Eindredactie: Thierry Deleu
Redactie: Eddy Bonte, Hugo Brutin, Georges de Courmayeur, Francis Cromphout, Jenny Dejager, Peter Deleu, Marleen De Smet, Joris Dewolf, Fernand Florizoone, Guy van Hoof, Joris Iven, Paul van Leeuwenkamp, Monika Macken, Ruud Poppelaars, Hannie Rouweler, Inge de Schuyter, Inge Vancauwenberghe, Jan Van Loy, Dirk Vekemans

Stichtingsdatum: 1 februari 2007


"VERBA VOLANT, SCRIPTA MANENT!"

"Niet-gesubsidieerde auteurs" met soms "grote(ere) kwaliteiten" komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. De Overheid sluit deze auteurs systematisch uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgaven (uitgeven) bij een "grote" uitgeverij, als zodanig erkend.

31 maart 2007

Grote dichters

Georges de Courmayeur

Iedere poëzieliefhebber heeft een eigen mening, een persoonlijke smaak, voorkeuren. Ik toets ze aan mijn persoonlijke poëzieopvatting.

Karel Van de Woestijne, Jan G. Elburg (N) en Paul Snoek zijn mijn poëziegoden. Op een respectabele afstand komen Leonard Nolens, Willy Spillebeen, Roland Jooris, Luuk Gruwez, Peter Verhelst, Peter Holvoet-Hanssen, Philip Hoorne, Eric Spinoy en Lut de Block.

Dichters die mij als poëzielezer kunnen boeien zijn (alfabetisch): Thierry Deleu, Bernard Dewulf, Patricia Lasoen en Peter Theunynck. Een groot aantal dichters profileren zich onvoldoende. Omdat ze dit ook niet wensen (lees: roem en prestige zijn voor hen niet prioritair) of omdat zij niet (kunnen) publiceren bij gevestigde uitgeverijen. Dit laatste heeft grote nadelen: als dichter kom je niet in bij grote uitgeverijen gepubliceerde bloemlezingen, je krijgt heel wat minder aandacht in de media, je wordt minder gevraagd voor lezingen op scholen of in verenigingen. In één woord: je verwerft geen status.

In “De Geletterde mens” schrijft Thierry Deleu in het “Manifest” hoe hieraan kan worden verholpen. Ik plaats zijn oplossingen op een rijtje: een totaal pakket aan steun van de overheid (aankoop, distributie, subsidiëring). Steun die niet afhankelijk is van uitgevers en andere belangengroepen. Meer aandacht in de pers, op radio en TV. Subsidiëring van tijdschriften en e-magazines die debutanten en “verwaarloosde” dichters publicatiemogelijkheid bieden. Ook het internet moet worden uitgeprobeerd.

Wie kan een invloedrijke rol spelen bij de opwaardering van goede dichters die meer waardering verdienen? Ik denk aan Jeroen Overstijns van “De Standaard”, Marianne De Baere van “De Morgen, Harold Polis, bestuurder van het Vlaams Fonds voor Letteren, Emile Brugman, directeur van uitgeverij Atlas, Lut Raymaekers van uitgeverij Van Halewyck, Jozef Deleu van “Het Liegend Konijn” en Leo Peeraer van uitgeverij P.

Waarom geen steun verlenen aan plannen voor een “Grote Vlaamse Uitgeverij”, naar het model van “De Bezige Bij”? De overheid en het privé zouden geld kunnen stoppen in het initiatief, zodat ook debutanten en aankomende dichters en schrijvers aan hun trekken komen. Op deze wijze zou de broodnodige commercialisering tot een acceptabel minimum kunnen worden herleid. Bijna kreeg Weverbergh in 1986 dit initiatief op poten.

Soms heb ik de indruk dat “je boek uitgeven in Vlaanderen” een vieze onderneming is. Dat de publishing-on-demand uitgeverijen deze leemte willen invullen, heeft deze indruk (dit gevoelen) niet verminderd.

Grote uitgeverijen willen het liefst van hun literaire boeken af. Zeker van hun poëzie, omdat deze maar enkele procenten opbrengt. Pleit ik hier voor een staatsuitgeverij? Ja en neen. Een gemengde uitgevrij (overheid en privé) met naast goedverkopende auteurs ook "een opvang" van nieuwe en aankomende dichters, met aan het hoofd een doorgewinterde directeur, zoals b.v. Marianne De Baere of Geert Joris die nog durven te dromen en zich niet laten beïnvloeden door groot geldgewin.

Bovendien zijn literaire tijdschriften - dé mogelijkheid bij uitstek voor aankomende auteurs die vaak zelf aan het roer staan - aan het uitdoven. Een schrijver/dichter die nu iets interessants te melden heeft, doet dit nu via het internet.

Persoonlijk vind ik dat boekenbeurzen, boekenclubs en leesgroepen opvallend méér aandacht moeten besteden aan de school, de leerlingen en hun ouders. Gedichten lezen en leren appreciëren is een sociale opdracht van de samenleving.

De senioren in opmars!

O neen, ik ben niet jaloers, ik gun deze jonge auteurs hun (markt)succes, zij verdienen het, de generatie Dertigers die luisteren naar de voornamen Tom, Dimitri, Stefan, Yves, Annelies en David. Zij zorgden in hun eentje voor een literaire opstoot in Vlaanderen. Naegels, Verhulst, Brijs, Petry, Verbeke en Reybrouck zijn alomtegenwoordig in de media.

Waarin verschillen zij van de vorige generaties, zeg maar de veertigers en vijftigers? Simpel: in plaats van zich te herhalen, verrassen zij hun lezers iedere keer met iets totaal anders. Bovendien is hun maatschappelijke betrokkenheid niet gering. Hun boeken zijn geen gewone stijloefeningen of huis-, tuin- en keukenromans.

Schrijf ik nu dat Tom Lanoye, Herman Brusselmans, Peter Verhelst, Kristien Hemmerechts minder goede schrijvers zijn? Individueel wil ik geen vergelijking maken, maar de Dertigers zijn een sterk collectief.

Een de aankomende twintigers? Geen commentaar. Ik wacht even af, maar ik heb veel moois gelezen van Thomas Blondeau en Ruth Lasters.

Wordt het echter geen tijd om over een nieuwe generatie te spreken? De seniorenschrijvers! Zij vormen een volwaardig segment van de lezersmarkt, zeker weten. Ik denk hier aan de zestigers en zeventigers, aan Paul Koeck, Elisabeth Marain, Monika van Paemel, Walter van den Broeck, Thierry Deleu, Eric de Kuyper en Leo Pleysier.

De twintigers zijn bij deze gewaarschuwd dat hun pad niet over rozen zal lopen.

Georges de Courmayeur

30 maart 2007

Thierry Deleu - Oostduinkerkse gedichten

DIT IS MIJN LAND

Het land staat in lege halmen rietgras
te kleumen aan de waterkant.
Het is najaar en weer wachten wij.
De wind krimpt. Achter de kim in een

buil van licht schuilt hoog zwanger een
zachte regen. Ineens voluit
als een open mond verbazing
stort het licht in weidse akkers neer.

Lui ligt de zon op haar rug, te
stoeien op het watervlak. Even
maar beroer ik haar met mijn pink.
Dit is mijn land mijn vrij asiel.


SOMS

Soms als de zon in de middag is
en ‘t Blote ligt te apegapen,
- mussen vallen van de hooiberg -,
waad ik door riet en waterwied.

De aarde voelt als een jong gezin.
En de wind heeft blond haar en dijen
zachter dan water vol eendekroos.
De kikkers voelen hun onrust zwellen

en zwijgen in alle talen.
In hun ogen trilt het dierenrijk.
Bij de kortwoner aan de overkant
krult het vuur zich dubbel van lachen.


IN DIT LANDSCHAP

Tot de knieën in het water
de kraag rechtop het rietland
laat plots al zijn vogels los.
De wind fluit de bomen uit en

proeft het mos van schors en varen.
In dit landschap met regenmond
ligt achter halmen van gras
de zon met weitas en geweer.

Tussen haar lippen gekruist hangt
een vlinder in een spinnenweb.
Boven het water even talmt
een vogel waar een vis opstuift.


WEPELE MEEUW

Ik leg mijn oor in het zand en hoor
de zee zo-even aanstoot gevend.
De wind ontwaakt en gaat liggen
onachtzaam op zijn andere zij.

Met ringen van wier om de enkels,
zij voert de zee aan in mijn hemd,
in haar hand een wepele meeuw.
Zacht sluit haar mond mijn woorden af.

Ik proef het zout op haar lippen,
voel de storm groeien in mijn buik.
Heerlijk de liefde bedrijvend
als de zee aan haar lichaam kleeft.


DIT FYSIEKE LAND

In de wolken lopen
op het water wandelen
van de aarde tuimelen
het is mij om het even

als ik maar even naast jou
tien stappen lopen kan
in dit fysieke land dat
naar verse regen ruikt

waar hazen je overhoop
rennen vogels er voor de
hand liggen handgeklap
van duiven geëxciteerd

door ons ongemeld bezoek
en jou een zoen geven
op je huid van zijde die
ik nooit verknippen zal.


IN HET DUIN

Met de veroveraarsblik van
een kind op zijn hobbelpaard
maak ik jacht op de vlinder
tussen haar lippen gespeet

zijn vleugels beven als riet
als ik haar traag bevinger
stil en van goeden huize
verzwijg ik wat niet eerbaar is.

In het duin proeven wij na
van knappend brood kaas en wijn
als verfijnde dieren hebben
wij ons uit het zicht gelegd.


EEN ZOMER IN DE MOEREN

Een zomer in de Moeren
aan de bocht van Cabourg
tussen broek en schote
land van koolzaad en rapen

zij vlijt zich neer prooi
lenig dier dat half opgericht
mij zoent in tegenlicht
onder navel en lenden.

Ik verstijf tot pagode
op deze binnenduin
stokebrand geuzenstorm
Seinemolen zonder wieken.

Als zij openwaait delta
van genot moeras onderkomen
voel ik het koolwitje
beven in haar heup.


VINKEM OP DE SCHREVE

Ik heb op zijn Frans gemind
in dit koninklijk bordeel
Vinkem op de Schreve.
Sedert is zij in al mijn

zinnen vrouwe Camelot
teugel van mijn Pegasus.
Haar huid zit om de perzik
in mijn hand het parfum

van haar lichaam hangt in
de lucht die ik adem.
In de wiekslag van een meeuw
hoor ik haar schaterlach.

Zij is mijn evangelium
geen vrucht smelt in mijn mond
of ik denk aan haar.
Vinkem op de Schreve.


SINT-FLORA

Wij snuffelen de berm op
in de wei liggen schapen
uit de hemel gevallen
meteorieten een reiger

komt aan de einder neer.
Zij ruikt naar pas gemaaid gras
haar lippen beginnende dauw
dauwdraden waaraan vlinders

zinderen. Ik voel hun vleugels
trillen als zij kreunend
openbarst haar schoot mijn
bloeiende dood. De aarde

duizelt als wij huistoe
schrijden een paard met kar
schudt als een natte poedel
de geluiden van zich af.


DE REIGER ZWEEFT

In dit verzopen land
ogenver van mensen
op een grasspriet van het
water in dit landschap

dat geen landschap is
liggen wij een vogel
dichterbij op hoge poten
loopt zich krom

klimt stijgt tegenzon
hapt naar wind hinkstapsprong
op zijn kruin draden van
zilver kousjes van grijs

in ontstellend geel
de reiger zweeft zij beeft
als zij haar lippen
om mijn voorhuid legt.


ALS IK AAN LAND GA

In gespreide slagorde
voert zij haar oorlog
eeuwig zwanger zijn
van haar grote koning

zij lacht als op een party
haar buik de zee die ik
bevaar onder piratenvlag.
Als ik aan land ga

in haar hoogrankende delta
staat mijn schip op het spel
de meeuwen slaan
aan 't muiten.


DE DEE

“De dee,” zegt ze tegen de zee,
waarom niet? ’t Is maar een woord,
wat mij vooral bekoort is de
tinteling in haar ogen,

zij glundert bij de “dee” en opa
straalt: de zee hun bondgenoot,
wie ooit had dat gedacht? Wie?
Zie, bij “De Verbeelding” geeft zij haar

fantasie de vrije loop, moeizaam
stappend in het zand, op weg
naar strand en Engeland,
natte handjes vragen hulp,

de zee zoveel water ineens,
komen en gaan, heen en terug,
super cool keitof dolfijn:
trendy woordjes die zij aanvoelt,

pas later begrijpt, de eerste
wijze les in haar prille
leven even een vragende
blik nauwelijks verwondering.


OP MIJN DUIN

De zee loopt loops de duinen in
die ontdaan wijken het helmgras
richt zich op - van op mijn duin
op de grens van zand en zegge

kijk ik toe hoe het water zich
hals over kop terugtrekt
tot een nieuwe golf zich aandient
voor de strijd - de zon kijkt olijk

en met babyface naar het spel
van eb en vloed een auto komt
de dagjesmens geen oog voor
detail loopt luidruchtig voorbij.

Thierry Deleu

29 maart 2007

Het waar gebeurde verhaal van een treinreis

Thierry Deleu

Dit is het verhaal van een treinreis. Een verhaal, waarin werkelijkheid en fictie zijn vermengd, met als enige bedoeling jou te doen nadenken over wat ik heb mogen beleven. Een ontmoeting met mensen en dingen uit een niet zo ver en nabij verleden.
Het verdichten van namen van mensen en plaatsen is niet altijd even goed gelukt. In het vermommen ben ik geen expert, wel in het ontmaskeren. Het laatste is ook zoveel onthullender.
Je mag er van uitgaan dat er een diepgevoeld mededogen uit dit verhaal spreekt. Wanneer ik met zoiets als mededogen aan de slag ga, komt er onvermijdelijk ironie bij kijken. Ik wil jou toch eraan herinneren dat “als de vos de passie preekt, boer pas op je ganzen”: een liefdes­verklaring is het niet.

