Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans

Stichtingsdatum: 1 februari 2007


"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"

"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.

29 juni 2007

Juliette (toen je nog baba zei)
















Magisch alfabet

Juliette, nog vóór je praten kunt,
schrijf je in dit pienter hoofdje van jou
het Kinderboek vol Wijsheid,
en woord voor woord lees ik over

je schouder mee je magisch alfabet.
De b van baba, de m van mama,
de p van papa en bij dit laatste
woord wijs je met je vingertje

naar de man van je leven. Och kind,
de goden hebben jou op aarde
gebracht om ons te vertellen
een boodschap van liefde en hoop.


Voor mijn kleinkind Juliette
Thierry Deleu

Iedereen beschikt over innerlijke kracht, schoonheid en creativiteit !

De Unie der Zorgelozen

De Unie der Zorgelozen is een sociale beweging, die niet bestaat uit een vaste groep maar uit een open structuur. De grondslag wordt gevormd door artistiek verwante zielen. Een atelier, een leefgemeenschap en geëngageerde initiatieven voor samenlevingsopbouw zijn onderdelen van de werking. Er wordt samen gegeten, gedronken en gediscussieerd. De Unie der Zorgelozen vind je te Kortrijk in de buurt Venning-Veemarkt en te Gent in de buurt Muide-Meulestede. In beide steden wordt er samengewerkt met het OCMW en verschillende buurtcentra. Het OCMW van Kortrijk en het Nieuwpoorttheater Gent zijn onmisbare schakels in de uitbouw van de Unie der Zorgelozen. Tijdens ontmoetingen worden armoede en verdriet gedeeld maar dit vormt wel de sociale basis voor het artistieke denken en de creativiteit, die uitmondt in verschillende activiteiten.

Zo zijn de “Wijkprojecten” ontstaan. Deze projecten ontspruiten uit onderwerpen waarin iedere deelnemer zich kan vinden. Iedereen die zin heeft om mee te werken en te spelen, is er welkom. Alles gebeurt op locatie in een wijk. Een “Wijkproject” wordt meestal gecombineerd met een “Contextproject”. Hierin kunnen mensen die zich niet geroepen voelen om op een podium te staan zich toch uitleven. Dit gebeurt dan onder de vorm van schilderen, schrijven, video of fotografie. Herbronning is heel belangrijk zodanig dat de Unie der Zorgelozen niet in elkaar stuikt en blijft steken in haar eigen beweging. Daarom werken ze ook samen met andere theatermakers zoals Abbatoir Fermé. Deze artistieke confrontaties, “Zolderprojecten”, zorgen voor de nodige nieuwe gedachten om de samenleving op diverse manieren te bekijken. De deelnemers van de “Wijkprojecten” krijgen de mogelijkheid om intensiever te werken en hun kwaliteiten verder te ontwikkelen in de “Doorstroomprojecten”. Deze projecten worden gemaakt met een kleine groep en dit in tegenstelling met de “Wijkprojecten” die minstens uit vijftig mensen bestaan. Met de “Doorstroomprojecten” zijn ze niet alleen te zien in het buurthuis of op locatie in de wijk maar ook op de professionele plateaus van het Vlaamse podiumkunstenlandschap. Op termijn moeten deze projecten hun vruchten afwerpen die hun invloed zullen hebben op de hele Unie der Zorgelozen.

Een vast theatergezelschap willen ze zeker niet vormen. Het begrip theatermaker is veel ruimer dan gediplomeerde theatermensen. Mensen die niet uit het theaterwereldje komen zijn onmisbaar om de banden tussen familie, gezelschap, engagement, kunst en samenleving een maatschappelijke inhoud te geven. Bedoeling is om de mensen niet alleen als cultuurconsumenten te beschouwen maar om ze ook actief te betrekken in het creatieproces van een project. Dit gaat van spelen, naaien, maken van kostuums, ontwerpen van een lichtplan, trommelen, regisseren, techniek en catering verzorgen, affiches ontwerpen tot promotie voeren. Iedere persoon beschikt over een portie innerlijke kracht, schoonheid en creativiteit. De Unie der Zorgelozen probeert dit bij iedereen aan de oppervlakte te brengen. Ze werken niet voor een bepaalde doelgroep maar proberen de gehele mensheid te bespelen. Democratie en mensen zijn ingewikkeld en kunnen niet in zwart/wit contrasten onderverdeeld worden. Het is juist deze voortdurende confrontatie, die ervoor zorgt dat het sociaal-artistieke werk zo interessant is.

Je kan kennismaken met de Unie der Zorgelozen tijdens Kortrijk Congé op 14 juli 2007.

Marc Vandenbussche

28 juni 2007

Gedichten Ruud Poppelaars

de vonk

bezie het water
rond dit eilandoog
de dode zee
het zout dat bijt
het oog dat drijft

een koffiebranderij
dit oog brandt
bezie de vlammen
ik zag de vonk
de vonk bewoog

het is de vonk
wit en snel
van oog naar oog
hij is de heerser
over de archipel

danke Hildegard Knef!

“laß mich bei dir sein,
so nah bei dir sein”

laat me het geschilderd medaillon zijn
dat je borst hoort kloppen
de fijne V van je uitgesneden hals

schuif je zwarte ogen uit
verstop me in je diepe grotten
giet me in als een fossiel
van al het valse licht vergeten

en verhaal me dan opnieuw
over zon, maan; de planeten
ik zal olie zijn op je stem
nu ik geen barst meer zie

de dorst

luchtfoto zonder lucht
afgelegen gedicht van zand
kamelenzand, geslepen steen
eenzaam gemalen door de tijd
de tijd als taal
de tijd als golf
de tijd als moment

het moment van deze antiloop
de Oryx
een machine van bloed
twee botten op de kop
een landbouwwerktuig

daarachter een spoor van dorst
van ploegen en ploeteren
en toch strak omhoog kijken
nooit een mens gezien
nu die grote vogel door de lucht

alsof ik daar sta
klaarwakker, rechtop in bed
door jou gekust
met het mes op de keel

wat wil een mens

wat wil een mens meer zijn dan gedragen taal
uitgesproken zo licht als een veer
of gezongen als een lied dat trappen klimt
met elke trede dichter naar de kantelen
een korte aanloop en dan die sprong

het mooiste lied van wiegendood

nu onze woorden niet meer vlinderen
in rood en wit
maar behoedzaam kruipen als spinnen
in een web waar levende mummies
gebalsemd hangen,

laat ons dan een laatste angst
de vleugels af te breken en te leggen
als een deken van rode rozen en witte seringen
en laat ons zingen

aan de Godin uit de Zee

we nemen de macht meteen over
jij met je twee witte tijgers aan de hand

voeder maken we van alle staatsputa’s en castraten
de senaat verzuip ik eigenhandig in een bad vol rozenblaadjes

wat er aan man en mens is overgebleven, trekt de heilige toga aan
jij krijgt je witte toren en zij zullen die bouwen omwille van de liefde
die toren zal voor eeuwig Petrus&Pilatus in de weg staan

de mens het wordt een konijn, een ezel én een edel paard
jouw woorden zijn het witte zwaard
mij zal men verafschuwen en liefst vergeten, maar jou zullen ze vragen
niet voor niets was jij de enige die me kon behagen
het zal weten dat jij het ware beeld van Aphrodite uit Fenicië bent

laten we daarom panoramisch zijn
met onze blote billen breed door de golven breken
laat ons Atlantisch worden tot aan de Middellandse Zee
met een vloeibare stem
pas opduiken toen Rome opnieuw werd gesticht

Ruud Poppelaars

De poëzie van Frans Depeuter? Daar stroomt zijn hartslagader door!

De poëzie van Frans Depeuter (1937) heeft mij niet verrast, - ik ken zijn dichtkunst al decennia -, maar hij is als dichter gegroeid, ik bedoel: zijn poëzie heeft gewonnen aan puurheid, aan autonomie, aan stabiliteit. De gedichten in Landschap met duif zijn af, ze staan er, ze hebben geen interactie nodig, geen comfort, geen decorum, alleen een scène die de dichter bovendien zelf optimmert. De dichter heeft geen plankenkoorts, hij is overtuigd, niet arrogant, maar zelfbewust.

Depeuter gelooft in poëzie, dit merk je. Hij schrijft over de liefde, over liefde en haat, over vreugde en pijn, over hoop en angst, over dingen die voorbij zijn, over het verlies van wat hij niet kwijtraakt. Hij anticipeert met schoonheid die hij puurt uit pijn, met troost bij onvolmaaktheid. Zijn behoefte aan troost lijkt onverzadigbaar. Hij schaamt zich niet voor zijn gevoelens.

Depeuter schrijft ook proza en toneel, maar poëzie “daar stroomt zijn hartslagader door”. “Proza mag, poëzie moet!” roept hij uit. Poëzie is geconcentreerde taalessence.

Hij schrijft weinig vernieuwende poëzie, maar dit is geen negatieve kritiek. Zijn poëzie komt spontaan en associatief over. Hij rebelleert in de taal, zijn gedichten verrassen door hun woordverband en beeldcombinaties, die corresponderen met de exploratie van het innerlijke. De beelden gaan het gedicht zelf binnen om een autonoom leven te leiden.
Bij Depeuter is een duidelijke opleving van traditionele versvormen waar te nemen. Hij onderzoekt de relatie tussen het woord en de werkelijkheid. Hij beschikt over een virtuoze vormbeheersing en bouwt zijn gedichten zorgvuldig op. Hij schuwt het hermetisme.

Frans Depeuter gaat zijn eigen weg. Hij heeft zin voor klassieke schoonheid, - hij is echter geen maniërist, - zijn poëzie gaat diep en treft de lezer door haar zin voor symboliek. Als dichter legt hij een lange weg af op zoek naar zijn eigen identiteit, rond thema’s zoals liefde en dood. Hij vertoont een neiging tot introspectie, tot nadenken. Zijn poëzie kreeg met de jaren een grotere verstaanbaarheid.

Lezer, volgens smaak, perceptie en voorkeur, sommige gedichten uit Landschap met duif zullen jou aanspreken en andere zullen jou niets zeggen, sommige zullen jou verrassen of bekoren, maar zij komen van een begenadigde dichter, dit is zeker. Schrijven is ontsnappen uit de rauwe werkelijkheid, is afrekenen, is afreageren. Schrijven is ook een nieuwe werkelijkheid creëren waar het goed vertoeven is, schrijven taboes doorbreken. Dit alles vind je in de poëzie van Frans Depeuter.

Hij draagt Landschap met duif op aan zijn moeder, aan zijn vader, aan beiden. Hij doet dit in stijl, met gevoel, zonder gevoelerigheid, hij graaft diep, maar blijft helder in zijn betoog, hij toont wat liefde is en tot wat zij niet mag worden. Hij schrijft “echte” poëzie, zijn gedichten lijden niet aan postmodernisme of intellectualisme. De dichter verheft zich niet boven de lezer, maar verklaart altijd helder wat hij bedoelt. Zijn poëzie is een ontmoeting met de hele mens: de ratio én het gevoel. In zijn gedichten hoor je het bloed bonzen, adem je in en uit met al je zintuigen, lichaamswarmte die je ruikt, proeft. Kortom: Depeuter schrijft “menselijke” poëzie.

Zijn gedichten hebben body en boeket. Landschap met duif doet in niets terugdenken aan zijn vorige bundels: hij “verliteratuurt” niet langer, hij evolueerde naar een directe verstaanbaarheid. Zijn bundel is klassiek opgebouwd, zowel qua vorm als qua inhoud.

In de gedichten voor zijn moeder, “Een moeder rijdt op je rug te paard”, spreekt hij haar zacht toe, hij fluistert, en toch is zijn toon resonant genoeg om boven de stilte, die beiden verbindt (of is het scheidt?), uit te stijgen. Zoals iedereen beseft hij dat hij, haar kind, fouten heeft gemaakt, dat hij zijn moeder niet voldoende heeft liefgehad, dat hij weinig moeite heeft gedaan om haar te begrijpen en te appreciëren. "…: ik ben mijn dorst en wortels kwijt,” zegt hij in het gedicht “Driemaal ben ik uit haar geboren”.

… Al wat ze mij geleerd had,
heb ik als schroot verdaan…

(p. 10)

Nu is zijn moeder dement. De dichter beseft dat hij nu niet meer kan ophalen wat hij toen heeft nagelaten: haar de liefde geven waar zij recht op had, en dit kwelt hem.

Maar nu is zij ineengekrompen,
zij stapelt woorden op elkaar
die geen kant of wal meer raken.

(p. 11)

Wanneer zij zo goed als dood (is), in woord en daad en wanneer het avond wordt, zij overlijdt, blijft haar stem narollen/als een dobbelsteen. De dichter probeert de afstand nog te peilen. Hij kan haar niet begraven:

Maar ofschoon bij wet doodverklaard,
bleef zij aan mijn tongriem kleven.

