Ik stijg uit krijg gestalte als
de vele dimensies van een golf
die aanzwelt als een waterorgel,
zich opdringt even maar verstomt.
Samen pootjebaden, naar meeuwen
kijken die bestrijken, verstillen
tot de praat ze overvalt. Uitgebreid
zoen ik de gladheid van je hals.
Mijn heks
De oude nacht is helder
en met adems bezaaid,
de zomer gloeit uit de grond,
mijn kleine heks waart
op het uur dat mij bekoort.
In de spiegel van de vijver
zie ik hoe nabij zij nijgt
en plukt haar minnekruid.
Schichtig kijkt zij op,
herkent mij aan mijn manen.
Even ritselt het in de struiken
als zij aan mijn zicht
onttrekt haar drieste tepel.
Zij staat paard, ik ben haar ruiter.
Dravend door de nacht
lispel ik haar vele namen.
La Chaise-Dieu
In La Chaise-Dieu in portieken
en om de hoeken godsdienstig
besluipen wij de liefde,
wij maken kleine geluiden,
drinken ice-tea au citron.
De zon kruipt over ons heen,
beneemt ons de adem als wij
stijgen naar La Casa Deï.
Wij rusten er met de dieren,
warm nestelt zich de wijn
in de roes van ons verhaal.
In het gastenboek schrijf ik
de initialen van je naam,
de bruine glimlach van je ogen,
de goede geur van je oksels,
de merknaam van je huid.
Brioude
In Brioude naar lachende
knieën kijken zij legt haar ogen
tussen de bladen van Benoîte Groult's
Les Vaisseaux du coeur heel even
kijkt zij op - haar witte dijen
laten zich niet snel lezen.
Zoomloos spant zich mijn huid op
ik wijzig de loop van mijn adem.
Onder de banier van de jacht
verblinde ruiter van de behoefte
loop ik op haar af behoedzaam
beruik ik haar tot op kniehoogte.
De jacht is open - in de verte
jagers janken tegen elkaar
als honden. Praatziek de paarden
als het gehinnik van hun ruiter.
Lavaudieu
In Lavaudieu kocht ik
een snoer van honderd kralen
dat je hals bij elke adem
honderdmaal mijn liefde voelt.
Mijn liefde wijzer dan verstand,
jij bent in elk woord in elk ding
overal een nieuwe kwelling
dit spel met jou is leven.
Leven in af-en-toe een dorp
waar men met ons deelt brood kaas
druiven oud ritueel als had
geen tijd de eeuwigheid gekruist.
Wij kruisen schapen paarden
die zich laven aan de dorpsfontein,
in de kapel een schrijn ben ik
hoofser dan een menestreel.
Een zomer in de Moeren
Een zomer in de Moeren
aan de bocht van Cabourg
tussen broek en schote
land van koolzaad en rapen
zij vlijt zich neer prooi
lenig dier dat half opgericht
mij zoent in tegenlicht
onder navel en lenden.
Ik verstijf tot pagode
op deze binnenduin
stokebrand geuzenstorm
Seinemolen zonder wieken.
Als zij openwaait delta
van genot moeras onderkomen
voel ik het koolwitje
beven in haar heup.
Zonsopgang
Haar oor tegen mijn wang aan
op een grasspriet van het water
in verwondering kijken hoe
een waaier van pasteltinten
verkleurt van verwaterd groen
naar dieproze - zonsopgang
als een koperen bol spat
de nieuwe dag open overgiet
de natuur met verblindend licht
een kraai verbazend dicht
schaterlacht de stilte open.
Behoedzaam knoop ik de bloemen
van haar katoenen jurkje los
waar zij is uitgegroeid.
De geur van verse koemest
prikkelt onze zinnen.
Beeldenstorm
Vluchtende monniken dansende
monniken witte benen
tussen reikhalzende schapen
die als juffers opgejaagd
over het plein tippelen.
In bruinharen pijen gehuld
hun kappen vallen als maskers
van hun kruinen lopen zij
de dieren voor de voeten.
Kreunend uit haar acht hoeken
luidt de klok de beeldenstorm.
De bliksem slaat in de oppers
de boeren met heiligenbeelden
onder de arm verdwijnen
in hun houten huizen.
De herder fluit op zijn vingers
over de heuvelkam blaft
de hond zijn schapen bijeen.
Op enkele vamen vandaan
dring ik in jou als halewijn.
(Lavaudieu)
Vinkem op de schreve
Ik heb op zijn Frans gemind
in dit koninklijk bordeel
Vinkem op de Schreve.
Sedert is zij in al mijn
zinnen vrouwe Camelot
teugel van mijn Pegasus.
Haar huid zit om de perzik
in mijn hand het parfum
van haar lichaam hangt in
de lucht die ik adem.
In de wiekslag van een meeuw
hoor ik haar schaterlach.
Zij is mijn evangelium
geen vrucht smelt in mijn mond
of ik denk aan haar.
Vinkem op de Schreve.
La Chapelle-des- Moines
In Berzé-1a-Ville als uit een wolk
gevallen de blijde boodschapper
hij heeft de stem van vader
de klank van zijn dialect.
Op zijn teken een paard draaft
voor mijn voeten teugels of zweep
heb ik niet geen karos en
profanen gedragen zich alsof
het een remake is déjà-vu.
Man en paard geil en hijgend
bereiken La Chapelle-des-Moines.
Majesteitelijk meewarig
kijkt de Heer op ons neer
zij trekt haar jurk boven de dijen
ik strooi mijn zaad in een lege
hemel de val der engelen.
Sainte-Madeleine de Massac
Ik leg mijn kleed af naakte
jager poreuze huid verklein
de afstand tussen jou en mij
mijn handen pezig spannen
een koord tot boog bevende
bode pijlsnel opgebrand.
Zij gooit haar rozenkrans
naar de overkant zwijgend
de handen voor zich uit
in wedloop met het licht
de van troost beroofde.
In het diepe gras beneden
meten meisjes knapen
als dieren vermomd hun liefde
tussen ruisende blaren.
Op menselijke wijze.
Sint-Flora
Wij snuffelen de berm op
in de wei liggen schapen
uit de hemel gevallen
meteorieten een reiger
komt aan de einder neer.
Zij ruikt naar pas gemaaid gras
haar lippen beginnende dauw
dauwdraden waaraan vlinders
zinderen. Ik voel hun vleugels
trillen als zij kreunend
openbarst haar schoot mijn
bloeiende dood. De aarde
duizelt als wij huistoe
schrijden een paard met kar
schudt als een natte poedel
de geluiden van zich af.
Een ootje verbazing
De zomer is voorbij
en de raten rijk
ik ruik honger en honig
een bleekgroene zon
met sluikhaar kijkt
door de beginnende regen
ik loop dicht naast haar
zij rilt het afgeworpen
water dwarrelt neer
met haar duim wrijft ze
de laatste druppels uit
haar navel haar borstjes
spannen als een b.h.
ze heeft gezwollen voetjes
op haar dunne mond
een ootje verbazing.
Vol van haar
Voorzichtig streel ik haar dijen
als zij naast mij te geuren ligt,
als een heerlijke zinspeling
dit parfum dat mij overspoelt.
Wat ik begeer reikt zij mij aan,
mijn hand luistert naar haar stem.
De wind slaat mijn adem aan,
reikt mij een geurdraad van melk
honingzoet waarin beschuit oplost.
Haar lichaam geurt als zeewind,
de talg van haar haar notenolie,
als abrikozenbloesem haar huid.
Tot in het kleinste detail wil ik
haar leren kennen, elk geheim.
Langzaam buig ik mij over haar,
ruik de waterlelies van haar geslacht.
Als ik aan land ga
In gespreide slagorde
voert zij haar oorlog
eeuwig zwanger zijn
van haar grote koning
zij lacht als op een party
haar buik de zee die ik
bevaar onder piratenvlag.
Als ik aan land ga
in haar hoogrankende delta
staat mijn schip op het spel
de meeuwen slaan
aan 't muiten.
Spelletje
De zomerzon gedempt ondergaand,
bomen staan star en roerloos, onder
de takken nachtdonker geuren
van bloemen en gestoofde aarde
ik verdwijn onder een muur van
over elkaar schuivende blaren
schijnsel van zon, spot op stichtend spel,
het fijne bleke gezichtje onder
het blonde haar kijkt mij aan:
heeft niemand ons gezien? Niemand
beginformule van ons leuk
spelletje poesje kut Pietjekru.
Nicht
Ik bewonder haar als een
betovering een grillige zus
excentriek geestelijk een kind
uiterlijk een jonge vrouw
aangegaapt en opgeborgen
is zij voor mij mijn kleine meid
intens moeder meisje maatje
urenlang kan ik haar gadeslaan
zij spaart tijd in Liebig punten
in tegenlicht blank en tenger,
haar donker haar omlijst gezicht,
dekt zij mijn schamelheid toe.
Historisch ogenblik
Haar rokje valt op de grond dorre
blaren zij stapt er trappend uit
verlegen haast bekijk ik haar
broekje bloempjes op een roze
veld zij drukt mijn hand tegen haar
tuintje alsof zij mij betovert
streel ik zachtjes gekrulde vingers
gekrulde zinnen haar gezicht
een engel transparant wit haar
loshangend nat vlas op blozende
wangen als eensklaps haar vader
roept op dit historisch ogenblik.
Liefde
Wie de liefde van zijn leven kent,
- voorrecht dat mij elke dag overkomt, -
moet niet zweven om verwelken te
voorkomen of fantasieën
ontplooien tot een ongeschreven
boek, wie de vrouw van zijn dromen
lijfelijk en aanspreekbaar heeft
ontmoet, leeft bij de gratie Gods
een leven dat tegenslag negeert
en het geluk als een paternoster
van momenten aan elkaar rijgt.
Alleen te sterven blijft ondraaglijk.
Vlinders
De vlinders in je buik
vliegen uit prikken
zich op jouw topje
naast een tepel wepel
fladderen hun vleugels
krijgen alle kleuren
van de regenboog
het oog wordt verwend
tot ineens de vlinders
zijn verdwenen zo vergaat
het verliefdheden
zo hevig kort van duur.
De jonge Hélène
Verbazing overvalt mij
mijn ogen haken zich vast
Hélène de jonge Hélène
komt op onze tafel af
de vlucht in haar ogen
haar tuitende lippen
gulzig de contouren van haar
volle mond de vaste tred
de glimlach als ze me aanspreekt
mix van schroom sensualiteit
de welving van haar borsten.
Ze kan mijn dochter zijn, zegt
de vrouw rechtover mij
in haar ogen bewondering
twijfel weemoed, dat ook.
Die nacht droom ik overdadig.
Meisje met paardenstaart
Meisje met paardenstaart hoe zacht
streel jij mijn kaken wijdbeens
voor mij uit met grote ogen
kijk ik je aan peil zonder
verpinken naar wat je wilt
duw mijn hoofd tegen je borstjes
ondeugend de oogjes neer
een glimlach die mij charmeert
hemels hoe je mond tuitend mijn
hals beroert de zon priemt op mijn rug
de wind speelt in mijn manen en
met je wit vijftrapszomerkleed
als je in mijn neusgaten blaast
nies ik oorverdovend de stilte
die jij met fluistertoon bedaart
vliegen stuiven van mij weg.
Brief aan Hélène
Hélène hitsige maagd op kousenvoetjes
de lange puntstaart van je kornet
krult zich over je rug kwispelt over
de grond gekrulde fallus in erectie
zachte stokebrand zet de tobbe uit
hits het water op prikkel mijn zinnen
schrob mijn knoken hard mijn eikel
kom wijdbeens over dat ik oprollen kan
je kleed tot aan je lenden schouwspel
cinema in geuren en kleuren en
als ik oprijs tsunami zoen ik jou
als een ontdekkingsreiziger
roep america en vaar landinwaarts
voorbij de klippen je baai binnen
de zon steekt het water schuimkopt
jij koert en kirt ik gier van pret.
Thierry Deleu
24 december 2007
OPROEP DIE OOK (ONZE) BEPERKINGEN BLOOTLEGT!

Beste redactieleden,
Ik durf jullie niet met naam aanspreken om het schaamrood op jullie wangen niet aan te wakkeren. Waar blijven jullie bijdragen? Waar zijn jullie ideeën, suggesties, gedachten, hersenkronkels, standpunten? Zijn jullie bronnen opgedroogd? Of - wat veel erger zou zijn - zien jullie DGM niet meer als vol aan? Is het nieuws oud nieuws geworden? Zijn de (ooit) nieuwe mesjes versleten?
Bij dezen doe ik een vriendelijke oproep jullie engagement na te komen. Schrijf jullie te pletter! Steek de kramp in jullie vingers!
Indien je het niet meer ziet zitten, Marc, Roland, Joris, Georges, Annmarie, Henk, Ludo, Jenny, Jan, Marleen, dien dan stilletjes je ontslag in, met een mailtje: "Mijn pen is uit" of "De veer is gebroken" of "Stik!" Ik zal het jou niet (lang) kwalijk nemen.
Indien je bereid blijft, schrijf dan eens een artikel over: het belang van een ezine voor de debuterende en miskende auteur. Deze bedenkingen plaats ik dan naast elkaar, ter vergelijking, met reacties. Een goed idee? Allé, allé, vooruit met de geit!
Het mag ook iets anders zijn... wensen, liefdesverdriet, statement, boutade, versjes, verhaaltje, oprisping, haat-liefde, etc.
Jullie eindredacteur,
in nevels van verdiet en wanhoop
Kunst en engagement
Nog altijd is er echter een publiek dat de beeldende kunstenaar wenst te zien als de exponent van de romantiek: de kunstenaar die zich buiten de wet plaatst, die zich niet kan of wil schikken naar de normen die het sociaal verkeer oplegt. Deze opvatting werd door de artiest in de hand gewerkt.
De kunstenaar van vandaag is de sociale gelijke van de mensen die hem omringen: hij staat niet meer buiten de maatschappij maar is er door osmose in opgenomen. Verzamelaars en intellectuelen ervaren het als een voorrecht de kunstenaar te kennen. Niet als een curiosum, zoals vroeger, maar als een “interlocuteur valable”.
Een kunstenaar blijft anders dan de gewone mens. Door zijn talent. Het talent dat hem toelaat uit te drukken wat er in zijn hart en geest omgaat. Een hart en een geest die subtieler zijn afgestemd op de gebeurtenissen die in ons leven een diepe indruk nalaten. Weinig mensen leven bewust; op een manier dat ieder ogenblik in hun bestaan een vol ogenblik is. Geladen met vreugde of angst, droefheid of blijdschap, liefde of haat, teleurstelling of hoop. Ieder van ons kent deze gevoelens. Hoeveel zijn er die ze ook bewust beleven? Met al hun zenuwen? En nochtans gaat het hier om persoonlijke ervaringen. Hoe intens-bewust ondergaan wij de gevoelens van anderen? Hoeveel zijn er echt geschokt door de aanslepende oorlog in Irak, om bij een actueel onderwerp te blijven, door de armoede, het vluchtelingenprobleem, de miserie van de verdrukte bevolkingsgroepen?