Ik stap in Brussel-Centraal op de trein naar Gent-Knokke-Blankenberge. In Gent-Sint-Pieter stap ik over in de trein naar Kortrijk waar Jules Tahon mij opwacht. Ik heb een afspraak met deze oude vriend in het buffet van het station. Een plaats die ik vaker kies voor een rendez-vous. Jules is een raadselachtige man, een gesple­ten persoonlijkheid, een half mens - onder een noemer die hem volledig recht zou kunnen doen, kan ik hem niet plaat­sen. Er is niets zichtbaars of tastbaars aan hem dat niet deugt, en een man met een dubbele bodem - in de perfide zin van het woord - kan ik hem al evenmin noemen. En toch “klopt er iets niet”. De gevoelens die hij uit zijn - zonder dat ik van berekening kan spreken - echt en te­gelij­kertijd niet echt.
Dit kan toch niet, zul je zeggen. Neen, inderdaad, het kan niet, maar het is wel zo. Deze dubbelzinnigheid in zijn per­soon - ik gebruik met opzet het woord dubbelhartigheid niet, omdat dit een berekende sluwheid suggereert, die ik hem niet kan aanwrijven -, weerspiegelt zich, ongewild maar causaal, in mijn gevoelens tegenover hem: ik ben op zijn gezelschap gesteld, en vind hem een aardige man, maar toch koester ik tegenover hem enige reserve.
Na enkele jaren ben ik gaan inzien dat hij zich, met al zijn humor, nooit in zijn leven een eigen smaak of een eigen oor­deel veroorloofde. Hij richtte zich naar de omstan­dighe­den om daar voordeel van te hebben. Hij is niet de enige maçon die goed in de gaten heeft waar­vandaan de wind waait. Ik ken broeders die zelfs met de duivel bevriend willen blijven.

Deze gedachten komen door mijn geest terwijl ik spoor van Brussel naar Gent.
Hoewel Jules Tahon zijn niet-schoolse ambities niet onder stoe­len of banken steekt, vat hij zijn onderwijsop­dracht ernstig op. Hij is een goede directeur, met een onuitputtelijk geduld en met een overge­voeligheid voor situaties waarin iemand vertrapt en vernederd wordt.
Hij is uitzonderlijk be­zorgd, bang om iemand te kwet­sen, hem ver­driet te doen of in zijn waarde aan te tasten. Ik heb Jules nooit iets laat­dunkends over iemand horen zeggen. Hij zou het liefst hebben, dat iedereen op hem gesteld is, want hij heeft een patholo­gische behoefte aan graag gezien zijn.

In Gent-Sint-Pieter stapt Maurice Vandedriehofsteden de trein naar Kortrijk op, een klein, gedre­ven baasje dat ik twee decennia gele­den heb leren kennen in poli­tieke cafés in de omgeving van de Kortrijkse Veemarkt. Maurice heeft mij, met zijn pientere oogjes, direct in de gaten en komt recht­over mij zitten. Drie woorden, juist geteld, heeft hij nodig vooraleer hij zijn stokpaardje bestijgt en mij zijn visie op de geschiedenis ten beste geeft, een geforceerde vereenvoudiging van de geschiede­nis.
Hij is een vurige verdediger van het atheïsme. En ik moet het toegeven: het atheïsme is even aantrekkelijk als het kerkelijk geloof, omdat zij beide letterlijk alles moeiteloos weten te ver­klaren. Onoplosba­re problemen worden opgelost door het bestaan ervan te ontkennen. Met nieuwe moed span ik mij in om Maurice hiervan te overtui­gen. Stuit het atheïsme op zijn extreme tegenhanger, de godsdienst, dan behan­delt het die als het pro­duct van de traag­heid of ach­terlijk­heid van de mense­lijke intelli­gentie.
Ik zeg Maurice dat dit een foute diagnose is, een door­zichtig smoesje van de “stupid atheist” om zijn grote gelijk te bewijzen. Het fenomeen van de godsdienst is een spontane uiting van de menselijke geest.
Het is vergeefse moeite. Maurice heeft daar geen boodschap aan. Hij kijkt door het raam, met een blik van meewarigheid voor de gezel rechtover hem die na zovele jaren van omzwervingen nog niets heeft geleerd.
Maurice werd jaren geleden door de Loge geweigerd, hoewel ik op mijn reizen naar andere werkplaatsen veel simpele duiven heb ontmoet, maar hun gekoer vond ik best gezellig.

De trein houdt halt in Kortrijk, eindstati­on, ik schud hem de hand en loop het buffet van het station binnen waar Jules Tahon mij zou op­wachten.
Dat dacht ik toch, maar hij was er niet. Ik be­stel mij een pils en denk aan Isis wanneer een bloedmooie maagd mij een “witteke” brengt. Het verhaal van Isis werd mij verteld door dichter-leraar Hans Specht op de staatsschool in de provinciestad Darlingen.
Toen besefte ik nog niet dat miljoenen mensen Haar nog altijd vereren, zij het dat Zij een andere naam draagt, zoals Koningin van de Hemel, of Moeder der Verdrukten, of Mijn Lief, Mijn Lieve Vrouw, en dat het mannelijk reptiel Haar nog altijd gehoorzaamt.

Ik ontmoette Hans Specht nog éénmaal, vermoedelijk in het jaar 1980. Hij was, zoals ik, uitgenodigd op de officiële opening van een boekenbeurs. Een rijkelijk narcistische bedoening die eindigde met een zeer copieus koud avondbuffet dat door de uitgeverijen aan de schrijvers werd aangeboden. De meeste gasten morsten met eten en drank en duwden hun sigaret uit in volle borden. Kunstenaars zijn meestal tafelschuimers, klaplopers, parasieten­. Sommi­gen worden als artiest geboren, anderen leren voor kunste­naar, onder het motto: “Oefenen baart kunst!” Het zijn de geoefenden die die zelfgenoegzaamheid aankweken. Pseudo-artiesten zijn zelfingenomen artiesten met een pseudoniem.
Schroom, daar is mijn leven altijd van vervuld geweest. Ik voel schroom als ik zeg dat ik tot het instituut Kerk heb behoord, ik ben beschroomd als ik je fluister dat ik de maangodin Isis ver­eer, met schroom verklap ik jou dat ik geen atheïst ben.

Ik kan mij niet meer exact herinneren, wanneer mijn belang­stelling voor de Vrijmetselarij is ont­staan. Ik schat dat dit dateert van een jaar of veertig geleden. Wat ik mij wel met zeker­heid herinner, is het tijd­stip waarop ik voor het eerst in alle ernst over­woog van dit merkwaar­dige instituut deel te gaan uitmaken. Het gebeurde, toen ik Rogier Vangermanen voor het eerst hierover aansprak. Het moet een vrijdagnamiddag geweest zijn, einde oktober. Ik had in de stad Darlingen een lezing gehou­den in l'Athénée Royale. De lezing was “een succes” geweest, en ik had mij “moe maar voldaan” moeten voelen. Moe, dat was ik, maar van “vo­ldaan” was geen sprake. Ik voelde mij al enige tijd van God en ieder­een verlaten.
Rogier Vangermanen was een collega op school en maakte er geen geheim van dat hij lid was van de geheime loge. Hij boezemde mij ver­trouwen in en pakte niet agressief uit met verwensingen en goedkope roddel over de Kerk en de pastoors.

Ik kijk even onderzoekend door de glazen deur van het buffet, of Jules nog niet aankomt. Het is niet zijn gewoonte om zo laat op de afspraak te komen. Zou hem iets overkomen zijn? Een accident? Is hij ziek? Hij had sedert een paar weken niets meer van zich laten horen. Geen nieuws is goed nieuws, denk je dan.

Rogier Vangermanen was geen roddelaar. Ik heb andere broeders gekend die prietpraat verkoch­ten over de katholieken die zij kneuzen noemden, een bende onbe­kwamen die niet in staat waren tot orde­lijk den­ken, gespeend van iedere smaak en zelfstandig oordeel. Als dit waar zou zijn, dan zou ongeveer een kwart, of zelfs een derde deel van het mensdom, zwakzinnig moeten zijn. Ik ben te oud en te wijs geworden om mij er zo gemak­ke­lijk van af te maken. En toch, een leer die zo verkitscht en infantiel op de Bühne wordt gebracht, moet dan wel inhoudelijk iets ver­kondigen van grote kracht en evidente geloofwaar­digheid.

Op mijn reis naar verschillende werkplaatsen heb ik hierop een antwoord gezocht. Ik moet er eerlijkheidshalve aan toevoegen dat ik in die tijd evenveel kerken of kloosters bezocht. Ik liep eerst de toegang tot de kerk een paar maal voorbij, mij er van vergewissend of er niemand in de buurt was die ik kende. In bijna elke kerk die ik betrad, - meestal op reis, in elk geval ver uit de buurt -, schuifelden, fluisterden of baden rond­om mij hooguit een vijftal mensen.

Een priester was bezig bij een ouwelkast, - dit is een kastje waarin hosties worden bewaard -, hij droeg iets weg naar een of ander alkoof, kwam terug en leek iets op een leze­naar te ordenen. Het was een oude man, niet zo beminne­lijk, maar ook niet gemeen: het gewone type van een pastoor. Ineens had ik hem herkend: Gilbert Cuerne, de leraar gods­dienst op mijn eerste school. Ik was inmiddels dicht bij hem gekomen. Hij stond met zijn rug voor mij, terwijl hij een pak bladen in een rek uitvlooi­de. Ik kwam vlak naast hem te staan. “Neemt u mij niet kwa­lijk,” wilde ik beginnen te zeggen. Mijn mond bewoog voor het eerste woord, maar in plaats van een woord liet ik, geheel onverwacht en volstrekt ongewild, een krachtige wind. Het gaf, in die galmrijke ruimte, een effect alsof iemand een proppenschieter had afgevuurd. De man Gods schrok op en keek om. Er bleef mij niets anders over dan zo beheerst maar zo snel mogelijk weg te benen.
Gilbert was pastoor geworden in Sint-Margriet waar ik vaker met mijn moeder ging dienen tegen de krampen. Ik heb daar in mijn kinderjaren veel last van gehad. De krampen zijn wegge­bleven of toch bijna, enkel wanneer ik vermoeide benen heb, durven zij nog 'ns de kop opsteken. Mijn vrouw spoedt zich dan naar de badkamer om een handje ijskoud water.
Gilbert is ondertussen overleden. Er werd mij geen rouwbe­richt gestuurd. Hij zocht mijn vriendschap en nodigde mij af en toe bij hem thuis uit voor een babbel en een glas van de beste wijn. Toch heb ik hem veel geplaagd en ge­pest. Hij is van school gevlucht. Ik ben daar niet trots op. Het had anders gekund.

Tijdens mijn bezoeken aan kerken hield ik de weinige mensen nauwlettend in het oog. Ik moet eerlijk toegeven dat de kwali­ficatie “naïef, dom, sentimenteel, betoverd” niet opgaan: het zijn mensen die zichtbaar niet van andere mensen verschillen. Misschien zijn hun maatschappelijke staat en welvaart iets beneden het gemiddelde van de be­volking. Bovendien kwam het mij voor dat er zich onder hen geen zenuwpezen bevonden: een zekere sereniteit kon je zo van hun gezicht aflezen.
Het rooms-katholieke geloof en de Vrijmetselarij hebben trou­wens zaken gemeen. Beide filosofieën (of zijn het leerstellingen?) kun je niet in een handomdraai samenvatten. Ze zijn beide gehuld in woordenwarme paradoxen en symbolische verhalen. Het lijkt wel of beide te kwets­baar zijn om aan de open lucht en het volle dag­licht te mogen worden blootgesteld. Ik wil niet zeggen dat het geloof echt geheim wordt gehouden, maar waar de katholieken en Jehova's Getuigen in het openbaar mee rondventen, zijn gewoon goedkope, sentimentele bijbelverhaaltjes, “gewijde geschiedenis” genoemd, die wel op de leer gebaseerd is, maar waaruit die leer slechts moei­zaam te voorschijn komt.
En het maçonnieke verhaal? Een retorische vraag. Ik hoef niet te antwoorden. Wat is de kern van het maçonnieke verhaal? Ik weet dat jij het antwoord kent. Ken jij ook mijn antwoord? Ik heb veel boeken gelezen. Ik ben naar veel dingen nieuwsgie­rig geweest, maar altijd met mijn hoofd bij de gevoelens. Dit klinkt verward. Ik zal het je proberen uit te leggen.

Als een botanicus door een wei wandelt, kiest hij de bloemen heel doordacht, hij weet welke bloem hem interesseert en welke hem helemaal niet interesseert; hij neemt beslissingen, verwerpt, legt verbanden. Maar als een toerist door de wei loopt, worden de bloemen op een heel andere manier gekozen, een eerste bloem kiest hij omdat zij geel is, een tweede omdat zij blauw is, een derde omdat zij lekker ruikt, een vierde omdat zij precies aan de rand van het pad staat.
Ik geloof dat mijn eigenste relatie met kennis en wetenschap is zoals die toerist in de wei. Ik kan niet dialec­tisch rede­ne­ren.

Jules daagt maar niet op. Ik nip even aan mijn biertje en denk verder na.
Mag een vrijmetselaar nieuwe ideeën verkondigen? Of moet hij slogans aaneenrijgen in plaats van eigen woor­den te gebruiken? Mag een broeder arrogant zijn omdat hij bij een groep hoort die de­zelfde zekerheden deelt? Of zijn het dezelfde twij­fels? Of moeten het de­zelfde nihilis­men zijn?

Ben ik een “goede maçon”? Wie weet het? De happy few? Zij die een hoge leeftijd hebben bereikt? Onze senioren, zeg maar de broeders in de hoogste graden die zich in de zevende hemel wanen? De uitver­kore­nen van de Opperbouwmeester?
Ook in de werkplaatsen van de logebroeders verschuilen zich moraalridders, zelfs specimen met inquisitietrekjes. In een werkplaats in een Zuid-West-Vlaamse provinciestad zwaaide enkele tijd geleden een broeder de plak die hevig met het begrip “fatsoen” schermde. Een Jood van Zwitserse origine die via de Metropool in deze stad was verzeild. In zijn fatsoensdrift weerde hij elke politicus onder het motto, je wel bekend: “Ze zijn allen met hetzelfde sop over­go­ten, 't is vuile vis en vuile boter.” Geen enkele politi­cus is zuiver op de graat. Zuiver­heid was voor deze broeder een voorwaarde sine qua non tot lidmaat­schap. Onze broeder-Jood stelde steeds dezelfde vragen: “Heeft deze kandidaat zuivere bedoelingen? Leidt deze kandidaat een zuiver leven? Biecht deze kandidaat zuiver op?” De broeder voerde een kruistocht tegen de dames en heren politici, in deze volgorde. Hij wilde de werkplaat­sen - en zeker zijn eigen nest - zuiveren van onbetrouwbare elemen­ten. Hij stelde voor de eed van zuiverheid af te nemen van een kandidaat, maar hierin werd hij niet gevolgd.
Mijn vriend Thijs Glorieux is ei zo na het slachtoffer geweest van deze broeder Groot Inquisiteur. Gelukkig kon ik hem bij de offerande in de grootste verwarring doen verdwijnen. En zoals het wel meer gebeurt, is zijn ongeluk zijn geluk geweest. Een filosoof zal Thijs nooit worden. Ook zijn dromen zijn geprogrammeerd. In zijn werkplaats ontbolstert hij met de week een beetje meer. Hij is zo'n trouw bezoeker dat je niet kunt zeggen: “Thijs verwijlt” of “hij vertoeft”, neen, “Thijs verblijft in zijn werkplaats.” Hij opent en hij sluit. Precies wat een voorzittende meester moet doen.