Een ook nu nog. Ook nu raak ik haar niet
kwijt: zolang er dood is, is er leven.

(p. 15)

In de gedichten voor zijn vader, “Zoals een stroom zijn stenen, draagt”, is de dichter minder teder, zijn woorden klinken hard, alsof hij “de mens, zijn vader” dissecteert, maar hij is week van binnen, de lauwe angst die in mijn aders wroet. Hij vindt een som van onvolkomenheden.

"Die morgen toen, hij sliep in" is één van de mooiste vadergedichten over dood die ik heb gelezen. Gaaf, niet kneuterig sentimenteel, met herkenbare beelden, waarin alle zintuigen en prikkels (zien, horen, ruiken, smaken, voelen) hun plaats krijgen. Wat het gedicht echter zo gaaf maakt, is de wijze waarop de dichter het zesde zintuig - die van het bovennatuurlijke – verwoordt en activeert.

Die morgen toen, hij sliep in ’t zesde huis
van stilte, zijn adem was zo wit als ‘t licht
dat aan de blinden trilde, op zijn gezicht
lag al wat stof, wat as, wat zilvergruis.

En zie, plots hoorde ik een zacht geruis,
zoals van vleugels die opengaan en dicht:
hij beefde en verstijfde in elk gewricht
toen hij de heer herkende van het laatste huis.

Zo lag hij daar, met in zijn mond een roos
van angst, totdat hij zag hoe transparant
de wereld werd, hoe klaar en schaduwloos
de vormen. Toen werd zijn bed een stroom
van zand, hij gleed uit schors en huid,
en bereikte ademloos de verre overkant.

(p. 24)

De dichter kan de dood van zijn vader niet plaatsen, het rouwproces blijft duren, maanden zijn alweer voorbij en toch dringt hij terug in mijn structuur. Hij draagt zijn vader mee zoals een steen zijn etter. Tot hij uit lijfbehoud hem voor altijd bant:

“Het moet gedaan zijn, man, ik wil u kwijt.
Ik dood u nu voorgoed. Ik maak u af!”

(p. 31)

In het laatste deel van de bundel, “Het huis met vijf ankers” draagt hij gedichten op aan zijn ouders. Het zijn gedichten vol van herinneringen, - de dichter wordt er bij wijlen melancholisch van, -: het kruis in de huiskamer waar alles gebeurde, het bed waar zij de liefde bedreven, de kamer der verborgenheden, de voorkamer waar feest gevierd, de oorlog daarbuiten, en de zolder, de lome bolster, de wieg, de wan, het uitgedorste koren, de schaapswol, het zeildoek, de weegschaal. Zijn ouders leefden naar de orde der seizoenen.

In het sluitgedicht stelt de dichter vast dat één zomer voorbij is. Het huis, met groene deuren, witte luiken, is geen stoel meer bezet, geen schim te bespeuren.

Landschap met duif bevat mooie, aangrijpende gedichten die je pakken, die je ontroeren, door hun eenvoud, hun eerlijkheid, compleetheid. Het is poëzie die niet van franjes leeft of van vergezochte vergelijkingen of beelden. De gedichten zijn krachtig verwoord, de woorden zijn geteld, in hun waarde gelaten, de gevoelens zijn niet geveinsd. Frans Depeuter was een goede dichter, nu is hij een meesterdichter.


Thierry Deleu

Frans Depeuter, Landschap met duif, zuid & noord, Beringen, 2007, ISBN 90 568407 89.

26 juni 2007

"Heibelse" revival - jeugdsentiment en nooddruft!

Ik heb het nummer 2 van de 12de jaargang van “Heibel”, het blad zonder blad voor de mond, onafhankelijk literair, kritisch, satirisch, polemisch, in één ruk uitgelezen.
Ik voelde mij in die ene ruk veertig jaar jonger. Lionel Deflo en ik hadden net “Kreatief” opgericht (eigenlijk kwam het idee van mij) en we waren die dagen echte fans van “Heibel”. Ik misschien nog iets meer dan Lionel. Hij was ook ernstiger dan ik, of beter: hij kon minder goed relativeren. In die dagen vormden wij in West-Vlaanderen een tandem, zoals Depeuter en Hannelore in de Antwerpse Kempen. Deflo-Deleu duurde slechts een paar jaar. We gingen niet uiteen in ruzie, wel met grote schulden, maar omdat ik van de Antwerpse uitgeverij De Sikkel als jonge leerkracht Nederlands de kans kreeg om een paar taalboeken te schrijven (maken) voor jongens en meisjes uit het beroepsonderwijs. Ik nam die opdracht toen zo “plichtsbewust” aan dat ik niet eens heb geprobeerd om toch “Kreatief” te blijven redigeren. Dom van mij. Sorry, Lionel. Hoewel hij op zijn eentje van “Kreatief” een toonaangevend tijdschrift maakte.

“Heibel” had de carrure van een rebel, een freespeaker, een blad dat geen blad voor de mond hield. Rechts? Rechts progressief of links conservatief, zoiets. Hannelore had niet veel lovende woorden voor mijn eerste gedichten - hij noemde mij een epigoon van Johan Daisne -, maar omdat ik daar niet van overtuigd was, nam ik het hem niet kwalijk. De gestencilde “Heibel” leek wel een vervolg op de revolutie van de gestencilde tijdschriften uit de tijd daarnet voor. “Kreatief “ was echter mooi gedrukt, met kleur. Lionel was voor “orde en netheid”. Zo heb ik hem ook op school gekend. We zaten samen in het zesde leerjaar van de gemeentelijke school voor jongens. Hij was de primus en ik de eeuwige tweede, beiden lid van “Het Volkske” en resp. voorzitter en ondervoorzitter van “De Klauwaards”.

“Heibel” schopte soms wild om zich heen. Het viel mij echter op dat het vooral de “andersdenkenden” waren die het moesten ontgelden. Zij die anders dachten en er ook naar leefden. Gelukkig was er de derde man, Walter van den Broeck, die zich “linkser” opstelde en minder satire gebruikte om zijn achterban te beschermen. Wat ik nu schrijf, dacht ik toen. Nu weet ik beter, Robin en Frans waren de Robin Hoods van Vlaanderen die opkwamen voor integriteit en het bewaren van “de kroon”. “De kroon” van de stabiliteit, de deugdelijkheid, de authenticiteit.

Wij zijn generatiegenoten. In 1965 hadden wij geen grijze haren en we probeerden ernstig te poseren voor de fotograaf. Nu zijn we (een beetje) vergrijsd en lachen graag ons vals gebit bloot. De tijd heeft ons gelouterd en nu doen wij nog maar eens die goeie oude tijd over. Met dezelfde wapens, hetzelfde formaat, dezelfde soberheid, maar ook met evenveel sarcasme, ironie, bijtende kritiek, ridiculisering. En ook nu sporen zij plagiaat op en decadentie in levenswandel en geschriften.

Het “geval” Reve kreeg mijns inziens te veel plaats. Maar goed, het is een schoolvoorbeeld van perceptie. “Grote” jongens mag je niet afvallig zijn. Wat ze ook uitspoken en waar ze ook voor staan, het blijven “grote” schrijvers. De mens achter de schrijver is niet zo belangrijk, ook niet wat hij schrijft, maar vooral - en soms uitsluitend - hoe hij schrijft en met welke kwaliteit. Ik ben het eens met de redactie: ook een schrijver moet een eerbare man of vrouw zijn. Of het op zijn minst worden (tweede kans). De schrijver heeft een voorbeeldfunctie in onze maatschappij. Hij moet de vinger op de wonde(n) durven leggen, hij moet via “literaire” bewoording onrecht, hypocrisie, verdrukking aan de kaak stellen. Onze gezagsdragers (wat een wrevelig woord) moeten geen “zondaars” de hemel in prijzen, omdat ze goed schrijven. Is dit een rechts standpunt? Kan het aanleiding geven tot ontoelaatbare censuur en verwijdering? Moet Reve in een leerboek voor secundair onderwijs worden opgenomen en besproken? Zijn er geen andere schrijvers die even goed schrijven en waar niets is op aan te merken? Opgelet, dit is geen oproep tot een terugkeer naar de censuur, de “geestelijke leiders” die uitmaakten wat gezond was en niet gezond (denk aan onze collegetijd). Neen, een drol met een strikje er rond blijft een drol!

Met “Heibel” en “Kreatief” heb ik de jaren ’60 rondgemaakt. En ik kon het niet laten: in 1971 stichtte ik “Boulevard”, dat nooit het niveau zou bereiken van mijn twee voorbeelden. Verdienstelijk, dat wel. “Boulevard” werd het tijdschrift van de “vrijzinnigen”. Ik noemde ze de “humanisten”, want ik ben allergisch voor structuren en instituten (tenzij ze ludiek zijn). Ik werd bevriend met Walter Debrock, de toenmalige administrateur-generaal van het departement Cultuur. En dat bracht mij geen windeieren op. “Boulevard” werd gesubsidieerd via afname van een 100-tal nummers. Ik kreeg ook een paar keer een werkbeurs van 50.000 fr. Nu worden de schrijvers door het VFL gediscrimineerd en gedecimeerd en worden de tijdschriften monddood gemaakt bij gebrek aan financiële middelen. De VFL kiest de zijde van de (rijke) uitgevers.

De tijd van “Boulevard” (1970-1980) en de uitgeverij “Het Schaap” (1981-1987) was een leuke periode. Ik kon op veel goodwill rekenen en op de steun van schrijvers en beeldende kunstenaars, onder wie Marcel Coolsaet, Guy van Hoof, Frans van Steenkiste, Peter Blommé, Leo Madelein.

Ook nu weer klaagt “Heibel” in zijn nummer 2 van de 12de jaargang (nummer 5 van de nieuwe reeks) mistoestanden aan: de lichtzinnigheid, partijdigheid en kortzichtigheid (vandaar de uitreiking van de Nestor), de monopolisering van professor Hugo Brems, de merchandising van Carlos van Baelen, de oversubsidiëring van Leonard Nolens, de verloedering van het VFL, de familiecratie in de politiek, de Vlaamse open-en-blootcultuur, het plagiaat dat nooit ver weg is.

Ik voelde mij weer veertig jaar jonger toen ik “Heibel” in mijn bus vond. “Heibel” maakte graag heibel, was niet zuinig op zijn woorden, formuleerde vrank en vrij op- en aanmerkingen, maakte vijanden en trouwe vrienden. “Heibel” zag je graag of je verfoeide het blad van die “achterlijke” Limburgers. Of waren die gasten Antwerpenaren. Grensgevallen?

Het is een goede zaak voor de literatuur dat de “Heibelmakers” weer zijn opgestaan. Ik kijk al uit naar hun volgende nummer, met een grondig onderzoek naar de relatie man-van-woorden/man-van-daden van Gerard Walschap. De keuze van Walschap is geen toeval? Ik zou graag meewerken aan “hun project”.


Thierry Deleu

Heibel”, onafhankelijk literair tijdschrift, 12de jaargang, nummer 2 (nummer 5 van de nieuwe reeks) - Frans Depeuter, De Heikens 29, 2250 Olen (depeuter.frans@telenet.be)
Losse nummers: 10 euro.
Abonnement (3 nummers): 24 euro.
Te betalen op 979-3986331-24.

Niet alle schrijvers zijn gelijk voor de wet! Thierry Deleu

1
Historiek (1960-1980)
Een generatie auteurs verdiende beter. Generatievorming in het teken van tegenspraak.

Een nieuwe generatie profileert zich meestal door een oudere tegen te spreken. Zo moeilijk als de literatuurwetenschap het heeft met periodiseren (het vaststellen van nieuwe data in de literatuurgeschiedenis), zo eenvoudig klaren de bij een generatiewisseling betrokken jonge auteurs dit karwei.

De schrijvers die rond 1960 debuteerden, vormden een heterogeen gezelschap, maar gemeenschappelijk was hun afkeer voor de klassieke rijmelarij en de (volks)verhalende vertellingen in romanvorm. De belangrijkste “vertellende” auteurs van die vooroorlogse jaren waren Antoon Coolen, A.M. de Jong, A. den Doolaard en Theun de Vries. In het begin van de periode kwam het felste engagement met de malaise van Jef Last.

De weergave van het toen zichtbare maatschappijbeeld was toen (en ook nu) niet de enige mogelijkheid voor een schrijver om het tijdsklimaat op te roepen. Hij kon dat ook doen door in verdichte vorm, met de middelen van stijl en verbeelding, aan te duiden wat er onder de oppervlakte als “tijdgeest” karakteristiek bleek voor een periode. De Nieuwe gedichten (1934) van Nijhoff geldt hier als een voorbeeld: het uiterlijk crisisbeeld van werkloosheid en stempellokalen kwam er slechts incidenteel in voor, maar de mentale beleving van de contemporaine wereld als “woest en leeg” was het onmiskenbare vertrekpunt in zijn verzen.

