Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans

Stichtingsdatum: 1 februari 2007


"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"

"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.

28 oktober 2007

FOEI, JEROEN BROUWERS!

Dat Jeroen Brouwers de driejaarlijkse Prijs der Nederlandse Letteren - een van de meest prestigieuze onderscheidingen in de Lage Landen - weigert is arrogant gedrag. Indien ik in de prijzen val of geprijsd word, zeg ik niet neen. Brouwers wordt echter al decennia door het establishment “in de watten gelegd” en kan dus met een air van “’t is te weinig” zeggen dat hij die 16.000 € of 640.000 fr. niet nodig heeft. Een schop onder de genereuze kont van de overheid! Ik heb geen medelijden met de geofficialiseerde geldkranen (ook Fondsen genoemd) in beide landen: ze hebben het gezocht, ze zijn de aanleiding van zo’n gedrag, ze maken de “grote auteurs” nog “gulziger” tot ze een krop (van pretentie) opzetten.

Opgelet, lezer, ik heb niets tegen het werk van Brouwers. Ik twijfel niet aan zijn talent: hij is geen klungelaar, geen amateur, hij is uitstekend in zijn discipline, superieur in zijn taalbeheersing.

Waarom weigert hij de Prijs? Daarom? Neen, hij wil méér, hij vindt 16.000 € een habbekrats. Hij wil worden geprijsd zoals Kim Clijsters. Zoals een topmodel, hij is een topschrijver. Hij vindt dat zijn prestaties rijkelijk moeten worden verloond. Ik heb er geen probleem mee dat auteurs goed worden “beloond”, maar over welke schrijvers hebben wij het? Toch niet over de alomgeprezen en geprijsde Jeroen Brouwers? Of Hugo Claus? Of Jef Geeraerts? Of over hen die ik de “grote” auteurs noem? Die hebben toch niets te kort, niet aan (h)erkenning of “beloning”?
Schrijverstalent wordt in onze prestatie maatschappij onvoldoende gehonoreerd. Juist. Ik gun elke schrijver een forse gage en een milde sponsor. Maar de discrepantie zit niet zozeer in het verschil tussen de verloning van topsporters en schrijvers, maar veeleer onder de auteurs zelf of liever bij de behandeling van de schrijvers.

Indien Jeroen Brouwers daarom de Prijs had geweigerd, zou ik hem nog kunnen begrijpen, alhoewel, maar wat hij doet is natrappen en is bovendien vernederend voor de “kleine” auteur die niet eens wordt gesubsidieerd of die niet eens in aanmerking komt voor een Prijs. Een Prijs - met enige officiële waarde, d.w.z. op initiatief van een overheid die alleen prijst wat haar wordt aangeprezen door hen die enkel willen worden gezien in het gezelschap van “de grote schrijvers der aarde” - wordt niet gegund aan een “kleine auteur” die geen overheidssteun verdient: lees het decreet, lees de regelgeving van het Fonds, lees de “gevestigde” criticus of het jurylid dat mee beslist over de kwaliteit van het werk, maar vooral over de “uitstraling” van de schrijver. “Soort zoekt soort” is een treffend gezegde.

De Jeroen Brouwersen van onze maatschappij kunnen een beroep doen op subsidie, op werkbeurzen, op geprijsde (h)erkenning, de debuterende auteur, de eigen beheerder van zijn producten, kan echter de pot op: hij hoort niet thuis bij de grote mensen, eerst een erkende (liefst grote) uitgever vinden en kom dan nog eens langs de kassa.

Waarom die minachting - want daar komt het op neer - voor deze laatste categorie van dichters en schrijvers? Waarom kan hun scheppingsvermogen, hun creativiteit, hun kunde en ambachtelijke vaardigheid niet worden vergoed?
Maar neen, literatuur is geen kunst, een boek is een commercieel product waarvoor de wetten van de markt gelden, de verkoopcijfers en de winstmarges. Enkel een door de commercie gunstig ingeschat boek komt in aanmerking voor overheidssteun. Is dit een liberale of puberale attitude? Retorische vraag.

Thierry Deleu

Trainee - handpalmverhaal van Jasper Vervaeke

“Als je lief aan de andere kant van de stad woont, maak je het beter meteen uit,” zei ze lachend. Ik keek haar ongelovig aan en wenste haar welterusten. Wist ik veel, ik was net aangekomen. Enkele weken later bevestigde Carlos Fuentes haar woorden: “De omvang van de moderne grote steden bemoeilijkt het in stand houden van liefdesrelaties; niemand wil een uur met de bus of auto reizen om anderhalve minuut van seks te genieten.” Ik legde zijn boek, De jaren met Laura Díaz, overigens behoorlijk vervelend, opzij. Ik moest de volgende dag immers vroeg op: de bureaucratie riep me naar Polanco, de yuppie businessbuurt van Mexico City. Van het zuiden naar het westen van de monstropolis.

Tussen beenloze bedelaars, ambulante verkopers en geurige tacokraampjes baan ik me een weg door het metrostation Taxqueña. Bij de eerste overstap begint het te dagen: het zou wel eens een lange reis kunnen worden. Op het perron staan verschillende rijen mensen te wachten op een metro waarin de passagiers al tegen de ramen plakken. Van zodra de deuren openen, beuken de wachtenden in op de massa reizigers. Ik blijf staan, vol is vol. Maar wanneer ik ook de tweede volle metro voorbij laat rijden, besef ik dat ik zo niet ver zal geraken. Met een aanloop murw ik me in de eerstvolgende wagon.

Het voordeel van zo opeen gedrukt te staan, is dat je je totaal kan ontspannen, aangezien de massa je in evenwicht houdt. In het volgende station wordt mijn rust echter verstoord. Ik word naar buiten geduwd door een paar mensen die willen uitstappen. Ik - vreemde bijt in de eend - lach ermee, maar kan me tegelijkertijd ook voorstellen dat in de dagdagelijkse routine humor snel horror wordt. Enfin, na een uur en drie kwartier reizen bereik ik dan toch mijn bestemming.

‘s Namiddags, zittend op een bank in de Universitaire Stad, vraagt een meisje me het uur. Ik weet meteen hoe laat het is: “Waar woon je?”

Jasper Vervaeke

27 oktober 2007

Gust is boeken beu!

Het is weer zover. Begin november, tijd om de doden te herdenken. Zowel de gewone doden, de heilige doden én de dode soldaten hebben hun eigen feestdag. De Vereeniging ter Bevordering van het Vlaamsche Boekwezen die in een ultieme poging tot modernisering en niet geheel ontoevallig op 11 september 2001 haar naam veranderde in Boek.be, organiseert het grootste rouwfestijn van het land: de Boekenbeurs.

U raadt het al, Gust heeft het concept "boekenbeurs" nooit echt goed begrepen. In vier grote hallen wordt de Nederlandstalige literatuur en al wat er voor moet doorgaan professioneel ten grave gedragen, ondersteund door duizenden rouwenden die braafjes aanschuiven, hopend op die ene verrassende info-stand.

Wat doet een volwassen mens beslissen zijn vrije dag door te brengen in een uitgebouwde zuurstofloze doodskist? Antwerp Expo is een verschrikkelijk onaangenaam gebouw. De temperatuur van de hel, het galmende geluid van een kerker en blèrende kinderen die door het lot gescheiden zijn van hun geliefden.
In ruil voor uw ziel en een prijzig toegangsticket mag je naar boekenstandjes kijken. Er zijn zoveel goede boekhandels verspreid over het hele land waar je het hele jaar door rustig je nieuwe leeswaar kan inkijken, informatie vragen en twee weken later toch beslissen om de nieuwste Harry Potter toch maar niet te kopen omdat hij al in de plaatselijke bibliotheek ligt.
Waarom wil iemand inkomgeld betalen voor een evenement waar je die luxe niet hebt? "Maar je kan er je boeken laten signeren", hoort Gust wel eens. Echte schrijvers signeren niet. Van te veel signeren krijgen ze tendinitis en daarmee kan zelfs Gust niet schrijven. Echte lezers laten hun boeken niet signeren, ze hebben wel wat beters te doen.
Alsof de routineus geplaatste handtekening van Herwig Van Hove Gusts exemplaar van 1000 seconden zoveel waardevoller maakt dat hij bij een volgende Kristallnacht zichzelf de moeite zal getroosten om het fascistische gespuis te ontvluchten en zo de toekomst van het snelkoken veilig te stellen - "Neem mij, maar spaar dit boek!". Alsof de rechterpoot van de zoveelste omhooggevallen BV ervoor zorgt dat er een emotionele band ontstaat met dat hoopje papieren.

Nog iets: Antwerp Expo heeft geen parking. Nooit gehad en veel verandering zal daar niet in komen. Gelukkig passeert tram 2 en nu ook tram 6 drie keer per uur - weliswaar quasi continu geblokkeerd door wagens op zoek naar de parking - met één wagonnetje, een mini-sardienenblik. Gust zal de vergelijking met de jodentransporten in de tweede wereldoorlog achterwege laten, maar zelfs in tijden van varkenspest wordt voor de beesten in beter transport voorzien.
De tram is het ideale voorprogramma op de Boekenbeurs. Het kaf wordt er van het koren gescheiden. Volgens welingelichte bronnen haalt minder dan 1 op 3 tramreizigers daadwerkelijk het Antwerp Expo. Zelfs in de eerste wereldoorlog waren de overlevingskansen voor de soldaten in de loopgraven groter. De Boekenbeurs, Gust zal je er niet tegenkomen. Begin november is een tijd om om de doden te rouwen, niet om je als een dode te gedragen.

Goudkopleeuwaapje TLA
26-10-2007
www.boek.be

25 oktober 2007

DESDA

Dan en slechts dan als

Poëzie krijgt terug een plaats in Leuven, dan en slechts dan als ze haar weerklank vindt op het podium. ‘DESDA’, georganiseerd in de Libertad, is het literair café waar de dynamiek uit de andere steden in een hogere versnelling komt. Dichters laten van zich horen. Een nieuwe generatie poëzie, SLAM en performance steekt haar nek uit.
Zin om het mee te maken? De deuren staan open, het bier staat koud, de dichters staan klaar: ‘DESDA’, gratis, zondag 4 november, 20u, Libertad ...

Het litérair café DESDA

Programma:
zondag 4 november 2007 om 20 u.

Xavier Roelens
Maarten Inghels
Lies Koopman
Christoffel Hendrickx
live jazz ‘Le Baron Fauteuille’

21 oktober 2007

Thierry Deleu in Meander!


* De gedichten van Thierry Deleu

Interview met Thierry Deleu


Het systeem schenkt geen voldoening
door Yvonne Broekmans



Thierry Deleu (1940) beweegt zich vanaf de jaren zestig op een breed literair vlak. Hij schreef leerboeken voor het beroepsonderwijs, de biografie Marc Bourry, man van het volk en eigenzinnige essays over schrijvers en actuele letterkundige kwesties. In de jaren 2002 tot 2004 verschenen drie romans, De Creuse Trilogie, en in 2006 de roman Klamme handen. Verder was deze Vlaming hoofdredacteur van het tijdschrift Boulevard (1970-1980), is hij uitgever van de reeks Schaap Boeken en samensteller van enkele bloemlezingen voor het kunstonderwijs. Deleu is echter vooral bekend als dichter. Steeds terugkerende thema's zijn (erotische) liefde, dood en natuur.

Is er sprake van verwantschap met je generatiegenoten, in thematiek en vorm?

De grondslag van mijn poëtica gaat terug op de periode van de experimentelen, om precies te zijn op die van de neo-experimentelen, de derde generatie die tijdens of kort na de oorlog is geboren en die zich in de jaren zestig en zeventig manifesteerde. Mijn generatiegenoten vormden een schakel tussen de nieuwe tijd en de eeuwen die achter hen lagen. De dichters van de eerste helft van de eeuw hadden reeds heel veel met woorden bereikt. Nu was het de beurt aan mijn generatiegenoten om op zoek te gaan naar hun eigen identiteit, rond thema's zoals liefde en eenzaamheid. Ik dweepte in die periode nogal met Paul Snoek, die tot de tweede generatie behoort, de zogenaamde Vijfenvijftigers.

'Het thema is onmiskenbaar de verheerlijking van de liefde, met een sterke neiging tot erotiek, en met de natuur als decor' zegt Jan van Herreweghe in zijn essay over je poëzie en Val der Engelen (1997). Geldt dat ook voor je meest recente bundel De kiemjaren (2006)?

De meeste gedichten in De kiemjaren hebben een triviale sfeer; dat is nieuw, maar het onderwerp is onveranderd de liefde en de erotiek. Zoals de titel al suggereert, zijn de gedichten gesitueerd in mijn jeugdjaren. In de drie ingezonden gedichten is een prominente rol weggelegd voor de vogel, een vertrouwd symbool dat ook in Val der engelen opvallend aanwezig is.

Hoe belangrijk is voor jou de metafoor in de poëzie?

Van Herreweghe zei: 'Enerzijds zijn de gedichten een aardse beleving van de liefde en de erotiek; anderzijds bekijkt hij ongegeneerd als voyeur het liefdesspel. Een mystieke sfeer kleurt de meeste gedichten. De liefde blijft het uitgangspunt, maar een tikkeltje godsdienstigheid maakt het dan weer ingetogen. Anderzijds wordt dat mystieke gevoel weer doorbroken door erotiek. (…) Wanneer je zijn andere gedichten beschouwt als een aardse beleving van de liefde en de erotiek, dan zijn die zogenaamde vogelgedichten hemels en bekijkt hij vanuit vogelperspectief het liefdesspel op aarde. Op die manier neemt hij afstand en relativeert hij zijn eigen betrokkenheid.' Beter kan ik het niet verwoorden.Deze typische 'vogelgedichten' komen enkel voor in Val der Engelen. Inderdaad gebruik ik het beeld van de vogel wel vaker. In de gedichten bij dit interview voer ik ze vooral ten tonele om hun vlucht, beweging en sierlijkheid.