In het wijde deurgat verschijnt Jules Tahon, een dik uur te laat. Ik was aan mijn derde witteke en Iris van het buffet lachte mij steeds vriendelijker toe, ze begon mij als een trouwe klant te beschouwen, een habitué. Jules is mijn beste vriend, hij draagt een bril, heeft een korte ruige baard, fijn gekruld grijzend haar naar achte­ren gekamd. Hij loopt als een haan die voortdurend zijn ren wil in­spec­te­ren. Sommigen beweren dat wij op elkaar gelij­ken, fysiek. Jules Tahon en Dirk Vanleeuwen.
“Dag,” zegt hij, “ik kan er niets aan doen, echt waar, mijn zoon had mij dringend nodig en de bank was dicht en de geld­automaat deed het niet, en...” Ik glimlach. Ik kan hem veel vergeven. Nooit vergeet ik die laatste vakan­tie­dag toen hij mij, een heel end over de plek waar Jeanne D'Arc op de brand­stapel stierf, kwam halen na een nachte­lijk auto-­ac­cident. Hij was de enige die onmiddellijk bereid was om dit te doen. Ik zou gereageerd hebben zoals de drie andere broe­ders die ik had opgebeld: een excuus zoeken. Jules is voorzittende meester geweest van een groepje, “angry old men”, smalend spreekt de moederloge van haar “verloren zoon” als over een “zwart schaap”.

We rijden van het station in de richting van een klein boeren­dorp dat in 1976 met Liederickstad fu­sioneerde. Hulzenbos, maar 't kan ook het dorp van de Bavik zijn. Het gerucht loopt dat Tahon daar een liefje heeft. Jules vraagt mij of ik bij hem een bouwstuk wil komen geven. Ik krijg carte blanche, ik mag alleen niet stout zijn, ik moet mij gedragen. Mijn vermo­gen om mensen en dingen te relativeren is zo ont­wik­keld dat ik ongewild mensen durf te kwetsen. Eén leven van maatschappelijk engagement is genoeg geweest, - ik heb mij van de sociale prostitutie afgewend -, nu wil ik een ander leven leiden.

Een paar weken later.
Kort vóór ik naar de werkplaats van Tahon vertrek om mijn verhaal te doen, drink ik twee glazen Das van Hoegaarden. Een Das op zijn tijd houdt de mot uit de maag. Op weg naar die godverlaten plek tussen Kwaremont en de Mu­ziekbos moet ik dicht bij het naambord van een lokale glaze­nier dringend stoppen om een plasje te maken. Misschien vind je dit niet gepast, maar dit is mijn laatste dada: ik ben getiktakt om te plassen in de natuur.
Maar wat mij laatst overkwam, grenst aan het ongelofelijke.
T­erwijl ik in de gracht aan de wegkant een plasje sta te doen, voor een alleenstaande woning, met en smeedijzeren voordeur waarin een pauw pronkt, klopt ineens iemand op mijn schou­der. Ik dacht bij een eerste reactie: “Ik heb prijs. Zedenver­wildering, exhibitionisme!” Ik steek mijn antiek wapen weg, trek de rits omhoog en draai mij om. Weet je in wiens gezicht ik keek? Recht in zijn ogen? In de ogen van Cyriel Vantielt. Wij hebben samen college gelopen in Kortrijk. We zijn beiden intern geweest. “Vrienden voor het leven” die elkaar sinds veertig jaar niet meer hadden gezien. Ruim veertig jaar later herken­den wij elkaar alsof het van gisteren was. Ik ga met hem naar binnen en hij stelt mij zijn dochter voor die net op bezoek is. Zijn vrouw was van hem weg met de onderpastoor, nu zeven jaar geleden. .
Ik ben niet gehaast. Pas in de vooravond word ik in de werkplaats verwacht. Het is nu halfdrie in de namid­dag.

Het heilige internaat. Soms hielden wij een spookavond. 's Avonds laat werd de centrale elektriciteitshendel naar beneden geduwd. Het hele gebouw kwam in het volle duister. Met enkele jongens liepen wij ruisend door de gangen, in witte lakens verpakt, giechelend als gie­chelmeiden, en toch een beetje bang. De surveillant speelde mee. Naderhand liep het gerucht dat hij de katjes in het donker kneep.
De belangrijkste regel aan tafel was altijd: aandacht hebben voor elkaar. Wie water voor zichzelf inschonk, vulde ook de glazen van de anderen. Nu is dit verleden tijd. Ik zie met lede ogen hoe de jonge mensen op hun dienblad hun vrachtje opla­den, elk zijn melkje, zijn sneetje kaas, zijn jampotje, zijn kopje koffie. Niemand schenkt nog voor de anderen in. Zelfbedie­ning is de nieuwe formule.
We kregen soms slecht eten, en aan tafel voelden wij wel hoe fundamenteel onvrij wij waren. De surveillant kwam over je schouder meekijken in je bord, spoorde je aan om alles op te eten. Ook als je lichaam het niet wilde, als je geen honger had. Je moest eten om twaalf uur én om vier uur én om zeven. We schoven bij aan tafels van tien. Van elk jaar zat er iemand aan de tafel, een jongen uit de hoogste klas moest erop toe­zien dat alles keurig verliep. Hij moest op de kleintjes letten, controleren of ze “fatsoenlijk” aten en van alles proefden. Je kon de tafelchefs gemakkelijk herkennen: het waren de diksten van de school. Als er te veel vlees overbleef, was het de chef die de restjes opat. Anders kreeg hij een uitbrander van de bewaker, omdat er te weinig gegeten werd aan zijn tafel.
De internaten van toen waren gevangenissen. Een intern was een jongen met een grens: de poort. Als je voor de poort stond, stond je eigenlijk al op en over de grens. Meteen kwam de surveillant je vragen: “Wat sta je daar te doen? Snel terug op de speelplaats.” Zelfs een blik op de buitenwereld werd je ontzegd.

Cyriel kijkt mij indringend aan, legt zijn hand op mijn rech­terhand en zegt: “Wij wisten toen nog wat oprechte vriend­schap betekende”. Ja, we moesten wel hechte banden smeden, want je was altijd samen. Op school, na school, je stond samen te lummelen tussen de maaltijden door, studeerde samen, zocht ’s avonds elkander op in de kamer. Dat laatste mocht eigenlijk niet: onze hoeders wisten dat dergelijke afspraakjes ontaardden in “vuile spelle­tjes”. “Pietje-pluk” zo noemden wij deze hoogst deugdzame bezigheid. Maar het mocht niet, van masturberen werd je doof en blind en ziek. “Hoe deed je dat, jongen? Toon mij eens hoe je precies te werk ging. Ach zo? Kom eens naar mijn kamer vanavond.”
Ach, van die bevoogding, van die geheimdoenerij houd je altijd wel iets over, je beweegt je graag tussen licht en duisternis, je leert link te wezen, gluiperig, collegegevormde knapen herken je aan hun jezuïetenstreken.

Onlangs liep ik in Brussel Ward Van Eyck tegen het lijf. Het gebeurt niet meer zo vaak, jammer: hij werd sedert kort binnengehaald als redder-in-nood in een overheidsbedrijf dat onderwijs verstrekt. Ik herinner mij nog levendig dat hij mij kort na de dood van Diana zei: “Zij was een geraffineerde vrouw: ze wist mannen tot waanzin te drijven door tegelijk de maagd van Orléans en moeder Teresa te spelen.” Zo'n kernachtige uitspraken maken Van Eyck tot een legen­de. We dronken een Blue Volcan koffietje in een befaamde kof­fiebar in het hartje van de hoofdstad.
Ward is mijn préféré als het op bazelen aankomt. Beiden zijn wij berucht om onze woordenkramerij. We bezondigen ons met graagte aan kool verko­pen.
Hij heeft gehoord dat ik een bouwstuk kom geven in het Maarkedaalse koekoeksnest en informeert naar de inhoud.
“Heb je De Celestijnse Belofte van James Redfield gelezen?” vraagt hij, en zonder mijn antwoord af te wachten, zegt hij: “Bullshit!” “Ben je nog altijd een adept van degelijke spirituele nonsens?” Een stoute, onverwachte vraag. Ward merkt mijn ontreddering en met een schouderklopje laat hij mij uit het strafhoekje komen. “Neem nu die bedevaarders die in Gullegem werden aangereden,” zegt hij. “Gods wegen zijn ondoorgrondelijk,” zeg ik. Ik weet dat dit antwoord niet voldoet. Zo geef je toe dat je geen verklaring hebt. Ward weet dat ik vlucht in een boutade. “Hoe verklaar je dit voorval als je in een Goede God gelooft?” vraagt hij. “De mensen waren op bedevaart naar Dadizele, om gunsten af te smeken. Maar ze zien de dood in de ogen. Letterlijk. Sommigen sterven. Welke zin heeft bidden dan? Heeft God geen geweten?” Ik hoor mij antwoorden: “Indien je dit nuchter benadert, zeg je: dit is tragisch, maar zo'n ongeval gebeurt. Als je ‘s morgens vroeg of ‘s avonds laat in groep over de straat loopt, is de kans groot dat een dronken of een vermoeide chauffeur je aanrijdt dan op andere momenten.”
Zo'n rationele reflex overvalt mij zelden.
Ineens kruipt Ward in mijn huid, - bewust of voor het spel, ik weet het niet, - en stelt de vraag die ik hem had willen stellen: "Dus,” zegt hij, “zij die in God geloven zijn dom of op zijn minst onredelijk?” Ik vouw mijn handen samen, buig mijn hoofd lichtjes naar links en kijk met enige schroom naar hem op: “Ik zie dit anders, Ward, ik tel veel verstandige mensen onder mijn vrienden die toch in God geloven. Ze geloven omdat zij een soort van existentiële behoefte hebben aan een Godsfiguur. Ik respecteer hun geloof. Die vrienden zijn daarom niet dommer dan de anderen.”
Christenen beweren dat de Bijbel het woord Gods is. Dat is hun goed recht. Waarom sommige broeders deze Bijbel op het altaar vóór de Voorzittende Meester leggen, is mij een raadsel. Wel weet ik dat er in de Bijbel verschrikkelijk immorele dingen staan die God zelf bevolen heeft. Ook weet ik dat de inhoud werd gemanipuleerd, bijgesteld, gewijzigd, geschrapt.
Ward en ik kennen elkaar reeds twee decennia - twee eeuwen -. De plaats die ik hem in dit verhaal toemeet, staat niet in verhouding met zijn naam en faam.

Toen ik klein was, woonde een zuster van mijn vader, tante Alice, in dezelfde straat. Ze was “une veuve joyeuse”. Ze had een hartstocht voor spiritisme en als vader uit de buurt was, vertelde ze mij in de donkerste hoek­jes over de buitengewone krach­ten van de geest.
“Als je in contact wilt treden met een persoon die ver weg is,” zei ze mij, “moet je zijn foto tussen duim en wijsvinger klemmen en met je gedachten bij hem zijn, een kruis slaan en zijn naam driemaal luid en duidelijk uitspreken.”
Een maand nadat mijn vader was gestorven, heb ik het uitgepro­beerd. Ik kon hem waarnemen in de zetel pal voor mij, met zijn lichtblauwgrijze ­hoed op, zijn das met glimmende kop, zijn micabril voorovergezakt op zijn bezwete neus, het hoofd lichtjes achterover gebogen, met een stereotiepe glimlach op zijn dunne lippen. Trots, een beetje verwaand. Maar het beeld flitste voorbij zoals het op t.v. gebeurt, zodat ik geen tijd had om de uitdrukking van zijn ogen te zien.
Ik heb hem nadien niet meer opgeroepen. Ik was bang dat hij mij zou aanstaren en mij zou zeggen: “Je hebt mij veel te kort gedaan.”

Een paar weken voor ik trouwde, had mijn tante-waarzegster - de vriendin van de geesten - mijn horoscoop laten trekken door een bevriende astroloog. Op een dag stond ze voor mijn neus met een papier in haar hand en zei: “Kijk, dit is je toekomst.” Ik keek op een geometrische tekening met veel lijnen en hoeken. Ik herinner mij dat ik bij de eerste aanblik dacht: die tekening is niet erg harmonisch, veeleer een opeenvolging van sprongen, wendingen, nieuwe richtingen, keuzes. Achteraan had de astroloog geschreven: “U hebt een moeilijke weg te gaan, je zult alles wat in jou is, moeten inzetten om hem tot het einde toe af te lopen.”
In de jaren die volgden, namen verveling, vervlakking en oppervlakkigheid de overhand. De tijd ging voorbij, maar de mensen bewogen nauwelijks. Ook Cello Raepzaad, kunstschilder en vriend van toen, bracht weinig beweging in mijn leven. Ik had de indruk te fossiliseren. Ward Van Eyck orakelde hierover. “Het water blijft er pruttelen, maar het komt nooit tot koken!”

Toen kwam Hélène Dubois in mijn leven.
Het leven, dat was zij. Het toeval had mij een nieuwe kans gegeven. Het toeval. Het woord toeval bestaat in het Hebreeuws niet. Om iets aan te duiden dat met toevalligheid te maken heeft zijn ze gedwon­gen om het Arabisch woord “hazard” te gebruiken. Een jood die een Arabisch woord moet lenen: een tragische grap. Ik geloof niet in toeval. Alles wat ons overkomt, overkomt ons omdat het een zin heeft.
Ik ben jaloers op mensen die zonder te twijfelen dit kunnen aanvaarden, omdat ze voor een gemakke­lijke verklaring gekozen hebben. Ik ben er met de beste wil van de wereld nooit in geslaagd om dit langer dan twee dagen na elkaar te geloven. Grof onrecht maakt mij opstandig. Een goede christen echter is de Heer ook dankbaar voor het onrecht dat hem wordt aangedaan. “Dank u Goede God omdat u mijn kind op zijn dertiende verjaardag het leven hebt ontnomen. Het mag zich gelukkig prijzen bij u te zijn.”

