Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans

Stichtingsdatum: 1 februari 2007


"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"

"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.

31 mei 2007

Nu weer de kermis gloeit met duizend lichten - samensteller Bert Bevers


Nu weer de kermis gloeit met duizend lichten is een juweeltje van vormgeving. Hier staat de "kermis" in al haar glorie op het marktplein, dank zij samensteller Bert Bevers die kon rekenen op het Nederlands Centrum voor Volkscultuur (Utrecht), het Historisch Centrum "Het Markiezenhof" (Bergen op Zoom), de stichtingen Kermis-Cultuur (Eindhoven) en Singer (Laren).
Het zou onheus zijn indien ik ook Johanna Jacobs, Karel Loeff en Ineke Strouken van de beeldredactie niet zou feliciteren. De titel van het boek is ontleend aan het gedicht Kermis van Jan van Nijlen. Drukkerij Graficiënt Laren heeft een hoogwaardig product afgeleverd.

De keuze van de gedichten is altijd een delicate oefening, maar Bert Bevers heeft nogmaals bewezen dat hij een fijne neus heeft voor poëzie en thematisering. Hij is - zoals u weet - niet aan zijn proefstuk.
De keuze van het openingsgedicht, Het spookhuis verliefd van Ingmar Heytze, is niet zonder gevaar. Het is zo mooi en het wekt hierdoor ook hoge verwachtingen. De wonderlijke wereld van de kermis wordt erin tot leven gebracht.

Dit boek presenteert enkele aspecten van de artistieke beleving van de kermis. Al eeuwenlang is kermis een inspiratiebron met een uiteenlopende achtergrond. De kermis blijft boeien. Bert Bevers werd erdoor getroffen en legde een verzameling van honderden gedichten aan.

Nostalgie is het terugkerend thema in vele gedichten van bekende en minder bekende Nederlandse en Vlaamse dichters. De gedichten gaan over botsautootjes, draaimolens, schietkramen, spookhuizen en het reuzenrad. Opvallend is echter dat ook de moderne, lawaaierige, elektronische attracties niet worden geweerd.

De beeldende kunstenaars uit de eerste helft van de 20ste eeuw geven hun indrukken weer die zij opdeden van de kermis in de stad of op het platteland. Sommigen leggen de nadruk op de parade of de carrousel, anderen nemen de kermis als geheel of willen de sfeer weergeven.

De gedichten die mij het meest bekoren, zijn van Bert Bevers zelf, Frans Claus, Fernand Florizoone, Albert Hagenaars, Peter Holvoet-Hanssen, Philip Hoorne, Daniël Van Ryssel, François Vermeulen en Antoon van Wilderode.
Het beeldend werk dat mij aangrijpt, komt van Willem de Zwart, Draaimolen (1897-1898) en Dorpskermis, W.F.A.I. Vaarzon Morel, De sterke man of de reus Raymond, Kermisgebak en Rozen, Frans Huysmans, Kermis in de Rustende Jager in Bergen (1914), George Martens, Stoomcarrousel-Meikermis in Groningen (1930), Henk Melgers, Meikermis (1930), Modest Huys, Kermis in Kerselaere, Jan Hovener, Personen bij een draaimolen (2de helft 20ste eeuw), Edgard Tijtgat, La Baraque (1919) en La joie d'été (1951) en Jaap Oudes, Kermis te Lier (1971).

Kermis is een persoonlijke ervaring, een feest waarop ik met weemoed terugkijk. Persoonlijke emoties spelen hierbij de hoofdrol. De kermis uit mijn kinderjaren, de romantiek van kermis, de spanning, de uitgelatenheid als de kermis in de stad was.

Nu weer de kermis gloeit met duizend lichten ontroert mij. De meeste gedichten brengen in mij de essentie naar voren van wat ik als kind en adolescent voelde. Kopen dit juweeltje!

Thierry Deleu

Bert Bevers, Nu weer de kermis gloeit met duizend lichten, Utrecht, 2007, ISBN 97 8907 1840 692.
Te bestellen via
ncv@volkscultuur.nl

29 mei 2007

Ode aan de bibliothecaris?

Waarom niet? Is de bibliothecaris niet de bruggenbouwer tussen de informatie in een bibliotheek en haar bezoekers? Hij/zij zorgt ervoor dat het informatieaanbod van de bibliotheek goed aansluit bij de wensen van de bezoekers en houdt de collectie up-to-date. Verschijning van nieuwe boeken, tijdschriften of naslagwerken houdt hij nauwlettend in de gaten. Aanwinsten geeft hij - door middel van een coderingssysteem - een logische plek in de collectie. Wanneer bezoekers moeite hebben om informatie te vinden, helpt hij ze bij hun zoektocht. Dit is héél wat en daarom verdient hij/zij deze ode!

Toch kleeft aan het beroep van bibliothecaris nog altijd een stoffig imago. Zit hij/zij alleen maar met zijn/haar neus in de boeken? Zeker niet, het tegenovergestelde is waar. De bibliothecaris heeft juist een gevarieerd takenpakket. Hij/zij houdt zich niet alleen bezig met het beheer van de collectie, maar ook met het verstrekken van informatie. Vooral dit laatste aspect maakt het beroep leuk; de meest uiteenlopende vragen moet hij/zij kunnen beantwoorden. Iedere werkdag is hierdoor anders. De bibliothecaris heeft dus een leuk beroep.

Hij/zij verricht de volgende vijf hoofdtaken:
1. Beschikbaar stellen van informatie.
2. Up-to-date houden van de collectie.
De bibliothecaris houdt bij welke nieuwe boeken, tijdschriften en naslagwerken er verschijnen. Om te bepalen welke titels moeten worden aangeschaft, leest hij/zij onder andere recensies en aankondigingen van uitgevers.
Daar wringt het schoentje! Hoe maakt hij kennis met uitgaven van auteurs die niet bij “gevestigde” uitgevers (met recensie) worden uitgegeven? En indien hij/zij er weet van krijgt, vindt hij het dan belangrijk/onbelangrijk en/of tijdrovend om contact met de auteur te nemen? Wat doet de bibliothecaris indien hij/zij geen recensie toegestuurd krijgt of indien de auteur geen “officiële” recensie krijgt?
Bij het uitbreiden van de collectie houdt hij/zij altijd de wensen van de bibliotheekgebruikers in zijn/haar achterhoofd.
Hij/zij adviseert de bevoegde schepen over de aanschaf van nieuwe boeken. Vaak is het echter zo dat de bibliothecaris zelf tot de aankoop overgaat. Hij beheert het budget.
Van wie krijgt hij informatie over nieuwe uitgaven? Wat indien hij/zij van de officiële bibliotheekdienst slechts informatie, voorzien van een recensie, ontvangt van ingezonden nieuwe boeken door de “grote” uitgeverijen? Besteedt hij ook evenveel aandacht aan informatie hem/haar door de auteur zelf bezorgd?
Een voorstel. Is het niet wenselijk (menselijk) dat ook (beginnende) auteurs of auteurs zonder grote uitgeverij of auteurs die uitgeven in eigen beheer zich met evenveel respect kunnen wenden tot diezelfde “boekendienst” (door de Overheid en/of het boekenbedrijf opgericht en/of gesubsidieerd)?

3. Informatie opbergen.
Een bibliotheekcollectie is ingedeeld aan de hand van een bepaald coderingssysteem. De bibliothecaris zorgt er voor dat dit coderingssysteem gehandhaafd blijft. Niet alleen voorziet hij/zij nieuwe boeken van de juiste code, maar hij/zij let er ook op dat het uitgeleende boek weer op de juiste plek wordt opgeborgen.

4. Helpen bij het zoeken van informatie.
Hoewel iedere bibliotheek beschikt over een zoeksysteem waarmee bezoekers zelfstandig de collectie kunnen raadplegen, hebben bezoekers regelmatig hulp nodig bij hun informatiezoektocht. Hij/zij maakt ze niet alleen wegwijs in het computersysteem - legt bijvoorbeeld uit welke zoektermen ze kunnen invullen -, maar draagt ook suggesties aan voor het raadplegen van bronnen.
Bijvoorbeeld bij het zoeken naar informatie over een schrijver.
Ook nu weer is de “onbekende” auteur de dupe. Wanneer de bezoeker het zoeksysteem raadpleegt, komt hij/zij nooit uit op een beginnende auteur, debutant, auteur zonder uitgeverij, tenzij de lokale bibliothecaris de man of vrouw persoonlijk kent en van hem/haar een aantal boeken heeft aangekocht. Deze auteur krijgt echter geen kans(en) om gelezen te worden door een ruimer publiek, om te worden geapprecieerd, om te worden gekocht. Hij blijft - als het meevalt - een lokale (hoogstens regionale) vedette.
Aan openbare bibliotheken op internet kunnen over allerlei onderwerpen vragen worden gesteld.
Voorstel. Op didactische borden/platen brengt de bibliothecaris eenvoudige tekst aan die de bezoeker wegwijs maakt in het zoeken naar alle auteurs, ook minder bekende, vergeten of doodgezwegen schrijvers. “De auteur die of het boek dat u hier niet vindt, kan u ons vragen. Wij helpen u zoeken!” Of “Een auteur? Een boek? Wij helpen u zoeken!”
Via Google is dit een eenvoudige klus: naam auteur zoeken, de verkregen bestanden overlopen, de websites of blogs van de auteur raadplegen. De bezoeker meldt de naam van de gezochte auteur(s) aan de bibliothecaris. Die naam komt op de lijst voor aankoop door de bibliothecaris.

5. Informatie uitwisselen met andere bibliotheken.
De bibliothecaris onderhoudt contact met andere bibliotheken en bibliotheekdiensten over het informeren over en het uitwisselen van boeken. Wanneer een bezoeker boeken van een andere bibliotheek wil lenen, bemiddelt en adviseert hij/zij hierbij.
Deze werkwijze geldt zeker ook wanneer het om een minder bekende, debuterende, zelf uitgevende auteur betreft. Indien de bibliothecaris en/of de bezoeker de woonplaats van deze auteur kent, kunnen zij de lokale openbare bibliotheek contacteren. Wat niet uitsluit dat de aangesproken bibliothecaris het boek aankoopt.
De bibliothecaris werkt samen met bibliotheekmedewerkers, documentalisten en soms ook archivarissen. Bibliotheekmedewerkers zijn verantwoordelijk voor het innemen en uitlenen van boeken. Documentalisten en archivarissen helpen bij het beheren van de collectie. Over het algemeen werkt de bibliothecaris zelfstandig.

Voorstel. De bibliothecaris onderstreept in zijn dienstmededelingen hoe belangrijk het is alle auteurs te kennen (niet alleen degenen die zij op school hebben gelezen), hoe de keuze van de bibliotheekbezoeker moet worden begeleid en verbreed, hij/zij benadrukt het respect dat zijn/haar medewerkers moeten hebben voor alle auteurs en alle bezoekers. Hij leert hun hoe onvrijwillig discriminerend zij kunnen tewerk gaan.
De organisatiestructuur van openbare bibliotheken is in de loop van de jaren veranderd. Het beroep bibliothecaris moet spoedig worden opgesplitst in twee functies: bibliothecaris backoffice en bibliothecaris frontoffice.
In het eerste geval (backoffice) legt hij/zij zich toe op het ontwikkelen van nieuwe diensten en producten. Hij/zij onderzoekt bijvoorbeeld welke informatiebehoefte basisscholen hebben en op basis hiervan ontwikkelt hij/zij een nieuwe dienst. Dat kan een cursus begrijpend lezen zijn.
De bibliothecaris frontoffice is dan verantwoordelijk voor de uitvoering van het nieuwe dienstenpakket.