Wie wordt beroerd door de miserie van anderen? Enkel wanneer wij zelf in verdrukking komen, reageren wij fors en eisen onvoorwaardelijke hulp.
Ik meen dat de kunstenaar - ook voor de situatie waarin anderen verkeren - gevoeliger is dan de meeste mensen. Ik denk aan Goya die kordaat en hartstochtelijk een standpunt kiest in de sociale conflicten van zijn tijd. Ik denk aan Picasso die met zijn “Guernica” het leed van een vrijheidslievend volk vertolkt.
Later zal, onder impuls van de ontvoogding van de arbeider, de kunstenaar zijn zin voor realisme omzetten in taferelen waarin de menselijke nood het altijd terugkomend thema wordt. Ook Permeke heeft op dramatische wijze deze nood in zijn werk binnengeleid. De boer in de tragiek van zijn dagelijkse labeur. Verpauperd, verbitterd, ontdaan van alle menselijke waardigheid.
Bij andere kunstenaars is het de angst waarmee zij afrekenen. De angst om het verlies van het leven.
Het werk van Bacon is een typisch voorbeeld van de probleemkunst van deze tijd. Figuratief en toch zo ver van de fotografische werkelijkheid. Zijn werk onthult een tragische visie op de eenzaamheid en de angst. De mens verschijnt er als een eenling en een gefolterde, doordrongen van wanhoop. Zijn figuren lijden aan een hallucinante incapaciteit om met elkaar in contact te komen of om zich verstaanbaar te maken in de wereld die hen omringt.
Dit zijn voorbeelden van kunstenaars die de menselijke nood in hun werk uitbeelden. Als strijdmiddel tegen de verdrukking van de onmondige. Zij hebben hun ziel of die van anderen willen tonen om de gemeenschap duidelijk te wijzen op de problemen van de tijd. Tot schande van ieder van ons die uit gemakzucht of uit angst deze problemen uit de weg gaan.
Kunst moet een exponent zijn van het vrije denken. Ik ben het er volkomen mee eens. De kunstenaar kan evenwel niet ontsnappen aan de tijdsomstandigheden of het politiek, economisch, filosofisch of godsdienstig systeem waarin hij werkt. Zolang hij zich niet (of zo weinig mogelijk) aan dit systeem verkoopt en “in opdracht” ervan creëert, komt zijn vrije denken niet in de verdrukking.
Kunstenaars kunnen bij uitstek op een geëngageerde en bewustmakende wijze een avant-garde rol spelen: als voorzieners in de maatschappelijke en artistieke wereld.
Kunst is meer dan alleen een verheven smaak van weinigen, meer ook dan alleen versiering, hoe belangrijk en waardevol dat dit op zichzelf ook kan zijn. Kunst is vooral ook een eigen vorm van communicatie met anderen en met de wereld om ons heen, waarin meer en andere ervaringen kunnen worden opgedaan en uitgedrukt dan met intellectuele middelen mogelijk is. “Guernica” laat ons de Spaanse burgeroorlog beter beleven dan drie verhandelingen daarover.
De (beeldende) kunstenaar voelt zich lotsverbonden met de mensheid. Dood, ziekte, honger, ellende, eenzaamheid, verdrukking zijn ook in onze tijd het harde materiaal waarmee de mens zich moet meten. De kunstenaar, vol attentie voor het menselijke, vindt in die situatie zijn inspiratie. Hij vertolkt het wel en wee van die strijd en getuigt.
In zijn werk is de tijdsgeest hoorbaar als één langgerekte zucht, of beter, als een schreeuw. De schreeuw van de verdrukte mens in een wereld die steeds minder menselijk wordt. Kunstenaars geven uitdrukking aan... verdrukking.
Het debat over de verhouding tussen kunst, cultuur, overheid en het bedrijfsleven duurt al bijna tien jaar en het ziet er niet naar uit dat, in deze tijd van teruglopende welvaart en gigantische staatsschuld, de discussie de komende tien jaar uit de lucht zal zijn. “Kan Kunst de wereld redden?” Een vraag die de wenkbrauwen doet fronsen. De vraag kan welbeschouwd beter luiden: “Kan het geld de Kunst redden?” Hierop luidt het antwoord: neen! Geld kan kunst kopen maar niet maken. Geld regeert de wereld, niet de kunst.
Thierry Deleu
De kunstenaar van vandaag is de sociale gelijke van de mensen die hem omringen: hij staat niet meer buiten de maatschappij maar is er door osmose in opgenomen. Verzamelaars en intellectuelen ervaren het als een voorrecht de kunstenaar te kennen. Niet als een curiosum, zoals vroeger, maar als een “interlocuteur valable”.
Een kunstenaar blijft anders dan de gewone mens. Door zijn talent. Het talent dat hem toelaat uit te drukken wat er in zijn hart en geest omgaat. Een hart en een geest die subtieler zijn afgestemd op de gebeurtenissen die in ons leven een diepe indruk nalaten. Weinig mensen leven bewust; op een manier dat ieder ogenblik in hun bestaan een vol ogenblik is. Geladen met vreugde of angst, droefheid of blijdschap, liefde of haat, teleurstelling of hoop. Ieder van ons kent deze gevoelens. Hoeveel zijn er die ze ook bewust beleven? Met al hun zenuwen? En nochtans gaat het hier om persoonlijke ervaringen. Hoe intens-bewust ondergaan wij de gevoelens van anderen? Hoeveel zijn er echt geschokt door de aanslepende oorlog in Irak, om bij een actueel onderwerp te blijven, door de armoede, het vluchtelingenprobleem, de miserie van de verdrukte bevolkingsgroepen?
Wie wordt beroerd door de miserie van anderen? Enkel wanneer wij zelf in verdrukking komen, reageren wij fors en eisen onvoorwaardelijke hulp.
Ik meen dat de kunstenaar - ook voor de situatie waarin anderen verkeren - gevoeliger is dan de meeste mensen. Ik denk aan Goya die kordaat en hartstochtelijk een standpunt kiest in de sociale conflicten van zijn tijd. Ik denk aan Picasso die met zijn “Guernica” het leed van een vrijheidslievend volk vertolkt.
Later zal, onder impuls van de ontvoogding van de arbeider, de kunstenaar zijn zin voor realisme omzetten in taferelen waarin de menselijke nood het altijd terugkomend thema wordt. Ook Permeke heeft op dramatische wijze deze nood in zijn werk binnengeleid. De boer in de tragiek van zijn dagelijkse labeur. Verpauperd, verbitterd, ontdaan van alle menselijke waardigheid.
Bij andere kunstenaars is het de angst waarmee zij afrekenen. De angst om het verlies van het leven.
Het werk van Bacon is een typisch voorbeeld van de probleemkunst van deze tijd. Figuratief en toch zo ver van de fotografische werkelijkheid. Zijn werk onthult een tragische visie op de eenzaamheid en de angst. De mens verschijnt er als een eenling en een gefolterde, doordrongen van wanhoop. Zijn figuren lijden aan een hallucinante incapaciteit om met elkaar in contact te komen of om zich verstaanbaar te maken in de wereld die hen omringt.
Dit zijn voorbeelden van kunstenaars die de menselijke nood in hun werk uitbeelden. Als strijdmiddel tegen de verdrukking van de onmondige. Zij hebben hun ziel of die van anderen willen tonen om de gemeenschap duidelijk te wijzen op de problemen van de tijd. Tot schande van ieder van ons die uit gemakzucht of uit angst deze problemen uit de weg gaan.
Kunst moet een exponent zijn van het vrije denken. Ik ben het er volkomen mee eens. De kunstenaar kan evenwel niet ontsnappen aan de tijdsomstandigheden of het politiek, economisch, filosofisch of godsdienstig systeem waarin hij werkt. Zolang hij zich niet (of zo weinig mogelijk) aan dit systeem verkoopt en “in opdracht” ervan creëert, komt zijn vrije denken niet in de verdrukking.
Kunstenaars kunnen bij uitstek op een geëngageerde en bewustmakende wijze een avant-garde rol spelen: als voorzieners in de maatschappelijke en artistieke wereld.
Kunst is meer dan alleen een verheven smaak van weinigen, meer ook dan alleen versiering, hoe belangrijk en waardevol dat dit op zichzelf ook kan zijn. Kunst is vooral ook een eigen vorm van communicatie met anderen en met de wereld om ons heen, waarin meer en andere ervaringen kunnen worden opgedaan en uitgedrukt dan met intellectuele middelen mogelijk is. “Guernica” laat ons de Spaanse burgeroorlog beter beleven dan drie verhandelingen daarover.
De (beeldende) kunstenaar voelt zich lotsverbonden met de mensheid. Dood, ziekte, honger, ellende, eenzaamheid, verdrukking zijn ook in onze tijd het harde materiaal waarmee de mens zich moet meten. De kunstenaar, vol attentie voor het menselijke, vindt in die situatie zijn inspiratie. Hij vertolkt het wel en wee van die strijd en getuigt.
In zijn werk is de tijdsgeest hoorbaar als één langgerekte zucht, of beter, als een schreeuw. De schreeuw van de verdrukte mens in een wereld die steeds minder menselijk wordt. Kunstenaars geven uitdrukking aan... verdrukking.
Het debat over de verhouding tussen kunst, cultuur, overheid en het bedrijfsleven duurt al bijna tien jaar en het ziet er niet naar uit dat, in deze tijd van teruglopende welvaart en gigantische staatsschuld, de discussie de komende tien jaar uit de lucht zal zijn. “Kan Kunst de wereld redden?” Een vraag die de wenkbrauwen doet fronsen. De vraag kan welbeschouwd beter luiden: “Kan het geld de Kunst redden?” Hierop luidt het antwoord: neen! Geld kan kunst kopen maar niet maken. Geld regeert de wereld, niet de kunst.
Thierry Deleu
20 december 2007
"Eindterm" (2002) - debuutroman Thierry Deleu - hoofdstuk 9
9
Alexander Vanthuyne, 12 jaar, is in zijn nopjes maar ook zenuwachtig. Zijn mama zal namens de minister aanwezig zijn op het schoolfeest. Hij heeft het vernomen van zijn klastitularis en de dag daarop wordt hij ‘s namiddags bij de directeur ontboden.
De directeur is heel vriendelijk. Alexander mag plaatsnemen in de zetel naast hem.
“Uw mama komt volgende week zaterdag naar ons schoolfeest, Alexander. Wilt u haar vrijdag zeggen dat ik heel vereerd ben met haar komst?”
Van zijn bureau neemt hij een map met het logo van de school opgedrukt en geeft ze aan Alexander:: “Het kabinet vroeg een beetje informatie over ons feest, jongen, en over de geschiedenis van de school. Uw mama zal die info kunnen gebruiken voor de toespraak van de minister.”
Alexander kijkt verwonderd op: “Houdt mama de toespraak, mijnheer de directeur?”
“Ja natuurlijk, Alexander, zij komt toch in de plaats van de minister.”
Op die bewuste zaterdagnamiddag zit Alexander naast zijn moeder op de eerste rij bij de directeurs, enkele mensen van het gemeentebestuur en andere prominenten. Na het welkomstwoord van de directeur en een saaie toespraak door de voorzitter van de Vriendenkring is het de beurt aan “mevrouw Du Tertre, adjunct-kabinetschef, die minister Vanderweyden vervangt”. Traag gaat Sabine het trapje op naar het spreekgestoelte. In een zwarte jurk met korte mouwen. Alexander kijkt met een trotse blik achter zich de zaal in op zoek naar klasgenoten en hun ouders.
Sabine du Tertre stelt zich in haar betoog drie vragen: “Welke inhoudelijke verwachtingen worden aan het onderwijs vandaag en morgen gesteld? Welke budgettaire inspanningen is de gemeenschap bereid te doen voor dat onderwijs? Kan het onderwijs zichzelf loswerken uit de vastgeroeste, traditionele ideeën die zijn ontstaan onder druk van enerzijds een strak centralistisch en bureaucratisch concept en anderzijds een ideologisch-filosofische bipolariteit?”
De zaal gaat op het puntje van de stoel zitten en luistert aandachtig. De meeste toehoorders beseffen dat wat de adjunct-kabinetschef zal zeggen van belang zal zijn bij het breed maatschappelijk debat over de hervormingen binnen het onderwijs.
“Sommigen zijn van mening dat er te veel en te snel wordt veranderd. Maar, dames en heren, ik zeg u: wie denkt dat in het onderwijs een idyllische rust zal heersen, vergist zich deerlijk.”
Hierna heeft Sabine du Tertre het over deregulering, autonomie voor de scholen, duidelijkheid in de relatie overheid versus scholen en inrichtende machten.
Zij besluit: “Het is een jammerlijk misverstand te menen dat de minister de eigenheid van de school wil aantasten. Niets is minder waar. Het beleid is een voorstander van geprofileerde scholen. De indruk bestaat eveneens dat alles in het onderwijs te snel gaat. Toch lijkt niet de snelheid het probleem te zijn, maar de weg en het doel.”
Op het einde van haar toespraak is het applaus gematigd, de aanwezigen zijn het blijkbaar niet met alles eens. Vooral voor de leerkrachten is er nog onvoldoende duidelijkheid.
Tijdens de receptie zegt Sabine du Tertre hierover: “Velen luisteren niet, ze willen slechts horen wat ze graag willen horen. En dat beperkt zich bij de meesten tot minder werk voor een hoger loon!”
Alexander ziet dat enkele omstanders de wenkbrauwen fronsen. Hoe durft zij dat te zeggen. Zij werken hard en graag.
“Het is ons om de kinderen te doen, om hun opvoeding en hun toekomst!”
De directeur die deze opmerking maakt, krijgt van Sabine slechts een meewarige glimlach.
Bij het naar huis rijden vraagt Alexander waarom sommigen niet zo opgezet waren met de toespraak.
“Och, Alexander,” antwoordt Sabine, “ik ben dat gewoon, mensen keren zich tegen verandering, ze vragen zich niet af of die verandering een verbetering zou kunnen zijn. Dit geldt niet alleen voor het onderwijs, mensen zetten zich altijd en overal af tegen vernieuwing.”
Toen zij in de vooravond Burghgraeveveld naderen, zien zij Louis Vanthuyne uit de tegengestelde richting komen aangereden. Hij zwaait hen met de karwats uitbundig toe.
Het valt Sabine op dat elke keer dat Alexander thuiskomt, Louis hartelijker is en er alles aan doet om hun verstoorde relatie te verbergen voor zijn zoon.
Voor Alexander maakt het niet veel uit: hij hoort ze vaak redetwisten en hij heeft zijn vader al menige keer dronken gezien of hem in de vroege uurtjes horen thuiskomen. Toch heeft hij zijn vader graag. Ze kunnen honderduit praten over de paarden, de tuin en alles waarvoor Alexander zich interesseert. Nooit vraagt Louis Vanthuyne naar de schoolresultaten van zijn zoon.