Vooral­eer ik naar Nukerke, bracht ik een bezoek aan mijn oude vader in Webelinga. Hij is een paar jaar geleden gestorven. Ik rijd een paar keer voorbij het ouderlijke huis nr. 19 en probeer vader voor de geest te halen zoals hij was in zijn betere dagen. Ik heb het huis verkocht aan een Iraniër tegen een humanitaire prijs.
De gedachten van iemand die oud is, zijn niet op de toekomst gericht, ze zijn meestal droevig en zo niet droe­vig, weemoe­dig. Soms vertelde vader mij een anekdote uit de voor­bije week. Ik bezocht hem elke zondag in het rusthuis. Zo vertelde hij eens dat hij op de televisie een docu­mentaire had gezien over dromen van dieren. “Ze dromen niet alle­maal op dezelf­de manier,” zei hij. “De prooidie­ren dromen kort, het zijn meer beeld­flitsen dan echte dromen. De roofdie­ren echter dromen ingewikkeld en lang. Hij die jaagt moet steeds nieuwe methodes uit­vinden om aan voedsel te komen, hij die gejaagd wordt, vindt het voedsel gewoonlijk voor zijn neus in de vorm van gras en hoeft alleen maar bedacht te zijn op de beste manier van vluchten,” zei hij. Dan pauzeerde hij even; soms hield hij het ook bij één ver­haaltje, eentje en zweeg. Op den duur vond ik die stiltes tussen ons zo veelzeggend. Zwijgen is spreken.
Als kind en als adolescent droom je vaak en die dromen kunnen een dag lang je stemming bepalen. Op jonge leeftijd moet je immers met zoveel dingen in het reine komen, je hebt plan­nen en die zijn vol onzekerheden. Het onderbewuste heeft geen orde of duidelijke logica, het ver­mengt de dagresten die opgeblazen en vervormd zijn, met de diepste verlangens, en tussen de diepe verlangens voegt het de lichamelijke behoeften. Daarom droom je als je honger hebt dat je aan een tafel zit en niet kunt eten, als je het koud hebt dat je aan de Noordpool bent zonder jas, als je beledigd bent, word je een krijger die dorst naar bloed.

Het is halfzeven, ik moet de berg op, naar mijn afspraak. Ik ga er het verhaal vertellen van een treinreis tussen Brussel en Kortrijk. Over feiten en emoties uit een niet zo ver en nabij verleden. Of je dit nu leuk vindt of vervelend, om jezelf en de andere te begrijpen, moet je op zoektocht gaan in het verle­den. Het verleden van elke mens herhaalt zich domweg in het heden. Ik voel mij nu even bedreigd als toen in mijn jeugd, en ik zoek nog altijd naar bescherming, gebor­genheid, zekerheid. Je moet jezelf niets wijsmaken. Zo zitten wij in elkaar. Men zoekt in het heden het verwante en vertrouwde uit het verleden en niet het andere en vreemde van de toekomst. Mees­tal, zonder het te beseffen, stappen wij van de ene bevoog­ding in de andere.

Wat heeft mij naar de Vrijmetselarij geleid? Wat leidt mij naar een kerkgebouw? Zoek ik geborgenheid? Vind ik die in de Loge die zich hardnekkig geen Kerk noemt of in de Kerk van mijn jeugd? Heb ik de Kerk van mijn jeugd verlaten om in een andere Kerk te stappen. Zeg maar: van de ene kerk in de andere kapel om niet “zonder te zijn”.
Ik herinner mij nog levendig mijn inwijding.
Toen ik het licht kreeg, en mijn bril had opgezet, keek ik in het zaaltje rond. Anno 1966. De ruim­te ademde een wonderlij­ke vrede en geborgenheid. Ik bedacht dat dit mede door de geheimdoenerij kwam. In de zwaarden, op mij gericht, zag ik een geslaagd ele­ment van de show - naderhand besefte ik dat ik niet goed had geluisterd naar die verre man voorin die niet eens duidelijk sprak en op een toon die zijn zelfgenoegzaamheid nauwe­lijks kon verbergen.
Het zaaltje kon een honderd man bevatten. Hoeveel mensen hadden hier in totaal, in de loop van 100 jaar gezeten, ge­twijfeld en gewanhoopt? Ik keek naar de troon in de verte, naar de kunstig beschilderde pilasters vlakbij die aan­doenlijk leken op marmer. Mijn blik dwaalde het zaaltje door tot voorin, en daarna naar boven, naar het balkon of de overloop. In het zaaltje kwam geen spier daglicht binnen. Op de ruimte daarboven was het helledonker. Toch zag ik, toen ik scherp genoeg tuur­de, links een half voor­overgebogen gestalte. Achter het orgel brandde kunstlicht, vermoedelijk boven parti­tuur en toetsen. De afstand tot boven was te groot voor een be­trouw­bare waarneming, maar mijn verbeelding zag wat ik lijfelijk niet kon zien: de gestalte van een bleke man, slank, met een meis­jesach­tig ge­zicht en een onvrouwelijke dunne mond. Het was de duivel die daar­boven een oogje in het zeil hield. Was het ook de duivel die toen op het orgel speelde?
Op de troon vooraan zat en man van middelbare leeftijd, ge­kleed in een donkerbeige linnen pak. Het viel op, want zijn hovelin­gen rechts en links in twee rijen vóór hem hadden zich in het zwart getooid. Hij had een zangerige stem, met onregelmatige schorre en raspende bijgeluiden. Een vriendelijk gezicht. Dat is niet zo voor de hand liggend: de meeste voorzit­tende mees­ters zitten er vaak bekakt bij, arrogant, verwaand. Bovendien spreken zij geaffecteerd, onnaturel, of in het beste geval als een onderwijzer die door zijn nasaal stemgeluid ontzag probeert af te dwingen bij de kinderen. Mike Van Hoorne vatte de boel serieus op, maar tobde er verder niet over. Dit was mijn indruk. Hij was geen scherp­slijper, en waar­schijn­lijk ook geen man met veel ver­beelding of dubbele bodem. Hij kon innemend zijn, maar vooral hautain.
Terwijl het ritueel voortschreed, mijmerde ik ook verder over Kerk en geloof en ongeloof. Van de ene Kerk in de ande­re... Ja, dit leek mij wel degelijk een onverbiddelijke wetma­tigheid te zijn. Mijn blik zweefde andermaal over het zaaltje heen naar het balkon en vestigde zich opnieuw op de gestalte van de duivel. Was er een kans dat ik hem straks in de vochtige kamer zou ontmoeten of in de bar? Om een deal af te sluiten. Een contract met de duivel. Om een wens in vervul­ling te doen gaan. Eén meesterlijke roman in ruil voor zoveel jaar van mijn le­ven. Op de wijze van Faust. Heeft u ook zo'n faustiaanse oprispingen?
Naarmate het ritueel vorderde, voelde ik een wonderlijke mild­heid en sereniteit in mij neerdalen. Het kon geen kwaad dat ik mij bij de Loge aansloot. Wat maakte het uit? Koos God zijn uitverkorenen niet zelf? Trouwens, ondanks het geslo­ten karakter van het systeem vond ik het een on­schuldige bedoe­ning. Weg met het zondebesef? Zou ik dat kunnen? Het kwam bij mij bin­nenkwam met het ­zaad en de moe­der­melk.

Ik had tot vóór het incident met Thijs Glorieux geen moment spijt gekregen deel uit te maken van de loge "Les Ours" te Darlingen. Nu voel ik mij verweesd. De Darlingenaren - zo noemde arrondissementscommissaris Hendrik Conscience de inwoners - zijn er niet in de meerderheid en toch straalt deze werkplaats hun kruideniersgeest uit. Conscience sprak van een ondernemend volkje, bekrompen, des bourgeois satisfait, kleinburgerlijk.

Enkele weken geleden kwam ik - zoals je weet - naar jullie toe, in het gezelschap van een profaan die zou worden ondervraagd. “Overhoord” door sommige petites natures. Zijn vrouw is een hogepriesteres bij de Tempel van Isis. Toen wij de Kwaremont opreden, stond de duivel molenwiekend boven op de top mij op te wachten. Zijn ogen zagen rood, uit zijn vingers schoten vonken, uit zijn oren en neusgaten stroomde zwavel en pek. De profaan kon hem niet zien, omdat hij op dat ogenblik (nog) geen broeder was. Vijand nummer één van de duivel zijn niet de gelovigen, maar wel de vrije en eerlijke mannen en vrouwen die koppig en zonder compromis naar de waarheid blijven zoeken.
Op de parkeerplaats op een straatbreedte van de werkplaats wachtte mijn engelbewaarder mij op. Ook die kon de profaan niet zien. Haar vlasblond haar hing in dikke stressen over haar hemelsblauwe tunica tot net boven haar lenden. Zacht nam zij mijn arm, fluisterde mij lieve woordjes in het oor en beloofde mij een lang en gelukkig leven, indien ik met de profaan rechtsomkeert zou maken.
Duivels en engelbewaarders zijn onze bondgenoten niet. De eersten omdat zij ons tot zonde aanzetten, de anderen omdat zij ons met het zondebesef opzadelen. Het zijn twee loten van dezelfde stam.

Neen, ik heb nog geen moment spijt gehad dat ik naar jullie werkplaats gekomen ben. Straks als de poort achter mij weer dichtgaat, zal ik voort laboreren in dit Land van Twijfel, nieuwe ervaringen opdoen, nieuwe wijsheid, met vallen en opstaan mijn weg verdergaan, maar ik beloof je terug te komen, om als een reiziger aan je tempel­poort te kloppen.
Als je jong bent, voel je je als een arbeider die steen voor steen de weg aanlegt waarover hij zal lopen. Pas veel later besef je dat de weg er al ligt, een ander heeft hem reeds voor jou aangelegd, en jij hoeft hem alleen maar af te lopen.
Zijn wij dan voorbestemd? Uitverkoren? Geprogrammeerd? Voordat je inziet dat alles reeds vastligt moet je nog wat jaren voorbij laten gaan. Tegen je zestigste, als de weg achter je langer is dan de weg die voor je ligt, zie je wat je nooit eerder hebt willen zien: de weg die je hebt afgelegd liep niet rechtdoor maar had veel twee­sprongen. Wie besliste toen elke keer over de kant die je zou opgaan? Vaak ben je ook teruggekeerd in plaats van door te lopen. Het ganzenbord uit onze kinderjaren.
De Vrijmetselarij is zoals het leven. Je verwacht veel en je verwachtingen worden niet altijd beantwoord, je geeft veel en je krijgt niet altijd evenveel terug, je beleeft veel zalige momenten en je kent ook veel verdriet. Tijdens die droeve momenten word je door weemoed overmand. In het midden van de brug der weemoed, hoog boven het kolkende water, tussen hoge bomen die pieken in de blauwe lucht, ontmoet je de Liefde. Zij geeft je de kracht om door te gaan. Om te blijven zoeken. Zoeken is onze permanente opdracht. Van vinden houd je slechts een kort moment van geluk over.

Ik hoop dat je van mijn verhaal hebt genoten. Ik wil jullie toch even aan mijn opzet herinne­ren: jullie bewegen tot nadenken over mensen en dingen die mijn weg hebben gekruist in een ver of nabij verleden en die mij gemaakt hebben zoals ik nu ben, die mij de dingen doen zeggen zoals ik ze nu zeg. De personages in mijn verhaal zijn fictief. Wanneer je toch iemand meent te herkennen, dan is dit zuiver toeval. Of durf ik te liegen? Wanneer je het antwoord weet, dan vraag ik je om het geheim te bewaren. Er is geen spreker die een zwijger verbe­tert. Niet spreken deugt echter ook niet: “Mijdt u van een mens die niet spreekt en van een hond die niet blaft.”

Nota van de auteur: de namen van mijn personages zijn fictief (hoewel transparant voor intimi).

28 maart 2007

Dolle expo van geletterde mensen


Weekend-expobeurs DE MUZE

Graag nodigen wij u bij deze uit op de weekend-expo-beurs DE MUZE.
Diverse kunstenaars geven beeld of klank aan hun muze.
De tentoonstelling vindt plaats op:
zaterdag 14 april 2007 van 11-18u. en
zondag 15 april 2007 van 10- 16u.

Plaats: cultuurkapel St Vincent, Sint Antoniuskaai 10 Gent ( http://www.cultuurkapel.be/ )
Organisatie: vzw Open Kring - http://users.pandora.be/openkring
Toegang gratis.
Van harte welkom.

Exposanten: Nude Gallery (flemish nudes) - Joke Dommelaere (poezie) - Ingrid Zonnekeyn (juwelen) - Yossam (schilderijen) - Guido Lefever (poezie) - Katelijn Vijncke ( poezie) - Jenny Terryn (creative artwork) - Citybird Photography (fotografie) - Rudy De Sutter (muziek) - Jef van Leeuw (beelden).

(K.V.)

27 maart 2007

POËZIE TUSSEN EROS EN THANATOS

Essay over de poëzie van Thierry Deleu

door Jan Van Herreweghe,
bibliothecaris


Indien de wereld als beeld verdwijnt, overdekt een nieuwe werkelijkheid de hele aarde.
Octavio Paz (in: De wenteling van de tekens)

De dichter maakt woord van alles dat hij aanraakt, zonder de stilte en het wit in de tekst uit te sluiten.
Octavio Paz (in: De wenteling van de tekens)

Over poëzie schrijven is een hachelijk avontuur. Poëzie ontsnapt immers per essentie aan elke commentaar. Poëzie verklaren kan als een daad van verraad worden beschouwd. Beter is het misschien om de dichter te benaderen en met schamele woorden trachten iets weer te geven van een impressie, een contactname, een ontmoeting, een vluchtige illuminatie of een waarachtige verzinnebeelding.

Het schrijven over poëzie is immers een waagstuk. En toch gebeurt het. Wellicht omdat het in de aard van de mens ligt om, met de vaak overmoedige hoop, de dingen te willen ordenen en/of klaarheid te willen scheppen.

Eén van de meest intelligente auteurs die heel wat essays over poëzie publiceerde is de Mexicaanse schrijver en Nobelprijswinnaar literatuur Octavio Paz (1914-1998). Voor hem is poëzie een absolute levensvoorwaarde. Hij stelt onder meer: “Poëzie is taal in haar meest perfecte vorm”, of “Poëzie is de centrale en universele bezigheid van de mens”. Poëzie kan niet wereldvreemd zijn. Van kindsbeen af maken we vergelijkingen. De mens is een dier dat graag vergelijkt en dat onderscheidt hem van alle overige dieren. Zowel taal als filosofie en wetenschap berusten grotendeels op dat belangrijke principe, alleen krijgt de analogie in de onderscheiden disciplines op een heel eigen manier gestalte. In de poëzie wordt de analogie inderdaad meestal door de metafoor tot uitdrukking gebracht.