Wanneer er zich, in het zicht van 1940, een nieuwe generatie meldt, valt er in het smeulend vuur enige opflakkering waar te nemen. Als woordvoerder van “De Veertigers” trad de dichter en criticus Ed. Hoornik naar voren. Hij gebruikte de term “mijn generatie” en hij bedoelde Aafjes, Achterberg, Den Brabander en Van Hattum. Of hij had het over “de jongeren die zich in 1939 groepeerden”, zoals Adriaan van der Veen, M. Vasalis, Pierre H. Dubois en Adriaan Morriën. In De Gemeenschap van maart 1940 schreef hij over “Een nieuwe generatie”. De ouderen vonden dat het werk van de jongeren “in het algemeen een groot gebrek aan generositeit, aan weidsheid van verbeelding, aan geloof in hun ster” vertoonde.

De naoorlogse poëzie vertoonde aanvankelijk weinig tekenen van vernieuwing. Daarin kwam verandering in de jaren ’50 met de zogenaamde experimentelen. Die groep wees een intellectualistische en esthetische (dicht)kunst af. In plaats daarvan stelden de experimentelen het spontane, het associatieve. Omdat de meeste experimentele dichters rond 1950 debuteerden, spreekt men van de “Beweging van Vijftig”. De Nederlander Hans Lodeizen (1924-1950) geldt als een voorloper. Enkele Vijftigers, zoals Claus (1929), Lucebert (1924-1994) en Jan G. Elburg (1919-1992) waren ook actief als beeldend kunstenaar.
De poëzie ging rebelleren in de taal. Zij deed beroep op vrije associaties, verrassende woord- en beeldcombinaties, die correspondeerden met de exploratie van het onderbewuste. De beelden verwezen niet meer naar een direct herkenbare realiteit, maar zij gingen binnen het gedicht zelf een autonoom leven leiden.

Terwijl de poëzie van de Vijftigers rond 1960 hoe langer hoe beter geaccepteerd raakte en de Zestigers sterk inspireerde, manifesteerde zich een tegenbeweging. Twee nieuwe tijdschriften eisten de aandacht op. Gard Sivik, genoemd naar een Antwerps artiestencafé, werd in 1955 opgericht door een groep jonge Vlaamse avant-gardisten. In 1957 voegden de Rotterdamse dichters Hans Sleutelaar en Cornelis Bastiaan Vaandrager (1935-1992) zich bij de redactie. Algauw bepaalden zij, samen met Armando en Hans Verhagen, de nieuwe neorealistische koers van het tijdschrift. De dichters van de “Nieuwe Poëzie” vonden de Vijftigers veel te kunstzinnig, te dichterlijk. De burgerlijke zakelijkheid die door de Vijftigers werd verworpen, werd door de nieuwe generatie juist omarmd. In 1964 verscheen de laatste aflevering van Gard Sivik. Gust Gils (1924) was de auteur van het “paraproza” en van een hele reeks bundels die poëzie brachten van ontmaskering, grimmige ironie, woordspel en surrealistische beelden. Gard Sivik werd een paar jaar later opgevolgd door De Nieuwe Stijl.

In de rand van de literatuur deed zich in Nederland een ingrijpend maar kortstondig fenomeen voor, meer bepaald in de grote steden Amsterdam, Rotterdam en Den Haag, met name Provo die in 1965 werd opgericht. Het betrof groepen met een aanzienlijk contingent “intellectuelen” (kunstenaars, schrijvers, studenten, scholieren) die elkaar veel troffen in de cafés rond het Leidseplein. Onder hen waren Simon Vinkenoog, Bart Huges, Robert-Jaspar Grootveld en Johnny van Doorn (Johnny the Selfkicker).
Het middel om zich bekend te maken was de “happening”. Dat van de Amerikaanse “action painters” overgenomen begrip duidde een openbaar evenement aan, waarvan het doel was mensen collectief uit hun bol te laten gaan.
De tijd van de “bewegingen” in de poëzie leek na de jaren ‘60 voorgoed voorbij. Wel ontstond er een duidelijke opleving van traditionele versvormen. Rijke beeldspraak en herkenbare gevoelens speelden weer een rol. Ook de relatie tussen het woord en de werkelijkheid werd onderzocht. Virtuoze vormbeheersing en zorgvuldig opgebouwde gedichten bleken eveneens gegeerd. In Vlaanderen “groepeerde” Lionel Deflo enkele dichters achter de vlag van De nieuw-realistische poëzie in Vlaanderen (Brugge, Orion, 1972). In 1981 schreef Guy van Hoof een essay over De Nieuwe Romantiek (Van Hyfte, 1981).

Ik vind deze parenthese belangrijk om de tijdsgeest te schetsen waarin wij als debutanten (in de jaren ’60-70) onze opwachting maakten in de “salons” van de literatuur.

Ik had het daarnet over de Vijftigers, maar ook de Vijfenvijftigers hebben hun stempel gedrukt op de poëzie van mijn generatiegenoten, zij die geboren zijn tijdens de oorlog, laat ons zeggen tussen 1940 en 1950. Zij kozen resoluut voor het woordexperiment, voor de autonomie van de poëzie boven een direct engagement. Ze publiceerden in de tijdschriften De Meridiaan (1951-1960), Het Kahier (1953- ) en De Tafelronde (1953- ), met Paul de Vree.

Het centrum van deze tweede experimentele generatie was Antwerpen met de redacteurs van Gard-Sivik als toonaangevende figuren. Niet alleen Gust Gils, maar ook Hugues C. Pernath (1931-1975) en Paul Snoek (1933-1981). Over deze laatste waren zij het roerend eens dat hij nieuwe poëzie schreef. Vooral zijn eerste gedichten, van zijn oorspronkelijke beelden die niet direct “experimenteel” aandeden.

2
De generatie dichters die in de jaren ’60-‘70 debuteerde, mijn generatie.

Die dichters en schrijvers gingen via het taalexperiment hun eigen weg, hoewel ze zich nooit helemaal kon losmaken van de vorige “experimentele” generatie.

In de eerste helft van de jaren ’60 is de experimentele poëzie over zijn hoogtepunt heen. Het hermetisme van heel wat experimentele gedichten maakte ze voor vele lezers ontoegankelijk.
Clem Schouwenaars (1932-1993), Willy Spillebeen (1932), Walter Haesaert (1935), Hedwig Speliers (1935), Julien Vangansbeke (1936), Frans Depeuter (1937) en Robin Hannelore (1937) distantieerden zich niet van de experimentele poëzie, maar gingen hun eigen weg, zij voegden er iets aan toe. Bij Schouwenaars viel de zin voor klassieke schoonheid op. Spillebeen bekommerde zich minder om het ”schoonheidsgehalte” maar zijn poëzie ging diep en trof door haar zin voor symboliek, vaak geprojecteerd tegen een mythische achtergrond. De maniërist Haesaert was dan weer virtuoos in de beeldvorming. Hedwig Speliers legde echter op de meest in het oog springende wijze de brug van oud naar nieuw. Als dichter was hij eigenzinnig en toonde een bijzondere aandacht voor woord en metafoor. Hij zette zich af tegen het experiment als experiment en ging fel tekeer tegen de parlando-stijl van de nieuw-realisten. Zijn eigen beeldspraak was verstandelijk gecontroleerd, maar zijn poëzie was niet altijd vrij van hermetisme.

De poëzie van de generatie dichters die tijdens of kort na de oorlog zijn geboren, vertoont een neo-experimenteel karakter. Ik denk hier onder andere aan Thierry Deleu (1940), Annie Reniers (1941), Dirk Christiaens (1942), Rob Goswin (1943), Fred de Swert (1945-1977), Guy van Hoof (1943). Samen met de hierboven genoemde (iets oudere) dichters vormden zij een schakel tussen de nieuwe tijd en de eeuwen die achter hen lagen. De dichter van de eerste eeuwhelft had reeds heel veel met de woorden bereikt, nu was het hun beurt om op zoek te gaan naar hun eigen identiteit, rond thema’s zoals liefde en eenzaamheid; de meesten vertoonden een neiging tot introspectie, tot nadenken over mens en wereld, anderen waren kosmisch gericht, schreven tragisch-visionaire poëzie. Ondertussen was het levensklimaat gewijzigd en dat was ook merkbaar in de nieuw-realistische poëzie die gegangmaakt werd door de tijdschriften Kreatief (1966 - 2005) en Revolver (1968 -). Poëzie was echter meer dan plaatjes schieten van de werkelijkheid. Het kon niet worden ontkend dat de nieuw-realisten de poëzie een grotere verstaanbaarheid hadden gegeven.De nieuw-realistische poëzie was niet alleen een reactie tegen de experimentele poëzie, maar ook tegen de romantische, metafysisch gerichte poëzie.

3
Een generatie auteurs verdiende beter

Wat mij iedere keer opvalt, zijn de talrijke auteurs (schrijvers en dichters) die, hoewel zij voor “beloftevolle jongeren” werden aanzien, nooit de appreciatie kregen die zij verdienden. Met “appreciatie” bedoel ik hier: aandacht, publicatiemogelijkheid, recensie, kritiek, kort: de status van een “echte” auteur. Waarom werd hun werk niet uitgegeven door “gevestigde” uitgeverijen? Omdat zij te weinig publiceerden? Omdat zij onverzorgde uitgaven op de markt brachten? Omdat zij slecht schreven? Omdat zij geen geduld opbrachten? Of was het gewoon omdat zij geen “geluk” kenden, omdat zij niet de “juiste” man of vrouw tegen het lijf liepen, lees: de invloedrijke recensent of criticus, de invloedrijke vriend en schrijver, een bevriende uitgever…? Pech dus en niemand treft schuld!

Ik denk onder andere aan (en beperk mij tot) de dichters Werner Abeele, Wilfried Adams, Joseph Avers, Kari Bert, Jozef Bierkens, Daniel Billiet, Marc Bruynseraede, Hervé J. Casier, Guy Commerman, Willy Copmans, Frans Cornelis, Frank de Crits, Dries Dehollander, Bea De Longie, Raoul M. de Puydt, Jean-Marie De Smet, Dirk Desmadryl, Roger Devriendt, Albert Donk, Richard Foqué, Christian Germonpré, Rob Goswin, Dany Hilven, Luc Indestege, Bert Klein, Gie Laenen, Fernand Lambrecht, Gie Luyten, Gi Mateusen, Bart Mesotten, André Polfliet, Ben Reynders, Maria Seselle, Willy Sneeuw, Werner Spillemaeckers, Thomas Triphon, Luc Vancampenhout, Leopold M. Van den Brande, Luc Van Hoeylandt, Miel Vanstreels, Herwig Verleyen, Hedwig Verlinde en Ignaas Veys.

Toen pech, nu: gestuurde discriminatie!
Wat gezegd van de wijze waarop de overheid en zij die door de overheid werken, regels opstellen en aan belangenvermenging doen? Ik ken maar één regel: de anti-discriminatieregel: elke schrijver is gelijk voor de wet. Is dat zo?

Er heerst sedert einde jaren ’70 een groeiend onbehagen. Welke zijn de grieven van de schrijvers? De schrijvers vormen samen met de artiesten een aparte categorie van personen die een vrij (bij)beroep uitoefenen. Het schrijverschap wordt wel juridisch of wettelijk erkend, hoewel de schrijvers zelf hun schrijfwerk niet als een beroep, althans hun hoofdberoep, beschouwen.

Het is een vrij beroep, maar met zulke eigenaardigheden dat de assimilatie met andere vrije beroepen mank gaat. Alleen al een bepaling geven van de schrijver is een moeilijke taak. De meeste schrijvers kunnen niet “van hun pen” leven. Waar zouden zij overigens van leven? In de eerste plaats van de verkoop van hun werken? De auteursrechten? Wegens de beperktheid van de Nederlandstalige boekenmarkt lopen de oplagen zelden hoog op, zodat de opbrengst in de meeste gevallen niet volstaat om een schrijver fatsoenlijk te laten leven. De debutanten en/of auteurs die niet (kunnen) uitgeven bij erkende uitgeverijen vallen uit de boot. Bovendien ondervinden zij weinig steun van de bibliothecarissen (en hun belangengroepen) die geen of bijna geen boeken van hen aankopen.

Komt het huidige Vlaams Fonds voor de Letteren in aanmerking om een loon aan de schrijvers uit te keren? Moet in dit geval het Fonds niet worden beheerd door de auteurs zelf? De moeilijkheid ligt echter in de criteria die moeten gebruikt worden voor de toelating tot een dergelijke regeling. Dit vereist alweer een bepaling van het schrijversberoep in kwantitatief en in kwalitatief opzicht. Wie bezit echter het recht en de bevoegdheid om in deze uiterst delicate aangelegenheid normen vast te leggen?