Indien een bibliothecaris niet beantwoordt aan het volgende beroepsprofiel, dan is hij/zij fout bezig of niet geschikt voor de job:
1. Informatie snel kunnen opnemen.
2. Zorgvuldig en nauwkeurig kunnen werken.
3. Dienstverlenend zijn.
Wanneer bibliotheekbezoekers informatie niet kunnen vinden, vragen zij de bibliothecaris om raad. Hij/zij legt ze het zoeksysteem uit en maakt ze wegwijs in de collectie. Ook denkt hij/zij met hen mee: welke bronnen zijn geschikt om te raadplegen bij het zoeken naar een auteur of naar een boek?
4. Goed kunnen samenwerken.
De bibliothecaris werkt niet alleen samen met zijn/haar collega’s van de bibliotheek, maar ook met bibliotheekbezoekers. De samenstelling van die laatste groep is zeer divers. Hij/zij moet dan ook met mensen met diverse achtergronden overweg kunnen. Daartoe is het belangrijk dat hij/zij beschikt over goede communicatieve vaardigheden: zoals kunnen luisteren en durven door te vragen. Hij/zij moet immers iedereen kunnen advisren.

5. Nieuwsgierig zijn.
Als bibliothecaris kun je vrijwel met ieder onderwerp en/of boek en/of auteur in aanraking komen. Een brede interesse is dan ook een absolute must.

Wie is volgens mij een topbibliothecaris? Een topper wordt hij/zij door hem/haar te specialiseren in een aantal onderwerpen. Door ontwikkelingen goed te volgen, zoals het debuut van een auteur, de kleinschalige uitgeverijtjes, de printing-on-demand, is hij/zij op de hoogte van de nieuwste uitgaven en (digitale) informatiebronnen. Hij/zij kan bibliotheekbezoekers hierdoor beter bijstaan bij hun zoektocht naar informatie en de kwaliteit van de collectie (actueel en volledig) vergroten.

Thierry Deleu

Vincent van Gogh

In Saint-Paul-de-Mausole arm in arm
om de fontein waar vissen en
eekhoorns nieuwtjes uitwisselen
in de buurt van de Judeastruiken

geraakt door aanblik van bloemtrossen
ingetogen roze in een tapijt
van mos en pijnboom naar kragen
van paarsrode irissen kijken

ruiken de geur van kreupelhout
het zware parfum van seringen
wanneer de wind zachtjes huilt keren
wij behoedend weer om de magie

niet te verbreken door het getralied
venster van zijn kamer voorhoofd tegen
het raam wuift hij mij na het wordt
zomer de zon gekweld zendt haar

stralen de cicaden dansen een
zonnebloem wendt zich naar haar toe
tot zij ondergaat achter les Alpilles.
Ik neem de trein van 16.23.

Thierry Deleu

Na ons bezoek aan de zenuwinrichting
van Saint-Paul waar van Gogh verbleef
van 6 mei 1889 tot 16 mei 1890

21 mei 2007

Flapuit of recht voor de raap? Dat is de vraag!

Beste vriend(in),

Ik hoop oprecht dat je trommelvlies niet beschadigd is… en dat je neus de frisse wind verdraagt… en dat je de maand doorkomt zonder grieperigheid…en dat de grasmachine dol draait zodat je terug achter je pc kunt dagdromen… Dit is puur opportunisme: mijn personal manager (verder in deze bijdrage: mijn pm) mag niet ziek worden!
Ik stel met genoegen vast dat jij een harde werker bent en vol “naastenliefde”. Het wordt echter voor jou niet gemakkelijk in de toekomst. Ik weet waarover ik spreek. Hoeveel kunstenaars heb ik niet gepromoot (toen heette dit nog gelanceerd) die mij nu “doodzwijgen”. Zoals het Hof privé-leraar Bogaerts vergat te vermelden in het c.v. van de prinsen. Eerst veel lof en schouderklopjes alom, daarna dwingende vraagjes en dringende verzoekjes, later slavendrijvende taken tot… tot de artiest naam maakt en BV wordt of GL (Groot Licht). Of m.a.w. tot wanneer hij in de prijzen valt en zijn zakken vult.
Trouwens, er is niets zo discutabel als kunst. Is kunst na drieduizend jaar - op zich al een problematisch jaartal - gedefinieerd? Wat is kunst? Kan er eenduidig over kunst worden gesproken? Het zijn vragen die steeds aan de kunst worden gesteld. Gewoonlijk leiden die tot verwarring en het niet au sérieux nemen van een bedrijvigheid die inherent is aan de mens.
Laat ik het nog eens anders stellen: de jongste twintig jaar worden dezelfde vragen ook aan de wetenschap gesteld en niemand maalt daarom. Ook de wetenschap ontsnapt niet aan verwarring en onzekerheid. Helemaal nieuw is dat natuurlijk niet: Wittgenstein schreef al dat men veeleer zou moeten zeggen, althans indien men wetenschappelijk wilde blijven “dat de zon waarschijnlijk morgen zal opgaan”. Waarschijnlijk dus. Geef toe dat er over kunst ook veel onzin wordt geschreven. Een Amerikaanse new wave journalist – ik denk dat het Tom Wolfe is - publiceerde daarover ooit een sarcastisch pamflet en je begrijpt niet dat er achteraf mensen waren die nog over moderne kunst durfden te schrijven zonder het schaamrood op de kaken te krijgen.
Soms lijkt het er ook wel op dat er meer geschreven wordt over kunst dan dat er kunst wordt geproduceerd. Als kunst zoveel uitleg hoeft, dan is er toch iets aan de hand en zou ik geneigd zijn althans dat soort kunst niet definieerbaar te noemen. Natuurlijk wordt kunst op die manier ook een distinctiemechanisme, een manier waarop een bepaalde elite of establishment zijn of haar belangen hogepriesterlijk veilig stelt. Zoals dat altijd het geval is, schurken elites zich graag tegen elkaar en bevestigen ze zo elkaars leegheid - een leegheid die ook veel hedendaagse kunst kenmerkt en die toegedekt wordt met wollig en dikdoenerig taalgebruik, waardoor het blote gegeven dat de keizer geen kleren aan heeft onzichtbaar dreigt te worden.
Het postmodernisme in de kunst is gewoon de culturele logica van een bepaalde vorm van kapitalisme, waarbij steeds meer gebieden in de culturele sfeer worden opgenomen - de zogenaamde esthetisering van de werkelijkheid -, terwijl tezelfdertijd de cultuur steeds meer wordt ingelijfd in de sfeer van de warencirculatie. In het postmodernisme is “cultuur”, en dus ook de kunst - en misschien zij wel in de eerste plaats - zelf een product, een koopwaar of een markt. Daaraan gekoppeld is er de nieuwe diepteloosheid waarin de natuur of de werkelijkheid als vaste bodem verdwijnt En zoals de wetenschap zich meer en meer verwijdert van de leefwereld van de modale man of vrouw, zo is dat natuurlijk ook in de kunst het geval. De analogieën tussen wetenschap en kunst zijn zo frappant en zo ver doorgedreven dat noch aan het een noch aan het ander enige betekenis kan worden ontleend. Dat de doorsneemens daardoor in existentiële verwarring geraakt is dan ook voor de hand liggend: wanneer er geen betekenis meer kan worden gevonden en er dus geen inhoud meer is, dan wordt alles evenwaardig en er is geen enkele mogelijkheid meer tot een verklarende interpretatie. Dit is het verschil tussen Van Gogh, wiens schilderijen verwijzen naar een bepaald soort werkelijkheid en Andy Warhol, wiens werk eigenlijk alleen kan worden geduid als een algemene verwijzing naar de thematiek van het tot-koopwaar-worden zelf.
Een ander kenmerk van deze postmoderne era is het tanen van de emoties. Vervreemding wordt vervangen door fragmentering. De tragiek bij Warhol's bekende “Marilyn Monroe”, om het nog even bij deze kunstcharlatan te houden, wordt overschaduwd door het schijnbeeld, het is de imitatie van de imitatie waarbij van het subject in fine niets overblijft: het is niet in de feiten maar naar de inhoud gedecentreerd.
Ook dat vinden we terug bij de wetenschap die niet langer geïnteresseerd is in het begeleiden van het Aristotelische “goede leven” maar die opereert vanuit de wetten van het eigen systeem. Het is geen plezierig verhaaltje wat ik je breng, maar het mocht toch nog wel eens gezegd worden nu jij kunst aan het definiëren bent.

Paul Valéry schreef in zijn Pièces sur l'art het volgende, en ik citeer: “Het fysieke element dat alle kunsten bezitten, kan niet langer op de oude manier gezien en behandeld worden; het kan zich niet langer aan de invloeden van de moderne wetenschap en moderne praktijk onttrekken. We moeten er op voorbereid zijn, dat op deze manier grote vernieuwingen de hele techniek van de kunsten zullen veranderen, dat ze zo de inventie zelf beïnvloeden en ten slotte misschien zelfs het begrip kunst op de meest fabelachtige wijze zullen veranderen”. Dat zei dus Paul Valéry aan het begin van onze eeuw. Natuurlijk was er reeds vroeger een vorm van reproduceerbaarheid toen in de grote ateliers van de kunstenaars een vorm van “lopende band”-werk werd afgeleverd, maar uiteindelijk is dat toch niet te vergelijken met wat het eind van de negentiende en de twintigste eeuw aan technisch vernuft in de vorm van massale reproductie voortbrachten. Hoe dan ook: wat Valéry beweerde over het begrip kunst, die voorspelling is uitgekomen.
Deze bewering geldt ook voor de fotografie. Omdat ik weet dat je ook fotografen in je hart draagt, wil ik hierover mijn zegje kwijt. Beschouw dit alles, wat voorafgaat en nu nog volgt, als het advies van een éminence grise, gelouterd, en vooral vaak ontgoocheld door de “onwetendheid” van de kunstenaar en de kunstkenner of zij die zich aanmatigen dit te zijn. De fotografie dus. Zij heeft ertoe geleid dat de eenmaligheid van het kunstwerk aan betekenis heeft ingeboet. Die cultuswaarde en de ongenaakbaarheid van het kunstwerk verdwenen dus met de fotografie helemaal. Datgene wat de “aura” van het kunstwerk werd genoemd, die “eenmalige verschijning van een verte, hoe dichtbij die ook is", die aura dus verdween met de massaliteit van de reproductie.
Tussen twee haakjes, die hele discussie kun je samenvatten door te stellen dat met de hele democratisering, die zich langzaam op gang trok, ook de idiotie en de waanzin van de menselijke soort werden gedemocratiseerd. Misschien is het niet zo verwonderlijk dat de kunst zolang als enigszins mogelijk getracht heeft via l'art pour l'art haar aura te beschermen.
Zoals jij vaak beweert, vriend, is de fotografie een vorm van kunst gebleven die door iedereen perfect begrijpelijk is, en dat is geen kleine verdienste. Ik noem opzettelijk de fotografie “een vorm van kunst”, omdat ik wil refereren aan de moeizame discussies die gevoerd werden over de vraag of fotografie wel kunst is.

