Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans

Stichtingsdatum: 1 februari 2007


"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"

"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.

31 juli 2007

Gelegenheidsgedicht van Luc C. Martens - Robuuste bustes

(Ode aan de slachtoffers van de gasramp
in Ghislengien-2004)

Robuuste bustes kozen vrijwillig
voor bestrijden van geweld
liggen, na wat niet kòn gebeuren
zwart geblakerd onder vlag geveld

van nationale rouw en solidariteit
om gepresteerde heldendaad
éénmalig eer, postuum
onder kleuren van de Staat.

Robuuste bustes zullen nooit meer lopen
gealarmeerd door bruut geweld
laten geliefden achter
levenslang, door onbegrip gekweld

hun machteloze hart vol tranen
die niet begrijpen waar er werd gemist
geen vuur meer laten branden
alleen, het teelichtje op de kist.

Luc C. Martens 2004

27 juli 2007

Kindertijd - Joris Dewolf

Naar zee

Ik herinner mij nog levendig, vader
alsof het gisteren was
hoe je in de gutsende regen
met je gammele fiets naar Kortrijk reed
Om een saxofoon
Voor die knappe zoon van jou
Ik was toen zeven en de derde van de klas
de eerste die met pen en inkt mocht schrijven
de eerste die, zes maand later
op kosten van het ziekenfonds,
naar zon en zee mocht
omdat hij een zwakke gezondheid had
Moeder werd er stil van
haar gemoed schoot vol,
bij de deur bestak zij de dokter van dienst
alsof hij jarig was
jij keek over mijn linkerschouder
in de richting Dover
toen wij afscheid namen
ginder ver, een busreis van huis
waar het een privilege was te mogen blijven
bij de Zusters van Liefde


Cowboy en bandiet

Wij speelden cowboy en bandiet
met vijf revolvers en een schietgeweer,
en kwart over zes lag ik in mijn brits
te luisteren naar mijn collega's
hoe zij, luidruchtiger dan daarnet
het scenario van de dag afwerkten
Kinderen die willen studeren
moeten vroeger naar bed, zei je altijd,
en moeder, zonder meelij
bracht die wijsheid in de praktijk
't Was flink frustrerend vader
te horen hoe mijn vriendjes
verder mochten spelen
met mijn revolvers, mijn speelgoed,
al moet ik toegeven
dat dit hun voorwaarde (sine qua non) was
om met je overbeschermd kind
te willen acteren in dezelfde film


Marie

Marie naaide voor moeder
toen ik 10 was en zij over de veertig
Vaak mocht ik naar haar toe,
het vaakst op zaterdag,
welkom op wasdag zei ze toen
en klapte haar naaimachine toe
Zij had een zoon, een Algerijns type
die het huis rondliep in blauwe slip,
hij kon vlinders toveren uit dooie vliegen
grote vlinders uit grote vliegen,
wij maakten vaker jacht op dikke rosse
Marie waste mij vaak op zaterdag
in mijn nakie boven op een rieten stoel,
het handje hield zich op tussen mijn dijen
en toen mijn wijzertje klom naar kwart
gierde Marietje het uit
en riep er het buurmeisje bij
van net over de twintig
Blozend als een kriek keek ze toe
hoe ik mij ietwat schaamde
en naar de badhanddoek vroeg


Verliefd

Ik vroeg mij af waarom God
zo'n vieze manier van vermenigvuldigen
had bedacht,
toen een jongen, iets ouder dan ik
al zat hij in dezelfde klas
zei dat je vast kon komen te zitten
Ik geloofde het, ik had het zelf gezien
bij honden; buren hadden er toen
een emmer water overheen gegooid
Rond die tijd ook ontdekte ik
de meisjes. Biologisch. Op afstand
De rondingen van hun heupen
de welvingen van de borst
Eens had ik een jongen uit de buurt
met een meisje zoenend aangetroffen
Lekker, vond hij. Het leek mij niets
Misschien moest je het leren
net als het eten van oesters en tomaten
Toen werd ik verliefd, op het eerste gezicht
Een nieuwe wereld ging voor mij open
L. als stralend middelpunt
Tot moeder in mijn jas haar foto vond
en er te vierklauw mee naar háár moeder liep
Vanuit de straat parallel met hun tuin
kon ik ze zien, vader
klapwiekend met hun armen
als legkippen in de ren

Joris Dewolf

25 juli 2007

HD's Cartoonhoekje 8




De Creuse Trilogie

“Eindterm” van Thierry Deleu.

“Eindterm” is het eerste deel van de Creuse Trilogie. De originele cover toont direct aan dat deze roman zich afspeelt in het onderwijsmilieu. Het is precies een gekaft boek met daarop een typisch blauw-wit naametiket. Dit doet mij onmiddellijk denken aan mijn lager onderwijs, waar we dit altijd gebruikten.
Lokkertje ! “Eindterm” brengt ons de levensgeschiedenis van Sabine du Tertre, femme fatale op Onderwijs. We beginnen het boek met de dood van de 48-jarige Sabine du Tertre, directeur-generaal van het secundair onderwijs. Via haar dagboek krijgen we een zicht op het leven van deze vrouw. Vanaf haar grootouders tot aan haar carrière in het onderwijs, die haar zal brengen tot bij de Minister van Onderwijs. Haar turbulent liefdesleven wordt haar ondergang. Hoe kon het zover komen ?