Je bent voorzitter van het onlangs opgerichte dichtersgenootschap 'De 50 Meesterdichters van de Lage Landen bij de zee'. Hoe is dit ontstaan?

Die inval kreeg ik toen ik een chefkok hoorde zeggen dat hij bij 'De 33 Meesterkoks van België' behoorde, en zag hoe zijn ogen straalden. Het dichtersgenootschap is een boze reactie op de literaire ongelijkheid, op de discriminerende positie waarin zovele goede dichters zich bevinden. Zij vinden geen uitgever, ze hebben weinig naamsbekendheid, ze krijgen geen overheidssteun, ze worden weinig gerecenseerd, ze worden slechts sporadisch door de bibliotheken aangekocht, kortom: zij blijven - hoe mooi hun gedichten ook zijn - lokale vedetten die, indien ze enkele persmaatjes hebben, worden opgevoerd als regionaal nieuws. Inmiddels is het aantal meesterdichters tot vijftig uitgebreid onder de ridderlijke bescherming van 'De Orde van de Scheermesjes', de eerste online ridderorde. Het toekennen van de eretitel 'Meesterdichter' is immers te arrogant om er niet het relativerende 'ludiek' aan te verbinden.' Het is de bedoeling dat de vijftig meesterdichters in Vlaanderen en Nederland de boodschap van het genootschap zullen uitdragen: als elke dichter een gelijke kans krijgt van hen die met poëzie begaan zijn of dat toch beweren zullen er geen eersterangs- en tweederangsdichters meer bestaan, maar dichters: goede en minder goede.

Eerder bleek al uit je essays dat je je intens betrokken voelt bij de positie van de auteur in de maatschappij. Volgens jou wordt de Vlaamse literatuur door de overheid stiefmoederlijk behandeld en zouden schrijvers in aanmerking moeten komen voor structurele ondersteuning. Hoe reëel is dat standpunt?

De overheid keert op het advies van het Vlaamse Fonds voor de Letteren subsidies uit voor de literatuur in de vorm van onder andere stipendia en werkbeurzen. Daar zet ik vraagtekens bij: gebeuren die uitkeringen correct en verstrekken de adviseurs die adviezen met kennis van zaken en zonder vooringenomenheid? Ik zoek vergeefs naar een controlemechanisme waardoor enerzijds adviezen van het fonds kunnen worden bijgesteld of aangevochten en anderzijds de samenstelling van het adviesorgaan kan worden onderzocht op zijn pariteit en integriteit. Of scherper geformuleerd: zijn er voldoende meetbare garanties ingebouwd om enige vorm van belangenvermenging te voorkomen? De criteria om in aanmerking te komen zijn immers willekeurig. Het systeem schenkt geen voldoening.


Het hoge aantal uitgaven in eigen beheer is toch een teken aan de wand dat er iets mis is in de verhouding auteur, uitgever en overheid. Er zijn duidelijk ziektesymptomen die het lampje op rood zetten. Hier zou de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen een belangrijke rol in kunnen spelen, door onder meer uitgaven in eigen beheer of bij niet-erkende uitgeverijen collectief aan te prijzen bij bibliotheken en in kranten, tijdschriften en e-zines. De vereniging dient zich te profileren als een vakbond die gedreven en bedreven onderhandelt met de overheid, met uitgeverijen, het bibliotheekwezen en de boekhandel.


Yvonne Broekmans

18 oktober 2007

Met “Heibel” heb je altijd heibel - dit is een onbetaalbare kwaliteit - abonneer!

Toen ik vanmorgen het nieuwe nummer van “Heibel” in mijn bus vond, kon de dag niet beter beginnen. Een tijdschrift van zo’n gewicht (ook letterlijk) is een uitzondering in onze “met het establishment mee heulende” schrijverspeloton en een zegen voor de lezende mensheid. En zoals ik al eerder schreef, “Heibel” doet mij denken aan mijn eerste creatieve periode, het hoofdstuk Deflo-Deleu.
Ik zou graag eens mijn ding doen in het blad, maar tot op heden ben ik niet waardig bevonden of ben ik niet spitsig genoeg, te weinig relevant, te braaf, te bemind.
Soit, het dossier “Walschap” verblufte mij, sloeg mij uit mijn lood, bevestigde wat ik altijd had gedacht en stilletjes geopperd. Fijn, Frans, je bereikt weer het niveau van de 60-er jaren, toen je de kunst verstond om de poten van onder een stoel te zagen, de waarheid aan het licht te brengen op een ludieke, spottende, neerbuigende, en vandaar bijtende, wijze. Niet gelaten, ik beschouw deze manier van doen als een stijlfiguur. Het lijdend voorwerp van vlees en bloed mag zich niet geviseerd voelen of gekwetst, tenzij het lange tenen heeft of het karaktertje van een kruidje-roer-mij-niet.
Dat hij (g)een mens van goede wil was en veeleer “buitengewoon egocentrisch” (Joris Note) kan ik "geloven". Kijk, dat hij schoolmeesterachtig was, dat hij met ouder worden (nog) irritanter werd, akkoord. Maar Adelaïde (1929), Eric (1931), Carla (1933) en Trouwen (1933) vond ik meeslepende romans (toen ik ze op mijn achttiende las). Ze zijn goed geschreven en boeien. Walschap bevrijdde de Vlaamse romankunst van folklore en provincialisme. Maar dan begon hij naast zijn schoenen te lopen. Hij is altijd een beetje (veel) betweterig en koppig geweest. Of is dit niet de teneur van het dossier?
Toch krijg ik soms de indruk dat hij in het kamp van de logeauteurs wordt geduwd en dat zijn antikerkelijke allergie hem erg kwalijk wordt genomen.
Zijn eigendunk, zijn hoogmoed, zijn misprijzen voor de jongeren, zijn bedilzucht hebben mij ook gestoord. En uit het dossier blijkt overduidelijk dat “de aanklacht tegen Walschap” terecht is. Ik hou niet van God de Vaders, van welke origine ook, ik zie liever de solidaire auteur, die ondanks zijn succes blijft opkomen voor de “kleine auteur”.
Of ik met een zelfde veeg uit de pan ook “de Walschap-connection” onder de tafel veeg, is voor mij nog niet duidelijk. Je weet maar nooit met oude mensen! Laat ik het zo stellen: ik heb het niet voor ellebogenwerkers, vleiers, kuipers, smekers en eeuwigdankenden.

De bijdrage van Robin Hannelore (ik ben al 40 jaar jaloers op zo’n naam) heeft mij geboeid en ook veel geleerd. Ik heb dank zij Toussaint heel wat schrijvers ontmoet die ik vergeten was en toch (ook na hun dood) een goed hart toedraag: René Verbeeck, Anton van Wilderode, Maurice Roelants, Herman Teirlinck, Albert van Hoogenbemt, Paul Lebeau, Jan van den Weghe, Paul Snoek en (de levende) Walter van den Broeck.
Op verschillende bladzijden in dit nummer van “Heibel” komt de speciale plaats van het nummer drie van het eerste Heibeltriumviraat naar voren.
“De negatieve kritieken op de latere Walschap zijn legio. Ook in het oude “Heibel” kreeg Gerard ervan langs, en nog wel van Walter van den Broeck, die zich later nochtans ostentatief bij de Walschapvereerders schaarde” (blz. 53).
“Walter van den Broeck heeft vele jaren in mijn rekken gezeten met ‘Een Cola met zes Rietjes’… Een echte socialist, dacht ik. Maar toen begon hij over de koning en zichzelf te schrijven, en toen wist ik het wel” (blz. 65-66).
“… de verstokte heiden Walter van den Broeck” (blz. 68).
“Aan het triumviraat van Heibel kwam vrij vlug een eind. Door een organisatorisch misverstand in zijn enkels gebeten en ook omdat hij merkte dat zo’n Heibel gedoe toch niet de voorgeschreven route was om het literaire walhalla te bereiken, trok Walter zich na acht nummers terug uit de redactie” (blz. 68-69).

Julien Vangansbeke (alweer een die uit de oude doos is geklauwierd van de reeds of bijna gepensioneerden, mijn generatie dus) serveert op de hem bekende wijze “hersentjes met appelmoes”. De man van de goede oude Yang! Ik onthoud vooral zijn opmerking: “In het hoofd van ieder mens ontstaan gekke ideeën die nauwelijks een ademtocht lang standhouden, maar waar men niettemin vele decennia later nog aan gehecht blijkt te zijn. Zo vergaat het ook mij soms, met dien verstande dat veel van de ideeën die ik in mijn jeugd koesterde, intussen flink cynisch gekleurd zijn” (blz. 83). Dit overkomt mij ook, Julien.
Ook met zijn keuze van de drie jonge auteurs die de traditie van de Vlaamse vertelkunst op een overtuigende wijze voortzetten, ben ik het eens. En Dimitri Verhulst heeft ook mijn voorkeur. À propos? Hoe vergaat het de uitgeverij Wever & Bergh? Ik stuurde hem een mail, maar die blijft onbeantwoord.

Ook als Frans zijn oog laat vallen op Vervotje, ontwaar ik weer die drang naar deugdzaamheid. Onder haar pensionaatlook verbergt zij een eigen visie. Ik weet alleen niet welke visie? Dit komt wel meer voor bij onze vrouwelijke “pepkuikens”. Ze zijn BV, da’s juist, maar waarvoor staan zij? Dan toch maar liever Hilde Sabbe, die heeft een visie. En dat die niet strookt met de mijne, dat is bijzaak.

Samengevat: alweer een prachtig nummer: boeiend, ontwapenend, kritisch, ludiek, en toch onderbouwd, bijna wetenschappelijk.


Thierry Deleu

Heibel, het blad zonder blad voor de mond, 12de jaargang, nr. 3, Frans Depeuter, De Heikens 29, 2250 Olen (depeuter.frans@telenet.be) - abonnement kost 24 €, rekening 979-3986331-24.

17 oktober 2007

Onthaasten om te overleven

Mijmeringen van een jonge man op jaren

Pascal zei: “Al het leed van de mensen komt maar uit één ding voort, en dat is dat ze niet rustig in een kamer kunnen blijven zitten.”
Hoe komt het toch dat wij die goede raad in de wind (blijven) slaan? Historisch gegroeid? Logisch gevolg? Trage mensen stonden vroeger niet goed aangeschreven: ze waren klunzig, onhandig, plomp, zonder hart voor hun werk. De bijdehandjes werden op handen gedragen, zij die de gegeven bevelen met bekwame spoed uitvoerden.

Tot welk kamp behoor ik? Als ik zeg dat traagheid in mijn ogen tederheid is, dan weet je het wel. Traagheid is ook respect. Ik heb mij voorgenomen om traag, respectvol en aandachtig alle fasen van mijn leven te beleven. Ja, ik geef het toe: die goede voornemens kwamen er pas bij mijn oppensioenstelling.

Je zult inmiddels al begrepen hebben, lezer, dat de traagheid waarover ik het heb, geen karaktertrek is maar een levenskeuze. We mogen ons niet uit ons evenwicht laten brengen in een samenleving waarin we worden opgejaagd. Of anders gezegd: we mogen ons niet uit ons ritme laten duwen. Traagheid is te herkennen aan het streven om de tijd niet te bruuskeren en om onderweg onszelf niet te vergeten.

Ik weet het, het klinkt nogal absurdistisch, lezer, en toch voel ik mij nu veel beter dan toen ik als een opgejaagde homo sapiens de wereld wilde overtuigen van mijn snelheid, mijn handigheid, mijn (economische) flexibiliteit. Ik kies nu voor de vlucht in een ingedommelde wereld, ik maak gebruik van een risicovol en eenzaam schrijven, ik wacht op wat misschien nooit zal gebeuren, ik vouw de handen in plaats van ze te openen, ik verlaat mij uitsluitend op de wijsheid van de wijn.

Ben ik boos op de wereld? Maar neen, waarom zou ik? Leven is een buitenkans die mij (misschien) niet nog eens zal worden gegund. Op elk ogenblik meet ik die buitenkans af: hoe ik elke morgen weer in het licht en elke avond weer in de duisternis kom te staan; hoe de dingen hun jeugdige glans niet hebben verloren; hoe ik op mijn gezicht een glimlach waarneem. Het leven komt op mij af als een golving, als fijne druppeltjes, als een licht veeleer dan een kracht.

Tegenwoordig wordt het handelen (een ruimer begrip voor arbeid) als een hogere waarde gezien, alsof iemand die niet handelt ook niet leeft. Daardoor zijn de dromers, die in stilte beminnen of voldoende hebben aan het genoegen dat ze bestaan, stoorzenders. Vandaar dat ouderen de tijd willen inhalen die ze tijdens hun beroepsleven hebben verloren: ze zijn bekwaam in meer dan één vak, ze spreken meer dan één taal, ze beheersen meer dan één techniek. Een kind roept: “Mama, kijk zonder handen!” en de oudere roept: “Kijk eens wat ik (nog) kan!”

In godsnaam, waarom dit extreem vertoon van activiteit? Kan een ochtendje gymnastiek en een avondje dansen niet volstaan? Zou het niet wijzer zijn, ons enkele essentiële vragen te stellen die wij tijdens ons beroepsleven niet konden stellen bij gebrek aan tijd? Wie was ik? Wie ben ik? Wanneer heb ik de verantwoordelijkheid voor mijn lot aanvaard?