Goed, en nu terug naar mijn obsessie (zegt men), naar mijn passie (beweren zij), naar mijn idolatrie (hopen zij hartsgrondig), maar ik noem het mijn belofte, de belofte om te durven mijn nek uit te steken en op te komen voor mijn eigen mening, mijn overtuiging, geen betutteling meer, geen indoctrinatie van Kerk of Loge, maar mijn eigen (misschien onredelijke, misschien idiote) mening.
Wat pastor Staf Nimmegeers zegt in Het Nieuwsblad van dinsdag 29 januari heeft mij verrast, aangenaam verrast. Hij zegt: “Natuurlijk heeft Jezus echt bestaan. Een echte rebel moet hij zijn geweest, die geen lang leven beschoren kon zijn… Je moet een onderscheid maken tussen de historische Jezus en de Jezus zoals hij gepreekt wordt in de evangelies. De onbevlekte ontvangenis moet je niet letterlijk interpreteren. In de bijbel gebeurt dit wel vaker bij maagden. Het is een mooie manier om te zeggen dat die Jezus al van bij de bevruchting “gene gewone” was. Voorts is Maria gewoon thuis bevallen. Bethlehem is daar achteraf bij gesleurd omdat dat de oude koningsstad was. De evangeliën zijn eigenlijk achterstevoren geschreven: de dood en de verrijzenis van Jezus kan je lezen als een historisch relaas, maar dat is naderhand geprojecteerd op zijn geboorte.” Mooi hé. Niemand gelijkt beter op een ouderwetse pastoor dan een vrijdenker. Er bestaat geen beter voorbehoedsmiddel tegen de vrije gedachte dan de oubollige manifestaties van het Humanistisch Verbond en de Oudervereniging voor de Moraal.
Ook ik heb een periode doorgemaakt waarin ik, bij wijze van spreken, elke morgen een pastoor tussen mijn boterham legde. Dat had ik niet van familie of van school, maar zelf gekozen en zelf ontwikkeld. Van de z.g. liberalen had ik niets gekregen: zij zagen mij niet eens staan. Alles wat ik in mijn jeugd vanuit die hoek ervaren heb, was flauw conventioneel en hopeloos conservatief. Dat ik in die jaren de kern van het liberalisme niet leerde kennen, is hun schuld. Ik ken mijzelf (nog net) niet genoeg om het met klem te beweren, maar ik heb de indruk dat ik mijn vrij denken aan mijn “katholieke” opvoeding te danken heb. Zij heeft mij een uitweg gelaten. En tenslotte was voor mij de geschiedenis van de Kerk een voorbeeld van hoe het niet moest - dus een waardevol vergelijkingspunt. Het drong tot mij door dat de vrijdenkers gewoon te min en te klein waren om het klerikalisme een serieuze hak te zetten, en dat een denkomwenteling veeleer binnen de Kerk zelf zou ontstaan. Nog later begreep ik dat het veel passender en billijker is, de priester voor het volk te waarschuwen dan het volk voor de priester. Zij hebben het niet gemakkelijk, deze partizanen van hun God. Zij zijn meestal op zichzelf aangewezen, met weinig religieuze intendance, van vele kanten gewantrouwd. Zij hebben geen typische thuis meer. Zij leven van dag tot dag, zoals de massa wel moet leven. Hun broodje was gebakken - maar zij hebben zich, als verloren zonen, in een existentieel avontuur gestort. En… precies daarop waren ze niet voorbereid! Een reden te meer om ze niet te benijden. Ze zijn allen symbool en exponent van de dolende, zoekende mensheid. Ik wil graag met Nietzsche te hunner ere besluiten: “Maar mijn bloed is met het hunne verwant; en ik wil mijn bloed ook nog in het hunne geëerd weten” (aldus sprak Zarathustra).


Joris Dewolf

19 mei 2007

Thierry's webcolumn

Onthaasten om te overleven
Mijmeringen van een jonge man op jaren

Pascal zei: “Al het leed van de mensen komt maar uit één ding voort, en dat is dat ze niet rustig in een kamer kunnen blijven zitten.”
Hoe komt het toch dat wij die goede raad in de wind (blijven) slaan? Historisch gegroeid? Logisch gevolg? Trage mensen stonden vroeger niet goed bekend: ze waren klunzig, onhandig, plomp, zonder hart voor hun werk. De bijdehandjes werden op handen gedragen, zij die de gegeven bevelen met bekwame spoed uitvoerden.

Tot welk kamp behoor ik? Als ik zeg dat traagheid in mijn ogen tederheid is, dan weet je het wel. Traagheid is ook respect. Ik heb mij voorgenomen om traag, respectvol en aandachtig alle fasen van mijn leven te beleven. Ja, ik geef het toe: die goede voornemens kwamen er pas bij mijn oppensioenstelling.

Je zult inmiddels al begrepen hebben, lezer, dat de traagheid waarover ik het heb, geen karaktertrek is maar een levenskeuze. We mogen ons niet uit ons evenwicht laten brengen in een samenleving waarin we worden opgejaagd. Of anders gezegd: we mogen ons niet uit ons ritme laten duwen. Traagheid is te herkennen aan het streven om de tijd niet te bruuskeren en om onderweg onszelf niet te vergeten.

Ik weet het, het klinkt nogal absurdistisch, lezer, en toch voel ik mij nu veel beter dan toen ik als een opgejaagde homo sapiens de wereld wilde overtuigen van mijn snelheid, mijn handigheid, mijn (economische) flexibiliteit. Ik kies nu voor de vlucht in een ingedommelde wereld, ik maak gebruik van een risicovol en eenzaam schrijven, ik wacht op wat misschien nooit zal gebeuren, ik vouw de handen in plaats van ze te openen, ik verlaat mij uitsluitend op de wijsheid van de wijn.

Ben ik boos op de wereld? Maar neen, waarom zou ik? Leven is een buitenkans die mij (misschien) niet nog eens zal worden gegund. Op elk ogenblik meet ik die buitenkans af: hoe ik elke morgen weer in het licht en elke avond weer in de duisternis kom te staan; hoe de dingen hun jeugdige glans niet verliezen; hoe ik op mijn gezicht een glimlach zie. Het leven komt op mij af als een golving, als fijne druppeltjes, als een licht veeleer dan een kracht.

Tegenwoordig wordt het handelen (een ruimer begrip voor arbeid) als een hogere waarde gezien, alsof iemand die niet handelt ook niet leeft. Daardoor zijn de dromers, die in stilte beminnen of voldoende hebben aan het genoegen dat ze bestaan, stoorzenders. Vandaar dat ouderen de tijd willen inhalen die ze tijdens hun beroepsleven hebben verloren: ze zijn bekwaam in meer dan één vak, ze spreken meer dan één taal, ze beheersen meer dan één techniek. Een kind roept: “Mama, kijk zonder handen!” en de oudere roept: “Kijk eens wat ik (nog) kan!”

In godsnaam, waarom dit extreem vertoon van activiteit? Kan een ochtendje gymnastiek en een avondje dansen niet volstaan? Zou het niet wijzer zijn, ons enkele essentiële vragen te stellen die wij tijdens ons beroepsleven niet konden stellen bij gebrek aan tijd? Wie was ik? Wie ben ik? Wanneer heb ik de verantwoordelijkheid voor mijn lot aanvaard?

Wie was ik? Behoorde ik bij die schoolkinderen die er een sport van maakten om snel te gaan, om hun vriendjes achter zich te laten? Er al eens aan gedacht dat die leerlingen de oorzaak en de norm zijn van het bestaan van de zwakker begaafden?

Traagheid, beste lezer, is de laatste van de archaïsche waarden. Op alle terreinen waarop de menselijke geest actief is, komt het er in de eerste plaats op aan om steeds sneller te reageren, informatie te verzamelen, te zien en te programmeren. In vergelijking met dat nieuwe slag van mensen (de snelheidsduivels) zal de door mij geprezen soort (de traagheidsadepten) overkomen als luiaards, bijna psychomotorisch gehandicapten. En toch blijf ik bij mijn standpunt. Ik leg even uit waarom? Een lofrede op de arbeid werd (door de eeuwen heen) gefabriceerd zonder een duidelijk onderscheid te maken tussen enerzijds de voortdurende werkzaamheid van onze geest, van onze zintuigen en anderzijds de arbeid waaraan we in een bepaald maatschappelijk systeem zijn onderworpen. Door het handelen in zijn ruimste zin te verheerlijken heeft men het uitgebreid tot buiten de grenzen van de wereld en de tijd waarin de arbeid wordt verricht. Het wordt als hoofdregel gepresenteerd daar waar van rust en niet van vrije tijd wordt gesproken (de puberteit, ziekte b.v.).

Eindelijk hadden wij, de bejaarden (de niet meer zo van de jongsten), het recht verworven om te rusten. Op een bankje in de zon te gaan zitten, te beginnen aan een eindeloos spelletje kaart, in een café ernstig een glas witte wijn te bekijken en het daarna met kleine teugen leeg te drinken, de ogen over de bladzijde van een krant te laten dwalen. Maar ook dat soort oudere mensjes is bijna verdwenen en maakt plaats voor flink te been zijnde senioren die (nog) allerlei heldendaden willen verrichten. Voor mij hoeft het niet (meer).

Ik wil het nog even uitleggen, lezer (ook al ben je nog niet (zo) oud). Leer flaneren! Dat is niet de tijd opschorten naar zich eraan aanpassen zonder dat hij ons opjaagt. Snap je? Het betekent dat we beschikbaar zijn, zonder onze wil op te dringen. Vrijuit, langzaam stappen in een gehaaste stad, slechts waarde hechten aan het wonder van het moment. Een flanerende mens heeft iets soevereins, vloeibaars in zijn houding en straalt begrip uit. Gehaaste mensen flaneren niet. Ze hebben geen tijd te verliezen.

Opgelet, wandelen is niet hetzelfde als flaneren. De wandelaar heeft de behoefte om zijn activiteit te rechtvaardigen op grond van gezondheidsoverwegingen, zoals een goede spijsvertering, de longen vullen met lucht die per se zuiver moet zijn. Als je wandelt, doe je dat in het gezelschap van een vriend(in) en samen kun je dan lekker discussiëren over politiek, het dure leven, de metafysica en zelfs de sport. Ik wandel niet zo graag, ik flaneer liever, alleen of met mijn vrouw. Wanneer de natuur een groots uitzicht biedt, geeft ze mijn gedachten een religieuze kleur. Ik denk na over de kwetsbaarheid van de mens, over kortstondig succes en over de naderende dood.

Het zou verstandig zijn ons leven te wijzigen: rustig naar iemand anders luisteren, ons overgeven aan dromerijen, een gelukzalig gevoel koesteren, ook als we ons wellustig uitrekken, waardoor we gapen van genot, dolgelukkig dat we niets hoeven te doen. Anders gezegd: alles kan, maar niets moet (nog)! Dat is mijn wijsheid. Spijtig dat ik het maar besef op oudere leeftijd! Lijkt dat een loflied op de verveling? Wat is er beter om vormen van ijdelheid, positie en comfort te ontkrachten dan “te gapen van verveling”? Ik gebruik het woord “verveling” omdat het zo vaak wordt gebruikt door onvermoeibare actievelingen die zich schuldig voelen als zij eens “niets doen”. Ik bedoel eigenlijk: zich overgeven aan dromerij. Is er iets dat beter de loop van de tijd vertraagt en ons de kans biedt om een tussenpositie in te nemen tussen waakzaamheid en onbewustheid? De dromerij overdag profiteert van een rustige luciditeit.