Veritas mea ! “Eindterm” is de eerste roman van de 44-jarige Peter Deforge, kabinetsattaché op Onderwijs. De laatste maanden vóór de dood van Sabine du Tertre was hij haar grote liefde. Hij schrijft dit boek met behulp van haar dagboek en met al zijn ervaring, die hij zelf opdeed in het onderwijs. Zo krijgen we twee levenslopen, die elkaar op een bepaald moment ontmoeten. De derde hond in het kegelspel, Joris Dekunst, zorgt voor de dramatische afloop. Peter Deforge schrijft zijn boek in La Vallade, een dorp in de Creuse. Hier had Sabine du Tertre een liefdesnestje. Thierry Deleu gebruikt in dit boek al zijn kennis, die hij zelf opdeed als schooldirecteur en als medewerker op het kabinet van de Minister van Onderwijs. Zo kunnen we als leek een blik werpen op een wereldje dat anders niet toegankelijk is. Er is ook een smakelijke verwijzing naar de wafels van “Moeder Siska” in Knokke. Als kind ging ik deze typische hartvormige wafels gaan eten bij “Moeder Siska” in Koksijde, een afstammelinge. Ze gebruiken nog altijd het originele recept uit 1882. Het water komt me al in de mond als ik er nog maar aan denk.
Extraatje ! In “Eindterm” is de naam van de Minister van Onderwijs Rogier Vanderweyden. Deze naam doet mij onmiddellijk denken aan de schilder Rogier van der Weyden (1400-1464). Rogier van der Weyden werd geboren in Doornik als Rogier de la Pasture. In 1435 werd hij stadsschilder van Brussel en gebruikte hij zijn Vlaamse naam. Hij schilderde voornamelijk religieuze thema’s, waarin de invloed van Van Eyck duidelijk zichtbaar was. Er zijn maar enkele schilderijen van hem bewaard gebleven, de rest van zijn werk is verloren gegaan. Hans Memling was een leerling van hem. De leukste zin ! “Ze noemde de lokale politici “sociale prostitués”.”


“Amélie Laforêt” van Thierry Deleu.

“Amélie Laforêt” is het tweede deel van de Creuse Trilogie. Op de cover een mooie tekening van Henk Deleu, die meteen de belangrijke accenten in dit boek vastlegt : de vrouw en het paard !

Lokkertje ! Peter Deforge heeft zich na de dood van Sabine du Tertre teruggetrokken in La Vallade. Hier leert hij Marc Van Beselaere kennen en na een tijdje wordt hij zijn associé in zijn paardenfokkerij. Zo geraakt hij volledig in de ban van de paarden en is er tijd voor zijn andere hobby het schrijven. Na een tijdje leert hij de jonge Amélie Laforêt kennen, 27 jaar oud en een zeer goed ruiter. Het is liefde op het eerste zicht en het grote leeftijdsverschil is geen obstakel om een gezinnetje te vormen, met als resultaat een wolk van een dochter : Belle. Blijft dit sprookje duren ?

Veritas mea ! Thierry Deleu brengt in dit tweede deel een mooi romantisch verhaal dat zeer vlot leest. Het speelt zich af in de heel mooie streek van de Creuse, waar Thierry Deleu heel veel tijd doorbrengt. Zijn beschrijvende manier van de streek laat je zin krijgen om er zelf naar toe te trekken.

Extraatje ! Tijdens de verloving van Peter en Amélie wordt er accordeonmuziek gedraaid van Rudi Beauprez. Deze intussen 49-jarige accordeonist bestaat echt en is afkomstig van Jonkershove. Beroepshalve is hij loodgieter maar accordeon is zijn grote hobby. Hij durfde nooit de stap zetten tot zelfstandig muzikant maar hij nam toch enkele platen op. De muziek, die gebruikt wordt op het verlovingsfeest komt uit zijn eerste plaat “Coeur de Musette”. Een plaat waarop achttien nummers staan, die hij opnam in Brugge.

De leukste zin ! “Hij vermeit zich in de schemerzone tussen droom en daad, tussen teken en wand.”


“Arsène du Frêne, heer van La Vallade” van Thierry Deleu.

“Arsène du Frêne, heer van La Vallade” is het derde deel van de Creuse Trilogie. In “AmélieLaforêt” staat er op pagina 116 dat Peter Deforge een historische roman aan het schrijven is over basochien Arsène Dufresne. Dit derde deel van de Creuse Trilogie is deze historische roman. De cover is terug een pareltje van Henk Deleu.