4
De vinger op de wonde

Ik leg de vinger op een aantal problemen die inherent zijn aan het schrijversberoep.
Het debuut in de literaire carrière b.v. is bijzonder moeilijk. Een auteur zonder naam of faam moet de gunst van een uitgever en die van een publiek zien te winnen, die verwend zijn door een massa dergelijke producten. Vaak werken auteurs eerst jaren in het donker voordat zij erkend worden. Soms hebben ze het geluk door een collega-schrijver met naam ontdekt en beschermd te worden of door een uitgever opgemerkt te worden, die bereid is hun een kans te geven. Maar dit blijven uitzonderingen. De meeste schrijvers moeten op eigen krachten rekenen om zich een weg te banen naar een eerste succes. En deze weg kan soms vrij lang zijn.

Ik denk aan subsidies in de vorm van mandaten van beperkte duur. Het geld zou kunnen komen uit een (nieuw) Vlaams Fonds voor Auteurs, dat voor een deel uit overheidsgelden en voor een deel uit privé-kapitalen en nieuwe heffingen op de verkoop of de uitlening van boeken (het zgn. leengeld) bestaat.
Opvallend is het feit dat vele auteurs gewag maken van uitgaven in eigen beheer. Dit betrekkelijk hoge cijfer wijst op een bepaalde tendens in de verhouding auteur en uitgever. Er zijn inderdaad duidelijke ziektesymptomen, die het lampje op rood zetten. Wij hebben het hier niet alleen over de strijd van de kleine uitgeverijen tegen de gevestigde huizen moeten voeren. Wij beschouwen de problematiek veeleer vanuit het standpunt van de schrijver. De schrijver kiest zijn uitgever niet, hij wordt door hem gekozen. De uitgever acht het verkoopbaar, rendabel of totaal waardeloos. Hij behandelt het gewoon als ieder ander commercieel product. Indien het merk al bekend is, zal de verkoop vermoedelijk vlot verlopen. Voor een nieuwigheid is echter voorzichtigheid geboden. De kansen worden gewikt en gewogen en vallen, naar gelang de verwachte afzet, gelukkig of faliekant voor de auteur uit. Deze kan zijn zaak nog bepleiten om zich uiteindelijk toch bij de beslissing van de uitgever neer te leggen. De auteur is dus totaal overgeleverd aan de ijzeren wetten van de boekenmarkt en krijgt al spoedig, terecht of ten onrechte, de indruk dat hij een speelbal is in de handen van kapitaalkrachtige uitgevers die, samen met drukkers en boekhandelaars, hem kleinmaken door hem niet ernstige voorwaarden op te leggen. Dit besef van schreeuwend onrecht groeit vooral bij de jongere schrijvers (en bij de ouderen die aan hun debuut terugdenken), omdat zij er het meeste nadeel van ondervinden.

Om aan de wurggreep van het louter commercieel bedrijf te ontsnappen, namen hier en daar schrijvers zelf de touwtjes in handen en zorgden zelf voor hun verspreidingskanalen.

De schrijvers die hun werken zelf uitgaven en meteen ook die van hun collega's, waren een eerste aanzet tot ontsnapping aan het uitgeversbedrijf. Het waren meestal jongere schrijvers, wiens manuscript door een uitgever geweigerd werd en die dus door de bestaande kanalen niet konden doorbreken.

Deze toestand is in de loop van de jaren ongewijzigd, veeleer verslechterd! Hier zou de VVL een belangrijke rol kunnen spelen: duiding geven, ontwerpteksten tot subsidiëring (aan)maken voor de overheid, kansarme auteurs en hun verzuchtingen actualiseren, uitgaven in eigen beheer of bij niet-erkende uitgeverijen collectief aanprijzen bij bibliotheken en in kranten, tijdschriften en e-magazines.

De VVL dient zich te profileren als een “vakbond” die gedreven en bedreven onderhandelt met de overheid, met uitgeverijen, het bibliotheekwezen en de boekhandel.

Worden er een aantal betrekkingen in de overheidsdiensten aan schrijvers toegekend? Worden er (voldoende) subsidies uitgekeerd aan bibliotheken en letterkundige instellingen? Worden er (toereikende) subsidies verleend voor literaire uitgaven en tijdschriften? Worden er (gespijsde) prijsvragen voor letterkunde en literatuurgeschiedenis uitgeschreven? Worden er (voldoende) literaire werken door de overheid aangekocht? Worden er (gespekte) reis- en werkbeurzen aan letterkundigen toegekend? Worden er staats-, provinciale en gemeentelijke prijzen aan letterkundigen uitgereikt? Ik hoor de minister en de ambtenaren hardop roepen: “JA!”

Toch vrees ik dat de literatuur door de overheid stiefmoederlijk wordt behandeld. Zij is vaak niet erg vrijgevig. Zij stelt auteuronvriendelijke voorwaarden. Zij geeft voorrang aan de uitgever boven de auteur, aan de commercie boven de kunst. Ik durf te schrijven dat de overheid de literatuur veeleer bemoedert dan wel daadwerkelijk helpt.

Deze bedenkingen zijn gegroeid uit een eigengereide bekommernis voor de schrijverswereld. Ik ben er van overtuigd dat het probleem van het statuut van de schrijver niemand onberoerd laat. Het probleem is overal aan de orde en heeft reeds jaren heel wat opschudding gewekt. Er heerst ongetwijfeld een malaise in de letterkundige wereld. Ook - en zeker niet in het minst - bij ons.

5
Gedichtendag: het zoveelste “slimme” lapmiddel!

Juich, dichters, juich, “Gedichtendag” brengt troost!
“Is dit initiatief het waard om te juichen?” vraagt de dichter zich af en de dichter niet alleen, ook zijn vrouw en kinderen, zijn vrienden en kennissen. Gedichten zijn immers “verswaren” die niet erg worden geapprecieerd door de consument, of toch zelden aangekocht en weinig geconsumeerd. Daarom is de dichter op “Gedichtendag” in zijn nopjes: eindelijk wordt hij of zij in de spots geplaatst! De erkenning is dichtbij, de bestellingen van zijn of haar bundels zullen binnenlopen.

Ik wenste dat het waar was, dichter-collega! Ik brand een kaars, ik ga op beevaart, ik richt mijn blik naar de hemel: “S.O.S.” of “God save the Poet”.

Op “Gedichtendag” kies je het ene jaar voor de tafelspringer, de “zelfkickende”, de showman, de showvrouw, en het andere jaar kies je voor de dichter van de eenvoud, van de stilte: de stilte die nodig is om klank en betekenis te waarderen; de stilte in het wit tussen de versregels.

Tijdens de show worden elk jaar awards uitgereikt. De “Gedichtendagprijzen” voor de drie mooiste Nederlandstalige gedichten van het voorbije jaar. Ieder jaar denk ik dat ik een kans maak, een waterkansje, maar ik weet nu reeds dat de jury mij nooit zal verkiezen wegens te oud! Jammer, maar niet om er chagrijnig om te worden. Ik ben (inderdaad) te oud om mij druk te maken om “schone schijn”!
Op “Gedichtendag” worden dan in Nederland en Vlaanderen activiteiten georganiseerd. Maar bijna altijd worden de schijnwerpers gericht op dichters en dichteressen die al een eeuwigheid in het licht staan! Uit naastenliefde (lees liefdadigheid) worden enkele debutantjes opgenomen in de crew, om alle schijn van discriminatie en nepotisme de kop in te drukken (letterlijk), zoals één zwart meisje serveert in een poepchic restaurant of één Turk aan de receptie zit van een ****hotel. Als je weet wat ik bedoel!
Op “Gedichtendag” zouden de grote krokodillen zich moeten gedeisd houden. Muil toe, uitpuilende ogen dicht en toekijken hoe talrijk de goede dichters zijn die nooit een echte kans hebben gekregen!

6
De ontvoogding van de lezer

Is de bibliothecaris niet de bruggenbouwer tussen de informatie in een bibliotheek en haar bezoekers? Hij/zij zorgt ervoor dat het informatieaanbod van de bibliotheek goed aansluit bij de wensen van de bezoekers en houdt de collectie up-to-date. Verschijning van nieuwe boeken, tijdschriften of naslagwerken houdt hij nauwlettend in de gaten. Aanwinsten geeft hij - door middel van een coderingssysteem - een logische plek in de collectie. Wanneer bezoekers moeite hebben om informatie te vinden, helpt hij ze bij hun zoektocht. Dit is héél wat en daarom verdient hij/zij deze ode!

Toch kleeft aan het beroep van bibliothecaris nog altijd een stoffig imago. Zit hij/zij alleen maar met zijn/haar neus in de boeken? Zeker niet, het tegenovergestelde is waar. De bibliothecaris heeft juist een gevarieerd takenpakket. Hij/zij houdt zich niet alleen bezig met het beheer van de collectie, maar ook met het verstrekken van informatie. Vooral dit laatste aspect maakt het beroep leuk; de meest uiteenlopende vragen moet hij/zij kunnen beantwoorden. Iedere werkdag is hierdoor anders. De bibliothecaris heeft dus een leuk beroep.

Hij/zij verricht de volgende vijf hoofdtaken:
1. Beschikbaar stellen van informatie.
2. Up-to-date houden van de collectie.
3. De bibliothecaris houdt bij welke nieuwe boeken, tijdschriften en naslagwerken er verschijnen. Om te bepalen welke titels moeten worden aangeschaft, leest hij/zij onder andere recensies en aankondigingen van uitgevers.
Daar wringt het schoentje! Hoe maakt hij kennis met uitgaven van auteurs die niet bij “gevestigde” uitgevers (met recensie) worden uitgegeven? En indien hij/zij er weet van krijgt, vindt hij het dan belangrijk/onbelangrijk en/of tijdrovend om contact met de auteur te nemen? Wat doet de bibliothecaris indien hij/zij geen recensie toegestuurd krijgt of indien de auteur geen “officiële” recensie krijgt?
4. Bij het uitbreiden van de collectie houdt hij/zij altijd de wensen van de bibliotheekgebruikers in zijn/haar achterhoofd.
5. Hij/zij adviseert de bevoegde schepen over de aanschaf van nieuwe boeken. Vaak is het echter zo dat de bibliothecaris zelf tot de aankoop overgaat. Hij beheert het budget.
Van wie krijgt hij informatie over nieuwe uitgaven? Wat indien hij/zij van de officiële bibliotheekdienst slechts informatie, voorzien van een recensie, ontvangt van ingezonden nieuwe boeken door de “grote” uitgeverijen? Besteedt hij ook evenveel aandacht aan informatie hem/haar door de auteur zelf bezorgd? Is het niet wenselijk (menselijk) dat ook (beginnende) auteurs of auteurs zonder grote uitgeverij of auteurs die uitgeven in eigen beheer zich met evenveel respect kunnen wenden tot diezelfde “boekendienst” (door de Overheid en/of het boekenbedrijf opgericht en/of gesubsidieerd)?

Bij het zoeken naar informatie over een schrijver is ook nu weer de “onbekende” auteur de dupe. Wanneer de bezoeker het zoeksysteem raadpleegt, komt hij/zij nooit uit op een beginnende auteur, debutant, auteur zonder uitgeverij, tenzij de lokale bibliothecaris de man of vrouw persoonlijk kent en van hem/haar een aantal boeken heeft aangekocht. Deze auteur krijgt echter geen kans(en) om gelezen te worden door een ruimer publiek, om te worden geapprecieerd, om te worden gekocht. Hij blijft - als het meevalt - een lokale (hoogstens regionale) vedette.

Voorstel één. Op didactische borden/platen brengt de bibliothecaris eenvoudige tekst aan die de bezoeker wegwijs maakt in het zoeken naar alle Vlaamse auteurs, ook minder bekende, vergeten of doodgezwegen schrijvers. “De auteur die of het boek dat u hier niet vindt, kan u ons vragen. Wij helpen u zoeken!” Of “Een auteur? Een boek? Wij helpen u zoeken!”
Via Google is dit een eenvoudige klus: naam auteur zoeken, de verkregen bestanden overlopen, de websites of blogs van de auteur raadplegen. De bezoeker meldt de naam van de gezochte auteur(s) aan de bibliothecaris. Die naam komt op de lijst voor aankoop door de bibliothecaris.

Voorstel twéé. De bibliothecaris onderstreept in zijn dienstmededelingen hoe belangrijk het is alle auteurs te kennen (niet alleen degenen die zij op school hebben gelezen), hoe de keuze van de bibliotheekbezoeker moet worden begeleid en verbreed, hij/zij benadrukt het respect dat zijn/haar medewerkers moeten hebben voor alle auteurs en alle bezoekers. Hij leert hun hoe onvrijwillig discriminerend zij kunnen tewerk gaan.