Mag ik even persoonlijk worden? Schrijven, niet in de eerste plaats om je talenten te beproeven, maar om te proberen dichter bij jezelf te komen en jezelf niet langer “voorbij te lopen”, is voor mij de affirmatie van mijn “traagheid”.

Thierry Deleu

18 mei 2007

Een herziene druk... business?

In 1997 verscheen van Herman Brusselmans, Doch verder geen paniek, een aantal “doorgrondelijke wijsheden”, samengesteld door Gerd de Ley. Ter gelegenheid van de Vlaamse Boekenweek verscheen in februari 2007 een herziene, uitgebreide editie, waarin ook citaten uit recenter werk zijn opgenomen.
“Brusselmans blijft maar door schrijven,” moet Gerd hebben gedacht, “en bovendien verkoopt hij goed. Ik eet nog even mee!”
Voor mij is dit geen punt: De Ley maakt van dit soort citatenboekjes zijn handelsmerk. Hij neemt het werk van bekende schrijvers door op leuke zinnetjes en klaar is kees!

Brusselmans lees ik niet graag, maar dit is een zuiver subjectief oordeel. Vele vrienden van mij - vooral jonge Turken en pubererende veertigers - vereren de man als een icoon van lef en schaamteloosheid. Ik probeerde Brusselmans’ laatste, Muggepuut, en hield teleurgesteld op na een dertigtal bladzijden. Ik herkende de toon, de inhoud, het soort van humor en mij ontbrak alweer de prikkel om voort te lezen. Mijn appreciatie beperkte zich tot een glimlach van herkenning. De man heeft een stijl, zijn stijl, maar ik hou er niet van.

Een ethische smet?
Brusselmans “de meester van de puntige en spitse oneliners” noemen, vind ik een business truc die een ethische smet werpt op het boekenbedrijf. De man is een tekstproducerende industrie. En toch was hij aanvankelijk een gewone jongen die graag voetbalde en naar de universiteit ging om een diploma te behalen. Hij verkreeg noch het statuut van profspeler noch het diploma. Hij zat vaker op café dan in de auditoria en nam al snel een baantje aan in een bibliotheek. Tussen de boeken zittend, raakte hij zelf aan het schrijven.

Zijn debuut verschijnt in 1982: een verhalenbundel met als titel Het zinneloze zeilen. Zijn tweede boek, Prachtige ogen, krijgt in 1984 de Yang Prijs. Samen met Tom Lanoye schrijft hij het toneelstuk De Canadese muur (1989). Herman krijgt de smaak te pakken en blijft - zoals reeds aangehaald - schrijven als een bezetene. Hoofdthema’s zijn angst voor eenzaamheid, seks, drank, geweld, verveling en de dood.

Wat Brusselmans vooral bekend maakt bij het brede publiek is de wijze waarop hij op de Vlaamse televisie en in kranten, weekbladen en tijdschriften zijn ongezouten mening mag ventileren. Zijn boeken zelf zijn geliefd of gehaat, een tussenweg lijkt er niet te zijn. Ik behoor bij de recensenten die niet te spreken zijn over zijn werk. De kritiek betreft vooral de eentonigheid van zijn oeuvre. Maar wat is hier het belangrijkste: de (meestal negatieve) kritiek of het (enthousiaste) publiek?

Business tout court
Terug naar het boek van Gerd de Ley, Nog steeds geen paniek, met citaten van Herman Brusselmans. Omdat Brusselmans echter meer succes heeft en beter in de markt ligt dan Gerd, wordt het boek toegedicht aan hem. Normaliter is dit andersom: wie sprokkelt (en dus het werk doet) is de schrijver!

Normaliter zoeken auteur en uitgever naar “een gat in de markt”, met Nog steeds geen paniek wentelen zij zich in een opgeklopt nest dat nog wel warmte biedt voor enkele laatkomertjes. Wees echter op je hoede, lezer, dit nest is echter een “vangnet voor centen”, niets meer, niets minder. “Ik heb de indruk dat ik de vorige zinnen al ‘ns eerder heb gelezen, in een boek van iemand anders,” zegt Brusselmans in zijn “Achteraf”. Terecht: in zijn eigen boek!

De citaten staan gerangschikt in tot de verbeelding sprekende categorieën als "Vrouwen", "Literatuur", "Drinken", "Beledigingen" en "De dood". Nog steeds geen paniek is een boek dat je niet zo vaak meer uit de kast haalt, omdat je van een citatenboek verwacht dat het een filosofische resonans heeft, je verwacht wijsheden in kernverpakking die het leven of een aspect ervan typeert, definieert of sturing geeft.

Deze “doorgrondelijke waarheden” zijn een verlengstuk van Brusselmans’ “ma vie est une panique prolongée”. Enkele voorbeelden:
“Ik heb je dat allemaal al eens verteld, geloof ik, waarschijnlijk met andere woorden, dat weet ik niet meer.”
“In feite zou ik beter zwijgen. Doch met gebruik van woorden is zwijgen niet gemakkelijk.”
“Je kan lullen wat je wil, als je maar zeikt. Het moet wel begrijpelijk blijven, vind ik, tenminste voor een goede verstaander.”
“Je mag zo geëngageerd zijn als je maar wilt, als je vervelend bent ben je vervelend.”

Thierry Deleu

Herman Brusselmans, Nog steeds geen paniek, “doorgrondelijke wijsheden” samengesteld door Gerd de Ley, Promotheus, 14,94 euro, hardback, 143 blz., ISBN 978-90-446-0941-7.

Traag is uw verbazing

Bij “De Oostakkerse Cahiers” verscheen de bundel Traag is uw verbazing van Bert Lema. Hij werd geboren in Brugge, op 7 december 1969. Hij studeerde Germaanse in Gent en woont momenteel met vrouw en twee zoontjes in het Pajottenland. Hij is werkzaam in de basiseducatie (alfabetisering). Een aantal gedichten uit Traag is uw verbazing verscheen eerder in "De Brakke Hond", "Nieuw Wereld Tijdschrift" en "Yang".
Lema krijgt op zijn 38ste een nieuwe kans. Eind jaren ‘90 begon hij - na een lange periode van stilte - opnieuw overal te publiceren. Onder andere in "Schoon Schip", "Gierik/NVT" en "Dighter" en met regelmaat in "De Brakke Hond". Bij "Ampersand & Tilde" brengt hij nu Traag is uw verbazing uit.

Lema schrijft krachtige poëzie met een spirituele inhoud. Hij maakt - tot mijn spijt - vaak gebruik van dialectwoorden (woorden uit zijn kindertijd?) en dit stoort mij. De man heeft een lange weg afgelegd: van Brugge via Gent en Brussel naar Vollezele. Soms voel ik invloed van Claus, Lucebert, Llorca en Neruda.
De bundel Traag is uw verbazing bestaat uit twee delen. Het eerste deel bevat gedichten die reeds verschenen. Het tweede deel bevat de cyclus "Traag is uw verbazing". De bundel is een bloemlezing uit zes of zeven jaar schrijven. Toch vormt de bundel een eenheid. De titel slaat op een heel trage openbaring die verbazing wekt.

Zijn gedichten etaleren enerzijds hilarische ernst en anderzijds relativering en ernstige humor. Beide zijn ingebed in een spirituele beleven. Lema is kosmosgevoelig.
De wijze waarop hij de bundel aangeeft - als een offerande – heeft mij gepakt. De eerste gedichten laten mij niet los: wat een eigenzinnige en eigenwijze verwoording van herinneringen aan zijn opa, oma, ouders, zijn kindertijd en jeugd! Zijn beeldspraak doet mij af en toe denken aan de eerste experimentelen, maar door de geaardheid (aarde, aarden) van de gedichten dan weer niet volledig. Ik citeer: Oma is het feest dat vloeit met beken of ze zit aan de feestdis als een walvis of een vriend: hij maakt van haar een ruime zaal of opa sliep met klavecimbel/oma met cortizone.
Gedreven (of moet ik veeleer schrijven: aangedaan?) zoekt de dichter naar verwantschap, herkenning, duidelijkheid. Hij schrijft: Ruimer is het zicht op uw vader/achter hem zit zijn vader en zijn vader en zijn vader/het is een trein die tot aan de bron reikt.

Zijn vader (of is het de dichter zelf?) is in zijn eenvoud voorspelbaar en in zijn woorden verbazingwekkend overgevoelig. Het lijkt wel of zijn geest speelbal is van het niet-verklaarbare. Naar deze begrenzing gaat Lema op zoek bij zijn (groot)ouders en zichzelf.
Zo ervaart de dichter dat hij gewoon een zoon (is)/die zijn zoon zijn als een T-shirt uittrekt. Hij luistert aandachtig en oefent zich in het afschudden/van het gehoorde want het is weer tijd voor het ontmijnen/van als uw verwachtingen.
Wanneer de jongen (de dichter) in het gips zit, ziet hij hoe zijn moeder in de keukenruit/een miniatuur wordt.

Wat ook opvalt, is de aanhoudende wijze waarop de dichter zich moed inspreekt of tot helderheid komt of in de kosmos zijn gram vindt. Het spirituele is voor Lema ontegensprekelijk een houvast, in bange dagen een geloof, geloof dat hem op de been houdt en hem hoopvol stemt. Hij voelt hoe de wind in zijn gezicht waait/om hem het gevoel te geven/dat de wereld iemand om hem heen is.
Ook in het tweede deel van de bundel, "Traag is uw verbazing", zoekt hij naar de contouren van zijn identiteit en luistert hij naar de muziek van zijn ziel waarvan de geest de bron is. Hij gaat er altijd weer langs rijden en langzaam trekt (zijn) weg samen.

De lezer kan met enige volharding en alertheid de mens Lema tekenen: hij zet nauwelijks nog een stap/bij haar vandaan (hij wordt huiselijker), hij geniet van de kleine dingen (Trek u door de weerschurende weide/aan het heelal kunt ge u later wijden), hij gaat op reis, maar toch blijkt iedere keer dat het ook een zoektocht blijft naar zichzelf: hij kwam ooit iemand tegen/die zei: zo zijt ge. In een ander gedicht schrijft hij: het gaat niet om wat ge wilt/of ziet in uw dromen/ge gaat door land dat anders is/met elke stap klopt ge aan.
Soms is teleurstelling zijn deel: second life/terwijl aan uw voeten/steeds de oude wegel kleeft. En hij wordt wanhopig: ge hebt u gewoon/te graag geloofd. Hij confronteert zich met het sterven, met de dood: ge doet uw eigen uitgeleide en r staat u niets te wachten/naar uw huis is naar uw donker.

Er is een gaan dat van woestijn weet
het haast zich niet
naar steden vol gaten

er is geen leven in het leven
een graag zien dat zich niet verliest

en ge begint eraan
met zere voeten
ge vraagt u af hoelang

ge zo nog moet sukkelen
maar trek u niets aan

het is uw gaan

Bert Lema verrast mij met deze bundel om zijn filosofisch trialisme: zijn gedachten en gevoelens leiden een afzonderlijk leven; ze hebben ankerpunten in lichaam (aarde), ziel en geest. Hij zoekt naar zichzelf via zijn (groot)ouders en kijkt vooruit naar het lot dat hijzelf beschoren is. De verwoording van dit alles gebeurt in een archaïsche taal, bewust gekozen, om de band met het verleden niet te breken. Hij moet zich wel hoeden voor gedachtesprongen die woorden niet altijd kunnen volgen, zodat de lezer de indruk krijgt dat hij zweeft.