Lokkertje ! Het verhaal start wanneer student Arsène Dufresne naar een waarzegster gaat en daar samen is met de drie zonen van de koning. Het is begin de 14de eeuw en de koning van Frankrijk, Filips de Schone, laat al de Tempeliers oppakken en terechtstellen. Arsène Dufresne ontmoet enkele Tempeliers en van dan af neemt zijn leven een grote bocht en gaat hij door het leven als ridder Arsène du Frêne, heer van La Vallade. Arsène schopt het zelfs tot “Grootmeester van de Broederschap van de Tempel van Salomo”. Zo volgen we via het leven van Arsène du Frêne de belangrijke gebeurtenissen uit die tijd.

Veritas mea ! Thierry Deleu toont in dit boek zijn liefde voor de ridders. Voornamelijk de Tempeliers krijgen zijn volle aandacht. Het is een zeer leerrijk boek over wat er in die periode gebeurde. Je weet dat het een fictief verhaal is maar gebaseerd op waar gebeurde feiten. Bij de Tempeliers had je verschillende broederschappen. Ik ben eigenlijk toevallig op zo’n broederschap gestoten door mijn grote liefde voor de muziek. Er is in België een groepje met jonge muzikanten met de naam “Kiss The Anus Of A Black Cat”. Ze spelen vooral donkere folkmuziek. De groep is bij het grote publiek niet bekend maar hun cd’s en concerten zijn echte aanraders. De groepsleden hebben veel over de Tempeliers gelezen. Tempeliers werden op de brandstapel gezet (dat lezen we ook in het boek van Thierry Deleu) omdat ze beschuldigd werden van ketterij en zwarte magie. Zo zouden ze ook de anus van een zwarte kat gekust hebben. Anderen zeggen dan weer dat er een broederschap was met de naam “Kiss The Anus Of A Black Cat”.
Ik weet dat Thierry Deleu heel veel weet over de Tempeliers en het hem ook bezig houdt. Hopelijk kan hij mij hierover wat meer vertellen in een reactie.
Extraatje ! De Creuse speelt een belangrijke rol in de boeken maar ook in het leven van Thierry Deleu. De Creuse is een departement in de Limousin met als hoofdstad Guéret. De Creuse ontleent zijn naam aan de gelijknamige rivier. Een streek met ruimte, prachtige natuur en een fijne keuken. Kortom de ideale streek voor levensgenieters. De leukste zin ! “Leef niet in het verleden, maar in de toekomst, maak plannen, vergeet wat voorbij is en maak je geen zorgen over wat komt.”

Marc Vandenbussche

24 juli 2007

Voorstel tot wijiging van het decreet van 30 maart 1999

VOORSTEL TOT HERSCHRIJVEN VAN HET DECREET VAN 30 MAART 1999
HOUDENDE DE OPRICHTING VAN EEN VLAAMS FONDS VOOR DE LETTEREN

Art. 5 van Hoofdstuk II. De oprichting van een VFL zegt dat “Het VFL tot doel heeft de Nederlandstalige letteren … in de brede zin van het woord te ondersteunen en de sociaal-economische positie van auteurs … te verbeteren.”
Onder andere door de toekenning van subsidies? Ja, natuurlijk. Maar welke is de positie van de auteur als het decreet stelt
- dat productiesubsidies alleen door uitgevers kunnen worden aangevraagd en verkregen.
- dat stimuleringsbeurzen niet kunnen worden toegekend voor uitgaven “in eigen beheer”
Voor een gezond letterenbeleid staat het subsidie-instrument centraal. Maar er zijn voorwaarden: het VFL mag zich niet lenen tot het ondersteunen van enkel erkende uitgeverijen door het toekennen van welke subsidievorm ook. Zo verleggen zij het accent van de auteur (die hulpbehoevend is) naar de uitgeverij (die handel drijft en winst op het oog heeft). Niet de uitgever (tenzij die dezelfde persoon als de auteur) moet worden ondersteund maar de individuele auteur (waar en hoe hij ook uitgeeft, indien het professioneel gebeurt). Alleen het criterium “kwaliteit” is de objectieve norm!

Eén criterium:
“Indien u een boek schrijft of wilt schrijven (poëzie, roman, essay, biografie), dan kunt u in aanmerking komen voor subsidie van het VFL.”
Voorwaarden:
- toegankelijk voor een breed publiek en geschreven in de Nederlandse taal;
- gepubliceerd in boekvorm;
- verkrijgbaar in de boekhandel (de wijze waarop is niet relevant);
- in een redelijke oplage.

Als auteur hebben wij recht op subsidie. Deze vorm van “uitkering” mag niet afhankelijk worden gesteld van het loon, het leefloon of een andere bijstandsuitkering. Het zou redelijk zijn indien hulpbehoevende auteurs ook een uitkering kregen op grond van werk en inkomen, maar dit is nu niet aan de orde.

Indien het nieuwe decreet zou stellen dat het de auteur is die moet worden ondersteund en niet de uitgever, dan pas zou de decreetgever zich een aureool van rechtvaardigheid kunnen opeisen.
Natuurlijk moet het decreet ook de uitgever helpen, zoals de overheid andere bedrijven in nood helpt. Niemand zal dit betwisten. Maar mijn punt is: niet uitsluitend en met het accent op de auteur!