'ALS' - ook wanneer het achterwege blijft - verzoent tegenstellingen zonder ze te onderdrukken. Via analogieën stelt de dichter zich te weer tegen de verbrokkeling die hij om zich heen waarneemt; de metafoor is een instrument dat hem greep doet krijgen op de werkelijkheid. Analogieën zijn bij machte tijdelijk onze eenzaamheid op te heffen, kortstondig de illusie te doen ontstaan dat het universum organisch in elkaar zit. “Poëzie is aldus een levensvoorwaarde”, “Poëzie, als een zoeken naar een nu en een hier”.

Poëzie moet de weergave zijn van onmiskenbare momenten waarop de tijd als het ware stilstaat. Het zijn ogenblikken van hevige intensiteit die ons treffen als bliksemschichten. Wanneer we verliefd worden, wanneer iemand sterft die ons dierbaar is, of wanneer we vreselijk eenzaam zijn... ter gelegenheid van dergelijke ervaringen leren we onszelf kennen. De vluchtige stroom van de tijd wordt bruusk onderbroken, ons tijdsbesef wordt aangetast. Bij dergelijke 'estolde' momenten probeert de poëzie door te dringen tot onontgonnen en soms onvermoede gebieden.

Het wezen van de poëzie krijgt in eerste instantie vorm bij de dichter en in tweede instantie bij de lezer. De draagwijdte en de appreciatie van poëzie hebben mijns inziens voor een groot deel te maken met sfeer. In deze fase stelt men niet meer de vraag: wat is poëzie?, maar wel: in welke omstandigheden leest men poëzie?

Spijtig genoeg wordt vandaag ook wel eens het nut van de poëzie in vraag gesteld. In deze tijden van genadeloze concurrentie waarin alles draait om rendement en winst wordt nogal eens geopperd dat poëzie onverkoopbaar is en in dat opzicht kan men zich afvragen waarom een dichter zich uit de naad blijft werken. In wezen zijn schrijvers en beeldende kunstenaars (zoals schilders en beeldhouwers) mensen die de tijd tegenwerken. Zij dwingen hun lezers of kijkers immers tot een inspanning die tijd vraagt. Versnelling is immers het sleutelwoord van onze tijd. Poëzie versnelt echter niet. Poëzie bepaalt geen agenda's. Poëzie volgt een eigen ritme. Soms slaat poëzie in als de bliksem, vaker echter dwingt poëzie tot traagheid. De traagheid van de poëzie is niet haar zwaarte, het is de genade van haar bestaan.

De arbeid van de dichter kruipt soms onmerkbaar vooruit. Hij aarzelt, de dichter, hij keert terug, hij zeeft, hij schudt dingen ondersteboven, hij wil niet rusten voor het gedicht de volmaakte staat van genade bereikt heeft. De dichter staat dichter bij de mens van de steentijd die zijn vuursteenbijl aanscherpt dan bij de jeugdige beurspresteerder die door agressieve transactieswitches zich performant naar de top van de kapitaalmarkt beweegt. Voor de dichter is traagheid een deugd. Volgens het marktdogma is traagheid een zonde.

Naast de vele essays die reeds over poëzie werden geschreven hebben heel wat dichters in de afgelopen eeuw gepoogd om het aanschijn van de poëzie in sloganeske zin te vatten.

Om het dichtwerk van Thierry Deleu nu in zijn geheel te definiëren ben ik geneigd tot de volgende uitspraak: “Poëzie tussen Eros en Thanatos, een natuurlijke daad van bevestiging”, waarbij het tweede deel van de zin alludeert op de bekende uitspraak van de Vlaamse dichter Eddy Van Vliet.

De thematiek van Eros en Thanatos is omnivalent, werelds, van alle tijden. Omwille van zijn omnivalentie zou men geneigd kunnen zijn dergelijke poëzie als weinig origineel te beschouwen. Dit is echter een valse redenering. In alles geldt de stem van de dichter. Zijn eigen stem. Zijn eigen(gereid)heid. Het is vaak terecht dat een schrijver zich afvraagt waar hij mee bezig is. Zoals er in het leven een aantal wezenlijke dingen zijn zoals geboorte, liefde en dood, biedt de literatuur een aantal fundamenten waarin die wezenlijke dingen verwoord kunnen worden. Er is de poëzie, er is de roman, er is het toneel, het essay...

Het enige wat de schrijver kan doen is de vorm kiezen waarin hij die wezenlijke dingen wil verwoorden en dat bronnenmateriaal actualiseren vanuit zijn eigen gedrevenheid en temperament.

Zo zoekt de dichter zich een plaats in de literaire continuïteit met een authentieke beeldtaal, stijl, ritme die hij, vallend en opstaand, tracht te verwerven.

De grondslag van Deleu’s poëtica gaat terug op de periode van de Derde Experimentele Generatie die zich in de jaren zestig en zeventig manifesteerde. Deze generatie wordt nog eens opgesplitst in de ‘post- experimentelen’, de ‘neo-experimentelen’, de ‘maniëristen’, de ‘pink poets’, de ‘60-ers’, de ‘woorddichters’...

Thierry Deleu situeert zichzelf graag bij de ‘Neo-experimentelen’ en dweepte in die periode nogal met Paul Snoek (1933-1981). Snoek behoort tot de Tweede Experimentele Generatie, meer bepaald tot de ‘55-ers’. Snoeks poëzie werd destijds omschreven als de delfstof van Hugo Claus en de entstof van Hugues C. Pernath. Hij was vooral een (liefdes)zoeker (‘ik zal een steiger zijn van liefde’) die poogde de eenzaamheid te doorbreken. Met ritmische sonoriteit slaagde hij er soms in zijn klankgebeuren monumentale gestalte te verlenen. De verstenende eenzaamheid in haar klassieke sereniteit woog zwaar bij Paul Snoek, daarom was de liefde wellicht de grootste en onmisbare constante in zijn werk.
Het verbaast me dan ook geenszins dat Thierry Deleu de poëzie van Paul Snoek erg waardeerde.

In die sfeer en met die achtergrond publiceerde Deleu in 1965 zijn debuutbundel Met de Teerling. Deze bundel bevat hoofdzakelijk gedichten die ontstaan zijn uit een persoonlijke ervaring. De thematiek is duidelijk, niet omfloerst - de vlucht, het op de vlucht zijn. De taal is rechttoe rechtaan en rechtstreeks tot de lezer gericht, hoewel soms een waas over de gedichten blijft hangen die de begrijpbaarheid dan weer enigszins afremmen. Maar dat is een bewuste schrijftechniek. Opvallende elementen in zijn poëzie zijn toch al de klankrijke lyriek, de alliteratie en de muzikaliteit.
In Met neergehurkte Adem (1967) keert de dichter zich als het ware in zichzelf. De vlucht in zichzelf, de vrees nutteloos te zijn vormen de rode draad die doorheen deze gedichten loopt en leggen de klemtoon op de vaststelling dat hij, vooral omwille van het dichterschap, met zijn omgeving in onvrede leeft en daardoor in disharmonie met zichzelf. Het besef dat zijn wortels elders liggen houdt hem voortdurend bezig. De titel wijst overigens op een zekere vermoeidheid, een zeker defaitisme.

De taal is hier eenvoudiger geworden, functioneel en suggestief gebruikt waardoor de lezer zich onmiddellijk aangesproken voelt. De dichter verrast geregeld ook door rake, ongezochte, woordspelingen, vernieuwde zingeving, zeer fraaie fragmenten en enkele voluit goede gedichten, zoals ‘Op de huiverlippen’ en ‘Rekwisieten bij een tijd’.

De gedichten in Postume gedichten (1970) zijn van ongelijk niveau. Inhoudelijk cirkelen de gedichten rond de polen vervreemding en erotiek. Wat Deleu hier bezighoudt is voornamelijk de man-vrouw verhouding. Hij schrijft daar afstandelijk over, als een koele, wat gelaten observator. Het thema blijft behouden, het oog van de camera heeft zich misschien iets scherper ingesteld en wat tot dan toe als pathetisch overkwam, wordt nu omgebogen tot een soepeler doorstromen van opgedane indrukken en al of niet verwerkte ervaringen. De poëzie evolueert van belijdenislyriek en ik-poëzie naar een nieuw-realisme dat op dat moment erg in zwang is. Niet toevallig heet het laatste gedicht van de bundel ‘Concreet’. Deleu is nu zover dat hij in zijn gedichten het dagelijks woordgebruik, flarden gesprekken, losse invallen met een anekdotisch karakter gebruikt en verwerkt.

Met Postume gedichten sluit Thierry Deleu zijn experimentele periode duidelijk af en laat hij zich -tegen zijn zin, zoals hierna nog zal blijken - meeslepen in de toen aan gang zijnde hype van het Nieuw-Realisme.

Met Lionel Deflo richtte Thierry Deleu in 1966 het literair tijdschrift Kreatief op. Deflo hield er echter andere literaire opvattingen op na en in 1968 hield Deleu de medewerking aan het tijdschrift voor bekeken. Bovendien was Deleu druk in de weer met het schrijven van enkele leerboeken Nederlands. Deflo werd tot woordvoerder gebombardeerd van de Nieuw-Realisten die elkaar vooral vonden rondom het begrip ‘verstaanbaarheid van poëzie’. Deze generatie vond dat een gedicht communicatief moest zijn en referentieel te duiden. Belangrijke namen waren o.a. Stefaan Van den Bremt, Patricia Lasoen, Herman De Coninck, Roland Jooris, Eddy Van Vliet...

Het feit dat Thierry Deleu in die groep belandde, kwam doordat de experimentele poëzie op een dood spoor was beland. De vele gesprekken over kunst en literatuur met vriend-kunstschilder Marcel Coolsaet leidden bij de schilder tot het schilderen van “een nieuwe werkelijkheid” (een schilderkunstige zelfstandigheid) en uiteindelijk tot het hyperrealisme (een schilderkunstige duidelijkheid) en bij de dichter tot een verstaanbare nieuw-realistische poëzie, met sloganeske invloeden en inspiratie uit reclameteksten.

Met Prenatale gedichten (1971) is Thierry Deleu helemaal in de nieuw- realistische stijl verzeild geraakt. Merkwaardig is wel dat in de titel van postuum naar prenataal wordt overgestapt. Het kan te maken hebben met het feit dat de dichter nog steeds zijn plaats zoekt binnen dit leven maar het heeft zeker te maken met de aan gang zijnde poëtische veranderende zienswijze. De neo-experimentele dichters worden wat weggehoond, vandaar een soort afscheid (postuum) en een nieuw begin (prenataal) als aanloop tot een nieuwe poëtica.

Deleu maakt nu gedichten waarin hij de werkelijkheid naar binnen haalt door middel van een verhalende praattoon en een objectieve camera-instelling. De triviale wereld die hij in zijn verzen oproept ligt in de zon te slapen, is zorgeloos zonder meer, maar wordt wel enigszins ironisch bekeken. Verpozende poëzie waarin de taal economisch wordt gebruikt.

In 1971 publiceert Thierry Deleu Punt uit!, of plagiaat onder voorbehoud. Deze gedichten verschijnen niet als een traditionele bundel maar als krantje, waarbij de gedichten onder en naast elkaar werden geplaatst. Hier treedt een terugkeer naar het verhalende op, in dit geval in de vorm van parodie of persiflage. De gedichten doen denken aan reclameteksten.

In zijn diepste binnenste worstelde de dichter met het aan gang zijnde Nieuw-Realisme. Hij nam er geen vrede mee. Het geflirt was dan ook van korte duur.

Met Staalkaart I (1971) en Staalkaart II (1972) publiceert Thierry Deleu snel na elkaar twee dichtbundels waarin hij al enigszins aangeeft dat het Nieuw-Realisme hem nauwelijks ligt. Hij onderzoekt daarentegen wel de mogelijkheden van woord, klank en ritme door ze uit te testen in een reeks wisselende combinaties van sloganachtige zinnen, als een monotone zang, een automatisch opgezegd refrein. Poëzie teruggebracht tot een kansspel, een litanie, een advertentietekst, een invuloefening. Op de duur valt de communicatie zelfs helemaal weg en vervalt de dichter in een spiraal van een eindeloze, absurde beweging waarbij woorden en zinnen bijna geen zin meer hebben. Het is overduidelijk: de dichter keert terug naar het experiment.

Nog in 1972 wordt de vriendschap en de samenwerking met Marcel Coolsaet bezegeld met de geboorte van Boulevard, een nieuw tijdschrift waarbij de kolommen worden opengezet voor jonge dichters en prozaschrijvers en voor hedendaagse filosofische en letterkundige opvattingen. Naast de literatoren krijgen ook de beeldende kunstenaars een plaatsje onder de zon.

Na vijf jaar stilte (een identiteitscrisis of een grote ontevredenheid over het literair gebeuren?) publiceert Thierry Deleu in 1977 Ik, een naaktloper. Het is duidelijk dat deze dichtbundel een terugkeer is naar zijn eerste experimentele periode en de poëzie sluit dan ook goed aan bij Met de Teerling en Postume gedichten. Het is in ieder geval een definitieve breuk met het Nieuw-Realisme. Deleu wil terug naar het beeld, het ritme, de muzikaliteit en de vorm. Hij gebruikt hier voor het eerst drie of vier strofen van vier regels, een vorm die hij zal liefkozen en die hij verder zal blijven hanteren tot in Val der Engelen.

Met de neoromantische poëzie staat de aandacht voor het leven, de liefde, de natuur en de dood opnieuw centraal. De werkelijkheid wordt gedragen in een melancholisch, zacht verdriet en in gekoesterde weemoed. De uitzichtloosheid haalt de bovenhand in een soms ambachtelijk bedreven en lijdend dichterschap. De Neo-Romantici willen zuivere poëzie brengen zonder noemenswaardige boodschap, engagement of filosofie, zonder vorm van maatschappijkritiek of visie. Geen belerende kunst, geen zakelijke notities, geen spitsvondigheden in strofen, maar dichtkunst, poëzie om de poëzie. Luuk Gruwez, Jotie T'Hooft, Daniel Billiet, Christiaan Germonpré, Miriam Van hee, Frans Deschoemaker en zelfs de jonge Tom Lanoye kleven deze poëzievisie aan. Thierry Deleu hoort daar zeker bij; hij voelt zich in deze poëzie thuis. Het is hem vooral te doen om op een mooie manier beeldend met taal om te gaan. Hij kiest daarbij voor een klassieke opbouw (met aandacht voor de vorm, het ritme), geënt op een zekere (taal)stroefheid met het doel, een nieuwe (beeld)taal te creëren om de aandacht van de lezer gaande te houden.