Wie was ik? Behoorde ik bij die schoolkinderen die er een sport van maakten om snel te gaan, om hun vriendjes achter zich te laten? Er al eens aan gedacht dat die leerlingen de oorzaak en de norm zijn van het bestaan van de zwakker begaafden?

Traagheid, beste lezer, is de laatste van de archaïsche waarden. Op alle terreinen waarop de menselijke geest actief is, komt het er in de eerste plaats op aan om steeds sneller te reageren, informatie te verzamelen, te zien en te programmeren. In vergelijking met dat nieuwe slag van mensen (de snelheidsduivels) zal de door mij geprezen soort (de traagheidsadepten) overkomen als luiaards, bijna psychomotorisch gehandicapten. En toch blijf ik bij mijn standpunt. Ik leg even uit waarom? Een lofrede op de arbeid werd (door de eeuwen heen) gefabriceerd zonder een duidelijk onderscheid te maken tussen enerzijds de voortdurende werkzaamheid van onze geest, van onze zintuigen en anderzijds de arbeid waaraan we in een bepaald maatschappelijk systeem zijn onderworpen. Door het handelen in zijn ruimste zin te verheerlijken heeft men het uitgebreid tot buiten de grenzen van de wereld en de tijd waarin de arbeid wordt verricht. Het wordt als hoofdregel gepresenteerd daar waar van rust en niet van vrije tijd wordt gesproken (de puberteit, ziekte b.v.).

Eindelijk hadden wij, de bejaarden (de niet meer zo van de jongste), het recht verworven om te rusten. Op een bankje in de zon te gaan zitten, te beginnen aan een eindeloos spelletje kaart, in een café ernstig een glas witte wijn te bekijken en het daarna met kleine teugen leeg te drinken, de ogen over de bladzijde van een krant te laten dwalen. Maar ook dat soort oudere mensjes is bijna verdwenen en maakt plaats voor flink ter been zijnde senioren die (nog) allerlei heldendaden willen verrichten. Voor mij hoeft het niet (meer).

Ik wil het nog even uitleggen, lezer (ook al ben je nog niet (zo) oud). Leer flaneren! Dat is niet de tijd opschorten maar zich eraan aanpassen zonder dat hij ons opjaagt. Snap je? Het betekent dat we beschikbaar zijn, zonder onze wil op te dringen. Vrijuit, langzaam stappen in een gehaaste stad, slechts waarde hechten aan het wonder van het moment. Een flanerende mens heeft iets soevereins, vloeibaars in zijn houding en straalt begrip uit. Gehaaste mensen flaneren niet. Ze hebben geen tijd te verliezen.

Opgelet, wandelen is niet hetzelfde als flaneren. De wandelaar heeft de behoefte om zijn activiteit te rechtvaardigen op grond van gezondheidsoverwegingen, zoals een goede spijsvertering, de longen vullen met lucht die per se zuiver moet zijn. Als je wandelt, doe je dat in het gezelschap van een vriend(in) en samen kun je dan lekker discussiëren over politiek, het dure leven, de metafysica en zelfs de sport. Ik wandel niet zo graag, ik flaneer liever, liefst met mijn vrouw. Wanneer de natuur een groots uitzicht biedt, geeft ze mijn gedachten een religieuze kleur. Ik denk na over de kwetsbaarheid van de mens, over kortstondig succes en over de naderende dood.

Het zou verstandig zijn ons leven te wijzigen: rustig naar iemand anders luisteren, ons overgeven aan dromerijen, een gelukzalig gevoel koesteren, ook als we ons wellustig uitrekken, waardoor we gapen van genot, dolgelukkig dat we niets hoeven te doen. Anders gezegd: alles kan, maar niets moet (nog)! Dat is mijn wijsheid. Spijtig dat ik het maar besef op oudere leeftijd! Lijkt dat een loflied op de verveling? Wat is er beter om vormen van ijdelheid, positie en comfort te ontkrachten dan “te gapen van verveling”? Ik gebruik het woord “verveling” omdat het zo vaak wordt gebruikt door onvermoeibare actievelingen die zich schuldig voelen als zij eens “niets doen”. Ik bedoel eigenlijk: zich overgeven aan dromerij. Is er iets dat beter de loop van de tijd vertraagt en ons de kans biedt om een tussenpositie in te nemen tussen waakzaamheid en onbewustheid? De dromerij overdag profiteert van een rustige luciditeit.

Mag ik even persoonlijk worden? Schrijven, niet in de eerste plaats om je talenten te beproeven, maar om te proberen dichter bij jezelf te komen en jezelf niet langer “voorbij te lopen”, is voor mij de affirmatie van mijn “traagheid”.

Thierry Deleu

Topmodellen op VTM

Van de meisjes op de catwalk zien wij slechts hun onnatuurlijke looppas en hun soms gewaagde kleertjes. Al jaren is de slankheid een hetze. De commercie draait op volle toeren: zowel in de modewereld als bij de apotheker, de kruidendokter en de plastische chirurg is het kassakassa! Slank is in, maar té slank is krielig en hoogst ongezond. Zelfs de Wereldgezondheidsorganisatie kan het niet langer aanzien: in Madrid zijn voor het eerst in de modegeschiedenis vijf topmodellen van de catwalk geweerd omdat ze te dun waren. Gerechtigheid is geschied! Iedere vrouw met een normaal of wulps lichaam wordt al veertig jaar geplaagd door het Twiggy-syndroom. Dit syndroom paart een onrealistisch en onpassend schoonheidsideaal aan even onrealistische en onpassende mode.

Sommige modellen willen zo graag mager zijn dat ze anorexia nervosa krijgen. Ze hebben geen zin om te eten en worden steeds magerder. Maar wat véél erger is: sommige meisjes van bij ons spiegelen zich aan die topmodellen en voelen zich te dik, ze zijn niet meer tevreden met zichzelf en hun lichaam en krijgen diezelfde magerziekte.

Ben ik tegen de mode, de haute-couture, de catwalk? Neen, driewerf neen! Ik hou van mooie vrouwen, mooie kleren, stijl, klasse, creativiteit, orginaliteit! Maar ik stel niet graag vast dat de vrouwelijke vormen worden gedegradeerd tot iets onethisch en onesthetisch. Het levert bovendien confectiekleding op die normale vrouwen slecht past en hun vormen lelijker uit doet komen dan nodig is. Wat in de paskamertjes tot nog meer frustraties en minderwaardigheidsgevoelens leidt.

Er is dus verbetering in zicht. Een tijdje geleden waren het nog de extreem magere meisjes. Het is nu belangrijker er speciaal uit te zien, dan echt een klassieke schoonheid te zijn.

En dan komt VTM op de proppen!
Ja, ik accepteer het graag dat poseren gewoon hartstikke leuk is. Je ontmoet er de gekste mensen en alle ogen zijn op jou gericht. Vlaanderen telt ook enkele héél bekende topmodellen. Ik denk aan Ingrid Seynhaeve, Sarah Marivoet, Hannelore Knuts, Ingrid Vandebosch, Anouk Lepere, Sieska Dochez, Kimberly Depraetere, Elise Crombez.
Deze laatste komt uit de Westhoek. Ze staat in alle modebladen. Ook voor modeshows wordt ze veel gevraagd. De Amerikanen zeggen van haar: “She’s Belgian, but she’s a sexy Belgian!”

Het woord mannequin komt van het Vlaamse woord “manneken” (kleine man), een houten pop die de kleermaker gebruikte om zijn kledingontwerpen met spelden op te bevestigen. Het woord werd vlug overgenomen in het Frans en vandaar wereldwijd via de modewereld verspreid. Het Engelse woord voor mannequin betekent veeleer paspop of etalagepop.

Om mannequin te worden heb je vooral geluk nodig. Of je moet door een jury goed bevonden worden van haar en pluimen. En je moet de grootste vernederingen kunnen doorslikken met een groot glas relativiteit. Te weinig borsten, te grote borsten, te dikke billen, te weinig gat, te kort haar, te lang haar, krachtige persoonlijkheid, helemaal geen uitstraling...

Waarom zijn Vlaamse meisjes zozeer in trek bij internationale modellenbureaus? Omdat zij een universele “look” hebben en het bescheiden, harde werkers zijn. Onze Vlaamse meisjes zijn ook minder “getypeerd”.

Maar met die kwaliteiten alleen, haal je het nog niet. Je moet ook nog het geluk hebben het juiste gezicht op het juiste moment te hebben. Uiteraard heeft een slank, fotogeniek meisje van 1m75 of 1m80 meer kans om het te maken, maar toch is toeval een belangrijke factor. In België zijn er bovendien enkele goede modellenbureaus met uitstekende contacten. Dat is al een eerste voorwaarde om bekend te raken. Bovendien krijgen Belgische meisjes vaak veel steun van hun omgeving en hun ouders, in tegenstelling tot bijvoorbeeld veel modellen uit de landen van het voorbije Oostblok, die zonder begeleiding in het wereldje worden gedropt. De meeste Belgische mannequins blijven gewoon hier wonen. Dat zorgt er allemaal voor dat ze geen sterallures kweken.

Zijn alle modellen fanatiek met hun gewicht bezig? Steken zij na elke maaltijd hun vinger in de mond? Neen, er zijn ook meisjes die hun gewicht proberen op peil te houden door gezond te eten en te sporten. Spijtig dat sommigen onder hen stoppen met hun studies. Wat zullen zij daarna doen? Uit betrouwbare bron weet ik nochtans dat zij tijd hebben om te studeren. Als model doe je niet veel anders dan wachten. Dan kunnen ze net zo goed een cursus leren en een bijkomend diploma behalen.


Joris Dewolf

16 oktober 2007

De tijd van toen - 60 jaar geleden

1
Met lei en griffel…
Mijmeringen over de tijd van toen

Ten jare 1946 schreef ik met mijn griffel op mijn lei. Vele lezers zullen dit antiek gedoe niet hebben meegemaakt. Spijtig, want nu nog droom ik van die tijd of ruimer: van de tijd van toen. Toen wij levertraan dronken, in sinterklaas geloofden, zilverpapier spaarden voor de zwartjes in Congo, toen nonkel pater elk jaar op bezoek kwam bij mijn vader, zijn klasgenoot (om geld in te zamelen voor zijn weeskindjes in de missie).
Zalig was het de griffel te hanteren als een verlengstuk(je) van je denken. Je kinderlijk denken. Over mama en papa, de Engelsen, de stoute kindjes in de klas die de zonde bedreven, bezeten van duiveltjes en gevallen engeltjes. Ik had geluk: op mijn rechterschouder zat altijd een goede engel, mijn engelbewaarder. Dank zij hem (was het nu een hem of een haar? Ook de meester kon het mij niet zeggen) kon ik mooi griffelen en mocht ik snel met inkt schrijven.

Het gebruik van griffel en lei op school begon al in de 18de eeuw. Een “luxe” uitvoering bestond uit een houten etui met griffel, lei en spons. Ik had alleen een griffel en een lei. In 1917 werd aangedrongen om over te gaan op het gebruik van papier en pen. Maar, zoals je hierboven las, bleef die oproep steken in het lawaai van twee oorlogen. Toen ik als eerste van de klas met inkt mocht schrijven, kon ik op lijntjes schrijven: het was beter te corrigeren en bovendien veel hygiënischer.

Opgelet, denk nu niet dat wij alleen schrijfles kregen,, ach neen, wekelijks kregen wij ook gymnastiek. Mijn eerste meester was een jonge gast (dat snapte ik pas jaren later, hoor), die zijn stage deed en af en toe controle kreeg van de hoofdonderwijzer. Van die laatste hadden wij schrik, ontzag eigenlijk, want hij was het ook die de stoute jongens aan de pomp op de speelplaats zette, handjes op het hoofd, met de rug naar de spelende kindjes. Op de speelplaats werd geknikkerd of aan bokspringen gedaan. Tegen de muur staan was ook een sport. Ook was er af en toe een vechtpartijtje en dan gingen wij er met ons allen omheen staan en jutten de kemphaantjes met luide kreten op tot de meester kwam toegesneld.

’s Winters kwam een conciërge de kachel in de klas aanmaken. Dat stinkend en rookspuwend ding had lange armen die tot aan het plafond reikten. O ja, we zongen ook. Vraag mij niet waarover. Later, op de jongensschool, was Peter Benoit in trek.

Bij griffel en lei behoorde ook een griffeldoos of sponsendoos waar de griffels in bewaard werden en waar ook een sponsje in zat om de lei schoon te vegen. Een aardigheidje bij stoute kindjes was ook om een groene erwt of een bruine boon bij het vochtige sponsje te leggen. Na enige tijd ging die erwt uitlopen en kwam er een groen stengeltje uit.

We zaten met twee op een bank. De in de bank verzonken inktpot werd door beiden gebruikt. Soms staken wij onze pen te diep in het holletje en maakten blad, bank en onze vingers extra blauw.

Ja, nu ben ik opa - “baba” zegt mijn kleindochter – en is de tijd van griffels en leien lang voorbij. Een lei was gemaakt van een bepaald soort steen. Er zat een lijst omheen. De griffel was een soort krijtje. In het tweede trimester van het eerste leerjaar schreef ieder kindje al met een kroontjespen in een schriftje. Iedereen had ook een inktlap. Daaraan veegden we de kroontjespen af als we klaar waren. Weet je, lezer, dat de meisjes in die tijd andere lessen kregen dan de jongens? Zij leerden breien en naaien. Als ze negen was, moest een meisje een sok kunnen breien en gaten kunnen stoppen. Jongens hadden vaker turnles op de speelplaats. Als eentje van ons héél stout was geweest, kreeg het een bord in zijn handen gestopt waarop het woordje “ezel” stond of waarop ezelsoren waren getekend. Lezen gebeurde altijd hardop en klassikaal. Schrijven bleef echter lang het belangrijkste. Iedereen moest zijn pen op dezelfde manier vasthouden. Vaak werd er aan “schoon schrijven” gedaan. Dan moesten we met onze vinger in de lucht gaan schrijven.