De vraag luidt niet: “Is het echt wel de taak van de overheid om schrijvend Vlaanderen financieel te helpen?”. Natuurlijk, maar: “Moet de hulpbehoevende auteur niet eerst en méér worden geholpen?” en “Is deze hulp niet groter of kleiner naargelang van zijn hulpbehoevendheid?” In deze vraagstelling zit terecht een vingerwijzing naar de grote bedragen voor “grote” auteurs, de kleine bedragen (indien ze bij een erkende uitgever onderdak vonden) voor de “kleine” auteurs en de non-subsidiëring voor de auteurs die geen uitgeverij vonden en toch aan de kwaliteitseis voldoen. Literatuur beoordelen is geen sinecure. Heeft het niet alles met smaak te maken? Wie is een goede auteur? Wat is goede literatuur? Het grote probleem blijft dat 90% van de auteurs zich in een grijze zone bevinden. Hoe verklaar je anders dat auteurs na hun dood worden opgehemeld, die tijdens hun leven aan het kruis werden genageld of niet eens aan de bak kwamen (bij het VFL)?

Dit is het gehele probleem in een notendop! De overheid heeft de dekselse plicht de auteurs te promoten. Wat als er helemaal geen boeken meer verschijnen en de cultuur, zoals de dino’s vroeger, spoorloos verdwijnt?

Wat is het resultaat van deze foute subsidiëringpolitiek?
Auteurs zoeken ijverig (en soms vergeefs) naar media-impact en sponsoring, nemen ijverig deel aan wedstrijden, creëren een eigen uitgeverij, storten zich vol overgave op het nieuwe fenomeen “print-on-demand”, stampen e-zines uit de grond, prostitueren zich. Maar blijven gefrustreerd toekijken hoe de grote uitgevers, met in hun zog de grote auteurs, de VFL-koe leegmelken.

Deze toestanden hebben niets met “kwaliteit” te maken of met “gebrek aan kwaliteit”. Literatuur moet zich niet verstoppen achter intellectueel struikgewas. Af en toe moet er grondig worden gesnoeid, maar zoals de subsidiëring nu werkt, hebben de “kleine” auteurs zelfs geen recht op een snoeibeurt. Zij worden niet au sérieux genomen door de overheid, hun kwaliteit wordt niet eens gemeten, hun groeiproces wordt niet eens begeleid.

Het VFL bestaat voor 95% uit professoren en assistenten van professoren en hun vrienden. Kun je van deze mensen een redelijkheidsprincipe verwachten? Of zijn ze geneigd aan elitevorming te doen? Of hebben ze geen voeling met de “werkvloer”? Auteurs moet je in het VFL zoeken let een vergrootglas.

Dezelfde problematiek stel je vast in de subsidiëring van tijdschriften? Sedert 1989 zijn er een kleine 20 verdwenen. Als gevolg van het subsidiebeleid van het VFL, waarbij vooral andere belangen speelden dan zuiver literaire en kwalitatieve. Tijdschriften hadden “geen profiel, te weinig kwaliteit, geen schrijvers genoeg uit de eerste linie”. “Schrijvers uit de eerste linie”? Wie zijn dat? Ja, die!

Een randbemerking is hier wel op zijn plaats. De tijdschriften zijn blijkbaar geen ladder meer om hoger te komen in het wereldje van de literatuur. Met andere woorden: ze zijn geen onontbeerlijke schakel meer in de ketting van het literaire bedrijf. Het probleem is echter dat de literaire tijdschriften niet meer worden gelezen. (Lees: nog minder worden gelezen dan vroeger!) En wie zijn weer de dupe? De “kleine” auteurs, de “kleine” uitgeverijen. Kranten hebben in hun bijlagen deze taak overgenomen? Larie, wie komen er aan bod, denk je? Gelukkig zijn er nog redacteuren voor wie tijdschriften maken een ziekte is, een obsessie.

Wat is het VFL van plan? Bibliotheken overtuigen van de noodzaak om een abonnement te nemen(en nu komt het) op de door het VFL gesubsidieerde literaire tijdschriften.

Samengevat: in mijn artikels over “Malaise in de Vlaamse letterkundige wereld?” en “Grote en kleine auteurs” heb ik geklopt op dezelfde nagel. Ik kan het probleem niet oplossen. Wie kan het beter dan de auteur zelf, de uitgever, de redacteurs, de overheid, de adviseurs, in een aantal rondetafelgesprekken zoals informateur Reynders nu doet om een haast onmogelijke regering te vormen met tegengestelde ideeën en belangengroepen.


Thierry Deleu

Gedichten Luc C. Martens bij beelden van kunstenaar MaRf

Bij het werk: "Als een pauw" (brons)
Gebroken taille

Mijn gebroken taille draagt de staart
waarop Argos honderd ogen zaaide.
Fier, loop ik naast mijn Hera met wie
ik het oordeel van Paris zal wreken.
Jonge gehuwde vrouwen volgen mijn spoor
van blauwgroen met goud omrand;
vinden bescherming nu hun schoonheid
door ontrouwe mannen werd verbrand.
Ik vrees niet. Mijn vlees kan niet bederven,
wordt nooit een galgenmaal. Ridderlijk,
sleep ik mijn fierheid mee, bekeken
door honderd jaloerse ogen.