Thierry Deleu

Bert Lema, Traag is uw verbazing, de Oostakkerse Cahiers, Ampersand & Tilde, Antwerpen, 2007

Vanaf de dag dat ik mensen zag...

Een bundel Weemoedt
of hoe humor en droefheid hand in hand gaan


Van Lévi Weemoedt verscheen bij Nijgh & Van Ditmar zijn Verzamelde gedichten, met de heel mooie titel Vanaf de dag dat ik mensen zag..
Lévi Weemoedt is het pseudoniem van Isaäck Jacobus van Wijk (°1948). Hij schrijft tragikomische korte verhalen en dito gedichten die veelal in en rondom Vlaardingen spelen. Weemoedt debuteerde in 1977 met de bundel Geduldig Lijden.
Vanaf de dag dat ik mensen zag bevat een 250-tal verzamelde gedichten, waarbij de dichter zoveel mogelijk de simpele, beproefde chronologie heeft gevolgd. Hij heeft geput uit Geduldig Lijden (1977), Geen Bloemen (1978), Zand Erover (1981), Liedjes van Welzijn, Volksgezondheid & Cultuur (1987+1992-), Ken uw klassieken! (1992) en Rijk Verleden (1999). Zo’n veertig versjes verschijnen voor het eerst in druk.
Eerste vaststelling: voor wie er een beetje gevoel voor heeft, zijn de gedichten uitstekend om te lezen. Weemoedt heeft een eigen stijl, die af en toe herinnert aan die van Piet Paaltjens.

In zijn gedichten overheerst de melancholie. Of de degradatie van de liefde en de wil tot leven. Nooit barst hij uit in hartverscheurend snikken. Grappen maken en stilletjes huilen als een zachtmoedige man die ook schrijft. Verzet ligt niet zijn aard. Wel een hartverwarmende neerslachtigheid. Weemoedt “kwispelt niet, omdat hij treurig is en bang van mensen.” In zijn humor lijkt hij wel “een geslagen hond” die afdruipt.

Het verlangen naar “een andere werkelijkheid”
Zijn steeds kortere gedichten - grappige woordjes in een volgeschreven dichtersdoosje - zijn niet alleen stijlkenmerkend, ze wijzen ook op een uitgebluste Weemoedt. De mens Weemoedt wil af van zijn weemoedig schrijven, hij wil “de andere werkelijkheid” beleven waar hij al die jaren “niets van verwachtte”. Hij is het moe van jammeren en klagen. Het biedt hem weinig uitzicht op verandering. Weemoedt schrijft kort omdat hij af wil van “die lulligheid” en niet wil veinzen of de droefheid kunstmatig in leven houden. De dichter is eenzaam, zijn poëzie wordt echter met de tijd korter en korter, hij publiceert ook minder frequent, het lijkt wel of hij zich wil terugtrekken uit een bestaan dat niet leefbaar lijkt. Zijn weemoed draagt de kenmerken van een twijfelende ziel: enerzijds wil hij er van af en anderzijds koestert hij haar, wanneer ze hem kracht geeft om te overleven. Hij zoekt de laatste jaren meer een uitweg in zijn verhalen dan in de poëzie.

Weemoedt is niet de meest vrolijke man. Hij is zich hiervan goed bewust, vandaar de afleidingsmanoeuvres en de humor in zijn poëzie. Zijn korte gedichtjes geven mij de indruk dat zijn poëtisch verhaal uitgezongen geraakt. Droefheid zonder humor kan bij Weemoedt niet, deze twee gevoelens zijn bij hem onafscheidelijk, als tweelingen, hij is zo gebekt. Humor en droefheid zijn bij hem niet alleen gelijkwaardig, maar ook gelijkend: ze vloeien in elkaar over als water dat zijn bedding binnenstroomt. In het beschrijven van zijn droefheid zit veel opluchting. Het is zijn wijze van overleven.

Het lijkt eenvoudig
Gedichten schrijven lijkt bij Weemoedt eenvoudig, maar dit is het niet. “Eenmaal de eerste regel gezet, maak ik het gedicht ambachtelijk af. Het einde blijft echter altijd een probleem,” zegt hij in een interview met de VPRO (De Avonden, 30 januari 2007) naar aanleiding van zijn verzamelbundel. Weemoedt lijkt verbaasd over het volume [ervan], maar toch vooral over zijn succes. “Ik dacht: het wordt niets. Ik ben niet zo’n dichter. Ik zit in het randgebied tussen poëzie en iets anders. Ik schrijf gedichtjes die niet dezelfde zwaarte hebben als die van Gerrit Achterberg.”

Weemoedt plaatste zijn “Tips voor Alleenstaanden” vooraan in de bundel. Een bewuste keuze. Deze vier gedichten zijn actueel en zetten de toon, een lichte toon die opklinkt uit een inktzwart hoofd. Ze zijn helder en laten de lezer toe vanuit de duisternis naar het licht te wandelen. Dat is precies wat Weemoedt de laatste jaren ook probeert!

Thierry Deleu

Lévi Weemoedt, Vanaf de dag dat ik mensen zag, verzamelde gedichten, Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam 2007, 265 blz. ISBN 978-90-388-84486.

Bij de berg van Mozes - een waar gebeurd (reis)verhaal

L.S.,

Op de derde dag huurden wij een jeep, een kameel en een bedoeïen en trokken de Sinaï in. Aan de voet van de Mozesberg (2.285 m) gekomen, hoorde ik een stem die sprak als de donder: “Klim op tot mij. Ik zal u de stenen tafelen geven.” Ik bleef daar twee dagen en twee nachten.

Ginette bleef aan de voet van de berg op mij wachten zoals God het wilde: “Niemand zal met u opklimmen, dat er niemand gezien worde op den ganschen berg.” Toen ik terugkeerde, lag zij nog altijd aan de voet. Zoals het hoort. Wanneer de man thuiskomt en de vrouw is er niet, dan betekent dit dat zij iets slecht doet. Gaan wandelen is verkeerd, zij mag wel met het kind uit wandelen, of met de hond, maar niet alleen. De straat behoort de man toe.
“Wat heb je op die berg uitgespookt?”
Een rake woordspeling.
“Met God gepraat.”
“Over wie?”
“Over de mensen.”
“Specifiek?”
“Over de vrouwen.”
Ginette duwde de bedoeïen opzij en ging tegen de grote teen van de voet zitten. Ik haalde uit mijn binnenzak de nieuwste versie van de tien geboden en las:

1. De vrouw is thuis.
2. Dagelijks bereidt zij het eten en doet de vaat. Zij maakt de bedden op. Ze doet de kinderen naar school en haalt ze terug.
3. Maandag: wasdag; dinsdag: strijkdag; woensdag: hersteldag; donderdag: opruimdag; vrijdag: kuisdag; zaterdag: boodschappendag.
4. Zaken die de vrouw uit roeping doet: kinderen (laten) maken en ze opvoeden; vrijen, maar op de wijze van de chef; weten dat voor de man haar lichaam belangrijk is: haar uitzicht, haar gezicht, haar leeftijd, de omvang van haar borsten en de lengte van haar benen.

5. De laagste in onze maatschappij is de buitenhuiswerkende vrouw.
6. Het zesde gebod deelt de vrouwen in volgende categorieën in: de natuurlijke schoonheid, de aantrekkelijke, de zachte, de babbelaarster, de jongere, de lelijke, de frivole, de oudere, de grote, de stoute, de heks, de sexy vrouw, het muurbloempje, de werkster, de goede moeder, het verlegen meisje, de zottin, de simpele, de suffragette, de gebrilde, de intellectuele, de vuiltong, de lieve, het rotwijf en de tere.
7. Masturbatie is slecht.
8. Wat de man niet vindt bij zijn “wettige” echtgenote, kan hij vinden in een “huis van plezier”.
9. Voorhuwelijkse relaties kunnen nooit worden goedgekeurd.
10.Abortus is verboden.

Je kunt je niet voorstellen, lezer, hoe erg mijn vrouwtje te keer ging. Zij, de zachtaardige, de edelmoedige, de begrijpende, zoals Boris zegt: moeder Theresa. Zij besteeg de berg, samen met haar bedoeïen die de parasol voor haar openhield. De avond van dezelfde dag kwamen zij reeds terug. Zij had haar protestbrief aan de Heer bezorgd en rechtsomkeert gemaakt met de boodschap: “Wij willen dat U naar ons luistert!”

Beste God,
Wat is er mooier, op het eerste gezicht, dan een vrouw aan de haard? Wat is er zachter en zo hartversterkend in deze wrede wereld waarin we leven dan een vrouw die geen ander doel heeft dan diegenen die ze lief heeft te helpen leven?
Ze helpt haar man de afmattende, onmenselijke werkomstandigheden te verdragen. Om dat te bereiken houdt zij het huis schoon, maakt lekkere beetjes klaar, steekt haar zorgen weg, houdt de kinderen braaf. Ze helpt de kinderen groot worden, ze leert hun zich te onderwerpen aan de leerkracht, ze helpt hen bij het huiswerk en vraagt hun les op, ze leert ze zich aan te passen aan de maatschappij. Ze helpt de familie door de nodige stappen te doen voor het verkrijgen van pensioen en ziekteverzekering. Ze verzorgt de bejaarde ouders, houdt de kinderen van de zieke buurvrouw bij en draagt eten bij een zieke.
Indien zij dit niet zou doen, dan zou de wereld in elkaar storten.
En toch, God, namens alle vrouwen zeg ik: neen. Wij willen niet langer meer de bewaaksters zijn van een wereld die op instorten staat. Wij willen niet langer meer de verpleegsters zijn van een wereld die ziek is. Wij willen niet langer meer onze kinderen aanleren gewillige slaafjes te zijn. Wij willen niet langer meer de rol spelen van hoedsters van een slechte maatschappij. De maatschappij moet worden veranderd. Iedereen zegt het, de geestelijke als de wereldlijke macht, maar alles blijft zoals het is. Nu is het genoeg, God.
Vrouwen, verenigt u. Bepaal wat belangrijk is en eis dit eerst. Eis deze veranderingen op. Nu. Vecht ervoor!
Namerns de vrouwen.

De laatste dag van ons verblijf in Baron Resort kwam Zijn antwoord. Aangetekend. Een moëddzin bracht hem per dromedaris naar het hotel. Ginette werd aan de receptie gevraagd waar zij het reçuutje ondertekende naast de naam Ahmed al-Badawi. Voor haar en voor mij is die naam een raadsel.