Indien een bibliothecaris niet beantwoordt aan het volgende beroepsprofiel, dan is hij/zij fout bezig of niet geschikt voor de job:
- informatie snel kunnen opnemen,
- zorgvuldig en nauwkeurig kunnen werken,
- dienstverlenend zijn,
- goed kunnen samenwerken
- nieuwsgierig zijn.
Wanneer bibliotheekbezoekers informatie niet kunnen vinden, vragen zij de bibliothecaris om raad. Hij/zij legt ze het zoeksysteem uit en maakt ze wegwijs in de collectie. Ook denkt hij/zij met hen mee: welke bronnen zijn geschikt om te raadplegen bij het zoeken naar een auteur of naar een boek?

De feiten.
Van mijn vriend Georges de Courmayeur, een aangespoelde kustbewoner, hoorde ik alweer hoe omhooggevallen boekenuitleenmadammen en dito heertjes zich vereenzelvigen met “grote” schrijvers en “gerenommeerde” beeldende artiesten. In hun “afgoderij” (de minder getalenteerden spelen op veilig) verbannen zij op hun beurt de debuterenden en de niet-gevestigden (criteria die niets met kwaliteit te maken hebben) uit hun “culturele” nevenactiviteiten. “Wij vinden het geen goed idee een (wereld)beroemde aan een (dood)onbekende te koppelen. Het zou het inititiatief schaden!” argumenteren zij.

Zo hoorde ik het verhaal van een schrijver met een 30-tal publicaties, waaronder gedichtenbundels, essays, bloemlezingen, taalboeken en romans, dat hij niet meer welkom was in de bib van zijn eigen gemeente (regio Kortrijk), omdat hij niet behoort tot the happy few van de kunst. Van die schrijver weet ik dat hij nooit een “georkestreerde” poging heeft ondernomen om “beroemd” te worden buiten de grenzen van zijn naaste omgeving! Nu is hij daar de dupe van. Punt.

Moraal: niet de kwaliteit van het werk is voor de (meeste?) bibliothecarissen belangrijk, maar wel en uitsluitend de naam en faam van de schrijver/kunstenaar die hij zijn (haar) vriend noemt. M.a.w. wie “groot” wil worden moet zich in de gunst van “de groten” werken!

7
Iedere poëzieliefhebber heeft een eigen mening, een persoonlijke smaak, voorkeuren.

Ik toets ze aan mijn persoonlijke poëzieopvatting.
Karel Van de Woestijne, Jan G. Elburg (N) en Paul Snoek zijn mijn poëziegoden. Op een respectabele afstand komen Leonard Nolens, Willy Spillebeen, Roland Jooris, Luuk Gruwez, Peter Verhelst, Peter Holvoet-Hanssen, Philip Hoorne, Eric Spinoy en Lut de Block.

Dichters die mij als poëzielezer kunnen boeien zijn onder andere: Bernard Dewulf, Patricia Lasoen en Peter Theunynck. Een groot aantal dichters profileren zich onvoldoende. Omdat ze dit ook niet wensen (lees: roem en prestige zijn voor hen niet prioritair) of omdat zij niet (kunnen) publiceren bij gevestigde uitgeverijen. Dit laatste heeft grote nadelen: als dichter kom je niet in bij grote uitgeverijen gepubliceerde bloemlezingen, je krijgt heel wat minder aandacht in de media, je wordt minder gevraagd voor lezingen op scholen of in verenigingen. In één woord: je verwerft geen status.

Er zijn oplossingen. Ik zet ze op een rijtje: een totaal pakket aan steun van de overheid (aankoop, distributie, subsidiëring). Steun die niet afhankelijk is van uitgevers en andere belangengroepen. Meer aandacht in de pers, op radio en TV. Subsidiëring van tijdschriften en e-magazines die debutanten en “verwaarloosde” dichters publicatiemogelijkheid bieden. Ook het internet moet worden uitgeprobeerd.

Wie kan een invloedrijke rol spelen bij de opwaardering van goede dichters die meer waardering verdienen? Ik denk aan Jeroen Overstijns van “De Standaard”, Marianne De Baere van “De Morgen, Harold Polis, bestuurder van het Vlaams Fonds voor Letteren, Emile Brugman, directeur van uitgeverij Atlas, Lut Raymaekers van uitgeverij Van Halewyck, Jozef Deleu van “Het Liegend Konijn” en Leo Peeraer van uitgeverij P.

Waarom geen steun verlenen aan plannen voor een “Grote Vlaamse Uitgeverij”, naar het model van “De Bezige Bij”? De overheid en het privé zouden geld kunnen stoppen in het initiatief, zodat ook debutanten en aankomende dichters en schrijvers aan hun trekken komen. Op deze wijze zou de broodnodige commercialisering tot een acceptabel minimum kunnen worden herleid. Bijna kreeg Weverbergh in 1986 dit initiatief op poten.
Soms heb ik de indruk dat “je boek uitgeven in Vlaanderen” een vieze onderneming is. Dat de publishing-on-demand uitgeverijen deze leemte willen invullen, heeft deze indruk (dit gevoelen) niet verminderd.
Grote uitgeverijen willen het liefst van hun literaire boeken af. Zeker van hun poëzie, omdat deze maar enkele procenten opbrengt. Pleit ik hier voor een staatsuitgeverij? Ja en neen. Een gemengde uitgeverij (overheid en privé) met naast goedverkopende auteurs ook “een opvang” van nieuwe en aankomende dichters, met aan het hoofd een doorgewinterde directeur, zoals b.v. Marianne De Baere of Geert Joris die nog durven te dromen en zich niet laten beïnvloeden door groot geldgewin.

Bovendien zijn literaire tijdschriften - dé mogelijkheid bij uitstek voor aankomende auteurs die vaak zelf aan het roer staan - aan het uitdoven. Een schrijver/dichter die nu iets interessants te melden heeft, doet dit nu via het internet.
Persoonlijk vind ik dat boekenbeurzen, boekenclubs en leesgroepen opvallend méér aandacht moeten besteden aan de school, de leerlingen en hun ouders. Gedichten lezen en leren appreciëren is een sociale opdracht van de samenleving.

8
De jonge Turken

O neen, ik ben niet jaloers, ik gun deze jonge auteurs hun (markt)succes, zij verdienen het, de generatie Dertigers die luisteren naar de voornamen Tom, Dimitri, Stefan, Yves, Annelies en David. Zij zorgden in hun eentje voor een literaire opstoot in Vlaanderen. Naegels, Verhulst, Brijs, Petry, Verbeke en Reybrouck zijn alomtegenwoordig in de media.

Waarin verschillen zij van de vorige generaties, zeg maar de veertigers en vijftigers? Simpel: in plaats van zich te herhalen, verrassen zij hun lezers iedere keer met iets totaal anders. Bovendien is hun maatschappelijke betrokkenheid niet gering. Hun boeken zijn geen gewone stijloefeningen of huis-, tuin- en keukenromans.
Schrijf ik nu dat Tom Lanoye, Herman Brusselmans, Peter Verhelst, Kristien Hemmerechts minder goede schrijvers zijn? Individueel wil ik geen vergelijking maken, maar de Dertigers zijn een sterk collectief.

Een de aankomende twintigers? Geen commentaar. Ik wacht even af, maar ik heb veel moois gelezen van Thomas Blondeau en Ruth Lasters.

Een nieuwe generatie duikt op: de seniorenschrijvers! Zij vormen een volwaardig segment van de lezersmarkt, zeker weten. Ik denk hier aan de zestigers en zeventigers, aan Paul Koeck, Elisabeth Marain, Monika van Paemel, Walter van den Broeck, Thierry Deleu, Eric de Kuyper en Leo Pleysier.
De twintigers zijn bij deze gewaarschuwd dat hun pad niet over rozen zal lopen.

9
Mijn credo

Volgens smaak, perceptie en voorkeur, of je nu zelf dichter bent, of jou herhaaldelijk uitspreekt over (de waarde van) poëzie, of als gewone lezer, sommige geselecteerde gedichten zullen jou aanspreken en andere zullen jou niets zeggen, sommige dichters zullen jou verrassen of bekoren, of jou de bevestiging brengen van een (eeuwige) belofte of een vaste waarde. Eigenlijk maakt dit niet veel uit. Belangrijker is de aandacht die het initiatief wil vestigen op de literaire ongelijkheid waardoor “alle dichters niet gelijk zijn voor de wet”. Het kan niet dat elementen zoals leeftijd (debuterende dichter of outsider, favoriet of verguisde), uitgeverij (in welke vorm ook: van eigen beheer over print-on-demand tot erkende uitgeverij), mediabelangstelling, vriendendienst, meespelen bij de beoordeling van het werk. “Niet alle dichters zijn gelijkwaardig” is een beter statement, op strikte voorwaarde dat de parameter hier de kwaliteit is. We weten echter hoe vaak de subjectiviteit een rol speelt. Het is moeilijk, maar we geraken er wel uit. De perfectie is (nog) niet van deze wereld.

Schrijven is ontsnappen uit de rauwe werkelijkheid, ver weg van desillusies, agressie en domheid. Schrijven is ook afrekenen met clichés, (waan)beelden, foute interpretaties, verkeerd imago, opdringerigheid, overregulering. Therapeutisch? Ja, zeker?

Schrijven is afreageren. Schrijven is ook een nieuwe werkelijkheid creëren waar het aangenaam is om te vertoeven, waar personages opduiken die ik anders nooit zou ontmoeten, waar ik van twee, drie mensen uit mijn omgeving één nieuwe mens maak, met ofwel alle deugden ofwel alle ondeugden van hen. Schrijven is ook taboes doorbreken, jezelf de kans gunnen om in de fout te gaan, om dagelijkse tot doodzonden te verheffen, om aan mijn verbeelding macht te delegeren om er een personage mee onderuit te halen.

Schrijven is dichten, vertellen, overtuigen, wenen, uitbundig leven, anderen beoordelen, loven, kritisch bijsturen, te boek stellen. Zo heb ik vele vrienden die - hoewel ze slechts in mijn boeken leven - mijn leven nog zoveel aangenamer maken. Wat ben ik een bofkont: een pracht van een vrouw, een paar vrienden (geen handjevol, dit is niet gezond) en een troep (te boek gestelde) vrienden.

10
“De 50 Meesterdichters van de Lage Landen bij de zee”

Toen ik de chef hoorde zeggen dat hij bij “De 33 Meesterkoks van België” behoorde, - en ik zag hoe zijn ogen straalden -, kreeg ik ineens een inval die tot dit boek zou leiden. Ik zou een club van “De 33 Meesterdichters van Vlaanderen” stichten! De kogel was door de kerk; er was geen ontkomen aan: de gastronomie en de kunst van het dichten vonden elkaar en het was liefde op het eerste gezicht! Het aantal “Meesterdichters” werd nadien tot 50 uitgebreid.

Waar kon het initiatief zich beter thuis voelen dan bij “De Orde van de Scheermesjes”, een ludieke online ridderorde in Vlaanderen en Nederland? Bovendien is het toekennen van de eretitel “Meesterdichter” té arrogant om niet het relativerende adjectief “ludiek” mee te krijgen.

Toen ook de roep uit Nederland aanhield, werd het genootschap uitgebreid tot “De 50 Meesterdichters van de Lage Landen bij de zee”.

Een “Meesterdichter” is iemand die uit bescheidenheid het woord nooit zelf in de mond neemt. Hij of zij beschouwt zichzelf veeleer als de “allerbeste tweederangsdichter”. Het initiatief is een te boek gestaafd pleidooi voor tweederangsdichters, niet omdat zij geen mooie poëzie schrijven, wel omdat ze zo weinig aandacht krijgen.
Bovendien zijn er heel weinig echte eersterangsdichters. Het zijn ongetwijfeld de “tweederangsdichters” die mij en de meesten van ons tot de poëzie hebben gebracht. Zoals Herman de Coninck schreef: “Ik vermoed dat zulks ook voor elke poëzielezer geldt. Je begint niet te vrijen met Brigitte Bardot, je begint met je buurmeisje.”

Toen ik zelf nog poëzieles gaf aan jongens en meisjes die daar helemaal niet om gevraagd hadden, vroegen ze mij: “Moeten wij dat kennen voor het examen?” “Neen, voor het leven,” antwoordde ik. Poëzie dient nergens voor en dat is juist haar verdienste! Poëzie hoort niet thuis bij de “Maatschappij tot Nut van het Algemeen”!

Dichters streven naar onsterfelijkheid, daar kun je niet onderuit! Zij die zeggen dat ze dichten uit pure liefde voor de poëzie, koesteren deze onsterfelijkheid minder nadrukkelijk, maar even bewust.

De eretitel “Meesterdichter” is inhoudelijk een boze reactie - en als je boos bent, is geen overdrijving overdreven - op de discriminerende positie waarin zovele goede dichters zich bevinden. Zij vinden geen uitgever, ze hebben weinig naambekendheid, ze krijgen geen overheidssteun, ze worden weinig gerecenseerd, ze worden slechts sporadisch door de bibliotheken aangekocht, kortom: zij blijven - hoe mooi hun gedichten ook zijn - lokale vedetten die, indien ze enkele persmaatjes hebben, worden opgevoerd als regionaal nieuws.