Met de titel Ik, een naaktloper (1977) suggereert de dichter een autobiografische inhoud, doch de gedichten zelf houden de identiteit van de dichter toch gedeeltelijk verborgen. Wat opvalt is de romantische vertolking. De beeldrijke taal is gegroeid vanuit een gevoelssituatie. De poëzie van Thierry Deleu geldt algemeen als sterk persoonsgebonden, autobiografisch en therapeutisch en deze dichtbundel beantwoordt daar perfect aan. De sleutel tot de poëzie is dezelfde gebleven, maar de aanwezigheid van vaak terugkerend water als symbool van loutering en verlangen naar de bron en het begin duidt op een gewijzigd gezichtspunt. De dichter is niet langer op de vlucht, hij voelt zich als een jager. De hele bundel ademt een verbondenheid van mens en natuur uit. Er zijn uiteraard ook het vergeefse, het onbehagen, het onbevredigd verlangen, de aanwezigheid van de dood... als typische elementen van een romantische poëzie. De dichtbundel vertoont ook een zekere eenheid: loutering, het afschudden van het verleden, het elke dag opbouwen van een bestaan waarin de dood gezel is, de liefde een tedere toevlucht. Het vluchten voor het onbewoonbaar huis is een romantische vlucht in de natuur geworden. Het wegebben van de jeugdervaringen heeft plaats gemaakt voor een opdoemend dreigend beeld van de dood.

Zeer mooi zijn de lyrische beelden die natuurimpressies en het eigen gevoelsleven tot een eenheid vlechten. Als een naaktloper staat de dichter tegenover zichzelf en zijn liefde; tegelijkertijd drukt hij in deze vloeiende harmonieuze verzen de drang uit naar een soort wedergeboorte. Verrassend eenvoudige en aanspreekbare verzen, die toch een innerlijke spankracht blijven behouden bij herhaalde lectuur. Deze coherente bundel is de beste die tot dan van Deleu verscheen.

Ik, een naaktloper mag als een prototype worden beschouwd van de neoromantische dichtkunst.

In dit landschap (1980) is een logisch verlengstuk van Ik, een naaktloper. De dichter lijkt zich van alles te hebben afgekeerd en klampt zich nog enkel vast aan de vrouw en de natuur. Hij bezingt de roes waarin hij verkeert en die roes is hoopvol, uitgelaten, verrukt.

In de vorige bundel was de erotiek al aanwezig, maar in deze bundel wordt ze nadrukkelijk en dwingend opgevoerd. De dichter schuwt ook de emoties niet, maar hij weet die perfect te kanaliseren. De ideale bemiddelaar is zonder twijfel de natuur. De dichter beleeft en ondergaat de natuur en neemt de beelden die hij eraan ontleent in zich op. Daarin vindt hij soelaas. Maar niet alleen de natuur verzacht de zeden. Ook de vrouw is belangrijk, de vrouw die hij absoluut wil behouden en zich niet meer wil laten ontglippen. Het landschap dat in de titel gesuggereerd wordt is een gefantaseerd decor waarin natuur en erotisch genoegen hand in hand gaan. Het is een paradijselijk oord dat een prachtig uitzicht biedt op het heden en het verleden ver achter zich heeft gelaten.

Enigszins anders van aard en sfeer is Jaren na Lichtmis (1984), een bundel verteldichten voor vader.

De gedachte aan zijn vader komt voor het eerst voor in het gedicht ‘Weinig’ in de bundel Ik, een naaktloper uit 1977. Daarin verzucht de dichter: ‘Weinig heb ik begrepen vader / van de smaak van water en wingerdrank / .... / Zacht en onvoelbaar streelt het licht / dit landschap tussen droom en waken / als een vader het zeer jonge kind’.

De toon is badinerend, de sfeer gemoedelijk. De dichter wil door middel van zijn vader een verloren gewaande tijd terug oproepen: de kindertijd. En dit veertig jaren na lichtmismaand (Lichtmis vindt plaats begin februari, de maand waarin de dichter werd geboren). Ergens vindt hij het spijtig dat zijn vader niet zoveel tijd had om zich met zijn zoon bezig te houden en daarom houdt de zoon zich nu meer met zijn vader bezig; hij dwingt hem tot een luisterend oor. Want de dichter wil een en ander kwijt dat hij nooit eerder kon opbiechten in wat voor vorm dan ook.
De reden waarom hij zich tot zijn vader richt, is niet zozeer dat er noemenswaardige problemen waren, maar communicatief schortte er wel wat. Door de drukke bezigheden van vader (die wever was en met de duiven speelde) en moeder (die een winkeltje van textiel dreef), was het mondeling communiceren met hun enige zoon tot een minimum beperkt. Emoties werden naar de achtergrond verdrongen. Deze verteldichten zijn dan ook een passend antwoord op dat gemis.

Jaren na Lichtmis bevat 34 gedichten die rechtstreeks aan vader worden verteld en handelen over schoolervaringen, belevenissen met vrienden, de eerste contacten met het andere geslacht en de vroegste erotische gevoelens.

Bewust doet Thierry Deleu hier afstand van zijn beeldende taal en hanteert hij een taal die vlot leest en gemakkelijk te begrijpen is, een vertellerstaal, want tenslotte gaat het hier niet om hoogdravende mededelingen maar over zaken van alledag. De chronologische ordening en de praatstijl zorgen voor een hechte eenheid waarin de ontwikkeling van kind tot jongeman op prachtige wijze wordt geschetst. De jeugd wordt waargenomen door de ogen van een volwassene van nu, die de feiten van vroeger thans met de nodige humor en ironie relativeert, maar toch niet altijd de sentimentaliteit kan onderdrukken, al heeft die natuurlijk ook zijn (zekere) charmes. Een rustige, verhalende toon overheerst en leidt de lezer binnen in een levensperiode waaraan de dichter zonder leugenachtigheid heeft willen over getuigen. Toch vraagt hij zich af, of bij die soms niet met eigen fantasie heeft aangevuld.

Jaren na Lichtmis (1984) bevat bijzonder geslaagde vadergedichten. Aanvaarding en relativering bepalen nu een zacht en oorspronkelijk realisme. Deleu’s poëzie oscilleert tussen de nood tot communicatie en het verlangen zich te kunnen terugtrekken binnen een afgebakend territorium.

Wat Deleu doet is de verplaatsing in de tijd aanvullen met de nuchtere relativering van nu. Aldus ontstaat een dubbelbeeld - ook al in het feit dat hij zijn vader tot getuige neemt en tezelfdertijd aanvoelt dat er een afstand is - dat vaak uitloopt op een verrassende conclusie, een gebalde samenvatting, een keiharde maar tegelijk spitse pointe. Humor en ironie zijn hier op hun plaats. Ze maken duidelijk dat het niet zozeer gaat om een louter therapeutische afrekening met een periode die radicaal voorbij is en toch in een klein (gekoesterd) plekje verder leeft, maar om het scheppen van klaarheid, van inzicht in zichzelf.
Toch tekent de dichter zich niet ten voeten uit: er blijft (gelukkig) een lichte waas over deze gedichten hangen, alsof de werkelijkheid niet echt kán worden prijsgegeven (en zodoende evenmin stukgemaakt).
Tien jaar na Jaren na Lichtmis verschijnt Memoires (1994), een bloemlezing waarmee de dichter een subtiele balans opmaakt van reeds eerder gepubliceerde gedichten als wilde hij zijn stilzwijgen vergoelijken. Drukke beroepsbezigheden als directeur secundair onderwijs en parlementair medewerker – en als kabinetsattaché op Onderwijs van 1995 tot 1999 - weerhielden hem echter van alle lyrische ontboezemingen.
Deze ‘memoires’ van Deleu zijn herinneringen aan wat zich in zijn leven afspeelde in het gebied van liefde, natuur en vergankelijkheid. Vooral het hechte verband tussen natuur en lichaam, tussen de geheimen die elk van deze elementen verbergt, tussen het landschap en de mens, valt in deze gedichten sterk op.

Wie zulke onderwerpen wil behandelen in de poëzie, kan dit alleen doen in een taal die doordrenkt is van die elementen. Tot de vreugde bij het lezen behoort het gewaarworden van die doordrenking, het doorzinderd worden van de woorden door geur, kleur, licht, vorm, lichamelijkheid.
Dit leidt hoegenaamd niet tot mimetisme: steeds weer verrast Deleu door wat hij met de vermenging van taal en realiteit weet te doen. Associatie, bi- en dissociatie, zin- en woordspeling, omkering: dit zijn enkele van de steeds spontaan aandoende middelen waarmee Deleu te werk gaat. Soms overheerst het nieuwe, pregnante beeld, dan weer is het de taal die zich optrekt aan de situatie en ze verandert door ze neer te schrijven. De gedichten van Deleu lezen, wil vaak zeggen een nieuwe visie krijgen op de natuur. Maar wat deze bundel toch beheerst zijn de memoires van de liefde. Lichaam en poëzie, liefde en gedicht, liefje en taal: de lezer bespeurt aanhoudend de overgang van het ene naar het andere.
Deleu hanteert een zeer soepele, lenige taal waarmee hij langs en in de dingen glijdt. Er zit weinig weemoed of verdriet in deze bundel. Waarschijnlijk heel bewust heeft Deleu het zo gehouden. Ook als bij het sterven het afscheid ter sprake komt, gaat het bijna verloren in de werveling, of wordt het feestelijke er zelfs nog van beklemtoond.
In 1997 verschijnt dan eindelijk een volledig nieuwe dichtbundel: Val der Engelen.

Val der Engelen bevat 35 gedichten die in de periode 1993-1996 werden geschreven. De thematiek is onmiskenbaar de verheerlijking van Eros, de liefde, met een sterke neiging tot erotiek, en met als decorum de natuur, die soms herkenbaar is... (de Bourgogne, de Auvergne, de Moeren, de Leie…).

De natuur is medeplichtig aan ons Zijn, is een factor die onze gemoedsgesteldheid kan beheersen. Zo kunnen we ons onrustig, troosteloos... enz. voelen als de wind rond het huis blaast, of kunnen we ons veiliger en geborgen voelen binnen de kleurrijke contouren van een zomerse tuin. De natuur past perfect in de nieuwe werkelijkheden die de dichter steeds voor ogen heeft.

Voor Thierry Deleu als dichter zijn dat geen nieuwe elementen. Zijn vroegere gedichten baadden reeds in dergelijke sfeer, waren reeds ondergedompeld in hetzelfde bad. Alleen is de dichter geëvolueerd, heeft hij zijn taal uitgezuiverd, heeft hij nog meer aandacht besteed aan vorm, ritmiek en structuur. Kenmerkend voor de schrijfstijl van de dichter zijn de vierregelige strofen die weliswaar niet afsluiten met een punt, meestal doorlopen, maar door hun lay-out een zelfvertrouwen in beeldvorming uitstralen.

Fantastische vondst vind ik de zgn. vogelgedichten. Het zijn er een zestal, ze vallen op omdat ze in een schuine letter werden gezet en ze zijn regelmatig over de bundel verspreid. Als we de andere gedichten beschouwen als een aardse beleving van de liefde en de erotiek, dan zijn de vogelgedichten hemels en bekijkt de dichter vanuit vogelperspectief en met een ongegeneerd voyeurisme het liefdesspel op aarde. Op die manier neemt de dichter voor een stuk afstand en relativeert hij zijn eigen betrokkenheid. Een mooi voorbeeld hiervan is ‘Aan de Leie’.

Enigszins nieuw is misschien wel de mystieke sfeer die de meeste gedichten kleurt, vooral dan in de reisgedichten met als decorum de Bourgogne en de Auvergne. De liefde is nog steeds het uitgangspunt, maar dat tikkeltje godsdienstigheid symboliseert een gevoel van ingetogenheid. Anderzijds wordt dat mystieke gevoel dan weer met opzet doorbroken door erotiek. Een mooi voorbeeld hiervan is ‘La Chapelle des moines’, dat overigens eindigt met de drie woorden die meteen als titel voor deze dichtbundel werden gekozen.

Het is een vaststaand feit dat het element Eros (de liefde) vaak in één adem wordt genoemd met Thanatos (de dood). Het is opmerkelijk dat in deze dichtbundel het Thanatos-gegeven volledig ontbreekt. Althans in de schriftuur. Val der Engelen bevat, naast 35 gedichten, immers ook 7 tekeningen van Henk Deleu die doordrongen zijn van een expressief geladen spanning die veelal het onvermogen tot communiceren en het macabere van de dood tot onderwerp heeft. Magere figuren in erotische houdingen, uitgemergelde figuren in een schijnbaar laatste stuiptrekking... Het werk van Henk Deleu symboliseert een pessimistische kijk op het leven. Een constante uitdrukking in die tekeningen is de open mond, een open gat als begin- of eindpunt, in dit geval steeds een eindpunt: de uiting van pijn, de laatste zucht, de schreeuw als hoogtepunt bij de seksuele beleving...

De tekeningen werden telkens naast de cursief gedrukte vogelgedichten geplaatst, maar betekenen daarom geen illustratie van de tekst. Ze staan er gewoon los van. Ze vormen zelfs een contrast, een tegengewicht. Eros tegenover Thanatos.

In 2006 verscheen - precies 10 jaar na Val der Engelen - De kiemjaren. In zijn poëzie roept Thierry Deleu herkenning op, identificatie, gevoeligheid die herkenning evoceert. Als lezer word je soms in de rol van voyeur geduwd. Je voelt er je onwennig bij. Moet je lachen of huilen? Is het cynisch of is het triestig? Zoals het met een ironisch mens vergaat, weet je nooit echt wat sneer is en wat als verbloeming is bedoeld. Wat grap is, en wat droefgeestigheid.
Nieuw in de gedichten uit De kiemjaren is de triviale sfeer die de meeste gedichten kleurt. De liefde is nog altijd het uitgangspunt, maar zij is hier zo ontroerend jong, onbezoedeld, puberaal dat zij een gevoel van “verloren onschuld” symboliseert. Anderzijds wordt dit gevoel dan weer met opzet doorbroken door erotiek en agressie. Deze poëzie, of beter het triviale in deze gedichten, zal menig lezer verrassen.

Ik eindig hier graag met enkele woorden die Geert Van Istendael neerschreef in zijn essay Van rijmelaars en makelaars, een artikel over het nut van de poëzie in deze supersnelle tijd dat verscheen in het Nieuw Wereldtijdschrift, jaargang 16, nr. 1: “Onze stem is niet sterk, maar ons gebied heeft geen eind. Gedichten zullen de wereld niet redden, maar de wereld is reddeloos zonder gedichten”.