Bij het werk: "Samen zwijgen" (brons).
Verkleumd

De echo van haar valse lach
striemde als een boemerang
in mijn verkrampt gezicht.
Mijn schouder etterde steeds dieper.
Samen zwegen we de verloren liefde,
gebroken, over onze navel heen.
Mijn geduld was op en ook de wijn,
de borrelhapjes en het haardvuur
dat ons verkleumde van helse stilte.


Bij het werk: "Metafysische liefde" (brons)
Metafysische liefde

In de stilte van haar moederschoot
bewaart ze de jonge flarden
van een bovenaardse liefde.
Peulen van de vele vruchten
die uit haar op de wereld rolden.
Waar ben je ? Ik ben leeg gebaard.
Mijn laatste ei is uitgebroed.
Gebroken wacht ze op haar minnaar
die zijn zaad verliest in het heelal.
Bij jonge onbevlekte maagden.
Haar vliezen zijn verdroogd, gesloten
in de kilte van haar moederschoot


Bij het werk: "Eendagskoningin" (keramiek)
Eendagskoningin

Hol gezicht van ochtend
reikt haar linkerhand, leidt mij
in de schaduw van haar overkant
ik, word onderdaan.
Schilder op het broos palet
van nooit gekuste heuvels
tot vleermuizen de erkers verlaten
zij, gebroken, mij de rug toekeert.
Op ieder kruispunt zwerven
de kleuren van haar rijk, dat
ik nog wilde proeven in de kloof
van haar monnikskleed.
Vol gezicht van avond
lost ontdaan haar linkerhand
in de verloren schaduw
van mijn ééndagskoningin.

Bij het werk: "Je geeft de uren vleugels" (keramiek)
Ik zuig de aarde

Ik zuig de aarde
drink dauw van ochtendbomen
wrijf mij warm met de kristallen
van jouw zachte bladeren
een vroege merel pikt goudgeel
de mantel, waarop de sleutel
van je gepeulde vrucht
rood en blauw is afgedrukt
in je holtes, proef ik blind
de verloren honing, toespijs
van de nacht, mijn koude tong
zal nooit jouw lippen zien
de aarde zuigt mij leeg,
verdort mijn vermoeid skelet,
ik krimp, ik word versteend,
de aarde geeft de uren vleugels.

Bij het werk: "Gevangen in stijve kleren" (brons)
Wanneer ik

Wanneer ik in mij ben
laat me dan dromen
over wat ik nooit geworden ben
laat me kruinen in bomen,
mollen in gangen die ik niet ken.
Wanneer ik in mij ben
laat me dan zoeken
naar wat ik nooit vinden mag
laat me zuchten op wolken
ijlen in catacomben die ik niet ken.
Wanneer ik in jouw ben
laat me dan huilen
om wat ik vinden moest
laat me schuilen in jouw kloof
klimmen op muren die ik niet ken.
Wanneer jij mij zult zijn
woel dan in mijn kruinen
loop al mijn gangen af
en vind wat ik niet vinden wou
weet, dat ik nooit uit jou zal zijn.

Luc C. Martens

17 juli 2007

Sienna

Neen, niet de mooie stad in Toscane, maar de zwartgepunte appaloosa, vooral het hoofd en de achterhand, in de wei waar ik naar kijk vanuit mijn glazen kooi. Sienna de Saint-Victor heeft mijn hart gestolen. Mijn tweede paard na Looky de Confolent (afkorting van look-at-me), met roepnaam Louka, die sedert een drietal jaar in een Ingelmunsters gezin is geplaatst, waar hij wordt vertroeteld door een paardengek tienermeisje. Geen week gaat voorbij zonder dat ik aan hem denk. Hij was nog mooier, met een opvallende bodypaint en een expressief hoofd, maar minder intelligent dan Sienna, zij is de leider in de groep. Ik heb Louka verkocht omdat ik geen tijd kon maken voor hem toen hij in een manege in Beveren-a/d-IJzer verbleef.

Hier, in La Vallade, in een landhuis van mijn vriend Marcel Warlop, komen mijn vrouwtje en ik tot rust, tot zen, het boze weer kan ons goed humeur niet raken. Nergens vind ik dezelfde rust als hier, hier ben ik thuis, hier kom ik thuis.

Ik kijk uit op een prachtig mooi groen landschap, op een wei waarin tien paarden grazen, twee bruine, enkele schimmels en drie appaloosa’s, waaronder Sienna.

Ik leerde paardrijden op mijn 60ste in een manege in Ingelmunster. Mijn instructrice was een aangespoelde Nederlandse halvemeter die haar stiel onder de knie had, maar weinig blijk gaf van liefde voor de paarden. Ze noemde ze zelfs “koeien”. Wat een blasfemie!

Ik leerde snel, eerst op “halfpaarden” (dixit de Nederlandse), dan op grote paarden, zwarte, zwart als Moren. Ik ging elke week paardrijden. De manegepaarden kenden mij en lieten zich graag berijden door de oudste ruiter van de stoeterij.