“Het belangrijkste is dat Alexander zich goed in zijn vel voelt.”
Alexander Vanthuyne, 12 jaar, is in zijn nopjes maar ook zenuwachtig. Zijn mama zal namens de minister aanwezig zijn op het schoolfeest. Hij heeft het vernomen van zijn klastitularis en de dag daarop wordt hij ‘s namiddags bij de directeur ontboden.
De directeur is heel vriendelijk. Alexander mag plaatsnemen in de zetel naast hem.
“Uw mama komt volgende week zaterdag naar ons schoolfeest, Alexander. Wilt u haar vrijdag zeggen dat ik heel vereerd ben met haar komst?”
Van zijn bureau neemt hij een map met het logo van de school opgedrukt en geeft ze aan Alexander:: “Het kabinet vroeg een beetje informatie over ons feest, jongen, en over de geschiedenis van de school. Uw mama zal die info kunnen gebruiken voor de toespraak van de minister.”
Alexander kijkt verwonderd op: “Houdt mama de toespraak, mijnheer de directeur?”
“Ja natuurlijk, Alexander, zij komt toch in de plaats van de minister.”
Op die bewuste zaterdagnamiddag zit Alexander naast zijn moeder op de eerste rij bij de directeurs, enkele mensen van het gemeentebestuur en andere prominenten. Na het welkomstwoord van de directeur en een saaie toespraak door de voorzitter van de Vriendenkring is het de beurt aan “mevrouw Du Tertre, adjunct-kabinetschef, die minister Vanderweyden vervangt”. Traag gaat Sabine het trapje op naar het spreekgestoelte. In een zwarte jurk met korte mouwen. Alexander kijkt met een trotse blik achter zich de zaal in op zoek naar klasgenoten en hun ouders.
Sabine du Tertre stelt zich in haar betoog drie vragen: “Welke inhoudelijke verwachtingen worden aan het onderwijs vandaag en morgen gesteld? Welke budgettaire inspanningen is de gemeenschap bereid te doen voor dat onderwijs? Kan het onderwijs zichzelf loswerken uit de vastgeroeste, traditionele ideeën die zijn ontstaan onder druk van enerzijds een strak centralistisch en bureaucratisch concept en anderzijds een ideologisch-filosofische bipolariteit?”
De zaal gaat op het puntje van de stoel zitten en luistert aandachtig. De meeste toehoorders beseffen dat wat de adjunct-kabinetschef zal zeggen van belang zal zijn bij het breed maatschappelijk debat over de hervormingen binnen het onderwijs.
“Sommigen zijn van mening dat er te veel en te snel wordt veranderd. Maar, dames en heren, ik zeg u: wie denkt dat in het onderwijs een idyllische rust zal heersen, vergist zich deerlijk.”
Hierna heeft Sabine du Tertre het over deregulering, autonomie voor de scholen, duidelijkheid in de relatie overheid versus scholen en inrichtende machten.
Zij besluit: “Het is een jammerlijk misverstand te menen dat de minister de eigenheid van de school wil aantasten. Niets is minder waar. Het beleid is een voorstander van geprofileerde scholen. De indruk bestaat eveneens dat alles in het onderwijs te snel gaat. Toch lijkt niet de snelheid het probleem te zijn, maar de weg en het doel.”
Op het einde van haar toespraak is het applaus gematigd, de aanwezigen zijn het blijkbaar niet met alles eens. Vooral voor de leerkrachten is er nog onvoldoende duidelijkheid.
Tijdens de receptie zegt Sabine du Tertre hierover: “Velen luisteren niet, ze willen slechts horen wat ze graag willen horen. En dat beperkt zich bij de meesten tot minder werk voor een hoger loon!”
Alexander ziet dat enkele omstanders de wenkbrauwen fronsen. Hoe durft zij dat te zeggen. Zij werken hard en graag.
“Het is ons om de kinderen te doen, om hun opvoeding en hun toekomst!”
De directeur die deze opmerking maakt, krijgt van Sabine slechts een meewarige glimlach.
Bij het naar huis rijden vraagt Alexander waarom sommigen niet zo opgezet waren met de toespraak.
“Och, Alexander,” antwoordt Sabine, “ik ben dat gewoon, mensen keren zich tegen verandering, ze vragen zich niet af of die verandering een verbetering zou kunnen zijn. Dit geldt niet alleen voor het onderwijs, mensen zetten zich altijd en overal af tegen vernieuwing.”
Toen zij in de vooravond Burghgraeveveld naderen, zien zij Louis Vanthuyne uit de tegengestelde richting komen aangereden. Hij zwaait hen met de karwats uitbundig toe.
Het valt Sabine op dat elke keer dat Alexander thuiskomt, Louis hartelijker is en er alles aan doet om hun verstoorde relatie te verbergen voor zijn zoon.
Voor Alexander maakt het niet veel uit: hij hoort ze vaak redetwisten en hij heeft zijn vader al menige keer dronken gezien of hem in de vroege uurtjes horen thuiskomen. Toch heeft hij zijn vader graag. Ze kunnen honderduit praten over de paarden, de tuin en alles waarvoor Alexander zich interesseert. Nooit vraagt Louis Vanthuyne naar de schoolresultaten van zijn zoon.
“Het belangrijkste is dat Alexander zich goed in zijn vel voelt.”
Een winters verhaal met uitsluitend vraagtekens!
Wat verwachten mannen en vrouwen van elkaar? Valt dat te rijmen? Bestaat er zoiets als een ideale relatie? Heeft een huwelijk iets van een fusie tussen twee bedrijven?
Verkiezen vrouwen een man die een hoger loon heeft dan zijzelf? Voelen ze zich in hun huwelijk beter naarmate hun man wat ouder en hoger opgeleid is? Stijgt de levensvreugde van hun mannen als hun partner wat jonger is?
Gooien mannen met geld hoge ogen? Verlangen mannen met een hoog inkomen meer seks? Hebben zij er ook meer? Komen vrouwen met een hoog inkomen minder aan hun trekken? Verzamelen mannen inkomsten om vrouwen aan te trekken? Zijn na ruim een eeuw van feministische strijd de verwachtingen van man en vrouw nog altijd op elkaar afgestemd: willen mannen de rijkste zijn, willen vrouwen de rijkste hebben?
Willen vrouwen dat hun man gevoel voor humor heeft, dat hij eerlijk is en intelligent? Heeft, hoe hij er uitziet, niet het minste belang? Zijn mannen effectief een stuk eerlijker dan vrouwen? Willen zij hun leven delen met een knappe vrouw, met een mooie gezicht? Verwachten mannen dat ze kunnen trouwen met de meest sexy vrouw op aarde? Willen vrouwen de knapste man van het heelal? Mag hij zich echter van zijn schoonheid bewust zijn?
Zijn de verwachtingen bij vrouwen erg traditioneel? Samengevat: wil hij meer seks, meer partners, minder emotionele toestanden? Wil zij dat niet? Keren de verlangens bij rijpere singles? Kijken vrouwen boven de vijftig vooral uit naar seks en romantiek bij hun partner? Zoeken mannen door hun dalend testosterongehalte veeleer naar germeenschappelijke interesses?
Maken slimme meisjes mannen bang? Hoe slimmer de mannen, hoe groter de kans op een huwelijk? Wenst een vaak uithuizige kerel met een hoog IQ een ouderwetse vrouw die het huishouden bestiert? Waar moeten wij naartoe met die slimme vrouwen? Willen mannen niet alleen een geletterde vrouw, maar ook een vrouw die met hun grapjes kan lachen? Vindt het ideale huwelijk plaats tussen een dappere man (die zijn angst in de ogen kijkt) en een vrouw die haar best doet om met zijn (flauwe) grapjes te lachen?
Bestaat ze nog, de echtgenote, die kwistig strooit met onbaatzuchtige hulp? Verwachten mannen alvast van wel? Of willen vrouwen scheiden als hun man geen poot uitsteekt in het huishouden? Zijn vrouwen die wél willen poetsen erg gegeerd? Is de ideale vrouw een vrouw met poetshulp? Is de ideale man een man die nooit hemden draagt? Of een vrouw die zo groot is dat ze over de rommel heen kan kijken? Of een man die nooit thuis is?
Moet een man aardig zijn? Of moet hij juist stoer doen? Moet een vrouw daar begrip voor opbrengen? Of scoort ze veeleer met sexappeal en pit? Willen vrouwen een man met een minimum aan empathie? Willen vrouwen vooral een stoere man die hen beschermt en zich bezighoudt met klassiek mannelijke taken? Verlangen mannen naar vertrouwen, harmonie en communicatie? Spelen vrouwen in op de jagerskwaliteiten van de mannen? Lopen zij borst vooruit, op hoge hakken, volle lippen om hem uit te dagen? Moet een vrouw verleidelijk en sterk zijn?
Is de ideale man een neanderthaler die wel eens een boek leest? Zijn zowel mannen als vrouwen op zoek naar een betere communicatie?
Trek ik de juiste conclusie als ik schrijf dat mannen de rijkste willen zijn en dat vrouwen de rijkste willen hebben? Willen mannen meer diploma’s dan hun partner? Willen ze ook écht een geliefde die slim genoeg is om hun grapjes te waarderen?
Georges de Courmayeur
Verkiezen vrouwen een man die een hoger loon heeft dan zijzelf? Voelen ze zich in hun huwelijk beter naarmate hun man wat ouder en hoger opgeleid is? Stijgt de levensvreugde van hun mannen als hun partner wat jonger is?
Gooien mannen met geld hoge ogen? Verlangen mannen met een hoog inkomen meer seks? Hebben zij er ook meer? Komen vrouwen met een hoog inkomen minder aan hun trekken? Verzamelen mannen inkomsten om vrouwen aan te trekken? Zijn na ruim een eeuw van feministische strijd de verwachtingen van man en vrouw nog altijd op elkaar afgestemd: willen mannen de rijkste zijn, willen vrouwen de rijkste hebben?
Willen vrouwen dat hun man gevoel voor humor heeft, dat hij eerlijk is en intelligent? Heeft, hoe hij er uitziet, niet het minste belang? Zijn mannen effectief een stuk eerlijker dan vrouwen? Willen zij hun leven delen met een knappe vrouw, met een mooie gezicht? Verwachten mannen dat ze kunnen trouwen met de meest sexy vrouw op aarde? Willen vrouwen de knapste man van het heelal? Mag hij zich echter van zijn schoonheid bewust zijn?
Zijn de verwachtingen bij vrouwen erg traditioneel? Samengevat: wil hij meer seks, meer partners, minder emotionele toestanden? Wil zij dat niet? Keren de verlangens bij rijpere singles? Kijken vrouwen boven de vijftig vooral uit naar seks en romantiek bij hun partner? Zoeken mannen door hun dalend testosterongehalte veeleer naar germeenschappelijke interesses?
Maken slimme meisjes mannen bang? Hoe slimmer de mannen, hoe groter de kans op een huwelijk? Wenst een vaak uithuizige kerel met een hoog IQ een ouderwetse vrouw die het huishouden bestiert? Waar moeten wij naartoe met die slimme vrouwen? Willen mannen niet alleen een geletterde vrouw, maar ook een vrouw die met hun grapjes kan lachen? Vindt het ideale huwelijk plaats tussen een dappere man (die zijn angst in de ogen kijkt) en een vrouw die haar best doet om met zijn (flauwe) grapjes te lachen?
Bestaat ze nog, de echtgenote, die kwistig strooit met onbaatzuchtige hulp? Verwachten mannen alvast van wel? Of willen vrouwen scheiden als hun man geen poot uitsteekt in het huishouden? Zijn vrouwen die wél willen poetsen erg gegeerd? Is de ideale vrouw een vrouw met poetshulp? Is de ideale man een man die nooit hemden draagt? Of een vrouw die zo groot is dat ze over de rommel heen kan kijken? Of een man die nooit thuis is?
Moet een man aardig zijn? Of moet hij juist stoer doen? Moet een vrouw daar begrip voor opbrengen? Of scoort ze veeleer met sexappeal en pit? Willen vrouwen een man met een minimum aan empathie? Willen vrouwen vooral een stoere man die hen beschermt en zich bezighoudt met klassiek mannelijke taken? Verlangen mannen naar vertrouwen, harmonie en communicatie? Spelen vrouwen in op de jagerskwaliteiten van de mannen? Lopen zij borst vooruit, op hoge hakken, volle lippen om hem uit te dagen? Moet een vrouw verleidelijk en sterk zijn?
Is de ideale man een neanderthaler die wel eens een boek leest? Zijn zowel mannen als vrouwen op zoek naar een betere communicatie?
Trek ik de juiste conclusie als ik schrijf dat mannen de rijkste willen zijn en dat vrouwen de rijkste willen hebben? Willen mannen meer diploma’s dan hun partner? Willen ze ook écht een geliefde die slim genoeg is om hun grapjes te waarderen?
Georges de Courmayeur
Politici? Werk aan de winkel!
Waar moeten de politici de komende jaren naar streven? Opgelet, één antwoord is zeker niet geldig: eigenbelang en geldgewin.
De generatie na mijn generatie (ik ben geboren in 1940) is vaak kleurloos opgegroeid, weliswaar degelijk opgeleid, maar sceptisch, ironisch en cynisch. Toewijding en overgave zijn niet haar sterkste troeven. Nochtans is er genoeg onrecht en misère in de wereld. De armoede berooft nog altijd miljoenen bewoners van van onze planeet van een menswaardig leven. Het geweld woedt wereldwijd in verschillende gedaanten: oorlogen en gewapende conflicten, maar ook agressie tegen weerlozen op straat en in het gezin. Ook in eigen land, gemeenschap, stad of dorp.
Het lijkt misschien wat overtrokken, maar de komende jaren moeten de politci streven naar het behoud van onze democratie. De groeiende verrechtsing en de marginalisering van mensen “die anders lijken”, is een gevaarlijke voedingsbodem voor fascisme. Met spijt in het hart hoor ik “burgers” racistische praat verkondigen op het werk en aan de toog.
Ik pleit in de eerste plaats voor meer begrip voor onszelf, als biologische soort. Iedereen moet in zijn eigen taal, religie en cultuur kunnen blijven leven. Bovendien leeft de mens niet alleen in een maatschappelijke, maar ook in een natuurlijke context. We mogen niet vergeten respect op te brengen voor de natuur. Wij moeten streven naar zindelijk en wetenschappelijk verantwoord denken, persoonlijke zelfbeschikking en zelfverwezenlijking, gelijkheid en welvaart.