Staten verdwijnen, poëzie blijft. Mensen overlijden, poëzie overleeft. Deleu leidde (leidt) – zeker in literair opzicht – een eigenzinnig bestaan. Hij heeft nooit veel drukte verkocht. Hij zocht geen andere dichters op; hij frequenteerde zelden literaire salons, soms een literair café – omdat het leek alsof hij in een kroeg zat.

‘Alles wat waar is, / kan zachtjes zijn. // Zachtjes rijpen de vruchten. / Bladeren vallen in stilte’, schreef de Oost-Duitse dichter Heinz Kahlau.


Bronvermelding

De ideeën over het wezen van de poëzie haalde ik grotendeels uit de essays van Octavio Paz. De vergelijkende elementen over het nut van de poëzie en de markteconomie heb ik grotendeels opgepikt uit het artikel Van rijmelaars en makelaars van Geert Van Istendael
Bij het beschrijven en becommentariëren van de dichtbundels die verschenen tussen 1965 en 1984 heb ik veel tekstgedeelten overgenomen uit diverse recensies in literaire tijdschriften van Guy Van Hoof, evenals uit diens boek Aan wat overblijft heb ik genoeg: over de poëzie van Thierry Deleu. Ik heb me daarbij soms laten verleiden om hele zinnen en paragrafen over te nemen omwille van het feit dat ik niets meer toe te voegen had aan de gedetailleerde bespreking ervan. Soms heb ik een aantal citaten wel ingekort, af en toe een woord aangepast, een tussenzin er bijgeschreven, eigen interpretaties er aan toegevoegd, daar waar ik dit nodig achtte.
Behalve de enorme dank die ik verschuldigd ben aan Guy Van Hoof raadpleegde ik volgende bronnen:
- De boog en de lier. Het gedicht. De poëtische openbaring. Poëzie en geschiedenis / Octavio Paz
Amsterdam: Meulenhoff, 1990
- De droom van de poëzie / Jacques Hamelink
Amsterdam: De Bezige Bij, 1978
- De dichter is een koe: over poëzie / Hugo Brems
Amsterdam: De Arbeiderspers, 1991
- Op poëtische wijze: een handleiding voor het lezen van poëzie /
Ernst Van Alphen, Lizet Duyvendak, Maaike Meijer en Ben Peperkamp
- Droom en doem: Vlaamse poëzie 1960-1985 / Marc De Smet
Gent: Yang, 1985
- Aan wat overblijft heb ik genoeg: over de poëzie van Thierry Deleu / Guy van Hoof
Brugge: Pablo Nerudafonds, 1986
- Zonnesteen, voorafgegaan door Adelaar of zon? en gevolgd door drie essays /Octavio Paz
Amsterdam: Meulenhoff, 1990
- Van rijmelaars en makelaars / Geert Van Istendael
Nieuw Wereldtijdschrift: jaargang 16, nr. 1

Jan Van Herreweghe

BRIEF IN EEN FLES

Op woensdag 21 maart om 10.00 uur werd Mark Meekers in het Poëziecentrum
van Gent aan de pers voorgesteld als eerste dorpsdichter van Doel. Hij kwam
als beste naar voren uit een wedstrijd. Die avond mocht hij in het
gemeenschapshuis De Doolen in een bomvolle zaal zijn prijs in ontvangst
nemen. De jury motiveerde haar beslissing als volgt:
“’Doeleinde’ en ‘Dode Hoek’ zijn intrigerende verzen, die goed in elkaar
zitten. Deze schrijver heeft weet van poëzie en kent zijn klassiekers. Er
staan schitterende beelden in allebei de gedichten (…). Zijn gedichten
hebben diepgang en er wordt veel gesuggereerd. De jury koos unaniem deze
dichter als winnaar!”
Beeldhouwer Paul De Wachter overhandigde hem een metalen sculptuur, die een
vogel voorstelt. Deze “mensvogel” kan als symbool van de wederopstanding van
Doel worden begrepen.

Hoe komt een Vlaamse Brabander in Doel terecht? Mark Meekers heeft twintig
jaar in het Antwerpse Schipperkwartier gewoond, in de Verbrande
Entrepotstraat, die nog een echte volksstraat was en nog geen bon chic bon
genre-status bezat. Geregeld trok hij met de jeugdbeweging richting Doel om
krabben te vangen onder de aanlegsteiger van de Flandria. ’s Avonds werden
er krabbenkoersen gehouden en werden deze “kreeften van den arme” gekookt en
opgepeuzeld. Deze jeugdherinneringen liggen in puin.
In ’06 publiceerde hij bij het Eugeen van Mieghem Museum de bundel “Orpheus
in de haven”, waarin de Antwerpse kunstschilder in de havenbuurt op zoek
gaat naar zijn gestorven geliefde, naar al het mooie dat verdwenen is.
Meekers voelt dit dorpsdichterschap aan als een soort vervolg, is zowat
“Orpheus in Doel”, die in de onderwereld terecht komt en met zijn gezang nog
wat geliefde schoonheid tracht te redden.

Van de dorpsdichter wordt verwacht dat hij een aantal gedichten schrijft
waarin hij klank geeft aan wat de inwoners van Doel beroert: vrees,
onzekerheid, wanhoop, woede, berusting, verzet. Hij haalt hiervoor zijn
scherpe pen boven. Poëzie moet niet altijd op het nachtkastje liggen en
slaapverwekkend zijn, maar mag ook voor nachtmerries zorgen. Meekers zal met
zacht potlood ook de positieve kanten van deze kleine dorpsgemeenschap
schetsen: zorgzaamheid voor wat nog rechtstaat, het gevoel van
lotsverbondenheid, sociale warmte, menselijk contact, moed,
doorzettingsvermogen. Kan kunst de wereld redden, kan een gedicht Doel boven
water houden? Wanneer de dorpsdichter erin lukt om één steen op de andere te
laten staan, om één inwoner wat hoop te geven is zijn opdracht geslaagd.

Het is niet de eerste prijs die Mark Meekers in de wacht sleept, maar –wat
een heilige getallen!- de 120-ste bekroning in Vlaanderen en Nederland, met
daarbij precies zestig eerste prijzen. Hij bevestigt hiermee wat F. Heymans
schreef in “Het Goud van de Vlaamse Letteren”: “Mark Meekers en Hugo Claus
zijn de twee meest bekroonde auteurs”. Maar deze Poëzieprijs van Doel ligt
hem wel erg na aan het hart omdat het om zoveel méér draait: om
kleinschaligheid tegen globalisatie, dorpscultuur in contact met de natuur
versus aliënatie van de grootstad, zachte waarden en menselijkheid tegen
spijkerhard kapitalisme, dat zijn vernielzucht maskeert met
tewerkstellingsmotieven. Wie neemt politici nog ernstig, die zich de baard
laten aanbinden en glimlachen als een vrouw die net bevallen is omdat het
hen zoveel moeite kost om de leuke, humoristische jongen uit te hangen. Ook
in Doel stonden de teeveetjes te blozen en luisteren de kleine mensen met
gespitste oren of de bulldozers met de instemming van deze lolbroeken nog
niet komen aanrazen. De afbraakfirma moet zich haasten om poen te scheppen,
want het zou wel eens kunnen dat Doel leefbaar blijkt… En al beveelt het
parlement de executie, dan nog is niets zeker. Er is heel wat meer
uitgesteld en geblunderd. Het slijk van het vers gegraven Deurganckdok
diende om andere nooit gebruikte dokken te vullen. De aanleg van het
Saeftinghedok is niet voor morgen. Er zijn hier dus al eerder kalveren
verdronken in hun zelf gegraven putten.
Mark Meekers kan zich als democraat zich niet akkoord verklaren met het
ausradieren van deze leefgemeenschap en dit waardevol historisch
patrimonium. Mocht Doel platgewalst worden dan zou men toch enkele
“hoogstandjes” behouden. Wat met het unieke dambordpatroon van dit dorp? Zie
je ze al staan, de molen, het hooghuis waarin het gegiechel van Isabella
Brandt (Rubens weldadige echtgenote, met sinteloogjes) nog naklinkt, de
kerktoren en natuurlijk het kerkhof? Het is als een zinnetje uit een stuk
van Shakespeare lichten en zeggen dat is hem nu, of als een gat in een haute
couturejurk knippen: daarmee is alles naar de “knoppen”. Ook een monument
moet in zijn context gesitueerd worden.
De inwoners van Doel – en niet de havenmandarijnen, die geen schoentip aan
polderslijk vuil maken- zijn de enigen die de vraag kunnen beantwoorden of
dit dorp leefbaar is. In een karikatuur van een democratie, een democratuur,
wordt de beslissing echter genomen door degenen die de touwtjes van de
Antwerpse “poesjenellenkelder” in handen hebben. Geen oorlog, geen
watervloed, heeft Doel van de kaart kunnen spoelen. Zullen enkele culturele
en sociaal onaangepaste Beotiërs er wel in slagen? Het wordt schrijven tegen
de waanzin op. Mark Meekers wil niet de dichter zijn die met zijn verzen
Doel de palliatieve zorgen toedient.
“Lang LEVE Doel!”

Met dorpsdichterlijke groet, Mark Meekers.
-----------------
Mark Meekers (Marcel Rademakers), Leo Dartelaan 20, 3001 Heverlee, 016 22 63
98, e-mail: mark_meekers@hotmail.com

26 maart 2007

LITERAIR MANIFEST VAN "DE GELETTERDE MENS"

Een generatie auteurs verdiende beter

Generatievorming in het teken van tegenspraak
Een nieuwe generatie profileert zich meestal door een oudere tegen te spreken. Zo moeilijk als de literatuurwetenschap het heeft met periodiseren (het vaststellen van nieuwe data in de literatuurgeschiedenis), zo eenvoudig klaren de bij een generatiewisseling betrokken jonge auteurs dat karwei.
De schrijvers die rond 1960 debuteerden, vormden een heterogeen gezelschap, maar gemeenschappelijk was hun afkeer voor de klassieke rijmelarij en de (volks)verhalende vertellingen in romanvorm. De belangrijkste “vertellende” auteurs van die vooroorlogse jaren waren Antoon Coolen, A.M. de Jong, A. den Doolaard en Theun de Vries. In het begin van de periode kwam het felste engagement met de malaise van Jef Last.
De weergave van het toen zichtbare maatschappijbeeld was toen (en ook nu) niet de enige mogelijkheid voor een schrijver om het tijdsklimaat op te roepen. Hij kon dat ook doen door in verdichte vorm, met de middelen van stijl en verbeelding, aan te duiden wat er onder de oppervlakte als “tijdgeest” karakteristiek bleek voor een periode. De Nieuwe gedichten (1934) van Nijhoff geldt hier als een voorbeeld: het uiterlijk crisisbeeld van werkloosheid en stempellokalen kwam er slechts incidenteel in voor, maar de mentale beleving van de contemporaine wereld als “woest en leeg” was het onmiskenbare vertrekpunt in zijn verzen.

Wanneer er zich, in het zicht van 1940, een nieuwe generatie meldt, valt er in het smeulend vuur enige flakkering waar te nemen. Als woordvoerder van de “Veertigers” trad de dichter en criticus Ed. Hoornik naar voren. Hij gebruikte de term “mijn generatie” en hij bedoelde Aafjes, Achterberg, Den Brabander en Van Hattum. Of hij had het over “de jongeren die zich in 1939 groepeerden”, zoals Adriaan van der Veen, M. Vasalis, Pierre H. Dubois en Adriaan Morriën. In De Gemeenschap van maart 1940 schreef over “Een nieuwe generatie”. De ouderen vonden dat het werk van de jongeren “in het algemeen een groot gebrek aan generositeit, aan weidsheid van verbeelding, aan geloof in hun ster” vertoonde.

De naoorlogse poëzie vertoonde aanvankelijk weinig tekenen van vernieuwing. Daarin kwam verandering in de jaren ’50 met de zogenaamde experimentelen. Die groep wees een intellectualistische en esthetische (dicht)kunst af. In plaats daarvan stelden de experimentelen het spontane, het associatieve. Omdat de meeste experimentele dichters rond 1950 debuteerden, spreekt men van de Beweging van Vijftig. De Nederlander Hans Lodeizen (1924-1950) geldt als een voorloper. Enkele Vijftigers, zoals Claus (1929), Lucebert (1924-1994) en Jan G. Elburg (1919-1992) waren ook actief als beeldend kunstenaar.
De poëzie ging rebelleren in de taal. Zij deed beroep op vrije associaties, verrassende woord- en beeldcombinaties, die correspondeerden met de exploratie van het onderbewuste. De beelden verwezen niet meer naar een direct herkenbare realiteit, maar zij gingen binnen het gedicht zelf een autonoom leven leiden.
Terwijl de poëzie van de Vijftigers rond 1960 hoe langer hoe beter geaccepteerd raakte en de Zestigers sterk inspireerde, manifesteerde zich een tegenbeweging. Twee nieuwe tijdschriften eisten de aandacht op. Gard Sivik, genoemd naar een Antwerps artiestencafé, werd in 1955 opgericht door een groep jonge Vlaamse avant-gardisten. In 1957 voegden de Rotterdamse dichters Hans Sleutelaar en Cornelis Bastiaan Vaandrager (1935-1992) zich bij de redactie. Algauw bepaalden zij, samen met Armando en Hans Verhagen, de nieuwe neorealistische koers van het tijdschrift. De dichters van de “Nieuwe Poëzie” vonden de Vijftigers veel te kunstzinnig, te dichterlijk. De burgerlijke zakelijkheid die door de Vijftigers werd verworpen, werd door de nieuwe generatie juist omarmd. In 1964 verscheen de laatste aflevering van Gard Sivik. Gust Gils (1924) was de auteur van het “paraproza” en van een hele reeks bundels die poëzie brachten van ontmaskering, grimmige ironie, woordspel en surrealistische beelden.
Gard Sivik werd een paar jaar later opgevolgd door De Nieuwe Stijl.