Schrijven met griffel en lei of schrijven met een kroontjespen in je schrift, het bleef gelijk: wie het mooiste kon schrijven, werd geacht ook de knapste van de klas te zijn. “Het is een slim kind, kijk eens hoe schoon het al kan schrijven!” zeiden de trotse grootouders toen. Maar ook werd er gerekend, meestal veel rijtjes met geldsommen, en verder moesten we altijd alle tafels uit ons hoofd kennen.

Het schoolgebouw stond halfweg de Hoogstraat, een straat met veel vlaskopers en vlaspieten. Bijna elk huis had een half open deurtje waar je de mannen bezig kon zien. De school had twee toegangen, twee speelplaatsen en een tiental klassen. Te midden van elke speelplaats stond een rij bomen. Elke speelplaats had ook een afdak voor het geval dat het regende. Dat afdak noemden wij “de remise”: we draaiden ons zot rond de ijzeren paaltjes die het geheel stutten. De weg naar school liep voorbij een snoepwinkel. Daar liepen veel kinderen binnen, zowel ’s ochtends of na de middag op weg naar school. De snoepjes die het best verkochten, waren “een scheet op een stok” (een bal op een stokje die bij elke stevige lik van kleur veranderde) en “zwarte slingers van zoethout”. Smakelijk.

Waar de meester zat in ons eerste klasje? Waar hij toen altijd zat, met name vooraan op een verhoog achter een lessenaar. Door deze hoogte kon hij alle kinderen goed zien, want wij waren met dertig. Met zoveel kinderen orde houden was niet altijd gemakkelijk.

2
Mijn eerste schooldag

Van mijn eerste schooldag herinner ik mij geen bal meer. Denk erom, dat ik een vooroorlogs kind ben, geboren op 11 februari 1940, enkele maanden vooraleer de Duitsers en masse België bezochten. Toch zijn enkele gebeurtenissen in mijn geheugen vastgeroest.
Als kleuter ging ik naar de Meisjesschool waar de “masoeurs” hun primitieve bezigheidstherapie op ons uitprobeerden. Ik herinner mij de twee zusjes (in mijn ogen toen reeds grote meisjes) met een punaise in hun voorhoofd geduwd. Ze waren stout geweest en stonden te schande op de speelplaats. Pas veel later ben ik te weten gekomen dat die punaises twee ronde plakkertjes waren. Of die keer dat wij met z’n allen moesten toekijken hoe een stout jongetje in de rattenkelder werd opgesloten. Wie van mijn leeftijdsgenoten kan de pijniging met de grote lepel levertraan vergeten. Een echt trauma, maar… werden wij er niet sterker door?
Op zekere dag mochten (?) wij de boot van sinterklaas tekenen op onze lei, op weg naar Vlaanderen. Ik maakte die boot zo mooi (de romp grijs, met mijn vingertje uitgewreven) dat zuster Bergmans met mij in haar spoor alle klassen liet doen. Een mobiele expositie van één kunstwerk. Denk maar niet dat dit mijn enig teken is geweest van intelligentie. O neen, ik kreeg vaak prentjes van heiligen als beloning voor een goed werk of een goed antwoord. Of waren het de briefjes van 20 die mijn moeder de zusters toestak, die mij zo “knap” maakten?

Na dit jaar kleuterschool belandde ik in de Jongensschool, het gemengd onderwijs was voorbij (tot mijn 15de; toen kwam ik in het K.A. van Kortrijk - eindelijk weer - bij meisjes terecht). In de Jongensschool bleef ik twee trimesters. Ik was de eerste van de klas die met inkt mocht schrijven! Ik was de derde van de klas en mijn trotse vader reed met zijn fiets door regen en wind naar Kortrijk om daar een speelgoedsaxofoontje te kopen voor zijn pienter “manneke”. De derde trimester vonden mijn moeder en een dokter van de mutualiteit het raadzaam om mij naar “Het Rustoord” te sturen aan zee in Westende. Ja, zo noemde dit centrum. Om de gezonde zeelucht in te ademen.
Uit die tijd herinner ik mij het bezoek van meneer en mevrouw Allaert (meneer was handelsvertegenwoordiger en mocht hemden toeleveren voor moeders winkeltje). Ze hadden een grote zak snoep mee. Nog maar pas waren ze deur uit, of de zuster van toezicht nam mij de zak af, met als argument dat ik mij “slecht zou eten”. Als recreatie mochten wij in de lage duinen voor het centrum spelen. De nonnetjes stonden aan elke hoek van het terrein toe te kijken en te speuren naar kindjes die liever wegliepen… uit frustratie voor zoveel kampdiscipline.
Uit die tijd komt ook het verhaal van het gebreide wollen zwempakje dat, wanneer ik uit de zee kwam, veel langer en zwaarder was geworden.

Mijn eerste schooldag? 1945, 1946? Ik weet het niet meer. In het eerste leerjaar kreeg ik les van een “lange” meneer, roodharig, zoon uit een café, hij luisterde naar de naam Soenen. Op school had je de kleine en de grote Soenen. Bij de kleine kwam ik terecht in het tweede leerjaar (“studiejaar” zegde men toen). Een streng ventje dat thuis niets te piepen had en op school rond zijn oren meppen uitdeelde en op onze kneukels trommelde bij het minste vergrijp. Toch hebben mijn neefje en ik het bij hem aangedurfd om te spijbelen (“hagemuiten” was toen de term). We sloegen halfweg de Moorseelsestraat een zijstraatje in en keerden terug naar huis waar wij ons verstopten in het kippenhok, dicht tegen elkaar, de knieën opgetrokken, in doodse stilte. Maar een oud buurvrouwtje (wat haatte ik dit mormel) had ons die afwijkende beweging zien maken en ons verklikt bij mijn oom. Amai, wat kreeg mijn neefje klop, hij moest bovendien op zijn blote knieën op een tapijt van omgekeerde bierschuitjes zitten. Vader was milder en gaf mij enkel een tik.

Wat ik mij nog goed herinner, zijn de Engelsen op straat en bij ons thuis. Op een dag kwam ik van school en in de Lauwestraat gooiden de Engelsen vanop hun legerauto’s kauwgom uit. Ik wilde ook mijn deel bijeengraaien toen ik door een fietser werd aangereden. Hij bracht zijn wenend slachtoffertje naar huis waar moeder hem bedankte voor de goede zorgen (had hij mij niet omvergereden?). Twee Engelsen kwamen vaak bij ons thuis hun dag doorbrengen. Joe en Harry heetten ze. Brave jonge manen die mij verwenden met snoep en blikken confituur. Daar lag ook de kiem van moeders winkeltje in textiel. Ze kreeg van haar “logeurs” stapels dekens en hiermee startte zij later haar zaakje op. Joe stuurde ons na de oorlog tot halfweg de jaren ’50 elk jaar met nieuwjaar Turks fruit op.

Tijdens de oorlog woonden wij een paar jaar in Rekkem, een grensdorpje. Mijn ouders en mijn oom en tante met mijn neefje en nichtje waren naar ginder gevlucht. Wevelgem was immers te gevaarlijk geworden omdat het vliegveld bijna elke dag werd gebombardeerd. Ik herinner mij van deze korte periode twee dingen. Op zekere dag beet ik in de arm van een buurjongetje en mijn tante bond mij vast aan de “buzestove” (lees: Mechelse kachel). Ik was het ook gewoon om met het licht aan in te slapen, maar tante was daar niet voor. De eerste voornacht weende ik tranen met tuiten, maar tante begaf niet. De volgende nachten gedroeg ik mij als een dappere soldaat.
In die tijd moesten moeder en ik ook vaak (elke week?) naar de dokter om mijn oor te laten onderzoeken. Ik werd geopereerd voor een kwalijke oorontsteking. We reden met de tram of gingen te voet naar Menen. Bij dokter De Backer. Die man vergeet ik van mijn leven niet. Hij was zacht en had begrip voor mijn angsten.

Mijn eerste schooldag kan ik mij niet herinneren, maar hij zal niet zoveel anders zijn geweest dan jouw eerste schooldag, lezer: opgewonden gesnater van de moeders, het gekreis van hun kroost, tranen die worden weggepinkt, rokken die het hard te verduren krijgen, en nog van die “gezellige” toestanden waar je later een opstelleje over schrijft.

Thierry Deleu

Brief uit "à titre Personnel" - brievenboek

De oude man en de zee (dd. 18 december 2001)

Er was eens een ouder wordende man die met één been op de aarde stond en met het andere in de hemel. De tijd dat hij jong was, was voorbij. “Hij is niet eens middelmatig,” zeiden de enen. “Hij is erg begaafd,” dachten anderen. Hij had in het literaire wereldje van zijn klein landje toevallig een bergje bezet. Hij had er zich in geschikt en leefde van de ene dag in de andere. Hij las niet veel; hij vond de meeste romans nogal truttig. Eigenwijs dacht hij: “Ik schrijf beter zelf een roman.” Bij het licht van een flakkerende kaars zat hij verdiept in zijn schrijven. De stift in zijn rechterhand ging van links naar rechts over het wastafeltje, met zijn linkerhand wreef hij de fouten dicht. Hij schreef over de liefde en over het geluk dat hem toelachte. Of was het de Maagd Maria die hem de hand boven het hoofd hield?

Alweer - voor de laatste keer? - tokkel ik op mijn luit een zelfde lied, mijn levenslied. De meeste mensen leven tot kort voor hun dood, anderen leven tot en met hun dood, ik zal leven na de dood, vriend. Heb ik niet evenveel reden daarin te geloven in de hoop gelijk te hebben, als er niet in te geloven in de angst ongelijk te hebben? Denk eens aan de bijna-doodervaringen. Zijn dit tekenen van onsterfelijkheid of louter het resultaat van fysiologische restactiviteiten? Is het zo verwonderlijk dat ik geïnteresseerd ben in zaken als reïncarnatie, contact met geesten en andere occulte verschijnselen? Atheïsten geloven niet in die nonsens? Vooreerst: ik ben geen atheïst en ten tweede het woord “atheïst” is een sterk gekleurde term die veel interpretatie in de hand werkt. In de meeste gevallen is atheïsme niets anders dan een verbale maskerade waarachter andere, zelfs diepreligieuze, gevoelens schuilgaan. Zeg dat Deleu het gezegd heeft! Neen, neen, ik verheerlijk de dood niet. Ik geloof dat wij de kwalijke kanten van de dood niet gauw uit het oog zullen verliezen: de dood scheidt ons van onze geliefden, er gaat vaak veel leed aan vooraf in de vorm van ziekte of letsel, en bovendien sterven mensen veel te vroeg, op jonge leeftijd, voor ze de kans kregen om te doen wat ze tijdens hun leven graag hadden gerealiseerd.

Ik las een steengoede recensie over mijn Ik zou liegen als ik het anders zei in “De Nieuwe Gemeenschap”, nr. 3, oktober 2001. Hoofdredacteur en algemeen voorzitter van het Vermeylenfonds Johan Soenen schrijft: “Onlangs - in mei 2001 - verscheen een opvallende bundel toespraken en essays van de West-Vlaamse auteur Thierry Deleu… De (merkwaardige) titel van deze bundel Ik zou liegen als ik anders zei spreekt als het ware boekdelen, letterlijk en figuurlijk. Enerzijds verzet Deleu zich als voorstander van het vrije denken en het vrij onderzoek tegen elke vorm van leugen. In zijn teksten is hij steeds op zoek naar eerlijk en open denken, naar de in- en overzichten van diverse levensaspecten. Anderzijds verwoordt hij dit in zijn typische eigen stijl en zou hij het inderdaad niet anders kunnen of willen zeggen. Hij hanteert veelal, overtuigd van de door hem nagestreefde waarheid, een indringende oratorische taal, nu eens rustig uitgebalanceerd, dan weer overdonderend. Hoe dan ook, zijn teksten, althans zijn “gesproken” teksten, zijn steeds gekruid met alle kenmerken van een overtuigende retoriek. Afgezien van de inhoudelijk logische en chronologische opbouw zit Deleu's taalgebruik an sich vol afwisseling, stilistische spanning, plastische beelden, ritmische staccato's en crescendo's, verrassende tegenstellingen, ironische tussendoortjes, doelbewuste overdrijvingen, pedagogische herhalingen, etc. (Tussen haakjes! Dit soms opvallend oratorisch taalgeweld staat in sterke tegenstelling tot Deleu's poëzie, waar zijn taal vaak gekenmerkt wordt door soberheid, eenvoud, ingetogenheid, teder minimalisme. Ik denk hierbij aan zijn onlangs verschenen verzamelbundel In de weelde van de liefde, verschenen in 2000 bij De Gebeten Hond.) Maar laten wij de uiterlijke vorm even terzijde, en laat ons terugkeren naar de inhoud van ons boek in kwestie. Ik zou liegen als ik het anders zei omvat een aantal teksten van Thierry Deleu die niet onder één hoedje te vangen zijn, en dit om diverse redenen. Enerzijds is Deleu een erg "uiteenlopende" persoonlijkheid die schrijft van uit diverse invalshoeken: als gedreven onderwijsman, als sociaal-cultureel werker, als kenner van kunst en kunstenaars, als dichter en schrijver, als kabinetsmedewerker, als geschiedkundige, als levensfilosoof, als vrijdenker en als lid van de loge (nvdr: in slaap). Anderzijds behoren de geselecteerde bijdragen tot diverse genres: essays, toespraken, biografische schetsen, lezingen. Daarenboven overspannen de zowat dertig hoofdstukken een schrijfperiode van ruim 30 jaar, gaande van 1966 (bedenkingen bij het ontstaan van de provobeweging en de vrije tijdsmaatschappij) tot 1999 (een overzicht van het onderwijs in Vlaanderen, de jongste hervormingen binnen het Gemeenschapsonderwijs inbegrepen). Om verder de rijke diversiteit van deze verzamelbundel te illustreren kan men, naast de vele bladzijden waarin de auteur het werk van plastische kunstenaars onder de loep neemt, de aandacht vestigen op enkele in het oog springende bijdragen, o.a. Deleu's commentaar bij de monografie die hij zelf over de Harelbeekse burgemeester Marc Bourry heeft geschreven, zijn studie over Hendrik Conscience in Kortrijk en over de West-Vlaamse dichter André Velghe. Opvallend zijn ook enkele lezingen die hij heeft gehouden op bijeenkomsten van diverse loges, o.a. Vrijmetselarij en Vaticaan. De banvloek en het hoofdstuk gewijd aan Duistere Machten. Afgezien van deze enkele titels kan men Ik zou liegen als ik het anders zei heel wat ontdekken over onderwijs, opvoeding, vrijetijdsbesteding en cultuurbeleid. Alles bij elkaar ruim 240 goed gevulde bladzijden die, zoals reeds gezegd, heel wat verscheidenheid vertonen, maar dan toch door één fundamenteel principe van de auteur onderling sterk verbonden zijn, nl. door zijn respect voor waarheid en oprechtheid. Leugen en hypocrisie zijn niet aan hem besteed.”