Ja, ik heb overwogen om uit te wijken naar La Vallade, een gehucht van Saint-Victor, 12 km onder Guéret, in de Franse Creuse. Ik kon het landgoed kopen,, maar mijn vrouw en mijn vier kinderen konden mij overtuigen om het bij een frequent verblijf te laten. Nu de kleinkinderen er zijn, heb ik mijn migratie uit het hoofd gezet. En toch, indien het lot onrechtvaardig zou zijn en ik alleen op de wereld zou komen te staan, zou ik in La Vallade komen sterven. Ik hoop echt dat mijn vrouwtje hier, na mijn dood, dikwijls terugkeert en zich de vele mooie dingen herinnert die wij hier samen mochten beleven.

Zoals je weet, heb ik in La Vallade ook de Muze (met M) ontmoet. In het leven van een “begenadigde” schrijver komen er vele muzen op hem af. Zij inspireerde mij tot twee romans en één gedichtenbundel. Zij wekte mijn verbeelding op tot Dan Brouwnse toestanden.

Ik ontmoette er Arsène du Frêne, een gevluchte Tempelier, die later de 2de Grootmeester zou worden van de “Broederschap van de Tempel van Salomo”. “The Order of the Razorblades”, de online ridderorde in onze contreien, is een wettige erfgename van die Middeleeuwse orde die in hoofdzaak gevluchte Tempeliers groepeerde. De huidige “Orde van de Scheermesjes” (voorheen “Scheermessen”) verwijst naar de toen toegepaste vermomming: het afscheren van de baard.

Wie belangstelling heeft voor deze geschiedenis, beveel ik mijn historische roman, Arsène du Frêne, heer van La Vallade, aan (*).

Wanneer ik opkijk, komt Sienna sierlijk op mij af gewandeld tot een paar meter van de veranda. Zij kent haar meester, zij erkent mij ook als zodanig. Wanneer ik met haar praat, leer ik haar dat ik haar “pappie” (F) ben. Belachelijk? Ach, wie bemoeit zich met onze relatie? Wie heeft het recht?

Straks rijden wij naar Confolent waar Marcel woont en onderweg genieten wij van de prachtige natuur en van ons gezelschap. Sienna en ik, wij zijn Albert II te rijk!

Och, kijk eens, een trots haantje met zijn harem komt de wei in. Ze lopen tussen de paarden die geamuseerd hoofdknikkend de kleine gasten begroeten!

Thierry Deleu

(*) Arsène du Frêne, heer van La Vallade (historische roman). - Harelbeke, De Gebeten Hond, 2004
15 euro.
Te bestellen in de Stedelijke Openbare Bibliotheek Harelbeke, Eilandstraat 2 te 8530 Harelbeke (vragen naar Jan Van Herreweghe) - 056/733440 of 056/733442..

Mooi gedicht van Marleen De Smet

midzomer


nu de zon de dag heeft rondgedraaid
en halfverzonken hangt achter beken
en kreken, ligt luiheid languit te liggen
aan de oevers van de avond,
wij drinken Reimse wijn en zijn

en worden dronken bij het lonken naar
lome koeien vlekkend in de wei nabij,
wij vieren midzomer op het geroekoe
van fuivende duiven terwijl een karekiet
krassend zijn biezen pakt in het riet

na elk geluid trekt schemerlicht mousserend
schaduwen over onze huid, wij geven niet
om lauwe nachtgeuren, dichters en dromers
weten dat geen kruid is opgewassen
tegen het parfum van midzomers

© Marleen De Smet

11 juli 2007

Ik zou willen

ik zou willen


dat je krimpt

op mijn vinger,

zo veilig

zou je liggen

als een pluim

die zinnen welt

te broos

om te verzinnen.


mijn hand knijpt

ze fijn tot pluizen

die happeren

in je stem

letters, vogels nu

scheren in kronkels

doorheen krampen

naar groter zijn.


Katelijn Vijncke




6 juli 2007

Woordenman

“Altijd maar begraven” van Peter Drehmanns

Op de cover staat de ideale foto van het hoofdpersonage Hans Woedman. Volgens Hans Woedman is dit het mooiste beeld dat er bestaat : “een mens die over een lege weg loopt en zich verwijdert, de verte in”. Een perfecte indicatie waar “Altijd maar begraven” naar toe gaat, vind je terug in het citaat op de eerste bladzijde : “I’m tired of the old shit, let the new shit begin”. Dit citaat komt uit de song “Old Shit/New Shit” van Eels, te vinden op het dubbelalbum “Blinking Lights and Other Revelations” uit 2005.