“De 50 Meesterdichters van de Lage Landen bij de zee” eist zelfbewust de aandacht op en verwacht medewerking van iedereen die in het land(schap) van de poëzie aan het werk is. Ik noem ze nogmaals op: uitgevers, de media, critici, de overheid, het privé en de lezers. De 50 dichters maken met elk één gedicht hun opwachting voor een audiëntie bij de daarjuist geciteerde spelers.

Als voorzitter van dit exclusieve genootschap, en na overleg met mijn dichtende vrienden (die zich in onze Orde “ridder en “jonkvrouw” noemen), heb ik geselecteerd uit de gedichten die de sollicitanten mij hebben opgestuurd. Over de niet gekozen dichters wil ik geen kwaad woord kwijt.

De verzamelbundel zal niet zoals een klassieke bloemlezing zijn, waarin gedichten zijn gebundeld volgens een thema of in het zog van een school, een stroming of een beweging. Hij zal dan ook niet op deze criteria kunnen worden afgewogen en/of afgerekend.

Volgens smaak, perceptie en voorkeur, of je nu zelf dichter bent, of jou herhaaldelijk uitspreekt over (de waarde van) poëzie, of als gewone lezer, sommige geselecteerde gedichten zullen jou aanspreken en andere zullen jou niets zeggen, sommige dichters zullen jou verrassen of bekoren, of jou de bevestiging brengen van een (eeuwige) belofte of een vaste waarde. Eigenlijk maakt dit niet veel uit. Belangrijker is de aandacht die het initiatief wil vestigen op de literaire ongelijkheid waardoor “alle dichters niet gelijk zijn voor de wet”. Het kan niet dat elementen zoals leeftijd (debuterende dichter of outsider, favoriet of verguisde), uitgeverij (in welke vorm ook: van eigen beheer over print-on-demand tot erkende uitgeverij), mediabelangstelling, vriendendienst, meespelen bij de beoordeling van het werk. “Niet alle dichters zijn gelijkwaardig” is een beter statement, op strikte voorwaarde dat de parameter hier de kwaliteit is. We weten echter hoe vaak de subjectiviteit een rol speelt. Het is moeilijk, maar we geraken er wel uit. De perfectie is (nog) niet van deze wereld.

Ik hoop dat de “50 Meesterdichters” in Vlaanderen en Nederland met enthousiasme onze boodschap zullen uitdragen: indien elke dichter een gelijke kans krijgt van hen die met de poëzie zijn begaan (of het toch beweren), zullen er geen eersterangs- en tweederangsdichters meer bestaan, maar dichters, goede en minder goede..


Thierry Deleu

25 juni 2007

Arnold Eloy meldt

ARTIESTENWEEKEND
ZATERDAG 14 – ZONDAG 15 JULI 2007 - telkens van 10.00 tot 18.00 uur.
Maenhoutstraat 75a, 9830 SINT-MARTENS-LATEM

Op het binnenplein naast kunstgalerij Mens & natuur en Gezondheidswinkel Today krijgen kunstenaars tijdens het weekend van 14-15 juli de kans hun werk tentoon te stellen/te verkopen en/of er creatief aan het werk te zijn met allerhande kunstvormen.

Een grote tent dient als gebruiksruimte voor een gezond drankje of hapje.
En een muziek- en woordpodium geeft musici en poëten de kans zich uit te leven.
Contact via arnold.eloy@skynet.be

Voor alle verdere info:
zie de website van de Galerie www.mens-en-natuur.com
0496/805.799

23 juni 2007

Een dikke proficiat aan componist Ludo Geloen!

Onze webmaster Ludo Geloen viel weer in de prijzen:

De nationale compositiewedstrijd 2007 is afgelopen. De werken van de laureaten werden voorgesteld en voortreffelijk uitgevoerd door "Capella di Voce" o.l.v. Kurt Bikkembergs. U vindt het resultaat van deze wedstrijd op de website http://www.euprint.be/.
De Prijs Gemengde Stemmen, uitgereikt door "Capella di Voce" ging naar Yvan Vander Sanden (was ook laureaat in de compositiewedstrijd 2005), met "Two days in a life".
De Prijs Gelijke Stemmen, uitgereikt door "Euprint", ging naar onze redacteur Ludo Geloen voor "Ubi Caritas" (SSA). Ook de Religieuze Prijs, uitgereikt door abdij Keizersberg, ging naar onze webmaster voor zijn werk voor mannenkoor "In manus tuas".
De CD wordt deze maand opgenomen. We verwachten dat deze in het najaar zal uitkomen, streefdatum: 15.09.2007. U kan de partituren bestellen en reeds voorintekenen op de CD op deze website.
Proficiat aan Ludo Geloen!

Thierry Deleu

Bärbel Geijsen, Zoute veren

Hoe Bärbel Geijsen erin slaagt op parlandotoon poëzie te schrijven

Freelance journaliste Bärbel Geijsen (°1968) debuteerde in 1997 in het tijdschrift "Raster" met het gedicht "Een verre vriend". Niets liet toen vermoeden dat zij het talent had om gedichten te schrijven die nu zijn opgenomen in haar eerste bundel Zoute veren. Een verre vriend is geen slecht gedicht, maar het mist lichaam, lijf en leden, het is te veel vlees zonder been, het lijkt wel een puberale smeekbede om aandacht. Wat ik nu lees in Zoute veren, heb ik in 30 jaar recensiewerk nog niet ervaren: Geijsen schrijft droge, heldere, precieze poëzie, die moeiteloos uit haar opkomt – enfin, zo lijkt het. Sinds Esther Jansma heb ik niemand gelezen die het zo onverwacht en humoristisch en toch zo ontzettend spontaan kan verwoorden.

Deze debuutbundel is ongetwijfeld een veelzijdige eersteling, of beter: het is nu al de bevestiging van een groot dichterschap, verrassend nieuw in verwoording en beeld. De wijze waarop Geijsen op een rustige parlandotoon haar lyrische, persoonlijke bespiegelingen presenteert, is nooit eerder gezien.

Was dat misschien de reden waarom ik bij een eerste, vluchtige lezing op mijn notitieblad schreef: "Praten op papier" en mij de vraag stelde: "Is dit nog poëzie?" Waarschijnlijk. Bärbel Geijsen waagt zich op de rand tussen poëzie en proza, tussen gedicht en "ingesnoerd proza". Zij blijft echter dichten in plaats van schrijven, opmerkelijke beelden kiezen, woorden, regels, bespiegelingen maken die zij onthutsend mooi afrondt en relativeert. Dit is pure klasse. Ik ken andere dichters die zich aan zo'n waagstuk verbranden en proza schrijven in dichtvorm.

Overleven in onvolkomenheid
In het openingsgedicht "Zoute veren" valt Geijsen met de deur in huis: dàt is mijn verhaal, dàt is mijn probleem (1), dàt is mijn verwerking(2):

Ik had al kramp van de kantlijn (1) klamp
me vast aan de nautische module zoute veren
niet gezocht om de vondst maar ambtelijk
serieus ontwikkeld...(2)

De gedichten die volgen, zijn een panoplie van haar "zielenroerselen", de thema's van haar poëzie verrassen niet, omdat ze zo herkenbaar en bekend zijn, maar ze worden wel verrassend verwoord en verbeeld. Vader, de verdwenen vader, moeder, de dichteres, haar lief, de wijze waarop zij op elkaar willen gelijken, elkaar afstoten, elkaar uitproberen, elkaar weerzeggen, elkaar liefhebben en haten.

... om niet
onder te doen voor eigen
gebruik. Probeerde daarnaast
zijn moeders uitzicht regelmatig
te verschonen...
(p. 7)

...Arm kind ben ik ineens
geen briefje meer dat je mee
naar school neemt maar van vlees
en bloed gewoon...
(p. 9)

Vooral het gedicht "Vel vol glorie" heeft mij diep getroffen, niet alleen door de taal, het beeld, het cynisme, maar vooral door het thema van de stervende vader. Hoe zij hier op onovertroffen wijze het einde van haar vader beschrijft: zijn angst, zijn wanhoop, zijn smeekbede om aandacht, om eeuwige waardering.

...
Zijn laatste wens: niet vastgelegd
te zijn, begenadigd verlaten.

... steeds
worden hem tekens van leven
opgedrongen, zijn laatste perkamenten
vel vol glorie.

… Hij smeekt,
de hoge armen radeloos, om hem
te laten gaan, een opgeschreven dode
(p. 11)

Niets is wat zij heeft verwacht en in die onvolkomenheid probeert zij te overleven, deel te nemen aan de tekorten, verzuchtingen, tegenslagen en kleine successen van haar naasten, zich een weg te banen door een wereld waarin zij nauwelijks nog "idealen herkent".

Vriend
Wat mij ineens overvalt, is de gedachte dat "de vriend" uit haar gedicht "Een verre vriend" ("Raster", 2004) haar blijft fascineren, en dit gedicht is in de bundel opgenomen. Ik vind hem overal terug. Hij is bepalend aanwezig. In de gedichten "Ware liefde" en "Mijn echte ogen" bijvoorbeeld:

Ze overhoorde een gesprek
nam de rol die hem op het lijf
geschreven was voor het gemak
ook even door en door en merkte
de hare: hier zou ze inhouden
daar gewoon hem laten gaan...
(p. 17)

Mijn echte ogen branden in je
afwezigheid. Daar loer ik al
in je puntzak voornemens
om er een onder uit te halen,
terwijl ik aan je gezicht
je laatste kansen zie
opgaan in rook...
(p. 21)

Bärbel Geijsen heeft het in haar debuutbundel voortdurend over "Hij". Soms lijkt hij de vader, dan weer haar lief, haar man, "de verre vriend", maar allen beantwoorden haar liefde niet, of toch niet "de ware liefde". Zij stelt hun falen vast, zij reikt hun de hand, zij lacht om hun onbeholpenheid, hun egoïsme, hun machogedrag, zij treurt om haar onmacht, zij gaat schuilen in humor en cynisme. De bundel blijft mij boeien, vasthouden, omdat ik geen afdoend antwoord vind op de vraag naar "het hoofdpersonage" van haar gedachten, gevoelens en bespiegelingen. Ook Bärbel Geijsen weet het blijkbaar niet als zij "Hoera" (gedicht op p. 29) roept. Hierin zegt ze dat ze "al sinds jaren dag" droomt, dat zij "voor altijd van jou" houdt, dat zij niet weet wat zij geworden is: "fotograaf te zijn, ontwerper,/timmerman, zanger of zelfs beter/zangeres..." . Hoor in bovengenoemd gedicht hoe zij relativeert en overleeft:

... Hoera
het is nog maar tien uur en nu al
ben ik overal geweest en nergens
toe gekomen.

Bärbel Geijsen schreef een gave bundel persoonlijke poëzie waarmee zij "als de bliksem" haar plaats opeist in de literatuur van de Lage Landen bij de zee. Haar thema's zijn triest, maar worden rationeel behandeld, zij dagdroomt, maar die dromen zijn kort, want de realiteit schemert er steeds doorheen.

Thierry Deleu

Bärbel Geijsen, Zoute veren, De Bezige Bij, Amsterdam, 2007, ISBN 978 90 234 2540 3

22 juni 2007

Geen vale gier maar een havik !



“Een kwestie van tijd” van Tupla Mourits

Op de cover van het boek word je aangestaard door een havik. Een blik waar alleen maar dreiging vanuit gaat, iets waar je ook mee geconfronteerd wordt in dit boek. Je ziet meteen dat het maar een kwestie van tijd is voor hij zal toeslaan. De havik is een krachtige roofvogel.



Lokkertje ! Hjørdis, dochter van een Deense vader en een Nederlandse moeder, verlaat haar man Camiel. Ze verhuist zonder dat iemand het weet, samen met haar dochtertje Puck, vanuit haar luxueuze huis in Amsterdam naar the middle of nowhere. Hun nieuwe thuis is een landbouwerswoning in de polders van Nieuwenhoek. Eigenlijk is het een vlucht. Camiel verdient veel geld in de reclamewereld maar geraakt aan de drugs. Bepaalde mensen moeten iets van hem en overvallen Hjørdis. Korte tijd nadien volgt er een inbraak in hun huis, daarbij wordt een dreigende boodschap op de slaapkamermuur van Puck geklad. Dit is het sein voor Hjørdis dat Camiel het leven van hun dochtertje in gevaar brengt. Voor Hjørdis en Puck is het leven op de buiten een hele aanpassing. Puck moet naar een nieuwe school en nieuwe vriendjes maken. Zij trekt heel veel op met buurman Stef, die een echte natuurliefhebber is. Hjørdis moet dringend geld zien te verdienen en doet dit met het creëren van schermen, gemaakt met plaatselijk materiaal zoals oude roosters uit de boerderij en autodeuren van de plaatselijke sloperij. Haar vriendin Aukelien verkoopt ze in haar galerij. Puck mist haar vader en dit komt nog meer tot uiting na het jammerlijke ongeval van haar vriendje Walter. Hjørdis ondervindt dat de mentaliteit in een dorp heel anders is dan in de stad. Er wordt veel geroddeld maar iedereen helpt iedereen. Na enkele maanden begint Hjørdis zich eindelijk op haar gemak te voelen maar dan is het nog maar een kwestie van tijd tot het noodlot toeslaat.