Vriend, ik heb jouw laatste brief aandachtig gelezen en opnieuw gelezen. Wat een verbaal machtsvertoon! Ofwel schrijf je jezelf de eeuwigheid in als rebel, - een ambtenaar die zijn laars veegt aan spreekrecht en zwijgplicht -, en eerlijk, zo heb ik jou het liefst: dit is mijn waarheid, waar is deze van u? In mijn advies aan een van een jong gemeenteraadslid heb ik geschreven: “Vriend, laat mij toe eerst jou te feliciteren met je politieke toewijding: bezig, alert, rechtlijnig, (nog) niet bereid tot compromis... Natuurlijk wordt je houding niet altijd in dank aangenomen (nooit?), maar toch kunnen zij (die jou minder genegen zijn of jou duchten) niet meer om je heen. Toch deze raad: in de politiek is niemand te vertrouwen, zelfs je beste “politieke vrienden” niet, je bent soms beter af met een oppositielid of een andersdenkende: (bijna) iedereen komt op voor zichzelf of voor zijn naasten (vrouw, kind, lief, beste vriend of een of andere onnozele die niet bedreigend is)."

Vriend, onze brieven (ik hoop dat zij worden gepubliceerd) zijn doorspekt van nieuwtjes, ideetjes, suggesties, filosofietjes, openbaringen, vriendschap, liefde, oordelen en vooroordelen, waarheid en leugen (hoewel wij beiden ons uiterste best doen om dit laatste te vermijden). Jouw laatste brief getuigde enerzijds van enige verbittering, enig ongeloof om zoveel misverstand (of bedoelde je: onverstand?), en anderzijds van verwondering om zoveel misvatting, zoveel cultureel wanbesef, dat hij (de brief) hard aankwam. De schrijver van de brief speelde op de man, - en dit is tegen de regels -, maar ik begreep en vergaf. Ik dacht: oei, daar zal veel censuur aan te pas komen. Wij zullen zelf censureren daar waar wij vermoeden dat wij te intiem zijn geweest, of te bits, te kwetsend, of te ongenuanceerd.

21 december wordt weer een van de topdagen in ons bestaan. Een etentje in ’t Vossenhol te Tiegem. Om het voorbije jaar te overschouwen (tussen aperitief en hoofdgerecht), om plannen te maken voor 2002 (bij het hoofdgerecht), om een langetermijnplanning op te stellen tot 2005 (tijdens en na het dessert).
De romans. Nu Eindterm en Amélie Laforêt bij mijn uitgever liggen (die mij onlangs nog beloofde de twee romans te kunnen uitgeven in 2002, de eerste in het voorjaar, de tweede in het najaar), werk ik bezeten aan de derde of historische roman, Arsène du Frêne, heer van La Vallade. Ik besef heel goed dat mijn vlijt een lelijke deuk zou kunnen krijgen als het eerste boek slecht wordt onthaald. Maar ik maak er nu reeds een punt van dat dit niet mijn grootste zorg zal zijn. Ik besef dat ik geen grootse wereldliteratuur schrijf, veeleer klein-Belgische kost met Vlaamse ingrediënten. Mijn vrouw zegt: “Genre Schouwenaars.” Daar ben ik tevreden mee. Schouwenaars kon mij boeien: leesbare, herkenbare taal, verbeelding geënt op realiteit. Lees: sterk autobiografisch.

Ik kocht in de solden Monika lo Cascio’s debuutbundel, Tussen martini bianco en roxy music, bij mij uitgegeven (een Schaap Boek) en voorgesteld in het Sheraton Hotel te Brussel in 1983. Monika was toen reeds de vriendin van Ward Ruyslinck, nu heet ze Monika Ruyslinck-Macken. Monika heeft uitstraling als mondaine dame (met twee supermooie benen). Het talent van Gjelt de Graaf nam ik uit de spaarbank (solden in de bib) omwille van de titel. Talent. Hoeveel keer heb ik mezelf de vraag gesteld: “Heb jij talent? Of baart oefening bij jou ook een bijna-kunstervaring?” Toen ik bovendien op de flap las dat het verhaal zich afspeelde in Portugal, was ik bereid tot een investering van een halve euro. In het plastiek ezeloortje achteraan binnenblad steekt een briefje, met de mededeling: “Je mag dit boek vier weken houden. Breng het ten laatste terug op 26 oktober 1993.” Het talent (1990) was drie jaar een bestseller.

Lode Laperre in galerij “Koenraad Dewulf” in Watou? Lode is jong, da’s zeker, een jonge belofte, dat weet ik niet, vernieuwend, neen, wel emotioneel in het hanteren van het penseel. Ik twijfel niet aan zijn technische kennis, maar de kracht van de verbeelding steekt zich nog aarzelend weg achter een scherm van kleurlagen. Is het aarzeling of angst? Angst om zichzelf te zijn? Is zijn schilderen een tegenwicht of complementair? Een zoektocht naar een wankel evenwicht? Of is hij gedreven naar erkenning en hierdoor uit op herkenning? Een eigen stijl? Allemaal vragen die in mij opkomen als ik naar zijn werk kijk. Is zijn communicatie met de beschouwer, de lezer, niet gestoord? Hij overdekt zijn doek met toevalligheden die na lang beraad tot stand komen. Is dit geen contradictie? Indien niet, hoe definieert hij het toeval? Als een kunstgreep of een kunstingreep? Lode’s werk boeit, maar toch moet hij beseffen dat de onrust die hij nu creëert, later de boodschap in de weg zal staan.
Koenraad Dewulf is een hedonist, - gelukkig in zijn branche van investment en small response -, een zoeker die zijn blik laat glijden over de artiest en zijn werk en afweegt, wikt en weegt, aftast en soms afstand neemt, zich verwijdert, voorgoed, of het warm krijgt en zijn euforie niet meer aan banden legt. Een boeiende mens, een zoon van Salomo, met zin voor schoonheid, kracht en wijsheid. Koenraad denkt constructief en handelt soms destructief. Dit is eigen aan einzelgängers die Tempels bouwen.
"De Tempel" van de Oosterse hutsepot, schuin over zijn atelier, had ons in enkele seconden in de ban. In de ban van de humor, de relativering, het zotte overstijgend voelden wij ons als in de zevende hemel. Met ons vieren is er altijd geluidshinder en lawaaibezoedeling, en ambiance in de keet. Waarom is dit zo? Omdat wij leukerds zijn? Of omdat wij elkaar nog niet hebben opgesoupeerd? Omdat wij als vrije en eerlijke mensen met elkaar omgaan, punt andere regel!