Lokkertje ! In “Altijd maar begraven” volgen we de zoektocht van Hans Woedman naar zijn heilige graal. Hans Woedman is corrector maar vooral een woordenman. Hij is een schrijver van onuitgegeven boeken en geobsedeerd door de letter B. Zijn vrouw Bebel is zes maanden zwanger van een kind dat hij eigenlijk nooit wilde. Bebel beheerst zijn leven en op het moment dat ze een babyfolder toont met de titel “Jij wordt mij” neemt hij het besluit om te vertrekken. Midden in de nacht, op zijn veertigste verjaardag, verlaat hij het huis in Breda. Zijn zoektocht stuurt hem naar het Oosten omdat de meeste van zijn prozaminiaturen zich afspelen in Oost-Europa maar zelf was hij er nog nooit, meteen een uitgelezen kans. Vastbesloten om zijn obsessie trouw te blijven, houdt hij enkel halt in steden waarvan de naam begint met een B. Zal Hans Woedman zijn heilige graal vinden, keert hij terug naar Bebel of gebeurt er nog iets anders ? Dit confronterende reisverslag zal het uitwijzen.

De auteur ! De 47-jarige Peter Drehmanns recenseert buitenlandse literatuur voor het NRC Handelsblad. “Altijd maar begraven” is intussen al zijn vijfde roman. Eerder verschenen al “De Blindganger”, “Gemaskerd land”, “Erfsmet” en “ Blackpool”. Tussenin schreef hij ook nog de verhalenbundel “Schaduwboksen”. Naast schrijven maakt hij ook kortfilms. In 1999 was hij één van de medeoprichters van het literaire tijdschrift “In ’t Schip”. Een blad waar naast verhalen, gedichten en essays ook aandacht werd besteed aan beeldende kunsten. Alles gaat over mislukkingen, zwakke personages en gebroken dromen. Deze onderwerpen komen ook terug in de boeken van Peter Drehmanns. Volgens de schrijver is niets zo intrigerend als het menselijke falen. “Altijd maar begraven” is uitgegeven door Uitgeverij Contact.

Veritas mea ! De reis van Hans Woedman gaat van Berchtesgaden dwars door het vroegere Oostblok om te eindigen in Bergen-Belsen, niet toevallig een stad met dubbele B en vroeger een vernietigingskamp. Het valt op dat bijna iedere stad, die hij aandoet een oorlogsverleden heeft. Veel van de mensen waar Hans Woedman mee spreekt, stralen een strijd uit : een verlangen om te leven tegen de verlokking van de dood. De route kan je mooi volgen met het plannetje in het boek. Heel aangenaam zijn de bijpassende prozastukjes op het eind van ieder stadsverslag. De leukste zin heeft ditmaal een bittere nasmaak. Het probleem van Hans Woedman in deze zin is heel realistisch en geeft het probleem van veel auteurs weer.

Extraatje ! In het prozastukje “Alle wegen leiden naar de afgrond” neemt Rudolf Rausch in Bevagna (altijd een B) een liftster mee . Op haar voorhoofd staat een chemische formule getatoeëerd : C8H11NO2. Net zoals Rudolf was ook ik geïntrigeerd door deze formule. Na wat opzoekwerk blijkt deze formule voor “dopamine” te staan. Dopamine is een molecule die zorgt voor de signaaloverdracht tussen de zenuwcellen, meer bepaald voor bewegingen en emoties (vooral blijdschap en genot). Mensen met de ziekte van Parkinson hebben een tekort aan dopamine. Ook bij schizofrenie speelt dopamine een grote rol. De drug cocaïne vertraagt de opname van dopamine waardoor de dopaminebanen extra geprikkeld worden en het gevoel van blijheid en genot enorm toeneemt. Zenuwbanen die extra gevoelig zijn voor dopamine liggen in de voorhoofdskwab, vandaar waarschijnlijk de tatoeage op het voorhoofd. Wanneer je weet wat de chemische formule betekent, lees je dit prozastukje met heel andere ogen.

De leukste zin ! “Tenslotte zaten er achtentachtig prozaminiaturen in zijn reistas. Achtentachtig A4’tjes, achtentachtig pogingen om te bewijzen dat hij een letterknecht was, een plotbakker, een metaforenmachinist, een fabelzaaier, een woordpooier… Achtentachtig verhaaltjes die geen uitgever wilde hebben.”

Marc Vandenbussche

5 juli 2007

Aanwinst voor de redactie van De Geletterde Mens

Marleen De Smet (Zarlardingeplein 22 - 9500 Geraardsbergen - e-mail: desmet.marleen@telenet.be) vervoegt "schoorvoetend wegens druk" de redactie.

Marleen kwam sinds haar veertiende in aanraking met poëzie en schreef haar eerste vers voor haar debuutbundel Groeipijnen 2002). Wat zij verdringt gaat dringen. Dan zoekt zij haar plaats in het allesomvattende land van het woord, want zegt zij: “Poëzie is reizen in het hoofd, vanuit het hart. Dus, met het hart in de handen probeer zij gevoelens, ervaringen en observaties te verwoorden in een taal waarmee zij u, als lezer of toehoorder wil aanspreken met de juiste klemtoon op het juiste woord."

Zo rijpte het idee voor de publicatie van de roman, De verborgen oorlogsliefde (2002).
Haar tweede gedichtenbundel Vreemd hoe het gaat (2005) verscheen eind 2005. Ook werd haar poëzie opgenomen in de bundel bekroonde gedichten Wat zoudt gij zonder 't werkvolk zijn, de bloemlezing Vlaamse Feestgedichten, Een gebloemde lezing en op de literaire website "Meandermagazine" en "OpSpraak".