Mevrouw,
Ik heb uw brief in goede orde ontvangen. Hierin komt u op voor uw seksgenoten. U vraagt dat ze een gelijke behandeling zouden krijgen zoals de man. U vergist zich, mevrouw. Heeft u enig idee van de consequenties van deze emanciperende gedachte?
Stelt u zich even voor dat de vrouw het werkende bestaan verovert. Is dit dan een overwinning? Is een verovering die tot stand komt op de voorwaarden van het patriarchaat een overwinning? Vrouwen die gedwongen worden om te worden als mannen. Is het dat wat u wilt, mevrouw? Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: de bevrijding van de vrouw zal extra kracht geven aan het mannelijke denken en aan de eenzijdige manier waarop men met de wereld en de werkelijkheid omgaat.
Wat heeft u tegen een maatschappij waarin het gezin bestaat uit een papa, een mama en de kinderen? Papa heeft een zware stem. Soms gromt hij, maar stout is hij niet. Nochtans moet je papa best niets in de weg leggen. Mama en de kinderen proberen het zo te schikken dat papa altijd tevreden is. Ze stoppen met lawaai maken als papa binnenkomt. Wanneer papa TV kijkt tijdens het eten, zwijgen allen. De jongens doen hun best om op papa te lijken: een macho uiterlijk, soms een beetje brutaal met meisjes, ze verkiezen het gezelschap van andere jongens. De kleine meisjes doen alles om papa te behagen: ze coifferen zich, zijn proper, lachen, helpen mama, brengen papa’s pantoffels of zijn sigaretten, ze zeggen dat ze een man willen trouwen die net zo is als hun papa.
Dat is een modelgezin, mevrouw. En dit modelgezin dient als model in alle omstandigheden, ook op school en in het bedrijf.
Met de meest christelijke groeten,
God

“Allahu akbar”. Allah is de grootste. Dit roept de moëddzin in Sharm El Sheikh vanaf de minaret van zijn moskee. Via luidsprekers maant hij de gelovigen tot gebed. De roep verzoekt u bovendien dringend om de stress van het Westen los te laten. Al bij de pascontrole op de luchthaven merk je dat het levensritme in Egypte niet is wat wij gewend zijn. Hier is tijd een zéér rekbaar begrip. Om frustraties te voorkomen, kun je je beter aanpassen aan het Egyptische IBM-systeem.
Insha’allah, burka en malesh. Insha’allah betekent als God het wil. Elke toezegging, elke wens, wordt ermee afgesloten. Als iets in het dagelijkse leven niet lukt, dan heeft Allah het zo gewild. Burka betekent morgen, maar eigenlijk: morgen is er weer een dag of overmorgen, natuurlijk. Trouwens, morgen kan ook volgende week zijn, of nooit. Malesh: geeft niets, wind je niet op. Blijf kalm.

Thierry Deleu

HD's Cartoonhoekje (6)




17 mei 2007

Blijde intrede

in de crypten van de kerncentrale goochelt
men met krachten. kraaien draaien hun ra-
tel af, vervloeken. dit jaar schiet de lente
haar doel voorbij -denk ik-, maar een paarden-

bloem houdt een gouden vinger in het gat van
de dijk. hommeles van de hommels, gegiechel
van grassprieten of de eeuwigheid hier wortelt.
een hoekje waar heimwee naar het lieflijke

bloeit, met ogentroost voor verjaard verdriet.
een appelaar draait traag-taichi, zijn armen
naar de zon, zonder angst dat het hem zuur
opbreken zal. meisjesjurken blits in bloei.

de dovenetels met hun opgeschoonde hof-
en boekhouding, rechtlijnig als hun bundels
notulen, begrijpen niets van de ongerijmde
sprong van een gedicht buiten het touwtje.

Mark Meekers

15 mei 2007

Wie bezorgt ons het e-mailadres van...?

De Geletterde Mens zoekt contact met
Joris Van Haelewijn
Rik Dereeper
Diane Vansweefelt
Hilde Baele
Dirk Blockeel
Patrick Cornillie
Gwen Deprez
Hans Kilian
Leen Van Den Abeele
Guido Vanhee
Herwig Verleyen
Erik Wauters

Mail naar
thierry.deleu@skynet.be
Dank!

14 mei 2007

Wat is er aan de hand?

From: Eric Rosseel [mailto:eric.rosseel@scarlet.be] Sent: zondag 13 mei 2007 15:11

Ik heb 50 jaar spontaan kunnen leven, veel liefde gegeven en veel liefde gekregen.
De 21ste eeuw met al haar maskerade verteer ik niet langer. Ik ben niet goed in mijn best doen, in tactiek, en het dragen van maskers, ik heb het geprobeerd maar het lukt me toch nooit.
Vergeef me dus. Ik keer nu tot mezelf terug in vrede.
Binnen 10 à 20 jaar zal het weer heerlijk leven zijn, maar zolang kan ik niet wachten.
Ik verdraag deze dagelijkse pijn niet langer gezien zijn zinloosheid.
Het ga jullie goed.
Ik daal nu af in de afgrond! adieu!

De dood zal komen en ze zal jouw ogen hebben (Vertaling van: verrà la morte e avrà i tuoi occhi Cesare Pavese 22 marzo 1950) (een paar maand voor zijn zelfmoord, augustus 1950)

De dood zal komen en ze zal jouw ogen hebben -
deze dood die ons gezelschap is
van 's morgens tot 's avonds, slapeloos,
doof, zoals een oude wroeging
of een dwaze ondeugd. Je ogen
zullen zijn een ijdel woord,
een ingehouden kreet, een stilte.
Zo zal je ze zien in de morgen
wanneer je je, met jezelf alleen, buigt
in de spiegel. O liefste hoop,
deze dag zullen wij ook weten
dat jij het leven bent en het niets.

De dood heeft voor allen een blik.
De dood zal komen en ze zal jouw ogen hebben.
Het zal zijn als het einde van een gebrek,
als het zien opduiken in de spiegel
van een overleden gelaat,
als het luisteren naar gesloten lippen.
Wij zullen afdalen in de stomme afgrond.

Eric Rosseel
http://ericrosseel.blogspot.com

12 mei 2007

Spijtig, maar wat doe je eraan?

Van mijn vriend (én oud-studiemakker Pol & Soc aan het RUG) Georges de Courmayeur, thans een aangespoelde kustbewoner, hoorde ik alweer hoe omhooggevallen boekenuitleenmadammen en dito heertjes zich vereenzelvigen met "grote" schrijvers en "gerenommeerde" beeldende artiesten. In hun "afgoderij" (de minder getalenteerden spelen op veilig) verbannen zij op hun beurt de debuterenden en de niet-gevestigden (criteria die niets met kwaliteit te maken hebben) uit hun "culturele" nevenactiviteiten. "Wij vinden het geen goed idee een (wereld)beroemde aan een (dood)onbekende te koppelen. Het zou het inititiatief schaden!" argumenteren zij.

Zo hoorde ik het verhaal van een schrijver met een 30-tal publicaties, waaronder gedichtenbundels, essays, bloemlezingen, taalboeken en romans, dat hij niet meer welkom was in de bib van zijn eigen gemeente (regio Kortrijk), omdat hij niet behoort tot the happy few van de kunst (*).

Moraal: niet de kwaliteit van het werk is voor de (meeste?) bibliothecarissen belangrijk, maar wel en uitsluitend de naam en faam van de schrijver/kunstenaar die hij zijn (haar) vriend noemt. M.a.w. wie "groot" wil worden moet zich in de gunst van "de groten" werken!

Joris Dewolf

(*) Van die schrijver weet ik dat hij nooit een "georkestreerde" poging heeft ondernomen om "beroemd" te worden buiten de grenzen van zijn naaste omgeving! Nu is hij daar de dupe van. Punt.

10 mei 2007

De Creuse, mijn muze & tweede thuis

1
Arsène du Frêne, heer van La Vallade is het laatste deel van de Creuse Trilogie. Dit betekent dat dezelfde hoofdpersonages in de drie romans voorkomen: Peter Deforge (in een nabij verleden Pierre Tersmidse; in een ver verleden Arsène du Frêne), Belle (het dochtertje van Peter en Amélie in Amélie Laforêt; in de historische roman is zij de dochter van de poorteres van La Vallade, zij treedt in het huwelijk met Arsène du Frêne) en Arsène du Frêne zelf (die veel gelijkenissen vertoont met Peter Deforge en de auteur).

In de drie romans komt ook de vrouwelijke alterego van Peter Deforge voor: als Sabine du Tertre in Eindterm; als Amélie Laforêt in Amélie Laforêt; als Belle (Isabelle) in Arsène du Frêne, heer van La Vallade. Ook de belangrijkste nevenpersonages spelen een rol in de drie delen. Ik denk hier vooral aan Marc Vanbeselaere (Marcel Warlop van het West-Vlaamse Beselare), een Vlaamse boer die heerst over het Franse Confolent, La Vallade, Sous-la-Faye en Villatte-Billon.

In Arsène du Frêne, heer van La Vallade heb ik twee tijdsblokken verwerkt: enerzijds - en uiteraard - de tijd na de opheffing van de Tempelorde en anderzijds - als literair handigheidje - de huidige tijd (of de tijd waarin Eindterm en Amélie Laforêt zich afspelen).

Reeds enkele jaren huren mijn vrouw en ik een gerestaureerd landgoed op La Vallade, een gehucht van Saint-Victor (in de Creuse). La Vallade ligt ten zuidwesten van Guéret, de hoofdstad van de Creuse. Ten zuiden van de Creuse ligt de Corrèze (begin van het Centraal Massief), ten westen Limoges en ten oosten de Allier en de Puy de Dôme.

Ik werd door boer Warlop van dichtbij betrokken bij de restauratie. Het goed zou worden verbouwd in de authentieke Creuseois stijl, met specifieke verwijzingen naar de Middeleeuwen. Zo zou de grote schuur tot ridderzaal worden omgetoverd, met daar kortbij een vierkantige donjon die onderaan toegang zou verlenen tot de weiden met de paarden.
Deze edele dieren waren reeds in groten getale aanwezig: een 40-tal, van vurige Arabieren tot rustige Appaloosa’s. Ook Luka, mijn toen 3-jarige Appaloosa hengst, graasde in de wei achter het goed.
Te midden van het erf zouden wij een dolmen plaatsen. Die grote stenen hadden wij een honderdtal meter verderop in de bosjes gevonden.

Troon en koorbanken werden grif aangekocht en voorlopig gestockeerd in de garage. Ook wandtapijten met Middeleeuwse taferelen kwamen op de boerderij aan.

Met een slingerend muurtje op manshoogte werd de oostkant afgezet. Koppen van mensen en dieren, gesculpteerd door een lokale kunstenaar, werden hier en daar ingebracht.Via een 5-tredentrapje konden wij over de muur lopen in de richting van het huis van Caroline (in het tijdsblok Middeleeuwen in Arsène du Frêne, heer van La Vallade houdt Caroline een kroeg open). Ongeveer in het midden van het muurtje zitten enkele rotsblokken ingemetseld.

Hoe staat de restauratie er vandaag voor? Misschien noem ik beter de ideeën op die (nog) niet werden gerealiseerd.

De grote schuur is aan de buitenkant gerestaureerd. De oude kramakkelige poort is gebleven en ook het interieur is nog altijd een ruïne. De donjon kwam niet van de grond en ook de dolmen bleef een paar honderd meter daarvandaan in de aarde steken.

Aan de achterkant van het woonhuis is daarentegen een hellend vlak aangebracht, aan de ene kant manshoog ommuurd, aan de groenkant staat een grafzerk met het teken van de Orde.

Mijn verbeelding heeft het landgoed echter volledig hersteld. In de historische roman, Arsène du Frêne, heer van La Vallade, wordt het goed eigendom van Tempelier Arsène du Frêne, die later Grootmeester zal worden van de Broederschap van de Tempel van Salomo.