Je vriend

15 oktober 2007

HD's Cartoonhoekje




Renée B's prozaïsch kantje

- De sterren staan zo schoon, vannacht.
- Mmm.
- En het is zooo stil. Het lijkt wel de Provence.
- Je hoort de auto’s op de ring.
- En in de Provence hoor je niks, zeker? Alsof ze daar geen krekels hebben die je wakker houden, de hele nacht. Om van het gebral op de camping maar te zwij­gen. Neen, dan zitten wij beter hier, in onze tuin, naast onze slapende buren.
- Nu wij toch niet met vakantie gaan, kunnen wij dat geld best besteden aan een terras.
- Een terras? Maar wij hebben een terras. Als ik het licht aandoe, kan je het zien.
- Ik wil een Mooi terras.
- Een Mooi terras? Zoals die van hiernaast zeker? Die hebben het hunne laten ver­bouwen en nu lijkt het op een duivenkot.
- Ik wil een GROOT terras, met een stuk overdekt. En een ingebouwde BBQ. En misschien kunnen wij in de tuin een zwembad laten graven.
- Een zwembad? En waar gaan wij dan zitten? Of wou je dat bad gebruiken om je verkoolde koteletten in te kieperen misschien?
- Wij kunnen een terras laten bouwen over twee verdiepingen: een duplex-terras. En achter in de tuin komt het zwembad en dan hebben wij nog plaats vrij voor ligstoelen.
- In teak. En als ik dan zo’n wit pak aantrek en madam haar cocktail breng, dan is het net of zij ligt aan boord van haar yacht. Neen, wij laten het maar zo. Het is ruim goed zo.
- Jouw broer heeft een groot terras.
- En een veranda. En een mercedes. En mijn broer heeft ook een grotere pré.
- Wat als wij nu eens gingen verhuizen?
- Ge gaat toch niet weer beginnen, hé?
- Wij zouden ’n villa kunnen huren, of kopen, in Schil.
- Ik ga niet verhuizen en iedere dag kilometers vreten, van in Schil tot op mijn werk.
- D’er staan tegenwoordig heel wat villa’s mét zwembad vrij.
- Ja, voor 26 mio. En jij ook; jouw werk is vlakbij. Je kan er bij wijze van spreken te voet naartoe, als madam niet zo gesteld was op haar auto.
- Ik wil een Golf Cabriolet.
- ’n Golf cabriolet. Een golf Cabriolet! Maar wat heb jij toch? Je bent toevallig wel met een gewone bediende getrouwd.
- Alsof ik dat nog niet wist. Maar jij hebt toch die erfenis gekregen?
- Die erfenis, hoe vaak moet ik dat nog zeggen, heb ik opzij gezet. Dat is geld voor later. Trouwens, papy was nu ook geen miljonair.
- Later. Later. Wat hebben wij daaraan? Wie zegt dat wij later nog bestaan? Waarom kunnen wij niet
- dat geld verpatsen aan jouw grootheidswaan! Neen, ik zeg het nog één keer: ik ga niet verhuizen. Ik blijf zitten waar ik zit.
- maar ik wil zo graag naar Schil!
- en ik heb mijn buik vol van dat gezaag. Het is niet omdat jij ooit drie maanden in Schil hebt gewoond, voordat je moeder je heeft buitengegooid, dat jij daar je roots hebt en dat ik
- 3 jaar! Ik heb 3 jaar in Schil gewoond. Ik was gelukkig daar.
- 3 weken of 3 jaar, het maakt niks uit. Het enige wat jij wilt, is de naam: ‘Ik ben madame Chichi uit villa Tralala in Schil.’ Ik dènk er niet aan. Ons huis is een simpel rijhuis met alles d’erop en d’eraan. En het is bijna afbetaald.
- Wij betalen af aan een krocht!
- Een krocht met een spiksplinternieuwe oprit en een fonkelnieuwe haard.
- Door mij betaald! Met geld van mijn oma!
- Steffie is hier geboren. Steffie gaat hier naar school. Ik heb mijn parochiewerk
- Pilarenbijter!
- Luister! Als jij wilt verhuizen naar Schil, dan moet dat zonder mij. Ga nog maar wat bij jouw oma flemen, misschien is zij wel preneur.
- Ik weet een veel betere manier!
De aannemer die de oprit had gelegd – ‘Blauwe steen staat altijd chique. Ik ga het zelf ook leggen, rond mijne villa.’ – had haar in meer dan één opzicht verbaasd.
Zo jong nog en al een villa!
‘Waar ligt jouw villa?’ vroeg zij verwijtend.
Hij lachte. Hij had een gaaf gebit.
‘Wil je komen kijken?’ nodigde hij uit. ‘Dan stel ik je meteen voor aan mijn pa.’
Voordat zij het wist, had zij ja gezegd. Zij, een getrouwde vrouw, zittend op de duo­bank van zo’n aannemersbus, in de geur van zweet en oud leer. Mark wist van niks. De villa was een juweel. Hoewel nog lang niet af, wist Renée meteen dat dit de villa van haar dromen was. De aannemer nam haar bij de hand en toonde haar de kamers. Hier ging de keuken komen met uitzicht op de kloostertuin. In de living plande hij een open haard, een échte, maar daar hield Renée niet van: al dat stof ’s anderen­daags!
‘Beter een cassette,’ besliste zij.
Hij lachte: ‘OK, als jij dat liever ziet.’
Zijn pa stond te grijnzen op het dak. Rudi had gezegd dat zij zijn mooiste cliënte was.
‘Cliënte, hé?’ had hij gedaan. Vader en zoon wisselden knipogen uit, terwijl zij ver­rukt naar de slaapkamer liep: ingebouwde kasten, aangrenzend douche en toilet. Nogal wat anders dan die armzalige demistock waarmee zij het moest stellen.
Op de terugweg had hij over haar knie gewreven. Zij zag het als een gebaar van medeleven.
En toen ging alles in versnelling. Met hetzelfde gemak waarmee Rudi haar mee naar Brasschaat had getroond, troonde hij haar nu mee naar bed. Zij, een getrouwde vrouw, met een maat 44! lag in Marks bed, hij had geen idee, en zag dat strakke lijf, zonder bierbuik, zonder kletskop. Voortaan liep alles volgens een vast stramien. Rudi kwam – hij installeerde nu een cassette die een afstandsbediening had - zij openden een fles Pineau en doken in de koffer. Nadat hij haar alle hoeken van de kamer had laten zien, ging het over het behang dat er in de villa kwam en over tegels en klinken op de deuren in de gang. Zij hadden tegenwoordig van die práchtige klinken. En van die gekleurde stopcontacten, 600 frank, het stuk. Maar het gesprek was niet altijd zo frivool: hoe moest dat nu als de villa af was? Kwam zij er met Steffie wonen? En was het niet wreed voor Mark, zo plots zonder vrouw en zonder kind? ‘Komt tijd, komt raad,’ vond Rudi luchtig. Liefde maakte hem zorgeloos. En Mark was ook zo’n lul die maar niet wou verhuizen en haar een degelijke train de vie verschaffen.
De auto. Naast de villa had de auto de doorslag gegeven. Eens, toen zij hem na de partouze het uitgeleide deed tot op de hoek van de straat, zag zij dat Rudi dit keer reed in een rooie BMW! De Porsche stond in de garage. Zij was prompt in tranen uitgebarsten en had gesnikt: ‘Dit is teveel voor mij.’ Zelfs de dokters van het OCMW reden niet rond in zo’n BMW, maar ja, dokters, dat waren tegenwoordig ook maar armoedzaaiers.
Aan haar geheime leven van femme comblée kwam bruusk een eind toen de cassette d’er stond. Renée probeerde Mark ervan te overtuigen het terras te laten verbouwen, maar hij wou van geen rede weten. Plots werd het zeer moeilijk Rudi te bereiken. Zijn GSM stond op voice meel en zijn adres had zij niet – hij woonde nog steeds bij zijn pa & ma op een domein van 17 hectare en evenveel paarden en zij was glad ver­geten te vragen waar dat was. Zij reed geregeld naar de villa in Brasschaat, haar villa in Brasschaat, maar daar viel geen hond te bespeuren. Zij liet een briefje na op de plek waar later haar fornuis ging staan.
Na ruim 3 weken belde hij. ‘Sorry schat, druk druk druk,’ en nu moest hij ook nog naar het buitenland! Hij wist niet voor hoelang, dat was allemaal nog niet geregeld, maar zij zou het wel horen als-ie terug was. Renée, een maat 42 nu, zonk door de knieën. Zij smeekte hem nog éénmaal te mogen zien voordat hij de baan opging. Hij was niet erg happig. Vreesde plots haar echtgenoot. De buren. En dat zij onredelijk was. Renée pleitte. Renée eiste. Renée kirde en krijste, soap zonder teevee, en einde­lijk kwam het tot een compromis: zaterdagavond in de Memories, een danstent voor geblutste harten, bij de kerk te B.
Op zaterdagavond naar de Memories gaan is gauwer gezegd dan gedaan. Renée moest eerst een interne culturele revolutie ontketenen, voor de gezellig snorrende cas­sette. Mark hoorde het in Keulen donderden. ‘Wat moest zijn kerkgenootschap daar­van denken?’ Renée loeide dat zij daar lak aan had. Dat zij bijna veertig werd. Dat zij al die tijd naast hem had gezeten, van toen haar moeder haar had buitengesmeten, met enkel dat lusterke, weet ge nog? als bagage. Dat zij sinds Steffies geboorte niet meer uit was geweest en het kind werd er 16 en dat het daarbuiten vrouwenemancipatie was en dat zij zin had in een glas, met vriendinnen, in de Memories. Mark her­ademde. Hij wist niet dat het om een kiekenavond ging. Klokslag twaalf werd zij thuis verwacht.
Assepoester. Renée had een Assepoestercomplex. Toen zij op de trap van haar moe­ders bunker zat - het mens kon maar niet verdragen dat zij twee lieven had – met dat armzalige lusterke in haar schoot, zwoer Renée dat het nu gedaan was met haar te behandelen als een sloor. voortaan gaan zij opkijken naar mij! Mark, toen nog de prins op het witte paard en van de twee lieven de beste partij, had zich ruiterlijk over haar ontfermd. Was meteen met haar getrouwd. En hoewel zijn ma een sjieke villa had, met 72 ramen, en Frans sprak, (‘On n’aime pas cette fille’), en een inwonende poetsvrouw had, voor die 72 ramen, kwam zij toch in een rijhuis terecht. Anderhalve stock Van Aken. Terwijl haar broer in een fermette zat en Marks familie het breed liet hangen. Zelfs de buren boerden beter dan zij!
‘Zij hebben ook een andere post dan gij,’ merkte Mark dan op. ‘Zij doen iets anders dan deeltijds konten vegen bij het OCMW.’
Renée was omringd door een boze schoonmoeder en schimpende schoonzussen. En haar prins op het paard was een patattenzak. Zelfs in Steffie was zij ontgoocheld, omdat het kind de wits niet had om naar Les Dames te gaan in de stad, waar Renée haar kon gaan afhalen. In een Jeep. Maar eens ging haar dag komen. Dan werd zij meegenomen naar een villa in Brasschaat – Schil was natuurlijk beter geweest – en pronkte zij met dure kleren, scheurend in de Porsche. En het sprookje dat haar leven dan was, ging nú van start, tussen dit en middernacht.
Rudi was er nog niet. Renée bestelde een glas en installeerde zich aan een tafeltje alleen. Na luttele ogenblikken bracht de kelner een tweede glas.
‘Van mijnheer daar.’
Een rosse baard en schouderlang haar, een schurftig, artistiekerig type hief in de verte zijn glas. Zij knikte stijf terug. Almeteen stond hij naast haar.
‘Eerste keer hier? Dat moet wel, hé? Anders had ik je al gezien: ik heb een neus voor klassevrouwen.’
‘Ik wacht op mijn verloofde.’
‘De gelukzak! Ken ik hem?’
Een échte klassevrouw ging hier niet op in. Maar dit was de eerste keer dat zij voluit over Rudi praten kon en Renée was niet te houden. De villa in Brasschaat, de Porsche in de garage, het bloeiende aannemersbedrijf, alles passeerde de revue.
‘Als dat het lief van Debbie niet is,’ mompelde hij.
‘Hé?’
‘Welja, dat klinkt als twee druppels water op het lief van Debbie. Die heeft hier zijn broek versleten, ten tijde van dat ongeval.’
‘Wat ongeval?’
‘Heeft hij dat niet verteld, misschien? Drie jaar geleden. Vréselijk ongeval. Een vent aan het stuur rijdt zijn auto in het kanaal. Zijn vriendin zit naast hem en verdrinkt. Dàt was de zus van Debbie.’
Renée keek hem lacherig aan.
‘De bestuurder was een jonge aannemer. Rudi, als ik mij niet vergis. Hij kwam zich hier geregeld bezatten. En toen ontstond er iets moois tussen hem en de zus van wij­len zijn vriendin. Of misschien was het een kwestie van iets goed te maken. Anyway,’ besloot Mike prozaïsch, ‘die villa staat op Debbies naam’.
Dit moest een vergissing zijn. Hij lag toch met haar in bed? En nooit had hij iets over een Debbie gezegd. Die Mike was zo’n drol.
‘À propos,’ zei de drol. ‘Daar heb je ze.’
En Renée zag hoe Rudi de tent instootte met aan zijn arm een dikke del met een bezittersair. Hij had haar direct gespot. Hij deed alsof hij haar niet zag.
In de dagen die volgden, vlogen de kilo’s d’eraf. Renée kreeg geen hap door de keel. Zij liep door het huis met bevroren kaken. Schopte naar de kat. Lag te roken in bed zodra zij alleen was. Enkel de telefoontjes van Mike brachten soelaas. Hij had Rudi opgezocht. En Rudi had gezegd dat zij een toffe was, écht waar, en een lekkere brok, maar dat hij verplichtingen tegenover Debbie had en verder kon hij niets voor haar. Hij was voor haar gevallen, had haar gehad en dat was dat. ‘No harm done.’
‘No harm done. No harm done, maar dat gaat zo maar niet,’ zei Renée.
Mike vond dat zij hem uit haar hoofd moest zetten. Zouden zij samen niet ‘ns een koffke drinken? Maar Renée had haar zinnen op de villa gezet.
‘Hij houdt van mij,’ stelde zij koppig vast. ‘Ik heb gezien wat voor ’n passie hij had. Maar hij voelt zich schuldig tegenover Debbie, de schat.’ Zij, als oudere vrouw, kon hem dat doen inzien. Zij greep maar weer eens naar de telefoon.
‘Gelieve uw boodschap in te spreken na de biep.’
Wacht! Had Mike hem niet opgezocht? Mike wist dus waar-ie woonde. Na enig aan­dringen kreeg zij het adres.
Renée was nooit goed geweest in het vinden van haar weg. Het domein met de 17 hectare lag ergens in Westmal, ver buiten haar gewone huis-job-en-shopping-tour. Maar liefde maakt listig en Renée nam een taxi. Dat ging een bom duiten kosten, maar sinds zij niet meer at, hield zij huishoudgeld over. De taxi reed op steeds smal­ler wordende wegeltjes. Zo te zien woonden Rudi’s ouders in een veld. Of neen, in een bos, want daar dook de taxi een soort jungle in, met hier en daar een gammele stacaravan.
‘Bent u zeker dat u zich niet vergist?’ vroeg Renée. Zij ging niet extra betalen omdat hij van toeten of blazen wist.
‘Madammeke, ik speel al zestien jaar voor taxi. Geloof me, ik weet waar het is’ en hij hield stil voor een vervallen pand met daarachter hoge hangars. Overal roestig boe­rentuig. Het leek wel zo’n huis uit het Amerikaanse zuiden, waar negers wonen die nog geen nagel hebben om hun gat te krabben. Ik zit op rozen, schoot het door haar heen.
‘Hier is het niet,’ zei zij beslist. ‘Ik zoek het huis van mijn verloofde, een groot domein met paardenstallen.’
De taximan merkte op dat je in die hangars wel een paard of wat kwijt kon. Hij keek bedenkelijk naar het papiertje en maakte rechtsomkeer.
Zie je wel, dacht Renée. Hij reed verkeerd. Als hij maar niet denkt dat ik heel de rit ga betalen.
Hij stopte verderop en wees op een bord: de naam van de straat. Hij reed langzaam terug en stopte voor het krot. Hij stapte uit en wist na enig zoeken in een verwilderde struik het huisnummer te vinden. Geen beweging achter de flarden vitrage. Renée’s fijne schoentjes zakten in de modder. Zij klom op het verweerde bordes, tuurde door besmeurde ramen. Binnen een hannekesnest.
Hier is het dus dat Debbie zich laat naaien, dacht zij schamper. Dat kind was niets voor hem. Haar had hij zo bewonderd, voor haar orde en haar netheid. Haar glim­mende huis en de expertise waarmee zij, na een vrijpartij, zijn gerief insopte. Dat ging ‘m hier niet overkomen. Zij griste in haar tas. Stopte een briefje in de bus.
MOET JOUW DRINGEND SPREKEN! SPOED! R.
Misschien dacht hij zo wel dat zij zwanger was (want ook dat hadden zij besproken: of hij kinderen wou – en hij wou– terwijl zij niet zeker wist of zij d’er nog wilde).