De auteurs ! Tupla Mourits is de naam van een schrijversduo. De 60-jarige Wendela de Vos, uit Amsterdam, was tot 1990 actief als actrice en regisseur. Momenteel is ze productieleider bij DansWerkplaats Amsterdam. Vroeger bewerkte ze al teksten en poëzie voor theater en schreef ze zelf al enkele éénakters. De 52-jarige Atie Vogelenzang, uit Krimpen aan de Lek, is sedert 1990 werkzaam aan de Universiteit van Amsterdam. Ze schreef al theaterteksten, een scenario voor televisie en een reeks kortverhalen, die gepubliceerd werden in de literaire tijdschriften “Hollands Maandblad” en de “Tweede Ronde”. “Een kwestie van tijd” is het tweede boek dat ze samen schreven. Hun eerste roman “Vrouwelijk Naakt” werd meteen bekroond met de “Schaduwprijs” voor het beste thrillerdebuut 2006. “Een kwestie van tijd” is uitgegeven door de Arbeiderspers. Waarvoor staat de speciale naam “Tupla Mourits” ? “Tupla” is Fins en betekent “Dubbel”. Achter “Mourits” moet je niets zoeken, dit is een gewone toevallig gekozen Hollandse familienaam.



Veritas mea ! “Een kwestie van tijd” is een boek dat je niet meer loslaat. Het boek moet het niet hebben van spectaculaire plotwendingen maar drijft op het gevoel angst. Een gevoel dat iedere ouder kent, de angst dat er iets ergs kan gebeuren met je kind. Vanaf het eerste hoofdstuk is dit gevoel intens aanwezig en het wordt langzaam verder opgebouwd. Nooit besef je dat het boek door twee personen geschreven is. Een boek met z’n tweeën schrijven, hoe doe je dat eigenlijk ? Volgens mij moet dat behoorlijk moeilijk zijn, het komt niet zoveel voor. Een ander bekend duo is Nicci French. Beschrijvend is het een heel sterk boek met enorm veel gevoel voor details. Noch de personen noch de locaties hebben geheimen, het is precies alsof je alles zelf gezien hebt. Het plattelandsleven speelt een grote rol, de o zo andere mentaliteit is een hele aanpassing voor een stadsmens. Zelf maakte ik vele jaren geleden de omgekeerde stap. Ik leerde ook nog een mooie typische Hollandse uitdrukking voor chocolademousse : “Hemelse Modder” ! Een smakelijke aanrader bij het lezen van dit boek.



Extraatje ! Het 8-jarige dochtertje van Hjørdis heet Puck. “Puck” is ook de naam van een maan van de planeet Uranus. De maan is ontdekt in 1985 en kreeg de naam Puck naar de gelijknamige fee uit Shakespeares theaterstuk “ A Midsummer Night’s Dream”.



De leukste zin ! “Zelf schrok ik van de concrete woorden die tot nu toe alleen maar gedachten waren geweest en als wespen in mijn hoofd rondzoemden op zoek naar de uitgang.”





Marc Vandenbussche


20 juni 2007

Juich, dichters, juich! - “Gedichtendag” maakt alles beter!

“Is dit initiatief het waard om te juichen?” vraagt de dichter zich af en de dichter niet alleen, ook zijn vrouw en kinderen, zijn vrienden en kennissen. Ja, lezer, ja, gedichten zijn immers “verswaren” die niet erg worden geapprecieerd door de consument, of toch zelden aangekocht en weinig geconsumeerd. Daarom is de dichter op “Gedichtendag” in zijn nopjes: eindelijk wordt hij of zij in de spots geplaatst! De erkenning is dichtbij, de bestellingen van zijn of haar bundels zullen binnenlopen.
Ik wenste dat het waar was, dichter-collega! Ik brand een kaars, ik ga op beevaart, ik richt mijn blik naar de hemel: “S.O.S.” of “God save the Poet”.
“Gedichtendag” is inderdaad hét poëziefeest van Vlaanderen (en Nederland). Ieder jaar op de laatste donderdag van januari, staat de poëzie een dag lang in het zonnetje.
Opgelet, lezer, het idee “Gedichtendag” komt niet van de Nederlanders en de Vlamingen. In 1616 werd dichter Ben Jonson aangesteld als de eerste poet laureate van Groot-Brittannië. Sedert 1668 kreeg het laureateship een officiële status en werd de gekozene voor het leven aangesteld. Andrew Motion werd in 1999 verkozen en schreef onder andere gedichten bij de aanslagen van 11 september, bij de dood van de Queen Mum en recent een gedicht tegen de oorlog in Irak.
Sinds 1937 heeft ook de Verenigde Staten een poet laureate. Ook Nieuw Zeeland en Canada volgden dat voorbeeld. “Stadsdichters” en onze “Gedichtendag” zouden uit die traditie zijn ontsproten. “Gedichtendag” is een organisatie van de Stichting Poetry International (voor Nederland) en de Stichting Lezen (voor Vlaanderen).
Op “Gedichtendag” kies je met de dichter voor eenvoud in lawaaierige tijden, waarin snelheid en zappen de norm zijn. Op “Gedichtendag” kies je voor de stilte, die onlosmakelijk verbonden is met het gedicht: de stilte die nodig is om klank en betekenis te waarderen; de stilte in het wit tussen de versregels.
Bij elke “Gedichtendag” worden de “Gedichtendagprijzen” voor de drie mooiste Nederlandstalige gedichten van het voorbije jaar bekendgemaakt. Ieder jaar denk ik dat ik een kans maak, een waterkansje, maar ik weet nu reeds dat de jury mij nooit zal verkiezen wegens te oud! Jammer, maar niet om er chagrijnig om te worden. Ik ben (inderdaad) te oud om mij druk te maken om “schone schijn”!
Op “Gedichtendag” worden dan in Nederland en Vlaanderen activiteiten georganiseerd. Maar bijna altijd worden de schijnwerpers gericht op dichters en dichteressen die al een eeuwigheid in het licht staan! Uit naastenliefde (lees liefdadigheid) worden enkele debutantjes opgenomen in de crew, om alle schijn van discriminatie en nepotisme de kop in te drukken (letterlijk), zoals één zwart meisje serveert in een poepchic restaurant of één Turk aan de receptie zit van een ****hotel. Als je weet wat ik bedoel!
Op “Gedichtendag” zouden de grote krokodillen zich moeten gedeisd houden. Muil toe, uitpuilende ogen dicht en toekijken hoe talrijk de goede dichters zijn die nooit een echte kans hebben gekregen!

Joris Dewolf

't Is godgeklaagd!

Hilaire, Roland, Georges, Jenny, Joris, Ludo, Eric, Annmarie, Marc, Jan,

Is De Geletterde Mens, doorlopend & literair, een eenmanstijdschrift geworden? Nochtans was de start een (wereld)evenement, nochtans was de samenstelling van de redactie veelbelovend! Jong en ouder, jongen/meisje, goeie mix van zoekende en bijna zelfgenoegzame redacteuren, gerenommeerde en geheel onbekende, alles was aanwezig om tot een verrassend e-zine te komen. Verrassend? Ik bedoel nieuw, innovatief, vernieuwend, kritisch. En wat nu met ons literair manifest? Een dood geboren kind(je)? Een vodje papier? Een lege doos? Een regeringsverklaring vanuit de oppositie?
Ik richt mij tot jullie, redacteuren van mijn voeten (grapje), waar blijven jullie bijdragen, jullie creatieve denksels en doensels, jullie gedichten, verhalen, standpunten, oprispingen, foto's, tekeningen?
Ik word het stillekes moe achter jullie aan te zitten, mijn tijd is beperkt, mijn jaren zijn geteld, om mij nog het lot van de hele wereld aan te trekken, ik word ouder dan het gemiddelde (of toch bijna). Neen, dit is echt mijn laatste stuiptrekking: neem jullie pen ter hand en schrijf jullie vingers in een kramp, toon dat jullie kloten aan het lijf hebben (de dames zoeken het hier maar uit), kom op voor de zwakken en de verdrukten in de (schijn)wereld van de literatuur.
Allé, ik wacht weer af en opnieuw in volle verwachting. Och, zorg dat ik alweer niet moet bevallen van een doodgeboren goed voornemen.

Thierry

12 juni 2007

Installaties in de kunst: kunst?

Dat kunst iets te betekenen heeft, is precies het tegenovergestelde van ‘kunst heeft niets te betekenen!’ Dit laatste is de nonsensicale uitspraak van de cultuurbarbaar, maar bij de lezers van ‘De Geletterde Mens’ behoren geen specimen van dit verfoeilijke soort.

Instap.
Een teken heeft een betekenis. In het woord betekenis staat het woord ‘teken’ centraal. Een teken heeft altijd een betekenis, of het nu een verkeersteken is, of een wiskundige formule, of een woord in een of andere taal; ook een schilderij heeft een betekenis. Het zou een betekenis moeten hebben.
Op mijn school (in lang vervlogen dagen) werd een tentoonstelling georganiseerd met als thema: “3 + 3 = 7”. Zeven met het hoofd in de wolken lopende kunstenaars die de tel kwijtraakten. Deze optelsom doet denken aan een synergetische formule die zegt dat de som van de afzonderlijke eenheden, van de afzonderlijke entiteiten groter is dan die som omdat de eenheden ook iets van het geheel met zich meedragen.
Een vrouw en een man worden op elkaar verliefd, ze leren elkaar beter en beter kennen, ze minnekozen elkaar, ze krijgen een kracht bij die ze afzonderlijk niet hadden en de metafoor van deze derde kracht is in feite het kind dat zij verwekken: 1 + 1 = 3.
In de film “Nostalgia” van een Russische regisseur wiens naam ik mij niet meer herinner, ziet u in een bepaalde sequentie een muur waarop in grote cijfers staat geschreven: 1 + 1 = 1. Alles wat is, alles wat bestaat, behoort tot een totaliteit van het zijn. Een Japanse Zenboedhist zou echter zeggen dat 1 + 1 = 0. Denk aan het Nederlandse woord “volledig”: het is vol maar het is ook ledig.
1 + 1 = 0. Dat zegt ook de filosoof Heidegger als hij beweert dat de mens in zijn zoektocht naar zijn oorsprong bezig is met naar de waarheid te zoeken. Naar datgene wat niet meer verborgen is, datgene wat zich onthult. Een hij voegt hieraan toe: kunst is de meest efficiënte drager van de waarheid.
Deze inleiding als instap in het probleem, in de vraagstelling: ‘Is installatiekunst kunst?’

Rechtzetting.
Wij denken te veel dat kunst enkel te maken heeft met schoonheid. Kunst heeft met schoonheid te maken, maar kunst heeft in de eerste plaats iets te maken met waarheid. De echte kunstenaar probeert iets van dat verborgene uit te drukken. Daarvan iets te onthullen via beelden, via een eigen taal, via een taal die plastisch klinkt.
De kunstenaar voelt zich nauw betrokken bij het proces van de zelfontdekking. Hij probeert te onthullen wat hij over het verborgene weet, wat hij vermoedt, binnen zijn tijd en binnen zijn mogelijkheden.
3 + 3 = 7; 1 + 1 = 3; 1 + 1 = 1; = 1 + 1= 0. De interpretatie van deze cijfers en het resultaat van hun optelling heeft voor een kunstenaar een andere, veelzijdiger betekenis dan voor een wetenschapper die daar geen boodschap aan heeft. Voor hem is 1 + 1 = 2. De filosofie die hier achter zit, is voor de kunstenaar brood en spelen, inspiratie en muze.

Kunst is speciaal.
De mens leeft van materie en geest; zijn hele natuur doet naar beide verlangen. Dikwijls echter wordt het evenwicht tussen beide verstoord. De beeldende kunsten bezitten de verbazende eigenschap dat zij de menselijke geest kunnen materialiseren en aanschouwelijk maken, zodat wat aanvankelijk vluchtig en ongrijpbaar is, nu kan worden bekeken en betast.
Ik verbind hieraan de gedachte dat mensen samenbrengen om naar beeldende kunst te kijken, inderdaad ook een vorm van feestvieren is. Dit is bijna een liturgische gedachte. Zo heb ik het altijd ervaren en die indruk is zeker niet nieuw.