Wij moeten overleven. Dit is geen boutade. We moeten erover waken dat ons samenlevingsmodel niet “in rook opgaat”. We moeten misschien ons tijdgebruik opnieuw bekijken. De nadruk moet meer op kwaliteit en creativiteit van het werk komen te liggen dan op kwantiteit en het aantal gepresteerde uren. Jongeren zouden om de vijf jaar bijvoorbeeld een sabbatjaar kunnen inlassen, om te reizen, of gewoon om te profiteren van het leven. Daardoor zou de druk op de jongere generaties al wat kleiner worden – er zijn per slot van rekening ook steeds minder jongeren, wat nog een reden is waarom dit op termijn niet houdbaar is. Een ander werkritme en het inlassen van rustperiodes voor wie jong is, doet de noodzaak om op vijftig met pensioen te gaan misschien stilaan verdwijnen. Anderzijds hoeven wij, zestigers, niet noodzakelijk op te houden met werken, zij het met een ander ritme dan wat we nu kennen. Nietsdoen is eigenlijk een luxe die we ons niet kunnen permitteren. Er is altijd werk aan de winkel. Samen, jong en oud, wie en waar ook, moeten wij werken aan het in stand houden van de sociaal-democratie.
Om dat te kunnen moeten de politici niet rondlopen als kiekens zonder kop, van de ene ruif naar de andere, om een kortstondig gevoel van geluk, om hun ongeduld te ventileren, neen, zij moeten hun zelfvertrouwen bewaren en versterken. We zijn met z’n allen gedesoriënteerd en geloven kennelijk niet meer in de mogelijkheid van de mens om zijn eigen lot in handen te nemen en onder controle te krijgen. Dat zelfvertrouwen, dat geloof in het idee van menselijke vooruitgang, moet worden hersteld. Hoe doen wij dit? Aan de ene kant moeten wij het humanisme opnieuw humaniseren, onze stem moet worden gehoord in het maatschappelijk debat. Maar aan de andere kant moet ook de overheid inspanningen doen om zich minder te bemoeien met ons privé leven en minder wetten en wetjes uit te vaardigen als een teken van wantrouwen.
De veranderingen op geografisch, sociaal, economisch en cultureel vlak zijn indrukwerkkend. Denk aan de ontwikkeling van de wetenschap en de techniek, de ecologische rampen, de vluchtelingen, de economische afhankelijkheid tussen landen onderling. De bewegingsruimte van politici is beperkt en de machteloosheid van de politiek neemt toe. Is het daarom dat onze politci hun toevlucht nemen tot pep- en pretpolitiek in de marge? Ik durf het schrijven: politiek is de techniek geworden om in het zadel te blijven. Politiek is niet langer de kunst om mensen te bewegen of te motiveren, maar de behendigheid om te beheren of te besturen. Wanneer macht niet veel meer dan schijn is, wordt politiek schijnheilig en worden mensen bang.
Herren en dames politici, streef ernaar dat politiek opnieuw politiek wordt. Geen poppenkast van experts en technici die van alles weten, maar een strijdtoneel van verstandige politici die van alles willen. Doe wat in jullie macht en mogelijkheid ligt om het vertrouwen van je kiezers niet te beschamen. Doe geen beloften die je toch niet (meer) kunt houden, maar span je “in het zweet uws aanschijns” in om uit je beperktheden het maximum maximorum te halen ten bate van de mens.. Geef iedereen, zowel de kunstenaar als de coureur, een inkomen als hun muze daarmee kan leven en zij duizenden kunnen beroeren en ontroeren. Laten wij samen op de bres staan!
Joris Dewolf
De generatie na mijn generatie (ik ben geboren in 1940) is vaak kleurloos opgegroeid, weliswaar degelijk opgeleid, maar sceptisch, ironisch en cynisch. Toewijding en overgave zijn niet haar sterkste troeven. Nochtans is er genoeg onrecht en misère in de wereld. De armoede berooft nog altijd miljoenen bewoners van van onze planeet van een menswaardig leven. Het geweld woedt wereldwijd in verschillende gedaanten: oorlogen en gewapende conflicten, maar ook agressie tegen weerlozen op straat en in het gezin. Ook in eigen land, gemeenschap, stad of dorp.
Het lijkt misschien wat overtrokken, maar de komende jaren moeten de politci streven naar het behoud van onze democratie. De groeiende verrechtsing en de marginalisering van mensen “die anders lijken”, is een gevaarlijke voedingsbodem voor fascisme. Met spijt in het hart hoor ik “burgers” racistische praat verkondigen op het werk en aan de toog.
Ik pleit in de eerste plaats voor meer begrip voor onszelf, als biologische soort. Iedereen moet in zijn eigen taal, religie en cultuur kunnen blijven leven. Bovendien leeft de mens niet alleen in een maatschappelijke, maar ook in een natuurlijke context. We mogen niet vergeten respect op te brengen voor de natuur. Wij moeten streven naar zindelijk en wetenschappelijk verantwoord denken, persoonlijke zelfbeschikking en zelfverwezenlijking, gelijkheid en welvaart.
Wij moeten overleven. Dit is geen boutade. We moeten erover waken dat ons samenlevingsmodel niet “in rook opgaat”. We moeten misschien ons tijdgebruik opnieuw bekijken. De nadruk moet meer op kwaliteit en creativiteit van het werk komen te liggen dan op kwantiteit en het aantal gepresteerde uren. Jongeren zouden om de vijf jaar bijvoorbeeld een sabbatjaar kunnen inlassen, om te reizen, of gewoon om te profiteren van het leven. Daardoor zou de druk op de jongere generaties al wat kleiner worden – er zijn per slot van rekening ook steeds minder jongeren, wat nog een reden is waarom dit op termijn niet houdbaar is. Een ander werkritme en het inlassen van rustperiodes voor wie jong is, doet de noodzaak om op vijftig met pensioen te gaan misschien stilaan verdwijnen. Anderzijds hoeven wij, zestigers, niet noodzakelijk op te houden met werken, zij het met een ander ritme dan wat we nu kennen. Nietsdoen is eigenlijk een luxe die we ons niet kunnen permitteren. Er is altijd werk aan de winkel. Samen, jong en oud, wie en waar ook, moeten wij werken aan het in stand houden van de sociaal-democratie.
Om dat te kunnen moeten de politici niet rondlopen als kiekens zonder kop, van de ene ruif naar de andere, om een kortstondig gevoel van geluk, om hun ongeduld te ventileren, neen, zij moeten hun zelfvertrouwen bewaren en versterken. We zijn met z’n allen gedesoriënteerd en geloven kennelijk niet meer in de mogelijkheid van de mens om zijn eigen lot in handen te nemen en onder controle te krijgen. Dat zelfvertrouwen, dat geloof in het idee van menselijke vooruitgang, moet worden hersteld. Hoe doen wij dit? Aan de ene kant moeten wij het humanisme opnieuw humaniseren, onze stem moet worden gehoord in het maatschappelijk debat. Maar aan de andere kant moet ook de overheid inspanningen doen om zich minder te bemoeien met ons privé leven en minder wetten en wetjes uit te vaardigen als een teken van wantrouwen.
De veranderingen op geografisch, sociaal, economisch en cultureel vlak zijn indrukwerkkend. Denk aan de ontwikkeling van de wetenschap en de techniek, de ecologische rampen, de vluchtelingen, de economische afhankelijkheid tussen landen onderling. De bewegingsruimte van politici is beperkt en de machteloosheid van de politiek neemt toe. Is het daarom dat onze politci hun toevlucht nemen tot pep- en pretpolitiek in de marge? Ik durf het schrijven: politiek is de techniek geworden om in het zadel te blijven. Politiek is niet langer de kunst om mensen te bewegen of te motiveren, maar de behendigheid om te beheren of te besturen. Wanneer macht niet veel meer dan schijn is, wordt politiek schijnheilig en worden mensen bang.
Herren en dames politici, streef ernaar dat politiek opnieuw politiek wordt. Geen poppenkast van experts en technici die van alles weten, maar een strijdtoneel van verstandige politici die van alles willen. Doe wat in jullie macht en mogelijkheid ligt om het vertrouwen van je kiezers niet te beschamen. Doe geen beloften die je toch niet (meer) kunt houden, maar span je “in het zweet uws aanschijns” in om uit je beperktheden het maximum maximorum te halen ten bate van de mens.. Geef iedereen, zowel de kunstenaar als de coureur, een inkomen als hun muze daarmee kan leven en zij duizenden kunnen beroeren en ontroeren. Laten wij samen op de bres staan!
Joris Dewolf
Eric Rosseel
de rerum natura
ze spreken over de natuur
wetten die ons ervan scheiden
opwarmt en wij die in hart en nieren
afkoelen nooit meer zullen ontdooien
dwergen die nooit boven zich uitgroeien
paddenstoelen en paardenbloemen
die geel kleuren als de avond valt
wanneer ik me uitstrek in vochtig gras
en heliotropen die hun blaadjes sluiten
maar ik die niet meer thuis hoor
een reus omringd door maagden
ik spreek over de Natuur
die binnen noch buiten is
de regen tussen mij en paraplu
en ik leg me neer
en ik verhef me
ik die geen dwerg noch heliotroop ben
en nooit in de avond blaadjes sluit
mijn naam die mijn Natuur niet is
maar voetstappen in een nacht
bewaakt door blauw op straat
en door u die me verkoopt
op de rommelmarkt
u die geen Natuur meer is
het zelf ook niet weet
misschien nog eens zingt
en op verjaardagen telegrammen verzendt
de dwerg die tussen paardenbloemen
adem haalt
en op paddenstoelen
schunnige boekjes aan vrouwen brengt
(2o december 2007; 7u50)
Eric Rosseel
ummagumma
bij de kleinste aardbeving
koelt het kleinste hart de kleinste hersens
bij de grootste aardbeving ooit
zullen de grootste harten
de grootste hersenen koelen
laat ze maar de stoottroepen
van het ISS terugroepen
met hun zicht op zee
en op het bazenwee
kleine soorten komen
de toekomsthal binnen
barbaars zeggen ze een ieder
een onvertaald goedendag
trakteren ons op chileense wijnen
apennootjes
de linkerhelft die vergrijst
u had meer moeten spreken
niet steeds hetzelfde liedje zingen
de vlaamsche leeuw
mia in het nederlands
of ik hou van u ik hou van u
op avonden waar straks
weer kaarsen branden
en de huisdieren buiten overnachten
als de aardbevingen aller landen
zich verenigen in u
we klaar staan om in hades
bodemloze vaten eeuwig te vullen
en rotsen tegen de berg optillen
tot sisyphus syfilis en
vliegende diarree opdoet
en ik aan de ingang
wacht op wat
ik doen komen zal
wacht en wacht met spaanse vliegen in mijn tas
violen zonder merknaam
zich zonder toestemming stemmen
en het weefgetouw al evenzeer
penelope naar troje trekt
de rekening verheft
ik kijk ernaar
neem er een foto van
neem er nog een foto van
- het is heerlijk toeven in hades
(20 december 2007)
Eric Rosseel
ze spreken over de natuur
wetten die ons ervan scheiden
opwarmt en wij die in hart en nieren
afkoelen nooit meer zullen ontdooien
dwergen die nooit boven zich uitgroeien
paddenstoelen en paardenbloemen
die geel kleuren als de avond valt
wanneer ik me uitstrek in vochtig gras
en heliotropen die hun blaadjes sluiten
maar ik die niet meer thuis hoor
een reus omringd door maagden
ik spreek over de Natuur
die binnen noch buiten is
de regen tussen mij en paraplu
en ik leg me neer
en ik verhef me
ik die geen dwerg noch heliotroop ben
en nooit in de avond blaadjes sluit
mijn naam die mijn Natuur niet is
maar voetstappen in een nacht
bewaakt door blauw op straat
en door u die me verkoopt
op de rommelmarkt
u die geen Natuur meer is
het zelf ook niet weet
misschien nog eens zingt
en op verjaardagen telegrammen verzendt
de dwerg die tussen paardenbloemen
adem haalt
en op paddenstoelen
schunnige boekjes aan vrouwen brengt
(2o december 2007; 7u50)
Eric Rosseel
ummagumma
bij de kleinste aardbeving
koelt het kleinste hart de kleinste hersens
bij de grootste aardbeving ooit
zullen de grootste harten
de grootste hersenen koelen
laat ze maar de stoottroepen
van het ISS terugroepen
met hun zicht op zee
en op het bazenwee
kleine soorten komen
de toekomsthal binnen
barbaars zeggen ze een ieder
een onvertaald goedendag
trakteren ons op chileense wijnen
apennootjes
de linkerhelft die vergrijst
u had meer moeten spreken
niet steeds hetzelfde liedje zingen
de vlaamsche leeuw
mia in het nederlands
of ik hou van u ik hou van u
op avonden waar straks
weer kaarsen branden
en de huisdieren buiten overnachten
als de aardbevingen aller landen
zich verenigen in u
we klaar staan om in hades
bodemloze vaten eeuwig te vullen
en rotsen tegen de berg optillen
tot sisyphus syfilis en
vliegende diarree opdoet
en ik aan de ingang
wacht op wat
ik doen komen zal
wacht en wacht met spaanse vliegen in mijn tas
violen zonder merknaam
zich zonder toestemming stemmen
en het weefgetouw al evenzeer
penelope naar troje trekt
de rekening verheft
ik kijk ernaar
neem er een foto van
neem er nog een foto van
- het is heerlijk toeven in hades
(20 december 2007)
Eric Rosseel
19 december 2007
"Eindterm" (2002) - debuutroman Thierry Deleu - hoofdstuk 8
8
Ondanks het feit dat Joris Dekunst niet al te hoog opliep met de socialisten, was hij toch verheugd dat Sabine du Tertre mocht terugkeren op haar stoel van directeur secundair onderwijs. De korte verwijdering had beide toch dichter bij elkaar gebracht.
Als Dekunst op het kabinet kwam, - en dat gebeurde frequent -, wandelde hij altijd haar bureau binnen voor een praatje. Zij bleef een van zijn medewerkers, hij was haar baas. Tijdens de lange en moeizame onderhandelingen over de overheveling van de onderwijsbevoegdheden naar de Gemeenschappen zat Sabine een paar keer naast Dekunst aan de onderhandelingstafel. Ook tijdens de technische vergaderingen was zij er soms bij. Aan de andere kant van de tafel zaten afgevaardigden van de netten, de vakbonden, de Franstalige onderwijsspecialisten. Joris Dekunst zag iets in Sabine. Zij was vastberaden, ijverig, ze had verbale klasse, ambitie. Maar vooral vond hij ze onweerstaanbaar knap en hij wierp meer dan eens zijn hengel uit. Du Tertre was niet ongevoelig voor zijn avances, maar zij hield de boot vooralsnog af. Eerst wilde ze weten wat ze voor een “ja” in de plaats zou krijgen. Kort daarop werd zij met een opdracht voor een jaar naar Haarlem gestuurd.