‘Ik zit op rozen,’ zong zij tegen de taximan.
Hij keek haar niet-begrijpend aan.
Hij kwam. Hij stond voor haar deur met laaiende ogen. Kwam binnen en plofte op de divan. Zij ontstopte de fles en stak meteen van wal. Dat zij wel begreep dat hij schuldgevoelens had. Maar schuld kon nooit een goede basis zijn. Hij stond op het punt zijn leven te vergooien. Hij moest Debbie aan het verstand zien te brengen dat zij niet de ware was. Hij keek haar verbijsterd aan. In het grijs van zijn ogen openden zich nieuwe perspectieven. Renée ging naar fase 2 van het Masterplan:
‘Als je ertegen opziet van het haar alleen te zeggen, kunnen wij het haar samen zeg­gen. Debbie zal dat wel verstaan. En zij is jong, zij vindt zo een ander
Twee handen klemden zich om haar keel. In haar gapende mond zijn harige vuist.
‘Jij gaat niemand iets zeggen,’ siste hij. Hij reet haar bloesje open en beet in haar rijpe borst. Zijn gewicht pinde haar vast. Hij wroette tussen haar zijden jarretelles, rukte haar satijnen string opzij. Zij kreeg een tram over zich heen, een walsende camion, een ram…sjees.
Toen het afgelopen was, stond hij wijdbeens boven haar. Zichtbaar voldaan hees-ie zijn broek.
‘Eén woord tegen Debbie en ik stuur je mijn knecht. Compris?!’
Renée begon ongecontroleerd te schokken. De voordeur sloeg dicht met een knal.
‘De rotzak!’ gromde Mike tussen zijn tanden. Zij zaten in De Dikke Mee, een namid­dagcafé voor vrouwen van notabenen. Renée had hortend en stotend haar verhaal gedaan. Mike had haar in zijn armen gedrukt - ‘Kom tegen mijne gilet’ - en zij lag te snotteren in zijn harige bast. De notabenentrutten wierpen sluikse blikken, strekten hun vijandige rug.
‘Zullen wij een ommetje maken?’ stelde hij voor. ‘Wat dacht je van wat frisse lucht?’
Zij slenterden door het park en staarden naar de blonde nannies van de blonde babies van de begoede klasse. ‘Pang’ zei haar hart. En dat dit mooie leven voor altijd onbe­reikbaar was. Tranen biggelden over haar wangen. Mike likte ze weg. Nam resoluut haar arm en reed haar regelrecht naar Appelmans in de Jodenbuurt, waar hij een kamer huurde voor 1 uur. Renée liet maar begaan. Toen zij tussen de lakens lag –haar dijen nog rauw van Rudi- bedacht zij dat het hebben van een fraai figuur ook geen pretje was. Hoe deden zij dat, al die slanke jonge vrouwen? Hoe sloegen zij de kerels van zich af? Of lieten zij zich dik betalen? Mike was zeker geen affaire. Dat lange haar kroop in haar mond. En hij was zo blind als een mol, terwijl Rudi… met het tipje van zijn tong… Renée zag zichzelf tientallen keren weerspiegeld in het plafond: een versplinterde vrouw met een vreemde vent in een vreemd bed. Het Jodenschooltje begon te zingen. Flarden tekst waaiden naar binnen en zij verstond: ‘Sjaloom, sja­loom!’ Dat was vrede. Maar d’er was geen vrede, in haar hart. Nu niet en nooit! En zij begon onbedaarlijk te snikken.
De Memories, poel des verderf, werkte als een magneet. Renée trok er ieder week­end heen. Marks protest gleed van haar af, zoals de trouwring van haar vinger gleed, op zaterdag. Zij verstopte hem in de kussensloop. Want nu waren zij met twee: twee dulle grieten op jagerspad. Steffie en Renée, samen één front, tegen de potentaat, het male chauvinistic pig dat knarsetandend op de divan zat. Toegegeven, Steffie was niet bepaald kapot van de Memories, een keet voor ouwe zakken, maar de ouwe zakken waren kapot van haar. Peter kocht haar een roos, hield haar heel de avond vrij en lichtte haar bij als het over haar moeder ging. Haar moeder maakte een moeilijke periode door en met Mike kon zij heerlijk praten.
Zat zij daarom op zijn schoot?
‘En waarom praat zij niet met mijn pa?’
Dat was nu net, haar pa had geen aandacht voor haar.
Steffie verdedigde haar pa die een vat vol aandacht was. Hij móest per se weten wat haar moeder deed. En zij, Steffie, had het daar moeilijk mee. Want haar moeder zong luidop alle schlagers mee –Du, du allein kannst mich versteen- en Mike wiegde haar op zijn schoot en al die tijd zat haar pa alleen, met een pak friet, voor de teevee. Eigenlijk vond Steffie de emancipatie maar niks. Emancipatie, dat was voor dochters die alleen op stap wilden gaan. Moeders hoorden thuis, bij de cassette.
‘Jij alleen op de baan?’ Peter lachte ongelovig. ‘Dat zal je pa nooit toestaan en boven­dien, je ma heeft zó haar buik vol van Mike. Je zal nog zien’. En hij glimlachte fijn­tjes, als iemand die zijn schaapjes op het droge had.
Het was omgekeerd. In een bui van nietsontziende eerlijkheid gaf Mike Renée de bons. Steffie zag het gebeuren. Renée trok wit weg. Daarna stond zij uren met hem in een hoek te pleiten.
‘De vlam is uit de pan,’ riep Peter vrolijk. ‘Wij zullen straks extra lief moeten zijn voor mamma.’
En Steffie schaamde zich voor mamma die, met haar spekpens bloot en haar dijen gespreid, zich tegen die hippie schurkte. En daar mepte zij haar tasje – nep-Vuiton - tegen z’n kop!
‘Kom,’ zei Peter en met zachte dwang hees hij ma in haar jas en leidde haar weg in de nacht. Steffie volgde met gebogen hoofd.
‘Wij zetten Steffie in de Zillion af,’ besliste Peter. ‘Dat vindt jij toch wel goed, hé Stef, effe naar de Zillion, terwijl mamma en ik een hapje eten?’
De Zillion! Een Megadanstent vol Keiknappe gasten! Hij hoefde het geen tweede keer te vragen. Zij lieten Steffie op de meute los en togen naar het Tafeldier waar Renée, vanachter de dampende wok, haar ervaring met Mike uit de doeken deed.
‘Ik kan niet geven wat gij verlangt,’ had hij gezegd. Hij had een inkomen van het OCMW. Was vroeger nog deejee geweest. Vandaar de naam, Mike, snapt-ge? Maar Renée had niets gesnapt. Zij had gesnapt dat dit heerschap er de brui aan gaf. Had haar één keer besprongen, had toen stuntelig gepresteerd, had haar vervolgens een paar keer ‘getrakteerd’, maar was daarbij zijn geld vergeten zodat zij kon afrekenen en nu kon hij haar niet langer in de waan laten, had hij gezegd, met het geven van valse hoop. Zij was een klassepaard en het ontbrak hem aan haver.
‘Haver!’ snoof Renée. ‘Valse hoop! Ik koesterde de valse hoop dat-ie nog presentabel was, als ik hem naar de kapper stuurde. Maar zelfs dat kon er niet af. En ik ga toch niet leven onder mijn stand? Ik ga toch niet terug naar af?’
Peter knikte instemmend. Kocht haar een roos. Hoofd van een florerend familiebe­drijf, Wasserettemagnaat, man van de wereld, gescheiden met kind, keek hij niet op een dessert of een extra fles. Renée klokte de zoveelste bel cognac naar binnen. Ging ongemerkt van de hand. Derde keer, goede keer, meende Peter, maar dat was buiten de waarzegger gerekend.
De waarzegger was een kaartlegger, was een vrouw. Zij woonde achter het Massive-gebouw. In het halfduister legde zij tarot. Mark was een kluizenaar. Renée stond stijf van verontwaardiging. Zij, met een kluizenaar! En toen viel haar frank: dat niet wil­len verhuizen, of zelfs maar verfraaien, dat was typisch voor een kluizenaar. Dat huisde liever in een grot!
‘Uw dochter is een groter probleem,’ zei de waarzegster toen. Maar daar sloeg zij d’er effe naast. Sinds Stef stiekem naar de Zillion mocht, had zij van het kind totaal geen last.
‘Zij gaat tegen uw kar varen,’ hield de waarzegster vol. ‘De kaarten zeggen het zo: strijd & verraad.’
‘Maar ziet u een man,’ onderbrak Renée. Zij kwam hier niet voor bijzaken.
‘Mogelijk… op de achtergrond. Een donkere man. Hij heeft een plan.’
Renée luisterde ademloos.
‘Goeie positie… Zakenman? Of … ik zie een dokter. Kan dat?’
Renée knikte ijverig ja. Zij zag iedere dag dokters.
‘En ik zie een huis. Een zonnige keuken, maar er dreigt gevaar... Ik zie een luster.’
‘Een luster?’
De waarzegster glimlachte verontschuldigend.
‘Dat is ruis,’ bracht zij uit. ‘De Massivewinkel, ziet u? Die breekt geregeld in mijn sessies door.’
Renée bedacht dat de hele waarzeggerij waarlijk een duister zaakje was. Maar Hilde-van-den-bakker had deze de hemel in geprezen. Zij had voorspeld dat Hilde het veel verder ging schoppen dan bakkersvrouw. Renée betaalde haar 1.200 zwart. Een donkere man, gespierd en goed gemanierd (dat gespierd kon evengoed op de porte­feuille slaan, had de waarzegster gedaan). In haar hoofd liep Renée de dokters af, om te zien of er iemand tussen zat die aan dit profiel voldeed.
Maar in een droom, een visioen, wist Renée precies wat te doen. Zij moest naar Reiner toe! Reiner was het tweede lief dat Renée indertijd had en dat mede verant­woordelijk was voor het feit dat haar ma haar had buitengegooid. Reiner, de Vlaamse Peter Gabriel, blonde god, rebel. Reiner, gangmaker van de klas, het idool van ieder meisjeshart. Reiner was alles wat Mark niet was. Toch jammer dat zijn ma indertijd geen villa had. Zijn ma had wel nog telefoon.
‘Ach Renée,’ zei de ma, ‘dát is lang geleden! Wij hadden het laatst nog over u, Reiner en ik, zo vlak voor zijne trouw.’
Reiner was zes weken geleden getrouwd.
‘Met een Thai,’ zei de ma. ‘Een flink meiske hoor. Zij heeft gestudeerd voor advo­caat. Zij werkt bij Reiner in de zaak.’
En natuurlijk had het jonge stel het bangelijk druk, maar mamma zou de groetjes pas­seren, als dat zo ‘ns uitkwam. Tja, daar sta je dan. Om de haverklap belde Renée terug. Wist mamma te vermurwen totdat zij Reiners nummer had. Zij spraken af bij de Italiaan in de stad.
Reiner. Kameelharen jas. Hoornen bril. Op en top de zakenman. Zij zaten in een zaaltje apart. Het werd snel duidelijk dat Renée problemen had. Reiner, de witte­broodsweken voorbij, deed een voorstel.
‘Ik heb een kameraad. Zijn vrouw is ervandoor. Hij woont alleen in een villa in Kapellen. Twee kinderen. Als je wilt, geef ik hem jouw nummer door.’
Bingo! Kapellen! Die kinderen werden gegarandeerd aan de moeder toegewezen. En een kameraad van Reiner, dat kon zo slecht niet zijn. Renée zag zich al BBQ-en aan de rand van het buitenmaatse buitenbubbelbad. Peter was geschoffeerd toen hij het hoorde.
De villa was een Californiaanse bungalow, maar nu ook weer niet zo dat hij niet van zijn omgeving te onderscheiden viel. En de kids waren beleefd. De keuken geriefe­lijk. Het badkamertje wat gewoontjes, maar dat werd ruimschoots goedgemaakt door de meubels in de salon: echt mals buffelleer! Van Roche Dubois. En op dat buffelleer zegen zij neer en gaf hij haar een knuffelbeer. Omdat haar bruine ogen zo op de ogen van dat beertje leken. Zij was net zo snoezig en zacht als die pluche… en verder kwam-ie niet. Keer op keer streken zij in die zetel neer en telkens weer had-ie een excuus. De kinderen konden zo binnenvallen. Of hij verwachtte telefoon. Of hij was besmettelijk met bacillen. En dat hij er zo van genoot haar handje vast te houden. Renée begon zich af te vragen waarom precies de vrouw des huizes het was afge­trapt, maar volgens Reiner was zijn vriend gewoon bedeesd. Hij had een nare ervaring opgedaan en was bang om zich te geven, maar hij was wel stapel op haar. Misschien moest zij doortastend te werk gaan? Als zij ten minste zeker wist dat zij iets met hem wilde beginnen. De situatie had iets van tragiek. Zij, Renée, die de kerels niet van haar lijf kon houden, zat nu naast een koorknaap op het buffelleer. Hij kromp in elkaar zodra haar hand in de buurt van zijn gulp kwam en riep giechelend dat hij ‘kietelig’ was. Haar ‘doortastendheid’ werd een klucht. En Renée zag er maar één die haar helpen kon: Peter, mondaine Peter, wist voorzeker hoe zij dit varkentje wassen kon.
‘Doortastendheid? Ik zal u leren over doortastendheid,’ had hij gedonderd. ‘Kom morgen naar mijn kamer’ (de kamer die hij betrok boven de wasserij. Zijn ex had het huis). Zij begonnen met een afrodiastisch diner: oesters met champagne. Daar zwaaide de deur van de slaapkamer open: een oase van theelichtjes en kaarsen. Wel honderd stonden op de vloer en de meubels en rond het hemelbed verspreid. Peter had zijn kleren op de grond gesmeten. Hij pronkte met zijn body-buildersspieren (‘allemáál getraind, niet één vergeten’, alsof zij dat niet zag) en droeg haar in zijn body-buildersarmen naar dat bed van goud en rood. En rood werd het haar voor ogen toen Peter zijn doortastendheid vertoonde: hij speelde Rudi naar de vergetelheid. Maar niet de villa in Kapellen… Van een dilemma gesproken. Hilde-van-den-bakker vond dat zij het er maar eens flink van moest nemen: zij kon zich door de één laten verwennen, terwijl de ander overwoog ‘of fifi wel de lucht opkon’. Renée vond het zo slecht nog niet bekeken. Zij hoopte maar dat Stef genoeg excuses voorhanden had om dubbele sorties te justifiëren.
Stef. Stef moest allerhande excuses verzinnen zodat zij beide, als vriendinnen, de hort opkonden. En het kind zat niet verlegen om een inval: klassenraad op school, leesmoeder spelen of helpen bij het tennisfeest. Hiphop try out, een modeshow. Tupperware. Mylène. Sinksenfoor! Meestal gingen zij samen de deur uit tot op de hoek, waar hun wegen scheidden: zij naar Peter of naar Kapellen en Steffie naar de Zillion. Kwamen binnenvallen als Mark al sliep. En het zat Stef nog altijd hoog. Haar moeder zette haar pa voor schut en zij moest daarbij helpen. En nu had zij Peter afgepakt die toch háár vertrouweling was en nu keurde hij haar geen blik meer waardig. En dan vonden zij het maar normaal dat Stef hen een dekmantel verschafte, smoezen verzon, opdat zij zouden kunnen gaan liggen … Dééd hij het met haar? Neen. … Dat haar moeder het met hèm deed, dat was wraakroepend! Dat deed de deur dicht.
Peter kwam ook op maandag. Bij het doen van zijn wasronde sprong hij bij haar moe­der binnen. Om bij te praten, had ma gezegd, hoewel zij mekaar nog maar pas hadden gezien. Haar pa sjokte op maandagmorgen naar kantoor. Alweer een pokkenweekend achter de rug. Haar ma stond in de deur, roze baby doll, en wuifde verheugd. Zij is blij dat zij van ‘m af is, constateerde Steffie. Seffens ligt zij in Peters armen en straks krijg ik te horen wanneer ik weer met een leugen voor de dag moet komen. Zij keek lang en hard naar haar mobieltje.
De deur knalde open. De minnaars verstijfden. Zij zaten in de keuken toen Mark bin­nenviel. Renée greep kokhalzend naar haar maag.
‘Awel, kunt ge mij ‘ns vertellen wat hier gaande is?’
Renée sloeg voorover op het tafelblad.
‘Ik zie poppemieke gaarne.’ Peter. Zegevierende Peter.
‘En gij, ziet gij hem ook graag misschien?’
Renée had een zakdoek in haar mond gepropt. Verwilderd keek zij naar de potentaat, de echtgenoot.
‘Zeg hem dat hij moet vertrekken. Dat het een vergissing is. Ik kan u vergeven. Maar zeg hem dat ge míj graag ziet.’
De zon zette de keuken in lichterlaaie. Zij pinkte in het bestek. Daar klom zij in het lusterke en streelde een zeldzaam spinnenweb.
‘Dan weet ik wat mij te doen staat,’ besloot Mark zacht. Geslagen. En Renée die nog dacht dat hij naar het kanaal zou gaan.
Die avond zagen wij Renée zitten. Zij zat op de stoep. Zij had in haar schoot een armzalig lusterke.