De tijd van de “bewegingen” in de poëzie leek na de jaren zestig voorgoed voorbij. Wel ontstond er een duidelijke opleving van traditionele versvormen. Rijke beeldspraak en herkenbare gevoelens speelden weer een rol. Ook de relatie tussen het woord en de werkelijkheid werd onderzocht. Virtuoze vormbeheersing en zorgvuldig opgebouwde gedichten bleken eveneens gegeerd. In Vlaanderen “groepeerde” Lionel Deflo enkele dichters achter de vlag van De nieuw-realistische poëzie in Vlaanderen (Brugge, Orion, 1972). In 1981 schreef Guy van Hoof een essay over De Nieuwe Romantiek (Van Hyfte, 1981).
In de rand van de literatuur deed zich in Nederland een ingrijpend maar kortstondig fenomeen voor, meer bepaald in de grote steden Amsterdam, Rotterdam en Den Haag, met name Provo die in 1965 werd opgericht. Het betrof groepen met een aanzienlijk contingent “intellectuelen” (kunstenaars, schrijvers, studenten, scholieren) die elkaar veel troffen in de cafés rond het Leidseplein. Onder hen waren Simon Vinkenoog, Bart Huges, Robert-Jaspar Grootveld en Johnny van Doorn (Johnny the Selfkicker).
Het middel om zich bekend te maken was de “happening”. Dat van de Amerikaanse “action painters” overgenomen begrip duidde een openbaar evenement aan, waarvan het doel was mensen collectief uit hun bol te laten gaan.
Ik vind deze parenthese belangrijk om de tijdsgeest te schetsen waarin wij als debutanten (in de jaren ’60-70) onze opwachting maakten in de “salons” van de literatuur.

Ik had het daarnet over de Vijftigers, maar ook de Vijfenvijftigers hebben hun stempel gedrukt op de poëzie van mijn generatiegenoten, zij die geboren zijn tijdens de oorlog, laat ons zeggen tussen 1940 en 1950. Zij kozen resoluut voor het woordexperiment, voor de autonomie van de poëzie boven een direct engagement. Ze publiceerden in de tijdschriften De Meridiaan (1951-1960), Het Kahier (1953- ) en De Tafelronde (1953- ), met Paul de Vree.

Het centrum van deze tweede experimentele generatie was Antwerpen met de redacteurs van Gard-Sivik als toonaangevende figuren. Niet alleen Gust Gils, maar ook Hugues C. Pernath (1931-1975) en Paul Snoek (1933-1981). Over deze laatste waren wij het roerend eens dat hij nieuwe poëzie schreef. Vooral zijn eerste gedichten, van zijn oorspronkelijke beelden die niet direct “experimenteel” aandeden.

De generatie dichters die in de jaren ’60-‘70 debuteerde, mijn generatie.
Die dichters en schrijvers gingen via het taalexperiment hun eigen weg, hoewel ze zich nooit helemaal kon losmaken van de vorige “experimentele” generatie.
In de eerste helft van de jaren ’60 is de experimentele poëzie over zijn hoogtepunt heen. Het hermetisme van heel wat experimentele gedichten maakte ze voor vele lezers ontoegankelijk.
Clem Schouwenaars (1932-1993), Willy Spillebeen (1932), Walter Haesaert (1935), Hedwig Speliers (1935), Julien Vangansbeke (1936), Frans Depeuter (1937) en Robin Hannelore (1937) distantieerden zich niet van de experimentele poëzie, maar gingen hun eigen weg, zij voegden er iets aan toe. Bij Schouwenaars viel de zin voor klassieke schoonheid op. Spillebeen bekommerde zich minder om het ”schoonheidsgehalte” maar zijn poëzie ging diep en trof door haar zin voor symboliek, vaak geprojecteerd tegen een mythische achtergrond. De maniërist Haesaert was dan weer virtuoos in de beeldvorming. Hedwig Speliers legde echter op de meest in het oog springende wijze de brug van oud naar nieuw. Als dichter was hij eigenzinnig en toonde een bijzondere aandacht voor woord en metafoor. Hij zette zich af tegen het experiment als experiment en ging fel tekeer tegen de parlando-stijl van de nieuw-realisten. Zijn eigen beeldspraak was verstandelijk gecontroleerd, maar zijn poëzie was niet altijd vrij van hermetisme.

De poëzie van de generatie dichters die tijdens of kort na de oorlog zijn geboren, vertoont een neo-experimenteel karakter. Ik denk hier onder andere aan Annie Reniers (1941), Dirk Christiaens (1942), Rob Goswin (1943), Fred de Swert (1945-1977), Guy van Hoof (1943). Leeftijdsgenoten: ik ben geboren in 1940.
Samen met de hierboven genoemde (iets oudere) dichters vormden zij een schakel tussen de nieuwe tijd en de eeuwen die achter hen lagen. De dichter van de eerste eeuwhelft had reeds heel veel met de woorden bereikt, nu was het hun beurt om op zoek te gaan naar hun eigen identiteit, rond thema’s zoals liefde en eenzaamheid; de meesten vertoonden een neiging tot introspectie, tot nadenken over mens en wereld, anderen waren kosmisch gericht, schreven tragisch-visionaire poëzie. Ondertussen was het levensklimaat gewijzigd en dat was ook merkbaar in de nieuw-realistische poëzie die gegangmaakt werd door de tijdschriften Kreatief (1966 - 2005) en Revolver (1968 -). Poëzie was echter meer dan plaatjes schieten van de werkelijkheid. Het kon niet worden ontkend dat de nieuw-realisten de poëzie een grotere verstaanbaarheid hadden gegeven.
De nieuw-realistische poëzie was niet alleen een reactie tegen de experimentele poëzie, maar ook tegen de romantische, metafysisch gerichte poëzie.

De vergeten auteurs van de generatie ’60-‘70
Wat mij opvalt, zijn de talrijke auteurs (schrijvers en dichters) die, hoewel zij voor “beloftevolle jongeren” werden aanzien, nooit de appreciatie kregen die zij verdienden. Met “appreciatie” bedoel ik hier: aandacht, publicatiemogelijkheid, recensie, kritiek, kort: de status van een “echte” auteur. Waarom werd hun werk niet uitgegeven door “gevestigde” uitgeverijen? Omdat zij te weinig publiceerden? Omdat zij onverzorgde uitgaven op de markt brachten? Omdat zij slecht schreven? Omdat zij geen geduld opbrachten? Of was het gewoon omdat zij geen “geluk” kenden, omdat zij niet de “juiste” man of vrouw tegen het lijf liepen, lees: de invloedrijke recensent of criticus, de invloedrijke vriend en schrijver, een bevriende uitgever…? Pech dus en niemand treft schuld!
Ik denk onder andere aan (en beperk mij tot) de dichters Werner Abeele, Wilfried Adams, Joseph Avers, Kari Bert, Jozef Bierkens, Daniel Billiet, Marc Bruynseraede, Hervé J. Casier, Guy Commerman, Willy Copmans, Frans Cornelis, Frank de Crits, Dries Dehollander, Bea De Longie, Raoul M. de Puydt, Jean-Marie De Smet, Dirk Desmadryl, Roger Devriendt, Albert Donk, Richard Foqué, Christian Germonpré, Rob Goswin, Dany Hilven, Luc Indestege, Bert Klein, Gie Laenen, Fernand Lambrecht, Gie Luyten, Gi Mateusen, Bart Mesotten, André Polfliet, Ben Reynders, Maria Seselle, Willy Sneeuw, Werner Spillemaeckers, Thomas Triphon, Luc Vancampenhout, Leopold M. Van den Brande, Luc Van Hoeylandt, Miel Vanstreels, Herwig Verleyen, Hedwig Verlinde en Ignaas Veys.

Maar wat gezegd van de wijze waarop de overheid en zij die door de overheid werken, regels opstellen en aan belangenvermenging doen? Ik ken maar één regel: de anti-discriminatieregel: elke schrijver is gelijk voor de wet. Is dat zo?

Er heerst onbehagen. Welke zijn de grieven van de schrijvers? De schrijvers vormen samen met de artiesten een aparte categorie van personen die een vrij (bij)beroep uitoefenen. Het schrijverschap wordt wel juridisch of wettelijk erkend, hoewel de schrijvers zelf hun schrijfwerk niet als een beroep, althans hun hoofdberoep, beschouwen.
Het is een vrij beroep, maar met zulke eigenaardigheden dat de assimilatie met andere vrije beroepen mank gaat. Alleen al een bepaling geven van de schrijver is een moeilijke taak. De meeste schrijvers kunnen niet “van hun pen” leven. Waar zouden zij overigens van leven? In de eerste plaats van de verkoop van hun werken? De auteursrechten? Wegens de beperktheid van de Nederlandstalige boekenmarkt lopen de oplagen zelden hoog op, zodat de opbrengst in de meeste gevallen niet volstaat om een schrijver fatsoenlijk te laten leven. De debutanten en/of auteurs die niet (kunnen) uitgeven bij erkende uitgeverijen vallen uit de boot. Bovendien ondervinden zij weinig steun van de bibliothecarissen (en hun belangengroepen) die geen of bijna geen boeken van hen aankopen.

Komt het huidige Vlaams Fonds voor de Letteren in aanmerking om een loon aan de schrijvers uit te keren? Moet in dit geval het Fonds niet worden beheerd door de auteurs zelf? De moeilijkheid ligt echter in de criteria die moeten gebruikt worden voor de toelating tot een dergelijke regeling. Dit vereist alweer een bepaling van het schrijversberoep in kwantitatief en in kwalitatief opzicht. Wie bezit echter het recht en de bevoegdheid om in deze uiterst delicate aangelegenheid normen vast te leggen?

Ik leg de vinger op een aantal problemen die inherent zijn aan het schrijversberoep.
Het debuut in de literaire carrière b.v. is bijzonder moeilijk. Een auteur zonder naam of faam moet de gunst van een uitgever en die van een publiek zien te winnen, die verwend zijn door een massa dergelijke producten. Vaak werken auteurs eerst jaren in het donker voordat zij erkend worden. Soms hebben ze het geluk door een collega-schrijver met naam ontdekt en beschermd te worden of door een uitgever opgemerkt te worden, die bereid is hun een kans te geven. Maar dit blijven uitzonderingen. De meeste schrijvers moeten op eigen krachten rekenen om zich een weg te banen naar een eerste succes. En deze weg kan soms vrij lang zijn.
Ik denk aan subsidies in de vorm van mandaten van beperkte duur. Het geld zou kunnen komen uit een (nieuw) Vlaams Fonds voor Auteurs, dat voor een deel uit overheidsgelden en voor een deel uit privé-kapitalen en nieuwe heffingen op de verkoop of de uitlening van boeken (het zgn. leengeld) bestaat.
Opvallend is het feit dat vele auteurs gewag maken van uitgaven in eigen beheer. Dit betrekkelijk hoge cijfer wijst op een bepaalde tendens in de verhouding auteur en uitgever. Er zijn inderdaad duidelijke ziektesymptomen, die het lampje op rood zetten. Wij hebben het hier niet alleen over de strijd de kleine uitgeverijen tegen de gevestigde huizen moeten voeren. Wij beschouwen de problematiek veeleer vanuit het standpunt van de schrijver. De schrijver kiest zijn uitgever niet, hij wordt door hem gekozen. De uitgever acht het verkoopbaar, rendabel of totaal waardeloos. Hij behandelt het gewoon als ieder ander commercieel product. Indien het merk al bekend is, zal de verkoop vermoedelijk vlot verlopen. Voor een nieuwigheid is echter voorzichtigheid geboden. De kansen worden gewikt en gewogen en vallen, naar gelang de verwachte afzet, gelukkig of faliekant voor de auteur uit. Deze kan zijn zaak nog bepleiten om zich uiteindelijk toch bij de beslissing van de uitgever neer te leggen. De auteur is dus totaal overgeleverd aan de ijzeren wetten van de boekenmarkt en krijgt al spoedig, terecht of ten onrechte, de indruk dat hij een speelbal is in de handen van kapitaalkrachtige uitgevers die, samen met drukkers en boekhandelaars, hem kleinmaken door hem niet ernstige voorwaarden op te leggen. Dit besef van schreeuwend onrecht groeit vooral bij de jongere schrijvers (en bij de ouderen die aan hun debuut terugdenken), omdat zij er het meeste nadeel van ondervinden.
Om aan de greep van het grootkapitalistisch bedrijf te ontsnappen, denken hier en daar schrijvers eraan zelf de touwtjes in handen te nemen en zelf voor hun verspreidingskanalen te zorgen.
De schrijvers die bij ons hun werken zelf uitgeven en meteen ook die van hun collega's zijn wellicht een eerste aanzet tot ontsnapping aan het uitgeversbedrijf. Het zijn meestal jongere schrijvers, wiens manuscript door een uitgever geweigerd werd en die dus door de bestaande kanalen niet kunnen doorbreken.

Hier zou de VVL een belangrijke rol kunnen spelen: duiding geven, ontwerpteksten tot subsidiëring (aan)maken voor de overheid, kansarme auteurs en hun verzuchtingen actualiseren, uitgaven in eigen beheer of bij niet-erkende uitgeverijen collectief aanprijzen bij bibliotheken en in kranten, tijdschriften en e-magazines.
De VVL dient zich te profileren als een “vakbond” die gedreven en bedreven onderhandelt met de overheid, met uitgeverijen, het bibliotheekwezen en de boekhandel.

Worden er een aantal betrekkingen in de overheidsdiensten aan schrijvers toegekend? Worden er (voldoende) subsidies uitgekeerd aan bibliotheken en letterkundige instellingen? Worden er (toereikende) subsidies verleend voor literaire uitgaven en tijdschriften? Worden er (gespijsde) prijsvragen voor letterkunde en literatuurgeschiedenis uitgeschreven? Worden er (voldoende) literaire werken door de overheid aangekocht? Worden er (gespekte) reis- en werkbeurzen aan letterkundigen toegekend? Worden er staats-, provinciale en gemeentelijke prijzen aan letterkundigen uitgereikt? Ik hoor de minister en de ambtenaren hardop roepen: “JA!”
Toch vrees ik dat de literatuur door de overheid stiefmoederlijk wordt behandeld. Zij is vaak niet erg vrijgevig. Zij stelt auteuronvriendelijke voorwaarden. Zij geeft voorrang aan de uitgever boven de auteur, aan de commercie boven de kunst. Ik durf te schrijven dat de overheid de literatuur veeleer bemoedert dan wel daadwerkelijk helpt.

Deze bedenkingen zijn gegroeid uit een eigengereide bekommernis van De Geletterde Mens voor de schrijverswereld. Ik ben er van overtuigd dat het probleem van het statuut van de schrijver niemand onberoerd laat. Het probleem is overal aan de orde en heeft reeds jaren heel wat opschudding gewekt. Er heerst ongetwijfeld een malaise in de letterkundige wereld. Ook - en zeker niet in het minst - bij ons.

Thierry Deleu,
eindredacteur De Geletterde Mens

(*) De e- of netbooks zijn een (nieuw) fenomeen waar ik in deze context geen aandacht aan besteed, ofschoon ik deze initiatieven zeer waardeer.
(*) Deze problematiek kwam reeds aan bod in de jaren ’70. Zie Sonja Vanderlinden, De malaise in de letterkundige wereld – Sociologische enquête naar de positie van de Vlaamse schrijver, Universiteit Leuven, 1974.