Na de staatshervorming van 1989 trekken zij vaker met elkaar op, naar internationale congressen, seminaries, studiereizen. In haar nieuwe functie van afdelingshoofd ontmoet ze op het kabinet opnieuw Jacques Brusselmans wiens invloed erg is toegenomen, vooral bij de besluitvorming in het secundair onderwijs. Hij is de vertrouweling van de minister geworden. Peter Deforge werkt voor Brusselmans. Hij schrijft toespraken voor de minister of voor Brusselmans die heel vaak de minister vertegenwoordigt. Ook het aanstellen en benoemen van inspectieleden komt op zijn desk terecht. Bovendien behandelt hij dossiers binnen het dienstbetoon van de minister. Deforge ziet Sabine du Tertre op het kabinet en heel dikwijls bij Brusselmans. Eerst vindt hij haar hautain, een typetje dat wel graag complimentjes krijgt maar niet uitblinkt in het geven van schouderklopjes. Later ervaart hij dat Sabine du Tertre die houding aannneemt uit voorzichtigheid. Hoe vertrouwelijker je in de omgang wordt, hoe groter de kans bestaat dat er moeilijke of lastige vragen worden gesteld. Du Tertre wil, goed voorbereid, alle vragen tot in de bijzonderheden kunnen beantwoorden. Deforge, een joviale man, doet alsof hij die afstand niet gewaar wordt en blijft vriendelijk. Wanneer hij haar uit een benarde situatie redt - zij had een leugen verzonnen om een avondvergadering met de minister te ontlopen - worden zij vrienden.
Sabine du Tertre toont zich de perfecte onderhandelaar met het kabinet en de inrichtende machten. Ze mag veel reizen en kan haar talenkennis vaak ten dienste stellen van ministers en haar oversten op de administratie. Ze heeft de kalmte van de zelfverzekerde technicus over zich en de bescheidenheid van de begaafden.
Ze vindt in die periode ook wat tijd om een oude passie opnieuw op te nemen: schrijven. Onder het pseudoniem Hélène Vanbrabant schrijft ze haar eerste en enige roman: Alter ego. Chris Herman is een Brusselse die na een ongelukkig huwelijk in de buurt van Etaimbourg komt wonen, vermomd als man. De travestierol van het hoofdpersonage leidt tot vreemde scènes. Na vele avonden van eenzaamheid zet “mijnheer” Herman een stapje in de wereld. In 33 korte stukjes wordt het verloop van dit tragisch bestaan getekend, tot aan de moeizaam bevochten loutering en het afscheid van het leven.
In sommige passages kijkt Sabine du Tertre alias Hélène Vanbrabant ook terug op haar eigen loopbaan: een aantal scènes spelen zich af in Brussel, Kortrijk, Haarlem, en andere gaan over Cuba, Oekraïne, waar ze op studiereis ging, in het zog van de minister. Ook klapt zij nogal uit de biecht over het leven op een kabinet.
Het boek wordt uitgegeven door “De Mantel” in Antwerpen, een Vlaams filiaal van het Nederlandse “Elseviria”. De literatuurrecensenten onthalen het werk met enige reserve. De schrijfster heeft zich nogal geïnspireerd op het werk van De Pillecyn en bovendien mist de roman actie en psychologische analyse. Zij krijgt echter krediet: de critici verwachten nu werk van langere adem, met een grotere bezetting, een groter draagvlak ook en origineler van concept en uitwerking.
Joris Dekunst grijpt elke gelegenheid te baat om de roman te promoten. Zelfs op infosessies met de onderwijswereld maakt hij allusie op de roman. Hij vindt het boek zonder meer een geslaagd debuut.
Met bevriende kunstenaars uit haar jeugd -de mensen van Amaryllis - heeft ze inmiddels geen contact meer. Die hebben inmiddels vernomen dat ze in de administratie en de politiek is verzeild geraakt. Ze moeten erom lachen. Eigenlijk kunnen ze het niet goed begrijpen. Een vreemde combinatie: Sabine (zoals zij haar hebben gekend), Louis Vanthuyne en de socialisten.
Piet Tersmidse die meer op café zit dan thuis en reeds tien jaar niets meer in boekvorm heeft gepubliceerd, zegt in “De Schuur” aan zijn vriend-kunstschilder Willem Hals: “Sabine is in contact gekomen met mensen die veel belangrijker zijn dan wij. Elke stap die ze zet, is een stap vooruit. Ze is een winner. Ik had graag wat van haar ambitie in mij gehad.”
Sabine du Tertre kent echter in die beginjaren ’80 ook affectieve tegenslag. Sedert de geboorte van Alexander heeft ze een relatie aangegaan met haar dokter gynaecoloog. Een man die veel ouder is dan zij. Ze zijn elkaar blijven ontmoeten en verliefd geworden. Sabine heeft een flat gehuurd in De Panne, met uitzicht op het Kasteelpark, waar zij elkaar geregeld ontmoeten.
Aan Micha, haar joodse vriendin, zegt ze vertwijfeld: “Hoe moet ik uitleggen dat ik van twee mannen tegelijk hou? Ik hou van Louis als mens en als vader van Alexander. Ik hou van zijn groot hart en van zijn dédain voor de bourgeoisie. Roland hecht meer belang aan zijn status. Hij komt ook zelfverzekerder over en toch blijft hij bescheiden. Hoe moet het verder? Ik wil Louis en Alexander niet verlaten. Roland zal zijn vrouw niet verlaten.”
Wanneer Roland Vandeginste halfweg december 1980 ernstig ziek wordt, gaat Sabine door een hel. Het droevige bericht van zijn dood verneemt ze pas enkele dagen later van een verpleegster. Hij zat dood in zijn zetel, met Dagboek 1966-1974 van Anaïs Nin op zijn schoot en een glas whisky naast hem. Hartstilstand.
“Hij zal geen pijn gevoeld hebben,” zegt zij, “niets wees erop dat hij in paniek was geraakt.”
Het zevende dagboek van Nin had Sabine twee dagen eerder in zijn auto gelegd. Zij had het boek gededicaceerd, met haar initialen SdT: “Jij bent mijn rijkdom!”
Deel zeven van het dagboek van Anaïs Nin voltooit de psychologische tocht van één van de meest opmerkelijke vrouwen uit de twintigste eeuw. Zij was voor velen in de jaren zestig en zeventig een indrukwekkend voorbeeld van zelfbevrijding. In haar streven om uit te stijgen boven de status van de vrouw als uitvinding van de man vond Sabine du Tertre zichzelf terug.
De dag na de begrafenis van Roland gaat ze nog één keer naar haar flat in De Panne. Zij heeft het geregeld dat zij alleen kan zijn dat weekend. Louis vindt het goed.
“Ik ben toch van plan om met de vrienden de winter op stelten te zetten.”
Louis neemt veel vrijheid maar geeft er ook veel aan Sabine die hij op handen draagt. Een goede echtgenoot, maar geen latin lover.
Door de nevel van haar tranen ziet zij hoe zacht het park zich heeft toegedekt met een fijn laagje sneeuw. Uit de schoorsteen van het kasteeltje kringelt witte rook. Twee voorzichtige mensjes schuifelen, gearmd, over het grinten voetpad. Wanneer beneden de winkelbel van de apotheek rinkelt, schrikt Sabine op. Ze rijdt naar het agentschap, verder op de hoek, geeft haar sleutels af en vraagt de verbouwereerde jongeman de afrekening op haar naam te sturen naar het departement Onderwijs.
Zij is 36 en voelt zich diep ongelukkig. Hun relatie heeft bijna twee jaar geduurd. Roland is voor haar een vader geweest en een milde minnaar.
@
Sabine du Tertre had in de jaren ’80 ook nieuwe vrienden gemaakt onder de Vlaamse politici-vrijmetselaars. Wist Dekunst van deze contacten? Hij was een rabiaat christen-democraat, weliswaar uit de CVP-Limburg gezet na zijn echtscheiding, maar toch een papist gebleven die zeer goede relaties had met de Guimardstraat en met toponderhandelaar Vantorhout. Na de dood van Sabine du Tertre waren er geen aanwijzingen dat ze Dekunst hierover in vertrouwen had genomen.
“Zeker hiervan zijn wij echter nooit,” zei Gust Hélice in zijn werkplaats. “Du Tertre was onvoorspelbaar en Dekunst kan zwijgen als een graf.”
Wat hij niet met zoveel woorden zegde, was dat Dekunst de kunst verstond om pas dan zijn troeven op tafel te leggen als hij in een hoek werd geduwd of als hij zijn visie wilde opdringen aan de minister. Wisten de ministers-logebroeders op Onderwijs meer dan ze openlijk toegaven? Tijdens de ondervragingen door het gerecht heeft Dekunst nooit enige allusie op de vrijmetselarij gemaakt. Toch viel het in die periode op dat de vrijzinnigheid zweeg. Ook na zijn veroordeling.
Sabine du Tertre werd gevraagd om een uiteenzetting te komen geven over de gevolgen van de nakende staatshervorming voor het onderwijs in Vlaanderen. Vooral de bezorgdheid van de broeders om het rijksonderwijs had de doorslag gegeven om een niet-maçon op hun maandelijkse bijeenkomsten uit te nodigen. Ze kenden wel de herkomst van Du Tertre: haar grootvader aan moederskant, Carlos Dardenne, was lid geweest van “Les Ours” te Kortrijk en de familie Dardenne telde veel overtuigde vrijzinnigen.
De bijeenkomst vond uitzonderlijk plaats in het Brusselse restaurant “La soeur du patron” aan de Waversesteenweg. ’s Avonds na de theater- en bioscoopvoorstellingen kwam daar een veelzijdig cliënteel samen om met volle teugen te genieten van de verschillende facetten van dit “culinair theater”. Elke dag opnieuw, zowel ’s middags als ’s avonds, trok deze vreemde plaats een allegaartje van klanten aan. De broeders vergaderden in het indrukwekkende atrium waarvan het glazen dak werd opengeschoven en de enorme ramen een mooi uitzicht gaven op de prachtige tuin. Sabine, die zich op haar beurt had geïnformeerd over “De Club” (zo heette het gezelschap), wist van Brusselmans in welk midden zij terecht zou komen. Het deerde haar niet, integendeel: ze aanzag de uitnodiging als een eer en bovendien hield zij van enige geheimzinnigheid. Aan Dekunst zei ze dat ze de heren politici zeker warm zou maken voor een herschikking van de administratie zoals Dekunst ze reeds maanden bij de minister in beeld bracht.
Na de pousse-cafés werd het een gezellige bedoening. De tongen kwamen los. De broeders vertelden honderduit over hun werkplaats, over andere broeders, over de ministers die in de Loge waren, over hun dienstbetoon, over de vrouwen, over hun carrière. Een broeder, die witte wijntjes dronk en haar dialect sprak, stelde voor Sabine als een “invitée permanente” te beschouwen. Toen hij zag dat de anderen de lippen op elkaar hielden, herpakte hij zich met het argument dat er meer dan één infovergadering nodig zou zijn om de onderwijsproblemen onder de knie te krijgen. Waarop de meesten dit beaamden.
Du Tertre ging vier maanden na elkaar naar “De Club”. Na de derde bijeenkomst was het hek helemaal van de dam: de West-Vlaming stelde Sabine voor om toe te treden tot de Loge. Hij had zich geïnformeerd in zijn eigen werkplaats aan de Houtmarkt en na een eerste bevraging kon het licht op groen worden gezet. Du Tertre aarzelde, maar de drang om snel carrière te maken kreeg opnieuw de bovenhand en ze aanvaardde. Het duurde wel nog zes maand vooraleer zij werd ingewijd in de loge “Hedera Helix” in het Oosten Kortrijk.
Op vrijdag 13 januari 1987 ontving zij het licht.
In haar dagboek schrijft ze: “Mijn blik dwaalde tot vooraan en fixeerde zich op het balkon. Op het kleine orgel brandde een leeslamp boven partituur en toetsen. Links ervan ontwaarde ik een half voorovergebogen gestalte. De afstand was te groot voor een betrouwbare waarneming, maar mijn verbeelding zag wat ik niet kon zien: een bleke, slanke man, met een serafijnen gezicht en dunne lippen. Het was de duivel die daarboven een oogje in 't zeil hield.
- Is het ook de duivel die nu op het orgel speelt?
- Wat maakt het uit? Kiest God zijn uitverkorenen niet zelf?
Eén moment dacht ik aan Joris. Hoe zal ik dit voor hem verborgen kunnen houden? Of zal ik open kaart spelen?”
Sabine du Tertre kwam tweemaal naar “Hedera Helix”: de eerste keer bij haar inwijding en de laatste keer voor een bouwstuk van Thijs Glorieux over De Spiegel. Zij was te druk bezig met haar werk en haar carrière. Glorieux die toen senator was en lid van ”De Club” ontmoette ze sporadisch, maar tijd voor meer dan een korte begroeting maakte ze nooit.
@
In juni 1987 kregen de socialisten opnieuw Onderwijs. Minister Vanderweyden wilde haar op zijn kabinet. Ze was een gewiekste onderhandelaar, ze genoot het vertrouwen van de coalitiepartner en ze was bovendien het lief van Dekunst. Vanderweyden zag in Sabine du Tertre de passe-partout voor zijn hervormingen. Maar Du Tertre weigerde het aanbod. Dekunst had het haar afgeraden: als toekomstig afdelingshoofd zou zij veel zwaarder wegen op de onderhandelingen dan als kabinetsmedewerker. Dekunst had natuurlijk ook zijn persoonlijke redenen.
Twee maand later, een paar weken vóór Pasen, stapte Sabine du Tertre het bureau van de minister op de zesde verdieping binnen en bood zich aan om op zijn kabinet te komen werken. Voor Vanderweyden was dit een complete verrassing, een onverwachte wending. Dekunst had hem nog met zekerheid bevestigd dat Sabine du Tertre nooit meer op een kabinet zou komen werken. Hoe kwam het dat Du Tertre zich ineens had bedacht?
De minister vroeg haar om te gaan zitten. Hij riep één van de meisjes van zijn privé-secretariaat en bestelde koffie en thee.
“Rozenbottel,” had zij gezegd.
Toen het meisje opnieuw binnenkwam, gebood de minister haar geen enkele lijn meer door te schakelen.
“Ik ben buitenshuis.”
Voor Sabine du Tertre maakte hij tijd, veel tijd.
Hij zei met omfloerste stem: “Je bent nu directeur en straks afdelingshoofd. Je geniet het volste vertrouwen van je bazen, zeker van Joris Dekunst. Wat kan ik met jou doen? Ben ik niet beter af met jou als zoethouder van de vele christen-democraten op de ambtenarij, om niet te zeggen als zoethouder van Dekunst? Je hebt toch een goede relatie met Joris? Ik houd mij misschien van de domme, maar ik heb ogen in mijn kop.”
Sabine du Tertre glimlachte, schonk de minister koffie in en zette voor haar thee. Zij droeg een ensemble van donker denim, de rok tot net boven de knieën en donkerblauwe kousen. Haar donker acajou haar had zij opgestoken met een zilveren haarspeld.
Toen zij na vier uur praten de minister verliet, waren ze het erover eens dat Sabine als adjunct-kabinetschef zou komen werken tot 1 januari 1989: de dag dat de herschikking van het Onderwijs een feit zou zijn.