11 oktober 2007

Thierry's webcolumn

Kunst en engagement

Nog altijd is er echter een publiek dat de beeldende kunstenaar wenst te zien als de exponent van de romantiek: de kunstenaar die zich buiten de wet plaatst, die zich niet kan of wil schikken naar de normen die het sociaal verkeer oplegt. Deze opvatting werd door de artiest in de hand gewerkt.
De kunstenaar van vandaag is de sociale gelijke van de mensen die hem omringen: hij staat niet meer buiten de maatschappij maar is er door osmose in opgenomen. Verzamelaars en intellectuelen ervaren het als een voorrecht de kunstenaar te kennen. Niet als een curiosum, zoals vroeger, maar als een "interlocuteur valable".
Een kunstenaar blijft anders dan de gewone mens. Door zijn talent. Het talent dat hem toelaat uit te drukken wat er in zijn hart en geest omgaat. Een hart en een geest die subtieler zijn afgestemd op de gebeurtenissen die in ons leven een diepe indruk nalaten. Weinig mensen leven bewust; op een manier dat ieder ogenblik in hun bestaan een vol ogenblik is. Geladen met vreugde of angst, droefheid of blijdschap, liefde of haat, teleurstelling of hoop. Ieder van ons kent deze gevoelens. Hoeveel zijn er die ze ook bewust beleven? Met al hun zenuwen? En nochtans gaat het hier om persoonlijke ervaringen. Hoe intens-bewust ondergaan wij de gevoelens van anderen? Hoeveel zijn er echt geschokt door de aanslepende oorlog in Irak, om bij een actueel onderwerp te blijven, door de armoede, het vluchtelingenprobleem, de miserie van de verdrukte bevolkingsgroepen?
Wie wordt beroerd door de miserie van anderen? Enkel wanneer wij zelf in verdrukking komen, reageren wij fors en eisen onvoorwaardelijke hulp.
Ik meen dat de kunstenaar - ook voor de situatie waarin anderen verkeren - gevoeliger is dan de meeste mensen. Ik denk aan Goya die kordaat en hartstochtelijk een standpunt kiest in de sociale conflicten van zijn tijd. Ik denk aan Picasso die met zijn “Guernica” het leed van een vrijheidslievend volk vertolkt.
Later zal, onder impuls van de ontvoogding van de arbeider, de kunstenaar zijn zin voor realisme omzetten in taferelen waarin de menselijke nood het altijd terugkomend thema wordt. Ook Permeke heeft op dramatische wijze deze nood in zijn werk binnengeleid. De boer in de tragiek van zijn dagelijkse labeur. Verpauperd, verbitterd, ontdaan van alle menselijke waardigheid.
Bij andere kunstenaars is het de angst waarmee zij afrekenen. De angst om het verlies van het leven.
Het werk van Bacon is een typisch voorbeeld van de probleemkunst van deze tijd. Figuratief en toch zo ver van de fotografische werkelijkheid. Zijn werk onthult een tragische visie op de eenzaamheid en de angst. De mens verschijnt er als een eenling en een gefolterde, doordrongen van wanhoop. Zijn figuren lijden aan een hallucinante incapaciteit om met elkaar in contact te komen of om zich verstaanbaar te maken in de wereld die hen omringt.
Dit zijn voorbeelden van kunstenaars die de menselijke nood in hun werk uitbeelden. Als strijdmiddel tegen de verdrukking van de onmondige. Zij hebben hun ziel of die van anderen willen tonen om de gemeenschap duidelijk te wijzen op de problemen van de tijd. Tot schande van ieder van ons die uit gemakzucht of uit angst deze problemen uit de weg gaan.
Kunst moet een exponent zijn van het vrije denken. Ik ben het er volkomen mee eens. De kunstenaar kan evenwel niet ontsnappen aan de tijdsomstandigheden of het politiek, economisch, filosofisch of godsdienstig systeem waarin hij werkt. Zolang hij zich niet (of zo weinig mogelijk) aan dit systeem verkoopt en "in opdracht" ervan creëert, komt zijn vrije denken niet in de verdrukking.
Kunstenaars kunnen bij uitstek op een geëngageerde en bewustmakende wijze een avant-garde rol spelen: als voorzieners in de maatschappelijke en artistieke wereld.
Kunst is meer dan alleen een verheven smaak van weinigen, meer ook dan alleen versiering, hoe belangrijk en waardevol dat dit op zichzelf ook kan zijn. Kunst is vooral ook een eigen vorm van communicatie met anderen en met de wereld om ons heen, waarin meer en andere ervaringen kunnen worden opgedaan en uitgedrukt dan met intellectuele middelen mogelijk is. "Guernica" laat ons de Spaanse burgeroorlog beter beleven dan drie verhandelingen daarover.

De (beeldende) kunstenaar voelt zich lotsverbonden met de mensheid. Dood, ziekte, honger, ellende, eenzaamheid, verdrukking zijn ook in onze tijd het harde materiaal waarmee de mens zich moet meten. De kunstenaar, vol attentie voor het menselijke, vindt in die situatie zijn inspiratie. Hij vertolkt het wel en wee van die strijd en getuigt.
In zijn werk is de tijdsgeest hoorbaar als één langgerekte zucht, of beter, als een schreeuw. De schreeuw van de verdrukte mens in een wereld die steeds minder menselijk wordt. Kunstenaars geven uitdrukking aan... verdrukking.
Het debat over de verhouding tussen kunst, cultuur, overheid en het bedrijfsleven duurt al bijna tien jaar en het ziet er niet naar uit dat, in deze tijd van teruglopende welvaart en gigantische staatsschuld, de discussie de komende tien jaar uit de lucht zal zijn. “Kan Kunst de wereld redden?" Een vraag die de wenkbrauwen doet fronsen. De vraag kan welbeschouwd beter luiden: “Kan het geld de Kunst redden?" Hierop luidt het antwoord: neen! Geld kan kunst kopen maar niet maken. Geld regeert de wereld, niet de kunst.

Thierry Deleu

Petitie voor het behoud van het graf van Jotie T'Hooft

Hieronder vind je een link naar de petitie voor het behoud van het graf van JotieT'Hooft. Joties weduwe voert actie opdat het graf een 'historisch belang'-status krijgt, zodat ook na haar overlijden het graf blijft bestaan.
Via deze link kan je de petitie 'tekenen':

http://www.annemiehavermans.be/projecten.html

8 oktober 2007

De kleine auteur en de bibliothecaris

In mijn bezorgdheid om de “kleine auteur”, van wie ik reeds herhaald een omschrijving gaf, heb ik allicht op zere tenen getrapt, ook van hen die het niet eens verdienen. Excuses. Je mag nooit generaliseren, maar als je boos bent, doe je dit wel vaker.

De waarheid is dat elke auteur klein en onbekend begint, maar door geluk, kwaliteit en netwerk soms terechtkomt waar hij/zij wil. Soms, indien de wind gunstig waait, indien de kritiek een handje toesteekt, indien een uitgever commerciële baat vindt… Indien dit niet het geval is, ik bedoel: indien de factor geluk jou in de steek laat, dan ben je verloren voor de “literatuur”.
Ik wil niet alles in de schoenen schuiven van de bibliothecaris. Ach neen, hij/zij heeft niet zoveel tijd om zich om de kleine auteur te bekommeren. Er worden in een jaar tijd 16.000 boeken in de Nederlandse taal geproduceerd. En daar hebben de uitgeverijen dus al een grote selectie in gemaakt. Die 16.000 boeken kan de bibliothecaris niet allemaal aankopen. Daar moet hij/zij opnieuw een selectie in maken. De grootste schifting wordt echter gemaakt door de uitgeverijen. Zij krijgen dagelijks 5 manuscripten binnen en laten die allemaal lezen door lectoren die vervolgens hun oordeel geven. Een uitgeverij moet winst maken.
Met andere woorden: de bibliothecaris kan alleen oog hebben voor de auteurs die door uitgeverijen worden gepromoot. Waar haalt hij/zij de tijd om op speurtocht te gaan naar kleine auteurs die soms in regionale kranten eens hun ding mogen doen (boek voorstellen). Ik vraag mij toch af: is dit niet zijn/haar opdracht: literatuur in de meest brede zin aan “het volk” ter kennis brengen (dit heet ontvoogden)? Niet alleen inspelen op de verzuchtingen van de uitgevers, maar ook op de verwachtingen van de (ook kleine) auteurs.

Nu, het probleem van de onbekendheid en het niet aan bod komen, geldt niet alleen voor de wereld van de literatuur. De frustratie is even groot in de wereld van de beeldende kunsten. Kunstenaars die te weinig kansen krijgen om tentoon te stellen. Ook in de muziekwereld lopen er goede muzikanten rond die te weinig kunnen optreden en moeten bijklussen. Het probleem is omnivalent.

De meeste boeken - tenzij ze bibliofiel worden uitgegeven - van de “grote” auteurs liggen in de reguliere boekhandel en zijn vrij verkrijgbaar. De bibliothecaris die de winkels bezoekt, kan het boek effectief in de hand nemen en beslissen of hij/zij het aankoopt of niet. Het boek van de kleine auteur zien zij niet. De kleine auteur prijst zichzelf aan, maar de bibliothecaris krijgt alleen titel en auteur te lezen en hooguit de cover van het boek. Is het gebonden? Is het geniet? Is het gekopieerd of mooi verzorgd uitgegeven? Zijn het rijmelarijen, volksgedichten of experimentele poëzie of zijn het gelegenheidsgedichten? Neemt de auteur zijn kunstenaarschap ernstig? Indien het boek van de kleine auteur wordt aangekocht, wie voert dan promotie in de bib opdat het zou worden gelezen? Op al deze vragen is er maar één adequaat antwoord: is het niet de educatieve taak van de bibliothecaris om deze problemen mee te helpen oplossen? Ik beschouw de bibliothecaris niet als een ambtenaar (of niet alleen), maar ook als een speurneus, een obsédé, een ontvoogder, een vriend van alle auteurs.
Of is het gewoonweg niet meer te doen?

Het gaat hier niet alleen om mezelf (ik verkoop goed en word veel gelezen), maar gewoon om de vele “kleine” auteurs die zich afvragen waarom de bibs geen werk van hen aankopen. Vooroordelen over de kwaliteit? Alleen gediend met “grote” namen? Met gevestigde uitgeverijen? Ja zeker? Of uit gemakzucht: wie schrijft nu een bestelbon voor één boek?

De bibliothecaris heeft één opdracht:
Zoveel mogelijk boeken (liefst alle) beoordelen naar
- de inhoud;
- de groeimarge van het aantal lezers;
- de ethiek van de uitgeverij.

Ik weet dat dit een extra inspanning vraagt, maar uit ervaring weet ik dat er van de medewerkers geen “onmogelijke” (sic) zaken kunnen worden gevraagd.
De aankoop gebeurt met een bestelbon. Een bestelbon voor 15 euro is hetzelfde werk als een van 2.500 euro. Hoe kom je aan een bestelbon van 2.500 euro? Ja, zo.

Hoe bereikt de kleine auteur de Vlaamse en Nederlandse bibliotheken?


Thierry Deleu

* Lees mijn artikels her en der gepubliceerd over het probleem (de overheid, de uitgeverij, de bibliothecaris, de auteurs.