Ik beschrijf de route die het hoofdpersonage, Arsène du Frêne, volgt na zijn ontsnapping uit de kerkers van het Louvre. Opgesloten bij zeven Tempeliers wordt hij - bij uitzondering - door hen ingewijd. Hij reist naar Meyras waar hij wordt geïnstrueerd in de ware leer van de Tempelorde.
Ik citeer:
“Indien u hier wegkomt, mijn broeder, reis dan eerst naar Willem van Gisors, Grootmeester van de Orde van Sion. Hij verblijft op het kasteel van Meyras. Daar zult u conform onze regels worden ingewijd in de geheime leer van de Tempeliers.”
Na zijn instructie reist hij door naar het landgoed “L’Ecurie” op La Vallade, dat hem door de gevangen Tempeliers is geschonken. Opgejaagd door spionnen van Filips de Schone graaft hij met zijn vijf metgezellen een onderaardse gang om te schuilen en hun bezittingen in veiligheid te brengen.
Ik citeer:
“Een onderaardse gang onder de zaal en de schuur achter de motte met uitgang in het kreupelbos is geen nieuw idee. Het delven was al eerder begonnen, maar het lastige werk werd nooit afgemaakt. Vier nachten en drie dagen delven zij met man en macht. Ook Cathérine en Belle helpen mee om aarde uit te dragen. Zij starten de graafwerken bij een diepe put, die zij bij toeval ontdekken in het kreupelbos, niet ver van de schuur. Hij is toegedekt met een dikke kloot aarde boven een krakkemikkig rooster van ongelijke verrotte balkjes. Ze verdelen zich in twee ploegen. Alain Engelschenschilt, Pierre Léon en Willem van Speybrouck graven weg van de put richting schuur. Du Frêne, Bartholémy van Slype en Renard graven onder de zaal richting schuur. Bij het uitbreken van de planken vloer in de ridderzaal botsen zij op harde rotssteen. Vervolgens kiezen een kant om er omheen te graven.”

Van waar komt de naam Arsène du Frêne? Een fictieve naam? Neen.
Marcel Warlop erfde het oude, vervallen landhuis met schuur en bijgebouwtjes van Armand Dufrène (21.03.1915-12.01.1996). Tijdens zijn laatste levensmaanden werd hij toegewijd verzorgd door Christine en Marcel. Uit dank schonk hij hun zijn goed op La Vallade.
Armand was de zoon van Arsène Dufrène (29.11.1882-29.10.1970). Beiden landbouwers. Arsène Dufrène behoorde tot de klasse 1902 en verkreeg tweemaal afstel van legerdienst (resp. op 16 oktober 1917 en 21 januari 1920).
Toen Fernand zijn legerdienst vervulde (20.10.1936-15.10.1938), ontving hij geregeld brieven van moeder Valéry. Haar zoon was gekazerneerd in Tulle (Corrèze) en ingelijfd bij het infanterieregiment van de 8ste Compagnie. Hij werd gemobiliseerd op 22 maart 1939. Op 4 december 1939 verwierp de Commissie het verzoek van moeder Dufrène tot verhoging van de financiële tegemoetkoming voor gezinnen van wie de zoon zijn militaire dienstplicht vervulde (art. 10 van het nieuwe decreet van 1 september 1939).

Ik koos de naam Arsène du Frêne (vóór zijn inwijding in de Orde van Tempeliers noemde Arsène bij zijn achternaam Dufresne), omdat ik dank zij de zorgvuldigheid van de nieuwe eigenaar, de Vlaming Marcel Warlop, inzage kreeg in enkele documenten die aan vader en zoon Dufrène hadden toebehoord.
In het gerestaureerde landhuis, dat Marcel “L’Ecurie” doopte, zijn in de living (met open haard) twee grafstenen ingemetseld, resp. van Arsène en Fernand Dufrène.

In mijn verbeelding was er hier, op La Vallade, in de Middeleeuwen een commanderij van de Tempeliers; later werd het de woonplaats van Arséne du Frêne en vijf ridders (die hem werden toegewezen door de Prior van de Orde van Sion).
Arsène du Frêne werd later Grootmeester van de Broederschap van de Tempel van Salomo, een Orde die opgericht werd door gevluchte Tempelridders, met de steun van de Priorij van Sion. De Broederschap was legitiem erfgenaam van de Orde van Tempeliers, naast de filialen in Schotland en Portugal.

De Broederschap koos een variante van het Tempelkruis als symbool. Ook in het gerestaureerde landhuis is dit kruis nog overal aanwezig: op de open haard, in de keuken, op de trapreling, onderaan een ingelijste spreuk (veeleer een “précepte”).

In Arsène du Frêne, heer van La Vallade, verwijs ik, nog vóór De Da Vinci Code, naar de link tussen Tempeliers en Sion.

Tijdens een geheim overleg tussen Jacques de Molay en de Prior - kort vóór de opheffing van de Orde - was overeengekomen dat Sion de esoterische kennis van de Tempelorde en het geheim over de descendanten van Jezus zou bewaren.
Ik citeer:
“Jacob van Molay had de storm zien aankomen. Zijn Tempeliers kwamen in een slecht daglicht te staan. Het ging niet meer om de traditionele kritiek op hun arrogantie en hun gierigheid, maar om elementen die reden gaven tot bezorgdheid: ketterij, afgoderij, sodomie. Jacob van Molay wist dat de inquisitie zeker in actie zou treden ten aanzien van deze geruchten. Daarom zocht hij de jonge Grootmeester van de Orde van Sion, Willem van Gisors, op om de esoterische geheime kennis die de Tempeliers in het Heilige Land hadden opgedaan over te dragen. In het geheim richtten zij de Broederschap van de Tempel van Salomo op.”

De inwijdingsrituelen van de Broederschap van de Tempel van Salomo zijn duidelijk geïnspireerd door die van de Priorij van Sion, de Orde van Tempeliers en de Orde van Vrijmetselaren.
Ik citeer:
“’s Morgens na de mis vangt de inwijding aan. Arsène du Frêne leidt de ceremonie. Talrijke broeders zijn op de kolommen aanwezig. Gérard wacht in een kleine kamer naast de kapel.
Twee broeders gaan naar hem toe en vragen: “Verlangt u lid te worden van de Broederschap van de Tempel van Salomo?”
“Ja.”
“U zegt: ja, maar u kent de strenge regels van onze Orde niet. Als u aan deze kant van de wereld wilt zijn, wordt u naar de andere kant gestuurd en omgekeerd. Als u wilt slapen, zult u moeten waken. Als u honger hebt en wilt eten, zult u moeten vertrekken. Bent u bereid dit alles te aanvaarden?”
“Ja.”
“Onze Grootmeester wil weten of u leeft in overeenstemming met de leer van Christus?”
Gérard antwoordt dat hij een vrij en eerlijk man is.
De twee broeders trekken zich terug en laten de postulant bidden. Hierna komen zij hem kort na elkaar een tweede en een derde keer om bevestiging vragen van zijn verlangen.
Gérard wordt tot vooraan in de kapel geleid bij de troon van zijn meester, die hem heel even toelacht.
Hij knielt neer en zegt: “Heer, ik vraag u om opgenomen te worden in de Orde.”
De vloer van zwarte tegels glimt in het kaarslicht. Zijn knieën hebben het koud en doen pijn.
“Zweert u bij God en de Maagd Maria de goede zeden en gebruiken van onze Orde na te leven, uw Grootmeester altijd te gehoorzamen en onder geen enkel beding uw standplaats te verlaten zonder permissie van uw directe overste?”
“Ik zweer het!”
“U is thans onze broeder tot het einde van uw dagen.”
Met deze woorden stapt Du Frêne op zijn vriend toe, hangt hem de bruine mantel om van de schildknaap en geeft hem de accolade en de broederkus. De kapelaan zingt de psalm “Ecce quam bonum” en bidt het gebed van de heilige Geest. Du Frêne helpt Gérard zelf recht en kust hem op de mond, en na hem doen ook de kapelaan en de aanwezige ridders dit. Wanneer iedereen opnieuw neerzit, licht Du Frêne de discipline toe en ook de overtredingen die het uitstoten uit de Orde tot gevolg kunnen hebben. Hij overhandigt Gérard de wapens van de eerste graad die versierd zijn met kabbalistische tekens en besluit met de woorden: “Ga heen, God zal u beter maken.”

Tijdens de vervolging van de Tempeliers zijn velen van hen gevlucht naar veilige oorden. Na verloop van tijd verenigden zij zich opnieuw en stichtten - zoals hierboven aangehaald - nieuwe genootschappen.
Om alle kans op vervolging te voorkomen werd er gezocht naar een veilige naam. In die tijd ontstond ook de “The Order of the Razorblades” (de Orde van de Scheermessen). Deze naam verwijst naar het feit dat vele ridders, tijdens hun vlucht, zich van hun baard ontdeden om iedere kans op herkenning te vermijden.
Één van hun belangrijkste rituelen was het scheren van het hoofd met baard, gelegen op een schaal. Het hoofd met baard symboliseerde de oningewijde. De neofiet werd door het afscheren van de baard klaar gemaakt voor inwijding. Na 33 dagen groeide de baard terug en kon het ritueel opnieuw worden uitgevoerd. Deze cyclus van 33 dagen was voor de (nieuwe) Orde zeer belangrijk. Daardoor ontstond een eigen kalender, alleen bekend bij de hogere graden.“The Order of the Razorblades” maakte zich - na zoveel eeuwen van oorverdovende stilte - (opnieuw) openbaar op 1 september 2004 als de enige online ridderorde in Vlaanderen en Nederland. De Orde telt nu 52 ridders en jonkvrouwen.

Heden ten dage wordt het ritueel symbolisch overgedaan door aan de leek de vraag te stellen of hij bereid is zich te laten scheren door zijn broeders. Via het scheren wordt de overgang van de Tempeliers naar de nieuwe Orde gesymboliseerd. Dit impliceert niet dat alle ingewijden geen baard mogen dragen. De symbolische bereidheid is voldoende en zorgt ervoor dat de ridder op de hoogte wordt gebracht van de voorgeschiedenis van de Orde.
Door de jaren heen heeft “The Order of the Razorblades” in alle stilte arbeid geleverd en meegewerkt aan verschillende grote gebeurtenissen in de geschiedenis. Daar de Orde zich altijd aanpast aan haar omgeving en de technische vooruitgang, komt zij nu naar buiten onder de vorm van een online ridderorde.

Arsène du Frêne maakte echter geen deel uit van de “Orde van de Scheermessen”. Vermoedelijk heeft hij leden van deze Orde ontmoet in de Priorij van Sion of in Meyrac.

De genese van mijn historische roman, Arsène du Frêne, heer van La Vallade, bevat enerzijds talrijke feitelijke gegevens, waaronder autobiografische, en anderzijds fictieve gegevens in een juiste historische context.
De literaire appreciatie van het boek heeft mij bekoord, zeker, maar mijn eerste motief was een ode te brengen aan La Vallade, waar ik op aarde de rust vond die in de hemel wordt beloofd, en aan Marcel en Christine Warlop die mij daar hebben onthaald.


2
Heen en terug van de Catalaanse Pyreneeën houden wij halt op La Vallade. (Hieronder vind je mijn reisverslag.) Het landgoed blaakt in de zon. De paarden grazen op de omringende weiden en hebben bijzonder veel last van vliegen. In het “huis van Caroline” (zie Arsène du Frêne, heer van La Vallade) wonen nieuwe mensen. Ze blijven echter de hele tijd onzichtbaar. Op het goed zelf is er niets veranderd, of toch: er is gemaaid en gekuist voor en achter het huis.

Zoals je hierboven kon lezen en in mijn Creuse Trilogie, laat ik in La Vallade altijd mijn verbeelding de vrije loop en voel ik mij daar “de koning te rijk” of beter “een authentieke Tempelier, een echte broeder van de Priorij van Sion”.

Omdat er mij niets veranderd lijkt, zoek ik “in het duister” (d.w.z. zonder plan of richting) naar sporen uit de tijd van toen. En ja, ik vind er en niet de minste! Tijdens opgravingen (in een verschroeiende hitte) vind ik beelden, expressieve koppen van mensen en dieren. Ik toon ze hieronder, met enige uitleg (die ik met gissen en missen heb bedacht).