Ook Dekunst kon zich met deze regeling verzoenen. Hij wist ook dat protesteren hier niets zou uithalen en met Sabine op het kabinet had hij twee pientere ogen meer.
“Ik krijg van jou altijd alle informatie, Sabine.”
Hij bedoelde: “Vóór de anderen!”
Toen zij aan de receptie voorbijkwam, zag de telefoniste dat zij haar haar had losgeknoopt. De minister had een dikke sigaar opgestoken en trok gulzig de rook in.
Aan de lift hoorde zij hem nog zeggen: “Maandagmorgen, om 9 uur bij mij. Ik stel u persoonlijk aan de anderen voor.”
Aan de onderhandelingstafel ontpopte Sabine du Tertre zich als een keiharde gesprekspartner. Eén keer heeft ze de minister daardoor zelfs in moeilijkheden gebracht. Ze moest met de inrichtende machten tot een vergelijk komen over het aantal regio’s. Zij was het met de minister niet eens wanneer hij beweerde dat deze indeling in regio’s geen consequenties zou hebben voor het personeelsbeleid.
“Mijnheer de minister, u zegt dat wij in het secundair onderwijs het onderwijsaanbod per regio zullen bekijken.”
De minister knikte en Du Tertre vervolgde: “Mijnheer de minister, een hertekening hiervan zal hoe dan ook gevolgen hebben voor de inzetbaarheid, de aanwervingsmogelijkheden en de mobiliteit van het personeel. Indien wij die indeling maken, zullen wij zeker begeleidende maatregelen moeten treffen.”
De minister bromde, zoog aan zijn havanna en gaf toe: “Zo gezien heeft u gelijk, Sabine.”
Gewiekst als hij was, schetste hij nogmaals zijn beleid en sprak van het garanderen van de vrije keuze, het verzekeren van de voorwaarden voor kwaliteitsonderwijs, deregulering en vereenvoudiging van de wetgeving, autonomie en responsabilisering, en de beheersing van het onderwijsbudget.
De kabinetschef die een donderpreek had verwacht en zich nog kleiner had gemaakt dan hij al was, rechtte zich, schonk de minister nog eens in en zei: “Zeker, zeker. Zijn er nog vragen?”
De minister verdween door de deur, op de voet gevolgd door de chef.
De kabinetschef, die de minister was opgedrongen door de Antwerpse SP, beklaagde zich vaak over Sabine du Tertre.
“Met die vrouw valt niet te werken,” klonk het dan bitter.
Maar voor een kabinetschef ging Sabine niet opzij. Ze kon zich vastbijten in een probleem en redeneerde in technische termen; de meeste kabinetsmedewerkers dachten politiek: eerst compromissen sluiten en ze dan pas vertalen in teksten.
Vanderweyden werkte met twee kabinetschefs: enerzijds de officiële en anderzijds Sabine du Tertre. Alleen zij kon zomaar bij hem naar binnen lopen. Begrijpelijk, het zou onverstandig zijn om de adviezen van een specialiste als Du Terte te laten filteren door een secretaresse. Maar het zette veel kwaad bloed. Afgunst. Bij de adviseurs omdat zij zich enigszins verraden voelden door hun minister en bij de receptionisten die zich gepakt voelden in hun charmeoffensief.
Minister Vanderweyden was opgetogen over Sabine du Tertre.
Aan de kabinetschef zei hij: “Ja, ik weet het, haar stijl is niet wat wij gewoon zijn. Maar ze spreekt vlot vier talen en ze heeft een onbezoedelde kijk op de zaken. Bovendien is zij superintelligent en alleen met intelligente mensen kan ik praten."
Mensen van haar soort riepen in die tijd op de rode kabinetten veel weerstand op. Toch was zij er altijd bij als de minister gevoelige kwesties moest trancheren. Dat verklaart trouwens de vlucht die haar carrière vanaf 1989 zou nemen: ze was gewoon een superwoman.
Ondanks het feit dat Joris Dekunst niet al te hoog opliep met de socialisten, was hij toch verheugd dat Sabine du Tertre mocht terugkeren op haar stoel van directeur secundair onderwijs. De korte verwijdering had beide toch dichter bij elkaar gebracht.
Als Dekunst op het kabinet kwam, - en dat gebeurde frequent -, wandelde hij altijd haar bureau binnen voor een praatje. Zij bleef een van zijn medewerkers, hij was haar baas. Tijdens de lange en moeizame onderhandelingen over de overheveling van de onderwijsbevoegdheden naar de Gemeenschappen zat Sabine een paar keer naast Dekunst aan de onderhandelingstafel. Ook tijdens de technische vergaderingen was zij er soms bij. Aan de andere kant van de tafel zaten afgevaardigden van de netten, de vakbonden, de Franstalige onderwijsspecialisten. Joris Dekunst zag iets in Sabine. Zij was vastberaden, ijverig, ze had verbale klasse, ambitie. Maar vooral vond hij ze onweerstaanbaar knap en hij wierp meer dan eens zijn hengel uit. Du Tertre was niet ongevoelig voor zijn avances, maar zij hield de boot vooralsnog af. Eerst wilde ze weten wat ze voor een “ja” in de plaats zou krijgen. Kort daarop werd zij met een opdracht voor een jaar naar Haarlem gestuurd.
Na de staatshervorming van 1989 trekken zij vaker met elkaar op, naar internationale congressen, seminaries, studiereizen. In haar nieuwe functie van afdelingshoofd ontmoet ze op het kabinet opnieuw Jacques Brusselmans wiens invloed erg is toegenomen, vooral bij de besluitvorming in het secundair onderwijs. Hij is de vertrouweling van de minister geworden. Peter Deforge werkt voor Brusselmans. Hij schrijft toespraken voor de minister of voor Brusselmans die heel vaak de minister vertegenwoordigt. Ook het aanstellen en benoemen van inspectieleden komt op zijn desk terecht. Bovendien behandelt hij dossiers binnen het dienstbetoon van de minister. Deforge ziet Sabine du Tertre op het kabinet en heel dikwijls bij Brusselmans. Eerst vindt hij haar hautain, een typetje dat wel graag complimentjes krijgt maar niet uitblinkt in het geven van schouderklopjes. Later ervaart hij dat Sabine du Tertre die houding aannneemt uit voorzichtigheid. Hoe vertrouwelijker je in de omgang wordt, hoe groter de kans bestaat dat er moeilijke of lastige vragen worden gesteld. Du Tertre wil, goed voorbereid, alle vragen tot in de bijzonderheden kunnen beantwoorden. Deforge, een joviale man, doet alsof hij die afstand niet gewaar wordt en blijft vriendelijk. Wanneer hij haar uit een benarde situatie redt - zij had een leugen verzonnen om een avondvergadering met de minister te ontlopen - worden zij vrienden.
Sabine du Tertre toont zich de perfecte onderhandelaar met het kabinet en de inrichtende machten. Ze mag veel reizen en kan haar talenkennis vaak ten dienste stellen van ministers en haar oversten op de administratie. Ze heeft de kalmte van de zelfverzekerde technicus over zich en de bescheidenheid van de begaafden.
Ze vindt in die periode ook wat tijd om een oude passie opnieuw op te nemen: schrijven. Onder het pseudoniem Hélène Vanbrabant schrijft ze haar eerste en enige roman: Alter ego. Chris Herman is een Brusselse die na een ongelukkig huwelijk in de buurt van Etaimbourg komt wonen, vermomd als man. De travestierol van het hoofdpersonage leidt tot vreemde scènes. Na vele avonden van eenzaamheid zet “mijnheer” Herman een stapje in de wereld. In 33 korte stukjes wordt het verloop van dit tragisch bestaan getekend, tot aan de moeizaam bevochten loutering en het afscheid van het leven.
In sommige passages kijkt Sabine du Tertre alias Hélène Vanbrabant ook terug op haar eigen loopbaan: een aantal scènes spelen zich af in Brussel, Kortrijk, Haarlem, en andere gaan over Cuba, Oekraïne, waar ze op studiereis ging, in het zog van de minister. Ook klapt zij nogal uit de biecht over het leven op een kabinet.
Het boek wordt uitgegeven door “De Mantel” in Antwerpen, een Vlaams filiaal van het Nederlandse “Elseviria”. De literatuurrecensenten onthalen het werk met enige reserve. De schrijfster heeft zich nogal geïnspireerd op het werk van De Pillecyn en bovendien mist de roman actie en psychologische analyse. Zij krijgt echter krediet: de critici verwachten nu werk van langere adem, met een grotere bezetting, een groter draagvlak ook en origineler van concept en uitwerking.
Joris Dekunst grijpt elke gelegenheid te baat om de roman te promoten. Zelfs op infosessies met de onderwijswereld maakt hij allusie op de roman. Hij vindt het boek zonder meer een geslaagd debuut.
Met bevriende kunstenaars uit haar jeugd -de mensen van Amaryllis - heeft ze inmiddels geen contact meer. Die hebben inmiddels vernomen dat ze in de administratie en de politiek is verzeild geraakt. Ze moeten erom lachen. Eigenlijk kunnen ze het niet goed begrijpen. Een vreemde combinatie: Sabine (zoals zij haar hebben gekend), Louis Vanthuyne en de socialisten.
Piet Tersmidse die meer op café zit dan thuis en reeds tien jaar niets meer in boekvorm heeft gepubliceerd, zegt in “De Schuur” aan zijn vriend-kunstschilder Willem Hals: “Sabine is in contact gekomen met mensen die veel belangrijker zijn dan wij. Elke stap die ze zet, is een stap vooruit. Ze is een winner. Ik had graag wat van haar ambitie in mij gehad.”
Sabine du Tertre kent echter in die beginjaren ’80 ook affectieve tegenslag. Sedert de geboorte van Alexander heeft ze een relatie aangegaan met haar dokter gynaecoloog. Een man die veel ouder is dan zij. Ze zijn elkaar blijven ontmoeten en verliefd geworden. Sabine heeft een flat gehuurd in De Panne, met uitzicht op het Kasteelpark, waar zij elkaar geregeld ontmoeten.
Aan Micha, haar joodse vriendin, zegt ze vertwijfeld: “Hoe moet ik uitleggen dat ik van twee mannen tegelijk hou? Ik hou van Louis als mens en als vader van Alexander. Ik hou van zijn groot hart en van zijn dédain voor de bourgeoisie. Roland hecht meer belang aan zijn status. Hij komt ook zelfverzekerder over en toch blijft hij bescheiden. Hoe moet het verder? Ik wil Louis en Alexander niet verlaten. Roland zal zijn vrouw niet verlaten.”
Wanneer Roland Vandeginste halfweg december 1980 ernstig ziek wordt, gaat Sabine door een hel. Het droevige bericht van zijn dood verneemt ze pas enkele dagen later van een verpleegster. Hij zat dood in zijn zetel, met Dagboek 1966-1974 van Anaïs Nin op zijn schoot en een glas whisky naast hem. Hartstilstand.
“Hij zal geen pijn gevoeld hebben,” zegt zij, “niets wees erop dat hij in paniek was geraakt.”
Het zevende dagboek van Nin had Sabine twee dagen eerder in zijn auto gelegd. Zij had het boek gededicaceerd, met haar initialen SdT: “Jij bent mijn rijkdom!”
Deel zeven van het dagboek van Anaïs Nin voltooit de psychologische tocht van één van de meest opmerkelijke vrouwen uit de twintigste eeuw. Zij was voor velen in de jaren zestig en zeventig een indrukwekkend voorbeeld van zelfbevrijding. In haar streven om uit te stijgen boven de status van de vrouw als uitvinding van de man vond Sabine du Tertre zichzelf terug.
De dag na de begrafenis van Roland gaat ze nog één keer naar haar flat in De Panne. Zij heeft het geregeld dat zij alleen kan zijn dat weekend. Louis vindt het goed.
“Ik ben toch van plan om met de vrienden de winter op stelten te zetten.”
Louis neemt veel vrijheid maar geeft er ook veel aan Sabine die hij op handen draagt. Een goede echtgenoot, maar geen latin lover.
Door de nevel van haar tranen ziet zij hoe zacht het park zich heeft toegedekt met een fijn laagje sneeuw. Uit de schoorsteen van het kasteeltje kringelt witte rook. Twee voorzichtige mensjes schuifelen, gearmd, over het grinten voetpad. Wanneer beneden de winkelbel van de apotheek rinkelt, schrikt Sabine op. Ze rijdt naar het agentschap, verder op de hoek, geeft haar sleutels af en vraagt de verbouwereerde jongeman de afrekening op haar naam te sturen naar het departement Onderwijs.
Zij is 36 en voelt zich diep ongelukkig. Hun relatie heeft bijna twee jaar geduurd. Roland is voor haar een vader geweest en een milde minnaar.
@
Sabine du Tertre had in de jaren ’80 ook nieuwe vrienden gemaakt onder de Vlaamse politici-vrijmetselaars. Wist Dekunst van deze contacten? Hij was een rabiaat christen-democraat, weliswaar uit de CVP-Limburg gezet na zijn echtscheiding, maar toch een papist gebleven die zeer goede relaties had met de Guimardstraat en met toponderhandelaar Vantorhout. Na de dood van Sabine du Tertre waren er geen aanwijzingen dat ze Dekunst hierover in vertrouwen had genomen.
“Zeker hiervan zijn wij echter nooit,” zei Gust Hélice in zijn werkplaats. “Du Tertre was onvoorspelbaar en Dekunst kan zwijgen als een graf.”
Wat hij niet met zoveel woorden zegde, was dat Dekunst de kunst verstond om pas dan zijn troeven op tafel te leggen als hij in een hoek werd geduwd of als hij zijn visie wilde opdringen aan de minister. Wisten de ministers-logebroeders op Onderwijs meer dan ze openlijk toegaven? Tijdens de ondervragingen door het gerecht heeft Dekunst nooit enige allusie op de vrijmetselarij gemaakt. Toch viel het in die periode op dat de vrijzinnigheid zweeg. Ook na zijn veroordeling.
Sabine du Tertre werd gevraagd om een uiteenzetting te komen geven over de gevolgen van de nakende staatshervorming voor het onderwijs in Vlaanderen. Vooral de bezorgdheid van de broeders om het rijksonderwijs had de doorslag gegeven om een niet-maçon op hun maandelijkse bijeenkomsten uit te nodigen. Ze kenden wel de herkomst van Du Tertre: haar grootvader aan moederskant, Carlos Dardenne, was lid geweest van “Les Ours” te Kortrijk en de familie Dardenne telde veel overtuigde vrijzinnigen.