3 juli 2007

DE 50 MEESTERDICHTERS van de Lage Landen bij de zee
2007-2008
ZIJN BEKEND!

50 Nederlandstalige dichters werden geselecteerd om lid te worden van het dichtersgenootschap “De 50 Meesterdichters van de Lage landen bij de zee”.
Sommigen onder hen hebben hun proefperiode van één jaar als “solliciterende Meesterdichter” bijna achter de rug. Na deze periode worden zij “Meesterdichter”.

Het zijn (in alfabetische volgorde en niet volgens de datum van hun selectie):
Marcella Baete, Bert Bevers, Frans de Birk, Annette van den Bosch, John Brookhouse, Marc Bungeneers, Gunnar Callebaut, Martin Carrette, Greta Casier, Frans Claus, Jeannine Debbaut, Lidy De Brouwer, Pierre Declerck, Leni De Goeyse, Jenny Dejager, Thierry Deleu, Luc Demiddele, Ferre Denis, Gwen Deprez, Marleen De Smet, Astrid Dewancker, Germain Droogenbroodt, Fernand Florizoone, Ludo Geloen, Hejatomsma, Patricia Lasoen, Paul van Leeuwenkamp, Frédéric Leroy, Cathy Mara, Mark Meekers, Peter Motte, Edith Oeyen, Ruud Poppelaars, Eric Rosseel, Annmarie Sauer, Maurits Sterkenburg, Pien Storm van Leeuwen, Ina Stabergh, Annemieke Steenbergen, Jet van Swieten, Henri Thijs, Guy Vandendriessche, Yerna Van Den Driessche, Eric Vandenwyngaerden, Jozef Vandromme, Jan Van Loy, Dirk Vekemans, Katelijn Vijncke, Pom Wolff, Peter Wullen.

Een jaarboek

Op het einde van de proefperiode van de 50ste “Meesterdichter” wordt een jaarboek op de markt gebracht door Razor’s Edge Edition, met een inleiding door Thierry Deleu.
Vermits de “solliciterende Meesterdichters” pas na één jaar “Meesterdichter” worden”, kan deze bundel ten vroegste één jaar na de geselecteerde 50ste “solliciterende Meesterdichter” verschijnen.

Een eerste aanpassing van “De 50 Meesterdichters” komt er aan voor de periode 2009-2010. Alleen bij overlijden, ontslag of klacht wordt een naam geschrapt en door een andere “Meesterdichter” vervangen.

Alle “Meesterdichters” moeten een goede reputatie hebben als mens en als dichter. Zij zijn de toekomst van het poëtisch patrimonium van de Lage Landen bij de zee.

Thierry Deleu,
eerste voorzitter van het dichtersgenootschap

Bij de geboorte van Robbe














Robbe

Robbe, een naam als een klok,
Robbe Deleu een strijdkreet,
vliegt de blauwvoet storm op zee!
Robbe doet mij denken aan

fratsen en grollen, aan hoge
bomen veel wind, een trotse
opa die de eeuwigheid verzint,
aan een stoere bink,

een Pallieter, een genieter,
zot op honing en toverdrank,
gretig kijkt Robbe straks de
wereld in, verbaasd maar

niet van slag, Robbe is wijs
zijn opa schutsengel, klaar
voor de eerste les in
dapperheid, ons handelsmerk!

Thierry Deleu

Madeleine















Madeleine

Madeleintje met je wuivende
pauwenveertjes kroonwilgje in
zomerbloei indiaantje in oorlog
ik hou van je snit Côte d’Azur

in je pientere blauwe oogjes
zie ik de Middellandse Zee en
het chique volk dat paradeert
volle lipjes tuitende zoetigheid

wanneer je kreetjes kringelend
de kamer vullen de mensen
alarmeren kijk je guitig
om je heen om zoveel aandacht.



Thierry Deleu

Rik Dereeper, stadsdichter van Kortrijk

Rik Dereeper, stadsdichter!

De eerste stadsdichter van Kortrijk is Rik Dereeper uit Kortrijk-Rollegem. Rik nam een beslissende voorsprong in de laatste uren en haalde een stemmenaantal van 425. Janne Decat krijgt zilver met 358 stemmen en Thierry Deleu brons met 178 stemmen.

De Geletterde Mens wenst Rik hierbij hartelijk te proficiateren en verwachten zijn winnend gedicht.

In de nacht van Kortrijk Congé (14-15 juli) leest Rik voor in het Begijnhofpark. Daar wordt hij gehuldigd door Wim Opbrouck.

Rik mag zich aan een stadsopdracht verwachten in het project "Buda Kunstencentrum".
Het Kortrijks Handelsblad (Mieke Verhelle) is bereid tot een gezellig diepte-interview.

Gedicht van Lieve Vandamme

Buren

ze zijn er
wel

maar je
ziet ze niet

je hoort
ze wel

maar je
kent ze
niet

je ontmoet
ze wel

maar je
weet niet
wie ze
zijn


wat is
’n buur?

’n buur
zonder
elkaar
te kennen?

Lieve Vandamme