De uil was ook in de tijd van de Tempeliers een symbool van wijsheid. De kunstenaar zal hier ook wel andere betekenissen uitbeelden, zoals “kijken als een uil in doodsnood”, of “een uil kan wel eens bij dag zien”.

Deze nieuwe ontdekkingen verwekken niet eens een eureka-effect: boer Warlop heeft reeds dergelijke beelden laten inmetselen. Deze nieuwe vondsten bevestigen echter het vermoeden van leven op de plaats waar nu het goed La Vallade staat. Die beelden zijn niet in de tuin gegroeid van de Dufrenes.

Ook koppen van mensen werden op La Vallade (in de tijd van de Tempeliers) uitgekerfd. De uitgekerfde holten suggereerden telkens een implosie van emoties, zoals verwondering, (vrouwelijke) sensualiteit, ingetogenheid.

Vooral de staande figuur die boer Warlop heeft geplaatst bij de waterput, intrigeert mij. Het lijkt mij een man van stand, bekleed met macht en gezag, op zijn hoofd draagt hij een kroon of toch een koninklijke hoed, hij heeft een baard en is mooi gekleed. De vorm van het beeld lijkt op een minisarcofaag of een gemummificeerde persoon (van het mannelijke geslacht). Zou het beeldje een remake zijn, een relict, een ex-voto van Arsène du Frêne? Nader onderzoek is hier gewenst!

Ik heb deze beeldjes, namens de Grootmeester en in overleg met Marcel Warlop, geconfisqueerd.


3
Voltaire zou hebben gezegd: “Geen betere vriend dan het boek!” Deze waarheid (dit citaat) heeft niets van haar (zijn) actualiteit verloren. Ik voeg er echter snel bij: “Niet alle boeken komen hiervoor in aanmerking!” De consumptiemaatschappij heeft haar sporen “gedrukt” en de technologische voortgang slaat zelfs kloven tussen kennis en onwetendheid. Het boek is vandaag verworden (verwoord) tot een druksel van een bedenkelijke en oppervlakkige inhoud. Gedurende de voorbije eeuwen was het boek meestal (bijna altijd) de reflectie van voorafgaand studiewerk met als (goed) doel de mensen te ontvoogden, op te voeden, te doen nadenken. Dat waren referentieboeken, historisch en literair van hoge kwaliteit.
Vandaag is het merendeel van de boeken bullshit, of afgeschreven, of slecht vertaald, niet door de (vermeende) auteur geschreven, zodat het kwaliteitsboek of het boek van “verlichte” auteurs in de verdrukking komt (is geraakt).
Van de duizend(en) boeken (lees druksels) die ieder jaar verschijnen en die gretig worden geconsumeerd, zijn er weinig relevant, en waarom: uitgeverijen zijn louter nog geïnteresseerd in commerciële (d.w.z. financieel-renderende) uitgaven… intellectueel of niet, met referenties of niet, “baanbrekend”, “grensverleggend” of niet.
Uiteraard is het belangrijk dat de uitgever zorgt voor “sensatie”, “vuurwerk”, “BV-commercials”, maar toch mag hij zijn oorspronkelijke opdracht niet verdoezelen of uit het oog verliezen: de lezer “instrueren” en dit kan ook via literaire producten (waarmee ik bedoel dat ik niet alleen oog heb voor wetenschappelijk werk). Uitgevers die met om het even wat en om het even hoe de markt willen veroveren, doen hun eerbare voorgangers onrecht aan.

Voilà, dit is in korte woorden de bedenkingen van uitgever Christian Lacour-Ollé die ik ontmoette in Evole, een bergdorpje in de Catalaanse Pyreneeën. Ik kwam hem tegen tijdens mijn bezoek (ons bezoek: ik ben altijd met mijn vrouw samen!) aan het oude, Romaanse kerkje aldaar. O ja, daar sprak ik ook met kluizenaar Joseph Raaymakers uit Lommel, die reeds dertig jaar daar leeft (of liever kluizend zijn dagen doorspoelt). Straks meer.

Lacour, die een uitgeverij runt in Nîmes (Gard), Place des Carmes - 25 Boulevard Amiral Courbet, biedt weerwerk tegen deze verregaande verloedering en geeft herdrukken uit van boeken (boekjes) die een historische waarde hebben (zouden hebben). Hij heeft een netwerk opgezet om deze belangrijke teksten op te zoeken en te verdelen. Zo draagt hij bij tot het instandhouden van de voorbije cultuur, gebruiken en gewoonten.
Wat mij vooral interesseert, is zijn levende belangstelling voor gesloten genootschappen, zoals de Vrijmetselarij en de Orde van de Tempel. Hij deed mij twee boekjes cadeau: van een zekere Hérédon, Le Régulateur du maçon, en een tekst uit de geschiedenis van de Orde van de Tempel (waarin ik de weergave vond van het verweerschrift van de Orde tegen rebellerende broeders). Vooraan dit tweede boekje drukte Lacour een waarschuwing af: “Dit boek is de herdruk van een tekst die onvindbaar leek. De tekst dateert van 1837. Ik excuseer mij voor de soms moeilijke leesbaarheid, maar om eer te betonen aan de auteurs en de kwaliteit van hun werk niet te schaden, heb ik de herdruk in de originele lettertekens gelaten.”

En nu, aandacht voor kluizenaar Joseph Raaymakers. Een heerlijk man (slordig gekleed, zijn broek stond halfweg open en een vuil wit hemd sierde de opening) die verbazend goed zijn Nederlands met Limburgse tongval had weten te bewaren. Hij leidde ons rond in het kerkje (waar hij ooit herder was geweest, maar door de bisschop “tot kluizenaar werd benoemd” - weg gepromoveerd in gewone mensentaal). Ineens stelde hij mij de vraag of ik geloofde. “Ja, ik voel mij zalig in mijn eigen geloof,” antwoordde ik hem, “maar ik ben niet kerkelijk.” “Ik ook niet meer,” zei hij en hij ledigde het offerblok van de Heilige Antonius van Padua met de profetische woorden: “Ik maak het geld wel over.”

Twee (van de vele) ontmoetingen die ons verblijf in de Catalaanse Pyreneeën hebben gekleurd. Onze gastvrouw en gastheer van chambre d’hôte “Casa del Gat”, Aurélie en Jo, waren lieve mensen. Beiden gepokt en gemazeld in de V.U.B. kozen zij toch voor dit leven. Aurélie (half Frans, half Vlaming) is afkomstig van Menen (het grensstadje waar ik geboren ben), Jo komt uit Lommel. Zijn ouders waren op (werk)bezoek. Vader Rik is beeldend kunstenaar en moeder Ria is de zus van Lisette Pachen, een oud-collega van mijn vrouw en ik op de Middenschool van het Gemeenschapsonderwijs in Harelbeke. Ook de vader van Aurélie was van de partij, een verlegen, dromerige figuur, gek op Willem Vermandere. (Weet je dat Willem van Lauwe is? De andere kant van de brug Lauwe-Wevelgem, we hebben dezelfde leeftijd, met een paar dagen verschil, hij is een paar dagen ouder, onze ouders waren bevriend).

De moeder van Aurélie is verwant aan de familie Vandamme-Vandenbroucke uit Harelbeke. Uiteraard kwam de zelfmoord van Annie ter sprake (zij was een schoolvriendin en werd later ook jeugdvriendin van mijn vrouw).
Die “toevallige” ontmoetingen (in toeval geloof ik echter niet) hebben ons verblijf aldaar een meerwaarde gegeven. Zo zie je nog maar eens hoe klein de wereld is!

Thierry Deleu

Arsène du Frêne, heer van La Vallade, De Gebeten Hond, Harelbeke, 2004.
Prijs: 15 euro (over te schrijven op rekening 068-2119994-86 van de Gebeten Hond Harelbeke of te verkrijgen in de Stadsbibliotheek aldaar, Eilandstraat 2).
Te bestellen via e-mailadres
harelbeke@bibliotheek.be


9 mei 2007

THE SPELL van Alan Hollinghurst

The Spell van Alan Hollinghurst

De woestijn van Arizona in de buurt van Phoenix, één van de personages dat een obscure, vergane constructie van Frank Lloyd Wright bezoekt, wel aan zo’n verhaal kan ik niet weerstaan. De auteur Alan Hollinghurst, winnaar van de Booker prijs met A Line of Beauty, staat bekend als uitstekend auteur en homo. The Spell is ongetwijfeld een ‘gay novel’ maar vooral een hele wijze en bijzonder goed geschreven roman. Hollinghurst is een uitmuntend waarnemer van de natuur, plaats en ruimte, van architectuur en stemmingen van het weer en van gebouwen. Uiteraard ook van het menselijk karakter. Ik herkende in een buikgevoel veel van zijn opmerkingen over liefde, eenzaamheid, verdriet, verraad. Bovendien schitteren de kleine gebaren, blikken, attitudes die volgens een homovriend ontbraken in Broke Back Mountain, hier in al hun nuance en duidelijkheid. De culturele en seksuele homoscene is overtuigend geportretteerd, stomend, een beetje sordiede en geestig. Als je houdt van een mooie, goed gestructureerde, realistische roman over menselijke betrekkingen met de valkuilen en hoogten, lees dan The Spell, tenzij je homofoob bent natuurlijk. Het gaat om de magie van liefde en aantrekking, maar ook over de krachtige haken van drugs en luide House muziek. Als linguïst was ik gecharmeerd door het taalgebruik: scherp en spits, snel, vol allusies en suggestieve verwijzingen. Uiteraard heb ik een deel van de overduidelijke dubbelzinnigheden gemist. In ieder geval word je aangespoord The Spell te lezen en... je werd gewaarschuwd. Enkele citaten, eerst stukjes zin: beledigende verjaardagskaarten, ongeregelde vulgariteit, oude wereld duisternis of onverbiddelijke postmoderne glamour, het authentieke detail er bovenop scheppend, de Orchidee-achtigen (de jonge mooie homo jongens)...
- Robin voelde een hernieuwd bewustzijn dat hoort bij het tonen van een vertrouwde plek aan nieuwkomers... hij keek rond naar het afval van oude godsdiensten, houders van uitgewerkte magie
- Hij was de stemming van een nieuwe affaire vergeten, de dwingende mengeling van risico en verzekerdheid... Ik denk dat het met typen zo zit, het gaat niet zozeer om de look maar om de psychologie. Of je aangetrokken wordt tot gevers of nemers... Die onuitgesproken droefheid of onvermoede verlegenheid die de ene partner voor de andere verbergt... Hij kende de les al, hij kende de verweesde verbazing van de vaststelling van je onvermoede laatste neukpartij, je laatste gepassioneerde kus, je laatste taxirit hand in hand in de duisternis...
- Robin voelde de kleine schok van de eigenaar bij de overname door vreemden... het was dat verrassend moment waarop je vaststelt dat de fuif begonnen is en brandstof opgebruikt... De keuken vertoonde de sporen van de misplaatste properheid van gasten, alles net even verkeerd.
- Hij moest ergens iets vinden en hij had een beeld van licht en ruimte waarin hij zou leven, maar nergens waar hij was gaan kijken was er de goede circulatie... De rand van een kleine stad op het platteland om half elf ’s avonds met de achterlichten verdwijnend: dat was een definitie van eenzaamheid.

Annmarie Sauer