De bijeenkomst vond uitzonderlijk plaats in het Brusselse restaurant “La soeur du patron” aan de Waversesteenweg. ’s Avonds na de theater- en bioscoopvoorstellingen kwam daar een veelzijdig cliënteel samen om met volle teugen te genieten van de verschillende facetten van dit “culinair theater”. Elke dag opnieuw, zowel ’s middags als ’s avonds, trok deze vreemde plaats een allegaartje van klanten aan. De broeders vergaderden in het indrukwekkende atrium waarvan het glazen dak werd opengeschoven en de enorme ramen een mooi uitzicht gaven op de prachtige tuin. Sabine, die zich op haar beurt had geïnformeerd over “De Club” (zo heette het gezelschap), wist van Brusselmans in welk midden zij terecht zou komen. Het deerde haar niet, integendeel: ze aanzag de uitnodiging als een eer en bovendien hield zij van enige geheimzinnigheid. Aan Dekunst zei ze dat ze de heren politici zeker warm zou maken voor een herschikking van de administratie zoals Dekunst ze reeds maanden bij de minister in beeld bracht.
Na de pousse-cafés werd het een gezellige bedoening. De tongen kwamen los. De broeders vertelden honderduit over hun werkplaats, over andere broeders, over de ministers die in de Loge waren, over hun dienstbetoon, over de vrouwen, over hun carrière. Een broeder, die witte wijntjes dronk en haar dialect sprak, stelde voor Sabine als een “invitée permanente” te beschouwen. Toen hij zag dat de anderen de lippen op elkaar hielden, herpakte hij zich met het argument dat er meer dan één infovergadering nodig zou zijn om de onderwijsproblemen onder de knie te krijgen. Waarop de meesten dit beaamden.
Du Tertre ging vier maanden na elkaar naar “De Club”. Na de derde bijeenkomst was het hek helemaal van de dam: de West-Vlaming stelde Sabine voor om toe te treden tot de Loge. Hij had zich geïnformeerd in zijn eigen werkplaats aan de Houtmarkt en na een eerste bevraging kon het licht op groen worden gezet. Du Tertre aarzelde, maar de drang om snel carrière te maken kreeg opnieuw de bovenhand en ze aanvaardde. Het duurde wel nog zes maand vooraleer zij werd ingewijd in de loge “Hedera Helix” in het Oosten Kortrijk.
Op vrijdag 13 januari 1987 ontving zij het licht.
In haar dagboek schrijft ze: “Mijn blik dwaalde tot vooraan en fixeerde zich op het balkon. Op het kleine orgel brandde een leeslamp boven partituur en toetsen. Links ervan ontwaarde ik een half voorovergebogen gestalte. De afstand was te groot voor een betrouwbare waarneming, maar mijn verbeelding zag wat ik niet kon zien: een bleke, slanke man, met een serafijnen gezicht en dunne lippen. Het was de duivel die daarboven een oogje in 't zeil hield.
- Is het ook de duivel die nu op het orgel speelt?
- Wat maakt het uit? Kiest God zijn uitverkorenen niet zelf?
Eén moment dacht ik aan Joris. Hoe zal ik dit voor hem verborgen kunnen houden? Of zal ik open kaart spelen?”
Sabine du Tertre kwam tweemaal naar “Hedera Helix”: de eerste keer bij haar inwijding en de laatste keer voor een bouwstuk van Thijs Glorieux over De Spiegel. Zij was te druk bezig met haar werk en haar carrière. Glorieux die toen senator was en lid van ”De Club” ontmoette ze sporadisch, maar tijd voor meer dan een korte begroeting maakte ze nooit.
@
In juni 1987 kregen de socialisten opnieuw Onderwijs. Minister Vanderweyden wilde haar op zijn kabinet. Ze was een gewiekste onderhandelaar, ze genoot het vertrouwen van de coalitiepartner en ze was bovendien het lief van Dekunst. Vanderweyden zag in Sabine du Tertre de passe-partout voor zijn hervormingen. Maar Du Tertre weigerde het aanbod. Dekunst had het haar afgeraden: als toekomstig afdelingshoofd zou zij veel zwaarder wegen op de onderhandelingen dan als kabinetsmedewerker. Dekunst had natuurlijk ook zijn persoonlijke redenen.
Twee maand later, een paar weken vóór Pasen, stapte Sabine du Tertre het bureau van de minister op de zesde verdieping binnen en bood zich aan om op zijn kabinet te komen werken. Voor Vanderweyden was dit een complete verrassing, een onverwachte wending. Dekunst had hem nog met zekerheid bevestigd dat Sabine du Tertre nooit meer op een kabinet zou komen werken. Hoe kwam het dat Du Tertre zich ineens had bedacht?
De minister vroeg haar om te gaan zitten. Hij riep één van de meisjes van zijn privé-secretariaat en bestelde koffie en thee.
“Rozenbottel,” had zij gezegd.
Toen het meisje opnieuw binnenkwam, gebood de minister haar geen enkele lijn meer door te schakelen.
“Ik ben buitenshuis.”
Voor Sabine du Tertre maakte hij tijd, veel tijd.
Hij zei met omfloerste stem: “Je bent nu directeur en straks afdelingshoofd. Je geniet het volste vertrouwen van je bazen, zeker van Joris Dekunst. Wat kan ik met jou doen? Ben ik niet beter af met jou als zoethouder van de vele christen-democraten op de ambtenarij, om niet te zeggen als zoethouder van Dekunst? Je hebt toch een goede relatie met Joris? Ik houd mij misschien van de domme, maar ik heb ogen in mijn kop.”
Sabine du Tertre glimlachte, schonk de minister koffie in en zette voor haar thee. Zij droeg een ensemble van donker denim, de rok tot net boven de knieën en donkerblauwe kousen. Haar donker acajou haar had zij opgestoken met een zilveren haarspeld.
Toen zij na vier uur praten de minister verliet, waren ze het erover eens dat Sabine als adjunct-kabinetschef zou komen werken tot 1 januari 1989: de dag dat de herschikking van het Onderwijs een feit zou zijn.
Ook Dekunst kon zich met deze regeling verzoenen. Hij wist ook dat protesteren hier niets zou uithalen en met Sabine op het kabinet had hij twee pientere ogen meer.
“Ik krijg van jou altijd alle informatie, Sabine.”
Hij bedoelde: “Vóór de anderen!”
Toen zij aan de receptie voorbijkwam, zag de telefoniste dat zij haar haar had losgeknoopt. De minister had een dikke sigaar opgestoken en trok gulzig de rook in.
Aan de lift hoorde zij hem nog zeggen: “Maandagmorgen, om 9 uur bij mij. Ik stel u persoonlijk aan de anderen voor.”
Aan de onderhandelingstafel ontpopte Sabine du Tertre zich als een keiharde gesprekspartner. Eén keer heeft ze de minister daardoor zelfs in moeilijkheden gebracht. Ze moest met de inrichtende machten tot een vergelijk komen over het aantal regio’s. Zij was het met de minister niet eens wanneer hij beweerde dat deze indeling in regio’s geen consequenties zou hebben voor het personeelsbeleid.
“Mijnheer de minister, u zegt dat wij in het secundair onderwijs het onderwijsaanbod per regio zullen bekijken.”
De minister knikte en Du Tertre vervolgde: “Mijnheer de minister, een hertekening hiervan zal hoe dan ook gevolgen hebben voor de inzetbaarheid, de aanwervingsmogelijkheden en de mobiliteit van het personeel. Indien wij die indeling maken, zullen wij zeker begeleidende maatregelen moeten treffen.”
De minister bromde, zoog aan zijn havanna en gaf toe: “Zo gezien heeft u gelijk, Sabine.”
Gewiekst als hij was, schetste hij nogmaals zijn beleid en sprak van het garanderen van de vrije keuze, het verzekeren van de voorwaarden voor kwaliteitsonderwijs, deregulering en vereenvoudiging van de wetgeving, autonomie en responsabilisering, en de beheersing van het onderwijsbudget.
De kabinetschef die een donderpreek had verwacht en zich nog kleiner had gemaakt dan hij al was, rechtte zich, schonk de minister nog eens in en zei: “Zeker, zeker. Zijn er nog vragen?”
De minister verdween door de deur, op de voet gevolgd door de chef.
De kabinetschef, die de minister was opgedrongen door de Antwerpse SP, beklaagde zich vaak over Sabine du Tertre.
“Met die vrouw valt niet te werken,” klonk het dan bitter.
Maar voor een kabinetschef ging Sabine niet opzij. Ze kon zich vastbijten in een probleem en redeneerde in technische termen; de meeste kabinetsmedewerkers dachten politiek: eerst compromissen sluiten en ze dan pas vertalen in teksten.
Vanderweyden werkte met twee kabinetschefs: enerzijds de officiële en anderzijds Sabine du Tertre. Alleen zij kon zomaar bij hem naar binnen lopen. Begrijpelijk, het zou onverstandig zijn om de adviezen van een specialiste als Du Terte te laten filteren door een secretaresse. Maar het zette veel kwaad bloed. Afgunst. Bij de adviseurs omdat zij zich enigszins verraden voelden door hun minister en bij de receptionisten die zich gepakt voelden in hun charmeoffensief.
Minister Vanderweyden was opgetogen over Sabine du Tertre.
Aan de kabinetschef zei hij: “Ja, ik weet het, haar stijl is niet wat wij gewoon zijn. Maar ze spreekt vlot vier talen en ze heeft een onbezoedelde kijk op de zaken. Bovendien is zij superintelligent en alleen met intelligente mensen kan ik praten."
Mensen van haar soort riepen in die tijd op de rode kabinetten veel weerstand op. Toch was zij er altijd bij als de minister gevoelige kwesties moest trancheren. Dat verklaart trouwens de vlucht die haar carrière vanaf 1989 zou nemen: ze was gewoon een superwoman.
17 december 2007
"Eindterm" (2002) - debuutroman Thierry Deleu - hoofdstuk 7
7
In 1981 werd zij op 37-jarige leeftijd een beetje onverwacht de nieuwe directeur op Onderwijs.
Haar oom en peetvader Herwig Dardenne, die aangetast was door multiple sclerose en zich geleidelijk uit het actieve leven terugtrok, leerde in de zelfhulpgroep een medewerker van de minister van Buitenlandse Zaken kennen. Hij kon het gedaan krijgen dat zijn minister met succes bemiddelde bij zijn collega op Onderwijs, de West-Vlaming Vandamme. De socialiste Sabine du Tertre kreeg de post. Politici uit zijn eigen partij hebben het Naessens nooit vergeven. Leo Naessens was in de jaren ’70 eerste minister geweest. Hij was nog altijd ontstemd over het incident in het parlement dat hem had "gedwongen” om de koning het ontslag van zijn regering aan te bieden.
Nog in dezelfde meimaand van 1981 werd Sabine du Tertre in de lokalen van het Rijksadministratief Centrum, in het Arcadengebouw, door secretaris-generaal Joris Dekunst voorgesteld aan de administratie. Na de zomervakantie trad zij bij het secundair onderwijs in dienst. Daar maakte zij voor de eerste keer echt kennis met de strategieën van de top en met de geneugten van de macht. Aanvankelijk boog zij zich alleen over dossiers die haar door haar medewerkers werden voorgelegd, maar na korte tijd werd zij door Dekunst uitgestuurd om te onderhandelen. Ze werkte keihard, werd geprezen om haar technische kwaliteiten en keerde pas huiswaarts als de zon al lang was ondergegaan.
In die periode kwam Sabine erachter waar de belangrijke beslissingen werden genomen. Dekunst nam haar overal mee.
Christof Dokmans, een van haar trouwste medewerkers, zei later over haar: “Ze was er bijna nooit. ’s Morgens kwakte ze haar leren boekentasje neer en ze verdween.”
Al haar kostbare tijd ging op aan tête-à-têtes met mensen die het op dat moment voor het zeggen hadden. De minister, zijn adviseurs, de bazen van de inrichtende machten. Die overlegronden vonden plaats op een kasteel of in een hotelschool. Ze deed daar heel geheimzinnig over. Ze koketteerde er zelfs een beetje mee. Dokmans was ook de man die haar beslissingen in de praktijk omzette, die haar scenario’s op hun haalbaarheid toetste, die door haar in vertrouwen werd genomen om het scholennet waaruit zij kwam extra aandacht te schenken.
Ze zei dan altijd: “Christof, maak voor mij eens een prognose van de gevolgen voor het rijksonderwijs. Ik zie je morgen tijdens de koffiepauze in mijn bureau.”
Du Tertre werd niet alleen de “bazin” op secundair, maar ook in andere afdelingen werd zij bij de besluitvorming betrokken. Haar baas nam haar overal mee. Hij was smoor op haar. Zelfs tijdens vergaderingen kon hij zijn verliefdheid niet verbergen. Sabine werd dan ook een sleutelfiguur op de administratie onderwijs en dus niet alleen omdat ze intelligent was en keihard werkte.
Joris Dekunst kon zich moeilijk beheersen als Sabine in zijn bureau kwam. Toen hij op zekere dag haar dijen streelde en onder haar slipje gleed, bleef zij onbewogen aan zijn bureau staan. Ze hield de deur scherp in de gaten.
De eerste keer dat zij met haar baas vrijde, was op een hotelkamer in Tervuren. De kamer was sober, met een hoog plafond, een groot bed, één nachtkastje links, twee stoelen, een tafeltje tegen de wand geplaatst met een zijden bloemstuk van anjers en rozen. Hij pakte haar mantel aan en Sabine ging op het bed zitten. Zij was zenuwachtig. Hij drukte haar tegen zich aan, liet haar los en trok zijn das uit.
“Wat moet ik nu doen?” dacht ze. “Ik kan toch niet zomaar uit de kleren gaan.”
Hij trok zijn hemd uit en gespte zijn riem los. Sabine vluchtte de badkamer in. Veilig achter de deur kleedde ze zich uit.
"Ik voel mij hier verschrikkelijk eenzaam!” riep Dekunst en Sabine kwam in de deuropening te staan.
Het was in die jaren dat Sabine du Tertre zich een duidelijk imago aanmat. Haar vrienden vonden haar vroeger nogal conservatief. Nu was ze haar tijd ver vooruit: ze koos voor het profiel van de carrièrevrouw. Terwijl de feministen nog bezig waren hun vrouw-zijn te ontdekken, ging Sabine zich juist meten met mannen. Ze wilde minstens even competent zijn als haar mannelijke collega’s en liefst nog beter. Ze wilde bewijzen dat ze alles aankon. Sabine du Tertre, een superwoman.
@
Op het thuisfront organiseerde Louis Vanthuyne het sociale leven: feestjes, veel mensen, lange nachten, meestal zonder Sabine. De notaris had een huishoudster in dienst genomen. Een blond, koket dametje. Ze kon rond haar baas draaien als een schoothondje dat geaaid wilde worden. Lou Vanzandberg bracht meer tijd door bij haar baas dan Sabine bij haar man.
Toen Lou van een dochtertje beviel, zocht Sabine haar op in “Maria’s Voorzienigheid”.
“Lou, je kunt niet geloven hoezeer ik zelf ook naar een baby verlang.”
“Waarop wacht u dan, mevrouw?”
“Ik word 31.”