Kunst moet aanspreekbaar zijn.
De vraag moet worden gesteld of de beeldende kunsten van vandaag aanspreekbaar zijn en het feest wel stofferen? Is het tentoongestelde werk representatief voor het huidige plastisch landschap? Kunst wordt vandaag meestal gebruikt als een strikt persoonlijk expressiemiddel, zodat zij in vele gevallen letterlijk samenvalt met het persoonlijk leven van de kunstenaar. En dat maakt kunst zo boeiend om te volgen. Kunstenaars maken van ons voyeurs, stalkers die de kunstenaar op de huid zitten.
Een tentoonstelling is te vergelijken met een kruispunt van wegen waar vragen worden gesteld en antwoorden gegeven. Een levendige gedachtenwisseling over kunst; over kunst waarin de mens zichzelf herkent en zichzelf beter leert kennen. Het kruispunt is opengesteld en de exposanten hebben het bezet met feestelijke gebaren.

De realiteit van het beeld.
De realiteit van het beeld. Objectief? Subjectief? Vage begrippen die door de nieuwe technologieën serieus in vraag worden gesteld. De mensen hebben altijd geloofd in de waarheid van de afbeelding, maar ze weten nu ook dat beelden kunnen liegen. Ook de televisie heeft gemaakt dat onze kijk op de wereld kompleet veranderd is. Maar niemand die zich daar nu nog druk om maakt. Het is gewoon een evolutie: het beeld als objectief gegeven verdwijnt, het wordt gewoon een subjectief deel van het dagelijks leven. Een subjectief deel van de waarheid.

Eigenlijk is het de fotografie geweest die ons kijken heeft veranderd. De fotografie heeft een soort objectivering van de realiteit gebracht, de landschappen en de portretten van vroeger worden overbodig voor de kunst. Men wilde de realiteit altijd maar dichter bij de mens brengen, via de foto, de film, de zwart-wit televisie, de kleurentelevisie. Blijkbaar leeft dus de behoefte nog altijd om de realiteit af te beelden, afgebeeld te zien. Maar met de nieuwste beeldtechnieken kun je nu ook een virtueel beeld maken van de realiteit. Dit is een ambigue bedoening. We kunnen onze eigen beelden creëren.
Eigenlijk doen we net hetzelfde als vroeger in de schilderkunst. We proberen de realiteit gewoon te klonen. We manipuleren de realiteit. Schuilt daar geen gevaar in? Het creëert ook vrijheid. Een constante uitwisseling tussen de realiteit en het beeld, tussen beeld en verbeelde, tussen “echt” en “schijn”, biedt onzeglijk veel mogelijkheden voor interactie en voor projecten, creaties, installaties, voor “virtual reality”.
In deze uitwisseling tussen realiteit en beeld speelt niet enkel de techniek een rol, maar ook – en liefst in de eerste plaats – de verbeelding. Een kunstenaar met een “geheugen van verbeelding”, als opslagplaats voor beelden.

Installaties?
Wat is de betekenis van een ‘installatie’ in de kunst? Installaties doen mij denken aan “virtual reality”. De makers ervan willen via “het geheugen van de verbeelding” kunst levend en relevant houden voor hun tijdgenoten. Zij vormen een avant-garde; het zijn opponenten van academisme en overlevering.
Tegelijk is hun vormentaal gereduceerd en minimaal en op een andere plaats geometrisch en abstraherend en elders slechts ideeënbraaksel, ludiek, speels, verrassend, shockerend, kunst op zijn smalst. Vandaar dat sommigen gewagen van anti-kunst en boerenbedrog. Maar zij dwalen. Niet alle van deze kunstenaars zijn poseurs of tricheurs.
Toch komt het argwaan tegenover kunst en kunstenaars niet zomaar uit de lucht vallen. Dit wantrouwen is geen toevalligheid. Wanneer je ‘Documenta’ en andere grootse kunsthappenings à la Jan Hoet bezoeken, dan zou de gedachte je kunnen overvallen dat een bijzonder artistiek talent niet langer vereist is om kunstenaar te worden genoemd. Je zou kunnen denken dat het nu volstaat om te kunnen knutselen, mits men tegelijk een of andere slappe grap cultiveert.
Het publiek ziet de grenzen niet meer duidelijk tussen platte grap, show en kunst. Die grenzen zijn vervaagd. Er is nivellering. Het onderscheidingsvermogen is zoek.
Ik ben er mij van bewust dat dit de kritiek is die altijd opgeld maakt bij avant-garde kunst, bij vernieuwing, bij nieuwe ideeën, nieuwe concepten, projecten, installaties. ‘Entertainment,’ zegt de kritiek.
In alles zit er een grond van waarheid. Vooral jonge kunstenaars dienen op hun hoede te zijn voor kunst die enkel mediageil is en in elk geval sensationeel. Het vormelijke mag het inhoudelijke niet verdringen.

Installatie? Oké. Maar: het schilderkunstige moet blijven!
Het schilderkunstige blijft een voorwaarde sine qua non voor schilderkunst. Het ironische spel, de gestileerde letterpoëzie en dergelijke kunnen erbij horen. Werken met een boodschap over het lot en de betrachting van de mens, op een wijze die heel eigen, kwetsbaar en vol verwondering is.
Zoals beeldende kunsetnaars die bezig zijn met boeken, boeken afbeelden, uitbeelden, een nieuwe vorm geven. Waarom niet? Woord en beeld. Boeken als conceptuele kleinoden die door hun artistieke muiterij een extra waarheidspathos bezitten. Muurkranten, met als belangrijkste boodschap: boeken zijn altijd beschikbaar, ze spreken met je, ze troosten je, ze moedigen je aan…
Of kunst als verrassende ontmoeting tussen leven en dood. Kunst als verhaal, een symbolisch verhaal over de grote levensvragen. Verrassende confrontaties tussen begin en einde, leven en dood, groei en vergankelijkheid.
Of schilderijen op papier of karton met acryl en olieverf. Grote geometrische en orginele vlakken, gestileerd en uitvergroot tot een strip van eigen makelij. ‘Een droomboek’ waarin compositie, kleur en tekst worden vermengd. Annotaties die persoonlijk kunnen zijn of een boodschap uitdragen.

Jan Hoet: een brug te ver?
Jan Hoet was ooit ‘künstlerische Leider’ van een Documenta (nummer 9 denk ik) in het Duitse Kassel. Hij verzamelde kunstenaars die de nieuwste uitingen en trends in de hedendaagse kunst (van toen) tentoon stelden. Geen onbevattelijke concepten, geen ironiseerde namaakkunst, ook geen vlucht in het louter formele, maar een nieuwe vorm van geëngageerde kunst, individualistisch en pesoonlijk.
Het toverwoord dat Jan Hoet toen gebruikte was ‘displacement’. Beweging. De kunstenaar is van het ene naar het andere punt onderweg. Hij mag zijn eindpunt nog niet hebben bereikt. Zijn werk is niet af. Bij hem zie je duidelijk ‘evolutie’.
Kunstenaars gaan met dat displacement om. Zij ontwrichten als het ware hun werk, om er vervolgens weer een stap verder mee te gaan. Ook de bezoeker, in zijn zoeken naar een rustpunt van waaruit hij het kunstwerk kan bekijken, wordt op het verkeerde been gezet, wordt verstoord, is uit zijn lood geslagen.
Dit zijn allemaal ‘installaties’ waarbij de kunstenaar het vergankelijke van de materie toont, het object dat toch in de herinnering blijft en ons een boodschap brengt. De boodschap van de beweging, het onderweg zijn, de evolutie.
Vele van deze ‘installateurs’ werken en gaan om met ‘le hasard’, met de leegte, met het toeval. Zij plukken een detail, een object uit de realiteit en gaan daar iets mee doen. Zeg maar evolutieve kunst, met een grote dynamiek, helder geformuleerd, die aan de wetten van ‘displacement’ beantwoordt. Kunst die ons verstoort, een stoorzender die ons geen rust gunt.
Volgens Jan Hoet had de ‘moderne kunst’ afgedaan of verworden tot een groteske show. Kunst als entertainment.

‘Installatiekunst’ openbaart?
‘Installatiekunst’ wil in de mens nieuwe, deels nog onbekende, krachten los maken die hem in staat moeten stellen nieuwe zielservaringen op te doen binnen een nieuwe realiteit. Kunst is er hier op gericht de vermogens van de creatieve mens in een breder veld te plaatsen.
Kunst dient te onthullen wat verborgen is, of verborgen wordt gehouden; de kunst van de klaarblijkendheid die met veel schroom en reserve wordt getaxeerd; kunst die eigentijds is en toch als anti-kunst wordt beschouwd; kunst die nooit verhult, maar openbaart. Deze kunstenaars sturen signalen uit, tekens en wij zijn verbaasd over hun veelbetekenende boodschap.

Uitstap.
Kunst heeft verschillende gedaanten: mooi, echt, verhaal, boodschap, onthullend, zelfontdekkend, aanspreekbaar, verbeeldend. Het maakt niets uit: als kunst maar geen show wordt, pure entertainment, mediageil, werk van ziekelijke geesten. Het ‘showbeest’ in de kunst kan mij niet bekoren.Voor zo’n ‘braaksels’ pas ik!

Thierry Deleu

9 juni 2007

De 50 Meesterdichters van de Lage Landen bij de zee

PERSMEDEDELING

De 50 MEESTERDICHTERS van de Lage Landen bij de zee

EXCLUSIEVE CLUB ONDER HET VOORZITTERSCHAP VAN THIERRY DELEU

Reeds 48 Nederlandstalige dichters werden geselecteerd om lid te worden van de exclusieve club “De 50 Meesterdichters van de Lage landen bij de zee”.
Sommigen onder hen hebben hun proefperiode als “solliciterende Meesterdichter” bijna achter de rug. Na deze periode worden zij “Meesterdichter”. Deze eervolle titel kunnen zij dan dragen en eervol gebruiken.

Het zijn (in alfabetische volgorde en niet volgens de datum van hun selectie):
Marcella Baete, Bert Bevers, Beli, Frans de Birk, Annette van den Bosch, John Brookhouse, Marc Bungeneers, Gunnar Callebaut, Frans Claus, Jeannine Debbaut, Lidy De Brouwer, Pierre Declerck, Leni De Goeyse, Jenny Dejager, Thierry Deleu, Luc Demiddele, Ferre Denis, Gwen Deprez, Marleen De Smet, Astrid Dewancker, Germain Droogenbroodt, Corry van Emmerik-Koenekoop, Fernand Florizoone, Ludo Geloen, Hejatomsma, Patricia Lasoen, Paul van Leeuwenkamp, Frédéric Leroy, Cathy Mara, Mark Meekers, Peter Motte, Edith Oeyen, Eric Rosseel, Annmarie Sauer, Maurits Sterkenburg, Pien Storm van Leeuwen, Ina Stabergh, Annemieke Steenbergen, Jet van Swieten, Henri Thijs, Guy Vandendriessche, Yerna Van Den Driessche, Eric Vandenwyngaerden, Jan Van Loy, Dirk Vekemans, Katelijn Vijncke, Pom Wolff, Peter Wullen.

Op het einde van de proefperiode van de 50ste “Meesterdichter” wordt een verzamelbundel op de markt gebracht door Razor’s Edge Edition Gent, ingeleid door Thierry Deleu. Vermits de “solliciterende Meesterdichters” pas na één jaar “Meesterdichter” worden”, kan deze bundel ten vroegste één jaar na de geselecteerde 50ste “solliciterende Meesterdichter” verschijnen.
Welke zijn de voorwaarden om lid te worden van deze exclusieve dichtersclub?
1. Het aantal werkende leden “Meesterdichters” wordt vastgesteld op minimum 5 en maximum 50 leden. Om tot “Meesterdichter” te kunnen worden benoemd dient er onherroepelijk een periode als “solliciterende Meesterdichter” te worden doorgemaakt. Deze periode omhelst één jaar.
2. De sollicitant hoort een goede reputatie als dichter te hebben of als een beloftevolle dichter zijn (h)erkend.
3. De titel van “solliciterende Meesterdichter” wordt verleend aan dichters die, ofwel minstens drie gedichten hebben gepubliceerd in een bloemlezing/tijdschrift/e-magazine, ofwel gelauwerd of geprijsd werden in de Lage Landen. Ze worden geacht de toekomst van het poëtisch patrimonium van de Lage Landen bij de zee te vormen.
4. De aansluiting tot (eerst) de club van de “solliciterende Meesterdichters” en (daarna) tot de club van de “50 Meesterdichters van de Lage Landen bij de zee” is relatief eenvoudig:
- worden aangeschreven of aangesproken door de voorzitter (en/of een lid)
- voldoen aan de voorwaarden zoals hierboven opgesomd
- één (tot drie) gedicht(en) opsturen aan de voorzitter: Zandzeggelaan 18-102 te 8670 Oostduinkerke of doormailen aan thierry.deleu@skynet.be
- bij selectie van het (één) gedicht wordt de sollicitant op de hoogte gebracht. Vanaf dat ogenblik is hij/zij “solliciterende Meesterdichter”.
(Persmededeling)