“31 is toch niet oud, mevrouw.”
“Ik hoop dat ik volgend jaar mijn eigen kind in mijn armen mag houden”.
Ze kreeg tranen in de ogen.
Op 15 juni 1976 kwam Alexander op de wereld, bijna precies een jaar later!
Een kind krijgen paste perfect in het ideaal dat ze voor ogen had: een supervrouw was niet alleen briljant in haar beroep, ze was ook een goede echtgenote en een zorgzame moeder.
In 1976 – ze was toen drie jaar getrouwd - had zij in haar dagboek geschreven: “Hoe zal ik ooit in staat zijn om een beminnelijke en mooie vrouw te zijn? Een hard werkende ambtenaar en een zorgzame moeder? Mooi en verstandig: zo weinig vrouwen bezitten die twee eigenschappen. Zal ik het ooit kunnen?”
In 1980 - Alexander was vier - kreeg zij een aanbod om adviseur te worden op het kabinet van de socialistische minister van Onderwijs. De vraag kwam telefonisch op de laatste woensdag van augustus. Indien ze aanvaardde, moest ze zich ’s namiddags aanbieden bij de kabinetschef. Tijdens dit gesprek vroeg zij hem vier dagen respijt om op een ordentelijke manier van haar collega’s en haar werk afscheid te nemen.
Op het afscheidsfeestje vloeide de champagne rijkelijk. Collega’s die met Sabine een losse babbel deden, viel het op dat zij het kabinet beschouwde als een springplank.
De nieuwe kabinetschef, een kalend frêle mannetje, met een zwart brilletje, vertelde haar dat het voorstel van de minister zelf kwam.
Het was bekend dat de kabinetschef het liefst lakeien uit het Antwerpse stadsonderwijs meebracht.
“Maandagochtend kwam de minister mijn bureau binnengewandeld met de mededeling dat ik u moest uitnodigen voor een gesprek. U krijgt secundair en drie medewerkers tot uw beschikking. Neemt u de job aan?”
Sabine du Tertre had “ja” geantwoord. De kabinetschef wist blijkbaar niet wie haar bij de minister had aanbevolen.
Hij vroeg haar op de man af: “Kent u de minister, mevrouw?”
“Indien u bedoelt of ik hem persoonlijk ken, neen, mijnheer de kabinetschef.”
“Chef,” zei hij, “iedereen noemt mij hier chef.”
Het was Henk Ryckoort die bij de minister had voorgesproken. Hij had Louis Vanthuyne leren kennen toen ze samen aan de universiteit waren. Hij studeerde rechten. Zelf was hij toen al een trouw partijmilitant. Na zijn studies koos hij voor een politieke carrière in het spoor van zijn vader. Na het schielijk overlijden van de burgemeester van Gaverbeek schoot zijn carrière als een pijl de hoogte in. In de jaren ’80 werd hij volksvertegenwoordiger. De dood van deze populaire politicus bracht een ommekeer teweeg in de Zuid-West-Vlaamse SP. Jongeren kwamen in de kortste keren op de post van parlementslid, provincieraadslid, burgemeester of gemeenteraadslid. Op het ogenblik dat Ryckoort Sabine introduceerde bij de minister van Onderwijs, zetelde hij samen met hem in het partijbureau. Du Tertre was voor de minister allang geen onbekende meer.
De eerste keer dat de medewerkers mevrouw de adviseur op het kabinet zagen, was ze in het zwart gekleed, een jurkje van lichte crêpe met ronde decolleté en smalle schouderbandjes.
Die kabinetsperiode was van korte duur. De minister geraakte betrokken in een schandaal en werd vervangen door een partijgenoot. Sabine du Tertre keerde terug naar de administratie. Zij was niet eens ontgoocheld: ze moest al gauw ondervinden dat ze ver van het machtscentrum werd gehouden en bovendien ging ze er hiërarchisch op achteruit.
Carrière maken na een kabinet is niet zo voor de hand liggend als velen denken. Sommigen stoten door naar een hoge post in de ambtenarij, anderen komen op een verkiesbare plaats op een lijst, nog anderen blijven hun hele leven op een kabinet als waakhondjes van de minister. Zij leven zich uit bij hun secretaresses die kortgerokt en laag uitgesneden aan hun eigen carrière werken.
Toch had Sabine indruk gemaakt op de minister. Hij had haar ook aanbevolen aan zijn opvolger, maar die bracht veel volk mee uit Mechelen.
“Een ijverige, efficiënte en klaarziende dame, aangenaam in de omgang, sterk in het verdedigen van haar dossiers.”
Wat hij zijn collega niet vertelde, was dat Sabine du Tertre niet bereid was om campagne te voeren bij verkiezingen. Zij vond het meerijden in een lawaaierige autokaravaan niet aan haar besteed, ze was niet bepaald het type dat er alles voor over had om het socialisme bij het volk te brengen.
In 1981 werd zij op 37-jarige leeftijd een beetje onverwacht de nieuwe directeur op Onderwijs.
Haar oom en peetvader Herwig Dardenne, die aangetast was door multiple sclerose en zich geleidelijk uit het actieve leven terugtrok, leerde in de zelfhulpgroep een medewerker van de minister van Buitenlandse Zaken kennen. Hij kon het gedaan krijgen dat zijn minister met succes bemiddelde bij zijn collega op Onderwijs, de West-Vlaming Vandamme. De socialiste Sabine du Tertre kreeg de post. Politici uit zijn eigen partij hebben het Naessens nooit vergeven. Leo Naessens was in de jaren ’70 eerste minister geweest. Hij was nog altijd ontstemd over het incident in het parlement dat hem had "gedwongen” om de koning het ontslag van zijn regering aan te bieden.
Nog in dezelfde meimaand van 1981 werd Sabine du Tertre in de lokalen van het Rijksadministratief Centrum, in het Arcadengebouw, door secretaris-generaal Joris Dekunst voorgesteld aan de administratie. Na de zomervakantie trad zij bij het secundair onderwijs in dienst. Daar maakte zij voor de eerste keer echt kennis met de strategieën van de top en met de geneugten van de macht. Aanvankelijk boog zij zich alleen over dossiers die haar door haar medewerkers werden voorgelegd, maar na korte tijd werd zij door Dekunst uitgestuurd om te onderhandelen. Ze werkte keihard, werd geprezen om haar technische kwaliteiten en keerde pas huiswaarts als de zon al lang was ondergegaan.
In die periode kwam Sabine erachter waar de belangrijke beslissingen werden genomen. Dekunst nam haar overal mee.
Christof Dokmans, een van haar trouwste medewerkers, zei later over haar: “Ze was er bijna nooit. ’s Morgens kwakte ze haar leren boekentasje neer en ze verdween.”
Al haar kostbare tijd ging op aan tête-à-têtes met mensen die het op dat moment voor het zeggen hadden. De minister, zijn adviseurs, de bazen van de inrichtende machten. Die overlegronden vonden plaats op een kasteel of in een hotelschool. Ze deed daar heel geheimzinnig over. Ze koketteerde er zelfs een beetje mee. Dokmans was ook de man die haar beslissingen in de praktijk omzette, die haar scenario’s op hun haalbaarheid toetste, die door haar in vertrouwen werd genomen om het scholennet waaruit zij kwam extra aandacht te schenken.
Ze zei dan altijd: “Christof, maak voor mij eens een prognose van de gevolgen voor het rijksonderwijs. Ik zie je morgen tijdens de koffiepauze in mijn bureau.”
Du Tertre werd niet alleen de “bazin” op secundair, maar ook in andere afdelingen werd zij bij de besluitvorming betrokken. Haar baas nam haar overal mee. Hij was smoor op haar. Zelfs tijdens vergaderingen kon hij zijn verliefdheid niet verbergen. Sabine werd dan ook een sleutelfiguur op de administratie onderwijs en dus niet alleen omdat ze intelligent was en keihard werkte.
Joris Dekunst kon zich moeilijk beheersen als Sabine in zijn bureau kwam. Toen hij op zekere dag haar dijen streelde en onder haar slipje gleed, bleef zij onbewogen aan zijn bureau staan. Ze hield de deur scherp in de gaten.
De eerste keer dat zij met haar baas vrijde, was op een hotelkamer in Tervuren. De kamer was sober, met een hoog plafond, een groot bed, één nachtkastje links, twee stoelen, een tafeltje tegen de wand geplaatst met een zijden bloemstuk van anjers en rozen. Hij pakte haar mantel aan en Sabine ging op het bed zitten. Zij was zenuwachtig. Hij drukte haar tegen zich aan, liet haar los en trok zijn das uit.
“Wat moet ik nu doen?” dacht ze. “Ik kan toch niet zomaar uit de kleren gaan.”
Hij trok zijn hemd uit en gespte zijn riem los. Sabine vluchtte de badkamer in. Veilig achter de deur kleedde ze zich uit.
"Ik voel mij hier verschrikkelijk eenzaam!” riep Dekunst en Sabine kwam in de deuropening te staan.
Het was in die jaren dat Sabine du Tertre zich een duidelijk imago aanmat. Haar vrienden vonden haar vroeger nogal conservatief. Nu was ze haar tijd ver vooruit: ze koos voor het profiel van de carrièrevrouw. Terwijl de feministen nog bezig waren hun vrouw-zijn te ontdekken, ging Sabine zich juist meten met mannen. Ze wilde minstens even competent zijn als haar mannelijke collega’s en liefst nog beter. Ze wilde bewijzen dat ze alles aankon. Sabine du Tertre, een superwoman.
@
Op het thuisfront organiseerde Louis Vanthuyne het sociale leven: feestjes, veel mensen, lange nachten, meestal zonder Sabine. De notaris had een huishoudster in dienst genomen. Een blond, koket dametje. Ze kon rond haar baas draaien als een schoothondje dat geaaid wilde worden. Lou Vanzandberg bracht meer tijd door bij haar baas dan Sabine bij haar man.
Toen Lou van een dochtertje beviel, zocht Sabine haar op in “Maria’s Voorzienigheid”.
“Lou, je kunt niet geloven hoezeer ik zelf ook naar een baby verlang.”
“Waarop wacht u dan, mevrouw?”
“Ik word 31.”
“31 is toch niet oud, mevrouw.”
“Ik hoop dat ik volgend jaar mijn eigen kind in mijn armen mag houden”.
Ze kreeg tranen in de ogen.
Op 15 juni 1976 kwam Alexander op de wereld, bijna precies een jaar later!
Een kind krijgen paste perfect in het ideaal dat ze voor ogen had: een supervrouw was niet alleen briljant in haar beroep, ze was ook een goede echtgenote en een zorgzame moeder.
In 1976 – ze was toen drie jaar getrouwd - had zij in haar dagboek geschreven: “Hoe zal ik ooit in staat zijn om een beminnelijke en mooie vrouw te zijn? Een hard werkende ambtenaar en een zorgzame moeder? Mooi en verstandig: zo weinig vrouwen bezitten die twee eigenschappen. Zal ik het ooit kunnen?”
In 1980 - Alexander was vier - kreeg zij een aanbod om adviseur te worden op het kabinet van de socialistische minister van Onderwijs. De vraag kwam telefonisch op de laatste woensdag van augustus. Indien ze aanvaardde, moest ze zich ’s namiddags aanbieden bij de kabinetschef. Tijdens dit gesprek vroeg zij hem vier dagen respijt om op een ordentelijke manier van haar collega’s en haar werk afscheid te nemen.
Op het afscheidsfeestje vloeide de champagne rijkelijk. Collega’s die met Sabine een losse babbel deden, viel het op dat zij het kabinet beschouwde als een springplank.
De nieuwe kabinetschef, een kalend frêle mannetje, met een zwart brilletje, vertelde haar dat het voorstel van de minister zelf kwam.
Het was bekend dat de kabinetschef het liefst lakeien uit het Antwerpse stadsonderwijs meebracht.
“Maandagochtend kwam de minister mijn bureau binnengewandeld met de mededeling dat ik u moest uitnodigen voor een gesprek. U krijgt secundair en drie medewerkers tot uw beschikking. Neemt u de job aan?”
Sabine du Tertre had “ja” geantwoord. De kabinetschef wist blijkbaar niet wie haar bij de minister had aanbevolen.
Hij vroeg haar op de man af: “Kent u de minister, mevrouw?”
“Indien u bedoelt of ik hem persoonlijk ken, neen, mijnheer de kabinetschef.”
“Chef,” zei hij, “iedereen noemt mij hier chef.”
Het was Henk Ryckoort die bij de minister had voorgesproken. Hij had Louis Vanthuyne leren kennen toen ze samen aan de universiteit waren. Hij studeerde rechten. Zelf was hij toen al een trouw partijmilitant. Na zijn studies koos hij voor een politieke carrière in het spoor van zijn vader. Na het schielijk overlijden van de burgemeester van Gaverbeek schoot zijn carrière als een pijl de hoogte in. In de jaren ’80 werd hij volksvertegenwoordiger. De dood van deze populaire politicus bracht een ommekeer teweeg in de Zuid-West-Vlaamse SP. Jongeren kwamen in de kortste keren op de post van parlementslid, provincieraadslid, burgemeester of gemeenteraadslid. Op het ogenblik dat Ryckoort Sabine introduceerde bij de minister van Onderwijs, zetelde hij samen met hem in het partijbureau. Du Tertre was voor de minister allang geen onbekende meer.
De eerste keer dat de medewerkers mevrouw de adviseur op het kabinet zagen, was ze in het zwart gekleed, een jurkje van lichte crêpe met ronde decolleté en smalle schouderbandjes.
Die kabinetsperiode was van korte duur. De minister geraakte betrokken in een schandaal en werd vervangen door een partijgenoot. Sabine du Tertre keerde terug naar de administratie. Zij was niet eens ontgoocheld: ze moest al gauw ondervinden dat ze ver van het machtscentrum werd gehouden en bovendien ging ze er hiërarchisch op achteruit.
Carrière maken na een kabinet is niet zo voor de hand liggend als velen denken. Sommigen stoten door naar een hoge post in de ambtenarij, anderen komen op een verkiesbare plaats op een lijst, nog anderen blijven hun hele leven op een kabinet als waakhondjes van de minister. Zij leven zich uit bij hun secretaresses die kortgerokt en laag uitgesneden aan hun eigen carrière werken.
Toch had Sabine indruk gemaakt op de minister. Hij had haar ook aanbevolen aan zijn opvolger, maar die bracht veel volk mee uit Mechelen.
“Een ijverige, efficiënte en klaarziende dame, aangenaam in de omgang, sterk in het verdedigen van haar dossiers.”
Wat hij zijn collega niet vertelde, was dat Sabine du Tertre niet bereid was om campagne te voeren bij verkiezingen. Zij vond het meerijden in een lawaaierige autokaravaan niet aan haar besteed, ze was niet bepaald het type dat er alles voor over had om het socialisme bij het volk te brengen.
Abonneren op:
Posts (Atom)
















